|
|
|
| | | | | |
De drie gratien
Een mythe
| | | | De zeebocht blonk in den morgenzonneschijn, de omringende rotsen glinsterden; ter rechter zijde
opende zich een bloeiend dal, ter linker rees de godenberg Olympus, wiens hooge kruin in dichte
nevelen gehuld lag. Eenzelfde hard-blauw licht gleed over golven, land en hemel, zonder
schakeeringen. De meeuwen, die langs het strand naar voedsel zochten, vlogen plotseling krijschend
op. Vrouwenstemmen jubelden. Een ranke wagen, getrokken door een viertal rappe ezels, rolde aan.
De teugels en de wielen schitterden. Een meisje mende, en heur beide zusters, moeilijk hun evenwicht
bewarend op de schommelende kar, klapten lachend in de handen, doch de dieren maakten weinig
haast. In een rechte rij volgden de slavinnen te voet; zij bewogen de armen in hoekige gebaren,
wijdstappend in het plooienrijk gewaad. Bij de marmeren waterbakken hield het voertuig stil. De
ezels werden losgebonden en te grazen gejaagd. De maagden tilden het waschgoed van den wagen,
dompelden het bedrijvig in de telkens door den vloed ververschte troggen, stampten, kneedden en
wrongen ieder stuk terdege uit. De meesteressen gaven hun bevelen, de blonde Aglaja met een
frissche klokjesstem, Euphrosyne, de donkere, in hartstochtelijke woorden, Thaleia, de oudste, kalm
en zeker als een waardig koningskind. Nu werd het schoone lijnwaad op het warme zand
uiteengespreid en aan de hoeken met een steen bezwaard. De zon scheen hel en gloeiend op die
veldjes sneeuw. De dienaressen verzamelden zich koutend om het meegebrachte maal, de zustertjes
zaten terzijde en fluisterden. Zij staken geheimvol de hoofden tezamen, als drie witte duiven ieder
met een boodschap aangevlogen, en blikten telkens naar den in een wolkenkrans verscholen bergtop
heen. Zooals immer, wanneer zij zonder kans op stoornis bij elkander waren, liepen hun gesprekken
over niets dan den heiligen zetel der zaligen. Aglaja verhaalde hoe haar dien nacht een lokkend
snarenspel gewekt had. De tonen volgend, was zij
| | | |
bij een helling gekomen, en had daar de jaargetijden en de muzen zien dansen bij de klanken van een
cither, die een jongeling, door zonneglans omgoten, sloeg. Euphrosyne had den slaap niet kunnen
vatten van verlangen. In het zoele duister was zij achter een geur aan het rotspad opgeklommen, en
had met den vinger op de lippen naar het ademen van een sluimerende geluisterd, Eroos zelven,
rustend in de dichtgevouwen vleugelen, naast zijn uitgebluschte fakkel en zijn afgespannen boog.
