Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel IV


auteur: H.W. Lintsen


bron: H.W. Lintsen (red.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel IV. Delfstoffen, machine- en scheepsbouw. Stoom. Chemie. Telegrafie en telefonie. Walburg Pers, Zutphen 1993  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 240]



illustratie

De NV Nederlandsche Palmitine-Fabriek aan de Kostverloren Wetering bij Amsterdam. Bij de oprichting in 1864 was dit bedrijf de grootste Nederlandse stearinekaarsenfabriek. In 1867 werkten er zelfs 320 arbeiders. Het bedrijf werd vlak na de oprichting door de Amsterdamse gemeenteraad stilgelegd vauwege de enorme vervuiling van het water van de Wetering die zij veroorzaakte. Het geloosde zwavelzure afvalwater zorgde voor stank en voor klachten van de naburige tuinders die het water van de Kostverloren Wetering eveneens gebruikten.


[p. 241]

12
Stearinekaarsen

Walm, was en wetenschap
De eerste Nederlandse fabrieken
Palmolie en zwavelzuur
Een grootschalige trafiek nieuwe stijl

Walm, was en wetenschap

Geen onderdeel van de Nederlandse chemische industrie maakte in de negentiende eeuw grotere veranderingen door dan de kaarsenmakerij. Aan het begin van de eeuw was het kaarsenmaken een ambachtelijke bezigheid die op uitermate kleine schaal in dorpen en steden bedreven werd. Verschillende bedrijfstellingen uit die tijd maken in het geheel geen melding van het kaarsenmaken om de simpele reden dat men dit ambacht niet tot de ‘fabrijken en trafijken’ rekende. Kaarsenmakerijen waren doorgaans eenmansbedrijfjes, slechts in enkele gevallen had een kaarsenmaker een knecht in dienst. Aan het einde van de negentiende eeuw was deze situatie volledig veranderd. Drie grote stearinekaarsenfabrieken in Amsterdam, Gouda en Schiedam, die elk honderden arbeiders in dienst hadden, leverden toen per jaar miljoenen kaarsen voor de binnen- en buitenlandse markt. Zij waren toen tevens de drie grootste chemische fabrieken van Nederland. Ook de kwaliteit van de Nederlandse kaarsen veranderde spectaculair. Terwijl volgens de Duitse observator P.A. Nemnich in 1809 ‘die gewöhnlichen holländischen Kerzengießer, (...) eine in allen Theilen sehr unvollkommene Waare [liefern]’, hoorden de Nederlandse stearinekaarsenfabrieken na ongeveer 1860 tot de toonaangevende fabrieken in de wereld, die menige prijs op Wereldtentoonstellingen in de wacht sleepten en een belangrijke partij waren op de internationale markt.1.

Hoe immens deze kwantitatieve en kwalitatieve veranderingen ook geweest zijn, de meest revolutionaire ontwikkeling vanuit het perspectief van de geschiedenis van de chemische techniek was ongetwijfeld dat de kaarsenindustrie überhaupt een onderdeel van de chemische nijverheid werd. Voor een ambacht waarin kaarsen handmatig en zonder chemische hulpmiddelen gemaakt werden door een katoenen pit te dompelen in gesmolten vet, kwam een grootschalige industrie in de plaats met verschillende chemische processen en machines die het handwerk voor een groot deel vervingen. Deze transformatie was van een andere orde dan een proces van verandering binnen de traditionele kaarsenmakerij. Dat komt onder meer tot uiting in de identiteit van de hoofdrolspelers, die voor het merendeel niets met de kaarsenmakerij te maken hadden gehad. Hieronder zal tevens duidelijk worden dat de Nederlandse stearinekaarsenindustrie na het midden van de eeuw haar expansie vooral baseerde op de verwerking van een geïmporteerde grondstof, palmolie. Hoewel door het gebruik van zwavelzuur stevig verankerd in het paleotechnische netwerk rond de zwavelzuurindustrie, had de stearinekaarsenindustrie daarom tevens de typische kenmerken van een Hollandse trafiek. Haar opkomst als een chemische trafiek nieuwe stijl betekende de ondergang van een ambachtelijke (eotechnische) tak van nijverheid.

 

Vanouds werden in Nederland twee soorten kaarsen gemaakt waartussen zowel in technische als in sociale en economische zin een wereld van verschil bestond, de waskaars en de smeerkaars. Waskaarsen maakte men uit bijenwas. Die was werd uit honingraten uitgesmolten, vervolgens in speciale wasblekerijen gebleekt en was daarna geschikt voor de fabricage van kaarsen. De kwaliteit van waskaarsen was uitstekend - ze dropen, walmden of stonken niet - maar hun prijs was hoog. Omdat ze zo duur waren, werden waskaarsen slechts op kleine schaal gebruikt. De belangrijkste markten vormden de Joodse en de katholieke eredienst en de huishoudens van gegoede families. Aan het begin van de negentiende eeuw telde Nederland ruim honderd waskaarsenmakerijen die, geheel conform de liturgische functie van die

[p. 242]



illustratie

Het maken van smeerkaarsen in de tweede helft van de achttiende eeuw. Van links naar rechts: het smelten van de smeer, het op de juiste lengte snijden van de pitten, het ‘trekken’ van kaarsen, en het ‘gieten’ van kaarsen. Smeerkaarsen waren de kaarsen voor het gewone volk.


kaarsen, grotendeels in Brabant en Limburg gevestigd waren en daarnaast in en rond (het Joodse) Amsterdam.2.

Voor het gewone volk en de middenklassen was er de smeerkaars. Deze kaars maakte men uit uitgesmolten dierlijke vetten, ook smeer of talk geheten, zoals rundvet en schapenvet. Omstreeks 1800 waren er verspreid over het gehele land ruim 300 smeerkaarsenmakerijen. Daarvan bevonden zich er al meer dan 200 in (Noord- en Zuid-) Holland, waarvan ongeveer 100 in Amsterdam alleen. Deze concentratie in het westen van het land had te maken met het feit dat daar de meeste mensen woonden, maar ook met het feit dat een deel van de benodigde smeer uit het Oostzeegebied, met name uit Rusland, werd aangevoerd. Een havenstad als Amsterdam was daarom een natuurlijk centrum voor de smeersmelterij en de daarop voortbouwende kaarsenmakerij.3. Smeer-, vet- of talkkaarsen waren veel goedkoper dan waskaarsen. Hun kwaliteit als verlichtingsbron was echter ook een stuk lager. Terwijl bijenwas boven 60 oC vloeibaar wordt, smelten rundvet en schapenvet reeds ongeveer bij 40 oC. In tropische streken, dus in veel negentiende-eeuwse koloniën, zijn smeerkaarsen dan ook slecht te gebruiken. Bovendien brengt dit lage smeltpunt met zich mee dat smeerkaarsen al snel gaan druipen en dat de pit en het vet niet in hetzelfde tempo opbranden, waardoor de kaarsen ging walmen en de pitten vaak ‘gesnoten’ moesten worden.

Deze gebreken vertoonden smeerkaarsen al eeuwenlang. In oude geschriften treft men regelmatig klachten aan over de gebrekkige kwaliteit van kaarsen. Toen aan het einde van de achttiende eeuw de Argandlamp opkwam, nam het aantal klachten over de smeerkaars echter razendsnel toe. Gebreken waarmee men zich min of meer verzoend had, waren opeens niet meer acceptabel toen er een concurrerende lichtbron was. In de vroeg-negentiendeeeuwse literatuur kan men vele voorbeelden aantreffen van pogingen om de kwaliteit van de smeerkaars te verbeteren. Er werd driftig met de fabricage van de pit geëxperimenteerd, want de kwaliteit en dikte van de (katoenen) pit bepaalde in belangrijke mate de kwaliteit van de kaars. Daarnaast gingen verschillende kaarsenmakers er toe over meer aandacht te besteden aan de selectie van de te gebruiken dierlijke vetten. Zij bereidden de zogeheten compositiekaarsen uit zorgvuldig vastgestelde mengsels van rundvet en schapenvet, waaraan soms ook een hoeveelheid bijenwas was toegevoegd. Ook riepen sommige kaarsenmakers de chemie te hulp. Verschillende, vooral buitenlandse, chemici onderzochten welke gevolgen de toevoeging van bepaalde chemicaliën, zoals metaalzouten had op de kwaliteit van de vetkaars als lichtbron.4. Hoewel al deze pogingen tezamen genomen zeker enig effect sorteerden, bleef de kwaliteit van de vetkaars een bron van ontevredenheid. Het was daarom niet minder dan een revolutie toen er omstreeks 1830 een kaars op de markt verscheen die ook uit dierlijke vetten werd gemaakt maar die niet droop of walmde: de stearinekaars.

