Politieke theorie en geschiedenis


auteur: E.H. Kossmann


bron: E.H. Kossmann, Politieke theorie en geschiedenis. Bert Bakker, Amsterdam 1987  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 420]

Gustaaf Johannes Renier
(25 september 1892 - 1 september 1962)*

Gustaaf Renier werd te Vlissingen geboren. Zijn vader was Scheldeloods in Belgische dienst en vaak van huis, zodat de zorg voor het gezin van drie jongens en een meisje hoofdzakelijk op de moeder rustte. Zij heeft een diepe invloed op haar oudste zoon uitgeoefend. In het Zeeuwse milieu van die dagen was zij, een Waalse die het graag liet voorkomen of zij uit Frankrijk stamde, een beschaafde vreemdelinge. Zij zag er nauwlettend op toe dat de kinderen met haar alleen Frans spraken. De Franse cultuur zoals zij die uit België kende gold in haar huis als het lichtende voorbeeld. Het was dan ook in zekere zin natuurlijk, dat Gustaaf na zijn lagere schooltijd in Vlissingen naar het Antwerpse Athenaeum werd gezonden. Uit de anekdotes, die hij over deze tijd later vertelde, krijgt men de indruk dat hij zich in Antwerpen ongelukkig heeft gevoeld. Zijn medescholieren minachtten hem - dat vermoedde de hypersensitieve Renier tenminste - én om zijn zuivere Nederlands én om zijn zuivere Frans. Hij was in de kost bij een meester-bottelier uit het Limburgse wiens accent hij kostelijk imiteerde en die hem een zekere kennis van wijnen bijbracht en leerde hoe men flessen zonder te morsen kan uitschenken. Hij herinnerde zich later ook met plezier de geweldige maaltijden die het brave echtpaar de jongen voorzette en hoe hij op een middag met zijn kostbaas dozijnen oesters verorberde. Hij bleef niet lang in Antwerpen. Juist hij, toch al zeer gevoelig van aard, kennelijk vol verlangen naar huis en naar zijn moeder, werd beschuldigd van een banale, maar toen nog ernstig geachte zonde, die hij niet begaan had. Hij werd smadelijk van school gestuurd. Zijn moeder zond hem toen naar een college in Leuven. Want de familie was katholiek en uit zijn ongepubliceerde memoires - hij heeft er helaas slechts zijn vroege jeugd in beschreven - blijkt dat het mysterie van God en godsdienst, van communie en kerkgang hem heftig boeide. Dit geloof nu schijnt in Leuven versleten te zijn. Ook op die kostschool voelde de moeilijk levende, slechts langzaam rijpende maar hoogst begaafde jongen zich volkomen vreemd. De strikte discipline, het enge provincialisme, de voortdurende aanwezigheid van andere jongens en scherp toeziende priesters benauwden hem. Zijn revolte tegen deze voor hem ongeschikte omgeving was totaal. Niet alleen de school, niet alleen de katholieke kerk, niet alleen Leuven, maar alle tucht, alle religie,

[p. 421]

heel België, Waals of Vlaams, vervulden hem zijn leven lang met weerzin. De jonge man die Leuven eindelijk vaarwel kon zeggen was op zijn manier een Voltairiaan geworden al zal hij toen van de Franse rationalisten nog niet veel geweten hebben. Hij ging geschiedenis studeren in Gent. Ook in Gent was hij niet thuis. Maar het beviel hem, eindelijk ontwakend uit zijn jeugd, daar toch wel veel beter. Hij sloot er enkele vriendschappen, die zijn leven lang in stand bleven en vatte een diepe bewondering op voor zijn leermeester Henri Pirenne. Toen in 1914 de oorlog uitbrak was hij licentiaat en werkte hij aan een these over een economisch-historisch onderwerp uit de middeleeuwen.

