auteur: H.W. Lintsen
bron:
H.W. Lintsen (red.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel IV. Delfstoffen, machine- en scheepsbouw. Stoom. Chemie. Telegrafie en telefonie. Walburg Pers, Zutphen 1993
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2009 dbnl / H.W. Lintsen / de afzonderlijke auteurs en/of hun rechthebbenden

|
|
| |
| | | |
Telegrafie en telefonie
| | | |

De optische telegraaf van Chappe bestond uit een rechtopstaande houten constructie, waaraan een scharnierende dwarsbalk, de regulateur, was bevestigd. Aan ieder uiteinde van deze regulateur zat een soort vleugel, de indicateur. Met een ingenieuze inrichting, de manipulateur, konden de regulateur en de beide indicateurs in 196 verschillende standen worden gezet. In de praktijk werden er maar 98 van gebruikt.
| | | | | |
14
Telegrafie en telefonie
De telegrafie als technisch systeem
Semaforen en stroomstoten
Particuliere initiatieven
Overheidsinitiatief
De aanleg van het Rijkstelegraafnet
De opening
De uitbreiding van de Rijkstelegraaf
Transmissie van spraak
De Rijkstelegraaf en de telefoon
De telefoon in particuliere handen
Een systeem in ontwikkeling
| |
De telegrafie als technisch systeem
In 1837 werd in een Nederlandse krant voor het eerst gesproken over een nieuw middel tot het overbrengen van berichten: ‘behalve dat het nieuwe instrument even zoo wel bij nacht als bij dag zal werken, zal hetzelve ook de tijdingen met de snelheid der gedachte overbrengen.’1. Alhoewel beide aspecten van het nieuwe medium tot de verbeelding zullen hebben gesproken, was het waarschijnlijk het tweede aspect dat de grootste indruk maakte op de lezers. Dankzij de elektrische telegraaf - want daar hebben we het hier over - werd het mogelijk om boodschappen over te brengen met een ongekende snelheid. Berichtgeving per postkoets, trekschuit of trein was daar niet tegen opgewassen. Iets dergelijks behoorde al eerder in de geschiedenis tot de mogelijkheden met niet-elektrische vormen van telegrafie, maar de snelheid van de elektrische telegrafie werd daarbij niet bereikt: de elektrische telegraaf bracht een definitieve scheiding tussen communicatie en transport.2.
Eén enkel telegraaftoestel is een nutteloos apparaat: communicatie komt pas tot stand wanneer twee toestellen met elkaar in verbinding worden gebracht. Daarbij is een betrouwbare stroombron en een deugdelijke verbindingslijn waarlangs de seinen zich kunnen voortplanten, onontbeerlijk. Noodzakelijk zijn ook telegrafisten en telegrambestellers die de berichten verzenden, ontcijferen en bezorgen, en maatschappelijke groeperingen en organisaties die belang hebben bij het versturen van telegrammen. Daarmee is dan een geregeld telegraafverkeer nog allerminst verzekerd: dat vereist een zekere organisatie van de dienst op de telegraafkantoren, het bestaan van regels en wettelijke voorschriften ten aanzien van het telegraafverkeer, en een bepaalde mate van controle op het naleven van deze regels door daartoe bevoegde personen of instanties.
Een telegraaftoestel kan dus gezien worden als een technisch onderdeel van een groter geheel. Aangezien dit grotere geheel is opgebouwd uit meerdere technische en niet-technische onderdelen, en deze onderdelen in nauw verband met elkaar staan, kunnen we spreken van een telegrafie-systeem. Veranderingen in één onderdeel van het systeem zullen al gauw leiden tot wijzigingen in andere onderdelen. De dynamiek van het systeem komt dus voor een belangrijk deel voort uit de interactie tussen de systeemonderdelen. Dergelijke systemen, die zijn opgebouwd uit een groot aantal technische, bestuurlijke, organisatorische en juridische componenten, en die zowel in tijd als in ruimte vaak een aanzienlijke reikwijdte bezitten, noemen wij grootschalige technische systemen.3. Andere voorbeelden hiervan zijn de spoorwegen, de gasverlichting en het rioleringstelsel (zie de delen 2 en 3).
De totstandkoming en ontwikkeling van dergelijke systemen verschilt van een groot aantal technische vernieuwingen die in voorgaande delen en hoofdstukken zijn behandeld. Innovatie heeft in de negentiende eeuw veelal betrekking op op zichzelf staande gereedschappen, werktuigen, machines of installaties. De technische vernieuwing is vaak te localiseren in ambachtelijke werkplaatsen en kleine ondernemingen, alwaar de ondernemer wikt en weegt en uiteindelijk de beslissing neemt. Het startpunt van het onderzoek naar het innovatieproces ligt bij de toepassing en verspreiding van verschillende artefacten.
In dit hoofdstuk staat niet een artefact centraal, maar een technisch systeem: de telegrafie. Gepoogd zal worden, de opkomst en ontwikkeling van dit systeem te schetsen aan de hand van de belangrijkste momenten in de geschiedenis van de telegrafie.
Achtereenvolgens zullen aan bod komen de intro- | | | | ductie van het telegraaftoestel rond 1850, de oprichting en uitbreiding van de Rijkstelegraaf, en de introductie van de telefoon rond 1880. Het systeemkarakter van de telegrafie impliceert dat daarbij vooral gekeken zal worden naar de interactie tussen de systeemonderdelen: het is immers deze interactie die voor een belangrijk deel de dynamiek van het systeem bepaalt. We zullen daarbij zien, dat de telegrafie als systeem bepaalde fasen doormaakte, en dat gedurende elke fase bepaalde systeemkarakteristieken de boventoon voerden. Expliciet zal in de laatste paragraaf op deze fasering en karakterisering nog teruggekomen worden.
Overigens zal hier de telefonie niet als een zelfstandig systeem aan de orde worden gesteld, daar een dergelijke onderneming buiten het bestek van dit hoofdstuk valt. Wel zal de telefonie geanalyseerd worden in relatie tot de telegrafie. De introductie van het telefoontoestel in 1877 biedt een interessante mogelijkheid om na te gaan hoe een bestaand en grootschalig technisch systeem reageert op een buitenlandse innovatie.
De ontwikkeling van de telegrafie in Nederland zal dus geanalyseerd worden als een dynamisch proces van interne interactie en externe beïnvloeding. Net als in andere hoofdstukken zal daarbij gekeken worden welke actoren en factoren hierbij een rol speelden. Allereerst zal nu aandacht worden besteed aan niet-elektrische vormen van telegrafie en aan het traject dat leidde naar een praktisch bruikbare elektrische telegraaf.
| |
Semaforen en stroomstoten4.
Optische berichtgeving was al bekend sinds de Oudheid, maar bleef tot de introductie van de telescoop een zeer onbetrouwbaar medium. Een meer systematisch gebruik van optische telegrafie kwam op gang vanaf het einde van de achttiende eeuw. In 1792 presenteerde de Fransman Claude Chappe aan de Franse Assemblée Législative een houten toestel met beweegbare seinarmen, waarmee het mogelijk was op eenvoudige wijze een bericht over te brengen. Door dergelijke toestellen op heuveltoppen of kerktorens te plaatsen konden berichten over aanzienlijke afstanden worden overgebracht. In 1794 werd de eerste lijn met Chappe-telegrafen geopend tussen Parijs en Lille. De lijn telde over een afstand van 220 kilometer 12 stations. In 15 minuten kon een bericht overgebracht worden van Parijs naar Lille of omgekeerd. Een bode te paard deed daar ruim een etmaal over! In de daaropvolgende jaren werden optische telegrafen in Frankrijk zelf, maar ook in de door de Fransen bezette landen opgesteld.5. De optische telegraaf trok vanaf het begin in Nederland de nodige aandacht.6. Praktische gevolgen had dit vooralsnog niet. Pas na de bezetting van Nederland werd de lijn Parijs-Lille in 1803 doorgetrokken naar Brussel, en in 1809 van Brussel naar Antwerpen en Vlissingen. Nog in datzelfde jaar kwam ook een verbinding tussen Antwerpen en Amsterdam tot stand. Na de verbanning van Napoleon naar Elba werd het Nederlandse deel van de lijnen opgeheven en werden de toestellen verwijderd. Naast de Chappe-telegraaf zijn in Nederland tijdens de Franse tijd nog minstens twee andere telegraaftypen in gebruik geweest. De Franse Marine gebruikte in Zeeland een eigen systeem, dat naar zijn uitvinder, de marine-officier Depillion, werd genoemd. Langs de rest van de Noordzeekust stond een eenvoudige semafoor, de Hollandse kusttelegraaf.7.
Tijdens de Belgische opstand van 1830 ontstond bij de regering opnieuw behoefte aan een snel communicatiemiddel. Hoofdingenieur A. Lipkens ontwierp en bouwde een simpel maar uiterst doeltreffend apparaat. Binnen een week stond het op een aanzienlijk aantal kerktorens. De telegraaf van Lipkens bestond uit zes stokken met aan de uiteinden ronde rieten schijven. Elke schijf had twee standen. In totaal waren er 63 posities mogelijk, ruim voldoende voor alle letters en cijfers. Ook dit telegraafnetwerk werd na het beëindigen van de vijandelijkheden opgeheven.
De optische telegrafie had één evident bezwaar. Het gebruik ervan was beperkt tot die dagen, waarop het zicht goed genoeg was om het volgende station te kunnen waarnemen. Tegenover dit nadeel stonden de voordelen van eenvoudige bediening en uiteraard de mogelijkheid van snelle berichtgeving.
Het overseinen van een bericht door de Lipkens-telegraaf van Den Haag naar 's-Hertogenbosch, een traject met 11 tussenstations, vergde bij goed seinweer een paar minuten.8. In vergelijking met de snelheid van de bestaande vervoersmiddelen - postverkeer werd vooral afgehandeld via koets en trekschuit - was de snelheid van de optische telegraaf ongeëvenaard.
De snelheid waarmee de optische telegraaf berichten overseinde werd nog overtroffen door de elektrische telegraaf, die berichten overbracht ‘met de snelheid der gedachte’. De basis voor de elektrische telegrafie was al in de zeventiende eeuw gelegd.9. De experimenten die in de daaropvolgende eeuw werden uitgevoerd, hadden als doel wrijvings- en ‘voltasche’ elektriciteit te gebruiken als signaleringsmiddel. Ze beperkten zich tot elektrostatische en electrochemische telegrafie.10. Naast deze twee vormen ontwikkelden verschillende wetenschappers na 1810 nog een derde methode: de elektromagnetische telegrafie.11. In het begin van de negentiende eeuw legden de Deen Hans Christian Ørstedt en de Fransman André Marie Ampère het verband tussen elektriciteit en magnetisme. Toen de Engelse natuurkundige Michael Faraday in 1831 ontdekte dat
| | | |