Thaleia bleek nog het meest begenadigd, want zij had het lachen der goden gehoord. Ze beschreef het
als gedempte donder, begeleid door geschater, dat op het lustige klapperen van een waaiend zeil
geleek, terwijl ook iets liefelijks zich daaraan gepaard had, alsof een vogel kwinkeleerde en een klokje
klonk. Zij zwegen een wijle en staarden en tuurden, zoet van hart en warm van boezem, ieder met
haar innig heimwee als een kindje in den arm geklemd. Ook zóó weer deden zij aan duiven denken,
nu zij als in droevig kirren vroegen, waarom het lot hen niet onsterfelijk had gemaakt. Van dat zij
jonkvrouwen waren geworden, leefden zij slechts in dien droom. Bestegen zij de trappen van het
ouderlijk paleis, dan betrad hun ziel de lichte, gouden treden, voerend naar den hemeltroon; kusten
zij hun minnaars, zoo reikte eigenlijk een goddelijke schenker hun een beker nektar toe, en ook hier
bij het zeestrand vergaten zij de reingewasschen kleederen en het naderend huwelijksfeest voor de
hallen van Olympus, die de diepe stem der branding hun beschreef. En zij verloren zich in gissingen
en wonderlijke verbeeldingen. Of het toch niet mogelijk ware? Zóó misschien? Er daalt gewiekt een
bode neder, onthult het geheim der geboorte en voert ze windsnel in de blauwe ruimte op. Dan zouden
zij elkander al zwevend bekennen, dat zij altijd wel een ander dan den ouden, norschen landvorst voor
hun vader hadden aangezien. Zekerheid bestaat daarover immers nooit. Met gloeiende
| | | |
wangen hadden zij de liederen hooren zeggen en zingen over menig heimelijk avontuur. Op een
somberen wintermiddag klopt een afgematte zwerver aan. Hij is bedekt met het stof van de wegen, hij
steunt op zijn staf en staat onder zijn bundel gebogen. Hij vraagt om nachtverblijf. De vrouw des
huizes neemt den grijsaard vriendelijk bij de handen en helpt hem zorgzaam bij het bad. Maar als hij
zich gereinigd heeft en in kostelijk linnen gestoken, wijl de donkere lokken als een krans van
hyacinthen om zijn voorhoofd wiegelen, dan herkent zij den god en aanbidt hem. Den tweeden zomer
komt een moede krijgsman herberg zoeken, en, als er weer een jaar verloopen is, een reiziger die
schipbreuk heeft geleden, of een kranke bedelaar. En ook die beide malen bereidt de vreemdeling de
gastvrouw dierbare verrassingen. ‘En telkens wordt een dochtertje geboren,’ jubelde Aglaja, ‘en zij
dragen onzen naam.’ Hier moesten zij toch samen hartelijk over lachen; dan opperde Euphrosyne een
andere mogelijkheid. Luisterden zij niet reeds als kleine meisjes, aan den schoot der sprookjesrijke
voedster, met open ooren naar de lotgevallen van Psyche, het eenvoudig koningskind? En hadden zij
ditzelfde vertelsel later niet in menig schoon gedicht gelezen, ja, zongen de vogels het niet van de
takken en babbelde de boschbeek het niet ijverig uit? Dit kon hun immers ook gebeuren, dat zij
bijgeval een god bekoorden, die hen huwde of als sterren aan den hemeltrans verhief. ‘En Attis,
Lysander en Glaukus, onze liefsten, dan?’ riepen de zustertjes verschrikt en verlegen. Daarop was
niets te bedenken; mistroostig lieten zij de hoofden hangen en tuurden een wijle naar heur bloote
voetjes, als zagen zij de zilveren ketens daar knellen, waarmede zij zich vrijwillig aan de aarde
hadden vastgesmeed. ‘Hoe prachtig anders dat wij kunstenaars tot vrienden hebben,’ zuchtte Aglaja,
‘als wij godinnen werden, zouden zij ons dadelijk kunnen vereeuwigen, Attis door zijn verzen,
Lysander door een fijn
| | | |
bebeeldhouwd tempeltje, en Glaukus in de figuren van een slanke vaas.’ ‘Maar waarvàn de godinnen?’
vroeg Euphrosyne. En hier was het scheepje van hun fantazieën weer tegen den oever gestooten en
lag onwrikbaar aan den grond. Hulpeloos keken zij elkander aan. Dan wendde zich een gezichtje
zeewaarts, blaùwe oogen blikten vorschend naar de wolken, bruìne naar het op de rotsen wuivend
mirtenloof. Ach, alles had allang zijn god; sommigen zweefden op vederen of steigerden op
beschuimde rossen, anderen stonden statig geharnast, of mijmerden liefelijk onder een rozenkrans.