De geschiedenis van die uitvinding is een interessant voorbeeld van de interactie tussen techniek en wetenschap, dat overeenkomst vertoont met de technische ontwikkeling op het gebied van de loodwitfabricage. De loodwitmakers ondernamen zelf

[p. 243]



illustratie

Het maken van waskaarsen omstreeks 1800. Van links naar rechts: het gieten van lange waskaarsen met een lepel, het op lengte snijden van de pitten, het gieten van kleinere kaarsen, en het kneden van een zeer lange kerkkaars. Waskaarsen werden gebruikt in de katholieke kerken, in de synagoges, en in de huizen van gegoede families.


verschillende pogingen om hun proces te verbeteren, terwijl er vanuit een daarvan volledig losstaande richting (de sodafabricage) een radicale procesvernieuwing werd geïntroduceerd. Waar deze laatste oplossing evenwel om praktische redenen uiteindelijk faalde, werd op haar terrein de nieuwe stearinekaars uiteindelijk een groot succes. De uitvinding ervan loste enkele belangrijke problemen up waarmee de kaarsenmakerij decennia, zo niet eeuwen, geworsteld had. Maar, net als bij loodwit, werd deze ‘oplossing’ gevonden in een richting waarin de kaarsenmakers en de chemici geheel niet hadden gezocht. De uitvinding van de stearinekaars was het resultaat van fundamenteel en grondig onderzoek naar de chemische samenstelling van dierlijke vetten dat door enkele Franse chemici ondernomen werd. Dit onderzoek werd zeker niet zonder een praktisch oogmerk verricht, maar - en dat is saillant in dit verband - het ging daarbij niet om de kwaliteit van kaarsen maar om het vinden van verbeteringen in de zeepziederij.

 

De centrale figuur in het Franse chemische onderzoek naar oliën en vetten was de toen nog jonge Parijse chemicus Michel Eugène Chevreul (1786-1889).5. Vanaf 1810 tot 1823 onderzocht Chevreul vasthoudend en nauwgezet de chemische samenstelling van vetten. Hij publiceerde daar regelmatig over en vatte zijn resultaten in 1823 samen in een boek - Recherches chimiques sur les corps gras d'origine animale - dat alom geprezen werd als een model van hoogstaand analytisch-chemisch en organisch-chemisch onderzoek. Chevreul begon zijn onderzoek in 1810 met het analyseren van zeep die hij door middel van de zogenaamde verzeping (dat is het koken van een vet met een alkali zodat een zeep ontstaat) verkregen had uit varkensvet en potas. Nadat hij een zuur aan de zeep had toegevoegd, stelde hij vast dat de zeep naast het reeds door de Zweed C.W. Scheele (1742-1786) ontdekte glycerine, bestond uit een vaste component die hij margarine noemde en een vloeibare component welke hij de naam elaine (later oleïne) gaf. Later ontdekte Chevreul dat die twee componenten (vet)zuren waren en noemde hij ze margarinezuur respectievelijk oliezuur. Tegen die tijd (1816) had hij inmiddels ook diverse experimenten met zepen van andere dierlijke vetten gedaan en was hij tot de conclusie gekomen dat alle dierlijke vetten opgebouwd waren uit een combinatie van glycerine en vetzuren als margarinezuur en oliezuur. Enkele jaren later ontdekte hij nog een derde vetzuur, het stearinezuur (toen ook wel talkzuur genoemd).

Op basis van deze experimenten ontstond er een helder beeld van de samenstelling van vetten. Uit stearinezuur en glycerine, margarinezuur en glycerine, en oliezuur en glycerine kunnen drie simpele vetten gevormd worden - stearine, margarine en oleïne geheten - die in een wisselende verhouding in alle natuurlijke vetten voorkomen. Deze vetten hebben, net als de daarmee corresponderende vet-zuren, een verschillend smeltpunt. Stearine en stearinezuur smelten bij ongeveer 70 oC, (Chevreuls) margarine en margarinezuur bij ongeveer 60 oC en oleïne en oliezuur bij 0 tot 10 oC. Dierlijke vetten met een relatief hoog smelpunt, zoals rundvet en

[p. 244]

schapenvet die bij ongeveer 40 oC smelten, bevatten vooral stearine en margarine, terwijl een vet als reuzel dat reeds bij ongeveer 27 oC smelt meer oleïne bevat. Het feit dat uit later chemisch onderzoek gebleken is dat dit heldere beeld veel te simpel is omdat er (in kleine hoeveelheden) nog vele andere natuurlijke vetzuren blijken te zijn die in talloze onderlinge combinaties vetten kunnen vormen, doet niets af aan het feit dat de basisprincipes van de vetchemie sinds Chevreul geen wezenlijke wijzigingen meer hebben ondergaan. Een van de resultaten van het latere onderzoek was ook dat men omstreeks 1850 ontdekte dat Chevreuls margarinezuur geen zuivere chemische verbinding bleek te zijn maar een één op één mengsel van stearinezuur en een vetzuur dat vooral in palmolie bleek voor te komen, het palmitinezuur dat een smeltpunt van iets meer dan 60 oC heeft.6.

Chevreul scheidde deze vetzuren op basis van hun verschillende oplosbaarheid in alcohol, maar al weldra bleek het praktischer vetten (en vetzuren) te scheiden op basis van verschillen in smeltpunt met behulp van een pers. Een mengsel van twee vetten werd daarbij op een temperatuur gebracht die tussen het smeltpunt van beide componenten lag. Door de druk van de pers op te voeren droop het vloeibare vet eruit en bleef het vaste vet achter. Stearine(zuur) en palmitine(zuur) kunnen niet op deze wijze van elkaar worden gescheiden omdat hun smeltpunten te dicht bij elkaar liggen, maar oleïne (of oliezuur) is zo heel goed te scheiden van stearine en palmitine. Deze afscheiding van het oleïne zou een van de belangrijkste grondslagen gaan vormen van de toekomstige stearinekaarsenindustrie.7.

 

Henri Braconnot (1780-1855), apotheker en hoogleraar botanie te Nancy, was de eerste die experimenteerde met het scheiden van dierlijke vetten in een vloeibare en een vaste component door persing. Het lukte hem in 1815 of 1816 om stearine van oleïne te scheiden door schapenvet te persen tussen poreus papier. Hij merkte dat het verwijderen van het vloeibare oleïne een veel vaster vet (stearine) opleverde dan het oorspronkelijke schapenvet. Vooral na zuivering - en gedeeltelijke verzeping? - met behulp van alkali en zuur ontstond een produkt dat volgens Braconnot in veel opzichten op (bijen)was leek. Deze ‘kunstwas’ (stearine, al dan niet vermengd met stearinezuur) leek hem nuttig voor de kaarsenindustrie, die daarmee kaarsen kon maken die veel minder dropen dan de klassieke smeerkaars. Waar de kaarsenmaker al zo lang mee worstelde - het lage smeltpunt van het vet - kon nu worden aangepakt. Niet door het toevoegen van verscheidene stoffen aan het vet zoals men lange tijd geprobeerd had, maar juist door de smeer te ontdoen van het bestanddeel met een laag smeltpunt (oleïne) werd de mogelijkheid geopend om smeerkaarsen harder te maken. In 1818 nam Braconnot, samen met de apotheker Simmonnin, daarop een octrooi. Een groot succes werden de kaarsen van Braconnot en zijn navolgers echter niet. Achteraf is dat wel verklaarbaar: Braconnot had nog onvoldoende zicht op de chemische functie van de glycerine en het belang van het verzepen. Zijn kaarsen bleven enigszins druipen omdat tijdens het verbranden de stearine gedeeltelijk ontleedde in stearine en het vloeibare glycerine, wat ook tot druipen aanleiding gaf.8.

Vermoedelijk door Braconnot geïnspireerd, ging ook Chevreul ertoe over om de resultaten van zijn onderzoek toe te passen op de kaarsenmakerij. Hij combineerde Braconnots ideeën met zijn eigen specialisme, de verzeping. Begin 1825 kregen hij en zijn Parijse collega-chemicus Joseph Louis Gay-Lussac (1778-1850) een Frans en een Engels octrooi op de vervaardiging van stearinezure kaarsen. Eerst werd nu de glycerine uit het vet verwijderd door het vet te verzepen met potas of soda. Vervolgens werd het verzeepte vet geneutraliseerd door er zwavelzuur aan toe te voegen, waarna het oliezuur uit het resulterende mengsel vetzuren werd geperst. Wat overbleef was het vastere stearinezuur (en palmitinezuur), waarvan de kaarsen getrokken konden worden.9. Daarmee was in principe de technische grondslag voor een stearinekaarsenindustrie gelegd. Daar de latere industriëlen het stearinezuur waarvan ze hun kaarsen maakten in de praktijk hardnekkig stearine bleven noemen, is het vooral voor de beginjaren van deze tak van industrie moeilijk om vast

[p. 245]

te stellen of bepaalde bedrijven hun kaarsen maakten op de wijze die door Braconnot aangegeven was (dus uit stearine, zonder verzeping), op de wijze van Chevreul en Gay-Lussac (uit stearinezuur). Zeker is in ieder geval dat de produktie van stearinekaarsen zonder verzeping in de loop van de jaren '30 van de vorige eeuw in onbruik raakte. Na ongeveer 1840 werden alle stearinekaarsen uit stearinezuur gemaakt.

