|
|
|
| |
August Vermeylen (1872-1945)
August Vermeylen is de wezenlijke leider van Van Nu en Straks geweest, zoals Albert Verwey dat was van De Beweging. Vooral aan Vermeylens werkzaamheid is te danken dat, met name via dit tijdschrift, de traditie van de Vlaamse Beweging verbreed en verdiept werd, en het gedachten- en gevoelsleven in Vlaanderen weer een Europese wijdheid kreeg. Door de publikatie, in het begin van de tweede reeks van het tijdschrift (1896-1901), van de Kritiek der Vlaamsche beweging werd zijn gezag als intellectueel leider voorgoed gevestigd; daardoor mede kreeg indirect ook Van Nu en Straks in breder kring invloed4.
| | | |
Vermeylens ouders1 waren weliswaar Vlamingen, maar hadden zich te Brussel gevestigd. Zeker in die tijd was er niet veel voor nodig in het verfransende milieu van de Belgische hoofdstad geheel op te gaan, d.w.z. te verfransen. De jonge Vermeylen leerde echter op het Brusselse atheneum en in de liberale leerlingenbond de Vlaamse beweging kennen. Daar ontmoette hij bovendien in de poësis van het jaar 1888 tot 1889 de Vlaamsgezinde leraar Jan Kleyntjens, die de opstellen van zijn leerling naar het weekblad Flandria zond, dat ze opnam in de rubriek ‘Onze jonge schrijvers’. Als retorica-leerling stichtte Vermeylen, zeventien jaar oud, het tijdschrift Jong Vlaanderen. Hij was toen al volop Vlaamsgezind.
Zijn jeugd (als denkend wezen) situeert Westerlinck in de jaren 1889 en 1890. Hij kenschetst Vermeylens jeugdactiviteiten als ‘baldadig debuut’. Dit debuut is, negatief, vol antiburgerlijke opstandigheid en felle drift tot ontmaskering van wat hij huichelarij acht. Positief leeft de jonge Vermeylen uit het geloof aan de onbeperkte rechten van de schoonheid. Ten aanzien van die schoonheid schenkt hij overwegend aandacht aan de gedachtelijke en ethische aspecten die in het kunstwerk voorkomen; hij is meer theoreticus dan ‘concreet-gevoelige artiest’. Al spoedig echter is deze tijd van intellectueel dogmatisme, die ook door een sterk sensualisme gekenmerkt werd, voorbij. Zijn geest leert de twijfel kennen, zijn innerlijk verdeelde natuur zoekt diverse uitwegen. Jaren van geestelijke crisis, of als men wil van geestelijke bewustwording (1890-1893), volgen. Hij komt te staan onder invloed van de Franse poëzie (van Baudelaire en van de z.g. decadenten) en oriënteert zich naar een weemoedige atmosfeerkunst vol mysticisme, spiritualisme, impressionisme en symbolisme. Zoekend naar het geestelijk beginsel dat alles omvat en ordent, vindt hij dit voor wat de literatuur betreft in 1893 in de spiritualiteit en het religieus monisme van de Franse symbolisten.
Het beginsel dat eenheid schept, meent hij, moet geestelijk zijn; hij spreekt over het bestaan van het ‘mysterie’. Maar het begrip van dat mysterie is verplaatst, ‘God’ is de immanente noodzakelijkheid geworden, de ‘bezielende kracht die vernielt en schept in eeuwige beweging en eeuwigen groei, de hoogste geheimenis: het Leven, dat, zoowel in de cel als in het heelal der wentelende werelden, een schikking is door elementen, een vorm van organisatie; en het principe van die organisatie, wat we niet kennen, is de Rhythmus van 't Leven, God. Wij zijn, alles is een functie van den Rhythmus’2. Alle dingen in harmonie tezamen, ‘het
| | | |
Leven’, is gelijk aan God. Het Leven in zijn harmonie valt samen met God. Deze God van Vermeylen waaraan hij ‘gelooft’, is een andere dan die de christen bedoelt als hij over God spreekt; Vermeylen bedoelt, dat hij gelooft aan de ‘Harmonie zelf der dingen’. Hij erkent geen persoonlijke buiten-wereldse macht, geen hoger wezen dat invloed op deze wereld zou kunnen doen gelden, hij erkent alleen de ‘inwendige natuurwet, de evolutie die van binnen naar buiten werkt: geloof dat het leven zijn einddoel in zich zelf heeft, dat men zich alleen moet laten dragen op den noodzakelijken aandrang van zijn eigen aard’1.
