Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel IV


auteur: H.W. Lintsen


bron: H.W. Lintsen (red.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel IV. Delfstoffen, machine- en scheepsbouw. Stoom. Chemie. Telegrafie en telefonie. Walburg Pers, Zutphen 1993  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 11]

Delfstoffen, Machine- en Scheepsbouw

Mijnbouw
Machinebouw
Scheepsbouw
[p. 12]



illustratie

Turfwinning in Groningen, ca. 1900.
Bij droge vervening werd het veen boven de grondwaterspiegel afgegraven. De afgraving gebeurde door een ploeg arbeiders, elk met een specifieke taak
.


[p. 13]

1
Mijnbouw

Delfstoffen in Nederland
Steenkolenwinning aan de grens
‘Vive Davy, Honneur à Davy!’
‘Moet men in kou zitten?’
Techniek en produktiviteit

Delfstoffen in Nederland

Voor veel Nederlanders in de negentiende eeuw was het evident: Nederland was arm aan grondstoffen, in het bijzonder aan steenkolen. Weliswaar werden in Zuid-Limburg - nabij het grensriviertje de Worm - van oudsher steenkolen gedolven, maar de winning was een curiositeit. Frusterend was, dat Nederlanders niet woekerden met het weinige dat zij bezaten. Waarom, zo vroeg het blad De Ingenieur in 1889, bleef Nederland voor ‘het brood zijner nijverheid’ afhankelijk van het buitenland, als het land zelf een ‘zeer kostbare goed ontginbare hoeveelheid steenkool’ bezat? Terugkijkend stelden anderen vast, dat het gebrek aan steenkool een ‘gewichtig, natuurlijk nadeel’ was geweest voor de modernisering van de samenleving. Uiteraard kon ook in landen zonder delfstoffen een consumptiegoederen-industrie bloeien, ‘maar de industrie in zulke landen blijft een basis missen ... de meest karakteristieke verschijning, het kulminatie-punt van het industrieel kapitalisme: het gecombineerd reuzen-bedrijf...’1

De communis opinio van de laatste tijd is dat het ontbreken van delfstoffen voor Nederland uiteindelijk geen merkbaar nadeel was. Mijnbouw was dus ook niet het ten onrechte verwaarloosde stiefkind van de Nederlandse ondernemingslust. Enkele buitenlandse auteurs benadrukken echter de voordelen van een overvloed aan bodemschatten. Dit zou de basis hebben gevormd van industrieel leiderschap op wereldniveau. Hollands Gouden Eeuw met zijn energie-intensieve trafieken was gebaseerd op turf. Steenkolen stelden Engeland in staat nummer één te worden, later opgevolgd door de Verenigde Staten.2 Dit thema is te complex voor een korte samenvatting. Ik volsta met een enkele opmerking. In de consumptie van energie waren er aanzienlijke verschillen tussen naties. In tabel 1.1 is energiegebruik gerelateerd aan de bevolkingsomvang en aan cijfers over het binnenlands produkt, cijfers die een voorlopig karakter hebben.3 In de Gouden Eeuw was de Republiek een energie-intensieve economie. Engeland streefde haar rond 1700 voorbij. Echt energieintensief was de Nederlandse economie na 1800 niet meer. Gezien de onzekerheid van de cijfers was op dat ogenblik het verschil met de continentale kopgroep, uitgezonderd België, niet dramatisch. De kloof met Duitsland groeide toen dit land na 1850 industrialiseerde.

Interessant is hoe gering de verschillen waren tussen Nederland en Frankrijk, absoluut en in ontwikkeling, want in de ogen van sommige auteurs was de Franse weg naar de twintigste eeuw superieur aan de Engelse. De Franse industrie produceerde een hogere toegevoegde waarde, hoewel Frankrijk niet rijkelijk was begiftigd met delfstoffen. Grondstofarmoede was dus geen onoverkomelijke handicap; een moderne samenleving kon ook ontstaan zonder het Engelse model te volgen. Binnen het geheel van de Europese landen behoorden overigens Nederland en Frankrijk tot de landen die vroeg een bepaalde inkomensdrempel overschreden, vroeg industrialiseerden en ook vroeg veel steenkolen consumeerden.4

Verschillen in de energie-intensiteit van een samenleving hadden te maken met de omvang van de industriële sector en daarbinnen met het aandeel van bedrijfstakken die veel energie slokten. Ook andere factoren speelden een rol. In Nederland was het aandeel van de huishoudens groot. Dat lijkt een logisch gevolg van een minder zware industriële sector. In Engeland, een land met een bijzonder hoog energiegebruik, was de vraag van de huishoudens ook groot, terwijl in Duitsland deze sector minder belangrijk was. Vergeleken met huishoudens over

[p. 14]

de grens werden Nederlandse woningen goed verwarmd. Door het as van steenkolen produceerden Amsterdammers per hoofd meer afval dan Berlijners, maar minder dan de inwoners van Londen.5 Rond de eeuwwisseling, juist toen een grote mijnindustrie in Limburg werd opgebouwd, brak de toename in de energie-intensiteit af, een teken van een blijvend hogere produktiviteit bij het gebruik van energie. Na 1918 begonnen de uiteenlopende niveaus van landen te convergeren. Deels hing dit samen met een toenemende efficiëntie bij het omzetten in energie en het toenemend belang van secundaire energiebronnen, met name elektriciteit.

Tabel 1.1: Energieconsumptie (in giga Joules) per hoofd van de bevolking en per eenheid binnenlands produkt (in lopende prijzen en miljoen guldens) in Nederland, Duitsland, Frankrijk en België Tussen 1815 en 1913

Nederland Duitsland Frankrijk België
per per per per per per per
hoofd BBP hoofd BBP hoofd BBP hoofd
1815 16,4 86,9 24,4 - 14,3 120,8 -
1850 19,8 109,6 18,5 185,2 23,3 123,1 30,9
1855 20,5 95,2 22,3 174,5 27,1 112,4 40,7
1860 22,7 99,2 24,0 160,0 28,4 107,5 44,2
1865 26,8 114,9 30,6 199,7 29,4 113,3 52,3
1870 29,8 120,0 33,4 181,8 30,6 100,4 63,2
1875 30,7 105,6 38,5 152,6 34,2 101,9 64,8
1880 34,8 124,0 43,4 195,5 36,6 113,4 69,2
1885 34,5 132,9 49,6 208,6 37,5 119,4 71,4
1890 34,9 135,9 57,6 202,3 42,3 117,2 81,1
1895 35,3 145,3 61,1 212,0 42,8 126,2 77,7
1900 39,1 143,9 73,8 216,7 50,0 123,3 90,7
1905 39,7 139,1 75,9 198,7 48,9 120,2 92,3
1910 45,4 129,2 86,0 205,2 55,0 110,9 105,4
1913 53,4 133,5 96,1 207,2 60,4 100,9 105,5
Bron: Eigen schatting op basis van uiteenlopende bronnen  

Deels met een verschuiving in de aard van de technologische vooruitgang: van fysiek kapitaal gebruikend naar onzichtbaar kapitaal gebruikend. Een volledig bevredigende verklaring is er nog niet.6

De bereidheid steenkolen te gebruiken was, in de woorden van de befaamde historicus D. Landes, tekenend voor ‘a deeper rationality’.7 Steenkool betekende een vergroting van de pre-industriële energiebasis. Aan het begin van de industriële revolutie consumeerde een Engelse mijnwerker dagelijks een vijfde van wat een paard at en leverde ongeveer vier keer zo veel mechanische energie via de stoommachine, ook al had die een rendement van 1 procent.8 Zonder deze delfstof, zo lijkt het, geen energie-intensieve modernisering. Maar was steenkool gepredisponeerd uit te groeien tot dé energiebron van de moderne samenleving? Het is de vraag of gegeven de beschikbare voorraden en de calorische waarde, turf uiteindelijk de basis had kunnen vormen voor de industriële ontwikkeling van de negentiende eeuw. In theorie was echter een andersoortige industriële ontwikkeling denkbaar. Het was niet onmogelijk een stoommachine te stoken met turf. De stoommachines van Roentgens scheepsbouw- en machinebedrijf konden zowel steenkool als turf stoken. In zijn geval was turf een optie. De stoomketel van de eerste Nederlandse papiermachine werd met turf verhit. Dat de machinale papierfabriek van Van Gelder, Schouten & Co een mislukking was, had alles te maken met de aanwezigheid van een weldra goedkoper alternatief: steenkool. Toch kreeg in 1854 nog altijd een vijfde van de stoommachines zijn energie van turf.9 Turf was ook tot 1860 de belangrijkste fossiele energiebron in Nederland.

De technische ontwikkeling in de mijnen, veengebieden en olievelden bepaalde de relatieve prijzen van de energiebronnen en daarmee ook hun aantrekkelijkheid. Prijsgegevens zijn schaars. De beschikbare cijfers lijken een eenvoudig substitutieverhaal niet te ondersteunen. Tot in het midden van de negentiende eeuw nam de prijs van turf toe. In die tijd waren, rekening houdend met hun verbrandingswaarde, de kosten van turf en steenkool waarschijnlijk even hoog. Het lijkt alsof in de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw weer een marge ontstond tussen turf en de duurdere steenkool, maar niet voldoende om de geleidelijke vervanging van turf tegen te houden.

Concentratie op de winning van delfstoffen doet licht vergeten, dat voor veel consumenten de prijzen ter plekke op de veenderij of mijn niet bijzonder relevant waren. Voor de eindgebruikers betekenden veranderingen in het vervoer van de steenkolen vanaf de mijn meer dan veranderingen op of onder het mijnterrein zelf. Er kwam een nieuwe infrastructuur met nieuwe vervoermiddelen. De transportkosten daalden dramatisch. Al voor de transportrevolutie bestond een duidelijk geografisch patroon. In Noord-Holland was de consumptie van turf belangrijker dan steenkool, in Zuid-Holland was het andersom. De nieuwe transporttechnologie bevoordeelde vooral activiteiten en regio's die veel steenkolen consumeerden en stimuleerde zo indirect de mijnindustrie.10

Van de diverse vormen van delfstoffenwinning veranderde de steenkolenmijnbouw het meest. Een moderne steenkolenmijn zag er rond 1900 anders uit dan een nieuwe mijn in 1800. Dat is de reden waarom in dit hoofdstuk over de winning van delfstoffen uitsluitend de steenkolenindustrie aan de orde komt. De techniek van het aan snee brengen van turf was technisch eenvoudig en bleef eeuwenlang

[p. 15]

dezelfde. De belangrijkste veranderingen kwamen tegen het eind van de eeuw. Na 1880 ontstond de produktie van turfstrooisel: handig bij het verpakken van tomaten of als bedekking in de bloembollenvelden. Iets later verscheen in de Bijlmermeer de eerste Nederlandse stoomveentrekker en gingen in het hoogveen stoomlocomobielen turf winnen.

Omdat de techniek tot 1880 zo statisch was, blijft turf buiten beschouwing, ondanks het belang van deze ‘echt nationale brandstof’.11

De groep delfstoffen omvat meer dan steenkolen en turf. Het winnen en verwerken van klei geschiedde op grote schaal en is in Deel iii van dit overzichtswerk behandeld. IJzeroer werd lange tijd in het oosten van Nederland gewonnen, maar de laatste hoogoven die inheems ijzeroer verwerkte, doofde in 1890 zijn vuur. Het ijzeroer-graversbedrijf leidde daarna een marginaal bestaan. In Zuid-Limburg dolf men op kleine schaal mergel en vuursteen. De technische ontwikkeling was bij deze delfstoffen even statisch als bij turf.

Het grootschalig exploiteren van zand-, steen- of grintgroeven was iets van de twintigste eeuw. Het gebruik van kalksteen voor cement was op zijn best een vage belofte voor de toekomst. Een zoutindustrie kwam niet voor 1918 tot stand. Niet alleen bij zout waren initiatieven in Nederland een reactie op succesvolle exploratie aan de andere kant van de grens, vooral in Duitsland. Dat was tevens bij het boren naar steenkolen het geval en dat zou het later ook zijn bij het zoeken naar olie. Bij de ontwikkeling van het Noordduitse olieveld bij Wietze waren Nederlandse firma's betrokken en het succes van de Maatschappij tot Exploitatie van Oliebronnen in 1900 was de start van een boom aldaar. Kennis en kunde vergaard in Indië en interesse van kapitaalbezitters maakten olie een Nederlands specialisme buiten de landsgrenzen; exploratie, vooral boren in opdracht, was juist een Duits specialisme geworden, ook binnen Nederland.12

Steenkolenwinning aan de grens

Volgens een apocrief verhaal, geloofden nog na 1900 respectabele financiers niet, dat er in Nederland ontginbare steenkolenlagcn waren. De ongelovige Thomassen moesten naar Heerlen worden gehaald om ondergronds met hun eigen hand ‘de zwarte diamant’ aan te raken.13 De mijnstreek aan weerszijden van de grens was een nauw verweven geheel, het Wormgebied of de mijnstreek nabij Aken. Omstreeks 1900 verschoof het zwaartepunt aan de Nederlandse zijde naar Heerlen. De Domaniale mijn te Kerkrade lag toen exact op de grens van het Zuidlimburgse en het Akense mijngebied. Aan het eind van de Franse tijd onderzochten vier ondernemingen of steenkoolproduktie lonend zou

illustratie

Gezicht op de werkzaamheden in de turfveenderij te Drenthe, circa 1840. De verschillende fases in de turfwinning zijn hier afgebeeld. Allereerst zien we linksachter de veentrekker bezig met de turfwinning met behulp van een beugel. Nadat de natte turf over het veenland is verspreid en behoorlijk is uitgedroogd, wordt de massa door de turftrappers met treeborden tot vier à vijf keer toe vast aangetrapt. Daarna is het de beurt aan de turfsteker (rechts afgebeeld) en de opzetter die de afgestoken turven optast om ze verder te laten drogen.


zijn in het departement van de Nedermaas, min of meer de huidige provincie Limburg. Vier andere mijnondernemingen produceerden toen samen ruim 33.000 ton steenkolen per jaar. Daarvan kwam bijna 15.000 voor rekening van de Domaniale mijn en 13.000 voor de Neuprick. In het totaal is geen rekening gehouden met de mijn Bleierheide. De kolen gedolven in de concessie Bleierheide werden omhoog gebracht in mijnschachten in een concessie binnen het departement van de Roer, later Pruisen. De gezamenlijke produktie in beide concessies aan weerszijden van de departementsgrens was ruim 12.000 ton. De getallen zijn niet spectaculair. In Luik produceerden 140 mijnen meer dan 500.000 ton per jaar. Toch maakte de produktie in het later Nederlandse deel van de Wormstreek toentertijd eenderde uit van het ‘vaderlands’ gebruik.

