auteur: Thijmen Koopmans
bron:
Thijmen Koopmans (red.), De toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal. Themabijeenkomst van de Afdeling Letterkunde van maandag 9 mei 1994. Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam 1995
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2009 dbnl / Thijmen Koopmans / de afzonderlijke auteurs en/of hun rechthebbenden.

|
|
| |
| | | |
W.P. Gerritsen
Inleiding
Op voorstel van de Sectie Rechtswetenschappen heeft het bestuur van de Afdeling Letterkunde besloten een themamiddag te wijden aan het thema ‘De toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal’. Aanleiding voor het voorstel was het feit dat wetenschappelijke studies meer en meer in andere talen, met name in het Engels, worden geschreven. Dat gebeurt zelfs in een sterk op het eigen land gerichte tak van wetenschap als de rechtsgeleerdheid. Het voordeel daarvan is de internationale toegankelijkheid, die van steeds groter belang wordt geacht in een wereld waarin de communicatie steeds intensiever is geworden. Het nadeel is dat de positie van het Nederlands als wetenschapstaal, en daarmee uiteindelijk misschien wel als cultuurtaal, in het gedrang kan komen. Het gaat daarbij om langzame processen, waarbij de vraag is of zo'n ontwikkeling nog te beïnvloeden is en zo ja, of dat de moeite loont.
Bezorgdheid over de toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal is geen zaak van vandaag of gisteren. De Nederlandse dichter, graficus en wijsgeer Dirk Volkertszoon Coornhert stelde omstreeks 1568 met ergernis vast dat Nederlandse geleerden ‘hun also aen andere cierlijke spraaken verleckeren, datsy haere eyghene verachten, en gheen dink min en denken [= achten] dan in haer eyghene tale te schrijven’. En dat terwijl ‘onse tale so aerm niet en is, noch so onvruchtbar, off men soude wel alle [= alles] daermede wrechten wat andere talen gedaen hebben, waert dat mensen grondeerde [= doorvorste] ende tot ten wtersten aent licht brochte wat schatten datter in verborghen liggen, ende verroesten duer datse niet geoeffent en syn.’1
Anno 1994 lijkt Coornherts zorg - hoewel in veel nuchterder termen onder woorden gebracht - door velen gedeeld te worden. Natuurlijk is de situatie van toen maar zeer gedeeltelijk vergelijkbaar met die in onze tijd. Een overeenkomst is echter dat de bezorgdheid, toen en nu, zich niet beperkt tot de discussies die op het internationale forum gevoerd worden, maar zich ook uitstrekt tot de verstandhouding tussen enerzijds de onderzoekers in de voorste linies van de wetenschap en anderzijds de nieuwsgierigen in de gelederen daarachter: de beoefenaars van verwante vakken, de deelnemers aan het onderwijsproces (docenten en leerlingen), de dragers van politieke verantwoordelijkheid, en het brede publiek van belangstellende leken. Boeiend is
| | | | in dit verband een uitspraak van een oud-president van onze Akademie, de natuurkundige Casimir:
Het belangrijkste is dat we op ruime schaal in het Nederlands over natuurwetenschap spreken en schrijven. Het spreken zal zowel met vakgenoten als met niet-vakgenoten zijn, het schrijven voor de niet-vakgenoten. Graag in goed Nederlands, maar liever in slecht Nederlands dan helemaal niet in het Nederlands. En laat onze Nederlandse en onze internationale activiteiten zo goed mogelijk bij elkaar aansluiten. Ze zullen er beide bij winnen.2
‘Liever in slecht Nederlands dan helemaal niet in het Nederlands’...Voor wie Casimir kent als een uitnemend stilist krijgt deze uitspraak een bijzonder reliëf, vooral als men zich daarbij ook zijn vermakelijke beschouwing over ‘broken English’ als internationale wetenschapstaal in herinnering roept. 3
Is er reden tot zorg? De internationalisering van de wetenschap is niet tegen te houden en biedt in allerlei opzichten grote voordelen. De hegemonie van het Engels - de lingua franca van omvangrijke wetenschapsgebieden - valt in redelijkheid niet aan te vechten, en ook aan die alleenheerschappij zijn vele voordelen verbonden. Maar toch klinkt steeds weer de ongeruste vraag, of ‘het Nederlands’ onder deze situatie niet te lijden heeft. Wat voor schade heeft men daarbij op het oog?4