De volledige werkelijkheid, ook dus die van het ‘mysterie’, kan alleen door de ziel met haar intuïtieve kenvermogens volledig gevat worden. Thans boeit hem bovenal het spirituele element in het zo veelzijdige symbolisme. Als mens en kunstenaar is hij vooral gebiologeerd door het leven van de psyche en haar mysteries, waarvan er één is: het heimwee naar een Oneindigheid, naar het Eeuwige.
In deze jaren kwam Vermeylen met zichzelf eveneens in het reine voor wat betreft zijn beschouwing van het maatschappelijk vraagstuk. Aanvankelijk handhaafde hij zijn uitgangspunt van de soevereine persoonlijkheid als fundamenteel dogma, met inbegrip van vernietigingsdrift en nihilisme, van de nietzscheaanse afkeer van de massa ook. In 1896 laat hij de vroeger gehuldigde theorieën van het anarchisme los, maar principieel handhaaft hij te allen tijde zijn, hem als ingeboren, voorkeur voor de vrije, sterke persoonlijkheid. Maar - en dit is het andere aspect van zijn maatschappijbeschouwing - deze vrije persoonlijkheid kan slechts volledig zichzelf worden wanneer zij aan het volle leven deelneemt; zijn zelfontwikkeling (zijn doel) kan de mens het best bereiken in de gemeenschap2. Zo komt Vermeylen voor wat
| | | |
het maatschappelijke betreft tot zijn synthese van individuele vrijheid en gemeenschappelijke gebondenheid, die óók ten grondslag lag aan het ethos van Van Nu en Straks.
De verhouding tussen persoonlijkheid en gemeenschap is overigens niet voor alle eeuwen onwrikbaar vastgelegd. Noch ten aanzien van de mens, noch ten aanzien van de gemeenschap, noch ten aanzien van hun onderlinge verhouding erkent Vermeylen abstracte, ‘eeuwige’ begrippen of normen. De wijsgerige grondslag van zijn wereldbeschouwing ligt uiteindelijk in een dynámisch pantheïsme1.
Op grond van zijn monistisch pantheïsme ontwikkelde Vermeylen zich vanaf 1896 als voorstander van een spiritualistisch humanisme, dat het individualisme blijft erkennen en bijzondere waarde hecht aan het mysterie en spirituele waarden, maar dat vóór alles als activiteit gericht wil zijn op het concrete leven. Met name dat van de mens. De mens is van nu af in zijn oog de erkenbare maat van het leven, zowel van het persoonlijke (waarin de eros een aanzienlijke rol speelt) als het sociale. Met voorbijgaan van alle abstracte theorieën fundeert hij zijn humanisme op de concrete basis van de geschiedenis en van het maatschappelijk leven, met name van de Renaissance en het socialisme. Zijn ‘ontdekking’ van de, aanvankelijk ten bate van het symbolisme verworpen maar daarna uitdrukkelijk gewaardeerde, Renaissance, die naar zijn mening de mens tot maatstaf der dingen gemaakt had, bracht hem tot zijn dissertatie over Leven en werken van Jonker Jan van der Noot (1899).