Bij het grenstractaat van 1816 werd een deel van het steenkolenterrein overgedragen aan Pruisen. Het Nederlandse gebied omvatte nog de concessies Neuprick en Bleierheide en het exploitatieterrein van de Domaniale mijn. Binnen het Verenigd Koninkrijk was het Limburgse mijngebied goed voor twee van de 243 in 1819 getelde mijnen. Met de Belgische afscheiding veranderden de procentuele verhoudingen uiteraard dramatisch. Het vermoeden dat het steenkolenterrein zich uitstrekte tot ver in Limburg bestond al in de achttiende eeuw. Boorcampagnes leverden na 1850 het bewijs, maar de wetenschap dat zich daar steenkolen bevonden, had tot 1900 nauwelijks economische waarde.

[p. 16]



illustratie

Het Limburgse mijngebied vormde een geheel met de mijnstreek rond Aken. Oorspronkelijke waren er twee kernen: een strook aan weerszijden van het riviertje de Worm ten zuiden van Kerkrade en Herzogenrath en de Indestreek bij Eschweiler. De gebouwen van Domaniale mijn uit 1828 en later lagen pal aan de rijksgrens, maar het concessiegebied liep ondergronds door tot voorbij Herzogenrath. In de loop van de negentiende eeuw verschoven de grenzen van het mijngebied, eerst in noord-oostelijke richting (Alsdorf), later binnen Nederland in de richting van Heerlen. Deze kaart uit 1889 laat zien, dat de ‘nieuwe mijnstreek’ rond Geleen toen nog niet was ‘ontdekt’.
De kaart geeft een indruk van het spoorwegnet, dat vanuit Nederlands perspectief geenszins ideaal was. Het oudste was de lijn van Antwerpen via Aken en Eschweiler, Düren naar Keulen. ‘Aantrekking van steenkolentransporten’ was een doel van de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij. Behalve bij de Domaniale mijn, was deze geïnteresseerd in een deel van de lijn naar Herzogenrath en in de zijtak halverwege in oostelijke richting naar een Duitse mijn. De zijtak naar de Domaniale kwam er pas in 1871. Ook van de in 1889 nog niet gerealiseerde lijn van Sittard naar Heerlen en verder verwachtten sommigen vooral een verbetering van de conurrentiepositie van de Duitse mijnen bij Alsdorf
.


In de beschrijving van de technische ontwikkeling van de Nederlandse steenkolenmijnbouw zal vooral de Domaniale mijn centraal staan. De abdij Kloosterrade besloot in 1742 voor eigen rekening steenkolen te gaan delven en slaagde er in het noordwestelijk deel van het Wormgebied in handen te krijgen. In 1796 confisceerden de Fransen de mijnen en werden deze vervolgens voor rekening van de dienst der domeinen en later het Amortisatie Syndicaat geëxploiteerd. De overheid verpachtte de Domaniale mijn in 1846 aan de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. De meeste aandelen in de spoorwegmaatschappij waren spoedig in handen van Duitsers. Duitse mijnondernemingen hadden veel invloed op het bestuur en zo op de leiding van de Domaniale mijn. De verpachtingsvoorwaarden zorgden er echter voor, dat de Domaniale geen deel uitmaakte van de concentratiebeweging in het Wormgebied onder aegis van de Vereinigungs-Gesellschaft für Steinkohlenbergbau im Wurm-Revier. Deze onderneming verwierf wel de eigendom van de Neuprick, de tweede mijn in ontginning.

De eigendomsverhoudingen in de mijnen veranderden sterk; de mijnen in het Wormgebied liepen voorop bij zulke institutionele innovaties. De afzetmarkt was daarentegen uitermate statisch. Het produkt van de Franse mijnen aan de bovenloop van de Loire werd tot na 1850 afgezet in Parijs; het transport over deze afstand vergde zes tot acht maanden.14 De grens van de markt van de mijnen in de Wormstreek was in één, soms twee dagmarsen bereikt. Bij München-Gladbach en Venlo werden steenkolen uit het Ruhrgebied goedkoper. Naar het oosten strekte het afzetgebied zich uit van Aken tot Düren, maar gewoonlijk niet tot Keulen. Steenkolen uit Luik en omgeving overheersten in Maastricht en in de Maasvalei. Op geringe afstand was de concurrentie van andere mijngebieden merkbaar. In Rotterdam werd geen Limburgse brandstof verkocht. Daar concurreerden steenkolen afkomstig uit Luik, maar vooral uit het Ruhrgebied of Engeland. Het afzetgebied van mijnen in deze gebieden was zo veel groter, omdat hun afvoerwegen zo veel beter waren. Prijsverschillen loco mijn waren onbetekenend vergeleken met de vervoerskosten.

In de omgeving van Aken werden vroeg spoorwegen aangelegd en de spoorwegdichtheid was spoedig groot. Desondanks veranderde de komst van nieuwe vervoermiddelen weinig. Tekenend was het gedrag van de industrieel P. Regout. Met andere Maastrichtse industriëlen stak hij aanvankelijk veel energie in de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij, vooral vanwege de Domaniale mijn die deze zou gaan exploiteren. Nog maar kort geleden bevond Nederland zich in staat van oorlog met België. Nederlandse en Duitse steenkolen zouden de afhankelijkheid van dat land moeten verminderen. Toen de spoorweg klaar was had Regout geen belangstelling meer. Hij raakte al in het begin gebrouilleerd met de Maastrichtse directie en moest gedwongen worden om bij te storten op zijn aandelen. Het was echter ook spoedig evident, dat rationele consumenten in Maastricht hun steenkolen kochten bij de Luikse mijnen.

De aanleg van bestrate wegen of van spoorwegen leidde tot een tijdelijke in- of uitstulping van het afzetgebied. De grenzen van de afzetgebieden waren op lange termijn nagenoeg stabiel, omdat mijngebieden aan weg of spoor geen voor hen exclusief en blijvend concurrentievoordeel ontleenden. Aan het voordeel dat de mijnen bij Aken ontleenden aan de spoorwegverbinding met Keulen, kwam een einde toen de bruggen over de Rijn gereed waren en het geen moeite meer kostte vanuit het Ruhrgebied treinen naar de andere oever te sturen. De grens van het afzetgebied van de mijnen bij Aken kwam weer daar te liggen waar zij was toen steenkolen met

[p. 17]



illustratie

In 1824 liet Brixhe, Ingenieur van het Staatstoezicht op de Mijnen in het tweede district (Charleroi), de minister van Binnenlandse Zaken ontwerpen voor uniformen toekomen. In zijn betoog uitte Brixhe ook de gevoelens van zijn collega's. Onder zeer moeilijke omstandigheden moest hij orde scheppen. ‘Burgermans kledij leent zich volstrekt niet hiertoe en is vaak geen steun bij het herkennen van mijn autoriteit. Een uniform zou daarentegen elke moeilijkheid, elke neiging tot weerstand doen verdwijnen, want wij moeten omgaan met onwetend plebs, en ook de marechaussee, waarvan ik vaak gebruik maak en die in het algemeen weinig genegen is haar burgerlijke taak uit te breiden, zou met meer ijver mij bijstaan bij mijn werk.’ In Duitsland bestond sedert de achttiende eeuw een traditie met en detail voorgeschreven uniformen voor tal van functies van hoog tot laag in de ‘Bergstaat’. De directe aanleiding voor Brixhe's brief was de officiële vaststelling enige maanden eerder van het uniform voor waterstaatsingenieurs, terwijl deze toch een ‘eenvoudiger, beter voorspelbare en meer regelmatige taak’ hadden dan de mijningenieurs.


[p. 18]

paard en wagen werden vervoerd: bij Düren. Hierin kwam verandering toen in de laatste decennia van de eeuw de prijzen in belangrijke mijnbouwgebieden structureel omhoog gingen. Bovendien zorgden de opkomst van nieuwe markten en andere geografische verschuivingen voor nieuwe verhoudingen tussen de mijnstreken.

De markt van de Kerkraadse mijnen was het noordwestelijk segment van het gebied aangegeven voor de mijnen nabij de Worm. Vanwege de goede wegverbindingen was in de achttiende eeuw een aanzienlijk deel van de steenkolen afgezet in Aken en naar het noorden in het land van Gülick (Jülich) en in de omgeving van Roermond. Direct na de Franse tijd ging ongeveer een derde van de Limburgse produktie naar Pruisen. De Duitse markt viel in de loop van 1820 weg. De ijdele hoop om in de richting van België hiervoor compensatie te vinden vervloog in 1830.

Toen de Europese staten geleidelijk overstapten op een vrijhandelsregime, bleef de nationale grens als barrière fungeren door afspraken tussen de ondernemingen in de streek. Vergeleken met de mijnen aan de andere kant van de grens, profiteerde de Domaniale dan ook weinig van de tijdelijk betere afzetkansen in Pruisen na 1850. De grens met het afzetgebied van de Luikse mijnen was nauwelijks in beweging te krijgen; door de spoorweg verschoof

illustratie

GRAFIEK 1.1: DE PRODUKTIE VAN DE DOMANIALE MIJN TUSSEN 1800 EN 1910


die enkele kilometers, van Valkenburg naar Meerssen, maar in Maastricht bleef de concurrentie dominant.

Grafiek 1.1 laat zien, dat na 1880 de produktie van de Domaniale begon te groeien. De markt van de mijnen in het Wormgebied gezamenlijk werd geografisch veel groter in die jaren. Steenkolen gingen naar Keulen, verder dan voorheen in de richting van het Ruhrgebied en naar Midden-Nederland, maar vooral naar België en Oost-Frankrijk en vervolgens naar Zuid-Duitsland, een groeimarkt waar men van hout overstapte op steenkolen. Voor de Domaniale werden evenzo de afzetmogelijkheden in Duitsland beter. In 1884 ging 43 procent van de verkochte steenkolen daarheen.

Met een aandeel van negen procent in de totale produktie, behoorde de mijnstreek bij Aken tot de grote mijnbouwgebieden in Napoleons Frankrijk. Veel kleiner dan Henegouwen, maar niet al te ver achter Luik en ruim vier maal groter dan het Saargebied. De groei van de mijnen rond Aken, inclusief de Nederlandse, bleef ver achter bij die elders. Rond 1860 was bijvoorbeeld het Saargebied ruim driemaal zo belangrijk. Het Ruhrgebied stond toen nog aan het begin van zijn stormachtige ontwikkeling. Het aandeel van de Akense mijnen in de Duitse produktie liep dan ook terug tot twee procent tegen het eind van de eeuw. Het percentage

[p. 19]



illustratie

De toegang tot een mergelgroeve in de Pietersberg bij Maastricht, gefotografeerd rond 1910. Rond 1880 was de winning en het vervoer van kalksteen een bedrijf waarmee zich bijvoorbeeld boeren tijdens de winter bezig hielden. Het blokbreken ontwikkelde zich vervolgens tot een echte nijverheid, maar bleef kleinschalig. In 1905 werkten in 8 bedrijven gemiddeld 21 personen gedurende 208 dagen per jaar. In de steenkolenmijnbouw vormden vertikale schachten de toegang tot het ondergrondse bedrijf; bij de mergelwinning horizontale of schuine gangen. Winning met schachtjes was in deze sector kenmerkend voor primitieve exploitatie; bijvoorbeeld was bij het maken van een waterput iemand op mergel gestuit.


zou slechts weinig hoger zijn als de produktie binnen Nederland hierbij werd opgeteld. Het relatief achterblijven hing deels samen met de aard van de ontgonnen steenkolen. Gasarme steenkolen, antraciet, vormden een aanzienlijk deel van de produktie. De Domaniale was bij uitstek een magere steenkoolmijn. Antraciet was bovenal huisbrand, maar werd ook gebruikt in bierbrouwerijen, bij het bakken van stenen en had in de zinkindustrie bijzondere voordelen. De sterkste groei in de consumptie van steenkolen had echter plaats in bedrijfstakken en in de transportsector, die vette, gasrijke steenkolen verbruikten.