 

De Franse ingenieur J. de Cambacérès opende reeds in 1825 of kort daarna een kaarsenfabriek waar hij de methode van Chevreul en Gay-Lussac in praktijk bracht. Om uit het veel minder vloeibare stearinezuur kaarsen te maken bleek het nodig een andere pit te ontwikkelen die het stearinezuur goed opzoog. De Cambacérès slaagde daarin en bracht de eerste stearinekaarsen op de markt.10. De definitieve doorbraak van de stearinekaars volgde zes jaar later. In 1831 richtten namelijk A. de Milly, een door de Julirevolutie brodeloos geworden kamerheer van koning Charles x, en de arts Motard in Parijs een nieuwe stearinekaarsenfabriek op, waarin zij een aantal cruciale innovaties introduceerden die van de stearinekaars een betaalbaar en kwalitatief goed produkt maakten. In de eerste plaats slaagden zij erin de produktie van het stearinezuur aanzienlijk goedkoper te maken door de verzeping van het vet niet met potas of soda uit te voeren maar met de veel goedkopere gebluste kalk, en door de scheiding van het stearine- en het oliezuur te vervolmaken door

illustratie

Sterk vereenvoudigde weergave van de inzichten met betrekking tot de samenstelling van vetten, op basis van het onderzoek dat Henri Braconnot (1780-1855) en, vooral, Michel Eugène Chevreul (1786-1889) omstreeks 1820 verrichtten. In fysisch opzicht kan men een dierlijk vet beschouwen als een mengsel van verschillende meer homogene vetten met verschillende smeltpunten. Deze vetten - bijvoorbeeld stearine en oleïne - kunnen door persen van elkaar gescheiden worden. In chemisch opzicht zijn vetten verbindingen tussen vetzuren (als stearinezuur en oleïnezuur) en glycerine. De vetzuren en de glycerine kunnen door middel van het zogeheten verzepen (het koken met een alkali, zoals in de zeepziederij gebruikelijk was) van elkaar gescheiden worden. Vervolgens kunnen de ontstane vetzuren weer via persen gescheiden worden op grond van hun verschillend smeltpunt. In het schema is een en ander toegelicht aan de hand van een denkbeeldig vet dat alleen uit oliezuur, stearinezuur en glycerine bestaat. In werkelijkheid bestaan dierlijke vetten uit complexe mengsels van vele meer homogene vetten, waarin tientallen vetzuren voorkomen, de meeste daarvan echter in zeer kleine hoeveelheden. De stearinekaarsenindustrie had daarom in de praktijk in feite alleen te maken met het stearinezuur, het oliezuur en het aan stearinezuur verwante palmitinezuur.
Het schema laat tevens zien dat er in principe twee methoden zijn om stearinezuur te maken. Men kan, in navolging van Braconnot, het vet eerst uitpersen en de stearine die daarbij ontstaat vervolgens verzepen. Of men kan, in navolging van Chevreul, het vet eerst verzepen en de ontstane vetzuren vervolgens via persing van elkaar scheiden. Het was deze laatste methode die in de stearinekaarsenindustrie op grote schaal toepassing zou vinden
.


op de gebruikelijke koude persing een warme persing te laten volgen in een speciaal daartoe ontworpen hydraulische pers. Hierdoor werd de opbrengst aan stearine aanzienlijk verhoogd en werden de produktiekosten navenant lager. Bovendien voerden zij in hun fabriek overal stoomketels in om de vaten waarin de chemische reacties plaatsvonden met stoom in plaats van met een open vuur te verwarmen. In de tweede plaats verbeterden zij de kwaliteit van de kaars door de pitten in boorzuur te dompelen, hetgeen de opname van het stearinezuur in de pit verbeterde, en door enige (bijen)was toe te voegen aan de stearinekaars. Dit laatste was nodig omdat de op zich gewenste smeltpuntverhoging van de kaars een nieuw probleem had doen ontstaan.

De kaarsen waren weliswaar harder maar ook bros geworden en konden 's winters gemakkelijk barsten. Door een beetje bijenwas aan het stearinezuur toe te voegen wist De Milly dit euvel te voorkomen. Ook de kosten van de eigenlijke kaarsenproduktie werden door De Milly en Motard verlaagd. In plaats van de kaarsen te trekken, wat tot dan toe de meest gebruikelijke methode was, gingen zij ertoe over de kaarsen te gieten, een werkwijze die zich veel beter leende tot mechanisatie. Een adequate marketing deed de rest. De Milly en Motard verkochten hun ‘bougies de l'étoile’ namelijk niet als een verbeterde smeerkaars, maar als een goedkope waskaars. Onder de benaming ‘patent-waskaars’ begon de stearinekaars zijn opmars op de Europese markt. In 1834 kregen De Milly en Motard op een

[p. 246]



illustratie

De kalkverzeping in een weinig moderne Engelse stearinekaarsenfabriek halverwege de negentiende eeuw. De smeer werd gesmolten in grote open kuipen die met stoom werden verwarmd (zie de koperen buizen). Daarna voegde men kalkwater toe, kookte het mengsel gedurende acht uur, terwijl arbeiders de vloeistof met de houten spanen handmatig roerden. Nadat de stoom was afgesloten voegden arbeiders verdund zwavelzuur toe (zie de mandflessen), waardoor de kalkzeep gesplitst werd in een stearine/oleïne-mengsel en een gips bevattende waterlaag.


industrietentoonstelling in Parijs een prijs voor hun nieuwe produkt. Kort daarna werden er in Frankrijk en daarbuiten vele nieuwe stearinekaarsenfabrieken opgericht.11. Ook de Nederlandse reactie liet niet lang op zich wachten.

De eerste Nederlandse fabrieken

Verschillende van de innovaties die De Milly en Motard in Parijs op industriële schaal in de praktijk brachten kan men reeds aantreffen in het eerste Nederlandse octrooi op de bereiding van stearinekaarsen dat in november 1827 aan de Parijzenaar E. de Précorbin werd verleend. Dit octrooi betrof de bereiding van de stof ‘Cirogène’ uit smeer en de bereiding van een soort waskaarsen daaruit. Naast de verwijzing naar waskaarsen is het opvallend dat de verzeping met gebluste kalk reeds in dit octrooi wordt genoemd. In mei 1829 kocht de Brusselse fabrikant Carolus Brugelman het octrooi. Het is ons niet bekend of hij ook een stearinekaarsenfabriek oprichtte.12. Een tweede Nederlands octrooi op de bereiding van margarinezuur (stearinezuur) ter vervaardiging van ‘waskaarsen’ dateert uit februari 1836. Het stond op naam van de Parijzenaar V.B. Mesnidot.13.

Uit de tijd van het octrooi van Mesnidot dateren ook de eerste Noordnederlandse stearinekaarsenfabrieken. Wie precies de eerste was, de Utrechtse smeersmelter J.A. Verkerk of de Amsterdamse waskaarsenmaker P.J. Faure, is op basis van de beschikbare informatie niet vast te stellen. Niet veel later volgden nog de oprichting van een stearinefabriek door Hubert - later Th.J. Zeeman - in Amsterdam (ca. 1839) en van een stearinekaarsengieterij in Breda door de uit Brussel afkomstige Ch.A.F. Quanonne (1841).

Faure (Amsterdam)

Toen Philip Josef Faure ergens tussen 1833 en 1839 de fabricage van stearinekaarsen ter hand nam, was hij slechts kort in het vak. In Amsterdamse adresboeken van omstreeks 1820 stond een zekere P. Faure als handelaar in koffie, thee en cacao en als fabrikant van chocolade te boek. Mogelijk gaat het daarbij om dezelfde persoon. Zeker is in ieder geval dat P.J. Faure in 1833 van de familie Van Laar voor zeker ƒ 10.000 de ruim twee eeuwen oude gerenommeerde wasblekerij en waskaarsenmakerij ‘de Honingbij’ kocht, die gelegen was aan de Boeren-

[p. 247]

wetering aan de rand van de stad. Faure nam na aankoop onmiddellijk verschillende initiatieven. Hij verzocht toestemming voor de plaatsing van een stoommachine, veranderde de naam van de fabriek in ‘De Bijenkorf’ en wist bij koning Willem I gedaan te krijgen dat zijn bedrijf voortaan het predicaat ‘Koninklijk’ mocht dragen. Weldra ontdekte hij echter dat zijn waskaarsen minder goed verkochten dan hij had gehoopt. Een grote invoer van stearinekaarsen en ‘patent-waskaarsen’ vanuit Engeland, Frankrijk, Duitsland en België drukte de prijzen voor waskaarsen op de Nederlandse markt en belemmerde de afzet. Faure besloot daarom zelf de ‘stearine of patent-waskaarsen’ te gaan maken uit een mengsel van was en stearine. Hij had daarmee echter geen succes, hetgeen door zijn opvolger Brandon toegeschreven werd aan ‘eene minder goede bewerking of aan de bestaande vooringenomenheid der gebruikers voor dat wat uitlandig wordt gefabriceerd.’ Faure maakte zodoende weinig of geen winst en verkocht zijn bedrijf in 1839 voor slechts ƒ 2.400, waarbij hij wel het recht behield zelf de gereedschappen openbaar te verkopen. Via tussenpersonen kwam het bedrijf toen in handen van N.D. Brandon, die verderop ter sprake zal komen.14.

