|
|
|
| |
| | | | | |
‘Het goet of quaet te kiezen’
De rol van de vrije wil in Vondels Lucifer, Adam in
ballingschap en Noah
Jan Konst
In de opdracht bij
Noah, oft ondergang der Eerste Weerelt (1667)
stelt
Vondel dat het drama in het verlengde van twee eerdere
bijbelse tragedies van zijn hand gezien kan worden:
Lucifer (1654) en
Adam in ballingschap, of aller treurspeelen
treurspel (1664).
1 In chronologische volgorde behandelen deze drie drama's de opstand
van de engelen tegen God (Jesaja 14:12-15;
Ezechiël 28:12-15), de ongehoorzaamheid van het eerste
mensenpaar (Genesis 3:1-24) en de inscheping van Noach en
de zijnen vlak voor de zondvloed (Genesis 7:1-16). Samen
vormen ze een trilogie waarin, om met W.A.P. Smit te spreken, de verhouding
tussen Gods straf en Zijn genade centraal staat. (Smit 1956-1962, III: 509-511)
Vondel heeft daar zelf met zoveel woorden op gewezen in de opdracht bij
Noah. In zijn ogen treedt de genade Gods in de opeenvolgende
levensgeschiedenissen van Lucifer, Adam en Noach steeds nadrukkelijker op de
voorgrond. (vgl. Rens 1965: 118-123) Draait het in Lucifer uitsluitend
om Zijn straffende gerechtigheid, in Adam in ballingschap en Noah
manifesteert zich vooral ook Gods goedertierenheid: ‘Lucifer en zijne
aenhangelingen vervielen, uit hunnen zaligen staet, in eeuwige ongenade, zonder
hoop van verzoeninge; Adam en zijne nakomelingen in de verdoemenisse, met hoope
van herstellinge, door de belofte des toekomenden verlossers. De rechtvaerdige
Noë bleef behouden, toen de gansche weerelt, hardtnekkigh in haere
misdaet, quam te smooren, uitgezondert boetvaerdigen, die van naberou
getroffen, hunne schult bekenden, en, door de zuivering van smette in den
kerker [het voorgeborchte der hel], op den troost en het verschijnen des
verlossers met groot verlangen hoopten.’ (Vondel-WB, X: 393)
De mens heeft van nature deel aan de genade Gods dankzij het
fijnbesnaarde instrumentarium van de ziel. Ook al ketent zijn lichamelijkheid
hem per definitie aan het aardse, toch weet hij zich door de hogere faculteiten
van de ziel verbonden met God. In concreto gaat het daarbij om de rede en de
wil, die de mens in staat stellen goed en kwaad te onderscheiden en morele
keuzes te maken. Illustratief is in dat verband het volgende fragment dat
Vondel de titelheld van Adam in ballingschap in de mond heeft gelegd (v.
151-158):
Wy zagen die
* ons 't wezen
schonck,
En uit het roode klay bootseerde,
Een ziel inaêmde, en haer vereerde
Met eenen glans, die uit u blonck.
Gy dommelde
** uwen heldren luister
In onze ziele, een majesteit
Van vryen wille, onsterflijckheit,
En reden, noit bewolckt noch duister.
| | | |
God heeft - zo heet dat hier op een tijdstip nog
vóór de zondeval - de bewoners van de Hof van Eden een beeld van
Zijn volmaaktheid ingeprent door hun ziel niet alleen onsterfelijk te maken,
maar deze bovendien te begiftigen met de vrije wil en een
‘onbewolkte’ rede. Er veranderde veel na het vergrijp van Adam en
Eva, niet alleen voor henzelf, maar ook voor de vanaf dat moment met de
erfzonde belaste mensheid. Zo was het gedaan met de vanzelfsprekende
onsterfelijkheid en boette de rede aan bevattingsvermogen in. Wat in de ogen
van
Vondel niét veranderde, was dat de mens de
beschikking hield over de keuzevrijheid, zij het dat de wil na de zondeval als
zodanig wel verzwakt was.
Zoals bekend is in de zestiende en zeventiende eeuw heftig
gedebatteerd over het functioneren van de wil. (Poppi 1990) Beroemd is
bijvoorbeeld de controverse tussen
Erasmus en
Luther geworden. De eerste, die de kerk van Rome
nimmer de rug heeft toegekeerd, had in 1524 zijn verhandeling
De libero arbitrio [Over de vrije wil] in het
licht gegeven en daarin betoogd dat de mens op eigen kracht voor het goede kan
kiezen. In 1525 reageerde de Wittenberger kerkhervormer met zijn
De servo arbitrio [Over de gebonden wil] en
stelde daarentegen dat de menselijke natuur dusdanig corrupt is, dat zij onder
alle omstandigheden als vanzelfsprekend naar het boze zal neigen. Zo liggen de
standpunten dus diametraal tegenover elkaar en heet de wil ofwel autonoom en
vrij, dan wel knechtelijk en gebonden. Vondel heeft zich altijd nadrukkelijk
voor de eerste van deze twee opties uitgesproken, niet alleen na 1640, maar
reeds lang vóór zijn bekering tot het katholicisme.
2 In deze bijdrage zal onderzocht worden welke rol de liberum
arbitrium in Vondels genade-trilogie speelt. Centrale vragen zullen daarbij
zijn op welke wijze het functioneren van de vrije wil literair is vormgegeven
en wat de implicaties zijn van de menselijke keuzevrijheid voor de
handelingsstructuur van de drie treurspelen. Alvorens echter de blik te richten
op de wederwaardigheden van Lucifer, Adam en Noah zal eerst kort beschouwd
worden wat Vondel in meer algemene zin over de menselijke vrijheid van handelen
heeft opgemerkt.
| |
Bespiegelingen van Godt en godtsdienst
Een voor de hand liggende bron om Vondels denkbeelden over de wil
te beschrijven is het lange leerdicht
Bespiegelingen van Godt en godtsdienst uit 1662,
dat de belangrijkste leerstellingen van het katholicisme uiteenzet aan de hand
van de geschriften van vooral
Thomas van Aquino en
Robertus Bellarminus (1542-1621), een jezuïet
afkomstig uit Italië. (Maximilianus 1968-1; Vondel-WB, IX: 403-653
passim). In de vijf boeken die het werk beslaat gaat
Vondel achtereenvolgens in op Gods noodzakelijkheid, op
Zijn bijzondere eigenschappen en op Zijn werken; hierna komt het belang van de
dienst aan God aan de orde en wordt aangetoond dat de kerk van het christendom
door Hem gewild is.
3 In de
Bespiegelingen redeneert Vondel dat de harmonie van het natuurlijke
leven er het beste bewijs voor is, dat Gods almacht de wereld regeert (I, v.
1161-1167):
De beurt van teelen, en van baeren, en van sterven,
Verrotten, en vergaen, en opkomen, en bederven,
Bezielt, en onbezielt
*, het
reênloos onvernuft
**,
En 't redelijcke, elck houdt zijn tijden: niemant suft.
[…] Deze orden is een teiken
| | | |
Dat een het al bestiert, bewaert en onderhoudt.
In Zijn oneindige wijsheid heeft God deze wereldorde ontworpen zelfs
nog voordat Hij een begin met de schepping had gemaakt. In een alomvattend plan
voorzag Hij bovendien de toekomstige loop der gebeurtenissen en kende hij een
plaats toe aan elk der schepselen, wier handelen primair betekenis krijgt in
het licht van God bedoelingen met de wereld (II, v. 1339-1344):
Want Godts voorzienigheit de schets is van de zaecken,
En ry der schepselen, geneight hun wit te raecken
*,
Waertoe die zijn geschickt, geordineert van Godt,
Een ieder trapsgewijs
**, en
met een zeker slot
***,
Gelijck de Godtheit die verbeelde in haere zinnen
Van eeuwigheit, eer zy dit werckstuck quam beginnen.
Deze voorstelling van de Providentia Dei geeft aanleiding tot
twee principiële problemen die in de geschiedenis van het christendom
veelvuldig bediscussieerd zijn. Gesteld namelijk dat de wereld onderworpen is
aan Gods ‘vast besluit en raetslot’ (III, v. 46), dan kan men zich
in de eerste plaats afvragen in hoeverre de mens invloed heeft op zijn eigen
levensloop. Kan er eigenlijk wel sprake zijn van zelfbeschikking, wanneer alles
op voorhand vast lijkt te liggen? Het tweede probleem betreft het kwaad.