Een kleine en relatief kleiner wordende markt betekende niet, dat de mijnen in economisch of technisch opzicht slecht werden geleid of als bedrijf onbeduidend waren. De Domaniale was een grote mijn. Het aantal arbeidskrachten varieerde sterk. Het bedroeg in 1795 346 arbeiders, in 1812 281, in 1819 509 en in 1826 98 arbeiders. In Engeland werkten rond 1800 tachtig tot honderd personen op en in een doorsnee mijn. Op dat tijdstip was in het Ruhrgebied het gemiddelde tien arbeiders, veertig in 1840 en 100 in 1860. Daarna veranderden de verhoudingen. Het gemiddelde van 390 per ‘Schachtanlage’ in 1880 lag ruim boven het aantal arbeiders in dienst van de Domaniale: 190.15

De geografisch beperkte omvang van de markt maakte mijnexploitanten in de Wormstreek voortdurend bang voor overproduktie. De mijnen bevonden zich niet op de produktiemogelijkheden curve, maar er binnen. De ‘theoretische’ capaciteit van de Domaniale mijn lag aanzienlijk boven de feitelijke produktie. Met behulp van moderne technologie achtten Luikse experts het in 1822 mogelijk per dag 150 ton steenkolen naar boven te brengen. Met dit tonnage zou de onderneming binnen Engeland zijn ingedeeld in de categorie grote mijnen. De theoretische produktie was ruim het dubbele van de feitelijke. Het investeringsprogramma werd uitgevoerd, maar de bij de nieuwe techniek horende capaciteit werd niet gehaald. De norm van 150 ton gold nog altijd als de ‘normale’ capaciteit toen de overheid in 1846 het particulier initiatief deze mijn liet exploiteren. De werkelijke produktie was toen minder dan een derde van de norm. Door kleine veranderingen nam de theoretische capaciteit toe. Ingefluisterd door mijndirecteur Egon van der Elst vermeldde Staring in 1860, dat zonder vergroting van de stoommachines de produktie tot het viervoudige kon worden opgevoerd, het dubbele van de norm van 1822.16 Pas enkele jaren voor 1890 werd het plafond van 1822 definitief doorbroken.

[p. 20]

‘Vive Davy! honneur à Davy!’

Geen enkele beschrijving van de technische geschiedenis van de mijnbouw is gelijk. Er is geen communis opinio wat het meest belangrijke was. Vele hooggestemde plannen, die via de vakbladen techniekhistorische handboeken haalden, hadden voor het bedrijf van alledag geen enkel belang. De feitelijke technische ontwikkeling was divers; tal van bescheiden apparaten of weinig spectaculaire veranderingen maakten mijnbouw modern. Juist omdat modernisering vooral bestond uit kleine vindingen is beperking geboden en is enige willekeur onvermijdelijk. Ik heb gekozen voor de introductie van de Davy-lamp, een veiligheidslamp, die illustratief is voor het innovatieproces in de mijnbouw. Andere innovaties heb ik elders behandeld.17

De Davy-lamp was rond 1880 een zinnebeeld van moderne mijnarbeid. Nog onlangs karakteriseerde een historicus de veiligheidslamp als een van de twee echte innovaties in de geschiedenis van de moderne steenkolenmijnbouw.18 Het psychologische belang van licht kan in de mijnbouw niet worden overschat. Het ondergrondse bedrijf was aardedonker en voortdurend waren gekraak, geritsel, gesis of doffe dreunen te horen. De Davy-lamp bracht licht in de duisternis tijdens de Engelse industriële revolutie. Deze innovatie werd vooral een symbool, omdat de lamp menslievende vooruitgang representeerde. De sage die vertelt hoe een actiegroep van Engelse dominees en ondernemers de meest vooraanstaande geleerde van die tijd benaderde, Sir Humphry Davy, en hoe hij verbluffend snel een veiligheidslamp ontwikkelde, begin 1816 liet testen en als een ware weldoener afzag van octrooi en geldelijk gewin, moest wel tot de verbeelding spreken.

De werkelijke geschiedenis kwam niet geheel overeen met het populaire verhaal. Geluk, maar vooral goede public relations, de titel Sir en de status als officiële wetenschapper zorgden ervoor, dat Davy's naam werd verbonden aan de veiligheidslamp en niet die van George Stephenson. Deze kwam maximaal drie weken na Davy met zijn lamp, die weliswaar veiliger was, maar half zo lichtsterk en ook duurder. Belangrijker is dat de verspreiding anders verliep dan men zou verwachten bij een goedkoop instrument, dat gasexplosies kon voorkomen, waarbij zelfs de lucht in de longen vlam kon vatten. Aan de hand van de geschiedenis van de Davy-lamp kan daarom goed geïllustreerd worden hoe diverse groepen van betrokkenen de technische ontwikkeling beïnvloedden. Daarbij waren niet alleen uitvinders, fabrikanten of arbeiders van belang, maar ook de overheid en haar representanten ter plaatse.

In Pruisen en vervolgens in Frankrijk raakte de overheid na 1750 er van overtuigd, dat zij bij de mijnbouw een sterk regulerende rol diende te spelen. In deze industrie was de verleiding groot problemen af te wentelen, bijvoorbeeld andere mijnexploitanten de kosten te laten dragen van het verwijderen van mijnwater. Dat de overheid algemene regels stelde om de veiligheid te bevorderen was niet uitzonderlijk. Uitzonderlijk voor deze bedrijfstak was, dat de staat produktie als een nationaal belang zag. Delfstoffen dienden daadwerkelijk te worden ontgonnen en bij de winning dienden verspilling en roofbouw te worden voorkomen. Het opstellen van ontginningsplannen, waaraan ondernemers zich individueel hadden te houden, was een middel om de kans op externe effecten bij voorbaat te beperken en achteraf het aansprakelijk stellen te vergemakkelijken. Daarenboven konden zulke plannen worden gebruikt om de technische vooruitgang te bespoedigen.

Tijdens de Franse tijd lieten de vertegenwoordigers van het staatstoezicht zich in Limburg nauwelijks zien. De overheid concentreerde zich op het administratief vastleggen van de eigendomsverhoudingen. Zo bepaalde zij welke van de sociëteiten van mijnwerkers (verenigingen van eigenaren) gerechtigd waren steenkolen te ontginnen. De overheid had een voorkeur voor kapitaalkrachtige ondernemers. Door bijvoorbeeld te eisen, dat mijnen zelf een afwateringskanaal moesten hebben en dat huren van capaciteit bij andermans afwateringskanalen niet acceptabel was, stuurden de autoriteiten de ontwikkeling. Frequent toezicht werd pas mogelijk met de Mijnwet van 1810 en de betere organisatie van het Staatstoezicht op de Mijnen.

In het Wormgebied was het effect pas merkbaar onmiddellijk nadat de Fransen de aftocht hadden geblazen. In 1816 begaf Chevremont, ‘ingénieur special’ en ‘controleur’ van het Nederlandse Staatstoezicht op de Mijnen, zich met een zwaar gemoed, financiële zorgen en twijfels over zijn verstaanbaarheid naar Limburg.19 De achternaam alleen al suggereerde in Kerkrade het soort verandering waar men niet echt op zat te wachten. Een deel van de gemeente heette sedert de zeventiende eeuw Chevremont, naar het Waalse dorp waarvan de mijnwerkers, die ondernemers bij wijze van innovatie hadden aangetrokken, afkomstig waren. Chevremont vertegenwoordigde een overheidsdienst die vergaande ambities had. Dit gold ook voor de collega's van het Duitse staatstoezicht. Enkele maanden voordat Chevremont arriveerde was de mijnondernemers in de buurt de komst van Pruisische ambtenaren koud op het lijf gevallen. Het was niet meer zoals onder de keizer: ‘wie sie arbeiteten, wie sie wirtschafteten, darin waren sie so frei wie jeder Hausvater’.20 Nu verschenen overheidsdienaren op het mijnterrein, die vertelden dat alles anders moest. De ambtenaren van het staatstoezicht waren bijna

[p. 21]



illustratie

Voor de Davy-lamp waren in de mijnbouw allerlei meer of minder open olielampen in gebruik, zoals de afgebeelde ijzeren ‘Frosch’. Melhaan kon bij de winning van steenkool vrijkomen en was vermengd met lucht explosief, als er aanstekers in de nabijheid waren, zoals open lampen. Bij concentraties boven 15 procent ontplofte mijngas niet meer, maar verbrandde met grote hitte. Davy-lampen zorgden voor grotere veiligheid, maar de lichtsterkte van de eerste modellen was ⅕ van een ‘normaal’ kaars en tijdens de werktijd liep de lichtsterkte nog met de helft terug. De veiligheidslamp werd vooral gebruikt als men wist dat ontploffingsrisico's hoog waren. Naar schatting gebruikten rond 1850 2 op de 3 Duitse mijnwerkers ‘traditionele’ lampen. Rekenen we hierbij ook de onveilig gemaakte Davy-lampen, dan was op de Domaniale mijn het aandeel nog groter.


onmiddellijk op de hoogte van het bestaan van de lamp van Davy. Reeds in de zomer van 1816 introduceerde Delpaire, een Mijningenieur aan het begin van zijn carrière, de lamp in een Luikse mijn. In 1818 experimenteerde Chevremont ermee bij Kerkrade. Erg geschikt was de omgeving niet. De steenkolen bevatten weinig ‘knal-lucht’. De meeste mijnen in de regio, het Wormgebied, waren gasarm. Toch kon een proef worden georganiseerd. Samen met de meester-mijnwerker van de Domaniale en diens collega's van andere Nederlandse en Pruisische mijnondernemingen daalde Chevremont af in een Duitse schacht. In een proefpijler bewoog de ingenieur de Davy-lamp hevig, maar er gebeurde niets. Een open olielamp, merkwaardigerwijs ‘Frosch’, kikker, genoemd, werd erbij gehaald en aangestoken. Direct volgde een ontploffing, zo krachtig dat Chevremont omver werd geblazen. Gelukkig, zo rapporteerde hij, raakte de steekvlam hem niet. ‘Toen riepen de aanwezige mijnwerkers met enthousiasme uit: Vive Davy, Honneur à Davy!’ Allen beloofden plechtig voortaan uitsluitend de veiligheidslamp te gebruiken.21

Het propageren van de lamp zo kort na Davy's uitvinding is opvallend. Kerkrade was een uithoek. Bovendien wonnen de mijnwerkers er uitsluitend

illustratie

Het principe van de Davy-lamp was, dat aan de ene kant van een metalen gaas methaan kon ontvlammen en verbranden. Het gaas kon echter enige tijd de hitte zo goed afvoeren, dat aan de andere kant het mijngas niet op een temperatuur werd gebracht dat het ontvlamde. De licht- en hittebron moest dus worden ingepakt in een korf van gaas. Omdat de vlam onder invloed van gas toenam in grootte en helderheid fungeerde de Davy-lamp als waarschuwingsinstrument voordat de situatie kritiek was. De functie van de lamp was het opsporen van mijngas. Vooral ventilatie diende te zorgen voor het verwijderen ervan. Wind kon echter de vlam tegen het gaas blazen of er doorheen, waardoor alsnog explosies ontstonden. Vandaar dat de Korf bij de vlam werd omhuld met veiligheidsglas. Niet alleen technische, maar ook sociale problemen lokten innovaties uit. Zo ontwikkelde in 1823 ingenieur Chevremont een konische vorm in plaats van een cilinder, omdat de korf zo beter was schoon te maken, Dat was toen een taak van de mijnwerkers zelf. Hij zorgde er ook voor dat een draad nagloeide, zodat als de lamp uitging door veel gas, mijnwerkers niet in volslagen duisternis een goed heenkomen moesten zoeken.


antraciet, een veilige soort steenkool. De werkelijkheid was banaal.22 Het experiment was een instrument bij de carrièreplanning. Toen Chevremont het mijngas liet ontploffen, wist hij dat zijn frustrerend verblijf in Limburg er op zat. Hij had promotie gemaakt en binnen enkele weken zou hij het district Bergen (Mons) van het staatstoezicht onder zijn hoede nemen. Zijn rapport was dan ook bedoeld om indruk op het ministerie te 's-Gravenhage te maken en deed dat ook. Inspiratie had Chevremont aan de andere kant van de grens opgedaan. Hij

[p. 22]



illustratie

De spil van het afwateringsysteem van de Domaniale vastgelegd in 1822. De Franse revolutie betekende een breuk met de laatste ontginningsstrategie van de abdij, daterend van omstreeks 1775. De dienst der domeinen koos voor een minder kapitaalintensieve vorm van steenkolenwinning. In plaats van twee waterraderen werd in 1805 een door een rosmolen bewogen pomp de spil van het afwateringssysteem. In plaats van schachten op het laagste punt in het steenkolenterrein, eindpunten van op 125 meter diepte gelegen afwateringskanalen, kwam op het hoogste punt een pompschacht van 125 meter. Het water werd niet helemaal naar boven gebracht, maar op 55 meter van de oppervlakte geloosd in een al omstreeks 1750 aangelegd en regelmatig verlengd oud afwateringskanaal. De rosmolen bleef tot het eind van de jaren 1820 in gebruik.


noemde het niet in zijn rapport, maar zijn collega's van het Pruisische ‘Bergamt’ hadden eind januari 1818 de Davy-lamp voorgeschreven.

