
Het zgn. dubbelportret van Betje Wolff en Aagje Deken, verschenen als frontispice in Fabelen (1784). Gravure door A. Cardon naar W. Neering.
Betje Wolff, als Elizabeth Bekker te Vlissingen geboren, had al vroeg om zich heen dat aureool van vroegrijp wonderkind. Tekenen, musiceren, dichten, - het ging allemaal vanzelf. En waarom zou een jong meisje zich ook niet met filosofie mogen bezighouden? Betje maakte in elk geval geen geheim van haar verknochtheid aan Pope's Essay on Man (1733-1734). Zelfbewust houdt ze dit beroemde Verlichtingsgedicht in de hand, als men haar op zestienjarige leeftijd wil uitschilderen. Geen zee ging haar kennelijk te hoog. Totdat een avontuurtje met een vaandrig, Gargon, de bewondering van het stijf-orthodoxe Vlissingen doet omslaan in kille vijandigheid. Onder die omstandigheden bracht een huwelijksaanzoek van de een-en-dertig jaar oudere weduwnaar Adriaan Wolff, Hervormd predikant te Beemster, uitkomst. In 1759 trouwden die twee en al gauw ook begon toen voor Betje Wolff die lange periode van geestelijke eenzaamheid, waartegen ze zich door fanatiek schrijven probeerde te wapenen. Pas in april 1777 kwam er door de dood van ds. Wolff een einde aan dit leven in de Beemster pastorie.
Wat schreef Betje Wolff tijdens haar Beemster jaren? Te veel om op te noemen. ‘Een mensch zou schrikken als hy zulke stapels [zag]’, vond ze zelf. Haar ambitie was lang om een tweede Lucretia van Merken te worden. Daarom waagde zij zich eveneens aan bespiegelende poëzie over abstracte zaken. Het werd niets. Haar spontane, tot ironie neigende aard bleek beter geschikt voor de verssatire. Aan stof geen gebrek. Alwie in Betje's ogen niet voldeed aan de verlichte normen van vrijheid en verdraagzaamheid, kon rekenen op haar snierend commentaar. Schijnheilige femelaars, bangelijke regenten, huistirannen, pedante geleerden, modefats, verzenlikkers - ieder kreeg zijn beurt. Hoogtepunt van die hekelkunst was De Menuet en de Dominees Pruik uit 1772, naar aanleiding van een Groningse censuur-kwestie.
Maar die vinnige kritiek bezorgde Betje Wolff een hoop vijanden. Rechtzinnige vromen beschouwden haar vaak als een goddeloos serpent, daarbij voorbij ziende aan het feit dat ‘de Bos Wolvinne’ op haar manier eveneens bijbels-christelijk dacht. Het openbaringsgeloof heeft zij nooit willen loslaten.
Onder haar critici was ook Aagje Deken, een alleen wonend Doopsgezind zusje, dat was opgegroeid in het weeshuis De Oranje-Appel te Amsterdam. Zij schreef Betje Wolff een vermaanbrief, waaruit nog vóór ds. Wolffs dood persoonlijk contact groeide. Als dichteres van stichtelijke poëzie had Aagje toen al in kleine kring enige bekendheid verworven. Zodra Betje Wolff weduwe werd, trok Deken bij haar in huis. Dat huis was niet meer de Beemster pastorie, maar een eigen woning in De Rijp. Tevoren had Betje Wolff al een hele reeks ‘hartsvriendinnen’ zien komen en gaan. Maar met Deken klikte het wonderbaarlijk, hoewel (of misschien juist omdat) zij geheel tegengesteld van karakter waren: Betje dominant, vinnig, temperamentvol, Aagje bescheiden op de achtergrond. Jacobus Bellamy heeft de verhouding onnavolgbaar getypeerd: ‘Bekker is de azijn, Deken de olie - dat maakt zamen een goede saus.’