Wanneer het bestaan zich voltrekt zoals het God goeddunkt, betekent dat dan ook
dat Hij het kwaad gewild heeft? Speciaal over deze kwestie buigt
Vondel zich in de
Bespiegelingen: ‘Is Godt de bron van 't
goede, is al 't geschapen goet, / Wat's oirsprong van het quaet, dat, als een
weereltvloet, / Den aerdtkloot overstroomt, en, tegens recht en reden, /
Verweldight en verkracht de tucht, en goude zeden, / By wyzen ingevoert?’
(II, v. 1193-1197)
Het antwoord op deze laatste vraag is voor de Amsterdamse dichter
gelegen in de werking van de vrije wil, die niet God maar de individuele mens
verantwoordelijk maakt voor het kwaad. De wil, die het kwade in principe zou
moeten afwijzen, weet niet altijd weerstand te bieden tegen de verlokkingen van
het slechts in schijn goede. Zo kan het komen dat de mens, wiens wankelbaar
gemoed sowieso gevoelig is voor de bekoring van het ongeoorloofde, uit eigen
beweging tot laakbare gedragingen komt (II, v. 1219-1236):
Maer om den poel van 't quaet der zeden nu te vinden,
Of't quaet der misdaet; […] de reden zal ons leiden
Naer 't schepsel, van de deught verbastert, en gescheiden,
Dewijl 't veranderlijck en wisselbaer van aert,
Het ingeschapen goet der Godheit
* niet bewaert,
En in zijn' plicht bezwijckt vrijwilligh, door 't bekooren
Van 't schijngoet, daer Godts beelt en gunst in wort verloren
**; […]
De vrye willekeur, in't micken even schoon
| | | |
Op't een en 't ander wit
***, ons voorgestelt ten toon,
En 't wisselbaer gemoet des menschen zijn dan d'ader
Van 't quaet, in't overslaen ten quaede.
Volgens deze redenering vindt het kwaad zijn oorsprong dus in de
mens, die zijn doen en laten op onafhankelijke afwegingen baseert. Dit
impliceert enerzijds dat het individu wel degelijk zeggenschap over zijn eigen
leven heeft, maar roept anderzijds de vraag op hoe deze zeggenschap zich
verhoudt tot het wereldplan van Gods Voorzienigheid. Vondels ideeën op dit
punt zijn in het verleden meer dan eens in verband gebracht met de opvattingen
van
Luis de Molina (1535-1600), die in Jezuïetenkringen
een grote populariteit genoot. (Vondel-WB, IX: 500; De Valk 1939: 239;
Maximilianus 1968-2: 219) Deze Spaanse godgeleerde stelt zich op het standpunt
dat God vooraf alle komende beslissingen van 's mensen vrije wil kent.
Hij weet wie er met Zijn genade zullen meewerken en wie zich ertegen zal
verzetten. (vgl. Lexikon für Theologie und Kirche, s.v.
‘Molinismus’) God kent met andere woorden ‘vóór
enig decreet van Zijn wil de voorwaardelijke toekomstige vrije handelingen, nl.
datgene wat ieder vrij schepsel onder bepaalde omstandigheden doen of niet doen
zal, wanneer deze ooit werkelijkheid worden.’ (Maximilianus 1968-2: 219)
Dankzij deze voorwetenschap vermag de Providentia Dei het individuele
handelen in haar ontwerp van de schepping te verdisconteren en kan men
enigszins paradoxaal dus stellen, dat de mens mét het behoud van de
vrije wil niettemin het instrument van Gods uiteindelijke bedoelingen met de
schepping is.
Deze gedachten vormen de achtergrond van een gecompliceerde passage
in Vondels
Bespiegelingen, waarin wordt uitgelegd dat God
het kwaad niet veroorzaakt, maar het slechts toelaat. Met betrekking tot Zijn
alwetendheid wordt het volgende opgemerkt (II, v. 1113-1122):
En z'onderscheit in 't goede en quaede, hier beooght
*,
Wat Godt nootwendigh wil, en wat hy slechts gedooght,
En toelaet, om geensins een oirzaeck te verstrecken
Van snoode gruwelen, en nootlots lastervlecken
**:
Want die 't aenstaende ziet, kent klaer en naeckt vooruit
Den wortel, en den gront
***, daer 't
lasterstuck van spruit.
Die goet en quaet voorzagh, voorzagh elcks eigenschappen,
En aert, en op wat voet een ieder aenquam stappen.
****
Dus wort de vrye wil door nootdwang niet bedroeft,
Noch uit zijn' winckelhaeck met domme kracht geschroeft.
*****
Het boze wordt hier teruggevoerd op de mens, die zich, aangezien hij
in zijn wilskeuzen autonoom is, onder geen beding achter Gods beschikking mag
verschuilen. | | | | In dat licht wordt in deze passage dan ook het
bestaan van een dwingend noodlot of ‘nootdwang’ - wat wel is
opgevat als een subtiele verwijzing naar de strikte leer van de predestinatie
(vgl. Brom 1935: 99-108) - nadrukkelijk ontkend: God gedoogt het kwaad, maar
brengt het niet teweeg.
De onbelemmerde werking van de liberum arbitrium maakt dat de
individuele mens direct door God op de aard van zijn gedragingen aangesproken
kan worden. Een ieder moet zich verantwoorden, omdát hij het vermogen
heeft zijn leven naar eigen inzicht in te richten. Wie naar Gods geboden leeft,
zal Zijn genade deelachtig worden. Met betrekking tot deugdzame en godvruchtige
lieden heet het in dat perspectief derhalve (IV, v. 306-314):
Zy offren hem
* hun hart, met offren en
gebeên,
Verheffen zijnen naem, met gaven, en gezangen;
Eene oirzaeck datze milt uit 's hemels schoot ontfangen
De weldaet en de schat, waer van hy overvloeit:
Want past het Godts natuur, in weldoen noit vermoeit,
Godtvruchtigheit en deught te kroonen; is 't een teken
Van onherkentenis
**, dat zy
*** naer 's vroomen
smeecken
Niet luistren wil, zoo moetze om deze smet t'ontgaen
Het vroome en oprecht harte in noot ten dienste staen.
Precies tegenovergesteld vergaat het zondaars. Door hun laakbaar
gedrag roepen zij onvermijdelijk de toorn Gods over zich af (IV, v.
317-327):
Nu vint men schendigen, die Godt noch mensch ontzien,
De wetten het gezagh en 't recht den rugge biên,
En staet en lant door roof en moort en brant verdelgen.
De Godtheit heeft met recht zich billijck dat te belgen.
Het waer een smet in haer, indienze stil bleef staen,
En zagh, als stom en doof, met goeden oogen aen
De schellemstucken, daer onnozelen om treuren,
Terwijl hun geenen troost noch noothulp magh gebeuren.
De gramschap past dan Godt zoo eerlijck als gena,
Op dat zijn heerschappy in haere kracht besta,
Door begenadigen van 't goet, en 't quaet te wreecken.