Op instructie van de minister, voerde Chevremonts collega in Luik vergelijkbare aanschouwelijke experimenten uit in 1821. Uitgerekend de beste, meest moderne mijnexploitanten in dit gasrijk gebied vonden dat de lamp meer nadelen dan voordelen had. De mijnwerkers dreigden met een staking. In Bergen had Davy hoogst persoonlijk de lamp gedemonstreerd voor de Kamer van Koophandel. Het landelijk hoofd van het Staatstoezicht was in 1821 niet ontevreden over de verspreiding van de lamp in wat toen Chevremonts district was, terwijl daar toch slechts één steenkolenlaag veel mijngas bevatte. De snelheid van verspreiding had dus weinig te maken met de mate van onveiligheid. Het was sneu, dat juist een explosie in zijn gebied drie jaar later de aanleiding moest zijn een landelijke regeling te ontwerpen, die de lamp verplicht stelde in gasrijke mijnen.

In Chevremonts oude werkterrein was intussen niets terecht gekomen van de belofte van de meester-mijnwerkers uit 1818. De moeizame verspreiding van zo'n evident ‘goede’ uitvinding als de veiligheidslamp lijkt een illustratie van in de literatuur herhaaldelijk gesignaleerde kenmerken van de mijnbouw. De ondernemers waren stuitend conservatief. De overheid moest hen met zachte en soms met harde hand dwingen tot vernieuwingen. De arbeiders waren onwillig zelfs als zij er beter van werden. De Franse prefect in Maastricht vergeleek de psyche van de Limburger met die van exotische nomaden. ‘De mijnwerker lijkt op de Lap, die niets mooier in de wereld vindt dan zijn hut in zijn streek bedekt met ijs’.23 De continuïteit van de klachten van tijdgenoten met technische aspiraties over de ‘enorme macht van de gewoonte’ signaleren dat er meer aan de hand was. Het deed er overigens weinig toe of zij mijnondernemers en mijnwerkers in Limburg, Luik of het Ruhrgebied voor ogen hadden.

Volgens J. Mokyr had de industriële revolutie allereerst in Engeland plaats, omdat daar de overheid personen die innoveerden weinig in de weg legde, terwijl het hen elders moeilijk werd gemaakt.24 In de mijnbouw op het continent poogde de overheid innovaties te stimuleren. Het staatstoezicht probeerde technische vooruitgang af te dwingen.

Wellicht had dit te maken met de precaire positie van de dienst. Na het vertrek van de Fransen moest het Staatstoezicht op de Mijnen in Nederland (en België) weer worden opgebouwd; er was één ingenieur van het keizerlijk corps achtergebleven. Daarentegen waren er altijd wel personen die stelden, dat het ‘niet-liberale principe’, de vergaande bemoeienis van de overheid, niet in overeenstemming was met de vrijheid van de ondernemer. De Ingenieurs en de Conducteurs, de lagere ambtenaren van het Mijnwezen, benadrukten, dat zij essentieel waren bij het herscheppen van de industrie overeenkomstig de laatste stand van de techniek en ontginningswijzen. In hun ogen waren ondernemers vooral verantwoordelijk voor het materieel, zij moesten voor de nodige financiën zorgen. De Nederlandse overheid liet hen bij de prijsstelling verder vrij, een handelingsruimte die de mijnexploitanten in het Pruisische Ruhrgebied ontbeerden. Terwijl het Nederlandse staatstoezicht zich vooral concentreerde op de techniek in brede zin, bemoeide het Duitse zich meer met de sociale verhoudingen binnen de bedrijven en met de arbeidsmarkt.

Het Pruisische toezicht met zijn ‘Direktionsprinzip’ gold als autoritair, totdat de liberale mijnwet van 1865 daaraan een eind maakte. Het Nederlandse toezicht deed daar niet voor onder. Conducteur Faschamps bood de directie en leidende mijnwerkers van de Domaniale ‘in vollen ijver slagen ... aan’. Deze assistent van Mijningenieur Vincken joeg de ondermeester-mijnwerker ‘door zijne verschmadelijkste woorden zoo in schreck .. dat hij zoo bleek als een lijk er af is geweest’. Dezelfde Faschamps controleerde wel op een heel drastische wijze de administratie. Aan het eind van de dienst sloot hij het luik boven op de schacht af. Hij liet de mijnwerkers van drie uur 's middags tot zeven uur wachten, om

[p. 23]

hen vervolgens één voor één naar buiten te laten en te vragen naar werktijden en verdiensten. Het was een wonder, zo klaagde de directeur van de mijn, dat de ladders niet waren bezweken onder het gewicht van de mensenmassa.

De agressie van de ambtenaren van het staatstoezicht was een teken van frustratie bij juist aangestelde ambtenaren over hun opponenten, een lokale elite van gerontocraten. In de Franse tijd was een astmatische bejaarde jarenlang directeur van de Domaniale mijn. Nu was dit vooral een administratieve, commerciële functie, maar de technische leiding bestond evenmin uit mensen in de bloei van hun leven. Vincken en Faschamps hadden te maken met een technisch directeur van 72 jaar oud, die op zijn 66e de benoeming had aanvaard op conditie dat zijn zoon hem kon helpen. Deze Schümmer was slechts vrijdags op de mijn aanwezig. Nog sterker werd in de correspondentie met Den Haag benadrukt dat hij in Pruisen woonde. Schümmer had bij andere mijnen een vergelijkbare functie, bezat aandelen in sociëteiten en werd vaak ingeschakeld als expert.

Meester-mijnwerkers, het lagere echelon, werkten om dezelfde reden vaak part-time. Het werken in deeltijd was niet de ware steen des aanstoots. Toen Chevremont in Kerkrade was gestationeerd, was hij even vaak afwezig als aanwezig. Later achtte hij zich in staat toezicht uit te kunnen oefenen vanuit Bergen; een bezoek per maand was voldoende. Het grootste probleem was, dat een plaatselijke elite van oudsher de hogere functies bij de regionale mijnen bezette. De bejaarde functionarissen waren daarvan de zichtbare uiting.

De ingenieurs van het staatstoezicht waren op een enkele uitzondering na buitenstaanders, die letterlijk niet verstaanbaar waren. Een hoge ambtenaar rapporteerde, dat de 72 jaar oude technisch directeur in de regio doorging voor een zeer bekwaam mijnwerker. Maar het kon zijn, dat hij het niet goed begrepen had. Zijn mening was het resultaat van gesprekken, die hij eigenlijk niet had verstaan, hoewel hij toch Frans, Duits en Vlaams beheerste en zich in het Hollands verstaanbaar kon maken. De verhoudingen tussen leidinggevenden en aandeelhouders in de diverse mijnwerkerssociëteiten waren voor vreemden weinig inzichtelijk. Groepen overlapten elkaar, hadden belangen in meerdere mijnen, werkten soms samen of bevochten elkaar. Weliswaar was het eigendom bij de Domaniale geconcentreerd, eerst bij de abdij, later bij de overheid, maar de uitvoering was een plaatselijke zaak. Waarschijnlijk waren de conflicten er intenser, omdat het staatstoezicht van de overheidsmijn een modelbedrijf wilde maken, terwijl men naast de plaatselijke elite ook had te maken met de Dienst der Domeinen, een overheidsorgaan met eigen belangen en opvattingen. In zulke omstandigheden werden buitenstaanders gemakkelijk paranoïde. Zij ontwaarden alom complotten en het was moeilijk lokaal bondgenoten te vinden. Chevremont recruteerde magazijnbediende Vincken, in zijn ogen een ijverig man met de juiste geestesgesteldheid en vol ijver. Deze Vincken deelde in Kerkrade Chevremonts frustraties, vertrok spoedig na hem om elders binnen het staatstoezicht carrière te maken. Als Mijningenieur verantwoordelijk voor onder meer Limburg kwam hij na 1820 terug en zag de geschiedenis zich herhalen: ‘Mijn goede zorgen hebben geen resultaat gehad. Men doet bijna altijd het tegenovergestelde van wat ik opdraag ...’.25. In de optiek van de Mijningenieurs diende de macht van de plaatselijke elite en mijnwerkers te worden gebroken door mensen zonder banden met de provincie aan te trekken. Echo's daarvan weerklonken tot in de twintigste eeuw. In een rapport uit 1930 kan men pleidooien lezen voor leidinggevenden ‘technisch goed onderlegd ... met eenig theoretisch fond en op geen enkele manier verbonden met de Kerkraadse arbeiderswereld.’26.

De ervaringen van Chevremont of van Vincken waren geen incident. Dezelfde cyclus van problemen herhaalde zich op de Domaniale mijn een aantal malen op identieke wijze. De mijn was niet uitzonderlijk. Ook elders stuurden ambtenaren meester-mijnwerkers weg of dwong het Nederlandse staatstoezicht eigenaren een geschoold directeur in dienst te nemen die het vertrouwen van de dienst genoot. Met vergelijkbare problemen werden ook de Periers - in hun tijd de machtigste bankiers-ondernemers in Frankrijk -, geconfronteerd, toen zij van buiten af de mijnen van Anzin bij Valenciennes wilden moderniseren.27. Een kenmerk van plaatsen gedomineerd door mijnarbeid was de massieve geslotenheid van de plaatselijke samenleving.

De fricties signaleerden echter ook de inbreuk op vertrouwde ontginningswijzen door de nieuwe visies en strategieën verwekt door de stoommachinetechnologie. De technische ontwikkeling was niet eenduidig en creëerde daarom onzekerheid. Zo was ook de trage diffusie van de Davy-lamp niet louter het resultaat van een irrationele mentaliteit. Reeds in het begin van de negentiende eeuw kon men in Engeland en op het continent horen, dat de veiligheidslamp in feite de onveiligheid vergrootte. Ondernemers zouden lagen laten winnen, waarvan men zich vroeger verre had gehouden.28. In het Wormgebied met zijn gasarme steenkolenlagen was hiervan geen sprake. De lamp was daar weinig populair vanwege de geringe lichtsterkte. Bij gebruik werd die nog minder, omdat stof zich gemakkelijk aan het gaas rond de vlam hechtte. Kortom, de veiligheidslamp bracht minder licht in de duisternis dan de ‘Frosch’, de traditionele lamp. Meer tijd ging verloren aan schoonmaken en omdat houwers

[p. 24]



illustratie

Voor het eerst waren de mogelijkheden van een stoompomp op de (later) Domaniale mijn bekeken in 1774. Uit experimenten leidde men af, dat magere steenkolen niet geschikt waren. Omstreeks 1810 wist men dat dit niet een echte handicap was, hoewel alleen in de regio Aken in de negentiende eeuw stoommachines massaal op deze soort steenkolen draaiden. De eerste stoommachine op een (later) Nederlandse mijn werd in 1812 geïnstalleerd, maar de exploitanten pan de Bleyerheide gaven spoedig de steenkolenwinning op. Op de Domaniale mijn was er telkens weer uitstel. Pas in 1826 werd besloten tot een ingrijpende modernisering, met als kern de aanleg van een bijzonder diepe schacht en de aanschaf van een grote stoommachine. De levering van de machine werd door het Amortisatie Syndicaat aan de laagste inschrijver, Tassin, gegund, hoewel de minister van Binnenlandse Zaken bezwaar had tegen de geringere ‘netheid of liever uitwendige sierlijkheid’ van zijn machines.
Uiteindelijk trok toch nog Cockerill aan het langste eind. Met de stoommachine en bouw van schoorstenen en ketelhuis kreeg de mijn het moderne uiterlijk, dat in 1830 werd vastgelegd. Prominent was boven de toegangspoort het koninklijk wapen aangebracht. Ondanks het aandeel van 50 procent van de staat in zijn bedrijf en de ‘zwakke zenuwen’ van de overbelaste John Cockerill, werd deze in 1826 gedwongen een soortgelijk wapen te verwijderen, dat hij zonder toestemming had aangebracht. Alleen bedrijven volledig in handen van de overheid mochten de koninklijke leeuw voeren
.


in accoord werkten betekende dat minder loon.

De nadelen van de veiligheidslampen zelfwaren te reduceren door technische verbeteringen, investeringen of afwenteling. Er kwamen nieuwe veiligheidslampen die meer licht gaven. In diverse landen ging in de ontwikkeling hiervan veel werk zitten van de nationale diensten van staatstoezicht, maar het loonde. ‘Le plus beau titre de gloire des ingénieurs liégeois’ zei men van de lamp die Mijningenieur Mueseler in 1840 uitvond.29. De directie van de Domaniale liet in 1835 een lampenkamer bouwen, waar de dagelijkse reiniging en controle werden gecentraliseerd. De Pruisische mijnen waren toen reeds een decennium hiertoe verplicht. Intensieve controle ondergronds was moeilijk en vergde kosten die bedrijven liever niet maakten. De eigendomsverhoudingen creëerden hun eigen problemen. In mijnen waar de lampen eigendom waren van de mijnwerkers zelf- wat overigens niet zo was op de Domaniale - was het gebrek aan reservelampen een endemisch probleem. Bovendien gingen houwers ervan uit, dat hun handlangers, de slepers, voor licht zorgden.

