|
|
|
| | | | | |
De Tendens in de ‘Willem Leevend’ van Wolff en
Deken
Door J. Koopmans.
Hier is het woord gegeven aan vele uitmuntende vrouwen. Aan weinige,
halve, of half-zichtbaar gehouden mannen. In hevige vervoeringen met ademloze
verzuchtingen van overvolle harten. In uitgesponnen vertogen van kalme
beredeneerdheid en beproefde levenswijsheid. Het sentiment heeft zijn rechten;
het verstand heeft zijn plichten. Het innerlik leven uit het; het
maatschappelik verkeer bevestigt het; de ingeschapen Rede gebiedt het als wet;
het Christelik geloof hecht er zijn zegel aan.
Haar hoofdstukken? Er zijn er vele, en de casuïstiek is gerechtigd
het aantal tot in het oneindige te vermeerderen. Is de liefde een lust of een
last? Is ze heilzaam of gevaarlik? Staat ze boven of beneden de vriendschap? Is
ze nodig of onnodig voor een goed huwelik? Zijn de vrouwen meer aangelegd voor
de vriendschap of voor de liefde? Hoe groeit de vriendschap onder bedachtzame
leiding? Hoe kan men zijn driften leren beheersen, hoe zijn overgevoeligheid
temperen, zijn vermaken regelen, zijn geluk volmaken, zich zelf opvoeden? En
meer van dien aard.
Alle zijn ze samen te vatten in één codex van levenswijsheid, welke
het nooit te verzaken opschrift draagt: ‘Wat valt er te doen, om goed te leven
en wel te sterven?’
Het zijn deze antwoorden, van verschillende personen, met
| | | | onderscheidene aanleg en in uiteenlopende omstandigheden, welke
in brievenbundels het lijvige werk bijeenbrengen, dat onder de naam van
Historie van den Heer Willem Leevend
het 18de-eeuwse Nederlandse publiek heeft verrast en vermaakt.
De schrijfsters zijn, zoals we weten,
Betje Wolff en
Aagje Deken. Ieders aandeel is slechts in
't ruwe te bepalen. Aagje mogen we er op aanzien, dat ze het
polemies-theologies gedeelte voor haar rekening heeft genomen. Ook zal, bij
nader onderzoek haar aandeel in de als essay's bedoelde ingeschakelde
moralisaties niet onbetekenend blijken te zijn. Bij haar altans spreekt sterk
het wijsgerig element. Doch de meisjes-figuren zijn ontegenzeggelik van Betje.
Zij alleen kon het aanzijn geven aan een Daatje, een Pietje Renard, een Martha
de Harde, een Lotje. Zich zelf analyserende, is zij in staat geweest, de
stadieën van haar bewogen leven als meisje, en van haar zelfbewust leven als
vrouw neer te leggen in vaste lijnen; uit elke lijn spreekt een eigen karakter,
een eigen levensopvatting, een rustig gesloten geheel. De radeloosheid van de
in haar jeugd smadelik verlatene heeft zich geconsolideerd tot de gelatenheid
van de dodelik-verliefde Lotje Roulin; de retrospectieve betrachting van de
geleden débacle in het omzichtig beleid van een Adriana Belcour. Als de
verstandig geworden Betje Bekker zich heeft kunnen inschikken tot een huwelik
met de dertig jaar oudere dominee Wolff, geeft de projectie van de voortaan
bepaalde weg op de verlaten kronkel-baan, ons de onwaardeerbare schepping van
Daatje Leevend, in wie de vroegere dolheid tegen de vaste zielestand in stoute
golven opbruist en vrolik schuimend terugspat. Straks bouwt ze zich op deze
stevige basis een gezonde realistiek in Martha de Harde, en, levenswijsheid
geworden, een evenwichtige vrije geestesstemming in de onafhankelike Christina
de Vry. Hoe betekenisvol, als eenmaal de vijf-en-zeventigjarige familietante
zich met het jong-vrouwtje Daatje vereenzelvigt. De kritiek van de jongere zet
zich in die van de oudere, op hààr en op de wereld, voort. Geen wonder dan ook,
dat het ‘redelike’ Daatje de ogen sluit van de boven tijd en vooroordelen
staande oud-tante De Vry.
Ook andere namen, als de Helders, de Goedmans, de Veldenaars, dragen
18de eeuwse karakter-tiepen. En de ganse | | | | familie-cyclus is
wederom geparenteerd aan de Willis, de Edelings en de Burgerharts uit de eerste
roman.
De heer Abraham Rijzig, welgemaakt, vermogend, dertig jaar oud, weet
wat hij wil. Hij heeft zich een meisje gezocht, en gaat over enkele weken het
bootje in. Nu is hij er van overtuigd, dat zijn jonge vrouw hem handen vol werk
zal geven. Hij weet, dat ze eisen zal hebben, en al haar plaagzucht,
behendigheid en dartelheid zal aanwenden om haar zin te krijgen. Maar de baas
zal zij niet worden. Natuurlik, zal hij, van zijn kant, haar, uit enkel
grilligheid, niets weigeren. Alleen zal hij haar ontzeggen, wat strijdig zou
wezen met haar levensgeluk. Want waarlik, in de grond is ze van een uiterst
degelike aard; alleen haar manier van leven strookt niet met zijn soliede
begrippen. Maar dat is niemendal; hij zal ze wel opvoeden; hij ziet er wel in,
dat ze oneindig veel voor hem kan worden. Buien en stormen zal het geven op hun
huweliksreis, zeer zeker. Mijnheer zal eenparig beleefd blijven, geen kwestie
er van; maar hij zal zich evenzeer onverzettelik strak houden. Mevrouw zal
eerst wel stil en neerslachtig zijn, 't is waar. Zij zal allengs gaan inzien,
dat ze niet hoeft te hopen ooit vorderingen te maken, en dat mijnheer nooit
naar haar pijpen zal dansen. Maar 't zal wel omslaan. Op de donkere morgen
volgt een blijde dag. Men zal zien, mevrouw wordt meegaande en vrolikt weer op.
En dan - verkneukelt Bram Rijzig zich, - terwijl de meeste getrouwde lui mekaar
al zo tamelik moede zijn, en man en vrouw geeuwend aan elkaars arm
voortslingeren, - dan zal hìj met zijn allerliefste wijfje eerst recht pret
krijgen, en de ganse horizon zal voor hem zo klaar wezen als kristal.
Is de heer Abraham Rijzig niet een door en door verstandig man? Hij
is natuurlijk wel verliefd; en hij stelt zich voor, zoals ook geoorloofd is, om
zich in zijn huwelikshemel aangenaam te vermaken. Maar daar trouwt hij toch
niet voor. Voornamelik is het zijn streven, om een gelukkig thuis te hebben, en
kinderen te krijgen, die hij zo kan opvoeden, dat zij hem voor hun
aanwezendheid dankbaar kunnen zijn. Maar 't allermeest benieuwd is hij, of zijn
geliefde stelling de toets | | | | van 't onderzoek kan doorstaan, die,
als uitvloeisel van zijn zelfbewuste fierheid niets minder inhoudt dan:
Een Man, die zich zelf wel bestiert, minzaam en standvastig is,
kan van een Meisie, dat een goed verstand, en geen slecht humeur heeft, eene
zeer hupsche Vrouw maken.
1)
In een werk als dit wordt gezorgd, dat de proef op de som niet
ontbreekt. Pas een week getrouwd komt mevrouw gekleed beneden, klaar om uit te
gaan. Een woordenwisseling volgt. De pointe er van is dat mijnheer zijn
vrouwtje noodzaakt thuis te blijven. 't Is theetijd; mevrouw zit aan en blijft.
Na wat gekibbel en zuur kijken, komen ten slotte de zaken in 't oude gelid.
2)
Bij één tereinverkenning mag het niet blijven. Mijnheer ziet zich
genoodzaakt een correspondent mee naar thuis te nemen en aan tafel te vragen.
Na den eten zal men gezamenlik uitgaan. Mevrouw is er ook in betrokken: de gast
bracht zijn dochter mee. In de droeve noodzakelikheid gebracht, een pas
aangenomen invitatie op bruske wijze af te slaan, ziet mevrouwtje zich ook nog
de hele middag met twee draken van provincialen opgescheept, terwijl manlief in
de late avond maar amper in zijn humeur is over de wijze, waarop ze haar
honneurs waargenomen heeft.
3) Maar alle tegenheden
helpen. Onder hetzelfde dak woont ook de statige, stipte Mama Rijzig, levende
op de klok. Een nieuwe ijzeren wet, die van Daatjes levenstrant de ongeregelde
puntjes helpt afslijten. Natuurlik zorgt Rijzig ook, dat er kinderen komen. De
moeder voedt de vrouw op. En Daatje láát zich gezeggen; Rijzig wint het proces.
Het wereldse vlindertje, kan hij juichen, dat haar tijd doodde met nietsdoen,
dansen, spelen en koketteren, is na een jaar gemetamorfozeerd in een brave
bedrijvige werkmier, die werkt op de klok en haar boden narijdt, die haar wilde
haren verloren, maar zo mogelik, aan geest en levendige opgeruimdheid gewonnen
heeft, en, in zijn opgetogen ogen, een tiendubbele waarde heeft verkregen, nu
haar verstand en haar hart een terrein hebben gevonden, waarop het
uitgestrooide zaad van een gezonde en levenskrachtige natuur zich met een
overvloedige oogst ziet beloond.
Zeker, als de oude vijand loert, houdt Abraham Rijzig weer
| | | | voet bij stuk. Als de schier verstikte liefde voor het nu
afgedane mondaine leven terugkomt en even weer opflikkert, snijdt hij de
gelegenheid vierkant de pas af. Straks komen, onverwacht, mijnheer en mevrouw
Goedmans over uit Den Haag. Rijzig en Goedmans waren vroeger kennissen. De
vrouwen zien elkaar voor 't eerst. Als de dag om is, heeft mevrouw Rijzig geen
andere woorden en gedachten dan over de charmante gast. De volgende morgen komt
er zo waar een invitatie. Naar den Haag! de jonge vrouw is in de wolken. Maar
Rijzig steekt er een stokje voor. Eerst wordt het geharrewar. Maar Rijzig zegt
dapper waar 't op staat. Die Goedmans en zijn vrouw zijn hooge Hagenaars
du Ton; dat is, ze leven een straatslijpersbestaan, zonder
ernst en zonder orde. Mevrouw Goedmans is op 't uiterlik een lieve mevrouw,
maar Daatje moest inzien, dat ze een verwend poppetje is geworden. Ze was in verkeerde handen gevallen. Moest nu iemand als mevrouw
Rijzig met zulk gedegenereerd volk omgaan? Mocht zij de oude genegenheid weer
opvatten voor de luchtige dienaressen van Madame la Mode?
Neen, een degelike Amsterdamse vrouw zoekt een anderen aanhang, moet met haar
werkzame orde de Hollandse koopmansstand helpen hoog houden. Weg met dat
nutteloos Haagse leeglopersgild!... Mevrouw Goedmans af. En de knorrige bui van
't jonge mevrouwtje gaat ook over, vooral nu het haar ijdelheid streelt zulk
een flinke man tot opvoeder te hebben. Haar onvergelijkelik degelike,
karaktervaste Bram, heeft als altijd, ook nu weer gelijk
1).
En welaan, in een opvoedkundig werk als dit, is het zichtbare lot
van de Goedmans daar, om het inzicht van Rijzig en de onderworpenheid van zijn
verstandige vrouw te rechtvaardigen. Wat gebeurt er? De Haagse kennissen worden
zo aanstonds door hun ‘vrienden’ opgelicht. Ze moeten zich zelfs gaan
bekrimpen, de Hofstad verlaten en buiten gaan wonen. Of ze te beklagen zijn?
Dat staat te bezien. Rijzig meent altans van niet. Zegenen moeten ze de hand,
betuigt hij, die ze uit de draaikolk van de wereldse vermaken heeft gerukt.
Welk een leven, waarin de mensch zich beneden de minst in aanzien geldende
leden van de samenleving vernedert! Waartoe | | | | strekken de
voortdurende, en grillige vermaken anders, dan om de gezondheid te verwoesten,
de orde te verstoren, en de betamelikheid met voeten te treden! Dreigen niet
ganse familieën, die het Vaderland tot roem en zegen zouden kunnen verstrekken,
door zulke uitspattingen te gronde te gaan?
1) ‘Leef gerust,’ schreef
Rijzig aan zijn vriend van weleer, zoals het een man van grote goederen en
fijne smaak, als gij zijt, betaamt. Volg gerust een leven van weelde, die u de
geriefelikheden van 't leven op de bevalligste wijze bezorgt. Gij beloont er de
Nijverheid, de Kunst en Wetenschap mee, en zolang ge, met uw wensen in te
volgen, noch anderen benadeelt, noch uw fysiek of moreel bederft, hebt gij
volkomen het recht, met Epicuristies genot uw schatten te besteden. Maar
niemand, die zijn Vaderland op de ene of andere manier nuttig zou kunnen zijn,
en door zijn geboorte geroepen is, zich daarnaar te voegen, mag een geeuwend
toeschouwer en een zwervend clubloper zijn.’
‘Goedmans hoeft maar naar de portretten van z'n voorouders te
kijken, om beschaamd te blozen. Eerst ziet hij een Zeeheld, de eerste edelman
van zijn Geslacht. Dan twee Martelaars van Staat, door een razend gepeupel aan
stukken gescheurd. Een vrouw, die zich door het redden van haar echtgenoot de
dankbaarheid van Europa verwierf. Een afgezant, die nog steeds de bijnaam
draagt van de grote Ambassadeur. Geachte kooplieden, die hun naam met roem, de
Staat met goederen verrijkten. En aan al die uitmuntende Vaderlanders is
Goedmans vermaagschapt; hem sieren verstand, hart en tal van goede
hoedanigheden; en hij is, o schande! onverschillig voor alles wat hem nuttig
zou kunnen maken voor de samenleving en geacht bij de mensen! Wat erger is,
juist door zijn geboorte, zijn middelen en zijn oordeel acht hij zich
gerechtigd, zijn schatten in een laffe ledigheid te verteren, zijn rang te
verluieren en zijn verstandelike vermogens te verkwisten!
2)
| | | |
Wie zulk een uitbrander krijgt, kan het er mee stellen, zal men
bevinden; maar men bedenke, dat op Goedmans' rug, voor hij de woestijn werd
ingezonden, bereids meer zonden waren geladen. De Hagenaar is niet alleen
bestemd de geïncarneerde, van zijn voorvaderlijk bloed ontaarde, doeniet te
zijn; hij is evenzeer de zo zeer door Rijzig gewraakte familiebederver.
Goedmans is laf: hij draagt zijn vrouw op zijn handen, koopt haar lieve lachjes
en gelukkige welvoldaanheid met zijn geld en zijn gedweeë toeschietelikheid in
haar eisen om te leven in Ton. En 't ergste is, dat hij er zo
in is opgegaan, dat zijn lome hand er vermaak in schept, tegenover anderen zijn
branie te vieren. Mijnheer en mevrouw, verhovaardigt hij zich, hebben het
voorrecht zo ongegeneerd mogelik te leven. Om twaalf uur ontbijten ze pas; om
vijf uur eten ze; 't souper wordt dan nachtwerk, Mevrouw ontvangt in haar
boudoir; mijnheer bezoekt de salons. 't Is helemaal niet erg; juist andersom
zou bourgeois zijn! En de eer blijft niet uit. Mevrouw wordt
om haar gracieus dansen door honderde ogen bewonderd; mijnheer om 't bezit van
zulk een ega uitbundig gecomplimenteerd. Wat een genot, zo te leven! Schulden
maken, als gemeenlik de Hagenaars doen, hoeft hij niet: hij is overrijk;
jaloers wezen op de dartele stoet, die zijn vrouw hun hulde brengen, evenmin;
zijn vrouw is biezonder met hem ingenomen. Zij is wel niet sterk, misschien
haalt ze de dertig niet; maar 't zou zonde zijn, zolang ze er smaak in heeft,
om haar de genietingen van 't Haagsche leven te onthouden. Later, als 't nieuwe
leven oud is geworden, zal 't nog tijd genoeg wezen, om van de Buitenplaats te
profiteeren. In één woord, het is een leventje van botertje tot den boôm; en
men moet - smaalt hij verder, - wel een Amsterdamse kantoorfrik en werkezel
zijn om zijn hoofd te schudden over iets dat men | | | | nooit in de
bedwelming van zijn bezigheden heeft gekend....
1)
Die schicht slaat in, en 't onweert van de kant van Rijzig niet
minder fel. Zulke gevoelens als Goedmans voor zijn vrouw beweert te koesteren,
bijt hij hem toe, mogen allerminst de naam van liefde dragen. Watblief? Mag een
goed echtgenoot dulden dat zijn vrouw zich aan een levenswijze blootstelt die
haar maar dertig jaar levens gunnen? Zelfs al liet zijn Haagse vriend enkel
zijn Epicuristiese belangen wegen, dan nog zou hij de gezellin bij de
hoogtijden van zijn zinnelikheid, voor alles moeten bewaren wat haar vroeg ten
grave kon voeren. Dan heeft hij enkel haar liefde voor hem te exploiteren tot
zijn eigen gerief. En de voor zijn attenties dankbare vrouw zal ongetwijfeld
zijn zorg voor haar leven vergelden met de minzaamste erkentelikheid. Maar
jawel, het hoogste belang stelt een andere eis: Mevrouw moet een knappe
danseuse blijven! En Mijnheer zijn hoogste eer moet hierin blijven bestaan, dat
men hem als de gevierde echtgenoot van de charmante Reine
begroet! Wat voor vuiger eigenbelang kon hier ooit spreken! Ware zulk een
vrouwtje slechts in betere handen gevallen dan in die van een mondaine fat!
2)
Gelukkiger Daatje, die in Abraham Rijzig de verstandige leider van
haar levenslot heeft gezien. Waar Goedmans valt, moet Abram rijzen. De tweeheid
moest een harmoniese éénheid worden. De schrijfsters hebben het zich niet
gemakkelik gemaakt. Niet uit liefde heeft Daatje Rijzig verkoren; hij trok haar
aan, zijn sterkte prikkelde haar wuftheid. Op deze grondslag trekken de
schrijfsters het nieuwe gebouw op. Rekening houdende met de steeds tere
vrouwelike sentimenten, laten zij in het uiterst delicaat psychologies proces,
Rijzig, overeenkomstig zijn aanleg, en gans in de lijn van zijn vooropgezet
weldoordacht plan, even spaarzaam zijn in het uitdelen van zijn liefkozingen
als in het uitzuinigen van zijn uitgaansuren. Zij laten hem voor alles zakenman
zijn, overal met zich mee dragen de atmosfeer van zijn mannelike degelikheid.
Heel voorzichtig, maar aldoor konsekwent laten zij op Daatje, die jarenlang de
salonlucht heeft ingeademd, maar met haar | | | | kerngezonde natuur
krachtiger prikkels behoeft, het vormend vermogen inwerken van een kloek
karakter, die een stalen veer mag heten bij het kartonnen samenstel van de
verstoten modepoppen. Zij wagen het zelfs, vermetel, de oude liefde te laten
opsteigeren, en het ongeduld ten voeten uit trappelen. Doch telkens schikken
zij de tot zich zelf gekeerde vrouw onder de zelfbewuste meerderheid van de
man, ook in dier voege, dat zij de levendige trek, om het overdartel vernuft te
verkwisten in spot en spel met vernederde petits-mâtres en beschimpte
salonvlindertjes, in Daatjes proefjaren, even waardig als oordeelkundig
verdiepen tot de vrolike moed om mee te leven in de belangen van hare famielie
en van de gemeenschap, en dat met een schat van levenslust en warmte van
gemoed, die haar de blijvende vriendschap verzekert van allen die, door haar
omgang, de waarde van haar hart en verstand weten te prijzen. Zo één, dan is in
deze roman van levenstiepen, de onvermoeid-werkzame en geestige Daatje Levend
een welgeslaagde figuur.
Zich zelf helpen uit de poel van 't onbeduidend salet-leven doet
Mejuffrouw Pieternella Renard, de vriendin van Daatjes meisjesjaren, doch
overigens van een gans andere aanleg. Evenals de vaderloze Daatje, was ook
Pietjes jeugd verwaarloosd. Al vroeg moederloos, werd zij, na aan vreemde
handen te zijn toevertrouwd, na de dood van de verkwistende vader gehuisvest
bij een oude podagreuse oom. Middelen had zij niet, en de ziekelike en gemelike
oom vermocht weinig vrolikheid in haar leven te brengen Maar 't meisje,
goedhartig en meelijdend van natuur, hechtte zich aan de hulpbehoevende lijder
en ging geheel in haar taak van huishoudster op. Ook hier werd de afzondering
een leerschool. In de stillere omgeving begon de geest andere behoeften te
krijgen. Pietje begon met lektuur in handen te nemen; zij las en geraakte tot
zelfkennis; zij leerde haar gebreken verfoeien, en sloeg zelf de hand aan 't
werk om haar geestelik en ethies tekort op allerlei wijzen aan te vullen. Nu
wordt ze zich ook de kloof bewust, die tussen Daatjes luchthartigheid en haar
eigen levensopvatting gaapt. Door vermaningen tracht ze Daatje op 't goede pad
te brengen, doch zo, dat de goede verstandhouding er niet onder lijdt, zodat
nieuwe banden gelegenheid krijgen de oude te bevestigen. Beide weten trouwens
wel zo | | | | veel van zich zelf, om in te zien, dat de een de ander
aanvult. De een is meer gezond verstand en vernuft, de andere meer hart en
fantasie. De een bindt zich in, de andere geeft zich. Ook Pietje krijgt
aanzoek, en schenkt haar hart en hand aan de eerzame, met hart en ziel haar
liefhebbende koopman Everards. Maar hoe geheel anders zijn deze in hun
ontboezemingen, als de kalme Rijzig en de schertsende Daatje. In hun
liefdes-brieven smelten beide weg in een blanke tederheid, en als er ook hier,
na een jaar huwelik, een jonggeborene komt, zingen alle violen en fluiten de
schoonste melodieën op het echtelik geluk van deze twee zuiver harmonieërende,
gepaarde levensgezellen.
