Het schilder-boeck


auteur: Karel van Mander


bron: Karel van Mander, Het schilder-boeck (facsimile van de eerste uitgave, Haarlem 1604), Davaco Publishers, Utrecht 1969  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Het leven van Octavio van Veen, Schilder van Leyden, met ander Schilders van Antwerpen, en elder.

Het sal my ten minsten leedt zijn, indien ick eenige besonder gheruchtweerdighe te ghedencken voorby gae, het zy hoe wijt sy van my woonen, oft waer sy verstroyt zijn: daerom my in den sin comt voor eerst hier te stellen, den nacomers tot een ghedachtnis, den uytnemenden wel schilderenden Octavium van Veen, welcken uyt een goet geslacht is gheboren te Leyden, en natuerlijck aenghelockt tot de Schilder-const, heeft (als ick meen) Italien, Room, en ander plaetsen besocht, en is so in de Const ervaren, dat hy by den Prins van Parma, en den meesten Heeren, in weerden en eeren gehouden is gheworden: oock nu insonderheyt by hare Hoocheden, den doorluchtigen Erdtshertogh Albertus, en de Hertoginne, in welcker dienst hy hem heeft begeven, verlatende ander goede oorsaken, die hem om zijn Const-rijck gherucht zijn voorgecomen, by den Erdtsbisschop van Zaltsburgh, by den Keyser, ooc by den Coningh van Spaengien, en den Coningh van Vranckrijck, die hem in dees voorleden Iaren hebben versocht te hebben, en daer hy hadde moghen groot voordeel doen: maer gheneyght by zijn kennis en vrienden te blijven, luystert niet meer nae uytlandtsche conditien. Hy heeft veel schoon wercken en Conterfeytselen ghedaen, oock twee Conterfeytselen van hare voornoemde Hoocheden, welcke ghesonden zijn aen den Coningh van Enghelandt Iacobus de tweedde. Van dit Iaer 1604. is oock van hem gecomen een groot stuck, wesende een Bacchus feest, oft triumph, ghelijck als by den Heer Wijntges is te Middelborgh, ghedaen van Hemskerck, oft oock de self ordinantie also sy in Print comt, dat welck wel gheschildert en ghehandelt is. Daer is oock van zijn constighe handt een seer schoon stuck tot Sr. Wijntges, wesende eenen Zeuxis, schilderende nae t'leven vijf naeckte Vrouwen, en is seer uytnemende wel ghedaen. Hy heeft oock een broeder Gijsbert van Veen*, die een seer goet Meester is in Plaet-snijden, en schilderen, woonende (als ick meen) te Brussel: oock noch eenen vol schilderighen geest, d'Heer Pieter van Veen, den welcken somtijts maer yet uyt lust doende, den besten Schilders hooghlijck doet verwonderen en seggen jammer te wesen, dat hy daer van niet zijn besonder stuck en oeffeningh en maeckt. Daer is t'Antwerp oock Hans Snellinck, een besonder goet Meester, en uytnemende Schilder, gheboren (als ick meen) van Mecchelen, wonder fraey van Historien, en te maken Bataillien, en is van den Heeren oft Princen daer toe somtijden oft dickwils ghebruyckt gheweest, en heeft gheschildert verscheyden Nederlandtsche slaghen, en gheschiednissen, seer eyghentlijck die roocken des geschuts met t'krijghvolck daer in bewolckt oft bedommelt uytbeeldende. Hy mach nu Ao. 1604. wesen een Man van ontrent 55. Iaren. Daer is ooc t'Ant-