Hollandse kusttelegraaf bij Scheveningen, september 1799.
| | | |

Seinkamer van een Engels spoorwegstation rond 1845. Links en rechts zijn twee grote naaldtelegrafen te herkennen. Aan weerszijden van de linker naaldtelegraaf staan twee wijzertelegrafen opgesteld.
een elektrische spanning kan worden opgewekt door een spoel in een magnetisch veld te bewegen, was de basis van de elektromagnetische telegraaf gelegd. Faraday noemde deze methode elektromagnetische inductie. 12.
Een Duits-Russisch diplomaat, Baron Schilling von Canstatt, had in 1810 in München de elektrochemische telegraaf van Soemmering in werking gezien.13.
In 1832 kwam Schilling met een eigen, dit keer elektromagnetische telegraaf met twee magneetnaalden. William Fothergill Cooke zag in 1836 een kopie van deze naaldtelegraaf te Berlijn. Hij verbeterde het ontwerp door een veerregelaar toe te voegen, die zorgde dat de wijzer zich maar in één richting kon verplaatsen.14. De telegraaf van Cooke had een enkele wijzer en een wijzerplaat met daarop de letters van het alfabet; vandaar de naam wijzertelegraaf. Alhoewel het toestel een aanzienlijke verbetering was van de naaldtelegraaf, werkte het zeer langzaam. In 1837 ging Cooke daarom een partnerschap aan met Charles Wheatstone, een specialist op het gebied van elektromagnetisme. Het resultaat was een Engels patent voor een naaldtelegraaf met maar liefst vijf magneetnaalden. Vanaf 1838 werd de naaldtelegraaf van Cooke & Wheatstone toegepast als signalerings- en waarschuwingssysteem op diverse trajecten van de Great Western Railway en de Blackwall Railway. De expansie van de spoorwegen was, overigens niet alleen in Engeland, een belangrijke stimulans voor de verdere ontwikkeling van de elektrische telegrafie.
Ook op het Europese continent werd vanaf 1830 druk geëxperimenteerd met telegraaftoestellen en telegraaflijnen. De eerste Duitse telegraaflijn werd in 1837 opgericht tussen München en Bogenhausen. Een jaar later volgde een lijn langs de spoorweg Nürnberg-Fürth.15. Deze lijnen kwamen tot stand op initiatief van de natuurkundigen Steinheil, Gauss en Weber. Gauss en Weber hadden gezamenlijk gewerkt aan de ontwikkeling van een naaldtelegraaf, terwijl Steinheil tot de belangrijke ontdekking was gekomen dat, waar eerder consequent gebruik was gemaakt van twee draden, één draad volstond wanneer de aarde als geleider dienst deed.
Anders dan in Engeland waren het in Duitsland niet zozeer de belangen van de grote spoorwegmaatschappijen die de belangrijkste stimulans voor de verdere aanleg van telegraaflijnen vormden, als wel de militaire behoeften van met name de Pruisische overheid.16. Na de aanleg in 1846 van een experimentele telegraaflijn tussen Berlijn en Potsdam werd in 1848, onder leiding van de militaire ingenieur Werner Siemens en op last van het Pruisische Ministerie, een telegraaflijn aangelegd van Berlijn naar Frankfurt am Main. De in 1849 geopende lijn was op dat moment de langste telegraafverbinding in Europa. Pas na de beroeringen van het revolutiejaar 1848 werden deze en andere lijnen opengesteld voor het publiek. In Frankrijk werd een soortgelijk traject gevolgd: de eerste telegraaflijn werd in 1845 door de overheid voor eigen gebruik opgericht en in 1850 voor het publiek opengesteld.17. In België verliep de ontwikkeling weer anders. In 1845 verzochten Cooke en Wheatstone de Belgische regering om toestemming voor de aanleg van een elektrische telegraaf langs de spoorwegen. Nog in datzelfde jaar werd de vergunning verleend voor de aanleg van een particuliere telegraaflijn tussen Brussel en Antwerpen. In 1850 werd evenwel besloten tot de oprichting van een staatsnet en werd de lijn Brussel-Antwerpen overgenomen.18.
Naast de naald- en wijzertelegraaf bestond er rond 1850 nog een derde telegraaftype, de schrijftelegraaf. In plaats van de beweging van een naald of van een wijzer verscheen een code op een papierstrook.19. De telegrafist vertaalde daarna deze code in een leesbaar bericht en schreef of typte dit op het telegramformulier. De ontwikkeling van dit toestel is onverbrekelijk verbonden met de naam van de Amerikaanse kunstschilder Samuel Morse. Na een studiereis door Europa begon Morse in 1837 aan de ontwikkeling van een telegraaftoestel, dat een afdruk op papier maakte. In 1844 werd een dergelijk toestel voor het eerst gebruikt op de telegraaflijn tussen Baltimore en Washington.20. Drie jaar later werd het toestel in Europa geïntroduceerd.21.
De elektrische telegrafie kende dus geen ‘uitvinder’ in de klassieke zin van het woord, maar was het praktische resultaat van een aantal natuurkundige ontdekkingen. Ook kan moeilijk gesproken worden van de elektrische telegraaf. Van de drie typen was alleen de elektromagnetische telegraaf praktisch bruikbaar gebleken. In 1845 - het jaar waarin de elektrische telegraaf in Nederland werd geïntrodu- | | | | ceerd - waren de elektrostatische en de elektrochemische telegrafie definitief afgevallen. Niettemin bestond er op dat moment nog een aanzienlijke variatie aan apparaten en methoden. Naald- en wijzertelegrafen waren al jaren in gebruik, terwijl in 1848 op de lijn tussen Hamburg en Cuxhaven voor het eerst in Europa gebruik werd gemaakt van toestellen van Morse.
Naast deze technische variatie bestonden er ook grote verschillen in de beheersvormen ten aanzien van de telegrafie. In sommige landen was na een periode van particuliere exploitatie gekozen voor staatsexploitatie, terwijl in andere landen de telegrafie vrijwel onmiddellijk in staatshanden was gekomen. In Engeland en Amerika daarentegen bleef de telegrafie voorlopig in particuliere handen. Hier zal nu allereerst nagegaan worden welke keuzes in Nederland in de beginperiode ten aanzien van de telegrafie werden gemaakt.
| |
Particuliere initiatieven
De eerste Nederlandse telegraaflijn kwam in 1845 tot stand dankzij particulier initiatief.22. Initiatiefriemer was Eduard Wenckebach, een sinds 1838 in Amsterdam gevestigde fabrikant van wis- en natuurkundige apparaten, die in datzelfde jaar een brochure over de elektrische telegraaf had geschreven.
Kennis van de telegraaf had Wenckebach opgedaan tijdens studiereizen naar Duitsland. Daar was hij in contact gekomen met Gauss, Weber en Steinheil. Kort na de opening in 1839 van de spoorlijn Amsterdam-Haarlem had Wenckebach de minister van Binnenlandse Zaken om toestemming gevraagd voor de aanleg van een telegraaflijn langs deze spoorweg. Hierop was geen antwoord gekomen.
Rond dezelfde tijd brachten andere wetenschappers eveneens de telegraaf onder de aandacht van het Nederlandse publiek.23. Zowel Dr. L. Bleekrode als Dr. S. Stratingh wijdden publicaties aan de telegraaf, terwijl professor Vorsselman de Heer in 1839 bij de minister van Binnenlandse Zaken een plan indiende betreffende de aanleg van een telegraafverbinding langs de spoorlijn van Amsterdam naar Arnhem.24. Vorsselman de Heer overleed evenwel in 1841.
Pas in 1844 werd de overheid gedwongen zich met de telegrafie bezig te houden. De oorzaak was een rapport van de overste Van Panhuys, die in Duitsland bij toeval de gelegenheid had gekregen een nieuwe telegraaflijn te bezichtigen. Van Panhuys' positieve rapportage25. leidde in januari 1845 tot een verzoek van de minister aan F.W. Conrad en L.J.A. van der Kun, respectievelijk ingenieur-directeur van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (hijsm) en waarnemend hoofdingenieur van Waterstaat, om advies uit te brengen betreffende de mogelijkheid, de wenselijkheid en de kostbaarheid van een spoorwegtelegraaf. Het advies van Conrad was positief, niettegenstaande de begrote kosten van ƒ 8000, -. Er kon wat hem betreft een proefneming plaatsvinden, hetzij bij de Rijnsspoorweg, hetzij bij de hijsm.
Zodoende was het niet de overheid maar het spoorwegbedrijf dat het eerste tot actie overging. Begin 1845 kreeg Conrad toestemming van de directie van de hijsm voor een proefneming met de telegraaf langs de spoorlijn Amsterdam-Haarlem. Daarop werd een contract met Wenckebach gesloten, die de leiding over de aanleg van de lijn op zich nam. In juni 1845 werd de lijn geopend, zodat de eerste telegrafische verbinding in Nederland een feit was. De wijzertelegrafen waren door Wenckebach in zijn werkplaats vervaardigd. De verbinding bestond uit een op palen rustende metaaldraad. Het Spaame werd overgestoken door het leggen van een ijzeren buis op de bedding van het kanaal met daarin de geïsoleerde koperdraad. De berichten werden met een snelheid van 15 à 28 letters per minuut verzonden.
De uitvoering van de dienst verliep ondanks de eenvoudige bediening problematisch. Zowel de door Wenckebach geleverde toestellen als het bedienend personeel leverden de nodige moeilijkheden op, wat mogelijk veroorzaakt werd door het feit dat de meeste spoorwegbeambten analfabeet waren.26. Ook de lijnisolatie bleek minder doelmatig te zijn. Niettemin werd reeds in juni 1845 besloten de lijn uit te breiden naar Den Haag en Rotterdam, een uitbreiding die begin 1847 werd verwezenlijkt. In eerste instantie werd de telegraaflijn van de hijsm gebruikt voor alle dienstberichten, met uitzondering van het vertrek en de aankomst van de treinen, die nog steeds werden doorgeseind met behulp van optische telegrafen.27. Al in mei 1845 had de directie van de hijsm het denkbeeld geopperd, de telegraaf ook voor niet-dienstgebruik open te stellen. Hiertoe werd in juni 1845 een missive aan de regering gezonden. In dezelfde maand werd een telegrafisch bericht verzonden naar Amsterdam over de aankomst van de eerste nieuwe haring. Naar aanleiding van de verlenging van de lijn naar Den Haag werd in 1847 andermaal door de hijsm aan de minister meegedeeld, dat de lijn tevens voor particuliere berichtgeving gebruikt zou kunnen worden. De mededeling ging vergezeld van een ontwerp-tarief.
Zowel op de missive uit 1845 als op die uit 1847 kwam echter geen reactie. De hijsm besloot daarop naar eigen goeddunken te handelen. Op 18 maart 1847 werd een eerste openbaar telegram verzonden naar Den Haag over het resultaat van de in Amsterdam gehouden koffieveiling. De hijsm besloot soortgelijke verzoeken eveneens in te willigen volgens het aan de regering voorgestelde tarief. Eind maart 1847 werd de telegraaf zowel door het Alge- | | | |
meen Handelsblad als door de Nieuwe Amsterdamsche Courant gebruikt voor de berichtgeving over de ziekte van Willem ii.28.
De particuliere berichtgeving was geen onmiddellijk succes: ‘Het publiek was (...) onbekend met dit snelle middel van communicatie en het begreep weinig het nut daaruit voortvloeijende, terwijl onkunde en gehechtheid aan den ouden sleur, invloed bleven uitoefenen op het weinige gebruik van deze inrigting.’ Het verlies dat in eerste instantie op de lijn werd geleden, was voor de aandeelhouders reden om te spreken van ‘onnoodige verkwistingen.’29. Na 1848 behoorde deze reserve evenwel tot het verleden, en leverde de telegraaf de hijsm jaarlijks een batig saldo van enkele duizenden guldens op. In 1851 kon zelfs een tweede draad tussen Amsterdam en Rotterdam in gebruik worden genomen.30.
Beursberichten vormden een belangrijk onderdeel van het publieke verkeer over de telegraaflijn.31. In plaats van het eindstation van de telegraaf te vestigen in het station bij de Willemspoort aan de rand van Amsterdam, was het ondergebracht in het ‘bestelkantoor’ van de hijsm aan het Rokin, ‘op herhaalden aandrang van het publiek der beurs dat te groote moeijelijkheid en tijdverlies ondervond om de tijdingen uit het midden der stad te doen brengen naar het station bij de Willemspoort.’32.
Alhoewel de overheid dus indirect een bijdrage had geleverd aan de totstandkoming van de telegraaflijn van de hijsm, was haar houding ten aanzien van de telegrafie in geen enkel ander opzicht coöperatief.
Wenckebach vroeg tussen 1845 en 1847 drie concessies aan voor de aanleg van telegraaflijnen. In 1845 betrof het een lijn tussen Amsterdam en Den Helder, in 1846 een lijn Rotterdam-Brouwershaven en in 1847 zelfs een algemeen Nederlands telegraafnetwerk met Utrecht als middelpunt en met eventuele aansluitingen op buitenlandse lijnen. Net als op de verzoeken van de hijsm werd in eerste instantie door de regering niet gereageerd.
De houding van de overheid tussen 1845 en 1847 kan gekarakteriseerd worden als tegelijkertijd afwachtend en wantrouwend. Ten dele viel deze houding te verklaren uit de slechte financiële situatie van de overheid. Alhoewel het enorme overheidstekort door minister van Financiën Van Hall in 1844 was opgeheven met behulp van de Leningwet, bleven bezuinigingen noodzakelijk.33. Het was in deze situatie niet verwonderlijk dat de overheid geen grootschalig en kapitaalsintensief staatsproject wenste op te zetten. Tevens is het begrijpelijk dat men de toch al steeds minder opbrengende posterijen niet wilde beconcurreren door een nieuw, particulier communicatiemiddel.34. Voor een ander deel had het wantrouwen van de overheid ook een politieke achtergrond. De optische telegraaf was ten dele een militair instrument geweest. Dat ook de elektrische telegraaf deze rol kon vervullen was duidelijk. Angst voor misbruik van de telegraaf door particulieren ten tijde van politieke onrust was daarmee een tweede motief voor het afwachtende overheidsbeleid.
De overheid kwam pas in beweging nadat Wenckebach zich in 1847 andermaal tot de minister van Binnenlandse Zaken wendde. Hij herinnerde de minister aan zijn eerdere verzoekschriften en hield een pleidooi voor de publieke openstelling van de hijsm-lijn.35. Wenckebach, inmiddels inspecteur van het telegraafmateriaal van de hijsm, zette zijn verzoek kracht bij door te wijzen op het gevaar van buitenlandse aanleg en exploitatie van telegraaflijnen in Nederland. Dat dit gevaar niet denkbeeldig was, bleek uit een in datzelfde jaar uitgebracht rapport van Van der Kun. Daarin werd gewag gemaakt van een Engels verzoek om een telegraafdemonstratie in Nederland te mogen houden. Van der Kuns aanbeveling van Wenckebach als specialist op telegrafiegebied werd door de minister overgenomen. In oktober 1847 - de hijsm had inmiddels op eigen initiatief haar telegraaf voor het publiek opengesteld - bracht de minister van Binnenlandse Zaken advies uit aan de Koning. Aan Wenckebach konden de concessies verleend worden, nadat bij Koninklijk Besluit algemene regels waren opgesteld om de invoering van elektromagnetische telegrafen te reguleren en om misbruik van de telegrafie te voorkomen. Een in die zin opgesteld Koninklijk Besluit werd op 8 december 1847 ondertekend. Daarmee was nu ook officieel de openbare telegrafie in Nederland toegelaten.36. Op 19 december werden aan zowel Wenckebach als de hijsm de gevraagde concessies verleend: Wenckebach voor de lijn Amsterdam-Den Helder en Rotterdam-Brouwershaven, de hijsm voor publieke openstelling van haar telegraaflijn.
De door Wenckebach verkregen concessies betroffen telegrafische verbindingen tussen de twee grootste Nederlandse handelssteden en hun zeehavens. De aanleg van beide lijnen werd door Wenckebach gemotiveerd door te wijzen op het belang van een snelle berichtgeving voor beurshandelaren, reders en assuradeurs. Berichten over gezonken maar nog verzekerde schepen konden snel op de beurs bekend worden gemaakt, en vertrekkende schepen konden op het allerlaatste moment ‘naar de gunstigst gestelde markten’ worden gedirigeerd. Daarnaast wees Wenckebach op het belang van de telegraaf voor de overheid, die een direct contact tussen Amsterdam en de militaire haven aan het Nieuwe Diep tot haar beschikking zou krijgen.37.
De totstandkoming van de lijnen ontmoette dezelfde financiële aanloopproblemen als die welke de hijsm had gekend. In 1850 werd de nv De Nederlandsche Telegraafmaatschappij (ntm) opgericht, die
| | | | directeur Wenckebach opdroeg voor ƒ 35.000, - de beoogde lijn van Amsterdam naar Den Helder aan leggen.38. Het voor de onderneming benodigde kapitaal van ƒ 50.000, - kon slechts met veel moeite bijeengebracht worden. De voornaamste oorzaak hiervan was dat de belangrijkste doelgroep het liet afweten. Van de 83 geplaatste aandelen à ƒ 500, - kwam slechts een bescheiden deel (30%) in handen van reders, cargadoors, kooplieden en verzekeraars. Het overgrote deel van de aandelen belandde bij een breed scala van uiteenlopende beroepsgroepen als makelaars, fabrikanten, ingenieurs en advocaten. Instanties als de Nederlandsche Handel-Maatschappij en het Departement van Koloniën waren met respectievelijk 2 en 5 aandelen vertegenwoordigd, terwijl minister Thorbecke en de Commissaris der Koning in Noord-Holland ieder twee aandelen voor hun rekening namen.39. Mede dankzij hun steun konden in mei 1851 de eerste telegraafkantoren van de Maatschappij in Amsterdam en Nieuwe Diep worden geopend. Voor de dienst werd gebruikt gemaakt van toestellen van Morse, die door Wenckebach waren vervaardigd.40.
Ook de financiering van de lijn Rotterdam-Brouwershaven, waarvoor een kapitaal nodig was van ƒ 60.000, -, kwam moeizaam tot stand.41. De aan Wenckebach verleende concessie werd in 1854 overgedragen aan een Rotterdamse notaris, die nog in datzelfde jaar in samenwerking met de directeur van een assurantiemaatschappij, de Rotterdamsche Telegraafmaatschappij (rtm) oprichtte. Evenals de ntm was de rtm een naamloze vennootschap. Ze opende in 1854 kantoren te Hellevoetsluis, Brielle, Dirksland, Brouwershaven en Oud-Beijerland: de belangrijkste voorhavens voor de op Rotterdam varende zeeschepen.42. Het Rotterdamse hoofdkantoor was gevestigd aan het Beursplein, naast de Grote Beurs van Koophandel. Deze lokatie vormde een indicatie voor het soort klanten dat de rtm wenste te bedienen: reders, assuradeurs en kooplieden. Net als op de lijn Amsterdam-Den Helder werd gebruik gemaakt van toestellen van Morse, die werden geleverd door de Berlijnse fabriek van Siemens & Halske. Op termijn waren daarmee de door Wenckebach gewenste binnenlandse telegraaflijnen tot stand gebracht. Beide ondernemingen kregen in de loop der jaren een toenemend aantal telegrammen te verwerken, en konden soms aanzienlijke dividenden uitkeren.43.
Wenckebach had in 1847 tevens een concessie aangevraagd voor de aanleg van een telegraafnet met buitenlandse aansluitingen. Door nog nader te bespreken omstandigheden was het Wenckebach in 1852 echter niet meer mogelijk zelf dit plan te verwezenlijken. Van een groepje alternatieve kandidaten van Engelse afkomst bleef uiteindelijk één serieuze kandidaat over. Door de minister van Binnenlandse Zaken werd in 1852 aan A. Ruyssenaers toestemming verleend voor de aanleg en het in werking brengen van een telegraaflijn tussen de Nederlandse en de Engelse kust.44. Een dergelijke verbinding was bijzonder aantrekkelijk, omdat al het verkeer van Duitsland naar Engeland over deze lijn zou komen te lopen. Ruyssenaers trad op als vertegenwoordiger van een groep Engelse ondernemers, die een Engels patent bezaten op een wijzertelegraaf.45. De onderneming werd dan ook voor een aanzienlijk deel met buitenlands kapitaal gefinancieerd. Voor de uitvoering van de concessie werd in 1853 de Internationale Telegraafmaatschappij (itm) opgericht, die in datzelfde jaar de verbinding tussen Den Haag, Scheveningen en Londen tot stand bracht. In de daaropvolgende jaren werd de lijn doorgetrokken naar Amsterdam, terwijl in 1858 een vergunning werd afgegeven voor de aanleg van een telegrafische verbinding tussen de Britse kust en Zandvoort, waarna de lijn tussen Scheveningen en de Britse kust kwam te vervallen.
Door particulier initiatief was tussen 1845 en 1854 een viertal telegraaflijnen tot stand gekomen. Belangrijkste initiatiefnemer was Eduard Wenckebach, een in eerste instantie onafhankelijke ondernemer. Van een grootschaling telegrafie-systeem was vooralsnog geen sprake. Vier geïsoleerde lijnen werden geëxploiteerd door vier verschillende bedrijven. De ondernemingen - een spoorwegmaatschappij, twee nv's en een groep buitenlandse ondernemers - richtten zich op een heterogene groep gebruikers. De telegraaf werd gebruikt ten behoeve van de spoorwegdienst, de koopvaardij, de beurshandel en de verzekeringswereld. Verder waren er nog potentiële klanten. Door Wenckebach was gesuggereerd dat de telegrafie door de overheid ingeschakeld kon worden bij 's lands defensie. De overheid daarentegen zag de telegraaf eerder als een potentiële concurrent van de posterijen en als een politiek machtsmiddel. In het volgende zal bekeken worden hoe en onder welke invloeden de houding van de overheid ten opzichte van de telegrafie veranderde, en hoe de basis werd gelegd voor een grootschalig telegrafie-systeem.
| |
Overheidsinitiatief
Het Koninklijk Besluit van 1847 had een kader geschapen waarbinnen particuliere telegraafexploitatie mogelijk was. Dit wilde niet zeggen dat het particulier initiatief de vrije hand was gegeven: de telegrafie was integendeel aan veel regels gebonden. Voor het oprichten van een telegraaflijn was toestemming van de Koning vereist. Ook de gehanteerde tarieven moesten door hem goedgekeurd worden. Overheidsberichten gingen vóór particuliere berichten. In oorlogstijd zouden de telegraaflijnen onder het
| | | |