Evenals de echtelingen Goedmans, zijn Everards en Pietje geroepen,
de figuren van Daatje en Rijzig te flankeren. Men weet nu, waartoe de
verscheidenheid in deze combinaties strekt. De zakenman Rijzig en zijn schalkse
wederhelft ontveinzen zich, is het streven, in hun aangroeiende gehechtheid
elke effusie die de warmere tinten van hun gevoelsleven zou kunnen
demonstreren; de eveneens zaken drijvende Everards en zijn aangebeden Renard
zijn steeds overvloeiende van een zoete zaligheid, en lezen openlik rozen waar
Daatje, spotziek, de dorens telt. Doch de vriendschap blijkt er, vooral in
moeieliker dagen, niet minder innig door te zijn, en uit de verscheidenheid
schiet de loot der éénheid op. Ten slotte komt het hierop aan, dat Rijzig past
bij Daatje en Daatje bij Rijzig; en de karakters van Renard en Everard zich aan
elkaar sluiten als spiegelglas. De vrouw ziet eerst aan haar bestemming
voldaan, lezen wij, als haar kwaliteiten in de goede richting worden geleid
door de man van haar keuze; hij is de boom, die met zijn armen en takken de
klimmende ranken van de vrouwelike aanleg opvangt en steunt. Wèl haar, die een
keuze doet, harer waardig; wel hèm, die ernst genoeg aan degelikheid paart, om,
met raadpleging van zijn hart en zijn verstand, te kunnen oordelen, wie de
vrouw zal zijn, die hij, door de huwelikszee, met vaste hand naar de behouden
haven weet te voeren. Zich zelf en zijn gezin gelukkig te maken, zodat allen
hun aanwezendheid dankbaar gedenken, daarop loopt ten slotte, het streven van
de jongeling en de echtgenoot uit.
Of de vrouw van zijn hart tevens de vrouw van zijn keuze
| | | | mag zijn? Of, vóór zich de genegenheid zetten kan, hij niet met
de uiterste omzichtigheid de loop van zijn gevoelens moet leiden? Of, zo de
onberedeneerde jeugd zijn neiging laat vieren, geen offers moeten worden
gebracht, geen wonden moeten worden geslagen? Moeders, ziet toe, en richt de
voetstappen van uw zonen, verzacht de wreedheid van het teleurstellende lot met
het troostrijk woord van uw weldadig hart. Zo uw stamhouder een Goedmans kan
worden, sluit dan zijn hart voor de nog niet terechtgebrachte wereldling als
Daatje geweest is; en zo uw dochter een Daatje zou kunnen blijven, bestel dan
haar lot in de handen van een vaste Rijzig-natuur.
‘Mijn zoon’, had voorheen reeds mevrouw Willis tot haar zoon Willem
gezegd, die zich gaarne zou verheugen in 't bezit van de hand van Saartje, de
overbekende mondaine heldin in de ‘Burgerhart’ - ‘de kennis, die ik meen te
hebben van uw beider karakter, is de grondslag waarop ik redeneer, Juffrouw
Burgerhart is een, in vele opzigten, uitmuntend jong meisje, maar zij heeft
zwakheden, die haar beletten datgene te zijn, 't welk zij worden kan, indien
zij eenen man krijgt, voor wien zij niet alleen liefde, maar ook achting heeft.
Hoe los en beuzelagtig zij het ook moge schijnen, nooit zal zij
hare verkiezingen met genoegen afstaan, dan door overtuiging: en dewijl
zij een zeer schitterend vernuft heeft, en zulke bevalligheden, die maar zeer
bezwaarlijk te wederstaan zijn, zo zal niemand dan een man, die in hare eigen
oogen groot, zoowel als beminnelijk is, dat vermogen op haar kunnen krijgen, 't
welk noodig zal zijn, zoowel voor haar welzijn, als voor zijn geluk. Zijt gij,
mijn goede Willem, nu, die man? zijt gij in staat, om eene vrouw van zulk een
edel vernuft, van zo vele bevalligheid, iets te weigeren? Beste jongen, ik ken
u. Uw goedaartig hart is zwak voor elk, dien gij lief hebt; en hoe lofwaardig
de goedaartigheid ook zij, als zij niet van eene beredeneerde
sterkte van ziel ondersteund wordt, ontaardt zij meermaal in lafheid. De
omstandigheden, waarin gij u na mijnen dood zult bevinden, zullen u verpligten
om uwe zaken dermate te beijveren, dat er aan het vermakelijke niet veel kan
gedacht worden. Komaan, verbeeld u eens getrouwd te zijn met eene vrouw, die
een | | | | zeer sterken trek heeft tot het bijwonen van al die vermaken,
welke alleen te berispen zijn, als men zich aan dezelve geheel overgeeft.
Verbeeld u, òf, dat gij uwe vrouw beletten moet daarin te deelen, òf toestaan,
dat zij met een ander, neem uwen besten vriend, die bijwoont. Besluit gij tot
het eerste? dan vrees ik, dat juffrouw Burgerhart niet zeer bereid zal zijn om
u te gehoorzamen. Kiest gij het laatste? Wel, ik zou niet graag zien, dat de
vrouw van mijn zoon overal zonder haar man gezien werd, omdat hij mij smarten
zoude, hare deugd verdacht te zien bij eene berispzieke wereld, en
u te zien bejegenen als een jongen, die zich al de grillen zijner vrouw liet
welgevallen.’
Niet aan Willem Willis was het, dat Saartje gepaard werd. De man van
haar keus werd Hendrik Edeling, die zij, zoals het behoorde, begon met hoog te
achten en met onderscheiding te zien, en die zij, even verstandig als
lieftallig, bij de verkregen zelfkennis van haar aanleg, als de meest geschikte
leidsman voor haar verder leven verkoos. Mevrouw Willis, haar beproefde
vriendin, keurde zelf haar zienswijze goed, en bevorderde de gewenste
toenadering. Zo bracht ze de genegenheid van haar zoon ten offer aan zijn en
Saartjes toekomst. Steeds belangeloos sneed zij ook haar eigen uitzichten af.
Nog meer. Als de, over zo veel voortreffelikheid verrukte ‘oud-vrijer’
Blankaart zijn eerlik hart en zijn buitengewoon vermogen voor haar voeten legt,
blijft de nobele vrouw wederom zich zelf gelijk. De kalme rede heeft de rimpels
in het veelbeproefde hart glad gestreken; het eenmaal veroverde evenwicht
tusschen hoofd en hart heeft een vaste richting gegeven aan haar daden en
gedachten, die op geen andere rechtbank appel toelaten dan op de zuivere
stemming van een trouwe en belangeloze vriendschap. Blankaart zwijgt en buigt
zijn hoofd, en wij, die in een werk als het onderhavige het hoge peil dier
stemmingen hebben leren waarderen, begrijpen mede, in welke levenssfeer de
dames Wolff en Deken zich het hoogste geluk hebben gedacht.
Degene, die geen wachter voor de poorten van zijn hart kan zetten,
en zijn zinnen niet onder de kontrole van zijn oordeel plaatst, loopt gevaar,
zonder koers, af te drijven op | | | | de wilde stroom van de hartstocht.
Zij is 't, die de verbeelding opblaast tot een verbijsterende hoogte. Beide
knagen aan de levenslust, ondermijnen de moed, verteren de krachten, 't
Gesloopte lichaam sterft weg. En zo we het weten willen, we behoeven het
slechts te lezen uit de droevige geschiedenis van Charlotte Roulin.
Lotje woont samen met een broer te Leiden; hij drijft een
lakennering, zij neemt het huishouden waar; de overtollige kamers verhuren ze
aan studenten. Het vroegtijdig verlies van hun ouders heeft de broer en de
zuster, die van een hogere afkomst zijn, genoodzaakt op deze wijze in hun
onderhoud te voorzien. Deze omstandigheid reeds maakt Lotje, voor wie haar
kennen tot het voorwerp van een welwillende aandacht. Doch wie haar in de
omgang hoort en gadeslaat, kan er niet over uit, wat voor voortreffelike
eigenschappen door het fijne welgevormde lichaam omsloten worden. Vrouwen en
mannen, alle neemt ze voor haar in. Engelachtige zachtaardigheid en zedige
onschuld vinden ze in haar verenigd; en wat haar nog belangwekkender maakt,
haar schoon en regelmatig gelaat drukt de tere lijdelijkheid van een door
tegenspoeden beproefd leven uit. Wie met haar spreekt, wordt zo goed als
gedwongen, bij zijn deelneming en zijn bewondering voor haar wezen de stille
hulde te voegen aan haar verstand en begaafdheden. Geen wonder, dat de vriendin
van haar ouderlik huis, Mejuffrouw Adriana Belcour, uit de verte met zorg de
schreden van haar beschermeling bewaakt; en het is niets onnatuurlik, dat haar
stille hoop de hand van het onbeschermde weesje in de toekomst toewijst aan den
heer Bernards, die Lotje vurig bemint, en haar bezit als 't hoogste doel van
zijn leven beschouwt.
Dit Lotje nu is bestemd het slachtoffer te worden van een
misplaatste liefde. En de persoon waarop ze haar zinnen zet, is niemand minder
dan Daatje's broer Willem, die van wege het twede huwelik van zijn moeder met
Gerrit van Oldenburg, thuis in zijn stiefvaders oog een last wordt, en nu door
bemiddeling van de Amsterdamse dominee Heftig kamers krijgt bij de Roulins.
Willem zal namelik studeren, en wel in de theologie.
Al spoedig blijkt het, dat Willem en Lotje elkaar gevonden
| | | | hebben. Lotje is begaafd, maar Willem ook; Lotje is een
gevoelsmens, en Willem, zo mogelik, nog meer; Willem ook, is een knappe jongen
met een paar mooie oogen. Daarbij komt nog, dat Willem thuis een verwende
moedergek is geweest, die steeds aan haar rokken hing en nooit in 't hoofd zou
krijgen buiten zijn briefje te gaan; in Leiden ook, blijft hij een brave
oppassende jongen, weet vooralsnog van geen uitgaan en leeft als huisgenoot in
bij de Roulins. Al spoedig wordt men vertrouwelik, bewijst elkander attenties,
voorkomt elkanders wensen, drukt elkander de hand. Als Willem eindelik
gezelschap opzoekt en wat later thuiskomt, vloeien uit haar zachte oogen
verwijten, kleurt de schaamte zijn kaken, lispelt men van vriendschap, belooft
hij beterschap. Op zekere avond ontdekt zij bloed aan zijn hals; hij heeft, zo
waar, gevochten; hij heeft zijn degen getrokken, omdat háár door iemand in
bedekte bewoordingen smaad is aangedaan. Lotje, ontdaan en bewogen, omart
hem... In de mond van de wereld worden hun namen met één woord uitgesproken,
Willem roemt Lotje, en Lotje roemt Willem.
En zo sterk is de gevestigde mening, dat wanneer Lotjes
teruggetrokkenheid ze beide in opspraak zal brengen, ieder, die maar hoorders
vindt, van een huwelik niet alleen als van de meest gewenste, maar ook als de
natuurlikste en voor beide partijen de meest begeerde oplossing van een uit
innige verkering geboren moeielikheid spreekt.
Doch hoe voorbarig oordeelt de wereld! Ze vergaapt zich aan de
schijn. En zij niet alleen. Ook Lotje zengt zich, helaas! aan 't valse
spiegelbeeld!
De schepping van het treurspel Willem-en-Lotje behoort voor 't
gevoel van deze tijd niet tot de gelukkigste in dit boek. En nochtans zijn de
hoofdfiguren in dit spel van emoties met zoveel voorliefde voor 't voetlicht
gebracht, dat we ons niet onthouden mogen te vragen, welke redenen hebben
gegolden, om een zelfde thema, met zulk een oneindige rij van droefgeestige
modulaties, aan 't publiek ten gehore te geven. De schrijfsters menen zeer
juist de grens tussen het Natuurlike en het ‘Romaneske’ te hebben vastgesteld,
en ze zijn het er over eens, dat de destijds rondwoekerende sentimentalieteit
| | | | meer schade doet dan baat brengt. Niettemin maakt de uitvoerig
vertelde historie een diep-sentimentele, schier slaphartige, ziekelike indruk.
Nu heeft de wijze van voorstelling de briefvorm tegen. Van de penvoerder
verwachten we onwillekeurig, dat hij, op enige afstand staande van het
gebeurde, de zaken in een kalme bezonkenheid en geregelde orde meedeelt. In elk
geval zou het ons verrassen, indien het gemoed zich de doorstane schokken en
beroeringen opnieuw zocht op te leggen. Ingeval nu de rustige hand met middelen
als herhalingen, exclamaties, gebroken woorden en zinnen de stemmingen, die
zich in dergelijke ongewone klankopvolgingen kunnen openbaren, weer tracht op
te roepen, loopt de natuur het gevaar zich te wreken, en vertoont die snikken
en snakken, ontledigd van de echtheid der spontanieteit, zo licht als een
ijdele galm. Maar ook in aanmerking genomen, dat de uitgesponnen ontboezeming
zich moeielik met de verhalende briefvorm overeen laat brengen, ook dan geeft
het gedurig aan elkander breien van meisjeszuchten en jongelingsklachten ons
recht op een gissing. Kan het zijn, vragen we, dat de schrijfsters, ondanks hun
welmenende vermaningen tegen de Feithiaanse stroming, tegen hun wil, aan de
melancholie van hun tijd, mede hun offer hebben gebracht? Heeft, toen de opzet
van hun karakters aan hun inzichten bleek te beantwoorden, hun piëteit voor de
Julia's en de St. Preux van de gevierde Rousseau ze niet in 't gevlei van de
tijd gebracht? en zijn bij hun vlijtige en gezette psychologiese uitwerking van
de toestanden en zielsgesteldheden, de verlokkingen hun niet te machtig geweest
om ook in dezen de breedste breedten en de diepste diepten uit te meten? Daarom
wellicht hebben de schrijfsters gemeend, zich zonder gevaar te mogen geven,
omdat zij in deze uitvieringen het steigerend hart gebonden wisten aan het
koord van de krachtige Rede, en zij zich door de schepping van Adriana Belcour
van een macht hadden verzekerd, aan wie, al een verpersoonlikte Mentor, zij
gerust konden aanbevelen, de uitbundigheid van de hartstochten binnen de lijken
te houden. Doch daardoor wordt dezelfde Belcour met een berg van gevoelsbrieven
overstort. Wat Lotje lijdt en hoe Willem kampt, komt Belcour omstandig te
weten. Sedert zij Willem geschreven heeft, hoe Lotje over hem denkt, en
| | | | hoe voorzichtig hij moet handelen, om zonder beide te vernederen,
haar te ontzien en tegelijk te verplichten, is in de campagne die hij door te
maken heeft, Belcour zijn dagboek en tevens zijn toets. Niet alleen, dat
daardoor Belcour een richtsnoer wordt voor zijn omgang met Lotje, zij heeft ook
het voordeel heel de roman van Willem in brieven en kopieën van brieven in
handen te krijgen. Uitstekend komt dit te pas. Immers, als Willem kort daarna
door een samenloop van omstandigheden in moeielikheden komt en zich door een
uitwijking naar den vreemde aan een gerechtelike vervolging zoekt te
onttrekken, weet Belcour door middel van de onder haar berustende
correspondentie Willems gedrag ten opzichte van de inmiddels overleden Lotje
schitterend te rechtvaardigen en hem het vertrouwen terug te geven, dat hij,
zelfs bij zijn liefste kennissen en vrienden, door een scheve voorstelling van
zaken, had verbeurd.
Doch nog altijd verkeert de lezer in 't onzekere, wat er tussen
Willem en Lotje aan de hand is. Het gewichtigste dokument in dezen is de brief
van Lotje zelf, door haar met stervende hand geschreven, en na haar dood,
ingevolge haar uitdrukkelike wil, verstrekt aan de jonge dame, aan wie het
schrijven gericht werd.
Het is een veelzeggend stuk, dat alles verklaart, en in Willems
moeielike positie het begin van zijn uitkomst is.
Mejuffrouw Charlotte Roulin aan
Mejuffrouw Christina Helder.
Uitmuntende jonge
Dame!
Wanneer gij dezen Brief zult leezen, dan zal deszelfs
schrijfster, zo als zij blijmoedig hoopt en geloovig vertrouwt, reeds in de
eeuwige gewesten des vredes zijn aangekomen. Nu kan ik mij niet langer vlijen,
dat ik u nog eenmaal aan deeze zijde des grafs zal omhelzen, en aan uwen boezem
toebetrouwen, het geen ook voor u van belang worden kan; immers, waartoe ik mij
verpligt voele. Hoe vuurig hebbe ik wel eens gewenscht, met u te spreeken, zo
als men alleen met eene | | | | tedergeliefde Vriendin kan spreeken, zo
als gij met uwe waardige Vriendin Veldenaar spreekt. Dit geluk is mij ontzegd:
ik moet des de heldere oogenblikken, die mij nog overig zijn, besteeden, om aan
u te schrijven. Gij hebt zeker meermalen hooren spreken van Lotje Roulin.
- Ik ben Lotje Roulin. Thans bevind ik mij in den Burgerstaat eenige graaden
beneden u geplaatst; thans, zeg ik, want mijne familie is de uwe gelijk in
afkomst, en bezat eens zeer veel van die zeegeningen, die zich meermaal
vleugelen maaken, en ook den deugdzaamen bezitter ontvlieden. Veele zijn de
rampen, waar mede mijn Vader, weinig geschikt om de waereld in haare slegtste
leden te kennen, geworsteld heeft. Hij stierf, en mijn Broeder heeft, door
vlijt en eerlijkheid, eene van verdriet wegkwijnende Moeder brood bezorgd. Zij
stierf, en liet mij, vijftien jaar zijnde, aan zijne bescherming over. Dien
braaven Broeder eerbiedig en bemin ik als eenen Vader, ik bleef altoos bij hem,
en wij leefden van een eerlijk bestaan. De Eerwaardige Heer Heftig
recommandeerde mijns Broeders huis, onder anderen, ook bij Mevrouw van
Oldenburg. Zij nam hier kamers voor haaren Zoon; trouwens, dit is u bekend.
Zijn gelukkig voorkomen, zijn goed gedrag, zijn aangenaame ommegang, het
genoegen, dat hij vond in ons huisselijk leven, deeden hem welhaast veel meer
als een lid der familie, dan wel als een Jongeling, die hier slegts kamers had,
beschouwen. Ik leefde in die koele ongehechtheid aan alles, die niet
oneigen is aan iemand, die niets aantreft, dat haar hart roert. Ik had eene
Vriendin, zij had en verdiende al mijne achting; maar mijn hart was niet
vervuld, en echter daartoe was het niet aangelegd. Gij kent den beminlijken
Leevend! Ik kon hem niet leeren kennen, zonder hem te onderscheiden. Hij wierd
mijn Vriend. En ik hield mij, maanden aan een, verzekerd, dat hij niets meer
voor mij was. Ik was gerust in de onschuld mijner bedoeling, in de zuiverheid
mijner verlangens. Ik geloofde, dat, indien ik hem liefhad, ik geheel andre
gewaarwordingen moest hebben. Ik bedroog mij: ik beminde. Dit zag ik te laat.
Ik wierd het slagtoffer eener drift, die mij te sterk wierd, en die ik
zorgvuldig verborg. Ik sterf: eene langzaame, doch ongeneeslijke teering leidt
mij zagtjes ten grave: vóór ik mijn twee en twintigste jaar zal bereikt hebben,
word | | | | ik hoogstwaarschijnlijk niet meer onder de leevenden
gevonden. Immers, dit wagt, dit hoop, dit verlang ik. Groot zal zijne droefheid
zijn. Gij, gij kent hem; wat behoef ik meer te zeggen? Hij, de tederste, de
getrouwste zowel, als de bemindste aller Vrienden; hij, zo dierbaar aan het
hart van zijne Lotje. Zijne Lotje! ontrust u niet. Hij was nooit iets meer voor
mij, dan een Vriend; hij heeft mij nooit bemind. Gij, uitmuntende jonge Dame!
gij waart, gij blijft het eenig voorwerp zijner oprechte liefde. Gij zijt
alleen de meesteresse van zijn onschatbaar hart; alle zijn wenschen, zijne
begeerten strekken zich tot u uit. Kon een verstandig Man nimmer een sterfelijk
weezen aanbidden, u aanbidt hij! Op u zijn alle zijne uitzichten
gevestigd. Daar uw Minnaar mijn Vriend was, kunt gij u niet verwonderen,
hoe ik aan deeze berichten gekomen ben. Mijne vriendschap alleen was in staat,
om hem van zijne onbeantwoorde liefde te troosten. Aan mij betrouwde hij zijn
verdriet. In mijn hart zogt hij die bemoedigingen, die hij zo zeer behoefde.
Met mij sprak hij over uw karakter, over uwe beminlijke persoon, over uwe
verdiensten. Met zijn edel gelaat, bloozend door liefde, ontroerd door
mismoedigheid, op mijne hand gebogen, zuchtte hij duizendmaal om u, klopte zijn
gevoelig hart voor u. Mijne traanen waren wel eens de stille getuigen van mijn
medelijden. Meermaal ging mijne verwondering tot misnoegen omtrent u over,
omdat gij hem niet beminde. Is uw hart niet voor een ander ingenoomen,
waardeert gij zuivere getrouwe liefde, ô maak dan mijnen Vriend, mijnen Willem
gelukkig! Hij, zo iemand, verdient uwe onderscheiding. Ik spreek niet van die
voordeelen, die de Natuur hem gaf; zij moeten een oog, dat wèl ziet, bekend
zijn. Maar ik verzeker u, dat zij naauwlijks verdienen genoemd te worden, als
men van zijn schoon karakter spreekt. In zijn hart liggen de kiemen van
allerlei deugden besloten; zij zijn gereed, om, bij gunstige geleegenheid, zich
allen te ontwikkelen, en tot eene groote volkomenheid optewassen. Hij
heeft gebreken; maar het zijn, of overdreevene deugden, of dwalingen. Komt hij
niet onder het zagt en verstandig bestier van eene, die hij bemint, dan kunnen
zij hem eens zeer ongelukkig maaken; ook alleen door zijn berouw daar
| | | | over. Hij is trotsch en ligt geraakt, opvliegend; hij is
onbekwaam, om van een man de minste beleediging te dulden. Hij zal tot het spel
kunnen verleid worden. Hij zal door vreemde begrippen verre kunnen afdrijven.
Zie daar, dit zoude een edelmoedig Vijand van hem kunnen zeggen. - Maar! hij is
menschlievend, milddadig. Hij vergeeft volkomen. Hij doet zijn vijand recht.