Verkerk (Utrecht)

De start van de Utrechtse fabricage van stearinekaarsen is beter te dateren. In een in 1837 geschreven verslag over de nijverheid in Utrecht blijkt dat de daar al tien jaar werkzame smeersmelter en kaarsenmaker J.A. Verkerk zich beijverd had ‘om zijne kaarsen eene grootere vastheid te geven, voor zoo veel dit zonder te groote aanwending van moeite en kosten geschieden kan, [door] de meer vaste vetstoffen van de vloeibare olie af te scheiden, en de eerste inzonderheid voor zijn beste gegotene kaarsen aan te wenden.’15.

Dat het daarbij ging om de produktie van stearinekaarsen blijkt uit een rapport dat in augustus 1837 op last van de overheid geschreven werd door de Utrechtse chemisch geschoolde medici N.C. en P.J.I. de Fremery, die moesten adviseren over een verzoek om een lening van ƒ 10.000 die Verkerk in maart 1837 bij het Fonds voor Nationale Nijverheid had ingediend. Volgens vader en zoon De Fremery liet Verkerk nadat hij de smeer gezuiverd had, waarin hij ook een buitenlandse vernieuwing had geïntroduceerd, deze grondstof een ‘bewerking’ ondergaan die ervoor zorgde dat ‘de stearine en margarine (...) vaster [worden] omdat zij in acidum stearicum en margaricum overgaan (...). De reeds bij de gewone temperatuur vloeibare oleïne gaat in insgelijks vloeibaar acidum oleïcum over.’ Waarna het oliezuur op mechanische wijze (door persen) gemakkelijk van het stearinezuur en margarinezuur

illustratie

De produktie van stearinekaarsen, via de zogeheten kalkverzeping (ca. 1840). (Voor stearinezuur leze men steeds: een mengsel van stearine- en palmitinezuur).


[p. 248]



illustratie

Het perslokaal van de NV Stearinekaarsenfabriek ‘Apollo’ te Schiedam. Links de verticale hydraulische persen voor de koude persing. Rechts de horizontale hydraulische persen voor de daaropvolgende warme persing. Op deze wijze scheidde men het stearinezuur en het oliezuur van elkaar.


gescheiden kon worden. Verkerk noemde het vaste vet stearine en het vloeibare vet oleïne. Volgens de twee Utrechtse geleerden maakte Verkerk evenwel stearinezuur en oliezuur en was Verkerks ‘verwisseling van namen en zaken (...) alleen aan niet genoegzame kennis der scheikunde toe te schrijven.’16. Het moge zo zijn dat Verkerk stearinekaarsen maakte, feit is wel dat hij dat deed op een uiterst beperkte schaal en waarschijnlijk slechts gedurende enkele jaren. Toen Verkerk in 1837 een lening vroeg, werkten er 4 tot 7 mannelijke werklieden in zijn bedrijf, terwijl er een jaaromzet van ongeveer ƒ 25.000 gehaald werd. De lening uit het nationale Fonds meende Verkerk nodig te hebben voor de verplaatsing van zijn bedrijf. Op de plaats waar hij zat, kon hij niet uitbreiden en geen stoomketel plaatsen voor het uitsmelten van de smeer. De produktie van harde stearinekaarsen paste in het expansieplan want deze fabricage bood, in de woorden van de heren De Fremery, de mogelijkheid de afzet met name in de richting van de ‘overzeesche bezittingen’ te vergroten ‘waar eene zoo hoge temperatuur heerscht.’ Toen Verkerk in 1840 uiteindelijk uit het Fonds een voorschot van ƒ 12.000 kreeg, gebruikte hij het geld inderdaad voor de verplaatsing van zijn bedrijf en voor de plaatsing van een stoomketel, maar een stearinefabricage op grote schaal richtte hij niet in. Zijn in 1837 geformuleerde devies alleen zaken te ondernemen die zonder grote ‘moeite en kosten’ gerealiseerd konden worden, bleef vermoedelijk zijn leidraad. Verkerk had reeds in 1837 enige verbeteringen in het smelten van de smeer en het gieten van de kaarsen doorgevoerd en alles wijst erop dat bij die activiteiten het zwaartepunt van Verkerks werkzaamheid lag. In een verslag van de activiteiten van zijn bedrijf over de jaren 1840 en 1841 in het Tijdschrift ter bevordering van nijverheid wordt de fabricage van de harde stearinekaarsen al niet meer genoemd. In 1852 meldde de Utrechtse Kamer van Koophandel dat het bedrijf kwijnde en dat Verkerks kaarsen nauwelijks nog konden concurreren tegen het toenemend gebruik van gas en lampen. In die tijd had Verkerk nog slechts 2 mannen en 1 jongen in dienst. Dit zou tot zijn overlijden in 1862 nagenoeg onveranderd blijven. Na zijn dood zette zijn vrouw het bedrijf voort, totdat de fabricage van smeer en kaarsen in 1875 definitief gestaakt werd.17.

Brandon (Amsterdam)

Van de stearinefabrieken die tussen ongeveer 1835 en 1841 in Nederland werden opgericht was er één die weldra met kop en schouders boven alle andere uit zou steken: de fabriek van Brandon. Voordat de Joodse koopman en winkelier Nathan Diaz Brandon (1803-1874) in april 1839 voor slechts ƒ 2.400 de Amsterdamse wasblekerij en Koninklijke Waskaarsenfabriek ‘de Bijenkorf’ van P.J. Faure kocht, stond hij in Amsterdamse adresgidsen te boek als handelaar in manufacturen, modeartikelen, quincailleriën (huishoudelijke artikelen), wasdoek en leder. Waarom hij zich in het kaarsenvak begaf, is niet bekend. Mogelijk had hij vanwege zijn handel in wasdoek reeds contact met Faures wasblekerij. Bij de aankoop van ‘het Perceel’ van Faure bleek hij dat reeds zo goed te kennen dat er geen nadere beschrijving in de koopacte hoefde te worden opgenomen.18.

Een van Brandons voornaamste redenen om juist het bedrijf van Faure te kopen was zijn uitstekende ligging. De wasblekerij beschikte over een ruim terrein, terwijl haar plaats aan de rand van de stad alle gelegenheid tot uitbreiding bood. Direct nadat hij de kaarsenmakerij had gekocht, pakte hij de zaken groot aan. Wetend dat de ‘patent-waskaarsen’ van Faure geen succes geweest waren en ervan overtuigd dat hij zich op de markt van de stearinekaarsen alleen zou kunnen handhaven indien ‘de kwaliteit [van zijn kaarsen] in allen deele aan die der buitenlandsche gelijk wordt; zoo niet [deze] overtreft’, bezocht hij in de zomer van 1839 ‘zelve de voornaamste fabrieken van dit artikel te Parijs’ om zich van de laatste details van de fabricage op de hoogte te stellen, om daar werktuigen te kopen en vooral om ‘kundige en ervaren werklieden [te] doen overkomen’ die de ‘de vereischt wordende scheikundige kennis bezaten.’

Met voldoening kon Brandon de hoogste ambtenaar bij de Administratie der Nationale Nijverheid

[p. 249]

reeds in december 1839 melden dat zijn opzet volledig geslaagd was. De produktie van stearinekaarsen was toen op gang gebracht en de afzet nam zeer snel toe.19.

Ook de jaren daarop bleef hij voortdurend investeren. Stoommachines werden geïnstalleerd en nieuwe werktuigen aangeschaft. Toen Brandon in 1851 zijn bedrijf omzette in een vennootschap onder firma, bracht hij de fabriek voor ƒ 100.000 in. De bedrijfsgebouwen stonden toen voor slechts ƒ 10.000 op de balans, maar de apparaten en werktuigen die Brandon had aangeschaft voor een veelvoud daarvan. In 1856 waren de apparaten en werktuigen ƒ 60.000 waard. Voor de oprichting en voortzetting van een stearine-fabriek waren volgens Brandon, ‘Tonnen-Gouds vereischt, en [die] zijn (...) dan ook door [hem] aan Zyne fabriek ten koste gelegd.’ Uit deze woorden spreekt een visie die volledig afwijkt van de ondernemersfilosofie van Verkerk en Faure.20.