Het Morse-alfabet. Bij de telegraaf van Morse werden de letters en cijfers van het bericht vertaald in een code die bestond uit een aantal punten en strepen. De code voor de letter S was bijvoorbeeld ..., voor de letter O - - -. Met een elektrische schakelaar, de seinsleutel, werden deze punten en strepen overgeseind: bij een punt werd de seinsleutel kort ingedrukt, bij een streep wat langer.
beheer van de departementen van Oorlog of Marine geplaatst worden. In bijzondere omstandigheden kon bovendien het publieke telegraafverkeer stopgezet worden. Tenslotte diende de postadministratie financieel schadeloos gesteld te worden, wanneer de opbrengsten onder de telegrafie zouden lijden.
Van exploitatie door de overheid was in het Besluit van 1847 nog geen sprake. De aanvraag van nieuwe concessies en het succes van de telegraaflijn van de hijsm riepen evenwel de vraag op, of de overheid zelf niet zorg diende te dragen voor de oprichting van een alomvattend telegraafnet waardoor aansluiting met buurlanden mogelijk zou worden. Inmiddels was in het najaar van 1848 door het Ministerie De Kempenaer-Donker Curtius de grondwetsherziening tot stand gebracht, en was in november 1849 Thorbecke tot minister van Binnenlandse Zaken benoemd. Het liberale ministerie trad aan in een periode van grootscheepse bezuinigingsplannen. Van bezuinigingen voor een bedrag van ruim 2 miljoen gulden was tot dan to weinig terechtgekomen.46. Aan Thorbecke dus de taak hier wel ruimte voor te vinden. Juist Thorbecke nam evenwel het initiatief tot een van staatswege op te richten telegraafnet.
Op 13 april 1850 benoemde hij een commissie bestaande uit Conrad, Van der Kun en Wenckebach om hem omtrent de wenselijkheid van een dergelijk project te adviseren. Het rapport van de adviescommissie werd op 15 juli van hetzelfde jaar aangeboden.47. Geconstateerd werd dat de telegrafie in enkele jaren tijd enorme vorderingen had gemaakt, maar dat Nederland met haar 83 kilometer hijsm-telegraaflijn tussen Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Leiden, Den Haag, Delft en Schiedam, nog steeds achterliep op het buitenland. De ‘Staat van afzondering en die van uitzondering’ waarin Nederland zich bevond, zou om verschillende redenen opgeheven moeten worden. ‘In een land, alwaar de handelsberigten zulk een overwegenden invloed op het algemeene welzijn uitoefenen, behoeft het nut of de noodzakelijkheid der oprigting van telegrafen geen wijdloopig betoog.’ Daarnaast vormden het staatsbelang en belangen van defensie eveneens een belangrijk motief om tot de oprichting van telegrafische verbindingen over te gaan. Gezien dus het economische en politieke belang van de telegraaf voor de handel, nijverheid, spoorwegen, administratie, politie, staatsveiligheid en defensie werd geadviseerd ‘dat de hoofdlijnen van een goed aaneengeschakeld net van Electromagnetische Telegrafen van Staatswege worden opgerigt en bediend.’ Den Haag zou het administratieve centrum van het toekomstige netwerk worden.
De keuze voor staatsexploitatie werd als volgt gemotiveerd. Wanneer er wat de telegrafie betreft louter sprake geweest zou zijn van een economisch belang, dan zou particulier initiatief binnen afzienbare tijd de voornaamste ‘handelslijnen’ tot stand hebben gebracht. Echter:
het zal Uwe Excellentie niet ontgaan, dat op die wijze nimmer een goed aaneengeschakeld net over het geheele land zal worden verspreid; dat de kapitalisten zich tot de rentegevende lijnen, tot de voordeel aanbrengende stations zouden bepalen, en de andere lijnen onafgemaakt, de andere stations onbediend zouden blijven, tenzij de Staat met geldelijke opofferingen tusschen beide trad en de kwade kansen alleen voor zich nam, zonder aandeel in de goede te hebben.
Hiermee was het idee verbonden dat Nederland te klein was voor meerdere particuliere exploitanten. De kostenstructuur van het telegraafbedrijf - hoge vaste kosten en lage variabele kosten - maakten dat de kosten per eenheid produkt bij toenemende produktie zouden afnemen, en van deze situatie zou in een gemonopoliseerde markt het meeste profijt worden getrokken.48. Overigens zou Thorbecke enkele jaren later bij de behandeling van het wetsvoorstel tot oprichting van een Rijkstelegraaf erop wijzen, dat de overheid met een Rijkstelegraafnet geen nieuwe inkomstenbron wilde creëren: de
| | | | nieuwe overheidsdienst diende alleen kostendekkend te zijn, niet winstgevend.
Alhoewel niet expliciet door de adviescommissie vermeld, moet gezien het belang van de telegrafie voor handel, nijverheid, bestuur en defensie door de commissie toch reeds gedacht zijn aan een Nederlands telegraafnet dat aansluiting gaf op de buitenlandse telegraafverbindingen. In dit licht wordt het namelijk verklaarbaar dat al in juli 1851, voordat er dus sprake was van een wettelijke regeling van staatstelegraafexploitatie, Nederland toetrad tot de Deutsch-Österreichischer Telegraphenverein, een vanaf 1850 bestaand samenwerkingsverband tussen Pruisen, Oostenrijk, Beieren en Saksen.49. Doel van de toetreding was het veiligstellen van een aansluiting op het Pruisische net langs de spoorlijn tussen Arnhem en Oberhausen. Aangezien Pruisen had geweigerd haar verbindingen op een particulier net aan te sluiten, was Nederland wel gedwongen, wilde ze een verbinding met Pruisen realiseren, de telegraaf van staatswege te exploiteren.50. De overeenkomst was voor Nederland gesloten door de Nederlandse gezant bij het Pruisische Hof en Van der Kun. De laatste opende in december 1851 tevens de onderhandelingen over de voorwaarden voor de telegrafische verbinding tussen Nederland en België. Deze onderhandelingen werden op 28 januari afgesloten met een overeenkomst.51. Al vóór er sprake was van een Telegraafwet en een door de Nederlandse overheid aan te leggen Rijksnet waren er dus de nodige voorbereidingen getroffen, die de buitenlandse verbindingen van een
toekomstig Nederlands net verzekerden.
Het rapport van Conrad en Van der Kun viel in goede aarde. Het vormde de basis van een door W.C.A. Staring, chef van de zesde afdeling Nijverheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, opgesteld wetsontwerp, dat op 5 december 1851 door Thorbecke aan de Tweede Kamer aangeboden werd. Het werd met enkele kleine wijzingingen en door een overgrote meerderheid op 7 maart 1852 aangenomen als de ‘Wet tot regeling der gemeenschap door electro-magnetische Telegrafen’.52.
De Telegraafwet bleef tot 1904 in werking en vormde praktisch ongewijzigd ruim een halve eeuw de basis voor het Nederlandse telegraafwezen, reden waarom het hier enigszins uitvoerig zal worden besproken. De belangrijkste artikelen, 1 en 2, grepen terug op het door Van der Kun en Conrad uitgebrachte rapport. Artikel 1 bepaalde dat ‘Van Staatswege electro-magnetische telegrafen [worden] aangelegd en onderhouden, tusschen 's Gravenhage en de voornaamste steden, vestigingen en havens van het Rijk. De rigtingen worden zoo genomen, dat de telegrafen zich aan die van België, Pruissen en Hannover kunnen sluiten.’ Artikel 2 stelde dat een koninklijke machtiging noodzakelijk was voor door

Morse-telegraaf met kraspen en papierstrook, circa 1852. Bij de Morse-telegraaf reageerde een elektromagneet in het ontvangtoestel op de door de seinslentel veroorzaakte stroomveranderingen. Deze stroomveranderingen werden doorgegeven aan een stalen stift, die de punten en strepen grifte in een langzaam bewegende papierstrook. Aan het einde van de jaren 1850 werd deze stalen stift in verschillende Europese landen vervangen door een pen, die de tekens met inkt weergaf.
bijzondere personen of maatschappijen aan te leggen telegraaflijnen. Tevens waren voorwaarden ten aanzien van het dienstverkeer en de tarieven opgenomen, die voor een belangrijke deel overeenkwamen met de voorwaarden in het Besluit van 1847.
In het algemeen gaf de Telegraafwet in zowel Eerste als Tweede Kamer geen aanleiding tot verhitte discussies. Alleen de bepalingen met betrekking tot het eigendomsrecht leverden in de Eerste Kamer stof tot beschouwingen. Zo werd er gesproken over de ‘gevaarlijke inbreuk’ die gemaakt zou kunnen worden op het eigendomsrecht. Thorbecke bezwoer deze angst evenwel:
Wat bij het opmaken van een ontwerp voor wegen, kanalen en dergelijke werken meest altijd zal gevorderd worden, kan, bij uitzondering ook voor het beramen eener telegrafische verbinding noodig zijn (...) In den regel is aan onteigening geene behoefte, daar het vrije gebruik van den eigendom in zeer geringen mate wordt belemmerd door het brengen van telegrafische draden over of door den grond.53.
Daarbij moet bedacht worden dat het overgrote deel van de telegraaflijnen langs de openbare weg zou worden opgericht, en dat de telegraafpalen slechts een geringe last van één of twee draden zouden behoeven te dragen.
Al deze belangen en overwegingen vroegen om een planmatige, gecentraliseerde aanpak door de Rijksoverheid. Het is evenwel belangrijk te constateren dat de overheid niet ontkende dat een binnenlands
| | | | telegraafnetwerk door particulieren zou kunnen worden aangelegd. Dergelijke plannen waren immers al in een vroeg stadium door Wenckebach geformuleerd. In de totstandkoming van een goed en efficiënt netwerk was een dragende rol van de overheid echter onontbeerlijk. Alleen al op technisch gebied was bij de aanleg van grensoverschrijdende lijnen een centrale coördinatie noodzakelijk. Internationale lijnen konden alleen met elkaar verbonden worden, als van technisch identieke telegraafsystemen gebruik werd gemaakt.
De uitsluitende regelingsbevoegdheid die de staat ten opzichte van de telegrafie naar zich toe trok, vloeide bovendien voort uit de perceptie van de telegrafie als een openbaar verkeersmiddel: ‘Het Gouvernement zal doen wat gedaan kan worden om het grootst mogelijk deel der natie van het nieuwe verbindingsmiddel genot te doen hebben.’54. De exploitatie van een dergelijk verkeersmiddel diende ten behoeve van het publiek en in het algemeen belang te geschieden. Zowel de staats- als de particuliere telegrafie waren zodoende gebonden aan de behartiging van de belangen van het publiek, afgezien van de vraag wie nu feitelijk de aanleg en exploitatie op zich nam.55. Recentelijk is door verschillende auteurs gewezen op de beperkte strekking van het begrip ‘algemeen belang’ in de negentiende eeuw.56. De Telegraafwet vormde hierop geen uitzondering. De genoemde economische en politieke betekenis van de telegrafie was in feite slechts van toepassing op een relatief kleine groep van kooplieden, industriëlen, bestuurders en overheidsambtenaren in de grote steden. In de opzet van het Rijkstelegraafnet werd de particuliere gebruiker in de kleinere provinciestad en op het platteland buiten beschouwing gelaten. Bovendien bleken in de praktijk de kosten van een telegram zeker niet voor elke inwoner van het
land op te brengen.
| |
De aanleg van het Rijkstelegraafnet
De financiering van het Rijkstelegraafnet werd veilig gesteld door middel van de verhoging van de staatsbegroting over 1852 met een bedrag van ƒ 160.000, -.57. Binnen de begroting werd uitgegaan van drie tracés met een totale lengte van 287 kilometer: een lijn van de Belgische grens via Breda en Dordrecht naar Rotterdam; een lijn van Rotterdam naar Amsterdam; een lijn van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem. De eerste twee tracés vloeiden voort uit de met België gesloten overeenkomst, de derde lijn was ter voorbereiding op de aansluiting met Pruisen en Hannover. Het kortste traject, de 82 kilometer van de Belgische grens naar Rotterdam, was gezien het bedrag van ƒ 50.200, - het meest kostbare in aanleg. Waterovergangen bij Rotterdam, Dordrecht en de Moerdijk waren hier noodzakelijk. Het grootste gedeelte van het telegraafnet zou evenwel bestaan uit bovengrondse lijnen van op palen bevestigd gegalvaniseerd ijzerdraad. In de steden - er werd uitgegaan van een tracé ‘tot in het binnenste der steden’58. - werden de lijnen, bestaande uit twee met guttapercha en lood omwonden draden, ondergronds naar de stations gevoerd. De benodigde ruimten zouden door de gemeentebesturen kosteloos of tegen een geringe vergoeding ter beschikking gesteld moeten worden. Gebeurde dit niet, dan zouden de lijnen naar een station buiten de stadspoorten geleid worden. Voor wat de lijn Rotterdam-Amsterdam betreft zou of een eigen lijn aangelegd
worden, of zou na onderhandelingen met de hijsm een lijn van deze maatschappij overgenomen worden. Buiten deze te maken kosten voor de aanleg van het net, waren tevens bedragen gereserveerd voor de aankoop van toestellen, de huur van magazijnen en werkplaatsen, de kosten van administratie, personeel, onderhoud van de lijnen en exploitatie van de stations. Voor onvoorzien was tenslotte een bedrag van ƒ 21.000, - uitgetrokken. Een groot bedrag, ‘omdat de raming onzeker is, en niet anders zijn kan, bij de dagelijksche vorderingen welke de telegrafie maakt.’59. De jaarlijkse kosten aan personeel en administratie werden beraamd op ƒ 64.000, -.
Nadat de begroting was aangenomen kon een begin worden gemaakt met de uitvoering van het werk. Door Thorbecke werd andermaal een beroep gedaan op Conrad en Van der Kun, nu om zitting te nemen in een commissie die het beheer over de Rijkstelegraaf op zich zou nemen. De zogeheten Commissie voor den zaken der Rijkstelegrafie werd op 16 april benoemd.60. De technische leiding berustte bij het derde Commissielid Wenckebach, die per 1 juli 1852 benoemd werd tot Ingenieur der Rijkstelegrafen, maar al daarvoor Van der Kun en Conrad terzijde had gestaan. De keuze voor Wenckebach werd door Thorbecke als volgt gemotiveerd: ‘De heer Wenckebach is een van de weinige practische werktuigkundigen, die eene streng wetenschappelijke opleiding hebben gehad. Hij heeft zich daarenboven steeds geheel op de hoogte gehouden van den voortgang der electromagnetische telegrafie.’61. Inderdaad was Wenckebach op dat moment nog steeds een van de weinigen in Nederland die zich als specialist op het gebied van de telegrafietechniek kon beschouwen.
De benoeming van Van der Kun en Conrad lag eveneens voor de hand. Beiden hadden een ingenieursopleiding gevolgd aan de Koninklijke Militaire Akademie te Breda en stonden aan de top van het Corps Ingenieurs van Rijkswaterstaat, dat bedoeld was als een dienstverlenende instantie voor Rijk en provincie op het gebied van de ruimtelijke orde. Zowel Van der Kun als Conrad hadden bovendien
| | | | ervaring opgedaan met de planning en aanleg van grote infrastructurele werken. Van der Kun had bij de aanleg van de Rijnspoorweg de hoofd-ingenieur B.H. Goudriaan geassisteerd, en was na de opening in 1843 van het traject tussen Amsterdam en Arnhem ingenieur-directeur van de Rhijnspoorwegmaatschappij geworden. Conrad was lid geweest van de adviescommissie inzake de Rijnspoorweg en was vanaf 1839 ingenieur-directeur bij de hijsm.62. De verdeling van de taken tussen Wenckebach enerzijds en Van der Kun en Conrad anderzijds was in een vroeg stadium vastgelegd. Van der Kun en Conrad hielden zich bezig met het aan te stellen personeel, de leveranties, de voorschriften, de regelingen met het buitenland, en met de voortgang van het werk in het algemeen. Formeel had Wenckebach de leiding over de feitelijke aanleg van het net en ging hij over alle technische zaken. Niettemin kwam het voor dat Wenckebach bij Conrad en Van der Kun om toestemming vroeg voor bepaalde zaken waarover hijzelf beslissingsbevoegdheid had.63. Deze ambivalentie lijkt te zijn veroorzaakt door het feit dat Conrad en Van der Kun meenden dat Wenckebach ‘bepaaldelijk gesteld is onder de orders van de Commissie die met het beheer belast is’, een mening waarin de Minster hen impliciet tegemoet kwam.64.
In maart 1852 reisden Van der Kun en Conrad naar België, Duitsland en Engeland.65. Daar werden contracten afgesloten voor de leverantie van de technische onderdelen van het op te richten net. De kabels voor de waterovergangen richting Breda (Maas en Hollands Diep) werden bij de Engelse firma Newall en Cie. besteld, het bedrijf dat in 1851 een onderzeese telegraafverbinding tussen Engeland en Frankrijk tot stand had gebracht. In België werden contracten afgesloten voor de levering van gegalvaniseerd ijzerdraad (de firma J.M. Orban et fils te Luik), porceleinen isolatoren (firma Fuiseaux te Baudour bij Bergen in Henegouwen) en spantoestellen voor de bovengrondse lijn. Een Duitse fabrikant (Louis Fonrober en Cie. te Berlijn) leverde koperdraad met guttapercha isolatie voor de kabel in de bebouwde kom. Net als de ntm koos de Nederlandse overheid voor het toestel van Morse. Een mogelijk alternatief, een door een instrumentenmaker uit Oud-Beijerland ontworpen telegraaf, die het verzonden bericht onmiddellijk op papier afdrukte, bleek uiteindelijk alleen op papier te bestaan en werd na een inspectie door Wenckebach als ondeugdelijk aangemerkt.66. De Telegraphenbauanstalt van Siemens & Halske te Berlijn tekende voor de levering van 16 seintoestellen, 8 telegraaftafels en 8 Daniell-batterijen.67.
Het Morse-toestel was rond 1852 het standaardtoestel binnen de telegrafie geworden. Door de Deutsch-Österreichischer Telegraphenverein was