Tot hun dood, enkele dagen na elkaar, zijn Wolff en Deken verenigd gebleven, achtereenvolgens wonend in De Rijp, Beverwijk (hun glorietijd op een eigen buitentje Lommerlust), het Franse Trévoux en na een bijna tienjarig verblijf aldaar tenslotte in Den Haag. Samen hebben zij afwisselend betrekkelijke armoede en welstand gekend. Maar wat belangrijker is: zij hebben samen iets gepresteerd wat ieder alleen niet had gekund. Getweeën schreven zij een viertal briefromans, waarvan de Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart uit 1782 hen blijvende

Aagje Deken aan J.W. te Water, professor in de Heilige Godgeleerdheid te Leiden, Den Haag, 15 juni 1800.
Hoogeerwaerde Hooggeleerde Heer!/ Voor mij zeer gewichtige reedenen deeden mij er op staan, dat den / Brief, door uwe Hoogeerw., aan mijn Vriendin gericht, niet door Háár, / maar door mij, zouden beantwoord worden. // Mijne Vriendin heeft zo vroeg, en zo veel geschreeven dat het Haar niet / meer mooglijk is, alles wat Zij, van tijd tot tijd in het licht gaf, zich te / herinneren. Maar zo veel te beter weet zij, wat nooit door Haar / geschreeven is, ja zelf nooit door Haar, die den schoonen Godsdienst, / door Christus verkondigd, met Haare geheele ziel is toegedaan, gedacht / kon worden, en hetwelk echter, door laage Baatzucht en Menschonteer / rende kwaadaardigheid, op Haar naam is uitgegeeven, 't Zij door / Haar volle naam, 't zij slechts door de eerste letters van Haar vóór / en toe eigen of Mansnaam onder die vodden te plaatschen, 't zij door / Godsdienst, en dus ook, zeer zeeker, zeedenverwoestende, prulschriften, / waarin Haar keurig vernuft, door valsch en laf vernuft nagebootst / was, op de Chatalogessen midden, of onder Haare werken te voegen, / gelijk dit, voor eenige jaaren, nog gebeurd is, met dat snood phamflet, /onder den titel Aanhangsel van Willem Leevend, zonder den / naam van Schrijver of Drukker, in de waereld gestooten en met zo veel / recht verbooden. // Mijn waerde Vriendin, wist zes maanden na dat dit laf verderffelijk / geschrift reeds was uitgegeeven, nog niet van deszelfs bestaan en heeft het / niet willen leezen, 't geen men er Haar van verhaalden, was genoeg om het Haar/
[p.2] te doen verfoejen en echter was men ligtvaerdig en kwaadaardig genoeg / om het Haar optedringen. // Ik heb haar, met al den ijver der Rechtvaardigheid, met al het vuur der / Vriendschap verdeedigd in eene Brief aan den, nu zaligen christen leeraar / A. Hulshoff, te vinden voor het tweede Deel der Brieven van Abr. Blankaart. / De kwaadaardige verdenking, die mijne Vriendin in staat oordeelde zulk / een infaam stuk voortebrengen, gevoegd, bij alles wat de laster, door / den Mond en pen van allerlei soort van Lieden, Geestelijken en Waereldlijken, heeft uitgestrooid, om Haare talenten onnut te maaken, Haare / ten minste voor de Menschen, onschuldige, Zeeden te bevlekken, Haaren / welverdienden Roem, die men benijden, te verdonkeren, heeft het ge-heel zeenuwgestel van mijn Vriendin verwoest, maar nooit haar / kunnen stooren in het kalm genot, 't welk Haar Haare bewustheid / van onschuld, en de overtuiging, dat de Alweetende ook Haar, in Liefde, / kende heeft geschonken. // Wij kennen den zedeloozen schrijver en inhaalige Drukker van / het booven genoemd verfoejelijk stuk. Maar helaas! Wij hebben / slechts Moreele zeekerheid, en die voldoed niet bij den Rechter. [...]