Zijn beste Gentse vriend was de zoon van de Engelse consul daar. Hij trok met hem in het eerste oorlogsjaar naar Londen. Het was een vlucht uit de oorlog die hem verbijsterde en uit een jeugd die wel zeer zwaar met onzekerheid belast was. In Londen - een vreemdeling die nauwelijks Engels sprak in de hoofdstad van een oorlogvoerend land - voelde hij zich, niet zonder schaamte, bevrijd en gelukkig. Hij bestudeerde met de grootst mogelijke aandacht de taal die hij niet kende en waarvan hij al vrij spoedig een onbegrijpelijk nauwkeurige kennis bezat al bewaarde hij zijn hele leven als een kostbaar kleinood zijn overigens ondetermineerbare accent van vreemdeling.

Reniers loopbaan was gevarieerd en succesrijk. In de jaren twintig en dertig werkte hij als journalist en schreef hij een aantal korte biografieën (The Ill-fated Princess. The Life of Charlotte, daughter of the Prince Regent, 1932; William of Orange, 1932; Oscar Wilde, 1933; Robespierre, 1936) die, al waren zij voor een groot publiek bestemd, toch alle op vrij uitvoerig onderzoek waren gebaseerd. Bovendien leverde hij talloze vertalingen van Nederlandse romans en ook van Nederlands historisch proza (bijvoorbeeld P.J. Bloks Michiel de Ruyter) en publiceerde hij een autobiografische schets He came to England (1933), een curieuze sleutelroman, die wellicht een zekere historische waarde bezit. Hij voelde zich in zeer verschillende milieus thuis, bestudeerde de Engelsen in dorps- en stadskroegen, kwam diep onder de indruk van de intellectuelen van Bloomsbury en was sinds 1915 nauw bevriend met P. Geyl, die hem er toe bracht om zijn historische studie voort te zetten en hem introduceerde bij P.N. van Eyck en Gerretson. Een actieve rol in de Nederlandse cultuur speelde hij niet. Geyl, Van Eyck en Gerretson schreven en handelden ook in hun Londense jaren vooral met het oog op het Nederlandse of Vlaamse publiek. Renier viel het ondanks zijn non-conformisme in wezen heel wat gemakkelijker om zich aan de Engelse smaak en eisen aan te passen en hij was als gevolg van de onzekerheden uit zijn jeugd ook veel sneller bereid zijn ambities op een zuiver Engelse carrière te richten. Maar hij liet zich nooit naturaliseren.

Zijn wetenschappelijke loopbaan dankte hij aan zijn voortreffelijke en degelijke proefschrift - onder Geyls leiding geschreven - van 1930 over

[p. 422]

Great Britain and the Establishment of the Kingdom of the Netherlands. Het is een definitief boek, dat nog veel gebruikt wordt. Heel origineel is het niet: noch de conclusies noch het gebruikte materiaal waren in 1930 zeer nieuw maar het vormt een buitengewoon heldere en elegante synthese. In 1931 werd hij lector aan University College te Londen, waar hij ook had gestudeerd, in 1936 volgde hij Geyl op met als titel Reader in Dutch History and Institutions, in 1945 - na in de oorlog een zeer actieve rol te hebben gespeeld als cultureel adviseur van de Nederlandse regering in ballingschap: een periode waarop hij later met het grootste genoegen terugkeek - kwam eindelijk zijn benoeming tot gewoon hoogleraar. Deze tenminste voor Engelse begrippen late academische loopbaan heeft hem veel bevrediging gegeven in zoverre hij een onuitputtelijk plezier had in zijn taak van docent. Hij kon in zijn colleges - alléén op het podium dat hij inderdaad deed groeien tot een schouwburg-toneel - schitterende improvisaties leveren en zich geheel overgeven aan zijn diepe behoefte om te doceren en om de historische problemen, die in zekere zin altijd zijn persoonlijke problemen waren, met behulp van een theorie scherper te stellen. Bovendien had hij een intense belangstelling voor zijn studenten die hij vaak op zeer reële en royale wijze ook financieel hielp. Na zijn pensionering in 1957 heeft hij vooral het contact met discipelen smartelijk gemist. In zijn functie van docent in de Nederlandse geschiedenis heeft hij veel gepresteerd. Hoeveel Engelse studenten heeft hij niet wegwijs gemaakt in zijn vak en hoeveel heeft hij ook niet geïnspireerd tot eigen onderzoek! Dat de studie van de Nederlandse geschiedenis in Londen een erkende plaats heeft, het is na Geyl vooral aan hem te danken. Men kan zulke prestaties niet kwantitatief meten. Ik weet echter uit eigen ervaring, dat zijn werk van docent veel meer succes heeft gehad dan men redelijkerwijs van zulke arbeid verwachten kan.