 

Het succes was ook te danken aan Brandons werkzaamheid op commercieel gebied. Toen hij in november 1839 vernam dat zijn stadsgenoot Zeeman de bereiding van stearinekaarsen geoctrooieerd had, schreef hij een brief aan de Administrateur van Nationale Nijverheid waarin hij uitlegde dat hij zich eerder dan Zeeman op dit terrein begeven had. Met kerende post kreeg hij antwoord dat hem inderdaad geen strobreed in de weg zou worden gelegd. De jaren daarna bracht Brandon zijn produkt onder de aandacht van de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, die hem in 1841 een zilveren medaille verleende, en presenteerde hij zich op tentoonstellingen. Net als Verkerk prees Brandon aanvankelijk in 1839 en 1840 zijn ‘patent-waskaarsen’ (stearinekaarsen) speciaal aan als een produkt dat ‘bestand [was] tegen heete klimaten’ en daarom bijzonder geschikt ‘tot verzending naar Oost- en West-Indië.’ Smeerkaarsen konden daar immers niet gebruikt worden. Op deze specifieke markt kon de nieuwe kaars de dure waskaarsen sterk beconcurreren. Weldra betrad Brandon ook andere markten. Hij leverde een breed produkt-assortiment dat uit waskaarsen en stearinekaarsen voor vele specifieke toepassingen bestond - zoals speciale kaarsen voor de Loge der Vrijmetselaren en kaarsen voor muziek-lessenaars - en varieerde van de duurdere kwaliteitskaarsen tot kaarsen voor het grote publiek. Op die markten kon Brandon de concurrentie met de buitenlandse stearinekaarsenfabrieken goed aan omdat hij, volgens een bericht uit 1846, even goede maar aanmerkelijk goedkopere kaarsen leverde. De fabriek van Brandon groeide dan ook fors. In 1851 gaf hij reeds werk aan 100 arbeiders. Hij produceerde toen 210.000 kilo stearine en stearinekaarsen per jaar. Daarvan exporteerde hij

illustratie

De gietkamer van de NV Stearinekaarsenfabriek ‘Apollo’ te Schiedam, waar de machines stonden opgesteld waarmee men kaarsen goot uit gesmolten stearinezuur. Op deze afdeling werkten veel vrouwen, evenals in de inpakafdeling.


ongeveer 125.000 kilo per jaar en zette hij 84.000 kilo op de binnenlandse markt af. Het totale binnenlandse stearineverbruik bedroeg toen slechts 110.000 kilo. Hij was toen, afgezien van een kaarsengieterij in Breda, de enige Nederlandse stearinekaarsenproducent en had, zoals uit de cijfers blijkt, ruim driekwart van de Nederlandse markt in handen. Binnen enkele jaren zou die situatie echter volledig veranderen.21.

Palmolie en zwavelzuur

In de loop van de jaren vijftig begon de Nederlandse stearinekaarsenindustrie aan een expansieve groei die aanhield tot in de jaren zeventig. Bij de start van zijn bedrijfin 1839 was Brandon er nog heilig van overtuigd dat de kostprijs van stearinekaarsen dusdanig hoog was ‘dat zij nimmer het algemeen gebruik der smeerkaarsen zullen vervangen.’22. Na 1850 vaagde de stearinekaarsenindustrie, samen met de gas- en de lampenindustrie, de traditionele kaarsenmakerij echter in enkele decennia volledig weg. Van de 264 smeerkaarsenmakers in Nederland in 1850 bestonden er in 1860 nog slechts 158 en in 1878 was hun aantal tot 27 gedaald. In 1890 waren er nog maar 12 bedrijven over.23. Dat had te maken met enorme prijsdalingen die in de fabricage van stearinekaarsen werden gerealiseerd. Deze prijsdalingen werden op hun beurt mogelijk door de inzet van een goedkope, ruim voorradige nieuwe grondstof, palmolie, en met technische innovaties in het produktieproces, waarbij onder andere de kalkverzeping plaats maakte voor de zwavelzure verzeping.

[p. 250]



illustratie

Prijslijst van de fabriek van Brandon omsteeks 1840. Aan verschillende groepen consumenten leverde Brandon specifieke soorten kaarsen. ‘Patent-waskaarsen’ zijn kaarsen gemaakt uit een mengsel van stearinezuur en was.


Met Chevreuls bevindingen betreffende de samenstelling van vetten was het in principe mogelijk geworden ook uit andere stoffen dan dierlijk vet of talk kaarsen te maken. Plantaardige oliën die veel goedkoper waren dan vet, waren daarvoor de meest voor de hand liggende kandidaat. Vooral kokos-olie en palmolie hielden een belofte in voor de jonge stearinekaarsenindustrie.24. De Nederlandse regering was in verband met de koloniën zeker geïnteresseerd in deze nieuwe ontwikkelingen: ‘in het belang der overzeesche bezittingen zou het voorzeker wenschelijk zijn, indien een voortbrengsel zoo als de olie der kokos-noot het welk vatbaar is om in groote hoeveelheden te worden voortgebracht, eene verhoogde waarde bekomen en een voorwerp van uitvoer naar Europa worden kan’, stelde een hoge ambtenaar bijvoorbeeld in 1830 naar aanleiding van een door een Engelsman ingediend octrooi.25. Experimenten door buitenlandse fabrikanten van stearinekaarsen wezen evenwel uit dat kokosolie een minder geschikte grondstof dan palmolie was.

Vanaf ongeveer 1840 kwam in Nederland de invoer van palmolie goed op gang, hoewel aanvankelijk nog niet als grondstof voor de kaarsenindustrie. N.D. Brandon trad sinds 1846 ook op als handelaar in palmolie, een activiteit die paste in zijn beleid om naast zijn kaarsenfabriek ook een belangrijke machtspositie in de handel in smeer, talk, ruwe stearine en andere vette stoffen op de bouwen. In 1851 associeerde hij zich, onder de firma Nathan Diaz Brandon, met zijn broer Mozes Brandon Mondolpho en de Amsterdamse commissionair en scheepsreder Dirk van den Berg. Tegelijk kreeg zijn handel in palmolie en vetten een nog grotere uitbreiding. In 1856 stonden voorraden palmolie bij Brandon voor ruim ƒ 50.000 op de balans.26.

 

Een ruime aanvoer van palmolie had zeker invloed op de prijs maar maakte nog niet dat die olie automatisch als grondstof voor stearinekaarsen gebruikt kon worden. Wanneer men in de gebruikelijke kalkzure verzeping van De Milly het vet geheel door palmolie verving waren de resultaten slecht. Pas na verschillende aanpassingen in het produktieproces was de goedkope tropische grondstof te gebruiken. Voor een deel kwam dit door het feit dat het smeltpunt van palmitinezuur, dat ruim in de palmolie voorkwam, ongeveer 7 oC lager ligt dan het smeltpunt van stearinezuur. Kaarsen met teveel palmitinezuur hadden dan ook niet de gewenste hardheid. Men loste dit op door palmolie en vet samen als grondstoffen te gebruiken.27.

Het bleek echter dat een hoeveelheid palmolie bij kalk-verzeping 15% minder stearinezuur opleverde dan een gelijke hoeveelheid dierlijk vet. Een andere methode, waarbij men oliën en vetten met zwavelzuur verzeepte, leek dit nadeel niet te hebben. Daar stond echter als belangrijk bezwaar tegenover dat de vetzuren die zo vrijkwamen gedeeltelijk door het zwavelzuur verkoolden, waardoor de stearine als een zwarte massa uit de verzepingskuipen kwam.

In 1836 verzeepte de Franse chemicus E. Frémy in zijn laboratorium olijfolie met zwavelzuur en toen hij vervolgens door destillatie met behulp van stoom het zwarte koolstofresidu en de vetzuren van elkaar wist te scheiden, hield hij een mooi wit produkt over. Het destillatieproces was aanvankelijk echter

[p. 251]

kostbaar, het duurde 15 tot 20 uur, en de temperatuurregeling vergde een grote mate van nauwkeurigheid. Ook was het produkt niet altijd zo mooi als dat van de kalkverzeping.28.

Vijfjaar na Frémy lukte het de grote Engelse kaarsenfabrikant Wilson om deze problemen grotendeels op te lossen en voor het eerst de stap te zetten naar de industriële toepassing van het nieuwe procédé. Hij en zijn medewerkers bouwden de zwavelzure verzeping, gevolgd door stoomdestillatie, uit tot een proces dat op grote schaal industrieel kon worden toegepast.

Naarmate men de zwavelzure verzeping en de destillatie technisch verder ontwikkeld werden, werd het in de loop van de jaren vijftig - dus ruim vijftien jaar na Frémy's laboratoriumproeven - steeds duidelijker dat er met deze verzepingsmethode een veel hogere opbrengst kon worden gehaald. De verzeping van talk en palmolie door middel van zwavelzuur leverde zo'n 60% vaste vetzuren op, terwijl met kalk slechts 45% stearine uit de grondstoffen kon worden afgescheiden. Toen dat eenduidig kwam vast te staan, waren de dagen van de kalkverzeping geteld.