Hij leeft geschikt. Hij veracht alle losbandigheden. Mooglijk zou de Sex
gevaarlijk voor hem kunnen worden, indien zijn hart hem niet in veiligheid
stelde; indien zijn smaak niet te gezond, en zijne manier van denken niet te
nauw gezet ware. De aangenaamheid zijner manieren, het verbindende van zijnen
ommegang, - maar mijne zwakke hand kan hem geen recht doen. Mogt ik mijne
oogen sluiten in de stille gerustheid, dat gij hem zult troosten over den dood
van zijne Lotje. Wie zal gelukkiger zijn, dan gij met uw eigen Willem! Immers,
indien uw hart vrij is. Mooglijk zal de laster hem vervolgen; zal hij mij in
mijn graf hooren smaaden. Weet alleen, dat ik zo onbesmet als onbeschroomd de
eeuwigheid intreede. Geene liefde was immer sterker, noch zuiverder dan de
mijne voor hem. U beminde hij: kon hij struikelen?... Mijne liefde voor hem
wordt de oorzaak van mijnen dood. Hij was voor mij noodzaaklijk geworden: maar
ik hebbe aan mijne deugd vastgehouden; ik heb mij getroost, dit leven te
verliezen, en mij zelf te bewaaren. Zoude ik voor u bloozen over deeze
bekentenis? Neen! Gij kent hem, die mij deze neiging heeft ingeboezemd: ik ben,
zo al niet gerechtvaardigd, immers te verschoonen! Vaarwel, uitmuntende
Helder! Omhels uwe Vriendin Veldenaar, voor Lotje!... Laat zij u voor mij aan
haar hart drukken; en als gij, arm in arm gestrengeld, eene stille traan over
mij stort, dank dan met een, hoe gelukkig dan reeds is Uwe
C. Roulin
[Deeze na mijne begraving adres te
geeven.].
Chrisje Helder, zo lezen wij, heet de persoon, aan wier zorgvolle
hoede de veelbegaafde maar alsnog onzelfstandige Willem Leevend moet worden
toebetrouwd, om het puik van | | | | de mannen te worden. En deze Chrisje
speelt haar troeven hoog. Vooreerst is ze vorstelik-schoon en schier
vorstelik-rijk. Tot vader heeft zij de achtbare Rotterdamse koopman Constantijn
Helder, een deftigheid van belang. Ernstig van voorkomen, spaarzaam van
woorden, vast van principes in zijn oud-vaderlandse opvattingen van kerk en
staat, houdt hij de schroomvallige jongelingschap op een afstand. Zij, die het
zouden willen onderstaan, in zijn intiemer kring opgenomen te willen worden,
hebben zich te voegen naar de strikste eisen van de eer, en zich onmiddellik te
onderwerpen aan de regelen van godsdienst en zedelikheid.
Zo ver als de vader staat, zo hoog staat de moeder. In haar vereert
de dochter het diepe, maar immer door de rede beheerst gevoel, het gezonde en
ruime oordeel, de zorgzaamste voorzichtigheid, de brede en tolerante blik in de
zaken van opvoeding en kerk. Mijnheer en Mevrouw leven op grote voet; de
gasten, die er komen, krijgen onmiddellik de indruk van weelde en pracht.
Vertoeft de familie te Rotterdam, dan bezoekt Chrisje de aanzienlikste salons;
op het keurig aangelegde Beekenhof, waar men de zomer doorbrengt, ontvangt men
dageliks, en houdt er rijtuig en paarden. De moeder bestiert het huis en leidt
de opvoeding der kinderen; zij is het, die hun gedragingen af- of goedkeurt;
zìj geeft hun gedachten en gevoelens de goede richting aan. Is hier de vrouw de
meerdere, ook onder de kinderen steekt de rijkbegaafde Chrisje ver boven de
middelmatige Laurens uit. Terwijl de broer onhandig in zijn omgangsvormen en
geestelik beperkt van horizon is, imponeert Chrisje door haar persoonlike
verschijning en bestraalt haar omgeving door haar gratie en haar beminnelik
vernuft. Doch ondanks deze bevoorrechting, door 't lot aan Chrisje verleend,
zal zij, zo willen het de schrijfsters, in hare correspondente haar meerdere,
zelfs haar opvoedster zien. Want, zo we 't nog niet wisten, dan zal het ons
hier herinnerd worden: stand is een voorrecht, zeer zeker, maar niet
het voorrecht; een goed oordeel, een liefhebbend hart, en zo
veel andere voortreffelike en beminnelike eigenschappen kunnen op zich zelf
niet volstaan; wat alles afdoet, is, dat de verleende gaven de bezitter ten
profijte verstrekken; of ze verder wijzen, richting geven, ontwikkeling
brengen, en de uren niet in laffe ledigheid worden | | | | besteed. En
kan Chrisje dat zeggen? Doet zij niet mee aan beuzelpraat? doet zij te
Rotterdam niet mee aan de ‘conversatie’? neemt zij ook niet deel aan die
bezoeken en gesprekken, waar 't ijdele woord wordt gevoerd, en de doelloze vorm
niet betreurd, terwijl de inhoud winst zou kunnen zijn? Dit Chrisje alsnog
onder 't oog te brengen, is de taak van de correspondente. Zoals Daatje Leevend
Pietje Renard naast en boven zich heeft, die lezend en mediterend in
eenzaamheid zich zelf heeft ontdekt en stuk voor stuk zich van de lappen
klatergoud van 't mondaine leven ontdoet, zo zal ook, willen de schrijfsters,
Chrisje tot pendant en model de onovertroffen Coosje Veldenaar tegenover zich
hebben, die bestemd is, Helders ogen af te wenden van het schijnbeeld der
mode, en ze te richten op de menswaardige
genoegens, welke door hun opvoedend karakter 't verstand vermogen te vormen en
tevens het hart voldoen. Voelt niet ieder in die strekking de tijd? - 't Is in
't jaar 1784; straks bieden de schrijfsters van uit Lommerlust in de Beverwijk,
in hun voorwoord, hun voltooide arbeid het lezend publiek aan. Straks krijgt
ook de stichting van Nieuwenhuizen zijn beslag. Zoals in de vroege Middeleeuwen
door de Benedictijnen, zo zal in de eerstvolgende jaren het terrein van de
Zeven Provincieën door de sociaal-paedagogiese propaganda van 't Rationalisme
worden gewonnen. Hier reeds, in de werken van Wolff en Deken, zelf dochters van
die allermerkwaardigste eeuw, wordt de vraag gesteld, en tekenend genoeg, in de
eerste plaats, in de leerzame omgeving van een plattelandse predikantsfamilie,
- want dit zijn de Veldenaars, -: ‘Hoe behoort ge uw leven in te richten, opdat
uwe handelingen en uwe gedachten strekken mogen tot nut van u zelf en tot heil
van uw vaderlandse gemeenschap.’
Leerzaam is het beeld van Coosje, de oudste dochter uit dit
gezin.
Zij is nu zo ver gekomen, dat zij, klaar als de dag, als hoofdopgaaf
van de opvoeding erkent, het ontwikkelen van de rede, in die mate, dat ze zich
kan opwerpen als leidster van 't gevoel en als richtsnoer van 't dageliks
leven. Voor haar is de rede de toets. Zij heeft er door geleerd, de overmaat
| | | | van haar sentimenten te onderdrukken; zij doet appèl op wat het
geraadpleegd oordeel en de overwogen ervaring dienstig achten voor de rust van
't gemoed; zij weet de dagen zo te besteden, dat hart en hoofd er vrede in
vinden; zij telt in de avend, voldaan, de zedelike winst tezamen, en behartigt
dankbaar wat de lieve God als zede en plicht gebiedt; kortom, zij heeft het
geluk in haar hand en deelt aan de heilbegerigen blijmoedig de schatten uit
haar evenwichtige zielsgesteldheid mee. Maar deze overwinning is eerst door
zware strijd bevochten. De Natuur, deelt ze mee, als de haar bewonderende
Chrisje haar nader de weg tot de wijsheid vraagt, had ook haar een even
gevoelig hart als dat van Chrisje gegeven. Maar zij begreep al gauw, dat, om
blijmoedig en nuttig te leven, ze aan die gevoeligheid niet te veel voedsel
moest geven. Begrijp eens: als Mama maar wat hoofdpijn heeft, of Papa wat
onpasselik was, vond ze haar zelf buiten staat, om slechts 't minste uit te
voeren; erger nog, ze werd er zelf ziek van. Vijftien jaar oud, viel er iets
voor, waar ze de stuipen van kreeg. Maar ze was verstandig; ze begreep, dat die
aandoenlikheid voortkwam uit een verward zenuwgestel. Haar ouders hielpen haar;
niet alleen met medicijnen, maar ook met vermaningen. Koosje, zeiden ze, moest
meer haar rede gebruiken. Als ze 't niet deed, zou ze van de beste genoegens
afstand moeten doen, en 't nut van haar bestaan twijfelachtig worden in een
druk huishouden, dat dageliks groter behoeften kreeg. Ze begon daarom afleiding
te zoeken in bezigheden die vermoeienis bezorgden; moeheid leidt de aandacht
af. Dit werd haar de weg tot zelfbeheersching. Zo wist ze de rede onder haar
wil te buigen. Ere haar ouders, die haar tot 't goede vermaanden. Haar
bedaardheid is, zonder van huis uit een eigenschap van haar karakter te zijn,
door de kracht van haar rede een blijvende zielsgesteldheid geworden.
Voor ons, die honderd jaar in de, destijds pas opgeslagen, school
van de opvoedkunde hebben geleerd en geleraard, maakt bovenstaande
uiteenzetting de indruk van oppervlakkig beginwerk; op Chrisje is het bestemd
eene openbaring te zijn, een nieuwe bladzij uit het levensboek. Hoe groot wordt
in haar ogen de gestalte van zulk een vriendin! Want dit is een beklonken zaak:
Coosje zal de zeilsteen zijn, die het hart | | | | van Chrisje trekt. De
eenvoudige domineesdochter zàl de meerdere zijn boven de patriciese jonkvrouw;
schoonheid, stand en vermogen zullen in aanbidding neerknielen voor de
beredeneerde wijsheid en deugdsbetrachting. Chrisje moge bevoorrecht zijn, rijk
alleen zal ze wezen in 't bezit van haar Coosje; de dingen der wereld zullen
voor haar in de glans van deze beschikking een nieuwe gedaante krijgen. Het
leven wordt haar een feest. Het vooruitzicht, op de dag van morgen haar Coosje
te ontmoeten, is haar een lentelach. De zinnen worden opgetogen; nu
ziet haar oog de bloemen bloeien; nu hoort
ze de vogels kwelen: de Natuur spreekt haar leven uit met duidelike stem. Alle
gewaarwordingen dringen tot haar innerlikst leven door. De morgenslaap wijkt;
de levenslust zoekt bezigheid; de geprikkelde belangstelling ruimte. De ramen
vliegen open; de bedienden reppen zich: de koningin zal komen; heel Beekenhof
juicht. Hoe weldadig, beroemt ze zich, is een vriendschap die een gloed en een
stemming geeft als geen ander gevoel ooit in staat kan zijn te verschaffen. Het
zeldzame geval moge zich voordoen, werpt ze als mogelikheid op, dat het
voorwerp van de heiligste vriendschap tevens de Echtgenoot zijn kan, zij,
Chrisje, heeft geen plaats in haar hart voor een ander, waar het gans door
Coosjes beeld vervult wordt.
1) Liefde? Deze kan voor een
gevoelig hart gevaarlik zijn; aan de vriendschap deert de gevoeligheid niet.
Ja, ze zou 't zelfs betwijfelen, of ze, indien ze met minder aandoenlikheid
ware begiftigd, wèl in staat zou zijn, het dierbare geschenk, dat haar in haar
vriendschap voor Coosje verstrekt was, ten volle te genieten.
2)
Deze, als 't ware voor de eeuwigheid bestemde aanhankelikheid van
Chrisje ten opzichte van Coosje vormt een band, sterk genoeg, om niet te
beproeven, of, zonder gevaar van verwijdering, de natuur van Chrisje alsnog
vervolkomend kan worden. Allereerst moet de al te grote aandoenlikheid in de
vriendschap zelve aangetast worden. Die taak is voor Coosje. Zij moet aantonen,
dat de gevoeligheid, door de bezitster als de begeerde bodem geacht, waarop de
gewaarwordingen tot | | | | in hun fijnste vibraties zouden moeten worden
gecultiveerd, een bedriegelike grondslag moet zijn. Daarvoor trekt Coosje het
harnas der Stoïcijnen aan. Wie alles op één kaart zet, waarschuwt ze, verliest
met zijn spel tevens zijn vermogen. Een aandoenlikheid, die zich op
verrukkingen spitst, helt, door 't zwijmelpunt der uiterste zielestreling heen,
naar een geestverlammende zwaarmoedigheid over. 't Aardse is eenmaal
vergankelik, een sterke trek naar de dingen dezer wereld is daardoor reeds
verboden; er blijft dan ook geen beter leerschool voor 't verzaken van onze
begeerten, dan de tegenspoed. Wie opmerkzaam toeziet, zal ervaren, dat rijkdom,
roem en wellust nooit het hele hart vervullen. Er blijft een ledig ruim. Dit
reeds vermaant tot een oordeelkundige spaarzaamheid in 't genieten van gemelde
gaven. Men hoedt zich voor teleurstellingen; men houdt zijn zielerust: een bron
van gelukzaligheid. Welnu, ook de vriendschap draagt, als alle tijdelike
dingen, de stempel van de vergankelikheid op 't voorhoofd. Wie zal bestrijden,
dat het, bij verandering van staat, niet de man kan zijn, die
in 't vrouwehart voortaan de eerste plaats zal innemen? Wie zal ontkennen, dat
met de moeder de vriendin op de achtergrond dringt?
Verwijdert de afstand geen harten? Loert niet daagliks de Dood? - Laten onze
verlangens nooit onze beulen worden! Onvoldane begeerten kunnen 't leven
vergiftigen. En zo eens 't verscheurde gemoed de werking der Rede belemmert?
... Laten we liever, wat we bezitten, zó voor ons zien, alsof het langzaam
terugwijkt in 't Niet!
1)
Het ontbreekt aan Coosje's missiewerk niet aan konsekwentie.
Integendeel. Het ligt in haar lijn, dat, waar zij zuivere zielestemmingen tot
vluchtige en vergankelike goederen terugbrengt, zij zoveel te meer de
beuzelingen van het oppervlakkige gezelschapsleven als mensverlangend en
zielsverderfelik naar beneden haalt. Eigenlik, merkt ze sophisties op, zou ze
minder aanhankelikheid van de zijde van Chrisje moeten wensen; Chrisje
verkleint, door zooveel in haar hart aan een ander af te staan, er de kring van
haar dagelikse genoegens door, en zal dus, blijvende in de kring van haar oude
gezelschappen, er meer verveling in opdoen dan er | | | | voldoening in
vinden.
1) Maar in deze schijnbare
opoffering ligt een bedekte waarschuwing. Feitelik moest, meent ze, Chrisje
zich te hoog achten voor gebeuzel. Niet iemand als zij mag in kaartspel een
tijddoving zoeken. Niet zij behoeft het zich aan te trekken,
als dames du Ton haar een blauwkous noemen, omdat ze aan
lektuur doet, en haar nawijzen, omdat ze Hollandse boeken leest.
2) Wie haar in de kringen, waar
ze gewoonlik vertoeft, beoordelen, hebben dààrom het recht er al niet toe,
omdat ze Chrisje's waarde niet kennen. Wie haar in de salons omringen, hebben
slechts voor haar schoonheid oog. En zeer zeker, iemand als Chrisje zal zich
niet laten voorstaan op een gaaf der Natuur. Alle natuurgaven zijn tijdelike
dingen, en zo goed als iemand dwaas is, die zich verheft op schatten, zo dwaas
is hij, die zich verhovaardigt op uiterlik schoon. Daar komt bij, dat de
schoonheid alléén, aan een verstandige beschouwer nooit kan voldoen; hij eist,
zo die schoonheid spreken wil, dat haar meerderheid gedragen wordt zo niet door
een rijp oordeel, dan toch door geest en door aangename manieren. Voor haar,
Coosje, altans, is Chrisjes schoonheid alleen van waarde, om dat ze in dit
schoon een heldere sluier ziet, die de Natuur over Chrisjes ziel heeft gelegd.
3)
Op de beperkingen, opgelegd door de leer, blijft de natuur niet in
gebreke haar verhaal te doen. En 't terrein, waarop de Vriendschap haar hoogtij
viert, is het landelik leven. Geen mondain stadsgerucht mag er doordringen.
Rousseau was met de ontwikkeling van het natuurgevoel begonnen; niet minder dan
de blakende hartstocht van een St. Preux, wijkt ook hier de Vriendschap, waar
ze de heiligste stemming vordert, in de stille eenzaamheid van de onbedorven
schepping terug. Hier, in de lanen en de berceau's van Berkenhof of van de
pastorie der Veldenaars, houden Chrisje en Coosje elkander uren omstrengeld, en
storten er stille tranen. Hier zwijgt de mond, maar spreken het oog en het
hart. Wandelt, na de wrede scheiding, Chrisje alleen, dan bezoekt ze, in stille
devotie, de gewijde plekken; het tafeltje voor haar correspondentie bestemd,
wordt haar het altaar, waarop ze haar tranenoffers | | | | viert. Dan
eerst voelt ze op 't innigst 't grote geluk, dat haar in Coosjes vriendschap
beschoren is. Dan eerst leert ze beseffen, hoe ze, vertederd door de reinste
gewaarwordingen, haar neigingen verbetert, haar smaak veredelt, haar uren
nuttiger doorbrengt. Wel heeft God haar met zegeningen overstelpt! Wat is de
aarde schoon; zie het roosje pralen, welsprekender Gods macht getuigend dan het
schitterendste diamant! Zou dan toch heus nog beweerd kunnen worden, dat de
aarde vervloekt zou zijn? En zo 't waar mocht zijn, zou dan zulk een bewering
geen groter ketterij wezen, dan ooit 't Socianisme geweest was? Dat zo iemand
eens naar Beekenhof kwame; dat hij zijn ogen eens liet rondgaan, overal waar
hij zich wendde; wat zou hij anders uit heel de schepping lezen, dan Gods
onvergelijkelike goedheid! Voor haar altans was de Natuur de tempel van de
Godin der Vriendschap, die de Gezellin der Rede is; en zij van haar kant zou
niets aangenamere kunnen bedenken, dan te zitten in 't groene priëel, met
Coosje naast haar, bezig met de vorming van haar, Chrisje's, hart en verstand.
1)
Zo de dochters, zo de moeders. Mevrouw Helder en Mevrouw Veldenaar
zijn eveneens paedagogies aangelegd. Beide zijn, zoals dat behoort, het
voorwerp van een biezondere verering van de kant van hun kinderen. Ze zijn
vertrouwden van de gedachten die de vriendinnen elkaar openbaren; ze laten niet
na, hun zegel te hechten aan wat deze twee, na raadpleging van hun hart en hun
rede, menen te moeten doen. Beide vrouwen groeien in de vriendschap van hun
dochters. Oude herinneringen worden er door wakker; nieuwe betrekkingen door de
verjaarde geheiligd. Kwistig delen ze hun wijsheid uit, die overvloedig
opborrelt uit hun diepe kennis van het mensenhart. Mevrouw Helder vooral is een
vrouw van ruim inzicht. Zo zij, met haar toedoen - beredeneert zij
oordeelkundig aan Daatje's en Willems moeder, de vriendin van haar jeugd, - aan
haar Chrisje een Coosje Veldenaar heeft toegeschikt, dan deed zij dit, omdat
zij zulk een bezit voor haar dochter een zegen acht, aangezien haar uiterst
gevoelig kind, met haar grote behoefte aan liefde, tot zwaarmoedigheid zou
vervallen, zo haar verlangens in die richting onbevredigd | | | | bleven;
en juist Coosje voldeed aan de eis van aanminnigheid en geestelike meerderheid,
welke Chrisje's zedelike zelfbewustheid aan haar genegenheid stellen moest.
Zeer verheugd is ze, betuigt de dankbare moeder verder, op die wijze het
levenslot van haar dochter te hebben kunnen leiden. Want de moeder, betoogt ze,
behoort ook de dochter toe. Waar de oudere zich nederbuigt, geeft ze de jongere
de steun zich op te heffen. Niet ieder, heeft ze opgemerkt, ziet dat in, en
geeft wat deftigheid prijs, om wat minzaamheid in te ruilen, Maar wie er zich
toe zet, en belangstellend in de bezigheden en de soms, vroliker,
levensopenbaringen van haar kinderen deelt, laat daarmee tevens - meent ze -
aan de kinderen zien, dat ze 't gezelschap van de ouderen waardig zijn. Daarom
zal zij, bekent ze, als Chrisje bezoek krijgt, ook nooit opzettelik heengaan;
mogelik zou het vernedering geven; vertrouwen wekken doet het in geen geval. En
onwillekeurig leidt men, door te blijven, de richting van de amusementen.
Opzettelik haar dochter van de wereld en de wereldse tijdpasséringen afsluiten.
betuigt ze, voelt ze minder voor. De wereld is er voor, om ze te zien; en wij
zijn er voor, er ons aan te spiegelen. Wie dat niet doet, kan nooit zich zelf
worden. Dat er gevaren zijn, ontkent ze niet. Maar daar staat tegenover, dat de
kiemen van 't goede niet zo licht verstikt worden, En niet dáár groeit onze
persoonlikheid, waar we gedreven worden te doen, zoals we
doen; maar daar, waar de tijd en de omstandigheden ons ruimte geven tot het
zelfstandig gebruik van onze gaven. Niets sterkt ons meer,
dan de zalige zelfvoldoening, uit ons zelf iets goeds te hebben verricht. En zo
het waar is, besluit ze, dat door dit zelfstandig optreden, een grotere
verantwoordelikheid op onze schouders komt te rusten, dan zijn we verplicht die
grotere aansprakelijkheid te aanvaarden, zo we altans ons op 't voorrecht
willen beroemen, vrij te zijn!
1)
Tot de harten van dit onafscheidelik vriendinnenpaar
Chrisje-en-Coosje vraagt de Liefde accès. Waarom niet? Immers, in deze roman,
worden de analyses van de ziel in verschillende fazen met voorliefde ter hand
genomen; en waar casuïsties | | | | al de vraagpunten worden opgeworpen,
die de aard en de graad van de vriendschap bij verschillende aanleg en onder
verschillende samenwerkende factoren betreffen, wordt als van zelf het peillood
in bewogener water geworpen, al is het maar om bij wijze van voeling de vraag
te stellen, in welke betrekking de liefde tot de vriendschap staat. Daarbij
doet ook de in deze soort werken steeds duidelik uitgesproken stelling zijn
invloed gelden, dat een gevoelig meisjeshart zó gevormd is, dat het voor tedere
aandoeningen, als liefde tot de andere sekse, toegankelik is, en, mits vrij
zijnde, zij 't ook aanvankelik met zekere onverschilligheid, onder de omgang
met een waardig persoon, zich langs de weg van hoogachting en eerbied, de
zachtere neigingen als van zelf voelt binnenvloeien. Niet minder sterk laat
zich tegelijktijdig de sociale zijde van 't vraagstuk gelden: een vrouw, luidt
de sententie, met een goed hart en een gezond oordeel is geroepen de moeder van
kinderen te worden, opdat ze, door de kracht die van haar opvoeding uitgaat,
het hare bijdrage tot stichting van het gebouw der samenleving. Allezins
aannemelik is het dus, dat aan Chrisje en Coosje minnaars worden toebedeeld.