In sommige wetenschappen wordt, al naar gelang van het publiek dat men wil bereiken, zowel in het Nederlands als in het Engels (of een andere grote taal) gepubliceerd. Nederlands voor de binnenlandse communicatie, Engels voor gebruik buitengaats - wat zou daar tegen kunnen zijn? Dat er bij die dubbele bedeling gevaar voor de toekomst van het Nederlands als wetenschapstaal zou dreigen, lijkt tamelijk denkbeeldig. Anders ligt het, als in een bepaalde tak van wetenschap ook de binnenlandse discussies hoofdzakelijk in het Engels worden gevoerd. Dan kan namelijk de communicatie met de niet-ingewijden - de niet-specialisten, de niet-vakgenoten, de leerlingen (op elk niveau), de wetenschapsjournalisten, de belangstellende leken - onder druk komen te staan. Onderzoekers, docenten en publicisten zien zich onverhoeds voor de noodzaak geplaatst, ingewikkelde zaken met behulp van het Nederlands uiteen te zetten. Het jargon van de specialisten moet worden vertaald
| | | | in begrijpelijke vaktaal, of zelfs in gewone omgangstaal. Maar Nederlandse equivalenten van de internationale vaktermen blijken in zulke situaties maar al te vaak te ontbreken. Niet zelden wordt dan besloten, de vreemde vaktermen maar onvertaald over te nemen, of zich te behelpen met een slordige vernederlandsing-op-zijn-janboerefluitjes - met een resultaat dat de oprechte liefhebber van goed Nederlands de rillingen over de rug kan jagen. Zo kan de indruk ontstaan dat het Nederlands als communicatiemiddel niet goed genoeg is om over geavanceerde wetenschappelijke problemen van gedachten te wisselen, of erger nog: dat het Nederlands geen volwaardige wetenschapstaal zou zijn.
Voordat een dergelijke dramatische conclusie wordt getrokken, zou men zich moeten afvragen wat daarvan dan de oorzaak zou kunnen zijn. Is die misschien te zoeken in de aard van het Nederlands-zelf: is dat misschien een taal die zich door bepaalde vormen van linguïstische weerbarstigheid minder goed dan andere talen zou lenen tot abstractie, of die zich minder soepel zou gedragen bij de vorming van nieuwe woorden, afleidingen en samenstellingen? Of zou het juist niet aan de taal liggen, maar eerder aan onszelf? Zouden wij als taalgebruikers te lui of te weinig inventief zijn om bruikbare equivalenten van buitenlandse vaktermen te bedenken, dan wel te conservatief of te snobitisch om dergelijke equivalenten te aanvaarden?
Maar ook op dit gebied zijn generalisaties riskant. Als het om de over-dracht en de verspreiding van kennis gaat, kan de aanwezigheid van een traditie van popularisatie heel veel gewicht in de schaal leggen. Het valt mij telkens weer op dat de ene tak van wetenschap zich heel wat meer aan kundige en enthousiasmerende popularisatie gelegen laat liggen dan de andere. Ik durf zelfs de stelling aan dat de kwaliteit van het Nederlands als wetenschapstaal sterk afhankelijk is van de doorstroming van kennis over het hele traject van specialist naar belangstellende leek.
|
1Zie J.W. Muller: ‘Fragment eener zestiendeeuwsche Nederlandsche spraakkunst’, in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 38 (1919), p. 1-20; de citaten op p. 16 en p.17/18. De toeschrijving van dit stuk aan Coornhert is overigens niet geheel zeker. Zie ook L. van den Branden: Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16e eeuw, Gent, 1956, Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, reeks vi, nr. 77 (herdruk Arnhem, 1967), p. 77.
2H.B.G. Casimir: ‘Mogelijkheden en grenzen van de wetenschapscommunicatie in het Nederlands voor de natuurwetenschappen’. In: A. Grypdonck (red.): Nederlands als taal van de wetenschap (met bijdragen van H.B.G. Casimir, A. Grypdonck, J. Hemels, S.L. Kwee, G. van Parys, H. van Pelt, J. Renkema, J. Willems en J. Wilmots). Utrecht, 1985, Aula-reeks, p. 82-87; het citaat op p. 87.
3Zie H.B.G. Casimir: Het loeval van de werkelijkheid. Een halve eeuw natuurkunde, Amsterdam, 1983, p. 146-49.
4Instructief is de vergelijking met het Fries. Hiervoor kan worden verwezen naar de brochure Nederlânsk en Frysk en de fiertalen fan de wittenskip (Ljouwert: Fryske Akademy, 1993), waarin de tekst van voordrachten door W.P. Gerritsen (‘Kent gij het land, waar Mina toeft?’ In skôging oer taal, kultuer en de fiertalen fan de wittenskip) en L.G. Jansma (‘De Fryske Akademy en de fiertalen fan de wittenskip’) is opgenomen.
|
|