Innovaties moesten een lange weg van aanpassingen doorlopen voordat zij waren geaccepteerd. Omdat de onzekerheid over technische vernieuwingen groot was, technische veranderingen sociale vernieuwingen vergden en tegelijk economisch succes niet was gegarandeerd, was voor het midden van de negentiende eeuw de spanning niet altijd te dragen. Zijn werk maakte Vincken uiteindelijk krankzinnig en hij pleegde in 1830 zelfmoord. Enkele jaren eerder was hij naast zijn functie als Mijningenieur kort directeur geweest van de Domaniale. Zijn benoeming betekende, dat de scheiding tussen technisch en commercieel beheer werd opgeheven en de ingenieurs van het staatstoezicht eindelijk aan hun modelmijn konden gaan werken. Vincken legde spoedig de directeursfunctie neer, maar deze positie werd toegewezen aan een vertrouwd iemand, zijn Conducteur, de Belg Pairou. Deze voerde de Davy-lamp na 1826 in en claimde enkele jaren later dat de lamp deel uitmaakte van de standaarduitrusting van de mijnwerker.

Pairou betreurde spoedig, dat hij op eigen initiatief de Davy-lamp had ingevoerd. Nu merkte hij zelf wat het was overgeleverd te zijn aan een ingenieur van het staatstoezicht. Deze vreesde dat het gemakkelijker was arbeiders te ontwennen dan te wennen aan zo'n effectief veiligheidsmiddel. Wat was het geval? Door een zomerse hittegolf functioneerde het ‘natuurlijke’ systeem van ventilatie ondergronds nauwelijks. Begin augustus 1830 doofden de lampen al tien meter onder de mond van de schacht. Verlichting met veiligheidslampen stelde dus ook minimale eisen aan het ventilatiesysteem. Met een stoommachine kon men garanderen dat de buitentemperatuur geen invloed had op de luchtcirculatie ondergronds. Waren echter dergelijke uitgaven verantwoord voor uitzonderlijke perioden? De veiligheidslamp zelf was al zo'n instrument voor bijzondere omstandigheden, maar bij hitte zorgde dit instrument er voor dat het werk stil kwam te liggen. Voor de directeur was dit meer dan genoeg reden om te pleiten voor het weer invoeren van de traditionele lampen, temeer omdat hij nu ook wel wilde toegeven, dat de ‘Frosch’ de veiligheid niet echt in gevaar bracht. Integendeel, misschien bevorderde de open lamp deze wel in de dikke steenkolenlaag die mijnwerkers net ontgonnen. Het dak en loszittend gesteente waren niet goed te zien met de veiligheidslamp.

Ook in Kerkrade duren hittegolven zelden langer dan een dag of tien. Er waren bijkomende omstandigheden die de gemoederen bleven verhitten en de onaangename briefwisseling gaande hielden. Op de tweede Limburgse mijn, de Neuprick, waren veiligheidslampen niet in gebruik; mogelijk waren zij nog niet standaard in de naburige Pruisische mijnen. Uiteenlopende concurrentieverhoudingen waren

[p. 25]



illustratie

Gezicht op de mijn Teut in 1780. Deze voor rekening van de stad Aken geëxploiteerde mijn gold in de Wormstreek als een modelmijn. De door de abdij in 1774 en volgende jaren aangelegde diepe pompschachten waren een eenvoudiger uitvoering van het voorbeeld.
Centraal stonden ook daar de waterraderen, die door transmissiestangen de pomp in de schacht in beweging brachten. De mijnen hadden echter geen oven en schoorsteen; men vertrouwde op ‘natuurlijke’ ventilatie. Rechts is de omheinde voorraadhoop getekend met, nauwelijks zichtbaar, de karren die op hun vracht wachtten.
Voorraden waren toentertijd regelmatig gigantisch. De prent geeft goed het agrarische karakter van de mijnbouw weer. Tot ver in de negentiende eeuw was dit kenmerkend voor de meeste mijnen
.


een doorn in het oog van een mijndirecteur. Pairou meende dat goede mijnwerkers de Domaniale verlieten vanwege de veiligheidslamp. De ingenieur van het staatstoezicht gaf geen krimp: ‘voor de veiligheid van de arbeiders ..., moet volgens mij alles wijken wat te maken heeft met geldelijke belangen’.30. Hij trok voorlopig aan het langste eind. Het seizoen bracht andere zorgen. Zeven- à achthonderd booswichten uit Verviers en mijnwerkers uit Herve, de streek juist ten zuiden van Limburg, brandschatten wat boerderijen en brachten de Belgische afscheiding nabij.

Het zou opmerkelijk zijn geweest als de mijnwerkers met massale acties de technische ontwikkeling hadden beïnvloed. Gedurende de eerste decennia van de eeuw trokken zij van tijd tot tijd massaal op naar de plaatselijke autoriteiten om hun ellende te laten zien en werk te vragen. ‘Een hartverscheurend tafereel’, zo rapporteerde de burgemeester van Kerkrade rond 1800, ‘ik heb met hen meegehuild, een schrale troost voor deze arme lieden.’ Toen Mijningenieur Vincken en Conducteur Faschamps hun gezag probeerden te laten gelden en lieten weten de helft van het personeel te ontslaan, waarschuwden de plaatselijke ambtenaren van de Dienst der Domeinen dat de mijnwerkers hadden gedreigd en masse naar Maastricht te trekken. Faschamps zei alleen maar gemerkt te hebben, dat hij nu op straat met meer respect werd bejegend en het ontslag ging door. Van collectieve acties gericht tegen innovaties, is geen spoor. Weerstad had een ander karakter. Vertrekken of het dreigen ermee was een probaat middel om de arbeidsverhoudingen te beïnvloeden, maar de ‘onwillige geest’ was ook van belang als de leiding het werk van alledag wilde veranderen.

Mijnwerkers moesten ervan overtuigd zijn dat nieuwe instrumenten of technieken ook in hun belang waren. Dwang en intensief toezicht was in het donkere en verbrokkelde bedrijf ondergronds kostbaar. Bij een gemakkelijk te misbruiken instrument als de Davy-lamp was dit dan ook een permanent probleem. Voorlichting was nog het goedkoopste alternatief voor intensief toezicht. Met name in Duitsland investeerde men daarin. Om de paar maanden las leidinggevend personeel ten overstaan van de verzamelde ondergrondse ploeg de verordening voor op het gebruik ervan. Tot het eind van de eeuw stelde het staatstoezicht dit ritueel bijzonder op prijs. Aan de Nederlandse kant van de grens zag de overheid hierin niet veel. Zij kon leven met enige discrepantie tussen voorschrift en uitvoering.

De intensiteit van de conflicten onder de leidinggevenden nam rond 1850 af. Mijnen werden niet meer geleid door meester-mijnwerkers met boven

[p. 26]

hen één of enkele actieve ondernemers uit een groep passieve investeerders in een sociëteit. In sommige sociëteiten verwierven moderne ondernemers het overwicht, zoals James Cockerill in de Neuprick. De komst van de trein en vergrote concurrentie van andere mijnstreken bevorderden concentratie van eigendomstitels en nieuwe financieringswijzen. Zo ontstonden de Eischweiler Bergwerksverein en de Vereinigungs-Gesellschaft für Steinkohlenbergbau im Wurmrevier. Binnen Duitsland hoorden zij bij de oudste industriële naamloze vennootschappen.

Ook intern begonnen mijnen meer te lijken op ‘moderne’ ondernemingen. Ingenieurs dicteerden niet meer van buiten af de weg, maar werden in de organisatie opgenomen. Een grotere arbeidsmarkt en mobiliteit tussen ondernemingen en diensten van het mijnwezen slechtten tegenstellingen. De Vereinigungs-Gesellschaft maakte iemand uit het Pruissische staatstoezicht technisch directeur. Liberalisering van de samenleving maakte het overheidsdienaren moeilijker hun ideeën op te leggen aan het bedrijfsleven. De onzekerheid over de richting van de technische ontwikkeling werd minder; tegelijk werd verscheidenheid bij concrete toepassingen meer acceptabel.

Ook bij de veiligheidslamp was te zien, dat kennis van goed en kwaad niet meer was voorbehouden aan een speciale groep met een bijzondere ‘esprit de corps’. Hoe ferm ook het staatstoezicht zich rond 1830 had opgesteld, compromissen tussen veiligheid en economische belangen waren onvermijdelijk.

Een nieuwe generatie ingenieurs maakte die afweging. In januari 1852 schreef ingenieur E. van der Elst bij wijze van sollicitatie naar de directeursfunktie een rapport over de Domaniale mijn. Het gebruik van de Davy-lamp kon ‘zeer prijselijk’ zijn. Vanwege de hoge kosten was gebruik echter laakbaar waar de lamp niet absoluut nodig was. ‘Eene tegenwerping te maken dat wellicht de mijnwerklieden zoozeer aan het gebruik der Davy lampen verslaafd zijn, (dat) zij zich niet zonder deze buiten gevaar bevinden vervalt direct, dewijl (ik) op vele plaatsen enkel het onderdeel der lampen zonder de gevlochten cijlinder in gebruik heb gezien.’31. De mijnwerkers hadden dus zelf al van de Davy-lamp een onveilige open lamp gemaakt. Elst zou spoedig merken, dat er een spanning was tussen enerzijds veiligheid en anderzijds economische overwegingen. Nog hetzelfde jaar betekende een explosie de dood van vier arbeiders op de Domaniale. Derhalve pleitte hij in december vooral voor reparatie van de veiligheidslampen en aanschaf van reservelampen. Toen Egon van der Elst zelf hoofd van het Staatstoezicht op de Mijnen was, legde hij in het ‘reglement betrekkelijk de ontginning van steenkolenmijnen’ van 1877 regels vast. Weliswaar moesten de veiligheidslampen van ‘de beste soort’ zijn, maar open lampen waren niet verboden, ook al diende het gebruik beperkt te blijven tot speciaal aangewezen plaatsen. Dit was een compromis, maar zelfs in dit geval was handhaving niet eenvoudig en stond toezicht onder druk als de mijnindustrie veel mensen kon gebruiken. Rond de eeuwwisseling namen in de nieuw aangelegde mijnen in Limburg mijnwerkers hun ‘Frosch’ mee. Stallantarens waren nog de meest veilige lampen waarmee ‘winterwerkers’, bijverdienende boerenzonen, aan de slag gingen. Het staatstoezicht stelde zich pragmatisch op. Daarvan getuigden verordeningen tegen vervuiling van lucht en roetvorming door wat zeker geen veiligheidslampen waren.

‘De ingenieurs aan de macht’ zo vat Caulier-Mathy de ontwikkeling na 1850 in Luik samen. De invloed van de ingenieurs van het staatstoezicht nam af, maar die van de ingenieurs als beroepsgroep nam toe. Formeel geschoolde mijningenieurs verdrongen van beneden opgeklommen directeuren en academisch geschoolden met een niet-technische achtergrond uit mijndirecties. Daarnaast maakten mijningenieurs in toenemende mate carrière buiten de mijnindustrie. Chevremont verliet uiteindelijk de Belgische dienst van het mijnwezen ‘pour s'occuper d'affaires industrielles’.32.

Binnen Nederland schrompelde het Staatstoezicht op de Mijnen na 1839 in tot een eenmansdienst. Tegelijk nam de invloed toe van tot ingenieur opgeleide employés. De benoeming van Van der Elst tot directeur van de Domaniale mijn onmiddellijk na zijn afstuderen in Delft was daarvan een teken. Het aantal leidinggevende posities in de mijnen was beperkt, maar ook het aanbod van Nederlandse kant. Toch waren er in Limburg banden tussen de mijnindustrie en andere grote industrieën. P. Bogaert, van 1851 tot 1876 hoofd van de Nederlandse dienst van het mijnwezen, was in Maastricht commissaris bij de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek. Zijn kennis van stoomketels en zijn tweede functie als ingenieur bij het Toezicht op het Stoomwezen maakten hem voor het bedrijf interessant. Vaker nog werkten in deze bedrijven mijningenieurs die in het buitenland waren opgeleid. De uit Henegouwen afkomstige mijningenieur G. Lambert werd in 1859 belast met de leiding van de Société Céramique, een van de Maastrichtse aardewerkfabrieken. Enkele jaren later werd hij lid van de Raad van Bestuur, waarin tevens G. Dumont, een befaamd Luiks mijnbouwkundige, zitting had. In de jaren 1870 zouden Lambert en Dumonts zoon er in België de aandacht op vestigen hoe veelbelovend het nog niet ontgonnen Limburgse mijngebied was.33.