De wijzertelegraaf van Wenckebach. Het toestel was gebaseerd op de wijzertelegraaf van Wheatstone, waarbij door het ronddraaien van een seinkruk een wijzer langs een schaal met letters en cijfers ronddraaide en bij het over te seinen teken werd stilgezet. Daarbij werden stroompulsen verzonden, die op een ontvangtoestel eenzelfde wijzer stapsgewijs deden ronddraaien en stilstaan bij de door de seiner aangegeven stand. Het aangegeven teken werd door de telegrafist genoteerd.
het in 1851 als het officiële toestel voor de internationale lijnen geaccepteerd. 68. Praktisch betekende dit voor Nederland dat, wilde men inderdaad een doorlopende verbinding met Duitsland creëren, het toestel van Morse gebruikt moest worden. In verband met de verbindingen met België werd in juni 1852 een overeenkomst gesloten die de Belgische Staatstelegrafie verplichtte tot het gebruik van Morse-toestellen op de verbindingen richting Nederland. 69.
In eerste instantie hadden Van der Kun en Conrad hun inspanningen op de lijn Rotterdam-Belgische grens gericht. Eind maart had de minister evenwel aan Van der Kun en Conrad bericht dat hem, na een onderhoud met de Pruisische minister Van der Heijdt, was gebleken dat de Pruisische regering genegen was de telegrafische verbinding van Oberhausen naar de Nederlandse grens tegelijk met de Nederlandse verbinding naar de Pruisische grens tot stand te brengen. ‘Ik wensch van deze gunstige stemming gebruik te maken en te toonen dat wij snel kunnen werken, wanneer slechts de uitvoering van eenen zaak is vastgesteld.’70. Van der Kun en Conrad werd opgedragen, een begin te maken met de voorbereiding voor de aanleg van deze lijn. De lijn zou komen te lopen langs het toekomstige tracé van de Rijnspoorweg. Aangezien de Rijnspoorwegmaatschappij voor het traject vanaf Arnhem nog geen gronden had onteigend, werd besloten de telegraaf vanaf Arnhem langs de gewone weg aan te
| | | | leggen. De IJssel - de spoorbrug bestond nog niet - werd overgestoken door middel van een Engelse onderwaterkabel.71. Zodoende werd in de loop van 1852 gewerkt aan zowel de totstandkoming van de ‘Belgische’ lijn als aan de ‘Duitse’ lijn.
Het plaatsen van de houten palen waarop de lijnen zouden komen te liggen gebeurde tijdens de zomermaanden. Eind juli, begin augustus kon begonnen worden met het spannen van de draad, een werk dat eind augustus tot aan Breda was gevorderd.72.
Het werk verliep echter minder snel dan verwacht was, enerzijds vanwege de onbedrevenheid van de werklieden, anderzijds omdat het uit België afkomstige ijzerdraad zwakke plekken vertoonde, die er uitgehaald moesten worden voordat de lijn daadwerkelijk gespannen kon worden.73. Voor de lijn Amsterdam-Duitse grens werd dan ook in plaats van Belgisch, Engels ijzerdraad gebruikt. In september was het grootste gedeelte van de Belgische lijn af, zodat begonnen kon worden met het spannen van de draad op de lijn Amsterdam-Utrecht-Arnhem-Pruisische grens. Op het Belgische traject waren naast de bovengrondse lijn nu tevens de rivierkabels gelegd tussen Rotterdam en Katendrecht, Zwijndrecht en Dordrecht en bij de Moerdijk.74.
Ook de ondergrondse buizen in de bebouwde kom van Dordrecht en Rotterdam waren gelegd, terwijl de inrichting van de telegraafbureaus te Den Haag, Amsterdam en Arnhem grotendeels voltooid was, zodat daar begonnen kon worden met het plaatsen van de seintoestellen.75. In de daaropvolgende maand was ook het bureau te Breda bijna klaar:
Eene aldaar geplaatste batterij heeft (...) de galvanische stroom tot aan de Belgische grenzen gebragt. Die batterij is vervolgens op de lijn naar Dordrecht geplaatst; de kabel te Moerdijk is scherp onderzocht, goed bevonden en vastgehecht aan de lijn, zoodat de stroom uit de batterij te Breda toen voor de poort van Dordrecht zich zeer duidelijk deed gevoelen. De laatste verbindingen der kabels te Dordrecht en Rotterdam werden bewerkstelligd, alsmede het spannen van den draad om de stad Rotterdam.76.
Daarop kon, via een na moeizame onderhandelingen van de hijsm overgenomen draad, van Den Haag naar Breda eenzelfde proef ondernomen worden.77.
Voor wat de plaats van de stations in de steden betreft had vanaf april overleg plaatsgevonden tussen de minister, de Commissie, de Commissarissen van de Koning in de verschillende provincies, de gemeentebesturen van de betreffende plaatsen en de hoofdingenieurs van de Waterstaat; de laatsten als beheerders van de gebouwen van de provinciale gouvernementen. Eis van de minister was namelijk dat het op te richten bureau ‘zoo digt mogelijk bij den zetel van het bestuur’ diende te liggen.78. In praktijk vonden slechts in een tweetal steden de telegraafstations onderdak in een overheidsgebouw: in Haarlem in het gebouw van het provinciaal bestuur, in Den Haag in het gebouw van het Ministerie van Binnenlandse Zaken aan het Binnenhof.79. Het Binnenhof bood tevens ruimte aan een herstellingswerkplaats, die ingericht werd met de gereedschappen en werktuigen uit de voormalige werkplaats van Wenckebach.80.
In Rotterdam opperden Burgemeester & Wethouders aanvankelijk bezwaren tegen de plaatsing van een station bij de Grote Beurs. Ten eerste wensten ze niet de kosten van een kantoor in de binnenstad op zich te nemen. Ten tweede koesterden ze bezwaren tegen het noodzakelijkerwijs opbreken van de straten in de binnenstad. Na tussenkomst van de Commissaris der Koning werd uiteindelijk toch gekozen voor een ruimte bij de beurs.81. Intussen was in juli 1852 de opleiding van de telegrafisten van start gegaan. Aspirant-telegrafisten hadden in de Staatscourant kennis kunnen nemen van de voorwaarden voor toelating. Kandidaten dienden tussen de 18 en 30 jaar te zijn, moesten leesbaar kunnen schrijven (zowel in het Nederlands als in het Duits, Frans en Engels), en moesten de beginselen van de reken- en cijferkunst onder de knie hebben. Daar stond bij gebleken geschiktheid een salaris tegenover van maximaal ƒ 700, -.82. Een bestuurlijke innovatie vormde het feit dat de opleiding afgesloten diende te worden met een examen. De Rijkstelegraaf introduceerde daarmee als een van de eerste overheidsdiensten het ambtsexamen.83. De opleiding vond plaats op de kantoren van de Nederlandsche Telegraaf Maatschappij te Amsterdam en Nieuwe-Diep, daar deze maatschappij eveneens toestellen van Morse gebruikte.84. Een deel van het groepje van 10 aanstaande telegrafisten werd, aangezien er vooralsnog geen sprake was van het openen van de dienst, ingezet bij het spannen van de lijnen.85.
| |
De opening
In november 1852 was dus het grootste gedeelte van de Belgische lijn tot stand gebracht. Een regeling van de dienst kwam in die maand eveneens tot stand.86. Naast de openingstijden van de kantoren te Amsterdam, Breda, Dordrecht, Den Haag en Rotterdam bepaalde het reglement onder andere de volgorde van verzending van telegrammen. Regeringsberichten gingen voor, waarna de dienstberichten en de bijzondere particuliere berichten konden volgen. De tarieven werden, zoals tabel 14.1 laat zien, vastgesteld naar de afstand in kilometers en het aantal woorden. Als zodanig waren ze geënt op de Belgische en Franse tarievenstelsels en gebaseerd op
| | | |

Naaldtelegraaf, circa 1855. Stroomveranderingen veroorzaakten wijzigingen in het magnetisch veld van een elektromagneet. Hierdoor ontstonden afwijkingen van de daaraan gekoppelde naald naar links of naar rechts. Elke letter had volgens afspraak een specificke naaldstand: een A werd bijvoorbeeld gevormd door de magneetnaald tweemaal naar links te doen bewegen, een B door een naaldbeweging naar links en naar rechts.
| | | |

De opening van de spoorlijn Den Haag-Rotterdam werd muzikaal omlijst door een 's-Gravenhaagsche spoorweg-galop, een dans van Hongaarse oorsprong. Het titelblad van het muziekstuk toonde het Haagse stationsgebouw en een deel van de telegraafverbinding.
de Conventie tussen Nederland en Pruisen. De kosten voor een telegram naar België lagen tussen de ƒ 2,40 en ƒ 14,40. De kosten van zowel een binnenlands als buitenlands telegram waren, in vergelijking met een gemiddeld arbeidersweekloon in deze tijd van circa ƒ 6, -, hoog te noemen. 87.
Zowel de Commissie als het kantoorpersoneel hoopten dat de opening van de Rijkstelegraaf uitgesteld zou worden tot in het voorjaar van 1853.88. In zekere zin liep de techniek voor op het beheer en de organisatie: de lijnen en toestellen waren klaar voor gebruik en de kantoren ingericht, maar pas in de middag van 30 november werden de aanstaande telegrafisten ingelicht over de te heffen tarieven en de gewenste dienstuitvoering, en voorzien van papier.
Daarop kon dan inderdaad de volgende dag, 1 december 1852, de Rijkstelegraaf in werking treden. De drukte was die dag overrompelend en overtrof verre de verwachtingen.89. Dat wil niet zeggen dat het aantal telegrammen indrukwekkend was. Te Amsterdam werden op de eerste dag 18 telegrammen verzonden en 19 stuks ontvangen. Daartoe had het personeel 15 uur vrijwel onafgebroken gewerkt. Dat zo weinig telegrammen waren behandeld had verschillende oorzaken. Ten eerste uiteraard het gebrek aan praktische ervaring van de telegrafisten. Ten tweede had men veelvuldig te kampen met lijnstoringen, met name op het traject Amsterdam-Rotterdam, waar de lijnen van het Rijk en de hijsm naast elkaar liepen en de slap gespannen hijsm-lijn met de Rijkslijn in contact kwam. Bovendien legde een te verzenden telegram een lange weg af. Een in Amsterdam aangeboden bericht voor Breda werd, na genoteerd en betaald te zijn, naar Den Haag overgeseind. Daar werd het telegram gecontroleerd, doorgestuurd naar Rotterdam, wederom gecontroleerd en doorgestuurd naar Breda. Na een derde controle werd het bericht genoteerd en in een envelop gedaan. Bericht en ontvangstbewijs werden aan de besteller gegeven die daarop het telegram kon aanbieden. Dat ook bij de bestelling van een bericht tijd verloren kon gaan, bleek uit een aantekening in de marge van een brief van minister Thorbecke aan de Commissie, gedateerd 14 december 1852: ‘Vooral op spoedige bestelling der ontv. depeches streng toezien. De Min. v Fin. beklaagt zich, dat hij de zijne 3/4 uur na de aankomst ontvangt.’
Bijzondere problemen deden zich voor in Dordrecht. Op de eerste dagen bleek daar het verkeer tussen Amsterdam en Breda richting Antwerpen en Brussel alle beschikbare tijd in beslag te nemen, zodat aangeboden berichten niet behandeld konden worden. Op 9 december werden daarom tot nader order de kantoren in Breda en Dordrecht gesloten. Het personeel van deze kantoren werd overgeplaatst naar Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Een protest van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Dordrecht mocht niet baten.90.
De openstelling van de dienst in december 1852 bracht dus organisatorische en technische problemen met zich mee. Het was evenwel gelukt, met minister Thorbecke als eindverantwoordelijke, Van der Kun en Conrad als uitvoerders en Wenckebach als technisch specialist, in overleg met provincies, gemeentelijke overheden, particuliere maatschappijen en buitenlandse overheden en fabrikanten, binnen een periode van negen maanden een Staatstelegraafnet aan te leggen, dat - alhoewel nog beperkt in reikwijdte - functioneerde. In de daaropvolgende jaren werd deze bestuurlijke en technische samenwerking voortgezet en kwam het tot een verdere uitbreiding en verfijning van het net.
De Telegraafwet van 1852 en de oprichting en uitbreiding van de Rijkstelegraaf betekende niet automatisch het einde van de particuliere telegraafmaatschappijen. Niettemin was vanaf 1852 overheidsexploitatie van de telegrafie regel en particuliere exploitatie uitzondering. Dit bleek alleen al uit het feit dat de tarieven van de particuliere maatschappijen zich dienden te richten naar de tarieven van de Rijkstelegraaf. In de loop van de jaren zou de overheid bovendien overgaan tot de overname van een aantal particuliere lijnen. De Nederlandsche Telegraafmaatschappij deed in 1864 voor ƒ 35.000, - haar lijnen over aan het Rijk. De Rotterdamsche Telegraaf Maatschappij werd na een lange periode van moeizame onderhandelingen in 1884 eveneens door de overheid overgenomen. De Internationale Telegraafmaatschappij hield in 1869 praktisch op te bestaan, nadat als gevolg van de Telegraph Acts van
| | | |
Tabel 14.1: Binnenlandse telegraaftarieven in guldens.
| Afstand |
1-20 woorden |
21-50 woorden |
51-100 woorden |
| tot 75 km. |
0,50 |
1,00 |
1,50 |
| 75-190 km. |
1,00 |
2,00 |
3,00 |
| Bron: Ringnalda, Rijkstelegraaf, 87. |
1868-1869 de Britse telegrafie, inclusief de lijnen die Engeland met het vasteland verbonden, in staatshanden waren overgegaan. De zeekabels van de Internationale Telegraafmaatschappij werden overgenomen door de Post Office, terwijl de Nederlandse landlijnen van de Internationale Telegraafmaatschappij in handen kwamen van de Rijkstelegraaf.
De periode waarin naast exploitatie van de telegrafie door de Rijksoverheid tevens sprake was van exploitatie door particuliere maatschappijen liep dus tot 1884. Daarnaast hadden zowel de hijsm als andere spoorwegmaatschappijen langs hun spoorwegen ten bate van het dienstverkeer telegraaflijnen aangelegd.91. Op de meeste stations was het ook voor het publiek mogelijk telegrafische berichten te verzenden, zodat strikt gesproken ook ná 1884 nog particulier telegraafverkeer plaatsvond. Van particuliere maatschappijen die louter gericht waren op telegrafische berichtgeving was na 1884 evenwel geen sprake meer.92.
| |
De uitbreiding van de Rijkstelegraaf
Naast de overname van bestaande particuliere lijnen werd het Rijkstelegraafnet na 1852 ook uitgebreid door de oprichting van nieuwe lijnen. Op 1 februari 1853 was het traject Amsterdam-Utrecht-Arnhem-Duitse grens gereed, waardoor er een directe verbinding was gevormd tussen Amsterdam en Berlijn. Nog zonder tussenkomst van de stations te Utrecht en Arnhem, omdat men de problemen die in december 1852 waren ontstaan op de stations van Dordrecht en Breda wenste te vermijden. Utrecht en Arnhem kregen echter per 1 juli 1853 een aparte verbinding met Amsterdam.93.
In 1853 waren dus verbindingen tot stand gebracht tussen een aantal belangrijke Nederlandse en buitenlandse steden. Reeds in 1852 was daarnaast de beslissing genomen tot een verdere uitbreiding van het telegraafnet in de provincies Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Gelderland en vertakkingen naar de provincies Overijssel, Drenthe, Groningen en Limburg.94. De kosten voor dit in totaal

De predikant en schrijver C.E. van Koetsveld werd in de bloemlezing ‘Snippers van de schrijftafel’ geïnspireerd door de telegrafie. De houtgravure toonde een telegrafist aan een wijzertelegraaf in een spoorwegstation. In de inleiding van het boekwerkje uit 1852 trok Van Koetsveld een vergelijking tussen de telegrafie en het creatieve bewustzijn van de schrijver. Het boekje besloot met een wetenschappelijke beschouwing van de elektromagnetische telegraaf.
511 kilometer lange net werden geraamd op ƒ 215.000, -. Daarbij waren de kosten inbegrepen van de inrichting van 24 stationsruimten en 24 Morse-telegraaftoestellen uit de fabriek van Siemens & Halske.
Met de toename van de ruimtelijke complexiteit van het Rijkstelegraafnet werd de bestuurlijke organisatie complexer en bureaucratischer. Het beheer van de Rijkstelegraaf werd vanaf 1853 opgesplitst in verschillende afdelingen. Er vormde zich een hiërarchische bestuursstructuur met W.C.A. Staring aan het hoofd en controleurs, ingenieurs, opzichters en telegrafisten daaronder.95. Typerend voor deze fase in de opbouw van het telegrafie-systeem was dat een ‘selfmade’ man als Wenckebach, door Thorbecke in 1871 als ‘den stichter van het telegraafwezen hier te lande’ gehuldigd, gaandeweg op de achtergrond
| | | |