De tekstfragmenten in deze paragraaf raken de kern van Vondels mens-
en wereldbeeld. In de optiek van de dichter is het de menselijke wil gegeven
vrijelijk te kiezen tussen goed en kwaad. Daarmee wordt de mens in eigen
persoon verantwoordelijk voor zijn daden en is hij, als een logisch uitvloeisel
van zijn wilsvrijheid, rekenschap verschuldigd aan God. Deze beoordeelt het
individuele handelen op zijn mérites, om het vervolgens te ondersteunen
dan wel te bestraffen. Tegen deze achtergrond leeft de mens in de zekere
wetenschap dat zijn bestaan niet geregeerd wordt door de willekeur van het
toeval (III, v. 1371-1373: de ‘blinde razerny en drift van d'oude tijt /
Heeft reuckeloos Fortuin tot een Godin gewijt, / Een blint kranckzinnigh wijf
[…]’), maar dat het zijn betekenis eerst en vooral ontleent aan
een | | | | scheppingsorde, die bij uitstek zinvol is en door God zelf
wordt onderhouden.
| |
Lucifer
Tot de centrale motieven van Vondels bijbelse spelen na 1640
behoort zonder enige twijfel het morele dilemma, de moeizame afweging van goed
en kwaad. (Konst 1993: 137-149; Rens 1965: 125-137) Het valt Vondels personages
doorgaans zwaar zonder bedenken voor het goede te kiezen, omdat keer op keer
blijkt dat juist de deugd grote offers van hen vergt. Innerlijke strijd en
gevoelens van onzekerheid manifesteren zich niet alleen in de zogenaamde
dualiteitsdrama's. (Smit 1956-1962, I: 383-384 en passim) Daarin
draait alles om protagonisten die lange tijd twijfelen tussen de tegengestelde
standpunten van tegenspelers, die hen respectievelijk tot het goede dan wel het
boze proberen te bewegen. Het morele dilemma is evenzogoed typerend voor de
treurspelen waarvan
Vondel de handelingsstructuur primair op de
peripeteia heeft afgestemd. (Smit 1956-1962, I: 461-463 en
passim) Zo zijn de drie middelste bedrijven van
Jeptha vrijwel in hun geheel gewijd aan de
innerlijke worsteling van de titelheld, die het niet met zichzelf eens kan
worden of hij zijn dochter al dan niet aan God moet offeren.
Ook in
Lucifer wordt een groot deel van de dramatische
handeling ingeruimd om de keuze waarvoor Gods ‘stedehouder’ zich
gesteld ziet van verschillende kanten te belichten. In Zijn naam heeft de
aartsengel Gabriël een van Gods geheime raadsbesluiten aan Lucifer
geopenbaard: ooit zal de poort van de hemel zich openen voor de mens, die zich
dan als Gods meest geliefde schepsel in Zijn directe nabijheid zal mogen
ophouden. Dat betekent dat de engelen, die zuiver geest zijn, moeten dulden dat
een wezen met een deels stoffelijke natuur hen in de toekomst zal overstijgen.
Lucifer, die in de hiërarchie van het ‘geestendom’ de hoogste
positie bekleedt, staat afwijzend tegenover dit vooruitzicht. Hij voelt zich
miskend en het is opmerkelijk, dat de redenering waarmee hij de verheffing van
de mens als een onrechtvaardig feit veroordeelt, objectief gezien niet zonder
meer van de hand gewezen kan worden. (Bax 1991; King 1979: 220-226; Osterkamp
1979: 87-130) Lucifer beroept zich bijvoorbeeld op zijn eerstgeboorterecht en
op het feit dat reeds lang genoten privileges iemand niet zo maar afgenomen
behoren te worden. Maar in het licht van Gods grootheid en het
ondoorgrondelijke karakter van Zijn bestel verliezen deze tot op zekere hoogte
aanvaardbare argumenten hun geldigheid. Geen enkel schepsel mag zich - onder
welke omstandigheden dan ook - tegen Gods wilsbeschikking keren, want chaos en
wanorde zouden het resultaat zijn. In dat verband moet men, zo houdt de rei van
gehoorzame engelen Lucifer voor, aanvaarden dat de almacht van de
Providentia Dei absoluut is (v. 933-950):
Wat adem haelt, met recht den Schepper dancken magh,
Die elck zyn wezen gaf, en mindre en meerder waerde.
Wanneer het hem belieft, zal 't element der aerde
Veranderen in lucht, of water, of in vier;
De hemel zelf in aerde; een Engel in een dier;
Een mensch in Engleschyn
*, of onbegrepen
wonder.
Een maght
** regeert het al,
en keert het bovenste onder.
Wat d'allerminste ontfangt, is loutere gena. […]
Ons schicken
*** is den Staet van dit Heelal verwarren,
| | | |
Misschicken al wat Godt geschickt heeft, en beleit;
En wat het schepsel schickt, dat is wanschapenheit,
In't allerminste lidt.
****
Zo staat Lucifer voor de vraag of hij de toekomstige positie van de
mens zal aanvaarden, of dat hij zich tegen God zal verzetten. Uiteindelijk
kiest hij voor de tweede optie en weigert hij zich naar Gods wil te voegen,
omdat hij zijn leidende status niet wil afstaan. Dat wordt definitief duidelijk
in Lucifers beroemde wanhoopsmonoloog (v. 1634: ‘Of ergens schepsel zoo
rampzaligh zwerft als ick?’) aan het einde van het vierde bedrijf. De
opstandige engel lijkt zich niet alleen te realiseren dat hij zijn hand
overspeelt, maar is zich bovendien pijnlijk bewust dat zijn voorgenomen
rebellie voor het kwaad en niets dan het kwaad staat (v. 1640-1648):
Zich op te worpen, als een hooft van Godts rebellen,
En tegen 's hemels wet een wederwet te stellen?
Te vallen in den vloeck der snootste ondanckbaerheit?
Te quetsen de genade en liefde en majesteit
Des rycken Vaders, bron van alle zegeningen,
Die noch t'ontfangen staen, en wat wy reede ontfingen?
Hoe zynwe nu zoo wyt verzeilt uit onzen plicht!
Ick zwoer myn' Schepper af. hoe kan ick voor dat licht
Myn lasterstucken, myn verwatenheit vermommen!
Omdat Lucifer zich tegen God keert in het volle besef dat hij
daarmee zondigt, laadt hij schuld op zich - een sleutelbegrip in Vondels
toneeloeuvre (Noë 1952: 113-121) dat, wanneer men afgeleide termen
meetelt, meer dan driehonderd maal in zijn spelen voorkomt. (Salemans &
Schaars 1990, s.v. ‘schuld’). Lucifers verzet wordt onder andere
met schuld geassocieerd in de smeekbede tot God die, vrijwel direct in
aansluiting op de wanhoopsmonoloog van 's hemels hoogste engel, het vierde
bedrijf afsluit. Daarin spreekt de rei van gehoorzame engelen, in een laatste
poging de vrede te redden, de hoop uit dat Lucifer ondanks zijn
‘ondanckbre daet’ gespaard mag blijven (v. 1702-1707):
Gedoogh niet dat de schoonste ziel,
Waer op uw oogh genadigh viel,
Gedoogh niet dat d'Aertsengel sneve.
Hy boete deze ondanckbre daet,
En blyf' gehanthaeft by zyn' staet.
Dat uw gena zyn schuld vergeve.
In de katholieke theologie wordt alleen van schuld gesproken, indien
iemand opzettelijk kwaaddoet. Opzet impliceert in dit verband dat er, zo
redeneert bijvoorbeeld
Thomas van Aquino, altijd sprake moet zijn van een vrije
wilsbeschikking. Dat wil voor hem zoveel zeggen dat iemand slechts schuldig kan
heten, wanneer hij willens en wetens het goede afwijst. (vgl. Lexikon
für Theologie und Kirche, s.v. ‘Sünde’ en | | | | ‘Buße’; Historisches Wörterbuch der
Philosophie, s.v. ‘Schuld’) Deze gedachtengang is zonder meer
toepasbaar op Lucifer. Hij draagt schuld, omdat hij in de wetenschap laakbaar
te handelen er desalniettemin voor kiest Gods decreten te wederstreven. In deze
beslissing is Lucifer - die als engel net als de mens de beschikking heeft over
de liberum arbitrium
4 - vrij, want hij wordt door
niets of niemand gedwongen zich aan het hoofd der opstandige engelen te
stellen. Weliswaar oefenen deze de nodige druk op hem uit, maar aan de andere
kant staat Gods ‘geheimenistolck’, die verantwoorde
handelingsalternatieven aandraagt. De keuze is dus geheel aan Lucifer, die in
laatste instantie alleen bij zichzelf te rade kan gaan. Aldus beschouwd kan men
stellen dat
Vondel in
Lucifer het functioneren van de vrije wil heeft
gethematiseerd. De titelheld ziet zich voor een moreel dilemma gesteld en het
is aan hem, en aan hem alleen om op grond van eigen inzichten het goede en het
kwade te wegen.