Maar dit voeten in. En met opzet. Cats zei reeds, dat de begeerde vrucht hoog
geplukt dient te worden. En onze opvoedkundige volksromans, als Loosjes
Lijnslager en
Sara Burgerhart hielden met die
uitspraak rekening. Wat men een waarheid bevond te zijn, bracht men als regel
te boek. Bij Coosje, vliegt de toekomstige man, even onstuimig als onverwacht,
in het licht van haar verdiensten; maar, hopeloos buitengesloten, fladdert hij,
steeds begeriger, met afgepijnd hart om z'n onontbeerlik geworden doelwit rond.
Heel anders gaat het toe met Chrisje's vrijage; hier werkt de genegenheid juist
bedekt en onder schier onmerkbare troebelingen; bij haar is het lange proces in
zijn groei en eindelike opbloei veel intenser en interessanter. Doch in beide
gevallen, hebben de schrijfsters zich konsekwent aan de ethies-paedagogiese
opzet van 't werk gehouden: de woorden en de gedragingen van de dochters zijn,
zonder uitzondering, onder het controlerend oog en oordeel van de moeders
gebracht. Wij missen in dit liefdesbeloop wel de stormen van de hartstocht, en
zullen er tevergeefs zoeken naar de kracht en de kleur in de uitbeelding, zoals
geslachten na hem steeds in Rousseau | | | | hebben bewonderd. Maar ook
de zwakkere rimpels op de gladde waterspiegel kunnen de aanwijzigingen zijn van
hevige beroeringen in de diepte der kolken, ook al weten wij, dat vóór de
zwakke blijken zich konden vertonen, de fierheid en de zelfbeheersing van de
geest de zwaarste pogingen hebben aangewend, om de ongebondenheid der
beroeringen binnen de snoeren van een waardige bezonnenheid te houden.
Zoals de mannen de leiding aan 't lot der vrouwen behoren te geven,
voeden op hare beurt de vrouwen de mannen op.
En hoe potiger zo'n man op z'n stuk staat, hoe meer eer voor de
vrouw, om hem waar hij faalt, te volmaken.
We vernemen sabelgekletter:
Waardste Jonge Dame! Ik heb mij eerst wel willen
verzekerd houden, dat de goedkeuring, waar mede ik u voor omtrent twee jaaren
beschouwde, geen voorbijgaand behagen, geen smaak alleen ware, voor ik de
vrijheid konde neemen om u te zeggen: ik bemin u, Juffrouw
Veldenaar! Deeze belijdenis zoude onze fraaije moderne
Dames mooglijk wat plomp, wat zeg ik? zeer inpertinent voorkomen. Maar zo ben ik! en gij kunt eens in mij te
kennen zo veel belang stellen, dat ik het mij tot eenen pligt reken, mij zo te
doen zien als ik ben. En ik geloof, dat een verstandig wel opgevoed meisje
niets beledigends daar in kan vinden, dat een eerlijk eenvoudig man zegt:
ik bemin u! Mooglijk zult gij niet genoeg op mij gelet
hebben, om u te kunnen herinneren, wie ik ben, dan in naam. Ik zal u des
melden, dat ik reeds twee-en-dertig jaar ben, en niets noch in mijn voorkomen,
noch in mijne manieren, noch in mijne kleeding, heb van den bevalligen beuzelaar. Ik ben welgemaakt genoeg, groot, en was nog
nooit onpasselijk. Ik ben een man van eer, vrees God, bemin mijn Vaderland,
lees veel, en denk gaarne. Mijne middelen zijn aanzienlijk, mijn adel is oud en
welbeweezen. Thans ben ik kolonel; of ik tot hooger post zal geroepen worden.
weet ik niet; ik ben een Vries, en weet niet, wat dat toch zij, zijn hof te maaken. Ik verkies u uit achting, en zal u met al de
liefde van een rechtschaapen Man hartlijk beminnen; doch het u mooglijk niet
eenmaal zeggen. Geenzins, | | | | om dat ik zoude gelooven, dat liefde
eenen Soldaat weinig voegt; neen, op mijn woord, (ik vloek nooit, dat laat ik
voor het groot en klein canaille;) op mijn woord, dat denk ik niet. Maar ik
spreek nooit veel over iets, dat ik met daaden kan toonen. Ik heb eenige
stijve eigenzinnigheden; en ik durf u niet belooven, dat ik die zal kunnen
afleggen. Over de pligten der Getrouwden denk ik zeer ouwerwets. Hier uit kunt
gij opmaaken, dat ik geen man van mode ben. Ik denk, dat een
Man zijne Vrouw lief kan hebben, al offert hij juist alle zijne verkiezingen
niet op aan haaren smaak. Complimenten over uwe schoonheid maak ik niet; gij
kunt des verzekerd zijn, dat gij aan mijn hart behaagt. Dit
moet ik u echter eenmaal zeggen: nooit zag ik een meisje, dat mij, zó als gij
daar gaat en staat, spreekt en zwijgt, dermaate bekoorde! juist zo als gij
zijt, zoude ik u verkiezen! ------------------- Overweeg alles,
overleg met uwe Ouders alles; en wat gij ook zult besluiten, verëer mij met een
openhartig antwoord. Dit nog: ik ben meester van mijn lot, hang van niemand af,
behoef alleen beleefdheidshalve te zeggen, zo doe ik. Groet
voor mij Mijn Heer en Mevrouw Veldenaar met alle mogelijke achting. Met
gevestigde liefde blijf ik
Uw ootmoedige Dienaar,
Uto van Sytsama.
1)
Zulk een man, gissen we terecht, is koren op de molen van Coosje.
Immers deze minnaar zoekt, wat zij zo gaarne wil wezen: iemand, die meer kan
doen dan zich kappen en kleden; die evenzeer de Saletjonkers verfoeit als Van
Sytsama de dames du Ton; die haar hoofd en hart van gaven
voorziet, welke deze voortreffelike man boven schoonheid en rijkdom stelt; die
voor 't huiselik geluk geschapen is, dat hij, de edelaardige, als de kroon op
zijn onafhankelikheid wenst. Het aanzoek slaat dan ook in, en wie de moeite
neemt, de loop van 't verhaal te volgen, zal er uit vernemen, dat Coosje
inderdaad de gelukkige bruid van Van Sytsama wordt, al is | | | | het
waar, dat de kolonel zijn militaire rok aan zijn standvastigheid moet
opofferen, en 't garnizoensleven vaarwel moet zeggen, om aan zijn vrouw het
vrije verkeer met haar ouderlik gezin gemakkeliker te maken. Doch voor het
zover is, komt er heel wat kijken. De eerste brief van Coosje, die wegens
bezwarende huiselike omstandigheden haar ouders ten steun wil wezen, en hierom
haar vrijheid niet weg wil schenken, slaat al de fiere mannelikheid van de
regimentsoverste finaal tegen de grond. De man wordt doodgewoon een kind.
Waarom niet? zouden de schrijfsters tegenwerpen. Is het niet waar, dat, als de
held zijn kloekheid verliest, hij vierkant omslaat in een zwakkeling? De
stukken zijn er om te bewijzen. En waarlik, wat de verslagen Van Sytsama na de
eerste tegenspoed op papier brengt, zijn lange weemoedsverzuchtingen. Zijn blik
is beneveld; zijn geest geschokt; zijn woorden worden snikken; de letters
stippen en uitroeptekens. Doch, wat nog erger is, de heersersstaf is hem
slechts uit de handen gewrongen, om hem te reiken aan de sterkere, de
overwinnende vrouw. Aan 't fiere Coosje is thans het regiment. Om háár is 't te
doen, niet om hem. Wat is dat voor een man, schrijft ze verwijtend aan haar
gebroken aanbidder, die zich gedraagt gelijk een tot laf wordens toe gevoelig
jongeling, die zijn hart voor 't eerst voelt beminnen! Kan zij, Coosje, dat
dulden? Kan zij verrukt worden door een tederheid, die, zoals bij Van Sytsama,
de edele vastheid van een mannelik karakter tot moedeloosheid doet versmelten?
Moet zij het aanzien, dat de liefde hem tot een staat brengt, waartoe al de
rampen van 't leven hem niet mogen vernederen? Zeker, aan de mens past gevoeligheid; maar zoveel te meer aan de man bedaarde moed. Groter dan hij die klaagt, is hij, die 't leed
levendig voelende, nochtans het klagen beneden zich acht. Dienen de zwakheden
in de liefde niet opgeofferd aan de noodzakelikheid? Laat hij, Van Sytsama, die
de sterkere moet zijn, haar, die de zwakkere is, sparen voor de smaad, dat zij,
verwekelikt door zijn ongeluk, zich hem onwaardig moet voelen! Ook zij, Coosje,
heeft de achting voor haar zelve nodig! Zo hij haar verzekeren wil van zijn
innige liefde, dan tone hij zich de man, die met die zedelike blijmoedigheid,
welke het voorhoofd ontspant, en de arbeid | | | | der handen verlicht,
het hem opgelegde offer waardig weet te dragen!
1)
Aldus Coosje. Wie zou zulk een vrouw niet hoogachten? De overste
ligt al op de knieën, één en al opgetogenheid over zulke buitengemene gaven.
Natuurlijk betreurt hij nu zoveel te meer zijn gemis. Dan, - hij wil nu
absoluut man zijn; wat in dit geval betekent: hij belooft
haar, om haar ere hoog te houden, dat hij zijn eigenwaarde op gepaste wijze zal
betrachten. | | | |
De kolonel voornoemd maakt een reeds voor ons zelf stilzwijgend
gemaakte opmerking levendig, hoe de dames
Wolff en
Deken, wanneer zij uit de schat van
mensenkennis, die ze zich uit hun levenservaring en hun uitgebreide
correspondentie verzamelden, de materie kiezen tot opbouw van hun
mannen-karakters, zij overhellen tot deze twee uitersten: òf zij zoeken hun
ideaal in het heroïese, òf wel, ze vermeien zich in de krachteloze excessen van
een overprikkelende sentimentalieteit. Nu denke men bij dit heroïese in geen
geval aan de typus gloriosus van 't staande heldendicht. Daar
was het de gepluimde held, die, na zich eerst als kampvechter, minnaar, en
wreker van 't onrecht, befaamd te hebben gemaakt, aan 't einde van 't
hoogbrozig verhaal, zich als triumfator in 't Eden van aanzien en vrouwenliefde
zag binnenleiden. Geheel andere eisen stelde de 18de eeuw aan de burger-roman.
De held uit de wereld der ‘Aufklärung’ zou niet overwinnen met het wapen van 't
ruw geweld, maar met dat van de Rede en van de Zede; zijn kracht en geestesadel
mochten zich niet laten blijken uit 't verscheuren van verborgen weefsels en
van duistere machinatieën, maar moesten spreken uit zijn doen en denken, zijn
kloek oordeel bovenal tegenover on- | | | | redelike meningen, domme
vooroordelen, verbeuzelde levens, en de onzedelikheid. Voor hem zit het gevaar
niet in de vuisten, maar in de hoofden. En de beste ridder zonder blaam acht
hij degene, die de mens-onwaardige afdwalingen in oordeel en wandel, uit de
verdwaasde hoofden en harten wegredeneert.
We kennen allen de gelukkige vinding in deze richting uit de
Sara Burgerhart: Abraham Blankaart namelik, welke
sympathieke figuur met zijn gezond oordeel, zijn onomwonden eerlikheid, zijn
mild geloof en zijn warm hart, jaren lang de lieveling van 't Nederlands
publiek is geweest. Doch vergeten wij niet, dat we in Blankaart een afgewerkt
beeld voor ons hebben, waaraan niets meer te verbeteren viel, en die, in zijn
karaktervolle en maatschappelike onafhankelikheid rotsvast te midden van de om
hem dwalende of struikelende nevenfiguren moest blijven staan. Hij moest de
incarnatie worden van het krachtig en rustig zelfbewustzijn. Dat de
schrijfsters zelf in hem hun ideale kracht bereikt zagen, blijkt wel hieruit,
dat zij in de
Brieven van Abraham Blankaart hem, en
geen ander, tot woordvoerder van hun moralisatieën hebben gemaakt. Aan
Blankaarts mening, meer dan aan het hunne, zou 't meeste geloof worden gehecht.
Doch 't mocht bij Blankaart alleen niet blijven. De schrijfsters zonnen op
andere plannen. Zij kregen het in hun hoofd, te beproeven, of zij soms niet een
jongeling van burgerlike conditie, door de school van 's levens
wederwaardigheden tot een man vermochten te vormen. Zij stelden zich dus zelf
een prijsvraag, en 't antwoord had, eveneens naar de stijl van die dagen,
kunnen luiden: ‘Proeve, hoe langs de aangeduide weg een nog ongevormd jonkman
opgeleid kan worden tot een braaf echtgenoot en een waardig burger.’ De eis was
hoog, en 't is dus ook bij een proeve gebleven. Als zodanig altans dienen wij
hun werk te beschouwen. Een karakter-‘ontwikkeling’ geven de schrijfsters niet.
De heer Willem Leevend is omhangen met enige hoedanigheden, die onder de
inwerking van bepaalde prikkels, hun sterkst-sprekende zijden vertonen, om aan
de toeschouwer tot een spiegel te verstrekken. We spreken niet tegen, dat zulk
een tiepe niet door interessante levensfazen te voeren zou zijn. En evenmin mag
ontkend, dat, in dit werk, bij die fazen wel degelik rekening is gehouden met
bestaande voorwaarden, die logies | | | | de bijgevoerde handelingen en
stemmingen hebben moeten beïnvloeden. Doch ondanks dit alles blijft Willem
Leevend slechts de woordvoerder van zijn eigenschappen; en hij die als kapstok
van de moraal niet eens in staat is als mens te leven, is
zelfs niet eens, wegens de aard der toon te stellen kwaliteiten, nòch wezenlik,
nòch in abstractie, een man. Hij is de aanstellerigheid
zelve, die, totaal ongewapend tegen de inwerking van de buitenwereld,
onmiddellik toegeeft aan de inspraak van zijn hart; een bovenste beste brave
Hendrik weliswaar, zo als een stemmige jongejuffrouw maar verlangen kan, maar
die tegelijk van zijn deugden de overdrijvingen zo zeer ten toon stelt, dat
zij, onbeheerst door de temmende rede, zich voordoen als onmannelike zwakheden.
Dat hij zich daardoor de opspraak van de wereld, en naast zijn eigen
verdrietelikheden, ook nog de daaruit voortvloeiende onaangenaamheden op den
hals haalt, laat zich verstaan. Maar de wereld mag praten. Zoveel te grootser
is 't eerherstel. Want voor het doordringend oog van de bezonnen rede, die kalm
en onbevooroordeeld Willems levensloop volgt, blinken door zijn zwakheden de
schitterende zijden van zijn wezen zo glansrijk door, dat een beloning
noodwendig moet volgen, en Willem zich, bij een goed positie, de schoonste en
edelaardigste der meisjes toegewezen ziet. Niets waarborgt ons echter, of met
deze toewijzing Willems hinderlike prikkelbaarheid en de daarmede gepaard
gaande overdwaalsheid genezen zijn. Wij hebben niets zien veranderen; we
volgden geen proces: we kunnen enkel vertrouwen. Dit is nu te veel gevergd.
Maar wat te doen, dan te zwijgen, waar 't maagdelik ideaal zo standvastig door
de tederste armen wordt gepousseerd? In al zijn lotgevallen toch zijn 't
voornamelik vrouwen, die de zigzaglijn van zijn leven bepalen; 't zijn vrouwen,
aan wie zijn gewaarwordingen en stemmingen in ellenlange ontboezemingen worden
uitgemeten; 't zijn nogmaals vrouwen, aan wier trouwe hand hij 't Paradijs van
zijn wensen met zedige tred wordt binnengeleid.
In één opzicht is Willem ‘vierkant’. 't Is daar waar hij tegenover
opzettelik laag gehouden minderwaardigen wordt gesteld. De student Leevend
heeft te Leiden - op goed geloof, namelik, want meeleven met studenten zien we
hem helemaal niet, - | | | | een contubernaal. Dit is Van Goudenstein,
een boemelaar, en dus voor de rechtbank van de Rede, een schurk; tevens een
verarmde plattelandsjonker, en daardoor, voor 't Patriotties burger-oordeel,
een kale pochhans. Deze booswicht nu begaat de ‘vuige’ daad, dat hij de zedige
Lotje, vooreerst, minder eerbare kusjes heeft gevraagd, daarna, op de club,
toespelingen op Willems blijkbaar meer gevorderde amourettes maakt. Die
scherts, of wat het dan geweest is, slaat in; 't komt tot een bastonnade, en
daarna nog eens, als 't menens wordt, tot een afstraffing, met dit gevolg, dat
de jonker voor goed op zijn rug ligt. Willem is de ‘held’. Maar, voor een
ogenblik. Een vlucht naar 't buitenland volgt. Men vrage niet, of dit nodig is.
De uitwijking heeft, zoals we zien zullen, een nevenbedoeling. Dan nog moet
zijn onzichtbaarheid er het zijne toe bijbrengen, om aan 't medegevoel van hen,
die in hem zijn blijven vertrouwen, de nodige spanning te geven. Juist
bijtijds, wanneer de motieven weg moeten vallen, waardoor zijn terugkeer naar
't vaderland tot dusver bemoeielikt werd, blijkt, dat Van Goudenstein niet
zozeer aan Willems degenstoot, als wel aan de gevolgen van zijn boemelaarsleven
is gestorven. Bijtijds ook, worden de ongunstige vermoedens weggeruimd. Tot
heden was Willems verontwaardiging over Van Goudenstein steeds in een
ongunstige zin uitgelegd; de jongelieden, die op Beekenhof of elders aan tafel
zaten, hadden, wanneer 't gesprek op hun medestudent Leevend kwam, gemeesmuild,
en zich een duister woord laten ontvallen over diens connecties met een ‘zekere
juffrouw’ Roulin. Zijn lange afwezigheid van Beekenhof, het langzaam wegkwijnen
van Lotje, hadden de zaak hoe langer hoe geheimzinniger gemaakt, en de
briefwisseling tussen de familieverwanten en verdere kennissen bevatten
allerlei gissingen, de een nog bezwarender dan de andere. In 't onderlinge
gedachtenverkeer heette Lotje verleid te zijn, en reeds werd als de beste
oplossing aangepreekt, dat Willem zou gaan trouwen, en met zijn naam aan Lotje
haar verloren eer teruggeven. Toen was 't Coosje Veldenaar te eng geworden; ze
had kort en kloek de pen opgenomen, om er 't rechte van te vernemen. Willem -
't was vóór de manslag nog - vertoefde nog in en om Leiden; Coosje, een goede
kennis, had hem vòòrheen bij de Helders ontmoet. Zij vraagt hem onom- | | | | wonden, of hij haar in staat wil stellen mogelike betichtingen tegen
zijn persoon tegen te spreken; of 't waar is, dat Lotje moeder is geworden; of
't kind leeft, dan wel bij zijn moeder rust. Zij wil niet veroordelen, maar ze
wil nuttig zijn. 't Valt haar natuurlik wel moeielik in hem de laaghartige
verleider te zien van een meisje, dat hem vurig heeft moeten beminnen, als zij
gestruikeld heeft. Maar hij kan gerust schrijven; haar moeder weet er van. Enz.
1)
Doch 't wordt tijd, de held der ‘deugd’ zelf voor 't voetlicht te
schuiven, en hem het woord te lenen, dat hem tot heden te lang werd
ontzegd.
De Heer Willem Leevend aan Mejuffrouw
Jacoba Veldenaar. Dierbaarste! Kunt gij dus ook
nog met mij medelijden hebben? En waarom niet? ik ben immers een mensch? Gij
duldt immers hem, dien God duldt? Ik haat mij zelf zo zeer, dat ik leeven wil,
om mij langzaam te doen sterven. Lotje, het aanbiddelijke Lotje - hoort ons
niemand? - Coosje! Haar heb ik den dood veroorzaakt. Door mij, door mij sterft
zij, in den bloei haarer dagen. Zij is niet verwelkt; zij is wreedaardig
afgerukt. En zij is, met mijnen duldeloozen naam op haare lippen, aan mijnen
boezem gestorven. Haat mij! veracht mij maar niet; tegen dit
denkbeeld raakt mijn geheel weezen in oproer. Mooglijk ben ik zo geheel
schuldig niet: wie dan? Lotje? hoon haar niet, juffrouw Veldenaar; zij is zo
vlekkeloos als het licht, waar in zij verheeven is,.. ô Gij gezaligde zie nog
eens - nog eens maar, met uwe zegenende oogen neder op uwen Willem. De mijne
zijt gij: eeuwig de mijne! Wie kan scheiden, het geen God heeft saamgevoegd?
... Mijn bloed kookt in de aderen. Hoe gruwt mijne ziel van uwe vraag! - Een
versmadend zwijgen is mijn antwoord. Lotje, mijne geliefde, is in het graf, en
ik - ik leef. ô Mijn | | | | hoofd, mijn hart; mijn hand! hoe beeft, hoe
trilt alles! welk een bedwelmende nevel drijft er over mijnen geest! Ik ben
niet wel, evenwel niet ziek. Niet meer Uwe vrolijke Vriend,
W. Leevend.
Niemand zal Coosje kwalik nemen, dat ze zich na deze demonstratie
even wijs bevindt te zijn als tevoren. En ook wij zelf zouden, wanneer we niet
nader waren ingelicht, uit een twintigtal veel langere, en wellicht nog wilder
delirerende brieven, niet kunnen betuigen, wat deze lang aangehouden smart- en
wanhoopskreet voor een einde moet brengen. We zullen ze niet aanhalen, die
epistelen 't zij aan Lotje zelf, 't zij aan Mej. Belcour: ze zouden 't zelfde
verschijnsel staven, dat deze jonge man zich heeft leren wentelen in z'n
aandoenlikheid, en z'n verdrietelikheden tot hevig inwerkende smarten
distilleert, om, in een blijvende overspanning het zwijmelend zoet van een
steeds fijner overgehaalde weeheid met lange teugen in te zwelgen. Z'n
hartedienst wordt een mysteriën-cultus, een onan-ziekte, een fakir-koorts. Doch
in de herhaling van het éénsluidend exempel schuilt tevens de ernst van het af
te wenden gevaar. Al deze theatrale scènes zijn slechts een voorbereiding. De
dood van Lotje sluit ook Willems geestverstoringen af. Lotje valt als een
offer, Willem wordt gered. En 't is over de lijkkist van de wreed beproefde,
dat in Mej. Belcour de Rede hem zachtjes wenkt, en door de schemering van z'n
tranen hem de weg wijst, waarlangs z'n verdwaalde zinnen weer in de bedding van
het ware geluk en de ware harmonie van z'n levensmachten kunnen terugkeren.
