dukten van de middelmatige schrijver hyperbegrijpelijk, de geniale schrijver is vooral: onbegrijpelijk.
De middelmatige schrijver is analyserend, de geniale schrijver werkt vooral synthetiserend: hij bladert in een woordenboek, de woorden die zijn ontvankelijke geest treffen schrijft hij neer en hij noemt het een gedicht. Een middelmatige schrijver schrijft verhalend, of beschouwend, een geniale schrijver schrijft evocerend: wat er nooit was is er opeens door de woorden die hij schrijft; elk woord van een geniale schrijver roept weer iets nieuws op.
Waar de middelmatige schrijver vooral overtollige bladzijden schrijft (als je er maar 10% van leest, begrijp je hem al), heeft de tekst van een geniale schrijver een redundantie van ongeveer nul. Hoe kleiner de redundantie in een tekst, hoe minder mensen in staat zijn deze tekst te begrijpen. Een tekst met een redundantie van nul wordt alleen maar begrepen door de opsteller zelf.
Een echte, goeie schrijver heeft de middelmatige schrijver en de geniale schrijver in zich verenigd, in de loop der jaren. Hij is begonnen, natuurlijk, als geniale schrijver. Wie niet geniaal is, in zijn eigen ogen, als schrijver, vanaf het moment dat hij het eerste woord op papier heeft gezet, moet geen schrijver worden: hij zal het nooit leren. Wie niet als dichter begint wordt nooit een goeie schrijver.
Een goeie schrijver schrijft veel, hij schrijft eigenlijk altijd. Hij begint er al mee in zijn kinderjaren. Op het moment dat hij een geniale schrijver is, in de ogen van zijn omgeving, heeft hij al een koffer vol manuscripten. Als een echte raket laat hij deze ‘eerste trap’ achter zich; die valt terug en wordt vernietigd. Hij bewaart niets, hij gaat hoger. De tweede trap bestaat uit louter middelmatige literatuur, heeft ie allemaal geschreven om zich te oefenen in begrijpelijkheid; hij wil begrepen worden en wel door zoveel mensen als maar mogelijk is. Ook van deze tweede trap die hem opstuwt, maakt hij zich los en hij bewaart daar niets van.