Aglaja raapte schelpen op, ook dáár sliep een genius als in zijn wiegje, Thaleia vouwde de blaadjes
van een bloem uiteen, het was de adem van een kleine nimf die geurde. De wind, de gulden zon, het
strand, de klare ether, zij bleken ieder slechts het hulsel van een zalig wezen, dat, onzichtbaar in zijn
werkelijkheid, hun spelend glans en rhythme schonk. Hoe de koningsdochterkens ook spiedden en
speurden, geen troontje bevonden ze ledig, het geringste rijk bezat zelfs nog een eigen vorst. De
zustertjes spraken niet meer, de jongste fronste het voorhoofd, de oudere steunde de kin in de handen,
Euphrosyne schreef met haar vinger vreemde teekens in het vochtig zand. Doch het vraagstuk werd
niet opgelost; hun gevleugelde verlangens zochten tevergeefs de rustplaats van een onbezette
godenwoning.
Intusschen hadden de slavinnen de warm gedroogde wasch bijeengevouwen en in heldere stapels op
den wagenbak geschikt, zij joegen de weidende ezels tezamen, toomden ze, en bonden ze onder het
juk. Daarbij bedreven ze allerlei kortswijl, zoodat de rotsen weergalmden van hun geschater. Ook de
zee zong luider met zijn zware zomermiddagstem. Maar het ernstig fluisterend groepje liet de
klankenstroomen rustig zwellen en vervloeien om hun eilandje van stilte en aandachtigheid. De
dienstmaagd, die zich reizens-
| | | |
ree kwam melden, bevalen zij alvast vooruit te gaan met kar en meisjes, zijzelven volgden later wel.
De boodschapster vatte de blinkende teugels, hoeven trappelden, het leder kraakte, de slavinnen
rijden zich achter het voertuig en bewogen ook nú weer de armen in hoekige gebaren, wijdstappend in
hun plooienrijk gewaad. Toen knoopte Thaleia drie purperen ballen ergens uit het nestje van haar
boezem los, zij bepaalde de plaatsen, zij wuifde een teeken en daarmee ving het vangspel aan. Een
wonderlijk spel van afgemeten bewegingen, zonder bekoring, zooals dat somtijds op zeer oude steenen
staat afgebeeld. Elke worp scheen volgens voorgescheven regelen te geschieden, en evenzoo de orde
van de beurten en het grijpen met de hand. Maar plotseling, wijl een windvlaag haren bal uit den
koers had gedreven, sprong Aglaja, met haar gansche lichaam opwaarts wiekend, in een luchtig
zweven van den grond omhoog. ‘Zie, zie,’ riep Thaleia, ‘als een vlinder, als de stengel van een bloem.’
‘Als het gedartel van dolfijnen,’ jubelde Euphrosyne. Beiden bootsten zij de lichte opvlucht van heur
zuster na. En weldra leek hun spelen meer het buitelen der zwaluw dan bezadigd menschenwerk te
zijn. Hun wangen gloeiden en hun oogen schitterden, vooral Thaleia scheen haar lippen slechts met
moeite te bedwingen, als wist zij een verrukkelijk geheim. Dan wierpen zij de ballen weg en dansten.
Eerst nog in stijve figuren, die zij echter lachende verwarden, gelijk een kindje dat de stukken van
zijn legkaart doet. Zij vonden de lijnen der zuivere schoonheid. ‘Zingen,’ riep Thaleia. ‘nu een lied.’ Het
begon weer ruw en ongeslepen, plomp en kunsteloos. Doch het van verrukking stralende meisje
schikte de stemmen tot een bloementuil. Aan den top de klare, hooge, smetteloos als witte rozen, de
lagere daar aangevlijd als roode anjelieren, en haar eigen diepst geluid tot rand van donker loover.