Hier volgt de brief, welke de knoop legt tussen het oude en nieuwe,
en die ons 't voordeel geeft, behalve dat ze ons het wezen van Willem openlegt,
tevens duidelik een der bedoelingen af te tekenen, die de schrijfsters, tot de
opvoeding van 't lezend publiek, zich met de creatie van deze hoofdpersoon
hebben voorgesteld. | | | |
Mejuffrouw Adriana Belcour aan den Heer
Jacob Bernards
1)
Waarde Vriend! - - - - - - - - - - - - - - -
- Laat ik beproeven, of ik aan mijn Verhaal kan beginnen. Zeer ontroerd en
vermoeid kwam ik hier.
2) Ik had niets van mijne
overkomst gemeld, omdat ik wilde zien, of mijne onverwagte verschijning ook
eenige afwending bij hem zoude maken. In huis komende, was mijn eerste vraag
naar Leevend. Hij zat in de eetkamer, in een hoek, ongekleed, met zijn hand
onder zijn hoofd, zeer vervallen en eenigszins versuft. Hij merkte niet, dat ik
hem waarnam, vóór ik hem, door tegen eenen stoel te stooten, deed opzien. Hij
zag treurig op, schrikte, twijfelde of hij wel zag; vloog op, hing mij aan den
hals, zweeg; poogde mij in 't aangezicht te zien - kon het niet uitharden; zijn
hoofd zeeg neder. Ik had hartstochtelijke Tooneelen gewagt: ik wist, hoe lief
hij haar had, hoe hij aan haar gewend, aan haar gehecht was. Dus hield hij mij
een geruimen tijd staande. Zijn geheel zenuwstel sidderde; ongemerkt leide ik
hem naar een stoel, en was verpligt hem door het ruiken aan Eau de Luce, voor
een volkomene flauwte te bewaaren. Ik, die de fijnheid en het geweldige zijner
driften ken, kan mij daar niet over verwonderen, hoe sterk en gezond hij ook
zijn mag. Ik vroeg aan Klaartje, of hij adergelaaten was; doch het antwoord was
oorzaak, dat ik terstond den Chirurgijn liet haalen; die hem, en nu ook met
gewenschter gevolg, een ader opende. Hij bevond zich toen wat beter. Nog had
hij geen woord gesproken, maar liet alles doen; juist als iemand, die 't nog
moeilijker vindt iets te zeggen, wat ook, dan alles aan zich te laaten
uitvoeren. Een uur na de laating stond hij op; ik begreep zijn oogmerk; hij
leide mij naar de Treurkamer. Bevende, als of hij eene zwaare koorts had,
schoof hij het deksel ter zijden af. Daar, (riep hij uit)
daar ligt Lotje!
| | | | Zijne handen wringende, met
alle de teekens eener wanhoopige droefheid, bezweek hij bijkans op nieuw.
In het binnenste mijner ziel aangedaan, stroomden mijne traanen zwijgende; en
ik had dien troost, dien ik voor hem zogt op te zamelen, zelf maar al te
noodig! Eene droefheid als de zijne is niet te stuiten; zij moet, is 't
mooglijk, afgeleid worden, om haaren vaart te verzwakken. Hier aan dagt ik,
terwijl ik mijne zalige Vriendin beschouwde. Bij iedere kusch, die ik op hare
lippen drukte, ontvloeide nog eene nog tederder benaming. Haar door mijne
traanen aanziende, zeide ik: ‘Hoe vroeg zijt gij gelukkig! Wat zal, wat kan ons
over uw verlies troosten, dan het heerlijke denkbeeld uwer gelukzaligheid? zo
wij ten minsten verdienen uwe Vriendin genaamd te worden.’ Hij zweeg nog al.
Zijne geheele ziel heeft maar één denkbeeld: Lotje is
overleeden! Met eerbied kuschte hij beurtlings haare handen, haar
voorhoofd; dan zag hij opwaards; wrong zijne handen; lag die weder op den rand
der kist; staarde met verzwakte, matte, leevenlooze, neerhangende oogen op het
dierbaar lijk. Hij begon te weenen. Ik liet hem weenen. Ik stoorde hem niet.
Wat kan tegenstand, dan (durf ik het zeggen?) verbitteren? Ik liet hem des het
volle genot, al den zielenwellust zijner droefheid te smaaken, zo lang zijne
kragten het toestonden; en zette mij in de kamer neder. Eindelijk kwam hij naar
mij toe, scheen bedwelmd, vroeg naar mijne gezondheid; zeide ‘dat Lotje dood
was.’ Nu begon ik te hoopen,
Ik. Zit bij mij, Leevend;
laaten wij beide bedroefd zijn. Ons beider verlies is groot. Wij moesten deeze
lieve, zalige, weinig gekend hebben, indien onze droefheid ware uittespreeken.
[Hij zag mij opmerkzaam aan, als wilde hij mij door en door
zien.]
Hij. En het is mijne Belcour, die dus
spreekt?
Ik. Is er iets, in 't geen ik zeg, dat u
verwonderen kan? Denkt gij, dat iemand, wie ook, meer bemind kan hebben dan
Belcour? meer kan verliezen, nu ik haar mis?
Hij. Meer
bemìnd dan Belcour? ... meer verliezen? ...
Ik. Ach,
Leevend, dit beminlijk schepsel is onder mijne bijna Moederlijke oogen gebooren
en opgewassen. Oordeel, mijn Vriend, hoe dierbaar zij aan mijn standvastig hart
moet geweest zijn!
| | | |
Hij. Wat! [Hij ging met een verontwaardigd gelaat eene trede agterwaards.]
Beminde gij haar meerder dan ik? waan dit niet. Verliest gij meerder dan ik,
die alles verlies?
Ik. Dwaaze Jongeling, durft gu uwe
liefde bij de mijne vergelijken? Nu, de proef zal alles uitwijzen.
Hij. De proef!
Ik. Deeze! Wie neemt
het grootste deel in haar onuitspreekelijk geluk? Hij, die dit doet, is zeker
de grootste Vriend, en dat wel, naar maate hij daar zelf bij verliest. Ontkent
gij dit? of niet?
Hij. Ik ontken het niet - maar
...
Ik. [Hem invallende.] Maar we zijn het beiden eens,
dat wij onbesefbaar veel verliezen. Ik heb, buiten deeze eenige, niemand, voor
wie mijn hart bijzonder voelt. Ik verlies des veel meer dan gij, mijn Vriend,
die nog zo veel overhoudt, om aan u te hechten; en evenwel, als de Natuur
voldaan is, zal ik mij dit verlies getroosten.
Hij.
Getroosten!
Ik. Ja, getroosten. Ik herhaal het, terwijl
ik de tederste traanen storte, die ik immer geweend heb. Onze uitmuntende
Vriendin verdient wel, door redelijke, zo wel als door gevoelige weezens
betreurd te worden. En dewijl ik zo gaarn geloof, dat onze verscheiden Vrienden
niet onkundig zijn van onzen staat, en lotgevallen, zo vind ik hier eene
drangrede te meer in, om mij haarer goedkeuring waardig te gedragen, gedurende
deezen voorbereidenden proefstaat, waar in ik nog mijne eerbiedige onderwerping
toonen kan aan het opperste Weezen.
Hij. [wat
verdrietig.] Als de natuur voldaan is? dan zal ik mij óók troosten. Doch
mijne ziel ontfangt zeer vaste, zeer diep ingedrukte gloeiende gevoelens; ik
ben niet zwak van karakter; ik wijk niet voor en door alles, wat mij voorbij
zweeft ...
Ik. [Ik viel hem in.] En men verfijnt zich
thans meer dan ooit. Zwak karakter! Stelt men thans zijnen roem niet, in ons
geheel weezen eerst te verzwakken en dan optelossen? Bewijst men zijne
standvastigheid niet, door eene alles overdrijvende gevoeligheid? Onze
eigenliefde speelt meermaal een groote rol, als men wel zoude gelooven, dat zij
zich zelf ten | | | | bloede toe kwelt. Dat een teder aandoenlijk jong
Meisje weinig gehard zij tegen de rampen deezes tijds, en daarom flauwmoedig
handele, dit is haar schuld niet: haare kragten zijn niet toereikend. Maar dat
een Jongeling, die meermaal zich als een verstandig Man wist te gedraagen, in
moedeloosheid wegzinkt; en uit eene verfijnde eigenliefde, der droefheid alles,
alles ten prooije laat, dit keur ik ten hoogsten af.
Hij. Belcour! gelooft gij, dat mijne droefheid uit eene andere
bron vloeit, dan uit dit [hij bragt mijne hand beweeglijk op zijn hart;]
verscheurd hart? Gelooft gij, dat de Vriend eener Lotje in zijne verbeelding
iets behoeft op te zoeken? ...
Ik. Ja, ik weet het, in
uw hart zelf is die bron! Maar tevens ook, dat onze aangevuurde verbeelding
altoos aan onze geliefdste aandoeningen en uitzichten zeer gunstig is. Niet dat
wij daar door minder oprecht zijn; dat wij minder voelen, dan wij voorgeeven;
neen: het bewijst alleen, dat wij op rekening der natuur stellen, het geen
alleen onze kunstbehoefte geworden is.
Hij. Onze
kunstbehoefte?
Ik. Niets anders; maar, en dit is het
ergste, zij wordt weldra onze natuurlijke behoefte; wij kunnen er niet meer
buiten. Onze dierbare Overledene is er een treurig bewijs van.
Hij. Spreek eens wat duidelijker: alles is zo bewolkt!
Ik. Dat zal ik doen. Onze beminde Lotje ontfing van de natuur
een hart, zo onbeschrijfbaar aandoenlijk; zij had zulk een fijn teder zwak
zenuwstelsel, dat zij ook maar bij het verhaal van iets beweeglijks van vert
verschoot, en ook dan, als zij volmaakt wel was, geduurig geschokt wierd. In zo
verre was zij geheel lijdelijk. Zo had de Natuur haar gevormd; zo uitgerust
kwam zij in dit leven. Maar zij helde met vermaak en toegeving over tot het
peinzende, de eenzaamheid, en dat zonder eigenlijk gezegd droefgeestig te zijn.
Dit wist ik. Hier voor hebbe ik haar ook altoos gewaarschuwd. Ik voorzag, dat
mijne Vriendin eens in omstandigheden zoude kunnen raaken, die haar, zo gesteld
zijnde, moeten ten ondergang brengen; zo zij haar uitmuntend verstand niet
gebruikte, om haare te groote en levendige gevoeligheid te koelen, te maatigen
door blijmoedige overdenkingen.
Hij. Stond dit in haar
vermogen?
Ik. Kunt gij mij die vraag doen?
| | | |
Hij. Antwoord mij!
Ik.
Gij verbaast mij! Zijn wij dan voor onze daaden niet aanspreekelijk? Wil de
Hoogste Goedheid dan maaijen, daar zij niet gestrooid heeft? Zullen wij niet
naar billijkheid geoordeeld worden? Wordt er meer van ons geëischt, dan onze
natuurkragt toelaat?
Hij. Waardste Belcour, ik kan niet
redeneeren.... Mijn dierbaarste, geheel mijn eige Lotje, heiligste schat van
mijn hart, kan uw Willem om u te bedroefd zijn! Ongevoeligheid, zijt gij eene
deugd? hoe beeft mijne ziel dan met afgrijzen van u te rug! Zo lang ik adem, zo
lang ik mij zelf bewust ben, zal ik u betreuren. In het binnenst van mijn hart
zal ik uwe gedagtenis heiligen. [Hij zeeg vernietigd op het lijk
neder....] - - - - - - - - - - - - - - - - - - Aan het avondeten
sprak ik met Roulin over de bezorging van alles, wat er noodig was; mijne oogen
van tijd tot tijd afdroogende.
Roulin. Gij zijt zeer
bedroefd, waardste Belcour.
Ik. Meer dan ik zeggen kan;
maar hoe nutteloos zoude de droefheid mij maaken, indien zij mij buiten staat
bragt, om zulke onvermijdelijke pligten, als er thans op ons wagten, te
verrichten! Dit is thans alles, mijn Vriend, waar door wij nu nog kunnen
bewijzen, hoe lief zij ons geweest is.
Roulin. Gelukkig,
die ook zijne droefheid aan de reden onderwerpen kan, en het ook poogt.
Ik. En hij is zeker zo wel de grootste als de gelukkigste,
die zeer heevige driften in toom houdt. Dit is die srtijd, waar van in de
Heilige Schrift gesproken wordt; dit is ook die voorwaarde, waar door wij onze
redelijke goedheid tot zedelijke sterkte verhoogen kunnen. Deugd is kragt. Zij
is de Vriendin niet van laffe karakters. Zij bouwt haar huis niet op eenen
zandgrond. Zij vertoeft niet in een hart, dat niet in staat is om tegenstand te
bieden, en zich niet kan verheffen tot eenen moeilijken pligt. Ook tegen onze
droefheid moet men kunnen zeggen: ‘Tot hiertoe, en niet verder! -’ [De Heer Leevend zweeg nog al; ik wilde, dat hij
sprak; daarom ging ik dus voort.] Alles, wat ons van onze hoofdpligt
afleidt, moeten wij te keer gaan; wel verre van het met | | | | een
heimelijk genoegen te koesteren. [Hij zweeg nog al.] Men heeft thans, mijn
Vriend, Schrijvers, die er zich op toeleggen, om onze jonge Lieden in dit
opzicht slegte diensten te doen; en onbedagte Vrienden, die zich eene
verdienste maaken, in hun zulke boeken in handen te geeven. Zulke reeds
verweekte en door droefheid aangestreedene jonge Menschen, geeven zij eenen
Siegward, de treurige verhaalen van eenen d'Arnauld, met bloed en traanen geschreeven, door eenen Man, -
wie is hem in het ijzelijk weemoedige in den Romanesquen
trant gelijk? Ja, zij geeven hun zelf de Nagtgedagten van
Young. En welk boek is zo bereekend, ons jonge tot zwaarmoedigheid
overhellende lieden met de allernadeeligste indrukken der onverschilligheid
voor dit Leven te vervullen? Men maakt zich, schijnt het, altoos ook grooter
pligt, om treurend door dit leven te gaan, dan wel onzen weg met een blijmoedig
dankbaar verwijderd hart te bewandelen. Ik hou niet van die Menschen, die ons
altoos de waereld in een zwart floers afschilderen. Er zijn altoos heldre
punten in ons leven, Waarom vestigen wij daar deze aandagt niet op? Zwakheid is
het, onze oogen niet te durven gebruiken, om de rampen deezes levens moedig in
't gelaat te zien. Onze zaak is het hier niet, door naare, ik kan die geenzins
Godsdienstige bespiegelingen noemen, ons te verzuffen, maar om, elk in onzen
kring, eene werkzame rol te speelen. De aandoenlijkste Menschen moest men nooit
tot zwaarmoedigheid verlokkende Boeken in handen geeven. Hun met afkeer - met
onverschilligheid voor dit leven te vervullen, kan noch hun hart verbeteren,
noch hun verstand ophelderen. Ik hou er niet van dat men een kwaad geruchte
over Gods waereld brengt. ------------------
1)
Deze wassen weekheid van de 18de eeuwse sentimentalieteit is het,
welke de schrijfsters van deze ‘historie’ hebben willen gispen, en, zo mogelik,
in de goede richting leiden; en 't is Mejuffrouw Adriana Belcour, die eerst
waarschuwend, daarna, | | | | als de stroom niet te keren blijkt geweest
te zijn, betrachtend, als tolk optreedt van de rede, nadat ze de daden en
woorden van het overgevoelige vriendenpaar voor haar vierschaar heeft gedaagd.
Met deze correctie van de, in de litteratuur, doorgedrongen ziekelikheid, die
alle geestkracht dreigde te verlammen, en die niet alleen de neiging voedde, de
ellende op te zoeken, maar ook die van over de aanwezigheid van haar bronnen te
roemen, hadden de schrijfsters het ene hoofddoel, 't welk zij zich bij het
schrijven van deze geschiedenis hadden voorgesteld, voldoende toegelicht. Ze
hadden toch aangetoond, dat een zieletoestand, waarin het wentelen in
droefgeestigheid een verlustiging was geworden, zo goed als de wellust een
vernietigende hartstocht mocht heten, evenzeer altans door z'n onmatige
prikkeling het zielenoog benevelde, en als het heulsap, onder 't verraderlik
strelen van de zinnen, de geest des te rasser verderft. En ziedaar, wat was
het, dat de roeping van de mens meer wilde verbieden, dan het onvoorwaardelik
volgen van driften, wier uitwerking hem stelde buiten 't bereik van 't
ingeschapen Verstand! Aan de Rede immers kwam het toe, te oordelen, of 't hart,
en zo ja, in hoeverre, zijn rechten mocht laten gelden. De Rede leidde en droeg
het ingeschapen gevoel. Op háár in de eerste plaats had het appèl te doen. Háár
had God ons gegeven tot een vrij en voor ons zelf te verantwoorden gebruik. Als
't schoonste geschenk aan de mens, had ze ook in Gods oog de heiligste rechten.
Wel hem, die haar vermogen kende, en op haar almacht vertrouwde! Doch
beperktheid van blik toonde hij, die hangend aan 't verouderde inzicht, de
Goddelikheid van de vrijheids-gave betwijfelde, en Gods Wijsheid en Toeleg
misduidend, zich zijn eigen menselike waarde niet bewust
worden kon.
Aan bovenstaande laat zich aansluiten, wat de dames Wolff en Deken
bij 't schrijven van ‘Willem Leevend’ als het ander deel van
hun missie-werk beschouwden: de lezers namelik onder 't oog brengen, hoe
enerzijds een al te stout steunen op de rede, en 't dwaas vermeten om Gods
verborgenheden uit te vorsen, maar ook anderzijds het mistrouwen op de heerlike
gave Gods en 't miskennen van de hoge waarde van de menselike aanleg, - òf wel
tot onredelike, ja, ziel- en | | | | lichaam-storende begrippen en
praktijken, òf wel tot een benepen, dweepziek en mens-onterend exclusivisme
moest voeren, die 't opkomend nationaal gevoel en de algemene
mensenverbroedering onmogelik maakte. De ene als de andere thesis stond in 't
teken der ‘Aufklärung.’ De ‘verlichting’ wilde ‘verstandige’ mensen, die er
zich niet toe zouden lenen, geloofsverschillen op te werpen, of verborgenheden
uit te diepen, maar die, in de meest uitgebreide samenleving, onder de
berechtiging van gevestigde, en zo veel mogelik patriottiese meningen, zich
beijveren wilden, één rijk van vrede en vriendschap te stichten. Om deze
kwesties op te kunnen werpen en tot een beslissing te brengen, hebben de
schrijfsters ook theologen in de lotgevallen en de correspondenties van de
hoofdpersonen betrokken. Om te beginnen, wordt Willem Leevend - wegens
huiselike omstandigheden - zelf een theologies student. Dat hij dit echter meer
was in naam dan in de daad, merkten we reeds op; dat hij studeert, mogen we
geloven; maar zo hij 't niet deed, z'n roman werd er niet anders om. Met z'n
bestemming heeft hij dit voor, dat dat hij tans gevoegelik als kapstok voor hem
aangewreven dwaalbegrippen kon dienen. Deze afdwalingen, die de aankomende
predikant als onrechtzinnig zouden moeten kenmerken, worden als zoodanig
gekwalificeerd door de zeer intolerante en zeer rechtzinnige Amsterdamse
dominee Heftig, - de meeste namen in Wolff- en Deken's romans spiegelen
sterksprekende karakterzijden af - wiens zelotisme zelfs de eerzame professor
Maatig over diens slapheid ten aanzien van z'n beschermeling meent te moeten
onderhouden, en wiens buitengewoon babbelachtige huisplaag, geboren Rammel, -
nog zo wat familie van de Leevends, - meer dan voldoende zorgt, dat enige
feiten in Willems doen en laten door dominees ijver bezwaard en door haar
laster misvormd, als verontrustende bewijzen van z'n onvermijdelik bederf, aan
de familie-klok worden gehangen. Doch deze afdwalingen, die dominee uit een
ietwat mismoedig en scepties gedicht van de jonge student gewroet heeft, zijn
vooralsnog hypotheties, en raken alleen de veelvuldig voorkomende afwijkingen
binnen de Kerk. Maar de ‘historie’ heeft ook gezorgd, dat Willem zelf, - die
met z'n zogenaamde vrijgeesterij veeleer met de norm van de tijdgeest
samenvalt, - | | | | in rijper jaren de steunende toevlucht van de
dwalende Ongedist wordt. De aanhanger van die uiterste afwijking is de zo veel
beschreven ‘boezemvriend’ van Leevend, die de naam van Jambres draagt. Nu
vraagt dit woord ‘vriend’ wederom onze geloofwaardigheid; van de sterke
effusies in betuigingen en emoties, welke die tijd zozeer kenmerken, en in de
vriendschap tussen Helder en Veldenaar zo welsprekend aan den dag komen, merken
we hier niets; weleer is Jambres een geïncarneerde abstractie, en enkel aan
Leevend toegevoegd als levensgezel, om in gevoerde gesprekken en
correspondenties z'n begrippen af te haspelen. Jambres is dan ook in de loop
van 't verhaal enkel ‘denker’; wáár hij loopt of staat, ziet men hem
‘peinzende’; zelfs als hij met Leevend rondtrekt, naar Amsterdam, naar
Beekenhof en de Veldenaars, horen de liefste meisjes, in hun gezellig
gezinsleven, schier geen kik; de man houdt zich, zo niet lichamelik, dan toch
in de geest, op een voor allen onbegrijpelike afstand; niemand begrijpt, wat
Willem in hem aantrekt; alleen Willem ziet z'n verborgen ‘licht’. Maar welke
gevaren omringen de onnozelheid! De Satan loert op z'n prooi. De
eenzaamheid-zoekende philister en alles doordringende scepticus Jambres stort
in tot een genotzieke Godlochenaar, en - zo wil het de, trouwens door geen
enkel innerlijk psychologiese grond te motiveren strekking, - eenmaal de
verloren zoon, een welbewuste en zich zelf aanklagende zondaar. Hij was
dwalende, jammert hij nu, en hij had Willem naar de afgrond willen leiden. De
goedgelovige Willem die in hem de denker en zoeker had gezien, en zich op zijn
kennis en bevindingen had laten leunen, was ten slotte wijzer dan de
opgedrongen leermeester geweest. Nu lag hij lijdend naar lichaam en geest, in
den vreemde op een eenzame dorpskrib, en worstelde, wanhopend aan zich zelt, op
het martelend leger rond. Van hier zal hij Willem alsnog, vóór hij deze
gewesten verlaat, de weldaad bewijzen, voor zich en voor andren z'n voordeel te
doen met wat hij, Jambres, mee te delen heeft. Hij weet, wie hij geweest is,
een rampvol schepsel. De eerste schakel van z'n wederwaardigheden vindt hij in
z'n doodlik zwaarmoedig gestel, in z'n verdikt, zwartgallig bloed. Altoos vond
hij vermaak in 't akelige en 't ijselike. Een dweper kon hij niet worden;
vooreerst | | | | omdat hij te log was om z'n fantasie te verheffen, en
verder omdat hij te trots was op de roem van een denker te zijn. En zo ging hij
een andere kant uit: hij werd een twijfelaar. Hem behaagden de duizende vragen
van 't ongeloof; en lichtschuw van aanleg, had hij meer oog voor 't geflikker
van de drogredenen van 't Sofisme, dan voor de heldere stralen ener gezonde
filosofie. De naam, een diepdenkend vrager te zijn, rekende hij zich tot een
eer. De schijn van zedigheid, hieraan verbonden, werd hem ten slotte tot
misleiding. Hij kwam er toe, met steedsdoor vragen te stellen, tot zelfs van
zulke waarop hij zelf geen antwoord wist, noch een mens ooit antwoorden kon.