Er waren echter grenzen aan de macht van de ingenieurs. Zelfs met steun van de overheid was de ontwikkeling slechts ten dele te sturen. De staat moest,

[p. 27]



illustratie

Het steenkolenfront gefotografeerd omstreeks 1910. De houwer sloeg brokken steenkool los, nadat hij in de steenkolenlaag horizontale en verticale sleuven had gemaakt. Hij hield tevens rekening met de splijtvlakken bij de keuze of de delfstof weg werd genomen langs het pijlerfront of dat hij eerst schuin of rechthoekig zou inkerven in het front, zoals bij de foto. De pikhouweel of hak was het belangrijkste instrument. Daarnaast waren hamers en houwelen, eventueel buskruit, en schoppen in gebruik. Op de foto is ook de bijl te zien, die een houwer nodig had voor het pas klaar maken van de houten ondersteuningen. De Davy-lampen zijn nog net links en rechts zichtbaar.


oh ironie, de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij dwingen de Domaniale mijn via een zijtak te verbinden met de spoorweg. Het was heel wat moeilijker investeringen op te leggen, die niet contractueel waren afgesproken. In het midden van de jaren 1850 wilde directeur Egon van der Elst een schacht met toebehoren aanleggen in het in Duitsland gelegen deel van de concessie om zo daar de afzet te vergroten. Hij werd hierin met verve gesteund door de Ingenieur der Mijnen, die na de verpachting van de Domaniale als regeringscommissaris bij de spoorwegmaatschappij moest waken over de belangen van de staat. De Nederlandse directie van de spoorwegmaatschappij ging in de plannen mee, maar aan de Duitse kant stuitte het voornemen op problemen. De begonnen aanleg van de schacht werd spoedig gestaakt. In de plaats daarvan kwamen contractuele marktafspraken met de Vereinigungs-Gesellschaft.

Niet alleen vanwege de gecompliceerde eigendomsverhoudingen waarbinnen mijningenieurs en andere leidinggevenden moesten werken, waren grootse en meeslepende daden in het Limburgse mijngebied niet te verwachten. De Domaniale mijn was een kleine marktpartij. Bovendien was het ook na 1850 vaak niet evident welke nieuwigheden daadwerkelijk een verbetering betekenden. Bij de Vereinigungs-Gesellschaft domineerden tussen 1837 en 1888 twee uit het Pruisische staatstoezicht afkomstige ‘Spezialdirektoren’ de ontwikkeling. Zij profileerden zich als technici en verwierven een goede naam. De resultaten van hun werk waren gemengd. Zo was de grootscheepse concentratie van het ondergrondse vervoersysteem geen inslaand succes. Achteraf zag men dat deze projecten ver voorliepen op de technische mogelijkheden van de tijd.34. Aan Nederlandse kant viel de technische ontwikkeling niet op als uitzonderlijk. Egon van der Elst en zijn navolgers volgden de ontwikkelingen in de directe omgeving. Gegeven de verhoudingen was dit optimaal.

Kenmerkend voor de voortkabbelende ontwikkeling van na 1850 was dat spoedig functies weer regionaal werden opgevuld en dat tot 1900 evenveel mijningenieuren uit Delft in Limburg terecht kwamen als in Suriname: één. Toen Van der Elst in

illustratie

Deze plaat uit de Katholieke Illustratie van 1879 gaf een romantisch en niet waarheidsgetrouw beeld van het vervoer van steenkolen ondergronds. Kolenboeren bovengronds sjouwen steenkolen in zakken; in havens was het eveneens lang gebruikelijk. In de mijn brachten de slepers de wagens zo dicht mogelijk bij de steenkolenhouwers. Tegen het eind van de eeuw werd op de Domaniale een deel van de steenkolen ondergronds grof gesorteerd, maar dit was een toestel waarbij de wagens werden omgekeerd en de delfstof via roosters in een wagen viel.


1876 zijn directeursfunctie bij de Domaniale mijn opgaf om Ingenieur der Mijnen te worden beval hij de directeur van een naburige mijn van de Vereinigungs-Gesellschaft, J. Schümmer, aan als zijn opvolger. Dit was een verwant van de Schümmer, die rond 1825 zo veel weerstand had opgeroepen bij het staatstoezicht. De familie was leidinggevende posities blijven bekleden. De Nederlandse overheid hield zich afzijdig. Wel voorkwamen, na het overlijden van Schümmer in 1886, de Nederlandse directie van de spoorwegmaatschappij en de Ingenieur der Mijnen dat het beheer van de Domaniale mijn

[p. 28]



illustratie

Zomer 1884 werd voor een dag de produktie op de Domaniale mijn stilgelegd: ‘Da wurde ein Bild gemacht’. Voor dergelijke gelegenheden hingen mijnwerkers de Davy-lamp pontificaal midden op hun borst. De veiligheidslamp was inmiddels hét symbool geworden van arbeid ondergronds. Op de tweede rij van onder zit aan de linkerkant van de mijnwagen directeur Schümmer. Aan de rechterkant oud directeur E. van der Elst, toen hoofd van het Staatstoezicht op de Mijnen en regeringscommissaris bij de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij, de pachter van de mijn. Naast hem een van de twee hoofd-opzichters. Geen van beide laat een Davy-lamp zien.


bij de Vereinigungs-Gesellschaft werd ondergebracht en de nieuwe bedrijfsdirecteur zou worden aangetrokken na overleg met het ‘Oberbergamt’ in Bonn. Weliswaar was na het overlijden van Van der Elst in 1897 de nieuwe Ingenieur der Mijnen een Nederlander, maar deze was in Freiberg in Saksen opgeleid en was enkele jaren eerder door Van der Elst voor eigen rekening in het Akense gerecruteerd. Van der Elst was zeventig, vermogend en het afdalen in de mijnschachten begon hem moeilijk te vallen.

Gezien de opleidingsmogelijkheden was de gang van zaken niet helemaal vreemd. De Delftse docent had voor praktische mijnbouw geen enkele belangstelling. Voor het eigenlijke vak moesten ook Delftse studenten naar een Duitse ‘Bergakademie’. Iets van de kif klinkt door in de Delftse evaluatie achteraf: studenten staken daar wel iets van mijnbouwkunde op, maar leerden vooral het Duitse studentenleven uitstekend kennen.35.

Rond 1900 was de periode van de ‘ingenieurs aan de macht’ voorbij. Bij de Domaniale was na Schümmer een baron directeur, hij had enige technische kennis, maar was geen ‘Bergmann’, aldus ingenieur Van der Elst. In de Duitse mijnen bij Aken nam toen de invloed van de technici af. Evenmin domineerden zij de directies van de nieuwe Limburgse mijnondernemingen.

De mijnindustrie ontwikkelde zich toen in Limburg snel, maar technisch waren er na 1900 weinig nieuwigheden. De schaalvergroting noopte wel tot institutionele modernisering. Met het voor alle mijnen geldende Mijnreglement van 1906 kwamen ook meer strenge eisen voor de verlichting ondergronds.

Zo mocht het bezit en onderhoud van de Davy-lamp niet langer meer een zaak van de mijnwerker zijn, zoals bij onder meer de Oranje-Nassau mijnen het geval was geweest, maar moesten de ondernemingen de lampen leveren.

De introductie van schudgoten, de toenemende lengte van het steenkolenfront en het werken in grotere groepen creëerden na 1910 behoefte aan een alternatief voor de veiligheidslamp. Tijdens de eerste wereldoorlog stimuleerde benzineschaarste de introductie van elektrische lampen met een accu als energiebron. Aanvankelijk stelden zij teleur: zij wa-

[p. 29]

ren niet tegen stoten bestand, niet erg bedrijfszeker, zij waren duur en gaven te weinig licht. Op een van de Limburgse mijnen was het gebrek aan benzine dan ook aanleiding een stap terug te doen in de geschiedenis. Men bouwde de veiligheidslampen om tot olielampen. Deze mochten echter alleen gebruikt worden waar geen gevaar voor mijngas was; wegens de roetvorming konden de lampen niet worden gesloten. Na enige tijd waren de nadelen van de elektrische lampen verholpen. In het midden van de jaren twintig verzocht de directie van de Staatsmijnen het aantal benzine-lampen ondergronds te mogen beperken. Ervaring in het buitenland had geleerd, dat het terugbrengen van benzinelampen tot een minimum de veiligheid bevorderde. In plaats van deze verschenen in de winplaatsen massaal elektrische lampen.

Deze elektrificatie hing ook nog samen met een andere factor. Een bijwerking van de mechanisatie van die jaren was een toenemende vorming van stof. Dit was deels een gevolg van het gebruik van pneumatische afbouwhamers, maar belangrijker was dat de schaalvergroting in de pijlers de mijndirecties dwong de ventilatie te versterken om het gasgehalte op een veilig niveau te houden. Krachtige wind verminderde de veiligheid van de Davy-lampen. Meer stof maakte krachtiger lampen gewenst en bevorderde experimenten met permanente verlichting in de pijlers. Het staatstoezicht juichte dit laatste ook toe in de hoop een beroepsziekte, het trillen van oogleden, te voorkomen. In 1939 werd voor het eerst het ondergrondse bedrijf van een mijn nagenoeg geheel verlicht en kon ‘de mogelijkheid onder oogen ... worden gezien ontheffing te verleenen van de verplichting een draagbare mijnlamp in de ondergrondsche werken bij zich te hebben.’36.

‘Moet men in kou zitten?’

De keuze in dit hoofdstuk voor de lamp van Davy brengt met zich mee dat veranderingen bovengronds en de afnemer van steenkolen in het donker blijven. Om te voorkomen dat zij geheel onbelicht blijven, is het nuttig een impressie te geven van de weg die de steenkolen aflegden van de schachtrnond naar de woonkeuken of kamer, voordat spoorwegen waren aangelegd, steenkolen naar de stations werden vervoerd en handelaren en steenkolenboeren voor levering aan huis zorgden.

Aan het begin van de negentiende eeuw ging de klant naar de Domaniale of een van de naburige mijnen toe. Levering op krediet was zo goed als onbekend. Sommigen gingen al naar gelang hun behoefte naar de mijn en vervoerden de steenkolen in kruiwagens of op hun rug. Bij de mijnen verschenen vooral boeren met hun osse- of paardekarren. Pachters uit de verre omgeving verplichtten zich vanaf de zeventiende eeuw jaarlijks tot een of meerdere ‘koelvrachten’. Op deze manier zetten grondeigenaren hun pachters aan het werk. Ook zonder een dergelijke aansporing zullen bezitters van een paard en wagen geprobeerd hebben in het slappe seizoen bij te verdienen. De bedeelden hadden het geluk, dat de armbesturen het transport naar hun gemeente verzorgden. Mensen die anderen niet aan het werk konden zetten of zich een tocht naar de mijn niet konden veroorloven, waren aangewezen op de zogenaamde kolengidsen. In langwerpige zakken op kleine paarden brachten deze kleine hoeveelheden steenkolen rond. Reclamespreuken als dat hun kolen zo zwart waren als de duivel en brandden als het hellevuur, maakten hen weinig populair.

Het bovengronds bedrijf bestond uit magazijnen, voorraadhopen en dragers. Het was een koper geraden een grote hoed bij zich te hebben. Nadat hij betaald had en bij grotere hoeveelheden een bon, bij kleinere loden schijfjes had ingeleverd bij de magazijnbediende, schreef deze met een krijtje op de hoed van de koper de naam van de produktieschacht, het nummer van de bon, het aantal gekochte kwintalen stukskolen of met streepjes de hoeveelheid gruiskolen en de initialen van de koper. De koper ging vervolgens voor de betere steenkolen naar de weger en voor het gruis naar de schepper. Op een genummerde plank of op de steel van de schop boekten deze wat zij leverden en tegelijk haalden zij het getal of de streepjes op de hoed van de klant door. Bij de detailverkoop was er rekening mee gehouden dat vrouwelijke klanten konden komen. Dan mochten de krijtstrepen op de mouwen worden gezet. Draagsters zorgden ervoor dat de gruiskolen op de kar terecht kwamen en werden daarvoor door de koper rechtstreeks beloond. In de veengebieden zorgden eveneens vrouwen voor het vullen van kruiwagens met turf en het stouwen van de pramen. Ook het lossen was de taak van turfvulsters onder leiding van een turfmoeder.37. Met de komst van het spoor werd afzet aan de stations gebruikelijk, verplaatsten de beschreven activiteiten zich daarheen, terwijl op de mijn een modernere wijze van expeditie en administratie tot stand kwam.

De huishoudens vormden niet de sector die het meest spectaculair veranderde tijdens de industriële revolutie. Toch werden de steenkolen in de woonkamers anno 1900 anders opgestookt dan aan het begin van de eeuw. In mijnstreken waar men antraciet of verwante soorten dolf, werden gruiskolen met leem gemengd en tot ‘kluiten’ of ‘gedeks’, bollen of ovalen gevormd, afgeronde vormen vanwege de zuurstoftoevoer. Het kneden van de kluiten was vrouwenwerk. In Luik gebeurde dit vaak op de mijn door de vrouwen die de steenkool met lieren

[p. 30]



illustratie

Tussen 1830 en 1870 veranderde de Domaniale mijn bovengronds nauwelijks. In het laatste kwart van de eeuw kreeg de mijn een meer ‘klassiek’ uiterlijk. Zoals deze foto van omstreeks 1900 laat zien was daarbij de ijzeren schachtbok dominant. In het algemeen vereisten een toenemende diepte, hogere belasting en het vertikaal vervoer van personen sterkere ophaalmachines en een hogere plaatsing van de kabelschijven boven de schachtmond. In plaats van steeds hogere en stevigere schachtgebouwen kwamen er vrijstaande, ijzeren bokken. In het Ruhrgebied werden rond 1870 de eerste gebouwd. Bij de Domaniale waren niet alle genoemde factoren van belang, maar niet veel later, vanaf 1872, werd ook daar het ophaalsysteem gemoderniseerd. Oud en nieuw waren in de mijnindustrie innig verbonden. Ook op deze foto: de schachtbok werd geïntegreerd in het bestaande schachtgebouw.


omhoog trokken. Bij de Domaniale was het vormen van de bollen thuiswerk. Oningewijden zagen het vermengen vaak als knoeien en oplichterij. Kluiten hoorden echter bij een stooktechnologie. Steenkool werd in open haarden verbrand en compacte bollen hadden daarbij een evident voordeel op gruis. Bovendien wilde men door vermenging en het nat maken van de steenkool de hitte verminderen en de verbranding vertragen. Het was zeker niet zo, dat het koud was in de woningen bij mijnbouwstreken. Limburgse woningbouw kenmerkte zich door relatief veel schoorstenen. Veel schoorstenen was een fiscaal nadeel, maar de prijs van steenkolen, die lager lag dan in andere Nederlandse provincies, gaf de doorslag.38.