De eerste experimenten in Nederland om palmolie samen met vet als grondstof voor kaarsen te gebruiken werden in de eerste helft van de jaren vijftig uitgevoerd in de fabriek van Brandon door de Delftse hoogleraar S.A. Bleekrode, die uitstekende contacten met Wilson onderhield en die de Londense fabriek verschillende malen bezocht.29. De experimenten van Bleekrode en de mensen van Brandon hadden succes en palmolie werd te Amsterdam op grote schaal ingevoerd. Alle latere Nederlandse stearinekaarsenfabrieken volgden dat voorbeeld.

Op de Wereldtentoonstelling in Parijs in 1855 exposeerden 61 stearinekaarsenfabrieken, waarvan er 44 uitsluitend de kalkverzeping toepasten; 16 bedrijven (waaronder mogelijk Brandon) hanteerden de zwavelzure verzeping en de kalkverzeping naast elkaar, terwijl er slechts één bedrijf was - Wilsons Price's Patent-Candle Company - waar uitsluitend de methode met zwavelzuur werd gebruikt. Op de Londense Wereldtentoonstelling van 1862 was de doorbraak van de zwavelzurc verzeping een feit. Van de 100 stearinekaarsenfabrieken die daar hun produkten aanboden, waren al 40 fabrieken tot het uitsluitend gebruik van de zwavelzure methode overgegaan. Zeven bedrijven combineerden beide werkwijzen. In Engeland, België, Nederland en Zweden werkten vrijwel alle fabrieken met zwavelzuur. In Frankrijk, Italië en Oostenrijk overheerste de oude methode, maar deze bedrijven leden zwaar onder de Engelse, Belgische en Nederlandse concurrentie.30.



illustratie

De productie van stearinekaarsen, via de zogeheten zwavelzureverzeping (ca. 1860)


[p. 252]

Een grootschalige trafiek nieuwe stijl

Het gebruik van palmolie als grondstof, gekoppeld aan de invoering van de zwavelzure verzeping, vormde de grondslag voor de geweldige expansie van de Nederlandse stearinekaarsenindustrie. Grote abattoirs rond steden als Parijs en Brussel maakten dat in die landen het dierlijk vet veel goedkoper was dan in Nederland. In ons land waren zulke grote slachthuizen echter bij de wet verboden.31. Door een deel van het vet te vervangen door palmolie konden de Nederlandse kaarsenfabrieken dit nadeel ten opzichte van hun Belgische en Franse concurrenten belangrijk reduceren. Het handelsnetwerk dat Nederland al had met zijn koloniën en dat naar Afrika werd uitgebreid, was daarbij onontbeerlijk. Palmolie werd op grote schaal in Amsterdam en Rotterdam aangevoerd en de Nederlandse stearinekaarsenindustrie ontwikkelde zich tot een trafiek nieuwe stijl, die grondstoffen van overzee aanvoerde en haar produkt vooral naar het buitenland exporteerde. Verschillen met de oude trafieknijverheid waren er ook: de steeds belangrijker rol die chemische en technische kennis gingen spelen, de enorme schaal waarop geproduceerd werd en de grote kapitalen die daartoe nodig waren.

De schaalontwikkeling wordt geïllustreerd door de in- en uitvoercijfers. Tussen 1847 en 1856 voerde Nederland gemiddeld per jaar ongeveer 360 ton palmolie in, waarvan echter slechts ongeveer 20% binnenlands verwerkt werd. Tussen 1857 en 1866

illustratie

GRAFIEK 12.1: DE NEDERLANDSE UITVOER VAN STEARINEKAARSEN, 1850-1880 (IN DUIZENDEN GULDENS)


groeide het jaarlijks binnenlands verbruik reeds tot meer dan 4.000 ton. In 1867 verwerkte men 10.000 ton geïmporteerde palmolie, in 1870 ging het om 10.800 ton en in 1875 om 13.800 ton.32. De sterkste expansie lag tussen 1856 en 1867, toen ook enkele grote fabrieken werden opgericht. In de jaren zestig steeg de uitvoer van stearinekaarsen - in geld uitgedrukt - tot het tienvoudige (grafiek 12.1).33.

Deze groei werd niet alleen door Brandon gerealiseerd. Zijn succes trok concurrenten aan. In de jaren vijftig betekende het opzetten van een stearinekaarsenfabriek echter iets heel anders dan twintig jaar daarvoor. Palmolie als grondstof en de zwavelzure verzeping gaven een hoger financieel rendement dan de oude kalkverzeping van dierlijk vet, maar de aanschaf van de benodigde werktuigen, waaronder destillatie-apparaten en kaarsengietmachines, vergde grote kapitalen. Alleen wie op een grote schaal opereerde kon zich handhaven, reden waarom vrijwel alle nieuwe kaarsenfabrieken in de vorm van een nv werden opgezet, zoals verderop zal blijken. De enige stearinekaarsenfabriek die het in 1858 nog op kleine schaal probeerde - de vanouds gerenommeerde zeep- en kaarsenfabriek van de Hernhutters in Zeist - gaf de bereiding van stearine(kaarsen) al spoedig op.34.

De NV Stearine-Kaarsenfabriek ‘Gouda’

De eerste binnenlandse concurrent die Brandon er na 1850 bij kreeg, was een bedrijf dat in 1853 in Gouda werd opgericht. De initiator ervan was de plaatselijke apotheker A.A.G. van Iterson (1803-1897). Deze had in Utrecht avondcolleges scheikunde gevolgd bij P.J.I. de Fremery.35. In 1853 associeerde Van Iterson zich met de firma Schoneveld, Westerbaan & Co. in zijn woonplaats. Dit bedrijf, dat aardappelstroop produceerde, lag 's zomers stil omdat men de grondstof zoveel mogelijk vers wilde verwerken. Dientengevolge was men op zoek naar mogelijkheden om ook gedurende de zomermaanden de machines te gebruiken. Van Iterson kwam met het idee dat de fabricage van stearinekaarsen een mogelijkheid bood.36. De bestaande firma werd onder de oude naam voortgezet met het zeer bescheiden kapitaal van ƒ 20.000.37. De resultaten waren hoopgevend en men besloot omstreeks 1857 de zaken groter aan te pakken. Duidelijk was dat het bedrijf moest overstappen van de kalk- naar de zwavelzure verzeping en dat daar behoorlijk was kapitaal voor nodig was. In navolging van Brandon, die zijn bedrijf in 1857 omzette in een nv, richtte men daarom in 1858 ook een naamloze vennootschap op, met een kapitaal van ƒ 225.000. Tevens diende het bedrijf ervoor te zorgen dat de technische kennis die het nieuwe procédé vereiste in huis werd gehaald.38.

[p. 253]

In de oprichtingsvergadering van de nv Stearine-Kaarsenfabriek ‘Gouda’ werd de situatie waar het bedrijf voor stond als volgt getypeerd: ‘De lage prijzen (...) echter in het buitenland als gevolg eener nieuwe manier van voortbrengen (zwavelzure verzeping), noopen om de wijze van werken te veranderen, en deze meer in te rigten overeenkomstig de wetenschap en de ervaring, ten einde gelijken tred te houden met de vreemden, de concurrentie met goed gevolg het hoofd te bieden en zich eene billijke winst te verzekeren. Dienovereenkomstig heeft [de firma Schoneveld, Westerbaan & Co.] zich verstaan met eenen fabriekant in België en een procédé gekocht, waarnaar men goed en goedkoop kan fabriceren, kortom waarmede men het voorgestelde doel bereiken kan, (...) De invoering der nieuwe wijze van werken eischt echter eene uitbreiding van kapitaal.’39.

 

Het procédé waar het om ging was afkomstig van de Brusselse firma De Roubaix, Jenar & Co. De essentie ervan betrof het destillatieproces van het door zwavelzuur verzeepte vet en de palmolie, die nu ook in Gouda zijn intrede deed. De Belgische specialisten leverden de benodigde apparatuur en personeel om alles in Gouda te installeren, zodat er optimale resultaten zouden worden bereikt. De Roubaix, Jenar & Co. verzekerde dat het proces bij het gebruik van 60% palmolie en 40% talk een opbrengst zou hebben van 90% vetzuren, waarvan 49% oleïne-zuur en 51% stearine-zuur en palmitine-zuur, met een smeltpunt van 51oC.40. Door verbeteringen in het proces konden echter al snel betere resultaten worden geboekt. Het percentage stearine wist men op te voeren van 51% tot 60%, met name door de hoeveelheid glycerine terug te brengen.41. Met de aankoop van dit proces in 1858 had in Gouda de kalkverzeping afgedaan. Het kostenaspect was daarbij doorslaggevend geweest, de iets mindere kwaliteit van de stearine die men uit de palmolie kreeg, nam men voor lief.42.

De grondstofcijfers in tabel 12.1 illustreren de enorme groei die de fabriek in de aanvangsjaren doormaakte. Duidelijk is ook dat het bedrijf zich vrij nauwkeurig aan het recept (60% palmolie / 40% vet) van de Brusselse firma hield. De groei van de onderneming komt ook in het arbeidersaantal terug, dat in diezelfde periode toenam van 115 tot 265, en in 1872 zelfs de vierhonderd passeerde.43.