Toch ging de grote hoop door, met hem voor een wonder aan te zien. Hij van zijn
kant, betaalde die slaafsheid met z'n verachting, en leerde honend spotten met
de onenigheden die de boezem van de Christenheid verdeelden. En aldoor groeide
z'n twijfel. Wat bleef over van de Waarheid voor hem, die telkens vragen deed,
zonder dat hij antwoord behoefde! Aldus zaaiende, zaaide hij Ongeloof. Zelf in
z'n eigen strikken verward, droeg hij de spot in de ene hand, de onvoldaanheid
in de andere. Geen wonder, dat hij werd geschuwd. Zowel het Geloof als 't
Ongeloof week terug voor z'n somberheid. Nog leefde hij zedig. Nog hield z'n
trots de schijn, als kwamen z'n bezwaren tegen de Godsdienst voort uit z'n
denkend brein, en hadden geen licenciën in z'n gedrag de ontkenning van de
Goddelike wet tot dekmantel nodig. Maar 't peinzen verzwakte z'n krachten. De
zwaarmoedigheid nam toe, de zielerust af. De gelovigen benijdde hij om hun
kalmte, de goddelozen om hun zorgeloosheid. Toen stortte hij zich in de roes
der vermaken De losgelaten driften rukten hem uit de twijfel neer tot de
volledigste Godsverzaking; en eenmaal op die weg, dwong hij zich zelf tot des
duivels listen en lagen, tot lastering van 't Heilige, tot verderving van
reinen, afval van onkundigen... Hij zonk in de diepste poel.
1)
Bovenstaande geestesgang - gegeven in een tot veel langer
woordenvloed verrafelde zelf-analyse - is een allesbehalve misplaatste
zielkundige vinding. Doch z'n beloop strekt slechts | | | | tot
voorbereiding om een stemming te beschrijven, waarvan de sterk aangezette
ontboezeming ons weer dadelik in 't eigenaardig gevoels-argot van de tijd
terugbrengt, en ons op 't alleszins gewettigd vermoeden brengt, dat in het
uitmeten van deze desolate zielsgesteldheid een strekking verborgen ligt.
Wanneer bladzij aan bladzij in deze éne toon wordt volgeschreven:
‘Onuitdrukkelijk rampzalig! Hoe breekt het klamme zweet mij uit!
Mijn hart barst van angst, maar het blijft ijskoud. Ik ben niet bedroefd. Geen
traan wordt er door mij gestort. Leevend!.... Ik heb geen God! Ik houde mij
nergens aan vast.... Ik dwaal in een donker ledig.... Vrees jaagt mij, angst
scheurt mij te rug. Vertwijfling verschrikt mij ter dood toe. Ik kan niet
voortschrijven....’
dan weten we reeds, dat in de lengte van het woord, zo niet de
diepte van de klacht, toch de hevigheid en altans de onoverkomelikheid van het
smartgevoel werd gelegd. En al is het waar, dat wij, nieuwe mensen, met een
andere maat meten, dan is er toch nog iets, wat ons van deze manifestaties
vervreemd doet staan. Vooreerst kost het ons moeite ons te verplaatsen in een
tijd waarin al die gevoelens en gewaarwordingen de bekoring van hun nieuwheid
hadden, en het doorleven van die nog niet gekende stemmingen onder een innige
opwelling van snikken en tranen en nooit gevoelde ontroeringen, een zielegenot
verwekten, die 't dankbaar hart, als een heilige gave, ontleende aan Godes
gunst. Wij daarentegen wonen in het huis, dat zij als een heilige tempel
bouwden; en de vaten, waarin zij hun offers opdroegen, gebruiken wij tot ons
keukengerief. Duizende aandoeningen, in de specie der taal geslagen met
fijnbewerkte beeldenaars, wisselden van hand tot hand als afgesleten munt. Doch
ook ondanks de onnozele indruk die de spontane jeugd der nieuwheid maakt op de
bezonnenheid van de gevestigde orde, mag de onnatuur van de dictie voor een
groot deel geschoven worden op de vorm. Jambres' brief is één doorloopende
verkettering, die van de derde persoon is overgebracht in de eerste, en die,
wat anderen door de middenstof van de ijver, in onrustiger lijnen en
versomberde kleuren schilderen, hij gehouden is, in dezelfde toon te geven als
een eerlike zelfkrietiek. Een warme | | | | verdediger van zijn geloof,
zal, ter afschrikking, van een verlorene schrijven: ‘Het klamme doodzweet ligt
op zijn gelaat, zijn verduisterde ogen zien nog slechts schemerachtig in 't
onzichtbare Niet; zijn einde is nabij;’ en we kunnen de overdrijving plaatsen,
waarmee de druk van 't anathema wordt gevoeld. Maar anders wordt het, wanneer
de uitspraak van een vrome geestdrift in de pen van de stuiptrekkende boeteling
zelf wordt gelegd. De schrijfsters mogen zich hebben voorgesteld, tussen hun
aangelegde natuur van zedecensors en de aan de verbeelding ontleende stemmingen
van verworpeling effen rekening te hebben gemaakt, de kloof is nog zichtbaar en
valt hem in 't oog, die met fijner psychologieser invoeling heeft leren
verstaan, dat een vertwijfeling, als deze moest zijn, in z'n indolente
verlamming, z'n weegeroep tot een enkele noodkreet beperkt. ‘Ik voel de naarste
overdenkingen als knaagende wormen in mijne donkere ziel inbooren, en kronkelen
om de tederste deelen van mijn hart...’ zal nooit een mens in 't
verpletterendst zieleleed zeggen; wel zou een ander bij een poging, dit leed te
doorvoelen, kunnen beweren, dat mogelikerwijze het leed op deze wijze
uitgesproken had kùnnen worden.
Haasten we ons, op te merken, dat waar de schrijfsters het geluk
hebben gehad, hun creaties met het meest natuurlike en hun het meest verwante
gevoel te verleenen, zij in die zelfde briefvorm een middel hebben bevonden,
dat in staat was, voor de fijnheid van hun nuanceringen, hun onschatbare
voordelen te waarborgen. De brief is van huis uit het orgaan van de
intimieteit, niet alleen van die welke aan het medevoelende hart geheimnissen
toevertrouwt, welke minder bevoorrechten niet mogen vernemen, maar ook die,
welke onbewust en onwillens onder het kleed van de medegedeelde zakelikheid, de
schier onmerkbare trillingen van een verborgen gevoel verraden. Chrisje Helder,
die in haar prille meisjaren Willem Leevend als speelgenoot had gekend, is,
volwassen, geheel en al opgegaan in haar vriendschap voor Coosje Veldenaar; 't
hart hijgt naar Coosje als 't dorstig hert naar de koele bronnen; geen ander
wezen kan Coosjes beeld verdringen; alle buitenhuisse connecties en
genegenheden worden in deze ene aanbidding opgelost; zij zelf weet het, en haar
broer Paulus staaft het: Chrisjes hart is niet voor de liefde, | | | |
maar voor de vriendschap geschapen. En nochtans sluimert, onbewust, een
gevestigde liefde in haar hart. Willems moeder hertrouwt; het huwelik brengt
scheuring in 't gezin; Willem moet weg; 't goeie leven bij moeder is uit: hij
moet een bestemming kiezen; studeert voor dominee. Chrisje hoort het met een
bevreemding, die, zo zij zich rekenschap gaf, zich openbaren zou in beklag.
Willem leert Lotje kennen, hecht zich aan haar, komt voor haar eer op; hij
laadt zich 't gerucht op zijn hals losbandig en een vrijgeest te zijn; Chrisje
wordt ongewoon belangstellend, ook naar Lotje, die ze graag zou kennen; want
aan de gehechtheid van z'n hart aan een lief meisje, kan ze geloof slaan, half
echter maar aan z'n vrijgeesterij, en hoegenaamd geen geloof aan z'n
slechtheid. Het langzaam ontwakend nieuw gevoel uit zich nog altijd in
deelneming. In sympathie voor Willem, zoals hij zich voorheen toonde, gaan tot
heden beide vriendinnen nog samen; geen wonder, dat zowel de een als de ander
in haar correspondentie telkens op de lopende geruchten terugkomt. Coosje, die
vrij staat, keert nu echter langzaam haar goed geloof van de zich onzichtbaar
houdende jongeling af. Chrisje ziet nu in, dat ze met haar aangroeiende
bekommering over Willems mogelike misval, vereenzaamd staat te blijven. In haar
toenemende onrust wordt haar de volle overgave aan Coosjes leiding een
dringende behoefte. Coosje, een scherpe opmerkster, ziet de waas van weemoed,
waardoor de hernieuwde ontboezemingen van 't vriendehart tot haar komen; even
omzichtig als beslist, zoekt ze Chrisje te sterken, haar overredende, Willems
beeld, nog vaag en onvast, als een Chrisje onwaardig, uit haar onbezoedeld hart
te rukken. Een edelaardig, aanzienlik en aangenaam jonkman, de heer Renting,
had juist acces bij Chrisje's vader gevraagd; de ouders tonen hun hoge
ingenomenheid met het aanzoek; bovendien zou Willem toch nooit de toets der
onbesprokenheid bij de nauwgezette vader kunnen weerstaan; aan hem, dringt
Coosje aan, zou Chrisje als een haar passende echtgenoot alsnu de hand kunnen
reiken. In deze drang van zaken ervaart het meisje met zekerheid, dat haar hart
niet meer vrij is, doch dat het haar eer te na komt, tegenover zich zelf en
tegen wie ook, te belijden, dat zij iets gevoelt voor iemand, die haar bezit
niet zou waardig zijn. Zo | | | | groeit, gedrukt in z'n afsluiting, de
stille hoop op de bodem van haar geloof in Willems reinheid; en 't vermogen,
dat dit vertrouwen onderhoudt, is haar voor jaren gevestigde liefde. Als na
Lotjes dood, Mejuffrouw Belcour aan de Helders de ganse correspondentie
openlegt, en Willem gerechtvaardigd blijkt, trekt Renting zich terug en doet er
het zijne toe, om Willem, die uit 't buitenland wordt gehaald, de lieve prijs
toe te schikken voor z'n standvastige deugd. Heel deze geschiedenis nu, een
roman op zich zelf, is een schitterend vertoon van bewonderenswaardige
mensenkennis, van juiste karaktertekening, van eerbiedwekkende gevoelens en van
de begaafdheid, de opzet regelmatig af te kunnen spinnen langs een
fijngetrokken psychologiese lijn.
Herinneren we ons, dat het de onwaarheid in Jambres'
zelf-vervloeking was, die ons verplichtte tot bovenstaande opmerkingen, en
haasten we ons naar 't leger van de lijder, om te vernemen, of soms ook de
diepte van de afgrond de onmetelikheid van de Goddelike genade af moet
spiegelen; en wie in de opkomende dissidenten-eeuw, tussen de onverzoenlike
geestdrijvende Heftige en de evenzeer verfoeide vrijgeesten in, waardig werden
bevonden de troost van 't Evangelie te brengen aan de nimmer verloren
zondigende mens.
Jambres schrijft, dezelfde brief aanbreidend:
Vervolg. Drie weeken geleeden schreef ik dus verre.
Toen viel er iets voor, dat ik u moet mededeelen. Ik heb een bezoek gehad van
een der jonge Heeren, die ik, in Duitschland zijnde, lessen gegeven heb in het
ongeloof, en wiens zeeden al zeer bedorven waren, voor hij zijne reis ging
doen. Hij had mij in deeze armoedige hut eindelijk opgespoord. Hij werd bij mij
aangediend. Zo als ik zijn naam hoorde, viel ik in een ijsselijke stuip, en
riep uit, zo als hij intrad: ik heb u verleid - verdoemenis is
mijn eeuwig deel. Lang bleef ik in deezen staat. Tot mij zelf komende, zag
ik hem bij mij zitten. Hij weende... Mijn hart begon gevoel te krijgen. Ik zag
hem aan, en meer weemoedig dan woest, zeide ik: ‘ik heb u verleid,
mijn Vriend!’ Hij liet mij niet voortgaan. ‘Neen: (hernam hij,) ‘dit heeft
de genadige God verhoed. Ik heb mijne dwaasheid gezien; | | | | de
voortreflijke Jeruzalem heeft mij de waarheid bekend gemaakt; ik eerbiedigde
haar, en trad terug van den weg der ondeugd. Ik heb den zonderlingen Lavater
leeren kennen; ik heb het geluk gehad van meermaal met hem te spreken. Ik heb
hem ook over u gesproken; want het bericht van uwen rampzaligen toestand trof
mij zo zeer, dat zijn gevoelig hart hem daar in deel deed nemen. Ik heb hem
zeer veel van u verhaald: ik heb u beschreven. Ik heb u in alle mij mooglijke
gezichtpunten voorgesteld; en zie hier de boodschap, die ik aan u heb
overtebrengen! Hij sprak alles met dat vuur, die overdreevenheid, die hem
verrukt, als in zijnen boezem alle de aandoeningen van Godsvrucht, en
Menschenliefde losbarsten: ‘o Gij jongeling, zeg aan uwen Vriend: de
algenoegzaame liefde doemt geen een gevoelig redelijk Weezen tot - eeuwige
verdoemenis. Zeg hem: geen weezen, zo bepaald in vermogen, kan zich eeuwig
verharden. Zeg hem: de verheerlijkste Menschen-Vriend, Jezus, heeft verzoening
aangebracht voor allen; en den tijd niet bepaald binnen dit oogenblikkig leven.
Zeg hem: het vuur deezer scherpe Loutering moet al het bedriegelijke der
dwalingen, als hooi en stoppelen, verbranden; maar dat hij zelf zal behouden
worden; doch niet, dan door dat verteerend vuur der folteringen, dat hij nu in
zijne Boete lijdt. Zeg hem: gij hebt den dageraad uwer zaligheid mogelijk veele
eeuwen lang verschooven: gij zult in het rijk der Geesten alle rangen van het
ingeworteld ongeloof af, tot de verzeekerdheid des grooten Apostels, moeten
doorgaan. Nu staat gij op den eersten trap uwer bekeering. Uw angst zal berouw,
uw berouw voorneemen, uw voorneemen besluit, en uw besluit verbetering
voortbrengen. Uit den Hemel der Boetvaerdigen zult gij overgaan tot den Hemel
der Bekeerden; uit dien, in den Hemel der Volmaaktwordenden, en uit dien in den
Hemel der Zaligheid. Dáár zult gij Jezus, onzen Broeder, ontmoeten; zijne
genade aanbidden, en beminnen met eene liefde, die alleen kan gevoeld worden
door hem, die veel vergeeven is. Deeze liefde zal uwen vlijt in den dienst des
Eeuwigen zulk eene reinheid, zo veel kragt bijzetten, dat gij mooglijk nog
veelen zult voorbijstreeven, die hier, op onze aarde, in gelukkiger
omstandigheden, met minder driften, met een leidelijker aart, grooter
vorderingen | | | | gemaakt hebben; want veele eerste zullen de laatste,
en veele laatste zullen de eerste zijn in de groote stad van God’. We
behoeven niet te zeggen, hoe deze woorden werkten als druppelen olie op een
brandende wonde. De hoop, dat bij de ontbinding van z'n lichaam, een gering
beginsel zich toch nog zou kùnnen ontwikkelen, was bij de afgedwaalde
pijnigende twijfel geworden. Neen, niet mogelik meer achtte hij, dat de
maaitijd van z'n ongeregeldheden de zaaitijd van z'n verbetering zou kunnen
zijn. De vermaterialiseerde Ongodist was te stug geworden, meende hij, om
vatbaar te kunnen zijn voor de weemoed die het hart verzacht. Begrijpelik nu,
dat de zegenende uitwerking des te verrassender is.
Wat, o mijn
Leevend, voelde ik toen in mijn verzagt hart! Ik omhelsde deezen afgezant des
vredes. Ik zag nu den bermhartigen geest des Evangeliums in de woorden eens
Lavaters, Toen wierp ik mij op mijn aangezicht meder; ik hief mijne ontzenuwde
handen boven mijn hoofd, en zeide met mijn geheel doorboord hart: o God! zijt mij, armen zondaar, genadig! Ik was zo ontroerd, dat
ik een geruimen tijd onbeweeglijk bleef liggen, geheel opgelost door de
onuitdrukkelijke gewaarwordingen van ootmoed, en vergeeving. ô Gewaarwordingen!
Om u te genieten, wil ik eeuwen lang lijden. Ik kon weenen - ik weende
bitterlijk. Ik gevoelde de eeuwige waardij des Verlossers.... Ik kan niet
langer; mijne kragten bezwijken.... Zou mijn einde nabij zijn? Vaarwel dan in
eeuwigheid!
Vervolg. Nog niet; ik heb den tijd gehad, om....
Juist. Want dit voor ons uit gedragen beeld van de berouw-hebbende
Ongodist moet niet alleen de kracht van z'n bekering voelen, niet alleen al z'n
dwalingen herroepen, z'n zonden belijden, de God der genade roemen, de waarheid
van de eenmaal bespotte leer getuigen, - de kampioen van de Zaligheids-race der
Hemelkringen die eenmaal de eerste zal kunnen zijn, ofschoon thans uitgeteerd
‘en misvormd door ziekte en smarten, als een akelig geraamte op een
allerpijnlijkst doodbed,’ is tot de laatste adem verplicht om te moraliseren,
en anticiperend op z'n reinheidsstaat, schrijft de rampzalige nog:
| | | |
Vaarwel, Willem!.... Waak tegen uwen hoogmoed, wees op uwe
hoede omtrent uwe opvliegendheid; en hoe zult gij dan worden
in het nog zigtbaar, hier blijvend rijk der Deugd! Omhels met dankzegging onzen
dierbaaren Leermeester, weleêr ook mijnen Vriend Maatig. Ook zijn Menschlievend
oog zal eene traan storten op de letteren, die u met eene stervende hand
schrijft Uw
Jambres.
De mens is nu eenmaal geen ledepop. Doch hoe geduldig hangt deze
Jambres in de zon te braden en in de regen te druipen. In zulke uitersten
vervalt een eeuw, die schier tijd te kort komt om te stichten en te lezen, te
lezen en te stichten. Jambres, en Heftig, en Maatig, en nog zo veel andere
filosoferende en theologiserende fieguren zijn uitgeknipte poppetjes, die elk
voor zich het opschrift dragen: Haec fabula docet. Komt er
een aan de beurt, dan trekt de auteur aan een touwtje, en afgepast in woorden
en bewegingen, nooit boven of buiten de maat, draagt de prediker zijn les uit
z'n zedenboek voor.
Niet zonder betekenis is in het bekeringswerk van Jambres het beroep
op Lavater en Jeruzalem. Ook elders worden ze met eerbied genoemd. Zij laten,
ofschoon vrij vaag, het standpunt in ‘Leevend’ vermoeden, waarop wij ons de
schrijvende dames, in hun theologiese opvattingen, zouden kunnen denken. Van
Betje Wolff bezitten we genoeg uitlatingen, hoe ze stond tegenover de Zózó's;
en de ‘fijnen’ lieten zich evenmin onbetuigd tegenover haar. Ook bezocht Betje
de komedie; of dominee Wolff, met haar meegaande, sterk stond in z'n tijd of
zwak stond door z'n jonge vrouw, weten we, zolang we geen andere bronnen dan de
door humor vertroetelde, van Betje hebben, niet. Aannemelik is, dat
‘stijfheid,’ 't zij dan uiterlik formalisme of leerstellige rechtzinnigheid,
prikkelend werkte op Betjes levendige natuur, en haar aanzette tot een verweer,
welke door vernuft tot een charge werd. In elk geval was ze, ondanks de kwade
reuk waarin ze stond, theologies, alles behalve een baanbreekster voor
veranderde | | | | inzichten. Kind van de ‘Aufklärung,’ stond ze kerkelik
nog op de vaderlandse bodem. Lessing werd zo goed als niet gelezen; hoogstens
de scrupuleuze Hess; angstvalliger nog zijn voorgangers, die, schoon in hun
hart deïsten, tot elke prijs de kerkleer onaangetast wilden laten. En hier
stond men in geen geval verder dan ginds. Doch de ‘mensenwaarde’ kwam op, en
stiet als van zelf de ‘Voorbeschikking’ en de ‘Erfzonde’-leer omver. Wie als
mens ‘met rede en gevoel’ begiftigd, boven het nulpunt stond, kon niet meer
dalen; integendeel, hij kon niet doen dan rijzen. Uit dit oogpunt alleen, kon
de Godheid niet langer een van Rechtvaardigheid, moest hij er zelfs een van
louter Barmhartigheid zijn. Aldus voelde men zich niet langer gescheiden door
de hoogten ener uitverkiezing of door de afgronden ener verwerping, en voelde
men zich stijgen op de vloer van een algemeene broederschap. In de geffende
bodem sloeg de tolerantie wortel. Deze zijde van de ‘Aufklärung’ werd het, die
op logiese wijze zonder dat het nodig was door wetenschappelike vorsing, als
Bijbelkrietiek en hermeneutiek, de orthodoxie te vervreemden, in de geest van
de filosofie der mensenverbroedering, van de familie-zin en de
vriendschaps-cultus, de harten bekoorde, de heterodoxen bemoedigde, de
dissiderende secten, tegen de vooravond van de Revolutie, recht van spreken
gaf. Want men geve wel acht, dat juist buiten de Staatskerk, die in dogmaties
conservatisme de poorten voor de tijdgeest gesloten trachtte te houden, de
sekten in 't volgen van de banen der algemene denkwijze de val van 't kerkelik
exclusivisme hielpen voorbereiden, en arbeidende aan de inwendige verheffing
van de mens, geloofsverschillen rusten lieten, om van de kansel de nadruk te
leggen op zuiverheid van wandel als de ware verering van God. Bij deze stand
van zaken kon de eenheid in de Vaderlandse kerk bezwaarlik onaangetast blijven.