Tranen vielen de zangstertjes over
| | | |
de wangen; geen sterveling had ooit zoo ver de vogelen overtroffen, en toen de echo zacht hun laatsten
toon herhaalde, luisterden zijzelven vol eerbied als naar een hemelsche muziek. De juichkreet van
Thaleia brak het zwijgen dier ontroering. ‘Kinderen, liefsten,’ riep zij, ‘hièr zijn wij godinnen van.’ De
zusters staarden haar verbaasd en vragend aan. ‘Ja, van dat ontvatbare, niet te beschrijvene, dat
juist ontbreekt aan alle dingen om ze volkomen schoon en liefelijk te doen zijn; wat ons spel eerst
miste, onze dans en onze zang, maar dat wij toen hebben gevonden en er omheen gewonden als een
frissche, bonte krans. Niets ter wereld is volmaakt te roemen, dat niet dit opperst vleugje van
bevalligheid bezit. Wij zijn daar de regeersters van.’ En om haar nieuwgewonnen almacht te bewijzen,
ging zij voor de zee staan, groot en verheven, en maakte een gebiedend gebaar. De harde
scheidingslijn van lucht en water loste zich in teergetinten nevel op. Dan nam zij Euphrosyne en
Aglaja bij de handen en zij snelden huiswaarts, met dat schatrijk hartekloppen van wie geschenken
mededraagt, of wonderen te vertellen heeft. Toch konden zij zich de vreugde niet ontzeggen van
telkens hunne gaven op de proef te stellen bij de zilveren olijvenboschjes en de bronnetjes die
nederschuimden in een murmelende haast. Hier gaven zij een stammetje een slanker houding, daar
deden zij het loover ruischen in een reiner toon. Een vlinder zette zich met uitgespreide wiekjes op
Aglaja's schouder neer. Zij blies op het trillend diertje, en haar adem schiep een gloed van diep azuur.
Toen de betooverde weer opvloog, deed hij denken aan een jonggestorven meisje, aan haar zuivere
ziel. Hij verloor zich in de ruimte. Zij raakten niet uitgesproken over de zaligheid van hun
ontdekking, blijde keuvelend, maar toch niet uitgelaten, zoals de wind verheugd is over zijn mildheid
en koelte, de lelie dat zij geurt. Zij naderden hun ouderlijke woning, zij hoorden een bedrijvig beitelen
| | | |
en kloppen, en de strofen van een vers, dat luidop werd gezegd. Nu begonnen zij over hun beminden
te praten, terwijl zij langzamer gingen in verwachtingsvolle aarzeling. Zouden de liefsten hun
doorluchtigheid erkennen, zouden zij aanbiddend hen niet wagen aan te raken, stamelen, knielen?
Het werd een gefluister, beraadslagen, plannen ontwerpen; maar toen zij bij een buiging van den weg
de mannen ontwaarden, werkend onder het lommer van een breedkruinigen boom, legden zij den
vinger op de lippen, en slopen ijlings door een achterdeurtje binnen in het zuilenrijke koningshuis.
De vlijtige arbeiders zagen nog even de laatste schaduw van heur verdwijnen en lachten elkander toe.
Zij hadden de looverzaal van een geweldigen plataan tot werkplaats gekozen en zaten hier nu
tezamen in de koele, groene schemering. Het bladerdak was niet zoo dicht of er zweefde nog een enkel
welkom zonnevlekje neder, dat op blonde lokken, roode lippen en het sneeuwwit marmer smolt. De
frissche knapen floten en neurieden van onbedwingbaar welbehagen. Lysander, die juist het bekertje
bikte van een kleine vrouwenborst, uitte dankbaar zijn tevredenheid, zeggend dat hij zich zoo
wonderlijk te moede voelde als op een eersten mooien lentedag. Bijna zou hij zich in Mei gelooven, als
dit niet de druiventrossen logenstraften. Waarlijk liet de wijnstok, die zich door de takken slingerde,
overal zijn vruchten hangen, jong en goud. Attis viel zijn vriend geestdriftig bij. Nog nimmer had de
lucht zoo zoet geroken, elke ademtocht herschiep zich als vanzelve in een klankvol woord. Ook
Glaukus, met teruggenegen hoofd de ranke vaas beschouwend, die hij tusschen de knieën hield
geklemd, sprak opgetogen over de gemakkelijkheid waarmede vandaag zijn kleuren zich schikten en
mengden, de lichte en donkere, niet anders dan hier buiten zonnegloed met schaduw deed. Daarbij