 

Uit een beschrijving van het produktieproces uit 1877 en een goedereninventaris uit 1880 blijkt dat de Goudse fabriek toen nog steeds de werkwijze toepaste die men van de Brusselse firma overgenomen had. Wel was de omvang van het produktieapparaat sinds de oprichting spectaculair vergroot. In 1880 waren er maar liefst tien grote destillatie-ke

illustratie

De kaarsengieterij van de NV Stearine-Kaarsenfabriek ‘Gouda’ in 1898. Ook hier op ruime schaal vrouwenarbeid. In de fabriek van Brandon was de arbeidssituatie van vrouwen omstreeks 1880 erbarmelijk. Werkdagen van 16 uur waren geen uitzondering, soms werd een hele nacht doorgewerkt, en ook kwam het voor dat vrouwen enkele dagen na een bevalling weer op het werk verschenen.


Tabel 12.1: Grondstoffenverbruik nv stearine-kaarsenfabriek ‘Gouda’, 1859-1865 (in duizenden kilo's).

Jaar smeer palmolie totaal palmolie in % van het totaal
1859 - - 333 -
1860 276 415 691 60%
1861 348 597 944 63%
1862 413 652 1065 61%
1863 565 1128 1693 67%
1864 886 1233 2119 58%
1865 921 1374 2295 60%
Bron: GA Gouda, Archief K.S.K. ‘Gouda’, Jaarverslagen 1859-1865.

[p. 254]



illustratie

Een tekening van H.M.J. Misset van de NV Koninklijke Fabriek van Waskaarsen aan de Boeremvetering te Amsterdam vlak voor de sloop in 1906. De fabriek was berucht om de stank die zij over Amsterdam-Zuid verspreidde. In 1883 poogde de Amsterdamse gemeenteraad tevergeefs de fabriek te sluiten vanwege ‘de vuile, walgingwekkende lucht’ en het vrijkomende ‘smerige, vettige, zwarte stof.’


tels, vier uitdamptoestellen, negen koude persen, zeven warme persen, één warme en koude pers, zeven stoomketels, vijf stoommachines, 162 gietmachines en zes rogneermachines.44.

In hoofdlijnen verliep de produktie in Gouda als volgt. Voordat men tot verzeping overging, werden het vet en de palmolie gesmolten en gereinigd met behulp van stoom en zwavelzuur. Voor de daaropvolgende verzeping werd 4 à 5% zwavelzuur gebruikt.45. Het mengsel werd vervolgens in water gewassen, zodat de vetzuren met het verdund zwavelzuur en de opgeloste glycerine boven kwamen drijven. De afgetapte, onzuivere vetzuren werden met oververhitte stoom gedestilleerd. Het mengsel van de gedestilleerde vetzuren en water werd daarna gekoeld en dan kon men het water, dat zwaarder was en zich op de bodem van de koelbak bevond, aftappen. Zo hield men louter mooie witte vetzuren over.46.

Na nogmaals wassen en afkoelen, vormden zich grote koeken vetzuur. Uit deze brokken perste men in hydraulische persen de oleïne, eerst met een ‘koude’ en vervolgens met een ‘warme’ persing, zodat palmitinezuur en stearinezuur werden gescheiden. Er volgde een allerlaatste zuivering met zwavelzuur, om de kleine hoeveelheid ijzer te verwijderen die tijdens het persen was opgenomen. Eindelijk kon men dan tot het gieten overgaan, een handeling die inmiddels gemechaniseerd was. Voor het gieten werd de stearine zover afgekoeld dat ze reeds enigzins kristalliseerde. Zo verkreeg men een romige massa die in voorverwarmde vormen werd gegoten. De gedeeltelijk gekristalliseerde stearine smolt aan de randen en werd mooi glad nadat men de vormen met koud water afkoelde. In de rogneerkamer tenslotte werden de kaarsen machinaal op lengte gesneden en vervolgens ingepakt.

 

Aan de hand van de bewaard gebleven boekhouding van de fabriek te Gouda is een ander verschijnsel goed waar te nemen: de toenemende betekenis van de nevenprodukten glycerine en oleïne. Stearinekaarsen en het half-fabrikaat stearine bleven de voornaamste handelsprodukten van Gouda en de andere grote kaarsenmakerijen, maar de gemiddelde verkoopprijs van de stearine daalde van meer dan ƒ 90 in 1862 tot ƒ 78 in 1868. Dit zette de winstmarge onder druk. Oleïne en in mindere mate glycerine werden daardoor bij-produkten die men zo goed mogelijk moest zien te verkopen. In de hoeveelheden zoals in Gouda en Amsterdam geproduceerd, werden zij mede winstbepalend. Oleïne - dat aan de wollenstoffen- en de zeepindustrie geleverd werd - speelde al langer een rol, maar vanaf het begin van de jaren zestig begon glycerine ook een waardevol nevenprodukt te worden. Het vond on-

[p. 255]

der andere toepassing in de cosmetica-industrie en voor medicinaal gebruik, en later in de textielindustrie.47. Rond 1877 werd in Gouda meer dan ƒ 50.000 voor de verkochte glycerine ontvangen.

De nv Koninklijke Fabriek van Waskaarsen

In de jaren '50 steeg de vraag naar stearinekaarsen zo sterk dat Brandon er nauwelijks last van had dat er met de oprichting van de Goudse stearinefabriek in 1853 een nieuwe concurrent op de markt verschenen was. Vanaf 1855 bleek dat de vraag naar kaarsen de produktiecapaciteit van de Amsterdamse fabriek voortdurend oversteeg, zodat Brandon in 1857 tot forse uitbreidingen besloot.48. Expansie was des te meer geboden omdat sinds kort een serieuze Nederlandse concurrent bijgekomen was. Op 1 januari 1857 was namelijk mede-directeur Dirk van den Berg uit de firma N.D. Brandon getreden en een halfjaar later had hij de nv Hollandsche Stearine Fabriek opgericht die stearine, oleïne en stearinekaarsen ging vervaardigen.

Ook de nieuwe ontwikkelingen in verzepingsmethodes en grondstoffen noopten tot nieuwe investeringen. Zoveel kapitaal was nodig dat men in oktober 1857 het besluit nam een naamloze vennootschap op te richten, met een kapitaal van ƒ 500.000.49. De directie bestond aanvankelijk uit N.D. Brandon, M. Brandon Mondolpho, J.C.L. Druijvestijn en H.F.J. Guéritault, een waarschijnlijk uit Frankrijk afkomstige civiel ingenieur die tot die tijd technisch directeur van de suikerraffinaderij van Van Oordt in Rotterdam was geweest. Toen Guéritault in maart 1865 vertrok, werd hij opgevolgd door de toen slechts 23 jaar oude ‘civiel ingenieur’ L.A.H. Hartogh die, naar zijn zeggen, voor die tijd reeds veertien jaar bij de koper- en ijzerpletterij van L.J. Enthoven in Den Haag had gewerkt.50. In juni 1866 werd hij door de aandeelhouders met algemene stemmen gekozen als derde directeur naast de gebroeders Brandon.51.

Reeds voor de omzetting van de firma N.D. Brandon in een nv was het bedrijf, naar aanleiding van de in 1855 door Bleekrode uitgevoerde proeven, van de kalkverzeping overgestapt op de zwavelzure verzeping.52. Blijkbaar voldeed het proces niet in alle opzichten want in oktober 1860 nam de fabriek een octrooi over dat de Antwerpse koopman L.A. Müller 24 augustus van dat jaar in Nederland verkregen had. Müller had ‘...eene nieuwe verbeterde wijze uitgevonden voor de verwerking van onzijdige vette lichamen in vette zuren en glycerine en in de daarstelling van wijzigingen in de resultaten en zamenstelling van distilleertoestellen, ten gevolge waarvan, eene vereenvoudiging in de werktuigen vereischt voor de fabricatie en eene betere bereiding van het oleïne geschikt tot het vervaardigen van

illustratie

GRAFIEK 12.2: PRODUKTIECIJFERS VAN DE NV KONINKLIJKE FABRIEK VAN WASKAARSEN, 1859-1873


kaarsen en ten gebruike bij de wolbereiding wordt verkregen.’53.

Het octrooi van Müller ging uit van de zwavelzure verzepingsmethode en behelsde vijf onderscheiden verbeteringen. Het bevatte voorstellen voor een betere opstelling en afregeling van de apparatuur voor de zwavelzure-verzeping, zodat een hoger rendement dan met de kalkverzeping werd verkregen. Ook gaf het aan dat het zwavelzuur na de verzeping gedeeltelijk teruggewonnen kon worden, zodat het opnieuw kon worden gebruikt. Müller ontwikkelde bovendien een nieuw apparaat bestemd voor het omzetten van oliezuur met zwavel- of stikstofoxide, om ook dit weinig waardevolle zuur geschikt te maken om er kaarsen van te vervaardigen (vetharding). Tenslotte verbeterde Müller de destillatie-apparatuur aanzienlijk en gaf hij aan hoe de diverse apparaten verwarmd konden worden met behulp van één gesloten stoomcircuit. Eindresultaat van dit alles was dat er na de koude en wanne persing meer stearine overbleef dan met kalk-verzeping het geval was, en daar ging het om.