De prediking van de Formulieren leed er het eerste schade bij; velen lichtten
er de hand mee; en weldra kon men horen, dat het Socianisme het hoofd weer
begon op te steken. De vraag drong zich zelfs op, of het soms niet wenselik zou
zijn, de onrechtzinnige predikers uit de kerk te bannen, dan wel, of het in de
gegeven omstandigheden niet raadzamer zou zijn, ze om taktiese redenen te
dulden. Doch met de jaren schreed de tolerantie | | | | voort, en hoe
langer hoe meer stuitte haar de dogmatiese leer en kerkdienst der Formulieren
tegen de borst. Wat het hart begeerde, en wat de ritus slechts gaf, komt op
humoristiese wijze uit in een der brieven in ‘Willem Leevend’. Juffrouw Heftig,
geboren Rammel, de eigen wederhelft van een trouw wachter op Sions muren, die
te Rotterdam vertoevende, ontsticht een kerkgebouw verliet, waar tegen haar
gemoed gepreekt werd, om een ander Godshuis op te zoeken, waar stichting van de
prediker uitging, komt tot de vermakelike ervaring, dat zij bij de
rechtzinnigheid onbevredigd was gebleven, terwijl de stichting was uitgegaan
van de dissidenten. Nog elders in dit werk, vooral waar ronde, naïeve,
ongeleerde personen uit de grond van hun hart hun meening zeggen, wordt te
verstaan gegeven, dat waar de natuur en de kerkleer met elkaar strijden, het
recht van 't ingeschapen godsdienstig bewustzijn staat aan de kant van het
hart, dat woord en wandel toetst aan de stem van de rede- en
zedewet. Sterker nog staat de zich vernieuwende richting, waar ze zich binnen
de wallen van 't zelfbewust Christendom schrap zet tegen de verfoeide
ongodisterij, zoals ze in Jambres' scepticisme belichaamd is. Onder de titel
‘Mijne Bedenkingen’, voor de vorm een ‘Brief’, inderdaad een ‘Naschrift’ op de
roman, worden de uitspraken van 't ongeloof op matig-verlichte wijze, op de
grondslag van een verzoening tussen de Natuurlike en de Christelike godsdienst
weerlegd. De leer van Jezus, de Geopenbaarde, is meteen ook de eenvoudigste en
de klaarste. Wie er verborgenheden ìnlegt, staat er, mag ze ook verklaren. Nòch
in het leven en de leer van Jezus is één onredelike bijgelovige les, nòch in 't
oorspronkelik Systema één strijdig bijgelovig leerstuk. Christus en z'n
apostelen hebben niets gesproken dan gezond verstand; zij wijzen langs de weg
der deugd naar de eeuwige Gelukzaligheid; zij maken iemand tot een goed Mens,
een goed Burger, en een waardig inwoner des Hemels; 't Geloof verhoogt de
aanleg, breidt zijn wezen uit, leert hopen op de vervulling van hier nooit te
bereiken wensen; hoe kan zulk een leer uit Mensen zijn? hoe kan ze anders zijn
dan uit God?
Zo dit gevoelen de beperkte uitkomst was van de theologiese arbeid,
die er in deze roman is verwerkt, zouden we reden | | | | tot
teleurstelling voelen; maar in de persoon van tante De Vrij - nomen est omen - is ons van het stille werkdadige Christendom
zulk een kostelike en veelzijdige tiepe gegeven, dat wij onrecht zouden doen,
deze met zoveel voorliefde behandelde figuur onbesproken te laten. Tante
Chrisje is namelik nog van het Apostoliese Christendom. Met haar eigen Kerk,
waarin ze als zestienjarig meisje, na vaardig haar Hellenbroek te hebben
geleerd, werd opgenomen, kon ze het niet vinden; in de Amsterdamse kerken heeft
ze haar vaste plaats, maar ze komt er nooit; ze zoekt haar stichting in Clarke,
Tollner, Jeruzalem, Lavater, maar 't meest nog in Luyken, Camphuizen en de
Bijbel. De preken zijn haar te onverstaanbaar, of zo niet, te onbijbels. De
afmattende, veel te bestudeerde vóórgebeden zijn voor de massa slechts galm; de
predikatiën zelf zijn Socratiese redevoeringen of leerstellige apologieën; dan
volgt een opdreunen der Formulieren. Een gemeenschap voelt ze niet; het
Avondmaal houden kan ze er niet. Eertijds zocht ze nog voldoening in de
bijeenkomsten der Rijnburgers of bij de oefeningen van de Menisten; maar ze
vond de kerk nòch de plaats om enkel woorden van waarheid en gezond verstand te
horen, nòch een terrein, waar als contrabande gold wat buiten de Christelike
zedeleer ging. Nu hield ze thuis haar Avondmaal, en gedacht daarbij Christus in
't weldoen van haar dienstboden en van de behoeftigen in haar wijk; in 't
voorgaan met haar voorbeeld en 't vermanen met haar woorden; in 't bijleggen
van partijschappen en 't vergoeden van ongelijkken. Dierenvriend bij
uitnemendheid, ziet ze bezwaar, door middel van de kat haar muizen uit de stal
te verjagen, en daardoor de beestjes de gelegenheid te benemen, het voor hun
bestemde voedsel te verorberen; niet minder mensenvriend, vergunt ze haar
groentevrouwtje, haar keuken voor het ontvangen van kraamvisites te gebruiken,
en verheugt zich met de moeder over de welgedaanheid van de jonggeboren zoon.
In haar buurt wordt ze als een heilige vereerd.
Nu is het verre, dat deze onafhankelik-voelende oude Juffrouw de
bedoeling zou moeten uitspreken, dat kerkgebouwen overtollige dingen zijn en
dominees - zij zelf ontvangt geen huisbezoek - gans overbodige mensen.
Integendeel. Die zwak is eete Moeskrulden, verbetert ze. Wie
de uiterlike ritus nodig | | | | heeft, gebruike ze; alleen men
veroordele niet, wie er buiten kan; en in geen geval stelle men er een
bizondere heiligheid in, ze nodig te hebben. Wat ze leraart, bewijst ze ook
metterdaad. Haar sterfbed - uitvoeríg beschreven - is dat van een Sanctin; in
haar laatste uren gebruikt ze, in haar eenzame devotie, voor zich het
Avondmaal, neemt afscheid van haar dienstbaren, looft en vermaant, en verlaat
het aards omhulsel met de klaarheid van een sybille en met de glimlach van een
verheerlikte.
De betekenis van deze creatie, in haar onafhankelikheid van alle
wettelikheid en werkheiligheid, wordt zo veel te zinrijker, omdat deze
oordeelkundige en edelaardige familietante de vraagbaak en wijsheidsbron is
voor de wijsten en besten uit de ruime kring, waarop, als op granieten zuilen
van mensenkennis en naastenliefde, de hoog gehouden en zuiver opvoedende
gedragingen van de gegeven karakterreeks hun steunpunt vinden. Chrisje de Vrij,
hoe oud ook van jaren, heeft de hoe langer hoe verstandiger Daatje, die in haar
man haar opvoeder heeft gevonden, tot boezemvriendin gekozen, omdat ze haar
door ervaring gerijpte filosofie weerspiegeld zie in de intuïettieve inzichten
van de andere, en tevens haar natuur voelt verjongd in de frisheid en
levendigheid van Daatjes vernuft. Daarbij houdt ze voeling met Suzanna van
Beek, de vrouw van Helder en de wijze moeder van de jonge Chrisje. Ook in deze
brieven puilt de grondigste kennis van 't mensenhart, de mildste en ruimste
blik op daden en gedachten, zwakheden en hebbelikheden, de regels en bladzijden
uit. Ook wat de vorm betreft, zijn deze brieven, als zo vele andere, 't zij van
Daatje, van juffrouw West, van juffrouw Belcour, van Suzanna Helder,
voortreffelike essai's die de rijen spectatoriale opstellen als 't ware
voortzetten. Men vindt er 't zij dan al of niet ingeleid of gevolgd door
zakelike mededelingen en al dan niet geïllustreerd door actuele gevallen, -
verhandelingen over de vriendschap en de liefde, over de eigenliefde, de
prikkelbaarheid, de overgevoeligheid, de driften in 't algemeen; over
opvoeding; over 't besteden en 't verwaarlozen van de tijd: over lectuur en 't
lezen van romans, het oordeel van de wereld, de keurheiligheid, de Rijken, het
Buitenleven, over dameskransjes, in 't kort, al wat | | | | de nauwste
levensverhoudingen en 't gewone gezelschapsverkeer als voor de hand liggend
doet opmerken of in toepassing brengt. Doch bij al deze moralisaties, -
waaronder die van Daatje een rijke verzameling vormen van kennis, ruimheid van
blik en vernuft, - trekt de gezamenlike correspondentie, als het lot van de
uitlandige Willem z'n druk op de kring van zijn kennissen begint uit te
oefenen, zich op z'n redding en de gereedste middelen om voor z'n toekomst te
zorgen, samen. Eerst moet natuurlik uitkomen dat Willem géén verleider en géén
ketter is, maar zulk een model van plichtsbetoon en beproefde deugd, dat de
vrienden de handen in elkaar slaan van verbazing en zich reppen tot z'n
verheffing en hulpbetoon. Is dit uitgemaakt, dan keert zich eerst de stille
wrok als openlike verontwaardiging tegen de stiefvader Van Oldenburg, die hem
't huis uitgeloodst heeft; ook Heftig wordt aangesproken, omdat hij z'n
beschermeling, die op zijn aanraden de woning van Roulin betrok, veel meer
dwars had gezeten dan hem geleid en gesteund had; zelfs moest de moeder
verwijtingen horen, omdat ze te zwak en toegeeflik, in Willems verwijdering had
toegestemd. Heftig voelt zich genoodzaakt exkuus te vragen; aan Van Oldenburg
wordt in een famielieraad geducht de waarheid gezegd: de oude tante De Vrij
geeft haar oordeelkundige wenken over Willems verdere bestemming; Rijzig zal
hem als vennoot in z'n handel opnemen; De Helders en Belcour bevlijtigen zich
hem z'n ongerepte naam terug te geven. Op Willems triomf richten zich aller
gedachten; een algemene afrekening volgt: De Vrij vermaakt in 't geheim aan
Belcour, die zo veel tot de gunstige wending heeft bijgedragen, een aanzienlik
legaat. Aan geld en goed ontbreekt het niet; 't wordt bruiloft in de wei, en
Mevrouw Rijzig en Mevrouw Everards geleiden zo aanstonds het blozende Chrisje
in 't welverzorgde bruidsvertrek. Zo schijnt het ganse spel volmaakt, en mag
iedereen verwachten, dat Willem effen rekening heeft gesloten, om na al de
verduurde misvattingen, de geleden smaad en de doorgestane ellende eens rustig
met de vrouw zijner keuze over de gelukkige dagen van hun toekomst te keuvelen.
Vooral schijnen hem de vruchten van de behaalde zielevrede verzekerd na de
hooggestemde lof van Gravin von B**, bij wie | | | | Willem in z'n
buitenlandse omzwervingen een toevlucht heeft gevonden, - en in welke panygerie
de held van 't verhaal als een zeldzaam en nooit gezien model van hoge wijsheid
en blinkende zielenadel wordt geprezen. Maar niet aldus hadden de schrijfsters
beschikt. In Willem achtten zij een vondst gedaan te hebben, die niet genoeg te
exploiteren viel. Nog bleef aan hem muurvlakte over, geschikt tot gebruik.
Wrijfpaal van misplaatste driften, onbeheerste gevoeligheid, van Heftigs
geloofsijver en 's werelds lasterzucht, blijkt hij ook bestemd te zijn tot
aanplakbord van zelfverwijtende boetvaardigheid. Reeds Jambres was van
volgeling boeteling geworden. Maar Jambres had de Ongodisterij gediend. Jambres
had, door z'n sceptiese vragensport, de aangenomen waarheden op losse schroeven
gezet, en de over de kop geduikelde Godsdienstleer, had z'n eigen
liefhebberijen met z'n ganse menselikheid incluis, mede in 't slijk gegooid.
Maar Willem belijdt op zijn beurt, buitensporigheden van een anderen aard. En
wel tot onze verrassing. Terzelfder tijd, wanneer we, en met recht, hem door
aller goedkeuring, tot het genieten van een zekere glorie gerechtigd achten,
richt hij aan de gravin von B**, die geheel in Opper-Duitsland woont, en die
z'n dierbare vriendin is geworden, - de uit de lucht vallende bekentenis, dat
de rampen die hem troffen, en die ieder onzer zou menen te moeten afleiden uit
de zwakheden van z'n aanleg en het toeval der omstandigheden, voortgekomen zijn
uit z'n afkeurenswaardig streven naam te willen maken en iets groots te willen
zijn. Niet de passieve lijder was hij geweest, maar de held van 't actieve
durven. Hij voelde zich groot in z'n gaven, gelukkig in z'n gevatheid, edel in
z'n deugden. Hij zag z'n gebreken niet. Naar anderen, die hem z'n zwakheden
influisterden, hoorde hij niet: in hen sprak de afgunst, meende hij. Z'n
driften overheersten hem: hij sloeg een onverlaat neer. Ja, het besef, z'n
leven veil te hebben gesteld, maakte hem groot in z'n eigen oog. Maar 't kwaad
zat reeds dieper. In z'n verwaandheid had hij reeds aan de Akademie een nieuw
Leerstelsel ontworpen, als er nog nooit een geleraard was: de Evangelien en Brieven zouden er volkomen
verstaanbaar in zijn. Tot tietel had hij gekozen: Waar is nu het
duistere? Maar helaas, hij kwam te laat: Steinbart was hem met z'n
Leer der Gelukza- | | | |
ligheid vóór
geweest. Wrede ontgocheling! In deze zielsgesteldheid had Jambres hem op het
sceptiese spoor gebracht. Z'n eerste twijfel gold het Leerstuk der bizondere
Voorzienigheid. Z'n deugd had haar rustpunt verloren. Lotje's dood bracht hem,
ondanks haar vermaningen, nog meer van de koers. Z'n twijfel verscheurde hem,
het Geloof ontweek hem. Hij wilde slechts Martelaar van de Vriendschap meer
zijn. Toen kwam de manslag: de crisis voor z'n verstand. Hij vluchtte, naar
verre oorden. Doch gelukkig, hij redde een kind het leven, en in een stil
gelegen oord, in het bijzijn van een onwaardeerbare Vriendin, vond hij z'n
gemoedsrust terug. Hij kan nu weer geregeld denken. Hij heeft tans ontdekt, dat
de Hoogmoed niet voor de Mens gemaakt is. Hij weet nu, dat grote zielsvermogens
op zich zelf niet gelukkig maken, maar eerst dan, wanneer ze besteed worden ten
bate van ons zelf en van onze medemensen. Hij is nu overtuigd, dat de
Christelijke godsdienst ons tot een veel hoger geluk voert dan de Natuurlike.
Nu erkent z'n gevoelig en dankbaar hart, dat de Here regeert!
Deze bekentenis, die, - ook in verband met z'n verhouding tot Lotje,
die geheel op z'n standvastige trouw gebaseerd heet aan Chrisje, van wie
ondertussen slechts weinig gerept, en aan wier gemis schier geen zucht en geen
traan gespild wordt, - veeleer raadsels opwerpt dan oplost, wordt ons in z'n
beloop van zaken als de uitkomst van een proces voorgehouden, waar we wel, bij
narekening, de doorleefde lotgevallen als de uiterlike symptonen van het boven
beledene kunnen laten doorgaan, maar onmogelik uit de briefwisseling de krisis
en de oplossing zelve hebben kunnen volgen; veeleer verbazen we ons, dat achter
de in exclamaties zich oplossende troosteloze en zelfpijnigende zielezwelger de
forse wil heeft gewroet van de roemzuchtige rationalist. Doch berusten wij in
het wonder. Voor de schrijfsters, de eindeloze moralisaties nooit moede, was de
verleiding te groot, om na al die honderden brieven niet nog eenmaal een
beredeneerde weerlegging te geven van de uitspraken van Jambres, en bij dit
verweer het woord te laten voeren door iemand, die door de school van allerlei
aanvechtingen, gesierd met de krans der wijsheid en der deugd, tot de bezinning
van een vaste leer was gekomen. Het vader- | | | | lands-gelovig gemoed
werd er door bevredigd, maar, ongelukkig, de persoon van Willem, buitendien
reeds zo overladen, er mee bezwaard. Door deze al te zware belasting is de held
onder de middelmaat van z'n mannelikheid gebleven. In 't gewaad van de prediker
gestoken, komen z'n hals, z'n armen en benen aan lengte te kort, en vertoont
hij, onherkenbaar, de allures van een hooggehoede en breedgeboorde gannef. Als
jongen te lijzig opgevoed, ontbreken hem voor altijd de spieren en zenuwen voor
een welgebouwd en krachtig in 't vlees gegroeide man.
Niet alleen om te leren, maar ook om te vermaken, schreven de dames
Wolff en Deken hun romans, en zo ze, in overeenstemming met de geest van die
tijden, niet reeds daarmee te verstaan wilden geven, dat het leren op zich zelf
al voldoening geeft, dan hebben ze daarnevens de duidelike bedoeling gehad, de
ernst van hun onderricht af te wisselen met de humor en scherts van 't vernuft.
Zo ooit iemand toch, dan zijn deze in de betrachting van het utile
dulci schitterend geslaagd. De bloemlezer van de geschriften der vorige
eeuwen, die z'n jongeren ontvankelik wil maken voor belangstelling in de
vroegere litteratuur en bij z'n keuze te rade wil gaan met hetgeen in de smaak
van 't tegenwoordig opkomend geslacht zal vallen, grijpt, wanneer de 18de eeuw
aan de orde komt, in de eerste plaats naar de brieven in Sara
Burgerhart en Willem Leevend, 't zij om de ronde figuur
van Blankaart, of de vernuftige, eerlike en naïeve karakters als Daatje, Martha
de Harde en Mej. Heftig. Ofschoon de twee laatstgenoemde nevenfiguren zijn, en
de gebeurtenissen, welke de hoofdpersonen raken, op de meer achterstaanden een
verwijderd schijnsel laten vallen, nemen hun harten er des te meer aan deel en
brengen in hun medegevoel tonen voort, die door de prikkelingen van hun
dagelikse beslommeringen, - tante De Harde heeft een huis vol werk, en juffrouw
Heftig een kamer vol kinderen, - even vers als onverzorgd, de spontane frisheid
van 't oud-Hollandse vrouwenhart in zich dragen. Trouwens, wat zou er ook af te
dingen zijn op de waarheid van de woorden en de natuur van hun dictie, waar de
drang | | | | van 't gemoed de meest oprechte meningen, huismoederlike en
godsdienstige, met onbeschroomde rondheid - vooral juffrouw Heftig maakt het
biezonder openhartig - aan 't papier toebetrouwt. 't Is ook geen kleinigheid.
Heftig heeft omtrent Willem en Lotje de meest bezwarende geruchten opgedaan, en
de praatzuchtige domineesvrouw, even voorbarig als goedhartig, beijvert zich,
als altijd, om er de naaste kennissen deelgenoot van te maken. Tante De Harde,
op haar beurt met het kwade nieuws bezwaard, weet geen andere weg, dan er
Willems zuster Daatje mee in kennis te stellen, maar doet dit, om gewichtige
redenen, voorzichtigheidshalve langs een omweg. Zo zal dan de steen aan 't
rollen komen. Maar juist deze brieven, ofschoon tiepen van zoveel andere, dan
toch eigenaardig vallend in de strekking van 't werk, zijn van zulk een
onmiddellike raakheid en geven zulk een sprekend blijk van een gelukkig talent,
dat Betje Wolff, - want zij is na alles de begaafde ontwerpster - er zich een
plaats door verovert in de betekenisvolle rij, die de volksaardige plastiek van
de 17e eeuw over Van Effen en Asselijn heen verbindt met het realisme van de
nieuwere tijd. Terecht is dit genre van brieven voor het welsprekend bewijs van
een biezondere gave gehouden: terecht de bekwaamheid van Wolff als juiste
waarneemster en voortreffelike uitbeeldster van het détailleven, aan de
onsterfelik geworden namen van Martha de Harde en juffrouw Heftig
verknocht.
Mejuffrouw Wilhelmina Heftig aan
Mejuffrouw Martha de Harde. Waarde Vriendin! Ik
ben zo uit mijn humeur, en zo akelig, dat ik niet weet, waar mijn hoofd staat.
Ik moet praaten, of schrijven, en aan wie zou ik schrijven, (want uit kan ik
niet, met mijn drukke huishouding,) dan aan u. Het is daar op de Keizersgragt
allemaal in de war. Uw Broer heeft Mevrouw Rijzig het huis verboden,
1) en Moeder is Moeder, zo is de Vrouw: en
Mevrouw | | | | Rijzig is boos op de Dominé, en ook op mij, geloof ik; en
Juffrouw Renard woont nu te Rotterdam; zo dat, Tante lief, ik kon aan niemand
beter schrijven dan aan u. Ik zit altoos tot over mijne ooren in de kinderen;
de kleine krijgt tandjes, en is zo pieperig en zo onrustig, dat het wel altoos
aan de borst zou willen leggen. Nu, God geeft het voor de schaapjes, en ik zeg,
dat het ontaarte Moeders en slegte Vrouwen zijn, die het de bloedjes onthouwen.
Wel, de kinderen zien er toch veel schooner uit, als zij, die met de pappot
grootgemaakt worden; en wat heeft een Moeder daar een vreugd van, als die lieve
hartjes je zo met die blinkende oogjes al streelende en tokkelende toelachen!