In het afsluitende bedrijf wordt in bodeberichten verhaald wat er is
voorgevallen, nadat Vondels protagonist zich aan het einde van het vierde
bedrijf openlijk tegen God gekeerd heeft. Het blijkt dat Lucifer niet meer is
teruggekeerd op zijn schreden, maar de ‘Luciferisten’ heeft
gemobiliseerd om de strijd aan te binden tegen een legermacht van Godsgetrouwe
engelen. Lucifer en de zijnen hebben daarop een smadelijke nederlaag geleden en
zijn naar de hel verdreven, waar ze een gruwelijke gedaanteverwisseling hebben
ondergaan: als afschrikwekkende duivels zijn ze gedoemd om ten eeuwigen dage en
definitief van Gods genade afgesneden te leven in de ‘afgrond’, om
Vondels terminologie te gebruiken. Zodoende wordt Lucifer dus op harde wijze
geconfronteerd met ‘'s hemels wraecke en gramschap’ (v. 1715). In
de voorstelling van Vondel én volgens de katholieke geloofsleer is de
straf van Gods ‘stedehouder’ rechtvaardig, juist omdat Lucifer zijn
misdaden in vrijheid begaat en derhalve persoonlijk verantwoording voor zijn
daden draagt.
| |
Excurs: géén predestinatie in Lucifer
In het wetenschappelijk onderzoek is van verschillende kanten
verdedigd dat er in
Lucifer onmiskenbare sporen van de
predestinatieleer traceerbaar zouden zijn. Dat is niet alleen in tegenspraak
met de zojuist beschreven wilsvrijheid van Lucifer, maar strookt evenmin met
Vondels categorische afwijzing - zoals in het voorgaande reeds aan de orde kwam
- van een Voorzienigheid die individueel handelen als zodanig zou determineren.
Reeds in het lange hekeldicht
Decretum Horribile. Gruwel der verwoestinge uit
1631 zette de dichter zich nadrukkelijk af tegen Calvijns leer van de dubbele
predestinatie (v. 43: ‘dees' verdoemelijcke moordpredestinaci’),
die erin voorziet dat reeds bij de geboorte, zonder dat iemand daar ook maar
iets aan kan veranderen, vaststaat wie er het eeuwige heil, dan wel de
verdoemenis wacht. (Vondel-WB, III: 346-351) Een vergelijkbaar krachtige
veroordeling treft men aan in de reizang achter het tweede bedrijf van
Palamedes (1625). (Vondel-WB, II: 668-671, v.
657-728) De calvinistische voorbestemmingsleer wordt er gelijkgesteld met het
klassieke fatum en deze instantie wordt in negatieve termen afgeschetst
als ‘dwangbestuurster’ (v. 663) en actieve bewerkster van het
kwaad.
5
Aanleiding voor de veronderstelling dat er in Lucifer sprake
van predestinatie zou zijn, vormt een passage waarin Gabriël ten overstaan
van Gods ‘stedehouder’ de komst van Christus voorspelt.
(Lucifer: v. 484-498; v. 543-559) Eerst wanneer Gods Zoon een sterfelijk
lichaam aangenomen heeft, zullen alle geheimen ontsluierd worden die
samenhangen met de openstelling van de hemel voor de mensen. Op het | | | | moment van Gabriëls voorspelling echter ligt nog teveel in Gods
‘geheimnisboeck’ (v. 547) besloten, zodat Lucifer, zo houdt de
aartsengel hem voor, de vraag waarom de mens boven hem gesteld zal worden
voorlopig nog niet zal kunnen beantwoorden: ‘De tyt wil d'oirzaeck
leeren.’ (v. 497)
In de bijbel vormt Christus' menswording het sluitstuk van een reeks
gebeurtenissen die in een causaal verband met elkaar staan. Na de schepping van
's hemels ‘geesten’ en de mensen voltrok zich ten eerste de val van
de afgunstige engelen. Deze namen wraak op God en verleidden, zoals
Vondel in het vijfde bedrijf van
Lucifer ook laat zien, Adam en Eva. Om nu de
mens, ondanks de ingrijpende gevolgen van de zondeval, toch te laten deelhebben
aan het eeuwige leven - en dus toegang te verschaffen tot de hemel - neemt
Christus de zonde van de mensen op zich en boet die door Zijn offerdood.
Wanneer nu Gabriël Lucifer nog vóór diens feitelijke verzet
tegen God voorhoudt dat Zijn Zoon in menselijke gedaante op aarde zal komen,
heeft het er de schijn van dat niet alleen de zondeval, maar derhalve ook de
opstand van de engelen onvermijdelijk is. Hieruit is in het verleden meer dan
eens afgeleid dat Lucifer niet in vrijheid handelt, maar slechts de willoze
uitvoerder van Gods verborgen plannen is. Stuiveling heeft deze problematiek
bijvoorbeeld als volgt onder woorden gebracht: ‘Ergo moet in
Gabriëls verkondiging van Christus' komst, mét de val der mensen
ook zelfs de val der engelen voorbestemd zijn. Aldus beschouwd, wordt het drama
tot een afwikkeling van verhoudingen, welke tevoren volledig bepaald waren.
Maar indien God van den aanvang af de opstand der Luciferisten geweten en
gewild heeft, dan doet Lucifer in dit drama niet anders dan ongeweten Gods
geheime wil volvoeren, en schijnt zijn ondergang even schuldeloos als
onvermijdelijk.’ (Stuiveling 1941: 47)
Stuiveling is niet de enige interpretator die langs deze lijn
geredeneerd heeft. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Te Winkel (1922-1927, IV:
209-210) en Kazemier, van wie de laatste zich op grond van het zoëven
beschreven, ogenschijnlijk gedetermineerde karakter van de gebeurtenissen in
Lucifer afvraagt: ‘Of de theoloog in Vondel, afkerig van de
praedestinatieleer, dit heeft kunnen verantwoorden, blijft evenwel de
vraag.’ (Kazemier 1936: 187) De zienswijze van deze drie onderzoekers is
in het verleden niet onweersproken gebleven. (Noë 1952: 143-145;
Maximilianus 1968-2: 215-220; Smit 1956-1962, II: 104-105) In 1979 kwam King
echter nog eens op de kwestie terug en stelde ronduit dat hij bij nadere
bestudering van het primaire tekstmateriaal en de hernieuwde lezing van
analyses van voorgangers ‘de bevestiging van [zijn] vermoeden [vond] dat
Vondel in de Lucifer merkwaardigerwijze de predestinatieleer toegedaan
is.’ (King 1979: 234)
Er zijn twee argumenten om in weerwil van de aankondiging van de
komst van de Verlosser niét van predestinatie te spreken. In de eerste
plaats is het denkbaar dat Vondel zich wat de menswording van Christus aangaat
op het oordeel van Duns Scotus gebaseerd heeft. (Molkenboer 1928: 34-35;
Salsmans 1905; Wijngaards z.j.: 16-19) In tegenstelling tot
Thomas van Aquino stelde deze invloedrijke scholasticus
zich op het standpunt dat de incarnatie zich ook voltrokken zou hebben wanneer
Adam en Eva niét in zonde gevallen waren. Zo bezien vooronderstellen de
woorden van Gabriël dus geenszins Lucifers verzet tegen God, omdat
Christus' komst sowieso te gebeuren stond.
Dat is de ene optie - intrigerender is het wellicht de voorspelling
van Gods ‘geheimenistolck’ te duiden in het perspectief van de
eerder toegelichte ideeën van
Luis de Molina. Wanneer men redeneert dat God elke
wilsbeslissing voorziet, evenwel | | | | zonder dat Hij enige beperking
stelt aan de keuzevrijheid van zijn schepselen, dan is de aankondiging van
Christus' komst niet langer problematisch. Ook wanneer men namelijk met
Thomas van Aquino stelt dat de menswording direct aan de
zondeval gerelateerd is, dan nog impliceert dat niet dat Lucifers keuzen
gedetermineerd zijn. Gabriël baseert zich slechts op het
‘geheimnisboeck’ van God, die anticipeert op dingen die Hij
voorziet, maar niet bepaalt.