Morse-telegraaf van Siemens & Halske, circa 1855. Hoewel Werner Siemens een patent bezat op een door hem verbeterde versie van de wijzertelegraaf van Wheatstone, was de firma Siemens & Halske in 1850 overgeschakeld op de vervaardiging van Morse-telegrafen. In 1848 had de Pruisische Commissie voor de telegrafie besloten het staatstelegraafnet aan te leggen met deze toestellen.
| | | | raakte. Personen als de referendaris en bestuurder pur-sang Staring namen zijn plaats in.96.
De uitbreiding van het Rijkstelegraafnet na 1852 had tot gevolg dat rond 1855 de belangrijkste plaatsen van Nederland telegrafisch met elkaar verbonden waren. In grafiek 14.1 is voor de gehele negentiende eeuw de groei van het Rijkstelegraafnet weergeven naar het aantal kilometers lijnen en draden en naar het aantal kantoren.
Financieel gezien was de uitbreiding van het Rijkstelegraafnet vanaf de tweede helft van de jaren 1860 geen succes. Tot 1867 lagen, met uitzondering van de jaren 1852 en 1862, de exploitatielasten lager dan de ontvangsten. Vanaf 1866 leverde de exploitatie van de telegrafie evenwel consequent een nadelig saldo op.97. Dit was opmerkelijk, daar zowel het binnenlands als buitenlands telegraafverkeer, over het algemeen, een stijgende lijn vertoonde, gemeten naar het aantal verzonden en ontvangen telegrammen.98. Tabel 14.2 geeft een overzicht van het aantal verzonden en ontvangen telegrammen in binnenen buitenland in de negentiende eeuw.
Een verklaring voor het nadelige saldo van de Rijkstelegrafie kan gevonden worden in de kostenstructuur van het telegrafiebedrijf. Aan de hand van grafiek 14.1 kan geconstateerd worden dat naarmate het Rijkstelegraafnet werd uitgebreid, de afstand tussen de kantoren werd verkleind. In 1854 bedroeg deze afstand nog 46 km, tegen slechts 10 km in 1900. Een kleine vermeerdering van het aantal verzonden telegrammen maakte een uitbreiding van het personeel99. en het materieel op bestaande kantoren noodzakelijk, wat, gecombineerd met de opening van nieuwe kantoren, voor een verhoging van de exploitatielasten zorgde. De gelden die binnenkwamen door de groei van het telegraafverkeer wogen niet op tegen de verhoogde kosten, zodat per saldo de netto inkomsten daalden.100.
Alhoewel de Rijkstelegrafie niet was opgezet vanuit een winstoogmerk, was de situatie vanaf 1867 dus zo dat de Rijkstelegraaf verliesgevend was. Op verschillende manieren werd getracht hier een einde
Tabel 14.2: Aantal verzonden en ontvangen telegrammen, 1857-1897.
| Jaar |
Aantal telegrammen |
| 1857 |
224.803 |
| 1867 |
1.113.037 |
| 1877 |
2.382.599 |
| 1887 |
3.703.024 |
| 1897 |
4.672.142 |
| Bron: Verslag 1897, 5. |

Boven: het Nederlandse telegraafnet in februari 1855. Zowel de Rijkstelegraaflijnen als de particuliere lijnen zijn aangegeven.

Onder: de omvang van het Nederlandse telegraafnet in 1864. De lijn van de Internationale Telegraafinaatschappij naar Londen was inmiddels verlegd van Scheveningen naar Zandvoort.
| | | |
aan te maken. Ter bevordering van het telegraafverkeer werd per 1 januari 1868 een uniformtarief ingesteld dat de kosten voor een telegram met 1 tot 20 woorden op ƒ 0,30 bracht; voor elke 10 woorden daarboven werd ƒ 0,15 gerekend.101. Alhoewel deze tariefsverlaging inderdaad leidde tot een toename van het binnenlands verkeer, werd hierdoor alleen maar de ongunstige kostenstructuur versterkt. Op technisch gebied vond in 1868 eveneens een verandering plaats, die in direct verband stond met de tariefsverlaging. In 1868 werden door de Rijkstelegraaf de eerste proefnemingen genomen met de typendruktelegraaf van de Amerikaan D.E. Hughes, zo genoemd omdat de Hughes-telegraaf het verzonden bericht direct in drukschrift op een papierstrook zette.102. De proefnemingen bleken zo succesvol dat meerdere toestellen in gebruik werden genomen op de drukste lijnen. Als zodanig kwam het nieuwe toestel, dat bijna twee maal zo snel werkte als de Morse-telegraaf, tegemoet aan de door de tariefsverlaging gestimuleerde groei van het telegraafverkeer. In 1874 werd naast de toestellen van Morse en Hughes een derde toesteltype ingevoerd.103. Dit door de Fransman B. Meyer ontworpen toestel maakte het mogelijk meerdere berichten vrijwel gelijktijdig over dezelfde lijn te verzenden. Met het meervoudige stelsel van Meyer konden zodoende 140 telegrammen per uur verzonden worden, tegen 50 met behulp van het Hughes-toestel en 30 met de Morse-telegraaf. Alhoewel de Meyer-telegraaf een bediening door vier personen vereiste, lag het grote voordeel van het apparaat in de besparing op
draden.104. De snelheid van het Meyer-toestel maakte het, evenals de Hughes-telegraaf, alleen rendabel op de drukste lijnen. Het Morse-toestel bleef het meest gebruikte toestel.
Zowel de tariefverlaging van 1868 als de introductie van nieuwe, snellere apparatuur, kunnen gezien worden als pogingen om het telegraafverkeer te stimuleren en daarmee de inkomsten te verhogen. De technische differentiatie vormde tevens een bewijs van het streven naar een optimalisering van het door de overheid opgezette telegrafie-systeem.
Daarnaast bestond er de mogelijkheid om de exploitatiekosten te verminderen. Als voorbeeld kon Pruisen dienen, waar reeds vanaf 1849 de Post- en Tele-

GRAFIEK 14.1: OMVANG VAN HET RIJKSTELEGRAAFNET, 1854-1900.
Bron: Verslag aan den Koning over de openbare werken. 1854. ('s Gravenhage 1855); Verslag aan den Koning over den toestand der Telegrafen in Nederland (1855-1900; onder afwijkende titels). Alle cijfers zijn per 1 januari van het jaar.
| | | | graafdienst waren samengevoegd en waar in kleinere plaatsen met weinig verkeer beide diensten in één gebouw waren verenigd.105. Aldus konden aanzienlijke bedragen op personeel en huisvesting bespaard worden.
In 1869 werd ook in Nederland bij een tweetal Koninklijke Besluiten besloten tot een vereniging van posterijen en telegrafie.106. Het Duitse voorbeeld werd echter slechts gedeeltelijk overgenomen. De Besluiten behelsden alleen de formele vereniging van de twee diensten, zonder de benoeming van één Hoofdbestuurder. Het gevolg was dat weliswaar de administratie van de Rijkstelegraaf en de behandeling van zaken, die de telegrafie in het algemeen betroffen, onder het Departement van Financiën kwamen te vallen (waar de Posterijdienst al onder viel), maar dat beide diensten nog strikt gescheiden ambtenarenkorpsen en administraties bleven houden.107. Niettemin kwam het tot de oprichting van verenigde post- en telegraafkantoren: op 1 maart 1870 werd het eerste kantoor geopend te Oss. In de daaropvolgende jaren werden geleidelijk over het gehele land verenigde kantoren geopend.
Enerzijds door de halfslachtige vereniging van de beide diensten, anderzijds door de nog steeds hoge kosten van apparatuur en personeel, bleven de financiële resultaten van de samenwerking achter bij de verwachtingen. Tot een ombuiging van het negatieve saldo van de Rijkstelegraaf in een positief saldo kwam het niet. Uiteindelijk werden de zelfstandige afdelingen Posterijen en Telegrafie pas in 1886, nadat beide in 1877 onder het nieuwe Departement Waterstaat, Handel en Nijverheid waren gebracht, verenigd tot één afdeling Posterijen.108
De uitbreiding van het Rijkstelegraafnet na 1855, het jaar waarin de belangrijkste plaatsen van Nederland door middel van de telegrafie met elkaar verbonden waren, stond dus voor een belangrijk deel in het teken van het streven ook de rest van Nederland in het telegraafverkeer te betrekken. Dit lukte slechts ten dele en tegen een hoge prijs: vanaf 1867 kampte de Rijkstelegraaf met een jaarlijks verlies.
Ook de ontwikkeling van de Rijkstelegraaf na 1877 werd beheerst door het gecombineerde streven naar een grotere verbreiding van de telegrafie over Nederland en een beperking van de Rijkstelegraafkosten. Aan de basis van dit streven lag de reeds in 1850 geformuleerde visie waarbinnen de telegraaf gezien werd als een algemene nutsvoorziening. In ruimtelijk opzicht was de telegraaf dit niet. Kleine gemeenten bleven om financiële redenen verstoken van een telegraafkantoor.109. Ook in sociaal opzicht was de telegraaf geen algemene nutsvoorziening.
Zowel in de jaren 1850 als 1860 vormden telegrammen met een zakelijke inhoud het overgrote deel van het telegrafisch verkeer. In functioneel opzicht had de telegraaf zich opgeworpen tot een instrument

Het Amsterdamse Rijkstelegraafkantoor in 1876. Het kantoor telde in dat jaar 232 ambtenaren, 58 bestellers en 83 telegraaftoestellen van verschillende typen.
in de effectenhandel, de nijverheid, de scheepvaart en het dagbladbedrijf. Regeringstelegrammen maakten slechts een zeer klein deel uit van het totaal. 110.
Aan het einde van de jaren 1870 was het Nederlands telegraafwezen een belangrijke alhoewel niet algemene voorziening, die bovendien in haar streven naar een het gehele land omvattend net, door financiële problemen werd geplaagd. Tegen deze achtergrond van een omvangrijk en groeiend technisch systeem dient de introductie van de telefoon gezien te worden.
| |
Transmissie van spraak
Net als de telegraaf kende de telefoon een lange en internationale voorgeschiedenis. Een eigenlijke ‘uitvinder’ is dan ook moeilijk te noemen. In tegenstelling tot de telegraaf was het onderzoek niet gericht op de studie van elektriciteit en magnetisme, waarvan de basisprincipes immers al bekend waren, maar meer op die van de spraak en het gehoor.111. Al in de eerste helft van de negentiende eeuw werd het woord telefoon gebruikt voor diverse apparaten die
| | | |

Drukte op een telegraafkantoor. De papierstrook met de ontvangen Morse-seinen heeft zich tot een kluwen opgehoopt. De tekening van H.B. Wolbert verscheen in 1952 naar aanleiding van het 100-jarig bestaan van de Rijkstelegraaf in het programmablad van de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep.
op de een of andere manier geluiden over een langere afstand wisten over te brengen. Dergelijke apparaten waren meestal akoestische constructies.
Het was de Duitser Philipp Reis die in 1861 voor het eerst een toestel construeerde dat de benaming telefoon in de huidige zin van het woord verdiende.112. Zijn toestel bestond uit twee apparaten, een zender en een ontvanger waarmee het hem lukte zuivere tonen over te brengen. Als gevolg van een constructiefout, waardoor de contacten in de zender de stroom niet verbraken maar veranderden, kon het toestel ook spraak overbrengen.113. Reis heeft echter nooit geclaimd de telefoon te hebben uitgevonden.
Anders lag dat voor Alexander Graham Bell, een Amerikaanse fysioloog. In 1872 begon Bell met de eerste experimenten die uiteindelijk zouden leiden tot een praktisch bruikbare telefoon.114. Bells onderzoek was aanvankelijk gericht op een apparaat dat de menselijke stem voor doven zichtbaar zou kunnen maken. Aangezien dit onderzoek geen directe resultaten opleverde, raadde zijn schoonvader hem aan om een ander - financieel relevanter - onderwerp te kiezen. Samen met Thomas A. Watson, begon hij te werken aan een telegraaf, waarmee verschillende berichten gelijktijdig over één draad konden worden verzonden: een zogenaamde harmonische telegraaf. Bij toeval ontdekte het duo dat spraak kon worden omgezet in stroomveranderingen die op hun beurt weer in spraak konden worden omgezet. Het was weer Bells schoonvader, Hubbard, die in februari 1876 een patent voor zijn schoonzoon indiende, getiteld Improvements in Telegraphy.115. Alhoewel Bell zijn methode van spraakoverdracht maar zeer summier uitlegde, vormde het wel de basis voor de telefonie.
Twee uur na Bell werd door Elisha Gray, een van de oprichters van de Western Electric Company, een caveat116. ingediend dat een meer uitvoerige beschrijving gaf van telefonie met behulp van een weerstandsmicrofoon.117. In maart 1876 gelukte het Bell - met behulp van een aan Gray ontleende microfoon - daadwerkelijk spraak over te brengen. Dezelfde maand werd ook Bells patentaanvraag gehonoreerd. In april 1876 behaalde Bell met een elektrodynamische microfoon hetzelfde resultaat. Het bijzondere van de uitvinding van Bell was, dat als opnemer118. en als weergever hetzelfde apparaat werd gebruikt. Als weergever was de dynamische telefoon zeer succesvol. Als opnemer voldeed het echter niet. Al snel werd in plaats daarvan de weerstandsmicrofoon, waarvoor Gray de basis legde, gebruikt.119. De weerstandsmicrofoon werd in de daaropvolgende jaren verbeterd door William Preece, Emile Berliner, Thomas Alva Edison120. en David Hughes.
Uiteindelijk was het de koolmicrofoon van de laatste, die de beste resultaten bleek te geven.121.
De koolmicrofoon bestond uit een trilplaat die rustte op een bakje koolgruis of zeer kleine koolkorrels. Door het koolgruis, dat een vrij hoge elektrische weerstand heeft, liep een kleine gelijkstroom. Bewoog de trilplaat door geluid, dan werd het gruis een beetje samengedrukt en veranderde de weerstand ervan. In het circuit had dit stroomveranderingen tot gevolg. Aan de andere kant van de verbinding werden deze stroomveranderingen door de telefoon weer omgezet in geluid.122.
De in 1877 opgerichte Bell Company bezat in de Verenigde Staten een monopolie op de telefonie tot aan het aflopen van de patenten in 1893. Op het Europese continent en in Engeland werden beperkte patenten aan Bell verleend. In Engeland bijvoorbeeld behield Edison zijn patent, zodat daar de combinatie van een Bell-telefoon met een Edisonmicrofoon geen bezwaren opleverde.123. In Duitsland werd de Bell-telefoon in zijn geheel niet gepatenteerd, zodat de firma Siemens & Halske deze kon namaken en verbeteren.124. In Nederland was de Octrooiwet in 1869 buiten werking gesteld.125.
De voorgeschiedenis van de telefoon vertoont dus overeenkomsten met die van de telegraaf. Ook de telefoon was het resultaat van langdurige internationale onderzoeken en experimenten. Alhoewel Bell als de ‘uitvinder’ van de telefoon naar voren werd geschoven en hijzelf zich ook als zodanig zag, blijkt uit het voorafgaande dat zijn claim vanaf het begin omstreden was en in de hand werd gewerkt door de bestaande patentsituatie. Er was geen sprake van de telefoon, veel meer van een breed scala aan technische mogelijkheden.
| |
| | | |
De Rijkstelegraaf en de telefoon
Op het moment dat de telefoon in 1877 in Nederland werd geïntroduceerd was de telegrafie uitgegroeid tot een grootschalig technisch systeem. Het systeem had een grote reikwijdte gekregen en vertoonde bovendien een aanzienlijke dynamiek. De telefonie werd dan ook vrijwel onmiddellijk gezien in relatie tot de telegrafie. De vragen die in dit kader aan de orde zullen komen zijn de volgende. Hoe reageerde het bestaande telegrafie-systeem op de komst van de telefonie? Welke veranderingen traden op in het systeem en welke invloed had het telegrafie-systeem op de ontwikkeling van de telefonie?
De telefoon bereikte Nederland waarschijnlijk via Duitsland, waar reeds in november 1877 bij de Rijkstelegraafdienst een voorschrift met betrekking tot het gebruik van de telefoon was uitgevaardigd.126. Het is mogelijk dat het contact tussen de twee landen tot stand is gebracht via de beide telegraafdiensten, dan wel via de Nederlandse gezant aan het keizerlijk hof te Berlijn.127. Eind 1877 werden in ieder geval door zowel particulieren als door de Rijkstelegraaf proefnemingen met het nieuwe medium gedaan.128. De Rijkstelegraaf wenste enerzijds de algemene werking van de telefoon te onderzoeken, anderzijds was men geïnteresseerd in de mogelijkheden van de telefoon in het telegraafverkeer. Onduidelijk is wie binnen de Rijkstelegraaf het initiatief heeft genomen. Mogelijk was het directeur Staring zelf, maar het is zeker niet onwaarschijnlijk dat het initiatief van J.M. Collette uitging. Het was in ieder geval de laatste die het onderzoek leidde. Collette was in 1853 aangesteld als leerling-telegrafist en werd in 1871 benoemd tot chef van het Technisch Beheer, als opvolger van Eduard Wenckebach. In die functie had hij zich beziggehouden met de Hughes- en Meyer-telegraaf.129.
De door Collette uitgevoerde experimenten waren niet onverdeeld bemoedigend. Een tussen het Binnenhof en het hulpkantoor van de Rijkstelegraaf in de Parkstraat gespannen draad bevestigde ‘de reeds tamelijk vast staande opinie, dat de telephoon, zooals hij thans zamengesteld is en werkt, voor het overbrengen der telegrammen op onze groote verkeerswegen en in het algemeen waar eenige levendigheid van beweging heerscht, niet kan in aanmerking komen.’130. In de eerste plaats trad er inductie op door de aanwezigheid van telegraafdraden. In de tweede plaats was de verstaanbaarheid slecht door het lawaai op de seinzalen. Alleen voor zeer rustige, afgelegen kantoren vormde de telefoon misschien een nuttig instrument: het toestel vergde weinig oefening en was relatief goedkoop. De in februari 1878 op andere plaatsen voortgezette proeven ‘ten einde het hooren gemakkelijker te maken en ook