En het ergst, dat men mij verwijten kan, is dat ik een malle Moeder ben, dat is
het al; en onze Collega R** zijn vrouw heeft wel den naam, dat zij een malle
Vrouw is; zie, dat valt nu weer zo in mijn winkel niet. Ik doe Dominé wel, en
wij zijn ook wél met elkander; want daar gaat geen wagen zo regt, of hij stoot
wel eens; maar dat malle gelaat sticht niet voor de kinderen; er is altoos dak
op 't huis, en ik zeg altijd: Dominé, denk dat je een Leeraar bent. Wat wilde
ik evel zeggen? Ja, dat ik dagt, kom aan, als de kinderen van de vloer zijn,
(wat rust dat!) zal ik eens wat gaan zitten schrijven. Dominé studeert, en dit
is zo het eenig uur dat ik vrij heb; want dat de kleine op mijn schoot ligt te
slapen, dat hindert mij niet. Dat ik dan zeggen wou! Zo komt het dan net met
Willem uit, als wij voorzien hebben. Juffrouw Roulin is door hem bedrogen, en
aan de teering gestorven. Doch mijn Man zegt, dat zij in de ware Leer
gestorven, en des wel zalig is; en niet Fransch gereformeerd, zeide hij, die er
de hand zo wat meê ligten, en er rijkelijk todden en vodden van eigen
gerechtigheid bij doen. Dominé is ijsselijk boos op Willem. Ik heb al gedaan,
wat mast en kiel houden konnen, om hem van de Heeregragt te houden; ik zei:
‘kind, wie weet, of zij daar nog iets weeten, en de Jobs bode zal vroeg zatter
komen.’ Wel, Tantelief, de jonge Heer is door ons in dat huis gebragt, mag ik
zeggen. Bij Professor Maatig heeft Willem vier witte voeten; nu, het is ook een
lieve Jongen, dat moet ik zeggen. Hij gaat danig aan, en dreigt zijn kostelijke
ampt neer te leggen, indien Leevend ooit eene plaats krijgt. Hij zegt, dat er
twee moorden gepleegd | | | | zijn. Ik heb gepraat dat ik wist en niet
wist; want tusschen ons, Meisjes, ik hou dol veel van Willem, omdat hij mijn
kinders zo veel plaisier aangedaan heeft, en een regt kalf van een Jongen is,
daar men zo alles tegen zeggen kan; maar Heftig schelt hem uit voor elf en
dertien. ‘Zus, zus, Paai, (zei ik, want ik wierd ook haastig,) laat het wat
lijken; maak den duivel niet zwarter dan hij is. Wel hei wat, daar gebeurt wel
meer iets, dat niet veel sticht. Jij weet zelf nog wel, watte zoete Peuzeltjes
die, en die, en vooral Collega Dings plagten te zijn. Alle meisjes immers
hunnen? Was het zo niet? Dat moest ik en Collega P**s Vrouw weten. Willem is
nog zo veel de plank niet mis, als onze Neef, die twee kraamvrouwen te gelijk
over huis had. ô Dat is al vergeeten, en ik zou er ook niet van zeggen; zijn
het thans geen Lichten in de Kerk, regt dierbaare mannen, en preeken zij thans
niet met vrugt en zegen op hun werk? 't Is goed, zei ik, dat ik juist niet veel
praat, want het zou erg zijn, als ik ereis uit het school klapte; wel, ik heb
in mijn jongen tijd, toen ik nog onbekeerd was, wil ik spreeken, nooit zo
gedolt en zo veel pretjes gehad, dan met aanstaande Leeraars: en dat kan ik wel
inschikken; de jeugd wil er uit; en God, hoop ik, zal het hun allemaal
vergeeven, want wij zijn toch allen maar menschen! Hier, kijk maar eens op
David en Batséba. Dat is juist ook al geen stichtelijk Historietje, waaragtig;
de Vrouw te bederven, en den goeijen golfert van een Man den kop te laaten
doorschieten.’ Terwijl ik zo al voortpraatte, kwam onze lieve goeije Dominé
Vroomaart in. ‘Vader, zei ik (want ik noem den besten Ouwen ziel altoos Vader,)
wij spraken daar over Leevend.’
Hij. Ja Meisje, (ik ben
altijd Meisje, zo is hij dat gewoon;) ja, Meisje, dat is een verdrietig geval;
het smart mij, de jonge Heer kwam mij altoos zo wél, zo gezeggelijk voor.
Ik. En ik sprak daar over dat Historietje van David en
Batséba.
Heftig. Wel, daar kan men nu niet uit
redeneeren: toen strafte God den overtreeder, nu is 't onze pligt om dit te
doen. Wel, zeide de zagtmoedige oude Man, dan mag de Jongeling Leevend wel
met David bidden: Laat mij in de handen der Menschen niet vallen,
laat mij in uwe handen vallen, ô Heere,
| | | |
want
veele zijn uw barmhartigheden. Dit deed mijn knorrepot magtig aan; hij is
in zijn hart en ziel goed, maar zo driftig en oploopend!.... De oude Man kreeg
het zo verre, dat hij beloofde, dat hij zich zo lang niet met de zaak zoude
bemoeijen, als hij er buiten kon blijven. Ik geef Dominé geen ongelijk: ‘En ik
hoor, zeide ik, dat Willem buiten zijn verstand is.’
Heftig. Dat is zijne straffe voor zijn onkuisch en ergerlijk
leven. Dominé Vroomaarf schudde zijn hoofd, en wees op den toren van
Siloam. Dat bolde mij. ‘En, zei ik tegen den ouden Man, men behoort wat meer te
bedenken, dat 's Menschen hart boos is van zijne jeugd af aan; en dat het er
verweerd op aankomt, zal een Jongeling zijn pad zuiver houden; allen zijn wij
afgeweeken ter rechter ende ter slinkerhand. Maar zo is Dominé; ik zeg altijd,
‘kind, je wilt eeuwig en erfelijk de genade vooruit loopen. De Heere weet tijd
en uur, om zijne Uitverkoorenen te trekken uit de magt des Satans; want wij
zijn, zo als de Schrift zegt, allegaêr zijne onderdaanen. Dwaalt niet, noch
Hoereerders, noch Overspeelders, noch Lasteraars zullen het rijke Gods beërven!
Wij werken niet genoeg naar onze gronden. - Ik ben boos op Willem; maar moeten
wij hem nu maar allemaal laaten loopen?’ - De ouwe Man luisterde als een
vink, maar zei niet veel. Ik nam nu de ocasie waar met Dominé, die nu zo
lijdzaam bij mij zat, ‘Kijk eens, zei ik, daar heb je er nu zes voor een
paar; (en tusschen ons, mijn lieve Mensch, het zevende is onder weg, en als het
wat meeloopt, zal het wel haast komen). Weet jij nu, wie of den goeijen weg zal
op willen? Weet jij nu zo net, wie aangenoomen, wie verworpen is? Wie de Jakobs
zijn, die God liefheeft, en de Esauws, die Hij haat? Ik ben haarlui Moeder, ik
heb ze allen even lief: ik hoop ze allen in den Hemel te
zien; och, daar maak ik geen verkeurtheid in, mijn kinderen wil ik allen
gelukkig zien: en zou onze lieve God dat nu juist niet willen
- loop knikkeren. Het spijt mij, dat dit met onze Leer strijdt. Wel, lieve
dominé Vroomaart, wat is dat toch mooi en allerliefst te gelooven, voor een
Moeder, dat God alle menschen lief heeft! Als ik dat zo bedenk, dan moet ik met
mijn bedorven | | | | verstand daar niet inkomen, of ik wist niet, waar
ik verzeilen zou.’ Nu Tante, schrijf mij eens, hoe of het met Willem zit:
maar laat het tusschen ons blijven. Ja, hij is toch om jou Zoon het huis
uitgemoeten; en al leert die nu bij Dominé, ik ben er toch nijdig over.
Uwe Vriendin,
W Heftig, gebooren
Rammel.
Mejuffrouw Martha de Harde aan den Heer
Abraham Rijzig. Mijn Heer, Neef Abraham
Rijzig! Gij kunt wel denken, dat ik reden moet hebben om aan u te
schrijven, om dat ik anders zo vrij niet zijn zoude, daar gij een groot Heer
zijt, en een stijl van de Beurs; en zo kostelijk schrijft, dat onze
Schoolmeester getuigt, dat men zou zeggen, dat hij u geleerd moet hebben; daar
wij, Vrouwen, zo maar wat haanenpooten en menschenbeenen maaken, en al blij toe
zijn, als er een mensch maar uit kan; zo dat, Neef, gij kunt wel denken, dat ik
geen koopmans stijl schrijf. Uw Vrouw en ik schrijven en vrijven genoeg, en zij
kan ook wel uit mijn hand; maar zij moet niets van deezen weeten, om den staat,
waarin zij nu is, Neef. Nu althans, ik heb dan een brief van Juffrouw Heftig,
en die schrijft mij, dat de Juffrouw, daar uw Broeder bij inwoont, overleeden
is; en dat die bij hem in de kraam moest, en van hartzeer gestorven is. Maar
lees haar brief zelf; ik heb thans geen tijd; (nu, wanneer heb ik ook tijd!)
Want jen Oom is thans zwaar verkouwen, en, zo als de Mans zijn, zo knorrig, en
pierig, om dat hij nu ten anker moet leggen, en niet naar de Texelsche lijst
kan gaan kijken, of naar de Boterton franken, dat mijn hoofd 'er van omloopt;
dan wil hij bier, dan koffij, dan azijn met suiker en water, dan zoete, dan
karnemelk, en 't is alles, neem maar weg. Nu, dat
overgeslagen; de Man heeft het, laat hij 't hebben; daarvan niet. Dan is hij
op, dan van het bed, dan op de | | | | rustbank; alle stoelen zijn
kapstokken; nu lag hij op kussens in mijn Pronkkamer, en ik moest alles
rakken. Nu, ik mag met u ook zo niet over het huishouwen praaten; maar ik
ben dat zo gewoon met Nigt. Daar ik maar op komen wil, is dat 'er maar een
bedroefde boel met uw Zwager is; en uw vrouw moet er niet van weeten, om haar
staat, Neef! en zij is met Wilem koek en ei, scheering en inslag. Juffrouw
Heftig is een braave Vrouw, maar zij kan niet zwijgen, en als uw Vrouw het
hoort.... Was de Kapitein wél, ik ging eens naar de Heerengragt, boven Gerrit
boven al. Ik liet er tegen den mijnen zoo iet van merken, maar ik kreeg de
volle laag. Het was maar: Wat heb ik met dat Wijvengebabbel te
doen? Juffrouw Hcftig (zei hij) is een rechte praatmoer, die
altijd wat nieuws weet, en zelden wat goeds; een Vrouwenkrant, (zei hij)
en die Juffrouw, (zei hij zo,) kan wel gestorven
zijn, al is Willem zo eerlijk als haar Man durft te denken. En (zei hij
zo,) dat babbelen brengt landen en steden aan malkaar; lees liever
in mijn boekje, (zei hij,) over den duivel, en dat er geen
duivels zijn, als een; en die kan zo veel kwaad niet doen; een is geen.
Ja, Neef, dat boekje, dat boekje! en nog wel van een Lutherschen Predikant! En
ik wierd ook haastig, en ik zei: Wel kind, jij behoeft mij daar om
zoo een bakkes niet te geeven. Kan ik helpen, dat ik zo een brief krijg? Jij
belet mij genoeg, om in het Woord te leezen; zagt dat een mensch, die altijd
wurmt en slooft in zijn huishouwing, eens een brief van een Dominee's Vrouw
krijgt: daar kan ik nog wat van leeren. En (zei ik zo,) als
jij als een braaf Oom deed, dan moest jij allang eens naar Leijen gegaan zijn,
om te zien, hoe of het zat; maar die Texelsche lijst! wel hoe zal je het
stellen in jou kist, als jij de Texelsche Lijst niet kunt gaan leezen.
Daar had men toen het gooijen in de glaazen. Wat weerga,
Wijf, (zet hij,) ben je nou heel-en-al mal? Zou ik naar
Leijen gaan, om mij van een snees aanstaande Ziekentroosteres te laaten
uitlachen? Wel, dan dee ik nog liever een Oost-Indies reisje; en als je mij zo
aan den kop ligt te gonzen, ga ik nog; het scheelt mij zo veel niet eens. Als
gij nog een kies krijgt; ga jij zelf naar Leijen, kraam maar op, je bent tog
zoo voor de bezorging. Ja, ik heb Salomons wijsheid en Jobs geduld noodig,
met dat portret. Hoor, Neef, laaten wij aan uw Vrouw zeggen, dat die
| | | | Juffrouw aan de Teering gestorven is, omdat Nigt in dien staat
is. Ik heb veel achting voor uw Schoonmoeder; en ik wou wel om een lid van mijn
pink, dat ik zo veel wist; maar ik kan met mijn domme herssenverstand tog wel
begrijpen, dat Willem bij haar moest gebleeven zijn, en niet gaan logeeren bij
zo een zoet Meisje! Hoe zeit Vader Cats? vuur en stroo dient niet
alzo. Geleegenheid maakt geneegenheid. Willem zal het zo kwaad niet
gemeend hebben. Nu, 't is met mijn zin nooit geweest, dat mijn Jongen in zijn
plaats kwam. Ik ben blij, dat ik er niet voor verantwoorden zal; want iemand,
zo als ik, die zo altijd in het Waereldsche slooft en draaft, zal nog genoeg te
doen vinden. En onze Gerrit is de man; hij het den mijnen verleid, en met
leugens opgehouden; want jen Oom is rondom braaf, dat weet ik. Pas tog op
Nigt, en laat zij met dat vogtig weer niet uitloopen, en niet veel zout en zuur
gebruiken, want zout en zuur krenkt de natuur. Mijn Man wil
geen Doctor hebben, maar zijn eigen dood sterven; en daar heeft hij zo veel
ongelijk niet in. Ik heb hem, met mooi praaten, Roomsche pillen ingegeeven, die
onze Nies de schoonmaakster voor de tandpijn verordineerd zijn, en zij zullen
wel goed voor de verkouwnis zijn; want ik geloof, dat wij allen uit één doos
gelapt worden. In mijn jeugd toen wist men zo van geen Doctors, Neef; en toen
was er een Chirurgijn, zekere Meester Hulleman, en dan zei mijn Moeder altijd:
kom, kom, ik zal je wel geneezen uit Hullemanspot. Onze
schoolmeester zal het opschrift schrijven, en die kan je een moord betrouwen.
Jen Vrouw moet er niet agter komen. Nu, Neef, hoe zit het? Moet ik haast mijn
schoenen gereed zetten? Het eerste kind komt als het wil,
zeit het spreekwoord; en de anderen moeten den tijd afwagten. Nu, schrijf mij
tog eens over Willem; het zal uit mijn mond niet gaan: de eer der familie neem
ik heel hoog. Ik ben. Uwe dienaresse en Tante,
M. De
Harde.
De historie van Willem Leevend is verschenen in 1784. Terwijl de
dames hun brieven schreven en rangschikten, | | | | hebben hun oren
kunnen tuiten van de oorlogsgeruchten in 't Westen, en van de beroeringen in 't
binnenland. De Engelsen waren bezig, rechts en links onze kolonieën weg te
kapen en de verlaten zeeën af te schuimen. In de Admiraliteits-colleges hier te
lande twistte men over het aantal en de bestemming der schepen, in de stedelike
Raden over de grootte der kredieten, in de Staten-Generaal over 't besteden der
gelden. Zowel op diplomatiek als op strategies gebied verzuimde men de gunstige
gelegenheid. Moeielikheden met Oostenrijk dreven ons in de richting van
Frankrijk; door onze halfheid en slapheid zakten we af tot een isolement, die
het teleurgestelde Frankrij tot eigen doortasten prikkelde, en het handige
Engeland met verzwaarde eisen op ons verhaalde. Overal in de vergaderingen
onderlinge verwijten en onderlinge tegenwerking. Straks wapent men de burger,
en ontbindt men het militair gezag van de Prins en de Overheid; dan komt de
Pruisiese interventie. Nog enkele jaren, en de voorheen zoo trotse Republiek is
door haar onmacht tot een vazalstaat van Frankrijk afgedaald.
Niets van dat alles brengt slechts één rimpeling in de kalme wateren
van deze merkwaardige roman. De buitenwereld ligt afgesloten. Geen
kanongebulder, geen wapengekletter, geen syllabe zelfs van welke woordetwist,
welk schotschrift ook. De landwegen zijn veilig; de tuinen groenen en bloeien,
nergens een menselik wezen, die buiten z'n rustige arbeid gaat. - Oorlog?
twistdebatten? Zij raken slechts de oppervlakte. 't Werelds tumult leidt van de
diepere dingen af. Is dàt soms het volks-zijn, is dàt soms de bestemming der
natieën, elkander in 't haar te vliegen of elkaar de tanden te tonen? Moet dàt
de aandacht waard zijn, als Jan Rap de dief uithangt, en gaat kapen en schuimen
op zee? Neen, heel anders was een voorgaan in menselikheid! Op een gans andere
weg moest men gaan, om de aanleg van de mens, de persoonlikheid van een
samenleving te ontwikkelen! Het tijdelike viel immers weg voor het eeuwige! Er
was toch zo veel te doen! Wie zag niet dat grote veld van waarneming van de
enkeling, het onotgonnen terrein dier enklingen in hun familieverband, dat
grote gebied der volksbroederschappen? Wat al zijden van beschouwing van 's
mensen geest; hoeveel | | | | voorwaarden, waarop, bij oplettende
aandacht, het welzijn van ons zelve en van onze nabestaanden kon worden
gegrond!... Zo sloten zij, voor wie zich in deze richting een blijde werkkring
opende, zich af in hun kluis of prieël der eenzaamheid; zochten de stille
vreugden en smarten op in hun eigen kring; blikten zich zelf en de aanzittenden
met doordringende ogen diep in 't gemoed, en analyseerden tot zelfs hun diepste
gedachten en vaagste emoties tot op de fijnste vezelen. Welk een vreugdevolle
openbaring, ze bloot te leggen in hun omtrekken en hun grondkleuren, en hun
vlees te herkennen als eigen vlees, hun been als eigen been. Zelfs sloot de
voldoening hun oog voor de eis, dat ook in de geliefdste uitspanningen een maat
is. Doch zo lief werd hun het toeven, dat het doel verdween voor de weg, en
door het slenteren langs de slingerpaden het uur vergeten werd. Het middel werd
het streven. En zo wij, lezers van deze tijd, het een voor het ander vergeten,
lopen wij gevaar in de moralisaties te verdrinken, en vruchteloos rond te zien
naar de verre oever, die het woordenmeer omringt.
Iets is er, dat de schrijfsters met dankbare zin gedenken: de
vrijheid, dat zij doen wat zij menen te doen: de Rede mee helpen cultiveren, de
Tolerantie te propageren, vrije uiting te geven aan de opkomende ideeën, die
niet langer 't wetties Judaeïsme als de band willen beschouwen, die de
Christusharten verbinden moet, maar de dogmatiek vervangen door een zedelike
karaktervorming, die aan de wereld een reine mensenliefde predikt. Sterk voelen
zij zich aan dat vrije Vaderland verplicht. Zij zelf voelen het, maar, trots op
hun voorrecht, laten zij het getuigen door de vreemdeling. De Gravin von B**,
Duitse en Katholieke, maar in haar begrippen sterk afwijkende van hare
omgeving, moet het getuigen: waar zij woont, heersen nog,
onder de naam van oud-Duitse zeden, de lage trotsheid op Adel en Afkomst, op
Domheid en Bijgeloof. 't Gezond verstand kan er niet dan schaarse vorderingen
maken. Naar Holland, het Vaderland van haar vriend Leevend, snakt haar hart,
Holland, waar de Vrijheid de mens verhoogt en veredelt. Hoe vele stille zuchten
zal zij er henen zenden. Of zij 't ooit zal zien? Zij moet van ontroering
zwijgen. Doch ene bede heeft ze: als Mevrouw | | | | Suzanna Helder en
haar toekomstige schoonzoon Leevend, eens de ogen op de kaart van Duitsland
mogen slaan, laten zij dan eenmaal een blik werpen op het oord, waar zij, niet
ver van de oevers van de Rijn, haar woonplaats heeft. Het zal haar een troost
zijn.
Deze gravin, zo als men ziet, is de pendant van Willem. Ook in haar
brieven golven, even rusteloos smachtend, de snikken en zuchten eindeloos voort
voorbij de horizon van de bsstaande wereld, en zoeken weemoedig hun wegstervend
geruis op te lossen in 't eindeloze Niet. Doch aan haar werd vergund, wat aan
Willem niet toegezegd was, omdat hij 't modus in rebus niet
betrachten mocht. Aan háár is 't gelukt, uit de dalen der duisternis de Rede
hoog in 't licht te verheffen; in haar sterke zelfbeheersing heeft zij de
grenzeloze aanbidding Van de evenmens in de banen van de eeuwig-tedere
vriendschap geleid. Maar dan ook ten slotte kwam het aan deze hoog- en
reinstaande Vrouwe toe, herhalend te besluiten, wat de historie ons leren wil:
hoe voortreffelik was, bij al z'n zwakheden, deze martelaar der liefde en der
vriendschap, Willem Leevend.
|
2).... Zomtijds observeer ik de afkoomelingen
van die groote mannen, die vóór 100 en meer jaren de Republicq zo beroemd
maakten, De Bickers, de Hoofden, de Grooten, de Graaflands; en ik zie,
dikwijls, dat zij hunne voorvaders zo zeer wijken in noblesse van getst en
gezond verstand, als in die door en door gezonde gerammasseerde lichaamen,
welke men in hunne afbeeldsels bespeurt. - Niets is zo fade, zo insipide, als
het leeven onzer grooten. Gedebaucheerde lichaamen, zenuwlooze zielen,
kinderagtige neigingen, een popagtige smaak, eenige oppervlakkige lecture, iets
dat naar vernuft zweemt; en zo zijn de meesten die figuur in die Gezelschappen
maaken, welke ik zo zeer veragte. (Brieven aan Gallandat, VIII). De
brieven en de romans illustreren elkaar. Geen wonder, waar de schrijfster haar
zeden in beeld bracht. Loosjes, haar geestelike zoon, verwerkt eveneens de 17e
eeuwse beroemdheden tot spiegelbeelden. [Zie mijn ‘Maurits Lijnslager’ in dit
Tijdschrift, 1905].
1)Bernard was een afgewezen aanbidder van 't
overleden Lotje.
1)De halfbroer van juffrouw De Harde is door
z'n huwelik met de weduwe Leevend, de stiefvader van Willem en Daatje (nu
mevrouw Rijzig) geworden.
|
|