roem bezorgde. Het is de eerste moderne Nederlandse roman, gesitueerd in een Hollands burgermilieu dat met liefdevolle aandacht - en toch ook heel kritisch - getekend wordt. Terwijl Betje Wolff vóór de samenwerking met Deken graag persoonlijke vetes uitvocht, stelt ze zich nu een breder doel: zedekundige opvoeding van de burgerklasse en verheffing van de gemene man; verdediging van de echt-hollandse waarden tegen gevaren van buitenaf (Franse mode) en van binnenuit (ongeloof). Hoewel bij gelegenheid ook de versvorm die opbouw van de burgermoraal moet dienen, zoals in Wolff en Dekens vaak herdrukte Economische Liedjes (1781), verschuift hun aandacht toch steeds meer naar het proza. De breed opgezette zedenroman leek het geëigende medium voor dit Verlichtingsprogram. Hij bood de schrijfsters in elk geval volop kans om hun mimetisch talent te tonen in een groot aantal genretafereeltjes en kostelijk getekende portretten.

Illustratie uit Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) door Betje Wolff en Aagje Deken. Gravure door C. Bogerts naar J. Buijs.
In politiek opzicht waren Wolff en Deken eigenlijk laatbloeiers. Pas in 1786 spraken zij zich onomwonden uit ten gunste van de Patriotten. Maar zij bleven dit ideaal wel tot het einde toe trouw, ook toen zij in Frankrijk de gruwelijkheden van de Revolutie aan den lijve ondervonden.
Door hun veeljarig verblijf in het buitenland verloren Wolff en Deken enigermate het contact met de Nederlandse literatuur. Toen zij in 1797, door vermogensverlies gedwongen, hierheen terugkeerden, moest Betje Wolff als broodwinning gaan vertalen tot zij ‘kikhalsde’. In die bittere Haagse periode trad Deken pas goed uit de schaduw, zeker toen haar vriendin ernstig ziek werd. Met hun schrijversroem was het gedaan. De smaak van het publiek bleek meer gericht op thriller-achtige ontspanningslectuur (‘gothic novel’) of sentimenteel kleingoed dan op solide zedenschildering in de trant van Wolff en Deken. Hun laatste roman, Geschrift eener bejaarde Vrouw (1802), bleef onverkocht en gedeeltelijk ongedrukt.
Het heeft enige decennia geduurd, eer het Nederlandse publiek Wolff en Deken opnieuw is gaan ontdekken als de belangrijkste schrijfsters van onze achttiende eeuw.
Van Elisabeth Wolff-Bekker: Bespiegelingen over het genoegen (1763), Eenzame nachtgedachten, over den slaap en den dood (1765), Bespiegelingen over den staat der rechtheid (1765), Walcheren, in vier gezangen (1769), De Nederlandsche vrijheid aan der Corsen generaal Pascal Paoli (1769), Zedenzang, aan de menschenliefde, by het verbranden des Amsteldamschen Schouwburgs (1772), De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis (1772), Lier- veld- en mengelzangen (1772), Aan mynen geest (1774), Holland, in 't jaar MMCCCCXL (1777), Beemster-winter-buitenleven (1778), Proeve over de opvoeding, aan de Nederlandsche moeders (1779), Mengel-poëzy (1785-1786, 3 dln.), Letterlust op Kipperust (1954, bloemlezing).
Van Aagje Deken: Op het eeuwgetyde van het Weeshuis der Collegianten, binnen Amsteldam (1775), Stichtelyke gedichten (1775, met Maria Bosch), Traanen gestort by het overlyden van den uitmuntendsten dichter Jacobus Bellamy (1786), De voorrechten van het Christendom (1787), Mijne offerande aan het vaderland (1799), Liederen voor den boerenstand (1804), Christelijke gezangen en liederen (1804).
Van Wolff en Deken samen: Brieven (1777), Brieven over verscheiden onderwerpen (1780-1781, 3 dln.), Twaalf leerredenen en eenige gebeden, ten gebruike van den gemeenen man (1782), Historie van den Heer Willem Leevend (1784-1785, 8 dln.), Brieven van Abraham Blankaart (1787-1789, 3 dln.), Wandelingen door Bourgogne (1789), Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut (1793-1796, 6 dln.), Gedichten en liedjens voor het vaderland (1798), Lotje Roulin (1954), Het romaneske Holland (1954, bloemlezing), Keur uit het werk (1969), Wij beginnen te sympathiseren (1970, bloemlezing).