Reniers leven en het werk waarin hij er zijn eigen commentaar op gaf, bestaat uit een reeks van relaties met verschijnselen, groepen en mensen die hij zorgvuldig onderzocht maar op grond van zeer persoonlijke reacties aanvaardde of verwierp. Hij verwierp te vaak omdat hij zich gekwetst voelde. Tot in zijn laatste jaren toonde hij zich soms nog de prikkelbare jongeling van het vooroorlogse België. Hij was misschien ook te categorisch in zijn oordeel. Ik denk bijvoorbeeld aan zijn totale afwijzing van Toynbee's oeuvre dat zijn intellectuele eerlijkheid beledigde. Het was overigens zeer typisch voor hem dat hij een van zijn hondjes Toynbee noemde, zodat hij een wezen dat die naam droeg, vriendelijk bevelend en opvoedend kon toespreken. Wel heel veel wilde hij tegelijk zijn. Hij trad op als een cosmopoliete bohémien maar tegelijk als de Engelse snob en connoisseur, die Horatius leest, op reis gaat naar Italië en naar vogeltjes kijkt (met welk een indringende perceptie overigens getuige zijn A Tale of Two Robins van 1934!). Hij wilde een vreemdeling zijn, kinderlijk trots op zijn vloeiende Frans, dat hij zonder enige moeite en zeer zuiver sprak

[p. 423]

met een aantrekkelijk ondefinieerbaar accent, en op zijn vlotte, in Leuven aangeleerde Latijn, een erudiet, die zich gemakkelijk beweegt op de terreinen der geesteswetenschappen, de historie, de letterkunde, de wijsbegeerte en de psychologie, maar ook een specialistisch onderzoeker op de Engelse manier van - wonderlijke keus voor deze man - de diplomatieke geschiedenis der achttiende eeuw. Elk van die rollen speelde hij, soms kort na elkaar, soms ook alle tegelijk. Hij kon meesterlijk de oude wijze professor acteren, zacht van gebaar, vol inzicht in het jonge hart van zijn studenten en op hetzelfde ogenblik zijn gehoor prikkelen met de onwaarschijnlijkste maar intens persoonlijke paradoxen. Zijn diatribes waren soms ruw. Zijn stijl van werken was soms zeer eigenaardig. Zo moesten zijn studenten in de Nederlandse geschiedenis tot in de kleinste details de diplomatieke verwikkelingen van de Spaanse Successie-oorlog volgen. Hij doceerde dat onderwerp een twintig jaar lang en was er trots op, dat hij, die voorgaf een dilettant te zijn ook in zijn wetenschap, zijn colleges op grondige archiefstudie kon baseren. Deze colleges waren inderdaad uitstekend, zowel naar inhoud als vorm, en van echt zakelijk belang. Toch begrijpt men niet goed waarom hij nooit eens een wijder en problematischer thema heeft gekozen. Het zonderlingste was wel, dat Renier, al was hij nog zo overtuigd van de importantie van zijn inzichten over deze kwestie, het toch ook weer niet de moeite waard vond hen vast te leggen in een artikel of een boek. Waarschijnlijk had hij al spoedig meer dan genoeg van de Spaanse Successie-oorlog al praatte hij er graag en veel over. Ook in zijn onderwijs wilde hij zijn innerlijke tegenstellingen niet verzoenen. Want hij koesterde zijn grillen en onverantwoordelijkheden met veel liefde. Op zijn beste momenten slaagde hij er echter inderdaad in om zijn wantrouwen tegen discipline en specialisme tot een sluitend systeem van systeemloosheid te maken. Op zijn beste, zijn meest creatieve momenten was hij een doctrinair.