Voor welke van de twee mogelijkheden men ook kiest,
één ding staat wel vast: er zijn geen dwingende redenen om in
Lucifer van de predestinatieleer uit te gaan. De
zojuist getrokken conclusie blijft dan ook onverminderd van kracht: de
titelheld begaat zijn euveldaden in vrijheid en draagt derhalve persoonlijk
verantwoording.
| |
Adam in ballingschap
Adam en Eva, zo is de situatie bij aanvang van
Adam in ballingschap, leven in volmaakt geluk in
de Hof van Eden, terwijl alles in voorbereiding wordt gebracht voor hun
aanstaande bruiloft. Zonder dat iemand zich dat op deze schone dag realiseert,
overleggen de krachten van het kwaad op welke wijze het liefdespaar ten gronde
gericht kan worden. Uit een gesprek van Asmodé en Belial, twee duivels
of ‘helsche geesten’, blijkt dat twee dingen inmiddels vaststaan:
men zal proberen de geliefden ertoe te bewegen de verboden vruchten van de Boom
van Kennis te eten, en, in de tweede plaats, de verleidingspogingen zullen in
eerste instantie op Eva gericht worden. Vervolgens komt de vraag ter sprake in
welke gedaante de hellemonsters haar het best tegemoet kunnen treden. Zou het
geen goed idee zijn, oppert Belial, om de gedaante van een engel aan te nemen
en zich onopvallend onder de bruiloftsgasten te mengen? Het is veelzeggend dat
Asmodé deze suggestie resoluut verwerpt (v. 772-778):
In engleschijn? dat's mis.
Wat wonder waer het
*
Eve in Engleschijn te leiden
En zetten naer uw hant? zy kan niet onderscheiden
Dat uw begeerte met de wet des hemels strijt,
En wort ontschuldight: want geen heilige engel wrijt
**
En worstelt tegens 't hof
***, van waer hy wort
gezonden.
De afwijzing van Asmodé vindt een vanzelfsprekende verklaring
tegen de achtergrond van Vondels opvattingen over de relatie tussen de vrije
wil enerzijds en schuld anderzijds. Wanneer de mens onbedoeld zondigt, zoals
Eva wanneer zij de aanwijzingen van een niet van echt te onderscheiden engel
zou opvolgen, kan men niet spreken van een verwijtbare misslag. Gods toorn zal
in een dergelijk geval niet gewekt worden, zodat Asmodé dus groot gelijk
heeft dat hij, om te voorkomen dat Eva ‘wort ontschuldight’, andere
kunstgrepen toegepast wil zien.
Uiteindelijk is het, zoals dat ook in de bijbel beschreven wordt,
een slang die Eva zover krijgt dat zij van de appel eet. Het valt in het oog
dat het dier in de voorstelling van
Vondel niet bijzonder veel moeite hoeft te doen om haar
zover te krijgen, precies zoals Belial en Asmodé zich dat van een vrouw
hadden voorgesteld. (Van Gemert 1996: 6-11; Smit 1956-1962, III: 372-373) Niet
alleen loopt het water haar | | | | bij het zien van de heerlijke appelen
in de mond, ook toont Eva zich gevoelig voor het argument dat zij zich de
definitieve kennis van het goed en het kwaad eigen zal maken wanneer ze gehoor
geeft aan de aansporingen van de slang. Net als Lucifer is Eva van te voren van
de laakbaarheid van haar handelwijze doordrongen, al doet ze enkele flauwe
pogingen de ernst van haar overtreding te ontkrachten (v. 1182-1196):
Och eedle boom, hoe durf ick waegen
Hoe klopt mijn hart, uit schrick, en schroom! […]
Wat schaet een beet? onnoosle
* schult,
Een snoeplust wort licht quijtgeschouden.
**
Ick pluck. gedoogh het met gedult,
O schepper, zoo'k mijn hant bederve.
***
De halve misdaet is begaen.
Nadat Eva haar ‘snoeplust’ heeft bevredigd, is zij het
die Adam aanspoort haar voorbeeld te volgen. Hij blijkt heel wat minder
makkelijk over te halen en voelt zich lange tijd heen en weer geslingerd tussen
aan de ene kant zijn liefde voor zijn aanstaande echtgenote en aan de andere
kant het gebod van God. Hij brengt zijn dilemma als volgt onder woorden (v.
1288-1291):
O welck een strijt! hier staet het vrouwebeelt
*; daer Godt.
Hier vleitme haere bê
**: daer dreightme een
streng verbodt.
Zal ick de liefde en gunst van mijne vrouwe ontbeeren.
Of d'opperste genade in ongena verkeeren?
***
Eva heeft weinig begrip voor Adams tweestrijd en dreigt zelfs hem
haar liefde te ontzeggen wanneer hij niet óók Gods wet
overtreedt. Nadat zij hem tot tweemaal toe heeft opgeroepen gebruik te maken
van het vermogen naar eigen goeddunken te kiezen, stemt Adam tenslotte in haar
wens toe. Met name de verzen 1285-1286 laten in dit kader niets te raden
over:
Wat sammeltge?
* gebruick wat ons de
hemel gaf,
Uw' vryen wil, en 't goet, u heden aangeboden.
Met meer nadruk dan in deze verzen kan
Vondel het niet stellen dat de zondeval zijn oorsprong
vindt in de vrije wilsbeschikking van de mens. Adam en Eva staan beiden
weliswaar bloot aan misleidende en manipulatieve woorden, maar het is in
uiterste consequentie hun éigen beslissing van de weg van het goede af
te wijken. Zij dragen dus de volle schuld, wat Vondel - zoals bij Lucifer en
Eva - eveneens in het geval van de titelheld van zijn paradijstragedie voor
iedere toeschouwer duide- | | | | lijk kenbaar maakt. Alvorens de appel
daadwerkelijk in ontvangst te nemen, toont namelijk ook Adam zich schuldbewust.
Net als Eva bezigt hij in dat verband overigens versluierende en
bagatelliserende termen (v. 1343-1348):
O vader, kuntge uw' zoon een struickeling vergeven,
Dat ick een' oogenblick mijn wederga behaegh',
Zoo zie dit over.
* dit's een
overgaende vlaegh.
**
Men moet een zwacke
*** zacht en
minnelijck bejegenen,
Met alle eerbiedigheit.
**** gy kunt den appel zegenen,
En scheiden het vergift, gesproten van't verbodt.
*****
In het Berecht bij
Adam in ballingschap wijdt
Vondel enkele belangwekkende passages aan de mentale
gesteldheid van de twee protagonisten. Hij beschrijft hoe er in het paradijs
aanvankelijk een toestand van erfrechtvaerdigheit bestond. Die maakt dat
lichaam en ziel, die 's mensen tweeledige natuur uitmaken, met elkaar in
harmonie samenleven. De mogelijkheid echter dat lichaam en ziel elkaars
tegenstrevers worden is gegeven, wanneer namelijk Adam en Eva zich tegen God
zouden keren.
6 Dat is precies wat gebeurt, want alleen door de mogelijkheid
in overweging te nemen van de Boom van Kennis te eten ondermijnen ze reeds Gods
autoriteit. Het gevolg is dat hun begeerten en hartstochten (het lichaam) niet
langer op één lijn met de rede en de wil (de ziel) komen te
liggen. (vgl. Konst 1993: 6-20; Park & Kessler 1990) De heftige
gemoedsstrijd die in een dergelijk geval ontstaat vormt voor iedereen een
ernstige belemmering om tot zedelijk handelen te komen: ‘Uit deze
verscheidenheit of strijdigheit van overhellen rijst in eenen zelven mensche
een zeker strijt, en uit dien strijt en onderlinge worstelinge een geweldige
bezwaernis [moeilijkheid] en hachelijkheit van zich wel [moreel verantwoord] te
dragen, naerdien d'eene overhellinge d'ander hindert en tegenstaet.’
(Berecht, r. 40-44)
Op basis van dit laatste tekstfragment is het mogelijk de
psychologische ontwikkeling van Adam en Eva te beschrijven in categorieën
zoals die ook in de zeventiende eeuw gehanteerd werden. Hartstochten spelen
zowel Adam als Eva parten, van wie de laatste beheerst wordt door
‘snoeplust’ en het verlangen God in wijsheid te evenaren, en de
ander in de ban is van vooral zijn liefde voor zijn beoogde levensgezellin.
(Smit 1956-1962, III: 420-422) Deze hartstochten botsen met de rede, die zich
oriënteert op het goede en voorschrijft dat Gods gebod de leidraad bij
iedere handeling zou moeten zijn. De wil, die tot taak heeft het geschil tussen
hartstochten en rede te beslechten, weet in geval van Adam en Eva onvoldoende
weerstand te bieden tegen de aandrang van de passiones en laat zich
aldus tot het kwaad overhalen. Als gezegd gaat Eva vrijwel direct overstag,
terwijl Adam meer scrupules toont en aanzienlijk langer vasthoudt aan Gods wet.