Toch lijkt het bedrijf van Brandon niet erg enthousiast geweest te zijn over de resultaten die in de praktijk met de methode van Müller werden behaald. Begin jaren zestig sloot men namelijk een overeenkomst met de Brusselse firma De Roubaix, Jenar & Co, die het proces geleverd had waar de fabriek in Gouda grote successen mee behaalde. Toen Hartogh in 1866 directeur werd, stelde hij voor ‘... dat contract verder voort te zetten ten einde de noodige kennis te verkrijgen, om tot de meest mo-

[p. 256]



illustratie

De NV Stearinekaarsenfabriek “Apollo” aan de Nieuwe Waterweg bij Schiedam omstreeks 1890. Schepen voor de aanvoer van palmolie en de uitvoer van kaarsen liggen aan de kade. De stearinekaarsenindustrie was een trafiek nieuwe stijl die, op basis van chemische kennis, tropische grondstoffen omzette in een produkt dat vervolgens weer naar de tropen werd geëxporteerd. De Nederlandse stearinekaarsenfabrieken werkten in 1890 vrijwel geheel voor de export, en wel naar die landen waar het gaslicht en het elektrisch licht nog geen grote vlucht genomen hadden.


gelijke rendementen te komen, [en net] zulke prachtige resultaten [te krijgen als de fabriek in Gouda].’ Hartogh bezocht zelfde stearine-kaarsenfabriek te Gouda, waar hij alles te zien kreeg, in ruil voor de belofte dat hij nooit personeel van ‘Gouda’ in dienst zou nemen.54.

Onder leiding van Hartogh groeide de Koninklijke Fabriek van Waskaarsen enorm. Nadat de fabriek in 1869 gedeeltelijk was afgebrand, besloot men tot forse investeringen en tot een grote uitbreiding van de fabriek. In de jaren daarop stegen de productiecijfers van 3.600.000 pakken kaarsen in 1870 tot 11.000.000 pakken twee jaar daarna (grafiek 12.2). Daarna had het bedrijf het enige jaren moeilijk ten gevolge van de algehele economische malaise na de (beurs)crisis van 1873. Hoewel het fabriek omstreeks 1880 uitgroeide tot een zaak waar wel 500 tot 600 mannen en vrouwen werkten, drukten schulden waarschijnlijk zwaar op het bedrijf. Het jaar 1882 was ronduit een ongeluksjaar. In 1883 moest de nv liquideren. Het kwam toen in handen van het Duitse bankiershuis Oppenheim. In 1906 nam de nv Stearine-Kaarsenfabriek ‘Gouda’ de Koninklijke Fabriek van Waskaarsen uiteindelijk over en besloot tot sluiting en afbraak van de fabriek. De produktie werd toen in Gouda geconcentreerd.

Van kaarsenfabriek tot chemisch bedrijf

Naast de twee hierboven beschreven ondernemingen werden er omstreeks 1860 nog drie grote stearinekaarsenfabrieken opgericht. Twee van hen was echter geen lang leven beschoren. De nv Hollandsche Stearinefabriek, in 1857 met een aandelenkapitaal van ƒ 250.000 opgericht door Brandons voormalige mede-vennoot Van den Berg, sloot in 1867 alweer de poorten.55. Van 1864 tot 1872 leidde de grote nv Nederlandsche Palmitinefabriek een kommervol bestaan. Het bedrijf was door Amsterdamse reders en zeehandelaren opgezet op basis van een aandelenkapitaal dat maar liefst ƒ 800.000 bedroeg. De helft daarvan werd bij de oprichting gestort, met de statutaire bepaling dat de rest binnen zes jaar diende te volgen.

Na een moeizame start - de gemeente Amsterdam liet het bedrijf tijdelijk weer sluiten vanwege de grote vervuiling van het oppervlaktewater - waren er in 1867 reeds 320 arbeiders in dienst. Als chemisch bedrijfsleider trok men in 1870 Dr. Henri IJssel de Schepper (1844-1909) aan, die opgeleid was in Hannover en in Göttingen, waar hij ook promoveerde. Het grote bedrijf kon de concurrentie echter niet volhouden en werd in 1872 geliquideerd. IJssel de Schepper zette zijn carrière voort bij de

[p. 257]

Goudse stearinekaarsenfabriek, waar hij in 1880 directeur werd.56.

Ook Rotterdamse reders en handelaren begaven zich op het pad van de stearinefabricage. In 1864 richtten zij de nv Stearine-Kaarsenfabriek Rotterdam op, waarvan de fabriek te Schiedam gevestigd werd. In 1870 ging de fabriek in andere handen over en werd de naam in nv Stearine-Kaarsenfabriek ‘Apollo’ veranderd. De chemische leiding van dat bedrijf was in handen van de chemicus en apotheker G.J. Jacobson A.B.zn, die ooit ook nog in de garancine-industrie had gediend.57. Tabel 12.2 geeft een beeld van de economische ontwikkeling van de vijf grootste Nederlandse stearinekaarsenfabrieken, uitgedrukt in aantallen arbeiders.

 

Na de sluiting van de Nederlandsche Palmitinefabriek in 1872 waren er nog maar drie stearinekaarsenfabrieken in Nederland, elk met enige honderden arbeiders. Tot de sluiting van de Amsterdamse fabriek in 1906 bleef de bedrijfstak in economisch opzicht betrekkelijk stabiel. Spectaculaire groei als in de jaren vijftig en zestig trad niet meer op. In technisch opzicht veranderde er wel het een en ander. De produktie werd verder gemechaniseerd, de chemische processen scherper gecontroleerd en de produkten en de tussenprodukten werden in een steeds grotere graad van zuiverheid afgeleverd.

Via die produkten en tussenprodukten raakte de kaarsenindustrie in een toenemende mate verbonden met andere onderdelen van de chemische nijverheid, zoals de zeepfabricage. Er ontstond een apart deelgebied binnen de chemische sector, die op de chemie van oliën en vetten gebaseerd was. Een voorbeeld is de verwerking van glycerine. Tot ongeveer 1864 was dit een nutteloze afvalstof, maar toen de stearinekaarsenfabrieken de raffinage ervan ter hand namen, begon de glycerineverkoop een essentiële bijdrage aan het bedrijfsrendement te leveren. In 1877 richtte H.W. Schalwijk in Rotterdam zelfs een aparte chemische fabriek op waar de glycerine van de kaarsen- en de zeepfabrieken gezuiverd werd. Andere voorbeelden van zulke aparte chemische fabrieken zijn de in 1871 door Waskaarsen-directeur L.A.H. Hartogh opgerichte nv Hollandsche Chemische Fabriek te Nieuwer-Amstel, waar vetstoffen geëxtraheerd werden met behulp van zwavelkoolstof, en de palmoliedistilleerderij van de firma Hendrik Muller & Co., die omstreeks 1875 werd opgericht. Via zulke fabrieken en ook door rechtstreekse leveranties raakte de stearinekaarsenin-

Tabel 12.2: Arbeidersaantallen stearinekaarsenfabrieken, 1855-1881

Jaar Koninkl. fabr. v. waskaars. Stearine-
kaarsen-
fabr. Gouda
Stearine-
kaarsen-
fabr. Schiedam
Hollandse Stearine-
fabriek
Nederl. Palmitine Fabriek
1855 c. 90 40  
1856 c.125 -  
1857 c.130 -   -  
1858 200 -   60  
1859 - 115   c.90  
1860 - 115   -  
1861 - -   -  
1862 - 158   100  
1863 - 186   -  
1864 - 250 - 100 -
1865 185 265 73 - -
1866 - 250 - 110 226
1867 185 256 - - 320
1868 - 256 -   -
1869 - 322 -   -
1870 - 366 140   -
1871 - 388 193   250
1872 - 418 227   -
1873 - 458 366  
1874 c.360 - 243  
1875 c.320 - 280  
1876 370 - 360  
1877 c.460 474 365  
1878 c.330 - 346  
1879 c.450 - 341  
1880 c.520 - 349  
1881 376 489 -  
- = fabriek bestond wel, maar arbeidersaantal is niet bekend.
 
Bron: Giele, Een kwaad leven, 188; Schmitz, Schiedam, 51; Wessels, Gouda, 84; MacLean, ‘Ook de kaarsenmaker’; GA Gouda: jaarverslagen en notulen aandeelhoudersvergaderingen; Stat. Jb. 1857, 322; 1858, 324; Prov. Verslag Noord-Holland 1866, 521; Prov. Verslag Noord-Holland 1871.

dustrie - die inmiddels door chemisch geschoolde directeuren geleid werd - steeds meer ingebed in de chemische sector als geheel. Het kaarsenmakersbedrijf was een chemische industrie geworden.

 

e.a.m. berkers en e. homburg