Deze opvatting van de mens als maatstaf van alle dingen, maar dan wel de complete mens, komt ook tot uitdrukking in zijn opvattingen over kunst. Uit het oogpunt van de strikte kunstbeschouwing zet Vermeylen de arbeid van de onmiddellijk aan de zijne voorafgaande generatie voort en voltooit die, in zoverre zij onvolledig was. Die generatie had vooral de eenheid van vorm en inhoud geproclameerd. Vermeylen sluit er zich voor wat de strikt artistieke aspecten betreft, bij aan, maar ging, evenals de Negentigers in het zuiden en noorden, verder. De Tachtigers hadden zich vrijwel uitsluitend afgevraagd, of een individueel gevoel op individuele wijze tot uitdrukking was gebracht. Wèlk gevoel de dichter bezielde, interesseerde hun minder; alleen, of dit gevoel zuiver gestalte ontving. Vermeylen nu voegt daar de stelling aan toe, dat ‘...bij gelijk kunnen, bij gelijke zuiverheid van uitdrukking, een kunst grooter is, naarmate het innerlijk wezen van den dichter grooter is, omvangrijker, naarmate het meer leven in zich heeft opgenomen, meer wereld in zich omvat. Bij gelijk kunnen, bij gelijke zuiverheid van uitdrukking, is een kunst die slechts op gewaarwordingen van de zin- | | | | nen teert, minder dan een kunst die den geheelen mensch uitdrukt’.
Na de louter esthetische kritiek van de Tachtigers wees hij op ‘die schoone samenklank van levensveelvuldigheid in ééne ziel’ die hij het element der groot-menselijkheid noemt1.
‘Vondel - zegt hij - is grooter dan Verwey, niet precies doordat de verhouding tusschen het gevoelde en het gedichte zooveel zuiverder bij hem zou zijn, maar vooral doordat zijn emotie een grootere wereld bemachtigd heeft en uitgedrukt’2.
Vermeylens beschouwingswijze deed recht aan àlle factoren die in het kunstwerk tot gelding komen, zowel aan de strikt-artistieke eigenschappen als aan het ethos ervan. Het bezit van een gesloten, veelomvattende schoonheidsleer is de kracht geweest van August Vermeylen3.
Vermeylen bezat een natuurlijke begaafdheid, een fijn ontwikkeld artistiek zintuig, dat met subtiele voelhorens het werk aftast en met doorgaans zuivere intuïtie wezenlijk doorgrondt. Hij bezat ook een krachtig taalvermogen, hij beheerste het Nederlands perfect ter expressie van wat de talloze werken die hij behandelde hem in hun eindeloze gevarieerdheid te zien, te voelen en te denken gaven.
Vermeylens kracht ligt in het essay, meer dan in de kritiek4. Wat niet paste binnen het kader van ‘belijdenis van algemeen menselijkheid’, kon hij soms niet op zijn eigen waarde taxeren: het klassiek voorbeeld is zijn misverstaan van de betekenis van het werk van Paul van Ostaijen. Maar dit blijven uitzonderingen, waarnaast de talrijke werken
| | | |
staan waarin zijn kunstbeschouwing op markante wijze tot uiting komt. Genoemd werd al zijn dissertatie Leven en werken van Jonker Jan van der Noot (1899). Als het ware in het verlengde hiervan ligt zijn aanvankelijk in drie delen uitgegeven Geschiedenis der Europese plastiek en schilderkunst (1921-1925), later uitgegeven als Van de catacomben tot El Greco (1946). De beschrijving in dit laatste boek van de erin behandelde kunstwerken berust op een duidelijke, veelomvattende esthetica, munt uit door heldere formulering en wekt blijvende bewondering om het vermogen alle nuances in de behandelde werken tot hun recht te doen komen. Dit monument van gedegenheid en schoonheid handhaaft zich, evenals zijn boek over De Vlaamse letteren van Gezelle tot heden1, gemakkelijk naast wat een Huizinga op dit gebied in het noorden publiceerde.