Model van de eerste Bell-telefoon uit 1875. Zowel de opnemer als de ontvanger bezaten een membraan met een dun ijzeren plaatje en een elektromagneet. Geluidstrillingen veranderden de afstand tussen het membraan, het ijzeren plaatje en de elektromagneet in de opnemer zodanig, dat het magnetisch veld werd gewijzigd. De veranderingen in het magnetisch veld resulteerden in stroomveranderingen, die weer tot een wijziging in het magnetisch veld in de ontvanger leidden. Het ijzeren plaatje op het membraan werd hierdoor op een zodanige wijze in trilling gebracht dat het geluid werd gereproduceerd.
tot in de rede vallen gelegenheid te geven’, bevestigden deze ideeën. Veel van de gesproken boodschappen kwamen verminkt over, dienden herhaald of omschreven te worden of konden alleen in morse-tekens overgebracht worden. Het spellen van letters was geen oplossing, omdat deze niet van elkaar onderscheiden konden worden. In bepaalde situaties zou de telefoon evenwel dienst kunnen doen, zodat het nieuwe toestel in dit stadium in ieder geval niet afgeschreven werd: ‘De aandacht blijft op dezen alleszins merkwaardigen toestel en op de toepassing daarvan gevestigd.’ 131.
Zowel in 1878 als in 1879 werd de telefoon gebruikt door de technische dienst van de Rijkstelegraaf. In het laatste jaar werd de telefoon echter tevens intensief gebruikt tussen Vlieland en Terschelling. Tussen de directeur van het telegraafkantoor op Vlieland en de opzichter van de bouw van een nieuw telegraafkantoor op Terschelling vond veelvuldig telefonisch contact plaats via de reeds gelegde telegraafkabel. De telefoons kwamen uit de fabriek van Siemens en Halske en werkten naar verluid uitstekend.132.
Ondanks dit succes bleef een voorstel van Collette, om in afwachting van het gereedkomen van het kantoor op Terschelling de telegraafdienst alvast per telefoon te openen, zonder gevolg. In 1880 leidde evenwel een ten bate van de postdienst tussen de Texelse plaatsjes Den Burg en De Cocksdorp aangelegde telefoonverbinding tot het verzoek van de
| | | | eilandbewoners, deze verbinding voor het publiek open te stellen en door te trekken naar Oudeschild. De minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, Jhr. G.J.G. Klerck, willigde dit verzoek ten aanzien van de bestaande verbinding in, ‘zonder dat de dienst zich verantwoordelijk stelt voor nauwkeurige overbrenging der berigten.’133.
Naar aanleiding van het Texelse verzoek diende de minister een ontwerp-besluit in bij de koning ‘betrekkelijk het overbrengen van berigten door middel van den telefoon.’ De discussie over dit ontwerp-besluit vormde de opmaat tot de uiteindelijke juridische en organisatorische regeling van het gebruik van de telefoon in het telegraafverkeer. Tot tweemaal toe bracht de Raad van State een negatief advies over het ontwerp-besluit uit, de eerste keer op principiële gronden, de tweede keer op inhoudelijke.134.
In eerste instantie keerde de Raad zich tegen het bij Koninklijk Besluit regelen van het gebruik van de telefoon door de Rijkstelegraaf, daar zij dit zag als ‘eene nieuwe en andere dienst dan die van den hier te lande bestaande Rijkstelegraaf’. Overeenkomstig de wettelijke regeling van de in 1850 op nieuwe grondslagen opgerichte postdienst, diende ook het overheidsgebruik van de telefonie wettelijk te worden geregeld. Dit niet alleen omdat ‘eigenaars van gronden niet zouden behoeven te dulden gravingen of andere verrigtingen in of op hunnen grond ten behoeve van de telefoondienst’, maar ook omdat de nieuwe dienst de post- en telegraafopbrengsten zou kunnen doen verminderen. In zijn antwoord aan de koning bestreed de minister uitvoerig het idee, dat de telefoon principieel iets anders was dan een telegraaf en dientengevolge een aparte wettelijke regeling vereiste:
Mijns inziens is de Raad, met een groot deel van het publiek, door het wonderbaarlijke van de uitvinding en door den naam dien men aan den toestel gegeven heeft, op het denkbeeld gekomen, dat men hier met iets geheel anders te doen heeft dan met de tegenwoordig in gebruik zijnde telegrafen, terwijl toch het verschil alleen gelegen is in de inrigting van de toestellen waarmeede de tekens worden gegeven en ontvangen, geenszins in de natuurkrachten die daarbij in het spel zijn en volstrekt niet in de inrigting van den door de teekens te volgen weg.
Na een historisch overzicht van de in de telegrafie gebruikte toestellen concludeerde de minister dat de telefoon alleen van deze toestellen afweek door haar eenvoudige, geen speciale vaardigheden vereisende bediening. De telefoon was een ‘spreektelegraaftoestel’ waarbij, net als bij telegrafische inrichtingen, ‘door elektrische stroomen, langs een geïsoleerden metaaldraad van de eene plaats naar de andere geleid, magneetkracht opgewekt of gewijzigd wordt, waardoor het op de eene plaats gesproken woord op de verwijderde plaats kan gehoord worden.’ Een aparte wetgeving voor de telefonie was dan ook niet noodzakelijk; het ontwerp-besluit diende uitsluitend om ‘de wijze te regelen waarop de Rijkstelegraafdienst van den spreektoestel zal gebruik kunnen maken om telegrammen te wisselen met kleine plaatsen’.
Nadat de koning accoord was gegaan met het Ministeriële Rapport van 8 december, werd het ontwerpbesluit voor de tweede keer aan de Raad van State aangeboden, nu evenwel om het inhoudelijk te toetsen. Andermaal bracht de Raad een negatief advies uit. Wanneer aangenomen moest worden dat de telefoon een soort telegraaf was, een hulptoestel voor de Rijkstelegraaf waarvan het ‘een bloot mechaniek onderdeel’ vormde, dan diende in het Besluit het woord ‘telephoon’ zo weinig mogelijk gebruikt te worden. Met andere woorden: ‘telephonische berigten zijn telegraphische berigten’.135.
Nadat de minister zijn ontwerp-besluit in deze zin had aangepast, werd op 27 januari 1881 een Koninklijk Besluit afgekondigd, waarin het Rijkstelegraafreglement van toepassing werd verklaard op de telefoon. Vervolgens werd op 25 april 1881 het Koninklijk Besluit uitgevaardigd, ‘houdende regeling van de medewerking der gemeenten, ter vestiging van Rijkskantoren met vereenvoudigde telegraphische inrigting, door middel van telefonen of andere toestellen.’136.
Bij de indiening van het tweede ontwerp-besluit wees de minister op het feit dat de laatste tijd door verscheidene gemeenten, die de voorwaarden die aan de oprichting van een verenigd telegraaf- en postkantoor te bezwarend vonden, was aangedrongen op de vestiging van een telegraafkantoor met telefoonverbinding. Omdat evenwel niet élke gemeente van een dergelijk kantoor voorzien kon worden, bepaalde artikel 1 van het Besluit dat een plaats niet verder dan 5 kilometer van een Rijkstelegraaflijn en niet verder dan 15 kilometer van een Rijkstelegraafkantoor mocht liggen om in aanmerking te kunnen komen voor een Rijkskantoor met ‘vereenvoudigde telegraphische inrigting’. In feite waren dit dus Rijkstelegraafkantoren met een telefoon in plaats van een telegraaf: telegrammen werden telefonisch aangeboden aan het dichtstbijzijnde telegraafkantoor.
Het kb van april 1881 trad in werking op 1 juni. De Ministeriële Beschikking van 18 juni bepaalde dat, terwijl het Rijk de telefoontoestellen (en een wapenbord) leverde, de gemeenten de lokalen ter beschikking moesten stellen. De door de gemeente aangestelde ‘kantoorhouder’ was financieel verantwoording schuldig aan het Rijkstelegraafkantoor waarop het aansluiting had. Voor de benaming
| | | | ‘kantoorhouder’ was gekozen omdat de term ‘telefoonklerk’ teveel associatie opriep met de telefoon, ‘alsof de man die met den telefoon seint geen telegraafman ware.’137.
Het eerste Rijkstelegraafkantoor met ‘vereenvoudigde telegraphische inrigting’ werd op 15 februari 1881 te De Cocksdorp (Texel) geopend. In datzelfde jaar werden nog 4 soortgelijke kantoren geopend.138. De stormachtige groei van het aantal Rijkstelegraafkantoren met telefonische bediening in de daaropvolgende jaren is af te lezen uit grafiek 14.2. Aan de hand van de in grafiek 14.2 gepresenteerde cijfers kan geconstateerd worden dat de toename van het totaal aantal Rijkstelegraafkantoren in de jaren 1880 en 1890 voor het grootste deel toegeschreven kon worden aan de kantoren met telefonische dienst. Vanaf 1894 overtrof dit type kantoor zelfs het aantal reguliere Rijkstelegraafkantoren. De groei van het aantal Rijkskantoren met vereenvoudigde telegrafische inrichting werd nog gestimuleerd door een Koninklijk Besluit uit 1886, dat aan meer dan 5 kilometer van een Rijkstelegraaflijn verwijderde plaatsen de gelegenheid tot aansluiting bood, mits ze de kosten van het aanleggen van die lijn op zich namen. In ditzelfde Besluit werd niet meer gesproken van Rijkstelegraafkantoren met vereenvoudigde inrichting, maar van ‘Rijkstelephoonkantoren’.
Vanaf 1897 nam, in overeenstemming met een in dat jaar vastgesteld Koninklijk Besluit, het Rijk alle kosten van aansluiting en technische inrichting op zich. Gemeenten dienden alleen nog de kosten van de lokaliteit en de bediening op zich te nemen. Deze wijziging had tot gevolg, dat in de laatste maanden van 1897 16 aanvragen van gemeentebesturen binnenkwamen.139.
De inschakeling van de telefoon in het telegraafverkeer was in technisch opzicht betrekkelijk eenvoudig: nodig waren alleen (goedwerkende) telefoontoestellen en enkeldraadstelefoonlijnen. Het belang van de oprichting van Rijkstelefoonkantoren was evenwel nauwelijks te overschatten. De verdere verbreiding van de telegrafie tot aan het einde van de negentiende eeuw kon vrijwel geheel aan dit ty-

GRAFIEK 14.2: AANTAL RIJKSTELEGRAAFKANTOREN EN RIJKSKANTOREN MET TELEFONISCHE DIENST, 1881-1900.
Bron: Verslagen 1881-1900. Alle cijfers zijn per 1 januari van het jaar.
| | | | pe kantoor worden toegeschreven. In 1887 werd vastgesteld dat ongeveer 80% van de inkomsten van de Rijkstelegraaf was terug te voeren op het verkeer van en met Rijkstelefoonkantoren.140. Op 1 januari 1888 maakte daarentegen het aantal kantoren van dit type slechts ongeveer de helft van het totale kantorenbestand uit. Voor veel kleinere gemeenten ontstond door de ingebruikname van de telefoon door de Rijkstelegraaf voor het eerst de mogelijkheid aansluiting op het landelijke telegraafnet te krijgen. De kosten van een dergelijk kantoor lagen aanzienlijk lager dan die van een gewoon telegraafkantoor, zowel als gevolg van de relatief lage prijs van een telefoontoestel (ongeveer ééntiende deel van dat van een telegraaftoestel), als vanwege de besparing op de kosten van een telegrafistenopleiding: in principe kon iedereen een telefoontoestel bedienen.141. Bovendien bestond er door de gestadige uitbreiding van het telegraafnet in feite een constant gebrek aan voldoende geoefend telegraafpersoneel.142.
Tot 1881 waren de bij de technische dienst van de Rijkstelegraaf in gebruik zijnde telefoontoestellen uitsluitend afkomstig geweest uit de fabriek van Siemens & Halske te Berlijn.143. Een in februari 1881 door Collette ondernomen dienstreis naar Duitsland resulteerde evenwel in een negatief rapport inzake de Siemens-telefoon.144. De telefoon, die zowel gebruikt werd voor het afluisteren als voor het overspreken, vereiste door het optreden van neus- en bromgeluiden, gegons en inductie, zeer hard spreken. Illustratief is dat Collette door een Duitse beambte aan de andere kant van de lijn voor een Fransman werd gehouden. Het is waarschijnlijk dat dit rapport, samen met de aanstaande oprichting van Rijkstelefoonkantoren, in 1881 leidde tot uitgebreide proefnemingen met diverse andere Franse, Amerikaanse en Engelse telefoonsystemen. Naast de reeds bekende telefoons van Bell en Siemens & Halske werden tevens de telefoons beproefd van Ader, Berliner, Bötcher, Crossley, Gower, Hipp, De Locht en Theiler.145. Zowel de toestellen van Berliner en Theiler als de microfoon en ontvanger van respectievelijk Blake en Bell werden goed bevonden en door de Rijkstelegraaf in gebruik gesteld.146. Enkele jaren later had zich nog steeds geen standaardtoestel aangediend: ‘Intusschen wordt niet uit het oog verloren,
dat nog dagelijks op het gebied der telephonie verbeteringen en nieuwe vindingen plaats hebben en men dus omzichtig behoort te werk te gaan bij de invoering van toestellen naar het een of ander systeem.’147.
Niettemin had de telefoon zich rond 1883 een vaste plaast verworven binnen het telegrafie-systeem. Juridisch gezien was ze onder de Telegraafwet gebracht. Vanuit een financieel-economisch perspectief leverde ze een belangrijke bijdrage aan de opbrengsten van de Rijkstelegraaf. En in technisch opzicht vormde ze een welkom alternatief voor een slechts door deskundigen te bedienen telegraaftoestel. Dit alles wil niet zeggen dat de telefonie in deze periode louter als complement van de Rijkstelegraaf werd gezien.
| |
De telefoon in particuliere handen
De inschakeling van de telefoon bij de Rijkstelegraafdienst bracht geen verandering in de wijze waarop telegrammen werden aangeboden of afgeleverd. De telefonische berichten werden conform de reglementen als telegram genoteerd en behandeld. Hierin kwam verandering door particulier initiatief.148. Directeur Van Marken van de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek te Delft had op 13 november 1880 Koninklijke Machtiging verkregen tot het aanleggen en gebruik van een telefoonverbinding tussen zijn woning en de fabriek. Het jaar daarop had hij om toestemming gevraagd om zijn woning per telefoon aan te sluiten op het Rijkstelegraafkantoor in Delft, zodat het mogelijk werd telefonisch telegrammen aan te bieden en aangeboden te krijgen. Met een verwijzing naar de ervaring op Texel, waaruit bleek dat ‘na eenige oefening, de juiste overbrenging voldoende verzekerd is’, stemde de minister hierin toe. Het telefoontoestel werd tegen een jaarlijkse huurprijs van ƒ 25,- door de Rijkstelegraaf ter beschikking gesteld, terwijl een Rijkstelegraafambtenaar de bediener van de telefoon op de hoogte bracht van de behandeling van het toestel.
De verwachting van de minister dat er waarschijnlijk meer van soortgelijke aanvragen binnen zouden komen, leidde tot het Koninklijk Besluit van 11 mei 1881, ‘tot vaststelling der voorwaarden betreffende het verbinden van particuliere electrische geleidingen met Rijkstelegraafkantoren’, dat in de daaropvolgende jaren toegepast werd op een stijgend aantal aanvragen. Vergunning werd evenwel alleen verleend, wanneer het aan te sluiten pand meer dan 500 meter van het Rijkstelegraafkantoor was verwijderd.149.
Overigens was Van Marken niet de eerste met een ‘particuliere electrische geleiding’ richting Rijkstelegraafkantoor. In 1878 was namelijk aan de firma Nijgh en Zoon, directie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, vergunning verleend tot de aanleg en het gebruik van een ondergrondse telegraaflijn tussen het kantoor van de krant en het Rijkstelegraafkantoor. Bepaald was dat uitsluitend telegrammen mochten worden verzonden van en voor de redactie van de krant.150. Een kleine tien jaar later werd beschreven hoe inmiddels een netwerk was ontstaan van telegrafische nieuwscorrespondentie tussen de voornaamste Nederlandse plaatsen en de kantoren van dagbladen en periodieken, zodat
| | | | bijvoorbeeld een correspondent in Den Haag in verkiezingstijd één telegrafisch verslag kon uitbrengen aan diverse krantenredacties verspreid over het land. Het prestige verbonden aan telegrafische berichtgeving en de concurrentieslag tussen de kranten maakte evenwel dat niet alleen verkiezingsuitslagen, maar ‘bijna alles wordt getelegrapheerd’.151.
In 1882 werd wederom door particulier initiatief de inschakeling van de telefoon in het telegraafverkeer bevorderd.152. Aan de te Amsterdam gevestigde Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (nbtm) was een kamer in het gebouw van de Rijkstelegraaf afgestaan, waarop de Maatschappij deze ruimte door middel van vijf telefoondraden met haar centrale had verbonden. De nbtm adverteerde voor haar nieuwe dienst met de zin: ‘De aansluiting aan het telegraafkantoor geeft aan alle geabonneerden een telegraafstation aan huis.’153. Dit was mogelijk doordat abonnees van de Maatschappij per telefoon een telegram aan de beambte van de nbtm konden opgeven, dat vervolgens aan de Rijkstelegraaf ter overseining werd aangeboden. Andersom werden de voor de abonnees van de nbtm bestemde telegrammen op het Rijkstelegraafkantoor ontvangen en door de beambten van de nbtm ter overbrenging en bezorging afgeleverd. De door de Bell Maatschappij geïnde seinkosten werden daarop aan de Rijkstelegraaf uitgekeerd. Voor het Rijk had dit systeem het voordeel dat het aanbieden van telegrammen voor het publiek werd vergemakkelijkt, terwijl de besteldienst van de Rijkstelegraaf werd vereenvoudigd. Vanaf de opening van de telefoonruimte in het Rijkstelegraafkantoor op 3 juli 1882 tot aan het einde van het jaar werden op deze manier 2990 telegrammen aangeboden en 2618 afgeleverd.154.
Op verschillende manieren werd door overheid en particulieren de telefoon dus dienstbaar gemaakt aan de telegrafie. Tot de oprichting van een nieuwe staatstelefoondienst kwam het vooralsnog evenwel niet. Gezien het feit dat de telefoon als een soort telegraaf werd gezien en de telegrafie inmiddels vrijwel volledig in overheidshanden was gekomen, lag overheidsexploitatie zeker voor de hand.155. Een aantal factoren kan ter verklaring van het niet tot stand komen van overheidsexploitatie gegeven worden.156. Ten eerste zal de overheid wellicht gekeken hebben naar de Verenigde Staten, waar de telefonie zich in vergelijking met Europa zeer voorspoedig ontwikkeld had, en waar de exploitatie in particuliere handen was. Ten tweede was er het gegeven dat door velen de telefoon, in tegenstelling tot de telegraaf, gezien werd als van beperkt, niet-algemeen belang. De telefoon kon beschouwd worden als een eenvoudig correspondentiemiddel tussen een klein aantal aangeslotenen. De werkkring van de telefoon was dus per definitie beperkt.157. Een derde verklaring