Renier hield ervan om zijn reacties te sublimeren in een theorie. Zijn belangrijkste werk wordt dan ook gekenmerkt door een indrukwekkende reeks van soms speels soms dogmatisch voorgedragen abstracties. In zijn The English: Are They Human? (1931) prevaleert ondanks de scherpe observatie en de onnavolgbare geestigheid van zijn uitdrukkingswijze, zijn historische en psychologische doctrine over het Engelse volkskarakter. Het boek werd een objectivering van zijn zeer persoonlijke relatie met het eiland, dat hem bevrijd had en dat hij nu wilde veroveren door zijn talent en veranderen door zijn inzichten. Zijn korte maar rijke en, naar mijn mening, in Nederland te weinig gekende boek over onze geschiedenis (The Dutch Nation, 1944: de door hem zelf bewerkte Nederlandse uitgave verscheen in 1948 met de titel De Noord-Nederlandse Natie) bevat een serie leerstellingen over de eigenheid van de Noordnederlandse natie (die hij om wetenschappelijke redenen maar zeker niet zonder invloed van zijn emotionele afkeer van België scherp van het Zuiden on-

[p. 424]

derscheidde), over het karakter van de zeventiende-eeuwse godsdiensttwisten, over standen en klassen, partijen en partijstrijd, die elk voor zich een nauwe connectie hebben met zijn zeer subjectieve reactie op eigen ervaringen. Zijn meest dogmatische boek is zijn History, its Purpose and Method (1950), een werk vol juiste inzichten, scherpe formules en charmante eigenwijsheden waarvan de hele teneur echter schijnt te verraden dat de auteur, die zo boeiend schrijft over filosofie en psychologie en zijn lezer verblindt met zijn eruditie, de ontwikkeling van zijn eigen wetenschap, waarmee hij in een zeer ambivalente verhouding stond, niet zeer oplettend volgde. Het na de Tweede Wereldoorlog geschreven werk heeft eigenlijk weinig verband met de ambities van hedendaagse historici en zondigt door een zeker gebrek aan kennis niet alleen van de Duitse scholen maar zelfs van de Franse. Het lijkt me dan ook geen wezenlijk stimulerend boek en zelfs ongewild enigszins conservatief. De onmiskenbare verdienste ervan is dat Renier er zich niet alleen op hoogst individuele wijze in uitsprak, maar ook dank zij zijn contact met natuurwetenschappelijke onderzoekers in staat was tot een ernstige poging om de methodische problemen algemeen te stellen. Het bezit zonder twijfel grote didactische waarde en vormt een uitstekende inleiding tot, en verdieping van, de traditionele opvattingen over historisch onderzoek. Het was echter wellicht naïef van hem om te verwachten, dat op zo persoonlijke wijze voorgedragen inzichten een zakelijke invloed op de Engelse geschiedschrijving zouden uitoefenen, toch heeft hij dat zonder twijfel gehoopt. De koele en soms onrechtvaardig slechte ontvangst ervan heeft hem diep teleurgesteld en hem doen besluiten niet meer in het Engels te publiceren.

Reniers laatste jaren zijn moeilijk geweest. Zijn gezondheid was zwak en hij had niet genoeg energie om de memoires te schrijven, die hij tot zijn hoofdwerk wilde maken. Het was een bewijs van zijn irritatie over Engeland, dat hij dit zeer persoonlijke boek in het Nederlands wilde stellen al schreef hij Nederlands met meer moeite dan Engels. Hij is er niet verder mee gekomen dan een zeer uitvoerige analyse van zijn jeugd. Met de geschiedwetenschap wilde hij niet meer van doen hebben. Op het werk van zijn vrienden na verkocht hij bijna al zijn historische boeken - of gaf hen weg - behalve zijn geliefde Pirennes. Toch kon hij tot op het laatst oprecht genieten van een conversatie waarin hij schitterde of van een gelukte speech. Maar de innerlijke onzekerheden en tegenstellingen die hij tijdens zijn actieve leven niet had willen verzoenen, kwelden hem toen hij zich mediterend in zijn studeerkamer terugtrok. Het heeft mij getroffen dat deze vrijgeest, deze rationalist en libertijn, deze man, die weigerde om poëzie te lezen en slechts één zonde erkende, de domheid, geen redevoeringen wilde bij zijn crematie maar slechts de romantische muziek van het Forellenkwintet.1