wees hij met de punt van zijn penseel naar het rondom schitteren van den zomer,
| | | |
dat zich echter dempte en versluierde, zoodra het onder de machtige kroon der twijgen gleed. Maar
tegelijk dat allen opkeken naar dit beschrijvende gebaar, begroette hen een plotselinge verschijning
op den drempel dier twee rijken. Het waren de zustertjes in een zelfbedachten tooi. Zij hielden elkaar
bij de handen. In het midden stond de rijzigste, Thaleia, in doorzichtig reinwit lijnwaad, als een
morgenwolkje waar de zon door scheen. Om keur lokken lag een mirtekrans. Aglaja droeg er een van
korenbloemen en een blauw gewaad. Euphrosyne had rozen door heur haar gevlochten, terwijl zij in
zachtgloeiend purper was gehuld. Zij roerden zich niet in hun ernstig verbeiden. Even zwegen de
mannen, getroffen door het goddelijk raadsel van die harmonie. Attis mijmerde: zoo rijmen drie
toonvolle regels en vormen een eeuwig gedicht. Ook Lysander en Glaukus vonden dierbare
vergelijkingen doch, bekoord door het sprookje dat de zoele middag uit de meisjes, uit het lommer en
de zonnestralen spon, sprongen zij op van hun zitbank, met geen andere bedoeling dan het stelen van
een lieven kus. Zij werden echter verontwaardigd afgeweerd. Dan vluchtten de prinsesjes en Aglaja
klaagde: ‘Zij hebben ons tòch niet herkend.’ Euphrosyne knikte en zuchtte, maar toen hield zij
eensklaps met een blijden schrik den adem in, neeg haar blozend gezichtje dicht naar de beide
bedroefden, en fluisterde een heimelijk plan. ‘Ja,’ riep Thaleia, ‘zoo zullen zij moèten begrijpen.’
Aglaja echter deinsde terug als door een bij gestoken, doch de makkertjes namen haar fluks bij het
middel, en glipten de paleispoort binnen, haastig alsof zij schuilen wilden voor een regenbui; want de
mannen riepen duizend schelmerijen achter het wijkend troepje aan. Dan bogen zij zich weder naar
hun arbeid, en een wijle werd daar onder den plataanboom niets dan het tikken op het steen gehoord.
Juist scheen Lysander op het punt een van zijn welgemikte slagen toe te brengen, toen het opgeheven
hamertje als in de lucht bleef
| | | |
hangen, en de beitel aan den greep der vuist ontviel. Ook het penseel bereikte de vaas niet, en Attis
haperde midden in den regel dien hij zong. Opnieuw stonden de meisjes daar voor hen, maar nú
naakt. Zij waren stralend door den gulden zonneschijn genaderd in een hemelsche bevalligheid. Toen
het lommer zacht hun blootheid met zijn manteltje bedekte, zag Aglaja van uit den groenen schemer
drie oogenparen schitterend op zich gericht. De moed ontzonk haar. In een kreet van schaamte
wendde zij zich om en trachtte te ontvlieden. Doch de zustertjes vingen haar vast in de armen, legden
haar de handen op de schouders, en hielden háár en ook elkander eng omstrengeld, borst aan borst.
De minnaars waagden geen woord en geen lachje. Zij voelden de aanwezigheid der zaligen en, daar zij
vrienden van de muzen waren, werden zij omhoog geheven op de vleugels van hun kunst. Lysander
wentelde een blok van vlekloos marmer aan, zoo groot als hij. Turend naar de blanke groep der
kuische schoonheid, trachtte hij daarvan een gelijkenis te wekken uit den diepen sluimer van de
vormelooze stof. Glaukus schilderde en Attis schreef. De meisjes, als door toovermacht gebannen,
bleven toeven in die zelfde houding van beschermende omhelzing en beschroomde vlucht. Zij rezen op
de grens van de zon en de schaduw; wanneer een vleugje door het loover suizelde, werd hun
naaktheid beurtelings gedempt en versluierd of in licht gedoopt. Uren vervulden zich zoo met dit
gelukkige werken in een stijgende scheppingskoorts. Onder het geklop der hamerslagen floten de
vogels en mompelde de dichter zijn nieuw lied. De avond daalde; zij kuste haar dochtertjes rood. De
jongelingen zetten zich al droomend neder, legden het hoofd op de knieën en vielen in slaap. De
koningskinderen welfden de hand boven de oogen, en staarden naar den machtigen Olympus uit.