Stoken was niet zo gemakkelijk als het leek. Met een aangepaste stooktechniek kon men stoommachines laten werken op huisbrand, maar het duurde enige tijd voordat bekend was hoe. Aken en omgeving bleef overigens binnen noord-west Europa de enige regio, waar op grote schaal stoomketels werden verhit met antraciet. De stooktechniek was niet alleen bij stoommachines van belang, maar ook bij zo'n alledaagse handeling als het stoken in open haarden. Bij proefnemingen toonden consumenten in de grote steden in Holland zich niet voldaan over de kwaliteit van het Kerkraads antraciet. De steenkolen waren in 1827 en 1842 ‘voorbeeldloos slegt’. Consumenten in de kustprovincies waren toen gewoon vette Engelse steenkolen als huisbrand te gebruiken. Vette steenkolen ontbrandden gemakkelijk. Gasarme steenkool en zeker kluiten vereisten meer moeite. Vrijkomende gassen en stank waren de nadelen van vette steenkolen, maar blijkbaar waren deze te prefereren boven wachten totdat het antraciet opgloeide. Met nadruk wees de directeur op de Domaniale op de superieure kwaliteit van zijn kolen en gaf een uitvoerige beschrijving hoe antraciet in brand moest worden gestoken. In het dossier noteerde echter een ambtenaar: ‘magere kolen eisen veel werk; moet men in kou zitten totdat magere kolen believen door te branden; moeten kachels ingericht worden naar kolen of andersom?’39.

Het vormen van kluiten doet denken aan het vervaardigen van briketten. In Frankrijk en België, later ook in Duitsland werd vanaf 1830 voortdurend geëxperimenteerd met het veredelen van steenkool of bruinkool tot briketten. Het bindmiddel pek, afkomstig uit het teer van gasfabrieken, kon zeer duur worden. Pas toen pek in grotere hoeveelheden beschikbaar kwam als nevenprodukt van de cokesfabricage werden briketten een beter verkoopbaar produkt. Mijngebieden die magere, voor cokesfabricage ongeschikte, steenkolen wonnen, liepen daarom niet voorop. Toch werd al in 1875 een briketfabriek bij een mijn bij Aken neergezet. Deze perste echter toen ook nog de traditionele ‘kluiten’ uit gruiskool en leem. Briketfabrieken waren de eerste nevenbedrijven, die in de omgeving van Aken op het mijnterrein verschenen. Bij de Domaniale werd later voor een andere opzet gekozen.

Het bedrijf was gelieerd met een briketfabriek gelegen dicht bij de spoorlijn van Aken naar Maastricht. Gesloten, gietijzeren kachels en fornuizen verdrongen na 1830 in toenemende mate het haardvuur en waren rond 1890 bijna universeel, althans in drie Nederlandse regio's die onderzocht zijn. De zegetocht van de kachel was in zekere zin het symbool van de verhuiselijking van de samenleving. Engelsen waren minder gecharmeerd van de ‘red-hot monsters’ en lelijke kachelpijpen, voor hen symbolen van de Amerikanisering van Europa. Daar bleef de open haard huiselijkheid representeren. Omdat brandstof zo goedkoop was, kostte het daar ook minder pijn om op inefficiënte wijze in de huis-, maar ook in de slaapkamer grote hoeveelheden brandstof op te stoken.40.

De relatieve prijzen van de energiebronnen en het hoger rendement van de gesloten kachels beïnvloedden het verdwijnen van de open haarden. Maar er was meer aan de hand. In Limburg, dicht bij de metaalnijverheid in Luik, waren gesloten gietijzeren kookkomforen en kachels rond 1800 niet ongewoon. Dergelijke ‘bereklauwen’ werden gedurende de zomer in de open haard geplaatst als

[p. 31]

die niet werd gestookt. Kachels waren inderdaad al langer bekend: waarom verliep de overgang niet eerder en sneller en waarom was zij niet algemeen? Afgezien van een romantische voorkeur voor het ‘cheerful flicker’ van open vuren, moet het antwoord vooral aan de aanbodszijde worden gezocht. Smeden hadden slechts beperkte mogelijkheden goedkope kachels te leveren. Machinale produktie bood meer perspectief. Bovendien moesten bepaalde technische problemen worden overwonnen. Voor het minder gemakkelijk ontvlambare antraciet was vooral de trek van belang. Rond 1880 had men greep op de trek van onderop en verschenen de speciaal voor ‘huisbrand’ ontworpen duurovens op de markt. Het mengen met leem werd zo iets van het verleden.

De kachels stelden hun eigen eisen aan de brandstof. De mijnen reageerden op de nieuwe ontwikkeling door bovengronds steenkool en steen beter te scheiden. Op het continent gingen zij bovendien spoedig steenkolen wassen, een methode die ook bij kleinere brokken een goede scheiding tussen kolen en stenen garandeerde. Bij kolenslik, het restprodukt, bleven oude toestanden bestaan. Ook dit leverde met leem vermengd een goede brandstof, boeren bleven het afhalen en nog in 1913 waren daarom de wegen tot ver in de omtrek zwart.



illustratie

grafiek 1.2: de arbeidsproduktiviteit in de steenkolenmijnbouw in engeland, frankrijk, het ruhrgebied en van de domaniale mijn tussen 1795 en 1940.


Techniek en produktiviteit

Bij een gedetailleerde beschrijving is het niet moeilijk te wijzen op tal van technische veranderingen onder de grond. Hoe moeten we echter deze veranderingen gezamenlijk waarderen? Steenkolenwinning ziet men immers algemeen als het tegendeel van een bedrijfstak waar men alsmaar efficiënter gebruik maakte van produktiefactoren. Voor velen was mijnbouw het voorbeeld van een nijverheid waarbij groei tot stand kwam door reallocatie, door de inzet van meer arbeid en kapitaal.

Een gebruikelijk uitgangspunt is, dat technische verbeteringen zullen leiden tot hogere produktiviteit. Grafiek 1.2 vergelijkt de fysieke arbeidsproduktiviteit van de Domaniale mijn met die van het Ruhrgebied, Engeland en Frankrijk en volgt daarbij de ontwikkeling tot de tweede wereldoorlog. De produktiviteit van een enkele mijn kan om tal van redenen sterk fluctueren. De Domaniale week echter op lange termijn niet sterk af van het gemiddelde in het mijngebied nabij Aken.

Uiteraard is produktie per geregistreerde arbeider theoretisch gezien een problematische maat. Het geeft een ruwe indruk, als men niet veronachtzaamt dat gewerkte dagen per jaar en arbeidsuren per dag verschilden van streek tot streek en in de loop van de tijd. Verschillen in arbeidsproduktiviteit hingen deels samen met ‘natuurlijke’, geologische verschillen, zoals de voorraad aan steenkolen, uiteenlopende laagdiktes en overige kwaliteitsverschillen. Van belang is voorts, dat bij arbeidsproduktiviteit de invloed van de produktiefactor kapitaal onzichtbaar blijft, terwijl een fysieke maat geen uitsluitsel geeft hoe duur of goedkoop een produktiefactor was. Ar-

[p. 32]

beidsproduktiviteit is inderdaad niet hetzelfde als totale produktiviteit en het meten in produktie per arbeider in tonnen zal de verschillen overdrijven.

Sommigen menen dat verschillen tussen mijnindustrieën meer schijn zijn dan realiteit, omdat concurrentie de verschillen genadeloos zal wegpoetsen.41. De elkaar volledig tegensprekende interpretaties én de dynamiek in de ontwikkeling van de produktiviteit laten zien, dat er echter onder de grond meer aan de hand was.

Grafiek 1.2 geeft voor de Engelse mijnbouw schijnbaar een weinig problematisch beeld. Desondanks zijn er sterk uiteenlopende interpretaties van de ontwikkeling. Sommige auteurs benadrukken, dat mijnbouw in wezen een handmatige nijverheid was zonder opvallende technische vernieuwingen en met een eeuwenlang stagnerend produktiviteitsniveau. Anderen hebben een positiever oordeel over de technische ontwikkeling. De industriële revolutie had in de Engelse mijnbouw plaats in de zeventiende eeuw, terwijl in 1800 de industrie in een stabiele fase verkeerde. Voor sommigen is de negentiende eeuwse steenkolenmijnbouw juist het voorbeeld van een traditionele sector met een alleszins respectabele toename in de arbeidsproduktiviteit. Andere auteurs benadrukken, dat de strategische betekenis van de spierkracht van de houwer en sjouwer wordt overdreven en het belang van technische en organisatorische verbeteringen onderschat.

illustratie

In 1822 stelden mijningenieurs voor paarden te gebruiken voor het horizontaal vervoer van steenkolen in de Domaniale mijn. In grote Engelse mijnen kwam dit reeds in 1765 voor; bij Luik begon het toen normaal te worden. Slepers golden als ‘weinig dociel en bijzonder geneigd tot rebellie’; van paarden had men minder te vrezen. In 1865 motiveerde de bedrijfsdirecteur van de Domaniale de invoering van paarden dan ook met ‘de onwillige geest die de arbeiders meer en meer’ bezielde. Lonen, vertrek of stakingen verklaren niet echt waarom juist toen paarden ondergronds werden gebracht. De mijn volgde het voorbeeld van de naburige Vereinigungs-Gesellschaft, waar men tot op een oneconomisch niveau probeerde het ondergrondse bedrijf te concentreren. De foto is omstreeks 1910 genomen. Paarden bleven in gebruik tot ver in het interbellum. Gedurende de laatste decennia van de 19e eeuw nam echter in Kerkrade, evenals in het Ruhrgcbied, het aantal paarden per ondergrondse arbeider af van 1 op 21 tot 1 op 46. Slechts binnen een deel van het produktieproces was het gebruik van deze dieren zinvol.


Sterker nog: ‘the role of the innovator is fundamental ... the indispensable condition of the industry's continued existence’. Deze positieve opvatting kan worden gecombineerd met een positief beeld over de produktiviteitsontwikkeling. De gestadig moeilijker wordende geologische verhoudingen hadden moeten leiden tot een dalende produktiviteit; in feite nam die tot in de jaren 1880 toe. Recentelijk zijn de produktiviteitscijfers aan een revisie onderworpen. De arbeidsproduktiviteit blijkt nu stabiel te zijn, ondanks een catalogus van aanwijsbare technische verbeteringen.42.

Het beeld van grafiek 1.2 is complex, omdat een aantal zaken tegelijk moet worden verklaard. Aan de ene kant waren er geen zo fundamentele technologische doorbraken, dat overal en onmiskenbaar de produktiviteit toenam. Aan de andere kant valt het niet te ontkennen dat er technische veranderingen waren. Soms gingen deze niet gepaard met zichtbare veranderingen in de arbeidsproduktiviteit - en dan is er sprake van een produktiviteitsparadox - en soms wel. Bovendien waren er produktiviteitsverschillen tussen landen en regio's en die waren niet gemakkelijk te dichten door het kopiëren van de ‘beste’ praktijk elders. Technologie was dus geen publiek goed. Daar stond tegenover dat in relatief korte periodes de verschillen in arbeidsproduktiviteit sprongsgewijze verminderden.

De produktiviteitsparadox verdwijnt als we het mo-

[p. 33]

gelijk achten, dat produktiviteit niet per se een goede maat is om technische verandering aan af te meten. Er is in ieder geval geen eenduidig verband tussen produktiviteit enerzijds en revolutionair of traditioneel anderzijds. De paradox is overigens niet een verschijnsel voorbehouden aan steenkolenwinning. De produktiviteitsparadox is geformuleerd, omdat evident belangrijke innovaties niet waren terug te zien in de statistieken.43. In netwerk-technologieën, complexe systemen van onderling samenhangende en op elkaar inwerkende componenten, is de samenhang tussen technische verbeteringen en een zichtbare toename in de produktiviteit broos. Compatibiliteit en de noodzaak van complementaire veranderingen beperken de mogelijkheden. Binnen complexe systemen zijn radicale veranderingen niet te verwachten, eerder inertie, en zal de technische ontwikkeling geleidelijk verlopen.

Belangrijker dan inertie, is dat binnen netwerktechnologieën het huidige systeem de in de toekomst begaanbare wegen grotendeels vastlegt. Techniek is een evolutionair proces van selectie, maar ook van aanpassing aan technieken in gebruik. De ontwikkeling hangt daardoor af van de eerder ingeslagen weg, is ‘pad-afhankelijk’. Het gewicht van aanvankelijk genomen, toevallige beslissingen is meer dan evenredig groot; het systeem is inert ten opzichte van later verschijnende mogelijkheden. Onderlinge samenhang van componenten van een systeem lijkt zo een last van het verleden, die nieuwe, aantrekkelijke wegen afsluit. Een klassiek voorbeeld is het vasthouden van de Britse spoorwegmaatschappijen aan hun ‘silly little bobtailed carriages’. Zij zouden niet de in Duitsland en Amerika gebruikelijke, grote steenkolenwagons hebben ingevoerd, vanwege de investeringen vastgelegd in een infrastructuur van laadperrons, weegbruggen, kolentips en andere machinerieën.44.