[fol. 295v] origineel

werpen Tobias Verhaeght*, die een aerdigh goet Landtschap-maker is. Adam van Oort*, die oock fraey van Figueren is. S'ghelijcx Heyndrick van Balen*, en Sebastiaen Vrancks*, gheleert hebbende by Adam van Oort, en is nu oudt ontrent 31. Iaren, is seer aerdigh in Landtschap, Peerdekens, en beeldekens. Noch is t'Antwerp eenen Ioos de Momper, die uytnemende is van Landtschap, hebbende een aerdighe handelinge. Ick hoore oock een loflijck gerucht van eenen Francisco Savio*, te Berghen in Henegouw. Oock in Vranckrijck binnen Parijs zijn eenighe goede Meesters, als Martinus Freminet*, Fransman van Parijs, welcken in s'Conings dienst nu corts ghecomen, soude in s'Conings bywesen hebben beginnen schilderen sonder teyckenen, hier eenen voet, en daer een hant, elder een tronie, en heefter eyndlinge een aerdigh goet beeldt van ghemaeckt, tot groot verwonderen van den Coningh. Daer was oock corte Iaren gheleden te Parijs, en van Parijs, voor desen Freminet, in s'Conings dienst Du Breul*, een Sadelmakers soon, die uytnemende fraey en verstandigh was, besonder van teyckenen, en naeckten: want hadde hem by een Barbier langhe gheoeffent in Anatomie: zijn dinghen liet hy veel door Nederlanders schilderen, en quam daer dickwils hardt in diepen, oock met enckel swart. Hy was wonderlijck in't spelen op de Luyt, rennen met der Lance, en reedt seer wel en geern te Peerde. Hy is jongh en haestigh gestorven, comende snellijck gherent van S. Denijs, om te wesen by gasten, die[..] hy hadde ghenoodt, en op den wegh soude een oude inwendige verarghde quetsuere zijn opgheborsten. Desen stel ick hier by de levende, op avontuer of ick hem elder had vergheten. Hy is een tijtghenoot gheweest van den voornoemden Freminet, en hebben t'samen jongh wesende te Parijs by een Clad-schilder om trots gheleert. Daer is noch een goet Meester te Parijs, die in't Hof werckt, en woont in't voorborgh van S. Germein: desen heeft een schoon maniere van schilderen, zijn verwen wel verwerckende, gheheeten Bunel*, hem seer statigh en borgherlijck draghende: zijn Huysvrouwe* wort in wel schilderen noch boven hem en ander fraey Meesters ghepresen. Daer is noch eenen gheheeten Bolery*, seer aerdigh van te schilderen Nachten, Mascaraden, Vastel-avonden, en sulcke feesten, oock alderley beestkens, seer op zijn Bassans: desen houdt hem heel trots, rijdende te Peerde met den knecht achter hem. Daer is oock binnen Lions een uytnemende Meester van Landtschappen, beelden, ordinantien, conterfeyten nae t'leven, en teyckenen, gheheeten Fransoys Stellaert*, en is een Nederlander, dan ick weet niet van wat plaets hy gheboren is, noch wanneer. Daer is noch een Nederlander hoogh in Italien te Barry in Poelgien, by den Bisschop aldaer (als ick meen), een seer goet Meester, in alle deelen der Schilder-const wel ervaren, en is in dien vreemden hoeck wel gevaren met zijn Const, en Coopmanschap van Graen, in den tijt der leste Italische duyrte. Hy is te Room mijn kennis gheweest, en is genaemt Gaspar Hueuick*, van Oudenaerde in Vlaender: hy heeft eenen tijdt langh ghewoont by Costa, den Schilder van den voorleden Hertogh van Mantua, desen mach ontrent 54. Iaer out wesen. Hadde hy my naerder gewoont, ick had hem vroegher moghen ghedencken: gelijck ick oock wel hadde behoort te doen een constigh Schilder van Groeninghe, Herder* gheheeten, die oock wel van sulcken ouderdom mach wesen, en was oock mijn Roomsche kennis. Hy is te Groeninghe geweest den Schilder van Verdugo,

[fol. 296r] origineel

en is in alle deelen der Consten onghemeenen lof en gherucht weerdigh, ghelijck by zijn wercken ghetuyght can worden.