Zijn tweestrijd, zo kan men derhalve stellen, vormt er het bewijs voor dat de
wilsfunctie van Adam krachtiger ontwikkeld is dan bij Eva.
Omdat ook het paradijspaar in eigen persoon schuldig is, wordt het
met Gods wrekende hand geconfronteerd. In die zin ontleent de
handelingsstructuur van Adam in ballingschap haar betekenis aan 's
mensen wilsvrijheid. De bestraffing waar- | | | | mee ‘aller
treurspelen treurspel’ (Vondel-WB, X: 95) eindigt, vormt immers het
directe uitvloeisel van de vrijwillige feilen van Adam en Eva.
Vondel laat zien hoe beiden door een engel Gods uit het
paradijs verdreven worden. Het is van groot belang dat Adam en Eva hun daden
betreuren en door een wroegend geweten gekweld worden. Vondel laat er geen
twijfel over bestaan dat zij door dit naberouw, anders dan de in het kwaad
volhardende Lucifer, op de lange termijn niet volledig verstoken zullen blijven
van Gods genade, omdat Zijn Zoon de mens uiteindelijk de onsterfelijkheid van
zijn ziel terug zal geven.
| |
Noah, oft ondergang der Eerste Weerelt
Ook in het derde deel van Vondels genade-trilogie wordt menselijk
handelen tegen de achtergrond van de vrije wilsbeschikking beoordeeld. Dat
wordt op allerlei plaatsen duidelijk, maar blijkt met name in een
sleutelfragment in het vijfde bedrijf. Daar voert Noah een gesprek met zijn
zonen Sem en Jafed over de vraag of God niet op een andere wijze dan door de
allesvernietigende zondvloed een einde aan de op aarde heersende zedeloosheid
kan maken. Sem suggereert in dat kader dat Zijn Almacht toch wel in staat
geacht mag worden in het gemoed van de mensen een krachtige neiging tot het
goede te wekken. Noah riposteert echter (v. 1355-1358):
Hy schonkze een' vryen wil, van weêrzijde even schoon
*,
Een goude hantvest
**, keur
*** het goet of quaet te
kiezen.
By nootdwang zou't gerecht des oppersten verliezen
Betaeling t'eischen van een opgedronge schult.
****
Gezien de bevindingen in het voorgaande wekt het geen verbazing
dat Noah de liberum arbitrium hier opvoert als legitimatie voor Gods
straffende gerechtigheid. Die vindt haar rechtvaardiging immers in het dogma
dat de mens in vrijheid handelt, zodat er nimmer van een ‘opgedronge
schult’ en derhalve een onverdiende straf sprake kan zijn.
7 Sems voorstel dat God
zondaars een beetje ‘bijstuurt’ zou de
één-op-één relatie tussen schuld (bij de mens) en
straf (van Godswege) verstoren. Daarom, zo houdt Noah zijn zoon voor, moet Sem
aanvaarden dat God onder geen beding direct betrokken mag worden bij het doen
en laten van de slachtoffers van de zondeval: zij gaan ‘door
godtlasteringe [afzwering van God] en eige schult [cursivering van mijn
hand, J.K.] verloren.’ (v. 1365)
Wat het functioneren van de wil betreft zijn de personages in
Noah slechter af dan de protagonisten van
Lucifer en
Adam in ballingschap. Lucifer had de beste
uitgangspositie, omdat zijn onstoffelijke aard het eenvoudigweg uitsloot dat
zijn wil door de lagere lusten van het vlees meegetroond zou kunnen worden. Een
dubbelnatuur kenmerkte weliswaar Adam en Eva, maar in beginsel bewerkstelligde
de ‘erfrechtvaardigheid’ dat lichaam en ziel, dat hartstochten en
wil in hun geval een harmonieuze relatie onderhielden. Voor Noah en zijn
tijdgenoten ligt dat alles anders, want gecorrumpeerd door de erfzonde is er
bij hen sprake van een principiële tegenstelling tussen lichaam en ziel:
‘Nu strijden d'ongelijken. / Het lichaem luistert niet | | | | / Naer
't geen de geest met Godt gebiet.’ (v. 553-555) Daardoor spelen allerlei
verlangens en begeerten voortdurend op en is het moreel verantwoorde veel
moeilijker, om niet te zeggen vrijwel onmogelijk te verwezenlijken. Ondanks
deze onvoordelige voorwaarden slaagt de bouwer van de ark er in alle opzichten
in te leven naar Gods wetten. Hij houdt zich bijvoorbeeld verre van de
polygamie, die in Vondels drama als hét symbool voor de verwording van
de ‘Eerste Wereld’ geldt. (Smit 1956-1962, III: 507-508) Noah wordt
door de dichter voorgesteld als een onkreukbare boetgezant, die steeds weer
pleit voor verstorvenheit, het uitgebannen zijn van vooral wellust, en
ten strijde trekt tegen eigen wil, het laten prevaleren van individuele
wensen boven de geboden van God. (vgl. v. 353)
Noachs redding illustreert in Vondels perspectief hoe menselijke wil
en Goddelijke genade kunnen samenwerken, precies zoals de katholieke
geloofsleer dat wil. (Brom 1935: 108-116) De treurdichter kent natuurlijk ook
de andere standpunten met betrekking tot deze problematiek: zo redeneert
Calvijn dat alléén de genade Gods de mens
zaligheid kan brengen, terwijl de beruchte vijfde-eeuwse Britse monnik Pelagius
- wiens inzichten in de zeventiende eeuw trouwens algemeen verketterd werden -
oordeelt dat de vrije wil alleen reeds volstaat om heil te verwerven.
8
Vondel nu opteert in overeenstemming met de
leerstellingen van het katholicisme voor de middenweg en stelt dat beide
noodzakelijk zijn: ‘dat de vrye wil en de leer der wet […] maer
boven deze d'invloet der genade vereischt wort.’ (Berecht bij
Adam in Ballingschap, r. 198-200) Zodoende wordt
Noah, juist omdat hij eigener beweging aan het goede heeft vastgehouden in een
wereld waar iedereen zich tot het boze laat verleiden, door God begenadigd en
ziet hij zich met zijn familie als enigen gered van de zondvloed.
Tegenover de smetteloze Noach staan personages die zich willens en
wetens aan het kwade hebben uitgeleverd en dat speciaal in het botvieren van
hun sexuele lusten duidelijk maken. Zij beroepen zich geheel in de lijn van
Epicurus op het argument dat een ongehinderd hedonisme de beste garantie voor
smarteloosheid biedt: ‘zich natuur gehoorzaem onderwerpen, / De dertle
toghten [begeerten] wijs involgen [toegeven aan] met een lust. / Zoo voelde 't
lijf geen smart: zoo bleef de geest gerust.’ (v. 816-818) De enige die op
zeker moment aan deze loszinnige levenswijze twijfelt is Achiman, de grootvorst
van het Oosten en feitelijke hoofdpersoon van
Noah. (Smit 1956-1962, III: 551-553) Hij staat op
het punt de verjaardag te vieren van zijn huwelijk met de wellustige Urania,
overigens slechts een van zijn vele ‘bedtgenoten’. Gezien de
onheilspellende berichten over het wassende water overal in het rijk, toont
Achiman zich tot op zekere hoogte gevoelig voor Noachs aansporing af te zien
van verdere promiscuïteit. Urania wil er echter niets van weten dat haar
eega zich plotseling opwerpt als propagandist van huwelijkse trouw en dreigt
hem te verstoten. Achiman ziet zich nu, zoals dat in het vorige drama ook bij
Adam het geval was, voor een gecompliceerd moreel dilemma gesteld. Hij zou aan
de ene kant loyaliteit jegens zijn echtgenote willen betonen, maar is zich
tegelijkertijd maar al te zeer bewust dat zij hem van de deugd afhoudt. De
grootvorst erkent zijn schuld expliciet en geeft toe dat
‘vrouwelust’ hem al te zeer in zijn greep houdt (v. 825-827):
Wy zijn door haer
* misleit,
Vervallen in Godts toorne. ô smart! ô onbescheit!