Vermeylen heeft er ook naar gestreefd zichzelf ‘creatief’ uit te drukken. Zo in Eene jeugd (1896), een autobiografisch relaas dat essayistische kenmerken verbindt met bewuste stijloefening2. Vooral echter in De wandelende Jood. Het concept hiervoor dateert uit de vruchtbare jaren negentig (1897); de tekst, een ombouw in romanvorm van Eene jeugd, werd geschreven in de jaren 1904 en 1905. Het verscheen in 1906. In dit werk objectiveerde hij zijn persoonlijke overtuiging, zijn visie op het leven en zijn levensgevoel. Binnen het kader van het aanvankelijk in een ‘Vlaams’ Jerusalem getransponeerd Ahasverusverhaal geeft hij de problematiek van het menselijk leven en levensgeluk. Ahasverus vindt het gezochte geluk niet in de razernij der zinnen, noch in de koele rust van de mystieke bespiegeling; hij vindt het, voorzover mogelijk, in de gemeenschappelijke arbeid aan een gemeenschapswerk, in menselijke activiteit binnen dit aardse leven, waarin - en niet waarbuiten - zich het goddelijke beginsel manifesteert. - Het scherpst grift zich in de herinnering echter niet dit slotgedeelte van het werk; veeleer doen dat de delen waarin de uitersten omlaag en omhoog - zinnendrift en geestelijke verrukking - beschreven worden met een kleurigheid die Vermeylen de oude schilders kan hebben afgezien.
‘Veeleer dan een roman is het boek - zegt Lissens - om zijn haast vlekkeloze vorm en zijn synthetische techniek een uitgebreid allegorisch prozagedicht, geschreven door een intelligente leerling van Flaubert’, meer overigens een constructie van de geest dan een schepping3. Het terugplooien op het ik en de innerlijke groei daarvan, door
| | | |
B.F. van Vlierden aangewezen als een van de voornaamste tendensen in deze periode1, wordt met Vermeylen definitief.
Tegen het einde van Vermeylens leven zag het licht een overigens reeds in de laatste jaren van de vorige eeuw ontworpen roman Twee vrienden (1943); het boek behandelt de problematiek van zijn jeugdjaren, maar het doet dit op minder boeiende wijze2.
Naast zijn betekenis voor de letterkunde, is Vermeylens activiteit in algemeen-culturele zin uitzonderlijk belangrijk geweest. In zijn tijd heeft hij als één van de leiders der Nederlandse cultuur in België gefungeerd. Hij was dit feitelijk door zijn theoretische opstellen en essays, waarvan zijn Kritiek der Vlaamsche beweging (1895) wel het vermaardste werd3. Dit leiderschap berustte, naar Westerlinck heeft uiteengezet4, op Vermeylens intellectuele aanleg, welke die van een weter is, niet die van een scheppend denker. Zijn wereldbeeld vertoont geen oorspronkelijkheid, maar is resumerend en ordenend. Zijn begaafdheid tot ordenen en tot synthetisch assimileren van wat anderen, met name anderen in het buitenland, dachten, berust op zijn ‘klassieke’ intellectuele aanleg en werd op gelukkige wijze gesteund door zijn harmonisch karakter5.
|
4Marnix Gijsen, De literatuur in Zuid-Nederland sedert 18304, 43.
1De nu volgende gegevens in A. Westerlinck, De wereldbeschouwing van August Vermeylen, Antwerpen, z.j. [1959]; verder aangehaald als August Vermeylen.
2A. Vermeylen, Proza, Amsterdam, 1941, 86.
1A. Vermeylen, Proza, 86. Vanuit deze gedachtengang is zijn individualisme verstaanbaar, zijn verwerping ook van alle opgelegd gezag. Deze gedachtengangen over de ‘natuur’ en de ‘evolutie die van binnen naar buiten werkt’ vindt men ook bij de behandeling van andere problemen in zijn geschriften terug. Als hij, bijvoorbeeld, het vraagstuk behandelt van het z.g. taal- en letterkundig particularisme in de taalkunst ( Taalparticularisme?, Proza, 170-91), waardeert hij het als, en inzover het ‘een rechtstreeksche en noodzakelijke uitdrukking van zelfgevoeld leven’ is, maar als literair procédé wordt het veroordeeld; in een beschouwing over Teirlinck veroordeelt hij diens ‘literatuur’, waaronder hij verstaat datgene wat niet van binnen uit de psychische werkelijkheid van de auteur noodzakelijk zo groeide, maar dat optrad waar psychische leemten overdekt moesten worden met de woekering van ‘woordkunst’; het goed recht van de Vlaamse beweging wordt gemotiveerd met een beroep op de natuur en eigen aard van de natie, die evengoed als het individu, recht op een eigen vrij, zelfstandig leven heeft; en ‘godsdienst’ is een voortbrengsel van de mens: een volk maakt zo goed zijn religie als zijn taal ( De kunst en de vrije gemeenschap, Proza, 91).