Verklaringen die een beroep doen op ‘the burden of sunk capital’ zijn onthaald op kritiek. Zij voldoen inderdaad niet als het gaat om ontwikkelingen op

illustratie

Hoewel sleden omstreeks 1820 door mijnwagens en rails werden vervangen en het ook de bedoeling was dat paarden de ‘grote manden op wieletjes’ zouden gaan trekken, sleepten tot 1865 uitsluitend mensen de wagens naar de schacht. Het duwen van hoog opgestapelde wagens die in het aardedonker vlak langs door de druk naar binnen gebogen stijlen schuurden was moeilijk werk. Slepers zagen hun werk bovendien als een tijdelijke functie totdat beter betaald werk beschikbaar was. Gezien de aantallen was doorstroming vaak niet mogelijk. Bij de pijlers, de winplaatsen van de steenkolen, bleef het slepen van mijnwagens gewoon, zoals de na 1920 genomen foto illustreert


lange termijn en als de produktiefactoren reproduceerbaar en mobiel zijn. De Britse steenkolenwagons waren 80 jaar nadat hun inferioriteit was ontdekt nog steeds klein.45. Binnen tachtig jaar moet de last van het verleden kunnen worden afgeschreven. Toch is het terugbrengen van ontwikkelingen tot afschrijvingsproblemen een miskenning van de complexiteit van dynamische processen. In de mijnbouw was samenhang van componenten vooral van belang, omdat het technisch systeem en zijn componenten zich dienden aan te passen aan de geologische omstandigheden. Een weinig te beïnvloeden produktiefactor, een ‘nontraded growth input’, maakt aanpassing pas dwingend en kan de oorzaak zijn van blijvende produktiviteitsverschillen, hoewel de hier gepresenteerde data ook aangeven dat men het belang van de gegeven natuur niet moet over-schatten.46. Inertie ten opzichte van later verschijnende mogelijkheden heeft ook een dynamische oorzaak. Veranderen en ‘leren door doen’ zijn lokale processen. Zij concentreren zich rond technieken in gebruik en zorgen voor concurrentie-voordelen van het bestaande.

Een mooi voorbeeld van zo'n ‘path dependent’ proces was de introductie van de stoommachine in de Domaniale mijn. Terecht noemt J. Mokyr de stoompomp voor de mijnbouw een macro-uitvinding.47. Echter, stoomtechnologie was een baaierd

[p. 34]



illustratie

In het begin van de negentiende eeuw moesten in Kerkrade steenkolen van de winplaatsen schuin omhoog worden vervoerd naar de voet van de schacht. Om een verticale afstand van 50 meter te overwinnen werden de steenkolen geleid over acht horizontale gangen en over acht hellingen met lieren bediend door een à twee volwassenen. De steenkolen werden niet zozeer vervoerd in bakken, zoals op deze tekening van Engelse origine, maar in ‘honden’: sleden met rieten manden, die gevuld 90 à 100 kg wogen. Over de horizontale gedeeltes trokken kinderen van 8 tot 10 jaar de ‘honden’; in Kerkrade gewoonlijk in duo's. Zij hoefden niet veel meer dan 15 meter te overbruggen, maar verplaatsen zo dagelijks 1 ton over 500 meter. Vanaf 1813 was arbeid ondergronds door kinderen beneden 10 jaar verboden. In Kerkrade was deze kinderarbeid in 1815 nog normaal. Zij verdween echter spoedig ten gevolge van pogingen de capaciteit van het vervoerssysteem te vergroten door een veel meer horizontale lay-out, wagentjes en rails.


vol mogelijkheden. Er was niet een eenduidig ‘natuurlijk traject’ voor de exploitatie van nieuwe ideeën. Sommige ondernemers kozen voor een dure oplossing: zij installeerden stoommachines met een bijzonder grote capaciteit en meenden dat men steenkolen van beneden naar boven diende te ontginnen in plaats van van boven naar beneden. Dit is alleen goed te verklaren als men zich realiseert, dat de mogelijkheden van de nieuwe techniek werden geëvalueerd vanuit reeds bestaande ideeën. De normen voor goede mijnbouw waren een reactie op de nadelen veroorzaakt door mijnbouw in voorgaande eeuwen. Bovenal wilde men voorkomen, dat watermassa's door ‘oppervlakkige’ ontginning het winnen van dieper gelegen steenkolen in de toekomst onmogelijk zouden maken.

Een op het eerste gezicht dure en daarom niet optimale ontginningswijze was bij nader inzien misschien toch het beste vanwege ‘onzichtbare’ kosten. Bovendien werd een kapitaalintensieve ontginningswijze gepropageerd door de ingenieurs van het staatstoezicht. Een netwerk-technologie die wordt gesponsord heeft een grotere kans aanvaard te worden dan een rivaal, die wellicht technisch superieur is.48. Evenzo laat dit voorbeeld zien, dat techniek niet een serie blauwdrukken is uitgespreid op een ‘tabula rasa’, maar een historisch proces van ‘myopic selections past producers made from among the different species of techniques with which they originally had to work’.49.

Binnen zo'n historisch proces kunnen selectie en aanpassing leiden tot een standaard techniek, die niet de beste is, maar wel economisch levensvatbaar en soms zelfs superieur, zoals P. David in zijn ‘QWERTY-economics’ fraai heeft laten zien.50. De standaard spoorbreedte is, naar men zegt, afgeleid van het 4 voet, 8,5 inch brede achterwerk van de muilezels van Norfolk, ooit gebruikt om kolenwagons te trekken over houten rails. Andere breedtes, hoewel zij een minder schokkende en veiliger reis garandeerden, haalden het later niet.51.

QWERTY-economie beschrijft ontwikkelingen zo traag als stroop op een wintermorgen. Buiten Engeland was de ontwikkeling in de steenkolenwinning soms opvallend dynamisch. Hoe zijn inertie en schoksgewijze dynamiek op een noemer te brengen? De produktie per mijnwerker was in de Engelse mijnbouw waarschijnlijk reeds in de zeventiende eeuw superieur. De Amerikaanse produktiviteit werd in de negentiende eeuw verreweg de hoogste ter wereld. Toen het na de eerste wereldoorlog in de mode kwam om naar de Verenigde Staten te reizen om daar de onbegrensde mogelijkheden af te kijken, stuurde ook de directie van de Staatsmijnen mijningenieurs daar naar toe. Zij verbaasden zich onder meer bij het zien van een machinegeweer, dat een mijndirectie had laten aanbrengen ter verbetering van de arbeidsverhoudingen. Mijnbouwkundig was het evenwel ‘in dit land ... moeilijk iets te zien te krijgen, waar we profijt van kunnen trekken’.52. De geologische en de economische omstandigheden waren te verschillend. De Amerikaanse stijl van mijnbouw was daarom niet overdraagbaar en zelfs weinig informatief.53. Het gebruik van een machinegeweer bij arbeidsconflicten was overigens ook daar een teken van. Engeland was voor de Europese mijnbouw meer normgevend.

Verschillen in arbeidsproduktiviteit hingen deels samen met ‘natuurlijke’, geologische verschillen. De dynamiek in de ontwikkeling van de produktiviteit laat echter weinig ruimte voor een verklaring verwijzend naar afnemende meeropbrengsten, het ontginnen van dunnere lagen of op grotere diepte. Er was geen convergentie naar beneden, maar eerder naar boven. Op het continent nam daarbij de arbeidsproduktiviteit schoksgewijze toe. De onderlinge verschillen tussen sommige regio's, maar niet alle, werden in een aantal stappen grotendeels overbrugd. Iets voor 1850, de jaren dat de komst van de spoorwegen voor hen goed uitpakte, bereikten de mijnen bij Aken het Frans-Belgische niveau en dat van het Ruhrgebied. De ‘Gründerjahre’ na 1854 en een tweede investeringsgolf in het begin

[p. 35]

van de jaren 1870 veroorzaakten weer een kloof tussen het Ruhr- en het Wormgebied, maar bracht de Ruhrstreek bijna op het Engelse niveau. De mijnen van het Wormgebied en vooral de Domaniale mijn belandden na 1890 op deze hoogte toen hun markt zich geografisch uitbreidde. De Belgische en Franse arbeidsproduktiviteit, aanvankelijk op eenzelfde niveau als die van het Wormgebied of erboven, bleef op den duur achter. Vergeleken met de mijnbouw in de Verenigde Staten was er overigens voor de eerste wereldoorlog eerder sprake van divergentie van de produktiviteit dan van convergentie.

De stelling, dat bijvoorbeeld de Engelse mijnbouw geen deel had aan technologische vernieuwingen, evenals de Belgische, en daarentegen de Duitse en Nederlandse wel, is moeilijk te verdedigen.54. De grafiek laat eerder een soort inhaalproces zien. ‘Catching up’ processen staan recentelijk sterk in de belangstelling. Historische verschillen in produktiviteit worden geaccepteerd. Produktiviteitsniveaus zullen evenwel convergeren, omdat leiders langzamer en (geschikte) volgers sneller zullen groeien. De uitstralingseffecten van voorop lopende landen zijn groot; achterlopers kunnen relatief veel leren. Deze visie op ‘catching up’ is om een aantal redenen niet bevredigend.55. Zij dwingt met weinig plausibele verklaringen te komen. Omdat auteurs ervan uitgaan, dat blauwdrukken gemakkelijk te transporteren zijn, wijten zij de vóór 1914 geconstateerde verschillen gemakkelijk aan een ‘lack of social capability’.56. De vraag is natuurlijk wat een eerdere convergentie zou hebben opgeleverd. Er zijn nauwelijks tekenen, dat een onvermogen interessante technieken te herkennen een serieuze hinderpaal was in de ontwikkeling. Er zijn heel wat meer tekenen die erop wijzen, dat een Engels produktiviteitspeil voor ondernemers doorgaans niet relevant was en een geforceerde ‘modernisering’ in die richting in bankroet zou hebben geresulteerd.

Catching up heeft evenzo weinig te zeggen over de timing en het schoksgewijze patroon van de convergentie. Produktiviteitsverbetering was niet een voorwaarde voor een verdere toename van de produktie; een snellere toename van de produktie en hogere arbeidsproduktiviteit gingen samen. Voor gebieden met achterstand op Engeland was er ruimte voor snelle groei in de arbeidsproduktiviteit, maar deze groei kon pas worden gerealiseerd als de vraag gunstig was en mijngebieden ook buiten hun lokale markten hun produkt afzetten. Ook al waren er geen ‘readily distinguishable or memorable innovations’, micro-uitvindingen zorgden permanent voor ‘technological drift’.57. Slechte tijden konden vernieuwingen stimuleren. De overstap op stoomtechnologie had bij de Domaniale en naburige mijnen in zo'n periode plaats. Defensieve rationalisering betekende echter niet zonder meer een opmerkelijke verbetering in de concurrentiepositie. Het cumulatieve effect van de grote en vooral kleine innovaties openbaarde zich bij een gunstige vraag, die vervolgens investeringen uitlokte.

Groei betekende in de steenkolenmijnbouw inderdaad tot op grote hoogte meer van hetzelfde, meer arbeid en meer kapitaal. De rol van de techniek was bescheiden, maar alleen als men techniek wil zien als een ‘deus ex machina’. In de mijnbouw past niet een techniekgeschiedenis als een ‘hero theory of history applied to things rather than persons’.58.

Techniek was eerder een endogene variabele binnen het proces van economische groei, een helft van een siamese tweeling. Investeringen waren de andere helft. Behalve technological drift, investeringen en QWERTY-economie waren in de mijnbouw nog andere factoren van belang. Zonder dergelijke factoren zou ‘catching up’ met uiteenlopende technieken niet mogelijk zijn geweest. De variatie in de mogelijke aanpassingen aan de geologische omstandigheden was groot, zonder dat dit de produktiviteit sterk beïnvloedde. De kostencurves hadden een plat verloop. Mijnen van uiteenlopende produktiecapaciteit en daarbij horende produktiewijzen waren levensvatbaar. Er was niet een enkele beste techniek of, om het vreemde jargon van economen aan te halen, er was meer dan één manier om een kat te villen.

 

‘Nu en dan verschijnt in de verte een dwaallichtje als een gloeiend luciferskopje’, zo beschreven twee journalisten van Woord en Beeld in 1902 wat zij ondergronds zagen bij hun bezoek aan de Domaniale mijn.59. In de steenkolenmijnbouw bracht de industriële revolutie geen felle verlichting. Verandering was een geleidelijk proces, de dragers ervan waren meestal anoniem. Toch was er ontwikkeling en moeilijke omstandigheden verstikten niet de creativiteit en het vermogen te leren. Er was licht in de duisternis. ‘Dicht langs den grond’, zo noteerden de verslaggevers, ‘glijden hier en daar lichtjes, zonder dat men de dragers ervan kan onderscheiden.’

 

b.p.a. gales