Daar zagen zij een lichtstraal nederschieten als een helle bliksemflits; de heesters werden door een
blauwen weerschijn
| | | |
overgoten, waarin zich een gestalte slank verhief. Hij droeg den gouden slangenstaf, en wieken aan
den helm en de voeten. Eerst bracht hij een vriendelijken heilgroet uit, dan zei hij zijn boodschap, dat
de ballingschap haar einde had bereikt. Hij wees naar den bergtop, gloeiend in de vuren van het
welkomstfeest. Bacchus perste reeds zijn druiven voor heur eersten dronk, en de beste danseressen,
Aphrodite, de seizoenen en het muzenkoor, schikten bij voorbaat hun reien. De zustertjes lachten van
opgetogenheid. Zoo verteederden zij zelfs den bode der goden, die hen streelde en koozend in de armen
sloot. Zij schenen te schrikken en keken schichtig naar hun sluimerende minnaars om. Dit was hun
laatste menschelijk gebaar. Want dat zij toetraden op het onvoltooide kunstwerk, en daar elk hun
eigen beeltenis op de lippen kusten, leek al geen aardsche handeling meer. Hermes spreidde zijn
vederen open, en de meisjes volgden, als drie witte zwanen trekkend naar een merenland.
Den volgenden morgen werden heur namen overal door angstig zoekenden geroepen: ‘Aglaja ...
Thaleia ... Euphrosyne.’ De droomers onder het platanenloover werden er plotseling wakker van. Zij
hoorden de klagende mare en twijfelden of zij wellicht nog sliepen. Maar toen aanschouwden zij het
beeld, gisteren nog een vage, vormelooze massa, en nu veel schooner dan de schoonste vrouw kan zijn.
Ook de vaas en het prijsdicht bleken voleindigd in een gedaante die geen sterfelijk brein bedenkt. Zij
begrepen het wonder en vonden er vertroosting in. Lysander bikte dèze woorden op het voetstuk: ‘Hai
Charitai’, wat ‘de gratiën’ betekent, naar het woordje charis, dat alles inhoudt wat in ziel en lichaam
liefelijk is. Zóó zouden de godinnen heetten, die hun gezellinnen niet mochten zijn.
Daar was voor hen geen blijven meer. Zij namen hun reisstaf en bonden hun bundeltje dicht. Loopend
langs de velden en de zomerzeeën waren zij de eersten die bedachten dat er
| | | |
ook gezongen kan worden op een wandeltocht. Telkens spraken hen mannen en meisjes aan, en
vroegen of zij het wel hadden gemerkt hoe de wereld nu geheel een teedere glimlach leek: de bloemen
kleurden rijker, de vogels kweelden inniger, en ook de harten van de menschen klopten warmer voor
elkâar. Dan zetten de vrienden zich neder en deden een prachtig verhaal. Op alle plaatsen die zij
waren doorgetrokken, verrees een altaar of een tempeltje.
Wat het beeld betreft, dit wordt nu nog bewaard in Sienna, bedroevend verminkt en verweerd. Wie
het aanziet en zijn ontroering voelt stijgen, die zal zich niet verwonderen, dat de goddelijke Rafaël het
trachtte na te schilderen, en aan die groep der gratiën de openbaring der antieke schoonheid dankt.
Het vers van Attis is vergaan en verstoven als het stuifmeel van een bloeienden elzeboom. Toch wordt
er geen gedicht als waarlijk zoet en zangerig geschreven, dat niet door een stofje van die oude hymne
aan de bevalligheid is bevrucht. De vaas kunt ge vinden, gaaf en ongeschonden, in het museum van
een dorpje dat ik U niet noemen zal. Rondom de hals en buik staan, rood op donkeren grond, in vele
figuren de gebeurtenissen geteekend, die ik in deze bladen trouw heb naverteld. |
|
|