|
|
|
| |
| | | |
Met blijdschap geven wij kennis
Een mens moet teder zijn voor een eerstgeborene. En zo zijn wij ook teder voor Maartje Luccioni. Of liever: niet voor Maartje Luccioni zijn wij teder, want wij kennen Maartje Luccioni niet, noch wensen wij Maartje Luccioni nu of te eniger tijd te kennen, maar wel zijn wij teder voor Maartje Luccioni's eerstelinge.
Die eerstelinge van Maartje Luccioni heet: Wie nu geen huis heeft.
Dat is een regel uit een vers van Rainer Maria Rilke dat iedereen kent, of liever, het is een halve regel. Deze Rilke schreef veel moois, en sprak veel dames aan, ik bedoel niet dat hij dames aansprak, dat deed hij ook wel, néé, ik bedoel hij sprak ze áán, hij gréép ze, geestelijk, en nu ook dus Maartje Luccioni.
Er komen in Wie nu geen huis heeft meer literaire citaten voor; ook de structuur ervan is ontleend, van een gecomponeerde degelijkheid die bij een goede traditie aansluit.
Een Hollands meisje, Jeanette, is getrouwd met een Fransman, Jacques, en door middel van brieven, telefoongesprekken maar vooral monologen krijgen we stukje bij beetje een overzicht van de hele familie, de Franse kant, met onder meer Grandmère en de familiedokter, de Nederlandse kant, met vader, moeder, broers en zusters.
Een totaaloverzicht, dank zij monologen en fragmenten die de relaties, de problemen en de levensopvattingen van de onderscheiden personen weergeven. Elk een wereld op zich: beslist aangrijpend is het verhaal van Grandmère, van wie we, uit andere bron, te weten komen dat ze zelfmoord pleegde: haar huis liet ze na aan Jeanette en Jacques en hun zoontje Alain, die daardoor, mét dat huis, zo'n beetje de spil van het verhaal worden, nolens volens, al komen we bij voorbeeld meer aan de weet over de
| | | | moeder van Jeanette, kunstnijver en nerveus, en haar vader, die blijkbaar van een geestelijke inzinking herstellende is.
Waarover spreken zij? Teveel, ben ik bang, over zwangerschap, de beroemde, veelbesproken man-vrouw-relatie, baby's, bevallingen, menstruatie, de oervrouw, vruchtwater en moederkoek. Dat zijn geregeld terugkerende thema's. Door de roman Wie nu geen huis heeft zweeft als het ware de geest van de vruchtbaarheid. Opoe geeft dochter raad, vrouw denkt na over man, broers monoloog speelt zich af naast het naakte lichaam van vriendin.
Dit laatste blijft altijd een technisch probleem bij een dergelijke romanconstructie met een monologue intérieur: ik bedoel, wanneer je iemands verhaal in de ik-vorm en in de tegenwoordige tijd leest, terwijl die iemand zijn hoofd toch duidelijk bij iets anders heeft.
Je kunt je bij voorbeeld bij: ‘Je kunt je niet voorstellen hoe lekker het is, daar binnen bij jou. Dát is nou bloedheet. En heerlijk nauw. Net voor je klaarkomt, lijkt het soms nog nauwer te worden, is dat waar? Laat eens kijken... Ja, waarachtig, de clitoris is een echt penis-rudimentje, verdomd, een poppepikkie!’ nauwelijks voorstellen dat broer een vulpen vasthoudt, omdat niet alleen zijn hoofd, maar ook zijn handen duidelijk elders zijn. Zoiets zou voor mijn gevoel geen monoloog, maar een gesprek of citaat moeten zijn, in de verleden tijd moeten staan, er zou een verteller ingevoerd moeten worden, of iets anders. Maar dit terzijde: het lijkt me meer geschikt voor een Symposium over het Echec van de Romanliteratuur dan om er Maartje Luccioni mee lastig te vallen, voor wie wij teder waren.
Iedereen die een wat intelligenter roman wil lezen over het eeuwig vrouwelijke, een wat ouderwetse roman misschien, maar daardoor ook fantasierijker, verwijzen we naar Maartje Luccioni. Dat ‘eeuwig vrouwelijke’ is vanzelfsprekend onzin, zij heeft het niet over ‘de’ vrouw of man, maar over enkele zeer specifieke gevallen, die de meest uiteenlopende aspecten vertegenwoordigen, van de oude heks met haar middeltjes, bijgeloof en zuinigheid tot de jonge, zich lichamelijk over gastarbeiders ontfermende, revolutionaire heilsagente. Wel ligt er een accent op de duistere, samenzweerderige, ongrijpbare en toch zo aardse, zeer
| | | | aardse krochten van de vrouwenziel, ondanks het tegenwicht der heren.
Het lezen van Wie nu geen huis heeft wordt aantrekkelijk gemaakt door de woordenrijkdom waarover Maartje Luccioni's familieleden, naast hun vruchtbaarheid, beschikken. Ook in hun flauwekul worden de figuren getekend. Sommigen van hen hebben echt de kletsweg, anderen zijn te druk met zichzelf bezig om veel te zeggen: het arsenaal dat Maartje Luccioni ter beschikking staat om mensen zowel in hun melancholie als hun tuttekoppigheid zichzelf te laten voorstellen, is niet gering.
Mijn tederheid geldt dus dit debuut als artistieke prestatie; wat de problematiek van de tot leven geroepen familie betreft, de lebensbejahung, de duistere banden van het bloed, die allervrouwelijkste neiging tot bespiegeling en stuipen: Women! Keep me from women! Place me before a cannon, 't is a pleasure! But women!
|
|
|