De snelheid van de telegrambezorging werd in het laatste kwart van de negentiende eeuw aanzienlijk verhoogd door de fiets. De foto uit 1901 toont een telegrambesteller met het Rijkstelegraaf-uniform. Om zijn middel een riem met het telegrambestellerstasje.
die gegeven kan worden voor het niet tot stand komen van staatsexploitatie van de lokale telefonie is het gegeven dat de overheid door middel van de Rijkstelegraaf de telefonie dienstbaar had gemaakt aan het telegraafverkeer, en dat daarmee haar taak gedaan was. Het opzetten van een nieuwe staatstelefoondienst was dus niet alleen niet noodzakelijk, maar tevens niet wenselijk, gezien de verliezen die reeds geleden werden op de telegraafdienst en de mogelijkheid dat de nieuwe dienst eveneens voor verliezen zou gaan zorgen. In dit licht is het dan ook begrijpelijk dat met de oprichting vanaf 1888 van particuliere, interlokale telefoonverbindingen de overheid - de opbrengsten van de Rijkstelegraaf in gedachte - voorwaarden aan de exploitatie stelde. Reeds in 1881 waren verschillende lokale telefoonnetten opgericht. De netten werden geëxploiteerd door particuliere ondernemingen, waarvan de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij de belangrijkste was. 158. De oprichting van lokale en interlokale telefoonnetten wijst erop, dat de telefoon ook een innovatie was met een geheel eigen dynamiek. Zij kan niet uitsluitend als een afgeleide
van de telegrafie gezien worden.
Elders is beschreven hoe de zelfstandige ontwikkeling van de telefonie op lokaal en interlokaal gebied
| | | | sterk is bepaald en beperkt door de houding van de overheid ten opzichte van de telefonie.159 In een breder verband kan hier geconstateerd worden dat de gedeeltelijke incorporatie van de telefonie in de telegrafie, in eerste instantie de meeste voordelen heeft gebracht voor het bestaande systeem. De groeiende dynamiek van het telefonie-systeem verstoorde echter deze balans. Van een complementair systeem ontwikkelde de telefonie zich naar een sterk met de telegrafie concurrerend systeem. Deze ontwikkeling behoort evenwel tot de twintigste eeuw.
| |
Een systeem in ontwikkeling
In de inleiding van dit hoofdstuk is de ontwikkeling van het telegrafie-systeem omschreven als een dynamisch proces van interne interactie en externe beïnvloeding. Tot besluit zal hier gepoogd worden dit proces te faseren en te karakteriseren.
In de Nederlandse ontwikkeling van de telegrafie en telefonie in de negentiende eeuw is een drietal fasen aan te wijzen. Tijdens de introductiefase van 1845 tot aan de oprichting van de Rijkstelegraaf in 1852 hielden zowel particulieren als de overheid zich met de telegrafie bezig. De laatste deed dit echter pas na lang aandringen, terwijl binnen de eerste groep problemen ontstonden rond de financiering van telegraaflijnen. Beide groepen actoren bezaten een beeld van de telegrafie dat afwisselend de economische, politieke en infrastructurele mogelijkheden van het nieuwe medium naar voren bracht. Door particulier initiatief werden onder andere lijnen aangelegd van Rotterdam en Amsterdam naar hun zeehavens. Mede als gevolg van de bestaande technische variatie stonden de vanaf 1845 aangelegde lijnen vooralsnog niet met elkaar in verbinding. Zowel wijzer- als Morse-telegrafen werden gebruikt. Vanaf 1852 werden door de in dat jaar opgerichte Rijkstelegraaf systematisch belangrijke telegraafverbindingen aangelegd, met als doel te komen tot een alomvattend Nederlands telegraafnetwerk dat aansloot op het buitenland. Rond 1855 waren de belangrijkste plaatsen van Nederland inderdaad in een telegrafisch netwerk opgenomen. In zowel technisch als organisatorisch opzicht trad vanaf 1852 een zekere stabilisatie op. Staatsexploitatie werd de dominante beheersvorm. In eerste instantie dwong de overheid een algemeen geldend telegramtarief af. Vervolgens werden de particuliere telegraafmaatschappijen door de Rijkstelegraaf overgenomen. Het Morse-toestel werd het standaard-toestel in de telegrafie.
Gaandeweg werden de bestuurlijke structuren complexer. De Rijkstelegraaf kreeg een duidelijke hiërarchische en bureaucratische organisatie. De beslissingsprocessen werden formeler. Als gevolg van het streven naar een optimalisering van het systeem nam de technische differentiatie weer toe. Op financieeleconomisch vlak werd deze optimalisering evenwel niet bereikt. Aan de verbreiding van de telegrafie over het land waren kosten verbonden, die niet door de opbrengsten werden gedekt. De telegrafie werd gezien als een openbare nutsvoorziening. In praktijk fungeerde zij evenwel grotendeels als een zakelijk communicatiemiddel voor een beperkte groep van handelaren, fabrikanten en journalisten. De overheid zelf maakte relatief weinig gebruik van de telegraaf. Niettemin was de telegrafie inmiddels uitgegroeid tot een grootschalig technisch systeem, zowel wat betreft het aantal bestuurlijke en technische componenten, als het aantal quantitatieve operaties.
De introductie van de telefoon in 1877 vormde een belangrijke uitdaging van buitenaf en luidde de derde fase in de ontwikkeling van het telegrafie-systeem in. Het systeem toonde haar flexibiliteit door de telefonie in technisch, juridisch, bestuurlijk en organisatorisch opzicht te integreren in de bestaande structuren. De betekenis daarvan was groot. Na een voorzichtige start van de telegrafie in de jaren veertig en een periode van sterke groei in de jaren vijftig, volgde een periode van beperkte groei in de jaren zestig en zeventig. Met behulp van de telefonie vond vanaf het begin van de jaren tachtig een verdere infrastructurele uitbreiding en economische optimalisering plaats van de telegrafie. Een nieuwe periode van sterke groei werd ingezet. Aan het einde van de eeuw telde Nederland circa 600 Rijkstelegraaf- en Rijkstelefoonkantoren, werden er jaarlijks ruim 4½ miljoen telegrammen verzonden en hing er ruim 20.000 km telegraafdraad.
De incorporatie van de telefoon in het telegrafiesysteem oefende een negatieve invloed uit op de ontwikkeling van de telefonie als zelfstandig systeem.
Pas in de twintigste eeuw zou de telefonie zich ontwikkelen tot een serieuze concurrent van de telegrafie. Een beschrijving van deze ontwikkeling blijft hier evenwel achterwege.
o. de wit
|
1.Algemeen Handelsblad 3 juli 1837, rubriek Fransche berigten. Geciteerd in W. Visser, De papieren spiegel. Honderdvijf-en-twintig jaar Algemeen Handelsblad 1828-1953 (Amsterdam 1953), 113.
2.J. Carey, ‘Time, space and the telegraph’, in: D. Crowley, P. Heyer, Communication in history. Technology, culture, society (New York, London 1991), 132-137.
3.T.P. Hughes, ‘The evolution of large technological systems’, in: W.E. Bijker, T.P. Hughes, T.J. Pinch (eds.), The social construction of technological systems. New directions in the sociology and history of technology (Cambridge Mass. 1986), 51-82; B. Joerges, ‘Large technical systems: concepts and issues’, in: R. Mayntz, T.P. Hughes (eds.), The development of large technical systems (Frankfurt am Main/Boulder 1988), 9-36.
4.De schrijver dankt drs. R. Korving en prof. ir. C. de Jong voor hun uitgebreide commentaren op de technische aspecten van de telegrafie en telefonie in een eerdere versie van dit hoofdstuk.
5.G. Wilson, The old telegraphs (London 1976); G.R.M. Garrat, ‘Telegraphy’, in: C. Singer (ed.), A history of tech-nology, iv (Oxford 1958), 644-647; R. Korving, ‘De optische telegraaf van Chappe’, in: Erfgoed van industrie en tech-niek 1, maart 1993, 2-11.
6.E.A.B.J. ten Brink, C.W.L. Schell, Geschiedenis van de Rijkstelegraaf 1852-1952 ('s-Gravenhage 1954), 1-14; W. Ringnalda, De Rijkstelegraaf in Nederland. Hare opkomst en ontwikkeling (1852 - 1 december - 1902). Geïllustreerd gedenkboek ter herinnering aan haar vijftig-jarig bestaan (Amsterdam 1902), 1-11; Wilson, The old
telegraphs, 155-157.
7.Vergelijk J.C. Vermaas, Geschiedenis van Scheveningen, i ('s-Gravenhage 1926), 230.
8.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 13-14.
9.A. Kloss, Von der Electricität zur Elektrizität (Basel 1987), 117-133; Garratt, ‘Telegraphy’, 647-660.
10.W. Koning, De opkomst en ontwikkeling van de electrische te-legraaf met afbeelding en beschrijving der voornaamste toestellen en stroomlopen [Naar de tweeden Engelschen druk van Robert Sabine] (Arnhem 1870), 1-21.
11.K. Dawson, ‘Electromagnetic telegraphy: early ideas, proposals, and apparatus’, in: A.R. Hall en N. Smith (eds.), History of technology, i (1976), 113-141; C. Mackechnie Javis, ‘The distribution and utilization of electricity’, in: C. Singer (ed.), A history of technology, v (Oxford 1958), 218-224.
12.N.J. Nersessian, Faraday to Einstein: constructing meaning in scientific theories (Dordrecht/Boston/London 1984), 42-47.
13.M. Wenzel, ‘Die Entdeckung des elektro-chemischen Telegrafen durch Samuel Thomas Soemmering’, in: Archiv für deutsche Postgeschichte, 2 (1987), 5-25.
14.Zie voor het volgende J. Kieve, The electric telegraph. A social and economic history (Devon 1973), 13-45; ‘De elektro-magnetische telegraaf’, in: Nieuw Nederlandsch magazijn ter verspreiding van algemeene, en nuttige kundigheden (1846), 27-32.
15.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 14-15.
16.J. Kocka, Unternehmensverwaltung und Angestelltenschaft am Beispiel Siemens 1847-1914. Zum Verhältnis von Kapitalismus und Bürokratie in der deutschen Industrialisierung (Stuttgart 1969), 48-58; S. von Weiher en H. Goetzeler, Weg und Wirken der Siemens-Werke im Fortschritt der Elektrotechnik 1847-1972 (Göttingen 1972), 12-13.
17.Kieve, The electric telegraph, 46-47.
18.P.
Verhoest, J.-P. Vercruysse, Y. Punie, Telecommunicatie en beleid in België 1830-1991. Een reconstructie van de politieke besluitvorming vanaf de optische telegraaf tot de oprichting van Belgacom (Amsterdam 1991), 33-52.
19.R. Routlegde, Discoveries and inventions of the nineteenth century (Reprint; London 1989), 448-460; Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 32, 38-40.
20.D.J. Czitrom, Media and the American mind: from Morse to McLuhan (Chapel Hill 1982), 5-6.
21.Kloss, Electricität, 123-124.
22.W.J.M. Benschop, Eduard Wenckebach en de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij als baanbrekers voor de openbare telegrafie in Nederland ('s-Gravenhage 1947); Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 14-28; J.H. Geerke, ‘Het veertigjarig jubilaeum van de Rijkstelegraaf’, in: Eigen Haard (1892), 776-779; Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maat-schappij 1839-1889 (Heruitgave; Groningen 1986), 77-79; J.J. van Kerkwijk, ‘Kort overzigt van de geschiedenis der telegraphie in Nederland’, in: Staatkundig en Staathuishoud-kundig Jaarboekje (1878), 15-18.
23.G. Doorman, Het Nederlandsch octrooiwezen en de techniek der 19e eeuw ('s-Gravenhage 1947), 281-282.
24.S. Bleekrode, ‘Verhandeling over den elektrischen telegraaf in het algemeen, en bijzonder over deszelfs practisch gebruik bij spoorwegen’, in: Tijdschrift der Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, ix (1844-1845), 1-99, 175-203; S. Stratingh, ‘Iets over eenen elektromagnetischen klokkentelegraaf’, in: Tijdschrift Nijverheid, 2 (1838-1839), 256-266; E.A.B.J. ten Brink, De Rotterdamsche Telegraaf Maatschappij 1854-1884. Een episode uit de begintijd van de electrische telegrafie in Nederland ('s-Gravenhage 1952), 2-3; Benschop, Wenckebach, 9-10, 17.
25.Rapport afgedrukt bij Benschop, Wenckebach, 28-29.
26.H.G. Hesselink, 150 jaar seinen voor treinen (Rotterdam 1978), 14.
28.Visser, De papieren spiegel, 154.
29.Aldus het lid van de Raad van Administratie D. Borski, in: Algemeen Rijksarchief Den Haag ( ara), Archief Rijkstelegraaf, Binnenlandse Zaken ( biza), inv. nr. 1, brief d.d. 9 mei 1852, Min. biza aan Commissie Rijkste-legraaf, bijlage G.
30.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, afdeling Telegrafie en voorgangers 1852-1869, inv. nr. 1, brieven d.d. 9 mei 1852 en 20 mei 1852, Min. biza aan Commissie Rijkste-legraaf, met bijlagen.
31.Ten Brink, Rotterdamsche Telegraaf Maatschapppij, 5-6. Overigens kwam het particuliere verkeer voor de hijsm op de tweede plaats: dienstverkeer ging voor.
32.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 14 mei 1852, Commissie Rijkstelegraaf aan Min. biza.
33.P.G. van IJsselmuiden, Binnenlandse Zaken en het ontstaan van de moderne overheidsbureaucratie in Nederland 1813-1940(Kampen 1988), 85, 93-94, 117.
34.G. Hogesteeger, Van lopende bode tot telematica (Groningen 1989), 40-44.
35.Het request van februari 1847 is, samen met dat uit 1845, afgedrukt in E.A.B.J. ten Brink, ‘De Nederlandsche Tele-graafmaatschappij 1851-1864’, in: Economisch-historisch Jaarboek 1965 deel 30, 138-143. De brief uit mei 1847 is afgedrukt als Bijlage x in Benschop, Wenckebach.
36.Het Koninklijk Besluit van 1847 is afgedrukt in Ten Brink,
Geschiedenis Rijkstelegraaf, 434-435 en Benschop, Wenckebach, 44-46.
37.Ten Brink, ‘De Nederlandsche Telegraafmaatschappij; Bijlage i, 138-139; Bijlage iii, 145; Ten Brink, Rotterdamsche Telegraaf Maatschappij, Bijlage ii, 48-49.
38.Ten Brink, ‘De Nederlandsche Telegraafmaatschappij’, 118-169; Van Kerkwijk, ‘Kort overzigt’, 15-17.
39.Ten Brink, ‘De Nederlandsche Telegraafmaatschappij’, 147-153.
40.Geerke, ‘Het veertigjarig jubilaeum’, 777.