2Deze gedachtengang overigens al in De kunst en de vrije gemeenschap van 1894; Proza, 83-94.
1Over de pantheïstische stromingen die Vermeylen gekend kan hebben, zie A. Westerlinck, August Vermeylen, 74-7.
1Een standpunt (1907), in Proza, 223 vlg.
2Nog eens om een ‘standpunt’, in Proza, 230 vlg.
3Zijn beperking vond Vermeylens schoonheids- en kunstopvatting in de ietwat eenzijdige voorkeur voor het intuïtieve onder afwijzing van de redenerende inductie. Gekant als hij is tegen het positivisme (dus ook tegen Taine), staat hij de geesteswetenschappelijke benadering van het kunstwerk, en dit in extreme vorm, voor. Hij acht het kunstwerk de uiting van de scheppende persoonlijkheid, die zichzelf ‘organisch’ vorm geeft in het werk. Daaruit vloeide voort zijn geloof in de volmaakte eenheid van inhoud en vorm. Krachtens deze overtuiging benaderde hij door bestudering van de vorm - in breder verband: de stijl - en de ontwikkeling daarvan, de groei ook van de persoonlijkheid van de kunstenaar.
Vraagt men naar Vermeylens láatste verklaring van het scheppend wezen van de kunstenaar, dan antwoordt hij met de stelling dat de dichter de ‘hoge openbaring van den allesvoortbrengenden Geest’ is, dat de kunst de werking is van een alomtegenwoordige en mysterieuze geest. Zijn stijl- en kunsthistorische studies ontspruiten dan ook niet aan het verlangen door een inductieve analyse de volledige werkelijkheid van àlle kunstverschijnselen te achterhalen, maar het dynamisch-organisch verloop van de geschiedenis, van het mysterieuze ‘Leven’ als levend geheel, als Eenheid te suggereren. Hierover J. Aerts, De onderlinge verhouding van kunst en wetenschap bij Vermeylen, SpdL 2 (1959), 270-84.
1Een voortzetting ervan (tot 1961) vindt men in Bernard Kemp, De Vlaamse letteren tussen gisteren en morgen (1930-1960), Hasselt, 1963.
2B.F. van Vlierden, Wonderjaer, 65.
1B.F. van Vlierden, Wonderjaer, 59-77.
2Over Twee vrienden B.F. van Vlierden, Wonderjaer, 66.
3Bundelingen van zijn essays in Verzamelde Opstellen (1904, 1905) en, veel later, Beschouwingen (1942). Een keuze eruit in Proza (1941).
4A. Westerlinck, August Vermeylen, 151-4.
5Over Vermeylen, A. Westerlinck, De wereldbeschouwing van August Vermeylen, Antwerpen, z.j., [1959]; Gedenkboek August Vermeylen ter gelegenheid van zijn 60sten verjaardag, 's-Gravenhage, 1932; Paul de Smaele in Collection nationale, Bruxelles, office de publicité, 1948; R. Roemans, Het werk van prof. dr. August Vermeylen, Amsterdam, 1952; F. Closset in Ts. voor Levende Talen, jan. 1955, en drie artikelen in het herdenkingsnummer van NVT 9, nr 8 (van Dirk Coster, Achilles Mussche en Herman Teirlinck). Over Twee vrienden, A. van Duinkerken, Vlamingen, Hasselt, 1960, 36-40; verdere bibliografie R.F. Lissens, 321.
|
|