**
O schendigh misbruik van veele schoone vrouwen t'zamen!
| | | |
Met liefde enerzijds en de op Gods geboden gebaseerde oproep van
Noah anderzijds strijden hartstochten en rede in Achimans gemoed om voorrang
(v. 906-909):
Och ick wert vervoert, bestreên
Van wederzy, gelijk een bergheik, out van daegen,
Met eenen lantorkaen ter neder wort geslagen.,
Uw liefde ruktme hier, daer Noahs dreigement.
Net als dat voor Adam gold, blijkt na een lange tweestrijd dat
Achiman de verleidingskunsten van zijn vrouw niet kan weerstaan. Omdat er
verder geen externe factoren in de besluitvorming meespelen, valt hieruit op te
maken dat de wil dus ook in geval van de grootvorst de kracht mist om voor de
rede en het moreel juiste te kiezen. De gevolgen kunnen niet uitblijven:
Achiman zal gestraft worden voor in vrijheid begane zonden en hem wacht, samen
met zovele anderen, de verdrinkingsdood. Daarmee berust dus ook de plot van het
laatste deel van Vondels trilogie op het ordeningsprincipe waarmee de
Voorzienigheid Gods de wereld bestiert: genade en straf als antwoord op
respectievelijk moeizaam bevochten deugd (Noach) en bewuste, dus verwijtbare
misslagen (Achiman). Uriël, Gods wrekende engel, is de enige die het leed
van de veroordeelden nog iets weet te verzachten. Hij stelt de grootvorst en
diens onderdanen namelijk genade in een andere, hogere wereld in het
vooruitzicht, op voorwaarde evenwel dat zij alsnog berouw zullen tonen over hun
zonden.
| |
Conclusie
Het morele dilemma, waarvoor de belangrijkste personages van
Lucifer,
Adam in ballingschap en
Noah gesteld worden, fungeert als het literaire
middel dat tot uitdrukking brengt dat de mens de vrije wilsbeschikking gegeven
is. De keuze tussen goed en kwaad blijkt de protagonisten van deze drama's
zwaar te vallen en toont tegelijkertijd aan dat zij in de gelegenheid verkeren
hun optreden in laatste instantie allen op een onafhankelijke en individuele
beoordeling van de situatie af te stemmen. In die zin mogen de centrale
karakters van Vondels genade-spelen autonoom in hun handelen heten. Nu vormen
wils- en keuzevrijheid de ene kant van de medaille; de keerzijde schrijft
persoonlijke verantwoording voor. Juist omdat de protagonisten van Vondels
trilogie hun eigen gedragslijnen uitzetten, zijn zij rekenschap verschuldigd,
waarbij het in de optiek van de zeventiende-eeuwse dichter primair om
rekenschap aan God gaat. Deze zienswijze is bepalend voor de
handelingsstructuur van de drie hier onderzochte treurspelen. De plot is
namelijk steeds zodanig geconstrueerd, dat onmiskenbaar voor den dag treedt, op
welke wijze God Zijn goedertierenheid toont, dan wel straffen oplegt aan de
overtreders van Zijn wetten. Opmerkelijk is het dat Gods genade het in uiterste
consequentie van Zijn toorn wint. Met uitzondering van Lucifer, die dan ook in
het boze volhardt, krijgen de zondigende dramatis personae, mits zij
berouw tonen, immers een toekomst-perspectief van verlossing en vergeving
voorgehouden.
Lucifer, Adam en Eva, als ook Achiman slagen er geen van vieren in
te leven volgens Gods geboden, zodat ze hun gemoed met schuld bezwaren. In de
voorstelling van
Vondel zijn ze zich van meet af aan terdege bewust van
de morele implicaties en de onloochenbare laakbaarheid van hun optreden. Dat
maakt Lucifer, Adam in bal-
| | | |
lingschap en Noah tot
typische schulddrama's waarin persoonlijk falen centraal staat.
Vondel laat er geen twijfel over bestaan dat hun
misslagen hen aangerekend moeten worden, maar het is tegelijkertijd opvallend
met hoeveel sympathie hij zijn tekortschietende protagonisten getypeerd heeft.
Zelfs Lucifer wordt niet voorgesteld als een waanzinnige die wordt gedreven
door een geperverteerd kwaad. Daarom ook kan men niet volhouden dat hij,
evenmin als Achiman, Adam en Eva, uit louter boosheid de verkeerde afwegingen
maakt. Veeleer worden de personages van Vondels genade-trilogie als zwakke
persoonlijkheden geschilderd, die zich wat kortzichtig tot het kwade laten
overhalen. Deze vaststelling verzacht wellicht de omstandigheden en nuanceert
hun beweegredenen, maar pleit Lucifer, Adam en Eva, en Achiman op de keper
beschouwd niet vrij van schuld: zij hadden beter moeten willen.
Freie Universität Berlin
Fachbereich Germanistik
Habelschwerdter Allee 45, 14195 Berlin
| |
Bibliografie
| Bax, M.M.H. (1991) ‘De engel van de wanhoop.
De argumentatie rond het opstandsmotief in Vondels
Lucifer.’ In: De nieuwe taalgids 82, 97-117. |
| Brom, G. (1935)
Vondels geloof. Amsterdam enz. |
| Gemert, L. van (1996)
Norse negers. Oudere letterkunde in 1996.
Inaugurele rede Katholieke Universiteit Nijmegen. |
| Kazemier, G. (1936) ‘Vondels Lucifer en de leer
van de praedestinatie.’ In: De nieuwe taalgids 30,
184-187. |
| King, P.K. (1973)
Complete word-indexes to J. van den Vondel's
‘Bespiegelingen van Godt en godtsdienst’ and ‘Lucifer’.
With ranking lists of frequencies, reverse indexes and rhyming
indexes. Cambridge. |
| King, P. (1979) ‘Vondels Lucifer. Een
mislukt theologisch toneelstuk.’ In: S.F. Witstein & E.K.
Grootes, Visies op Vondel na 300 jaar. Een bundel artikelen ter gelegenheid
van de driehonderdste sterfdag van Joost van den Vondel. Den Haag,
218-234. |
| Konst, J.W.H. (1993)
Woedende wraakghierigheidt en vruchtelooze weeklachten. De
hartstochten in de Nederlandse tragedie van de zeventiende eeuw. Assen
enz. |
| Konst, J.W.H. (1996) ‘Vadermoord en
bloedschande. Visies op Oedipus' vergrijpen tussen 1600 en 1850.’
In: Nederlandse letterkunde 1, 138-155. |
| Konst, J.W.H. (1997) ‘“Dits des werrelts
loop”: Fortuna, Fatum en Providentia Dei in het
toneeloeuvre van Pieter Cornelisz Hooft.’ In: Tijdschrift voor
Nederlandse taal- en letterkunde 113 (1997), 28-45. |
| Kronenberg, M.E. (1948)
[Tekstuitgave van] J. v.d. Vondel, Noah. Of ondergang der
Eerste Wereld. Zutphen. |
| Lexikon für Theologie und Kirche Hrsg.: Höfer, J.
& Rahner, K. 10 dln. + register. Freiburg 1957-1967. |
| Maximilianus O.F.M. Cap. (1968-1) ‘Het derde
boek der Bespiegelingen.’ In: Idem, Vondelstudies.
Overzien en ingeleid door L.C. Michels. Terheijden, 187-210. |
| Maximilianus O.F.M. Cap. (1968-2)
‘Lucifer en de Franciscaanse school.’ In: |
| | | |
| Idem, Vondelstudies. Overzien en ingeleid door L.C. Michels.
Terheijden, 211-240. |
| Molkenboer O.P., B.H. (1928) ‘Inleiding op
Lucifer.’ In: J. v.d. Vondel, Lucifer. Uitgegeven door
N.A. Cramer. Zwolle. |
| Noë S.J., J. (1952)
De religieuze bezieling van Vondels werk.
Tielt. |
| Osterkamp, E. (1979)
Lucifer. Stationen eines Motivs. Berlin enz. |
| Park, K. & Kessler, E. (1990)
‘Psychology.’ [The concept of psychology. The
organic soul. The intellective soul.] In: Ch. B. Schmitt, The Cambridge
history of Renaissance philosophy. Cambridge enz., 453-534. |
| Poppi, A. (1990) ‘Fate, fortune, providence and
human freedom.’ In: Ch. B. Schmitt, The Cambridge history of
Renaissance philosophy. Cambridge enz., 641-667. |
| Rens, L. (1965)
Het priester-koningconflict in Vondels drama.