41.Ten Brink, Rotterdamische Telegraaf Maatschappij, passim.
42.Kamer van Koophandel en Fabrieken Rotterdam 1803-1929 (Rotterdam 1928), 380-403.
43.Ten Brink, Rotterdamsche Telegraaf Maatschappij, 33, 42-43, Bijlage xiii; Ten Brink, ‘De Nederlandsche Telegraaf-maatschappij’, 123, Bijlagen xiii en xvi.
44.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 82-88.
45.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 2, brief d.d. 1 mei 1852, Min. biza aan A. Ruyssenaers.
46.Van IJsselmuiden, Binnenlandse Zaken, 94, 109, 117.
47.Rapport afgedrukt in Ringnalda, Rijkstelegraaf, 28-30.
48.G. Hogesteeger, Concentratie en centralisatie bij de openbare telefonie in Nederland 1881-1940 (Den Haag 1984), 44; Hogesteeger, Van lopende bode, 127-128.
49.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 358-359.
51.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brieven d.d. 3 jan. 1852, 8 jan. 1852, 17 jan. 1852, 20 jan. 1852, 30 jan. 1852.
52.Telegraafwet van 1852 zowel afgedrukt bij Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, als bij Ringnalda, Rijkstelegraaf.
53.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 1 maart 1852, Minister Binnenlandse Zaken aan Voorzitter Eerste Kamer.
54.Ibidem, brief d.d. 3 maart 1852, Min. biza aan Voorzitter Tweede Kamer.
55.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 298-299.
56.A. van der Woud, Het lege land. De ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848 (Amsterdam 1987), 530-535; J. van den Noort, Pion of pionier. Rotterdam-Gemeentelijke bedrij-vigheid in de negentiende eeuw (Rotterdam 1990), 133-134.
57.ara, Archief Rijkstelegraaf, Commissie Rijkstelegraaf, inv. nr. 49, Begroting d.d. 26 februari 1852, no. 9.
58.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 3 maart 1852, Min. biza aan Voorzitter Tweede Kamer.
60.Ibidem, Ministeriële bepaling d.d. 16 april 1852.
61.Ibidem, brief d.d. 16 april 1852, Min. biza aan de Koning.
62.H. Lintsen, Ingenieurs in Nederland in de negentiende eeuw. Een streven naar erkenning en macht ('s-Gravenhage 1980), 97-99, 111-136, 173-174.
63.ara, Archief Rijkstelegraaf, Commissie Rijkstelegraaf, inv. nr. 49, brief d.d. 24 juli 1852, Commissie Rijkstelegraaf aan Wenckebach.
64.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 5 mei 1852, Min. biza aan
Wenckebach.
65.Ibidem, brief d.d. 29 maart 1852, Van der Kun en Conrad aan Min. Biza; idem d.d. 5 april 1852, Min. biza aan Koning; idem d.d. 15 april 1852, Min. biza aan Van der Kun en Conrad; Archief Rijkstelegraaf, Commissie Rijkstelegraaf, inv. nr. 49, brieven d.d. 7 maart, 29 maart en 6 juni 1852, Commissie Rijkstelegraaf aan Min. biza.
66.ara, Archief Rijkstelegraaf, inv. nr. 49, brief d.d. 7 augustus 1852, Wenckebach aan Commissie Rijkstelegraaf; inv. nr. 1, brief d.d. 13 augustus 1852, Min. biza aan adressant J.C. van
Beveren en Commissie Rijkstelegraaf.
67.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 24 april 1852, Commissie Rijkstelegraaf aan Baron Schimmelpenninck Van der Oye.
68.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 359-360.
69.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 21 juni 1852, Min. biza aan Min. Buitenlandse Zaken.
70.Ibidem, brief d.d. 31 maart 1852, Min. biza aan Van der Kun en Conrad.
71.Ibidem, brief d.d. 15 april 1852, Min. biza aan Van der Kun en Conrad.
72.ara, Archief Rijkstelegraaf, Commissie Rijkstelegraaf, inv. nr. 49, brief d.d. 27 augustus 1852, A.F. Goudriaan aan Wenckebach.
73.Ibidem, brieven d.d. 7 september en 2 oktober 1852, Wenckebach aan Commissie Rijkstelegraaf.
74.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 13 september 1852, Min. biza aan Commissaris der Koning te Zuid-Holland.
75.Ibidem, brieven d.d. 14 en 20 september 1852, Min. biza aan Commissie Rijkstelegraaf.
76.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 2, brief d.d. 9 oktober 1852, Commissie Rijkstelegraaf aan Min. biza.
77.In juni 1852 was een tweede door de hijsm gespannen draad tussen Amsterdam en Rotterdam door de overheid voor een bedrag van ƒ 22.000, - overgenomen: ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, overeenkomst Min. biza en hijsm d.d. 14 juni 1852; Ministeriële goedkeuring d.d. 21 juni 1852.
78.Ibidem, brief d.d. 27 april 1852, Min. biza aan Commissarissen der Koning te Noord-Holland, Utrecht en Gelderland.
79.Ibidem, brieven d.d. 12 en 15 juni 1852, Min. biza aan de Ingenieur van de Waterstaat; Ministeriële beschikking d.d. 24 juni 1852.
80.Ibidem, brief d.d. 24 september 1852, Min. biza aan Commissie Rijkstelegrafie.
81.Ibidem, brief d.d. 27 mei 1852, Min. biza aan Commissaris der Koning te Zuid-Holland.
82.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 5 april 1852, Conrad en Van der Kun aan Min. biza.
83.Van IJsselmuiden, Binnenlandse Zaken, 128.
84.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brieven d.d. 12 en 15 april 1852, Min.
biza aan Van der Kun en Conrad. De overeenkomst met de ntm inzake de opleiding werd afgesloten op 2 juli 1852.
85.ara, Archief Rijkstelegraaf, Commissie Rijkstelegrafie, inv. nr. 49, brief d.d. 24 juli 1852, Commissie Rijkstelegrafie aan Wenckebach. Vergelijk Ringnalda, Rijkstelegraaf, 35.
86.Nederlandsche Staatscourant, 284 (30 november 1852).
87.I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870) (Vierde druk; Utrecht/Antwerpen 1959), 133.
88.Ringnalda, Rijkstelegraaf, 34; Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 28.
89.Het volgende is ontleend aan Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 34-37.
90.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 2, brief d.d. 14 december 1852, Min. biza aan Kamer van Koophandel Dordrecht. De kantoren te Dordrecht en Breda werden in respectievelijk 1853 en 1854 heropend: Ten Brink, ‘De Nederlandsche Telegraafmaatschappij’, 11.
91.Zie bijvoorbeeld: 1865-1890. Overzicht van den Telegraaf-dienst bij de Maatschappij tot exploitatie van Staatsspoorwegen (z.p. z.j.).
92.Vergelijk Ringnalda, Rijkstelegraaf, 73-75.
93.Hogesteeger, Van lopende bode, 130.
94.ara, Archief Rijkstelegraaf, biza, inv. nr. 1, brief d.d. 3 september 1852, Min. biza aan Commissie Rijkstelegrafie.
95.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 246-247; Ringnalda, Rijkstelegraaf, 102.
96.Geerke, ‘Het veertigjarig jubilaeum’, 778. Pas in 1877 werd Staring ook formeel benoemd tot Hoofddirecteur van de Rijkstelegraaf.
97.Cijfers over exploitatiekosten en ontvangsten bij J.J. van Kerkwijk, Het Koninklijk Besluit van 26 December 1869, No. 9, tot overbrenging der administratie van den Rijkstelegraaf naar het departement van Financiën, beschouwd in verband met de vereeniging van de Rijkstelegraaf met de posterijën ('s Gravenhage 1870), 23-24. Zie ook diens ‘Kort overzigt van de exploitatie van den Rijkstelegraaf sedert 1852, met eenige financieele beschouwingen’, in: De Economist, i (1870), 573-588. Vergelijk Ringnalda, Rijkstelegraaf, 91-95 en Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 314-318.
98.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 480-482: Bijlage xiv, ‘Tabel van het telegraafverkeer 1852-1952’.
99.Tussen 1854 en 1869 steeg het aantal bij de Rijkstelegraaf werkzame personen van 39 naar 589.
100.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 272.
101.Ibidem, 318; Ringnalda, Rijkstelegraaf, 87.
102.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 40-44.
104.A.C. Hissink, ‘Het Rijkstelegraafkantoor te Amsterdam’, in: Eigen Haard (1876), 392, 398-400.
105.G. Hogesteeger, ‘Der Einfluß Preußens auf die Entwicklung der Telegrafie in den Niederlanden’, in: Archiv für deutsche Postgeschichte, 1 (1986), 84-87.
106.G. Hogesteeger, ‘De samenvoeging van Posterijen en Rijkstelegraaf per 1 januari 1886’, in: Het ptt-bedrijf, xxiv, 1-4 (dec. 1986), 4-10.
107.Van Kerkwijk, Het Koninklijk Besluit, passim.
108Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 248-258.
109.Van Kerkwijk, Het Koninklijk Besluit, 15.
110.W. Otto, ‘Het ontstaan en de ontwikkeling van het telegraafnet in Nederland’, in: Tijdschrift voor economische geographie (1912), 218-219.
111.P.H. Kylstra, ‘Van communicatienood naar wereldcommunicatie’, in: Het ptt-bedrijf, xx, 3 (aug. 1976), 149-159;
J.W. Hilten, ‘De wordingsgeschiedenis van de telefoon’, in: Het ptt-Bedrijf, xx, 3 (aug. 1986), 160-176.
112.W. Klein, ‘Blick in die Technik der frühen Telefone’, in: Archiv für deutsche Postgeschichte, 1 (1986), 34-37; W. Mache, ‘125 Jahre Philipp-Reis-Telefon’, in: Archiv für deutsche Postgeschichte, 1 (1987), 61-81; E. Horstmann, 75 Jahre Fernsprecher in Deutschland 1877-1952 (Berlin 1952), 27-51.
113.In 1975 in het Haagse Postmuseum gehouden proeven hebben aangetoond dat de zender van Reis wanneer deze zeer zorgvuldig wordt afgeregeld functioneert als een weerstandsmicrofoon.
114.Zie voor het volgende J. Brooks, Telephone: the first hundred years (New York 1976), 35-73; Horstmann, 75 Jahre Fernsprecher, 83-86.
115.Patent afgedrukt in: Hortsmann, 75 Jahre Fernsprecher, 87-96.
116.Een caveat is een patentvorm die nu in de VS niet meer mogelijk is. In feite was het geen echt patent, maar meer de vastlegging van een idee. De bedoeling was dat het caveat na enkele maanden werd vervangen door een patentaanvraag.
117.D.A. Hounshell, ‘Elisha Gray and the telephone’, in: Technology and Culture, 16 (april 1975), 133-161.
118.Het woord microfoon werd geïntroduceerd door D. Hughes.
119.K.B. Miller, American telephone practice (New York 1905), 13-22.
120.W.B. Carlson, M.E. Gorman, ‘Thinking and doing at Menlo Park: Edison's development of the telephone, 1876-1878’, in: W.S. Pretzer (ed.), Working at inventing: Thomas A. Edison and the Menlo Park experience (Dearborn, Michigan 1989), 84-99.
121.Klein, ‘Blick in die Technik’, 47.
122.P.J. Povey, R.A.J. Earl, Vintage telephones of the world (London 1988), 14-17.
123.Brooks, Telephone, 91-94.
124.Kocka, Unternehmensverwaltung, 204.
125.Doorman, Octrooiwezen, 282.
126.Hortsmann, 75 Jahre Fernsprecher, 139-142.
127.Hogesteeger, Concentratie, 105.
128.G. Hogesteeger, ‘De introductie van het fenomeen telefoon in Nederland’, in: Het PTT-Bedrijf, xx, 3 (aug. 1976), 177-190.
129.Ringnalda, Rijkstelegraaf, 113-116; Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 44-45. Zie ook het levensbericht in De Ingenieur (1899), 613-614.
130.ara, Archief Rijkstelegraaf, Waterstaat, Handel en Nijverheid ( whn), inv. nr. 190, brief d.d. 9 februari 1878, W.C.A. Staring aan Min. whn.
131.Verslag aan de Koning over de toestand der telegrafen in Nederland 1877. Geciteerd in Ringnalda, Rijkstelegraaf, 131.
133.ara, Archief Rijkstelegraaf, whn, inv. nr. 148, brief d.d. 12 oktober 1880, Min. whn aan de Koning.
134.Ibidem, brief d.d. 8 december 1880, Min. whn aan de Koning (plus bijlagen).
135.Ibidem, brief d.d. 25 januari 1881, Min. whn aan de Koning (plus bijlagen).
136.Ibidem, brief d.d. 22 april 1881, Min. whn aan de Koning. Vergelijk Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 395, 404.
137.Ibidem, Ministeriële Beschikking d.d. 18 juni 1881 (plus bijlagen).
138.J.H. Schuilenga, ‘Voorwaarts mijnheer!’, in: J.H. Schuilenga e.a. (red.), Honderd jaar telefoon. Geschiedenis van de openbare telefonie in Nederland 1881-1981 ('s-Gravenhage 1981), 17.
139.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 260-261, 395.
140.Hogesteeger, Van lopende bode, 148.
141.Het bedienen van een telegraaftoestel vroeg aan het einde van de negentiende eeuw, naast een HBS-diploma, een uitgebreide opleiding. Het handboek voor de telegrafist uit 1870, Rijkstelegraaf; beschrijving van de in Nederland gebruikelijke telegraaftoestellen, van de inrigting der kantoren en van de geleidingen: bijeengebragt op last van den Minister van Financiën ('s-Gravenhage 1870), besloeg 130 pagina's.
142.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 334-339.
143.ara, Archief Rijkstelegraaf, whn, inv. nr. 190, brief d.d. 31 juli 1880, directeur Staring aan zijn Belgische collega.
144.ara, Archief Rijkstelegraaf, whn. inv. nr. 148, brief d.d. 22 april 1881, Min. whn aan de Koning (plus rapport Collette d.d. 25 februari 1881).
145.Povey, Vintage telephones, 1-40.
148.ara, Archief Rijkstelegraaf, whn, inv. nr. 148, brief d.d. 7 mei 1881, Min. whn aan de Koning; brief d.d 18 juni 1881, Min. whn aan J.C. van Marken jr.
149.Ten Brink, Geschiedenis Rijkstelegraaf, 49, 118.
151.R. van der Meulen, De Courant, ii (Leiden 1885), 235-240.
152.ara, Archief Rijkstelegraaf, whn, inv. nr. 148, brief d.d. 13 oktober 1881, Min. whn aan de Koning; vergelijk Verslag 1882, 12.
153.Geciteerd in H. Baudet, Een vertrouwde wereld. 100 jaar innovatie in Nederland (Amsterdam 1986), 69.
154.Ten Brink,
Geschiedenis Rijkstelegraaf, 50.
155.G.C.J. Verkerk, De Rijkstelegraaf en de tegenwoordige exploitatie der telephonie (Nijmegen 1883).
156.Hogesteeger, Concentratie, 126-127.
157.Vergelijk Z.W. Straatman, ‘De Telephoonquaestie’, in: Vragen des Tijds, i (1881), 51-52.
158.Zie voor de vroege geschiedenis van de eerste Nederlandse telefoonnetten A. van Oven, ‘De telephonie in Nederland’, in: Eigen Haard (1886), 400-402, 413-418, 426-429, 438-442; Hogesteeger, Concentratie, 107-115 en idem, ‘G.J. de Jongh en de telefoon’, in: Rotterdams Jaarboekje (1986), 287-292.
159Hogesteeger, Concentratie, 104-164.
|
|