|
|
|
| |
| |
Achtentwintigste tooneel
Waard, Urinaal (in zyn onderkleêren), Raasbollius, Tys, Fop, Filipyn, Eelhart, Izabel, Katryn, Anzelmus, Griet (met licht) (Het toneel moet schielyk licht worden, zo als zy met kaersen opkomen)774/774
Wat wil dit oproer, en geraas! 774
| | | |
775
't Zyn dieven! hoor je 't niet?
Myn heer laat los wy zyn geen dieven!
Ik laat u niet eer los voor zulks my zal gelieven.
'k Heb 'er al één in myn macht.
‘ô Hemel 'k zie myn voogd! laat los! laat los!
780
Ge ontspringt my niet. Gy zult niet uit myn' handen komen.
Anzelmus (Izabel by de kaers beziende)
Laat my den dief eens zien. ha! ha! nu moogt gy schroomen! 781
Zyt gy de dief! zyt gy de dief! ô Izabel!
ô Schandvlek van 't geslacht! ontaarde! ik ken u wel!
Gy zult dat vluchten in een mans habyt betreuren. 784
785
Foei! foei! ik zal u dat gewaad van 't lichaam scheuren!
En uw lichtvaerdigheid zo teug'len, dat elk één
Zich spieg'len zal aan u!
| | | |
Haar aanstonds te Uitrecht in een beterhuis te zetten, 788
Om haar het vluchten in 't toekomend te beletten,
790
Indien zy met myn neef zich aanstonds niet verbind.
Hoe ik haar trouwen? neen: 'k ben daar niet toe gezind.
Vraagt gy dat? wel ik heb uitgevonden
De schoonste inventie, daar geleerden lang na stonden; 793
Zodat ik al zo ryk zal weezen in één jaar,
795
Als al de vorsten van Europa met malkâar.
Dat zal de spiritus van poortaard zyn? 796
Ei sterf niet met de kunst!
Gy zult die kunst wel krygen,
Wanneer ik dood ben; hoop maar op myn testament.
| | | |
Gy zyt een groote gek, dat zie ik nu in 't end.
800
'k Beloof u, 'k zal u plaats in 't zelfde huis doen maaken,
Daar Izabel, omdat zy zich heeft laaten schaaken,
In zitten zal, tot dat uw zinnen zyn bedaard.
Ik leg 't in kennis. Hoort wat hy daar heeft verklaard. 803
Heer advokaat wat moet ik doen in deeze dingen?
805
Zet hem in 't beterhuis, hy moet u niet ontspringen.
Maar geef uw nicht aan hem die zy zo teer bemint.
Het laatste is iets dat ik nog niet geraaden vind.
Zou ik haar aan een schelm, een guit, een lichtmis geeven?
Ik kan, noch wil, noch zal, met iemand anders leeven!
810
Ja sluit my op; betoon me uw haat en dwinglandy;
De straf zal volgen op uw' wreede tiranny.
Zwyg obstinaate, zwyg, 'k Wil u niet langer hooren.
Foei zyt ge uit ons geslacht, lichtvaerdige! gebooren!
Gy zyt in misverstand, myn heer, bedwing u wat. 814
| | | |
Ja, 'k zal dien lieven schat,
Dien gy my door uw haat en gramschap wilt berooven,
Advokaat, hoe kan ik het gelooven!
Ja, 'k ben een advokaat. Myn' eerelyken naam, 818
Dien gy zo vuil beklad, dat ik my uwer schaam,
Ik kan 't u niet bewyzen.
Zyt gy een eerlyk heer, zo moet gy zelfs mispryzen 821
Hoe wat? myn nicht geschaakt.
'k Ben uit uw' dwang geraakt,
En weggevlucht, daar hy gantsch niet van heeft geweeten.
825
Hebt ge uit uw' eigen wil uw' plicht dan dus vergeeten!
| | | |
'k Ben hem hier by toeval ontmoet.
Ja, en wy zyn zo vast verbonden aan malkaêr,
Dat maar alleen de dood die trouwe min kan scheijen.
'k Zal u beschermen lief, hou moed, en wil niet schreijen!
830
Anzelmus, 'k zweer gy zyt zeer qualyk onderricht,
Ik heb my altyt wel gequeeten in myn plicht. 831
Gaa mê nâ Amsterdam, 'k beloof u aan te toonen,
Dat zo veel gruuw'len in myn zuiver hart niet woonen,
En gy misleid zyt. Ik betuig 't u, met ontzag. 834
835
Indien gy waarheit spreekt, en zo op uw gedrag
Dan niets te zeggen valt, voeg ik my naar de reden.
Indien gy 't anders vindt, myn heer, ik ben te vreeden 837
Den band van deeze min te breken.
Op die konditie zal ik morgen met u gaan.
840
Gy zult haar trouwen zo wy alles wel bevinden.
'k Zal morgen dit geval doen weeten aan myn' vrinden.
De dieven zyn 't nu licht door dat gebrui ontsnapt. 842
| | | |
Ze zyn licht in een hoek, maak dat men ze betrapt.
Wel ja, daar zyn geen dieven.
845
't Quam dat je met den ham ons flus niet wout gerieven, 845
Wy hebben hem gevild, hy leit daar in die kist.
Dat 's voor die pots van laatst. 847
Daar meen ik jou lui ook een potsje voor te speelen,
Ja, al zo goed als 't haver steelen.
850
Myn heer vergeef je my myn misdaad niet? 850
Zo alles wel is, zal 't u ook vergeeven zyn. 851
Wy zullen morgen vroeg naar Amsterdam vertrekken.
Ik zal my dezen nacht vermaaken met die gekken,
| | | |
En bombardeeren met boetelje, kan, en fluit, 854
855
Ter eere van myn heer, en zyne aanstaande bruid.
'k Zal met myn' blaasbalg (ha! 'k moet lachen om die dwaazen!)
Het heele beterhuis aan duizend stukken blaazen.
|
774oproer: rumoer, beroeringen.
779Al zacht: kalm aan, hou je koest.
781schroomen: bang, beducht zijn.
784in een mans habyt: in mannekleren.
788beterhuis: verbeteringsgesticht, tuchthuis.
796spiritus van poortaard: uit drek bereide ‘geest’ (vgl. vs. 552).
803Ik leg 't in kennis: ik neem de omstanders als getuigen, om daarvan aangifte te doen bij het gerecht.
814Gy zyt in misverstand: u vergist zich.
818myn' eerelyken naam: mijn naam van fatsoenlijk man.
826by geval: toevallig.
hoe: uitroep van verbazing: wat!?
834met ontzag: met eerbied gezegd.
837ik ben te vreeden: ik ben bereid.
842gebrui: gezanik, gekrakeel.
850misdaad: verkeerde daad.
854boetelje: fles.
fluit: naar de voet spits toelopend drinkglas.
|
|