Hasselt |
| Rens, L. (1979)
[Tekstuitgave van] J. v.d. Vondel, Lucifer.
Treurspel. Den Haag enz. |
| Salemans, B.J.P. & Schaars, F.A.M. (1990)
Concordantie van het dramatische werk van Joost van den
Vondel (1587-1679). 5 dln. Assen. |
| Salsmans S.J., J. (1905) ‘Theologische
kantteekeningen op Vondels Lucifer.’ In: Dietsche warande en
belfort 1905, 37-53. |
| Smit, W.A.P. (1956-1962)
Van Pascha tot Noah. Een verkenning van Vondels drama's naar
continuïteit en ontwikkeling in hun grondmotief en structuur.
3 dln. Zwolle. |
| Stuiveling, G. (1941) ‘Vondel tussen gezag en
vrijheid.’ In: Idem, Rekenschap. Amsterdam, 36-57. |
| Tillyard, E.M.W. (1970)
The Elizabethan world picture. Harmondsworth. |
| Valk O.P., Th. G. de (1939) ‘Vondel in zijn
“Bespiegelingen” Thomist?’ In: Studies over Vondel
en zijn tijd. Liber Amicorum van B.H. Molkenboer O.P. Amsterdam,
237-242. |
| Vondel, J. v.d. (WB-editie)
De werken. Volledige en geïllustreerde
tekstuitgave. Bewerkt door J.F.M. Sterck e.a. 10 dln. Amsterdam
1927-1940. |
| Wijngaards, N.C.H. (z.j.)
[Tekstuitgave van] J. v.d. Vondel, Lucifer.
Treurspel. Zutphen. |
| Winkel, J. te (1922-1927)
De ontwikkelingsgang der Nederlandsche
letterkunde. 7 dl. Haarlem. |
| Historisches Wörterbuch der Philosophie Hrsg.: Ritter,
J. & Gründer. … dln., Basel 1971-… |
|
1Vondel wordt in het navolgende
steeds geciteerd naar de WB-editie ( Lucifer: V, 601-696;
Adam in Ballingschap: X, 94-170;
Noah: X, 391-454). Voor de woordverklaringen
bij de tekstfragmenten in het navolgende ben ik schatplichtig aan de annotaties
van B.H. Molkenboer O.P., die de genoemde spelen van Vondel voor de WB-editie
bewerkt heeft. Daarnaast heb ik gebruik gemaakt van de in de bibliografie
genoemde tekstuitgaven. Het titelcitaat is ontleend aan Noah, v.
1356.
2Zo wordt in het eerste bedrijf van
Het Pascha (1612) het probleem aan de orde
gesteld, of God voor het kwaad op aarde verantwoordelijk gesteld kan worden.
Een der Israëlitische Oudsten, de godvruchtige Kaleb, redeneert dat het
kwaad zijn oorsprong uitsluitend in de vrije wilsbeschikking van de mens vindt:
‘Niemant en is tot quaet ghedwongen, gh'lijckmen ziet, / Dat alle quaet
door Gods toelatingh maer gheschiet.’ (Vondel-WB, I: 199, v.
517-518).
3De tekstpassages uit de
Bespiegelingen zijn geciteerd naar de WB-editie
(IX: 403-653). Voor de woordverklaringen heb ik meer dan eens gebruik gemaakt
van de voortreffelijke annotatie van B.H. Molkenboer O.P. aldaar.
*de levende en de dode stof;
**schepselen zonder rede,
dieren
*met een aangeboren neiging het voor hun
beoogde doel te bereiken;
**volgens een bepaalde rangorde;
*de natuurlijke goedheid van God
afkomstig;
**waardoor Gods beeld in ons en zijn genade
verloren gaan;
***die evenzo goed het ene of het andere
doelwit kan verkiezen
*op aarde (door God)
aanschouwd;
**onontkoombare misdaden;
***namelijk: de vrije wil;
****hoe ieder zich gedragen zal;
*****wordt de vrije wil geen geweld
aangedaan
***de wijze waarop wij zouden
ordenen;
****tot in het kleinste detail
4Volgens de traditionele opvatting zijn engelen
en mensen in zoverre gelijk, dat ze beiden niet alleen met de rede, maar ook
met de wil begiftigd zijn. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de theorie
van de ‘chain of being’, de keten der wezens. De mens neemt een
middenpositie in tussen dier en engel. Met het dier deelt hij primaire driften
en hartstochten, met de engelen heeft hij rede en wil gemeen. Vgl. Tillyard
1970: 51-67.
Vondel spreekt zich in
Lucifer niet expliciet uit over de vrije wil
bij engelen. Wél vindt men enige tekstpassages in het drama die er geen
twijfel over laten bestaan dat ook ‘geesten’ over de wilsfunctie
beschikken. Vgl. v. 878-879: [ Luciferisten] ‘Wy klagen van
verdriet, en enkel ongenoegen. / [ Rey van gehoorzame engelen] In ste van
uwen wil gerust naer Godt te voegen.’
5In dit verband zij gewezen op een opmerkelijk
verschil tussen
Hooft en
Vondel. Waar de term noodlot voor de laatste een
duidelijk pejoratieve betekenis heeft, ziet Hooft het fatum in een veel
positiever licht. Hij definieert noodlot als het eigenlijke plan van God met de
wereld, het draaiboek van Zijn schepping. Vgl. Konst 1997.
*Het zou veel te gemakkelijk zijn;
**makkelijk kwijtgescholden;
*zie dit door de vingers;
****met behoud van de U toekomende
eerbied;
*****Namelijk: door het verbod op te
heffen
6Vgl.: ‘De goddelijcke voorzienigheit, om,
in den beginne der scheppinge, een geneesmiddel te vinden voor de zieckte van
's menschen quijnende natuure, uit den aert der stoffe gesproten, beschonck den
mensch met eenerhande uitmuntende gave van Erfrechtvaerdigheit, waermede, als
met eenen gouden toom, het meerder het minder deel moght intoomen, en het
meerder deel in gehoorzaemheit onder Godt lichtelijck ingetoomt worden. Aldus
luisterde het vleesch naer den geest, om teegens zijnen wil niet uit te
spatten, ten waere de geest tegens Godt quaem in te spannen: evenwel stont het
in de maght van den geest tegens Godt in te spannen of niet.’ (Berecht,
r. 45-54).
*zowel naar de positieve als negatieve
kant onbeschreven;
****Versta: in geval van dwang of
determinatie zou de rechtvaardigheid Gods aan betekenis verliezen
7Het is in dit verband interessant vast te
stellen dat
Vondel niet goed raad heeft geweten met de
protagonisten van zijn
Hippolytus (1628; vertaald naar Seneca's
Phaedra) en
Koning Edipus (1660; vertaald naar
Sophocles' Oedipus rex). Het handelen van Phaedra en Edipus wordt in de
voorstelling van Seneca en Sophocles beheerst door een onontkoombaar noodlot,
waardoor beide toneelkarakters uit de oudheid wel degelijk onbedoeld tot
laakbare handelingen komen. In die zin kan de bloedschande, waaraan beiden zich
schuldig maken, Phaedra noch Oedipus in feite aangerekend worden. Dat erkent
ook Vondel, maar hij worstelt onmiskenbaar met het probleem dat de
onopzettelijke zonde van Phaedra en Oedipus uiteindelijk onverzoenbaar is met
zijn ideeën over handelingsvrijheid en persoonlijke verantwoording. Vgl.
Konst 1996: 142-144; Smit 1956-1962, I: 147-148.
8In het Berecht bij
Adam in ballingschap gaat
Vondel uitgebreid in op de leer van Pelagius. Met een
beroep op de laat-klassieke theoloog Vincentius van Lerinum wijst de dichter
het gedachtengoed van Pelagius als het summum van menselijke hoogmoed zonder
meer van de hand (r. 206-209): ‘Niemant heeft voor dien heiloozen
Pelagius zich zulk eene kracht van vryen wille durven aenmeeten, dat hy hier
toe in het goet, tot elck byzonder werk, Godts genade niet nootwendig
achte.’
|
|