Het schilder-boeck


auteur: Karel van Mander


bron: Karel van Mander, Het schilder-boeck (facsimile van de eerste uitgave, Haarlem 1604), Davaco Publishers, Utrecht 1969  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Van verscheyden Nederlandtsche Schilders, teghenwoordigh levendigh.

Dewijl den Const-verdervenden roeckloosen Mars onse Landen met donderende geschutten verschrickt en verbaest, en den Tijdt zijn graeu hayren te berghe doet stijghen: soo is te verwonderen, dat noch soo veel goede Oeffenaers worden gevonden in onse vrede en voorspoet beminnende Schilder const, onder onse Landtsluyden, oft Nederlanders, welcke soo ickse al in't lange bysonder wouw beschrijven, souden mijn Boeck te seer dick doen swillen. Ick sal dan, soeckende te eyndighen, alleenlijck eenighe hun namen aenroerende ghedencken, soo veel my in 't ghedacht comen, oft bekent zijn. Eerstlijck, Cornelis Floris*, Beeldt-snijder, en Architect van Antwerpen: desen is een uytnemende Schilder, en Beeldt-snijder, woonende t'Antwerpen, alwaer zijn Const niet ghenoech nae verdienst bekent noch beloont en is, want hy wonder cloeck en veerdigh is. Oock is t'Wtrecht een Schilder, gheheeten Pauwels Moreels:* desen is besonder in conterfeyten nae t'leven, een seer goet Meester. Verscheyden Conterfeytselen worden van hem ghesien, en heeft hy onder handen, die seer Meesterlijck zijn ghedaen: onder ander, den Graef en Graefvinne van Culenborgh, ten voeten

[fol. 300r] origineel

uyt, en also groot als t'leven: de Huysvrouw van Sr. Knotter, dat een aerdighe en wel ghehandelde tronie is: en veel ander meer. Desen is een Discipel van den constighen Michiel Miereveldt van Delft, en is noch een redelijck jongh Man. Daer is oock te Haerlem een Haerlems borgher, Frans Pietersz. Grobber*, een uytnemende goet Conterfeyter, die oock ondertusschen van Figueren schildert: en alst behoeft, oft te pas comt, hem oock in borduer-wercken aerdigh weet te behelpen: desen is een Discipel gheweest van Iaques Savry, daer hy doch niet en leerde als wat van Landtschap. Verscheyden Conterfeytselen, groot, en heel cleen, zijn van hem hier en daer te sien, seer wel ghelijckende, en wel ghedaen. Daer is oock te Haerlem, en van Haerlem, Cornelis Claesz.* den welcken de Zee-vaert en ander hanteringhe verlaten hebbende, heeft aenghevanghen te teyckenen en schilderen schepen, met t'ghene daer hy behoeft te wesen, toonende wonderlijcken gheest en verstandt, als tot de Schilder-const van Natueren voorgheschickt zijnde: de takelinghe, touwen, en alle eyghenschappen der schepen verstaet hy uytnemende wel, en heeft alree soo aerdighe maniere van wercken, en suyver vaste handelinghe van het trecken der touwen, dat hy niemant te wijcken heeft. Daer zijn oock t'Amsterstam noch twee Schilders van Antwerpen, ghebroeders, Bernaert, en Pauwels van Somer*. Bernaert ghetrouwt en uyt Italien ghebracht hebbende de dochter van Aert Mijtens, is een seer goet Conterfeyter nae t'leven, en aerdigh van ordinantien, hebbende eenighe Iaren in Italien ghewoont. Pauwels noch vry gheselle, is oock uytnemende in alle deelen der Const, soo in inventien, als conterfeyten. Daer is oock t'Amsterdam een besonder goet Meester, in te conterfeyten na t'leven, ick meen van Antwerpen, gheheeten Cornelis van der Voort*, die zijn dinghen seer bevallijck en aerdigh doet, en met grooten welstandt, wesende noch een jongh Man, in't beste zijns levens. Daer is oock in den Haghe Evert Krijnsz.* van der Maes, die corts is ghecomen uyt Italien, en heeft te Room hem aenghewent een schoon veerdighe en gheestighe manier van schilderen, soo van Historien, als conterfeyten nae t'leven. Ick behoefde oock niet verswijghen in den Haghe een seer goet Schilder, en Conterfeyter, Ravesteyn* gheheeten, die een schoon en goede handelinghe heeft. Noch is te Haerlem een jongh Man, Aert Iansz. Druyvesteyn*, in Landtschap en beeldekens wel ervaren wesende, doch de Const maer by lust ghebruyckende. Voorts is te Delft noch Iaques de Mosscher*, in alle deelen der Consten wel gheschickt, en ervaren. Te Alckmaer is oock Thonis Ariaensz.* een goet Schilder: En eenen Niclaes van der Heck*, van t'gheslacht van Marten Hemskerck, en Discipel van Ian Naghel, wesende een goet Schilder, besonder in Lantschap. Daer is oock te Delft een uytnemende Iongh-man, gheheeten Pieter Geeritsz. Montfoort*, gheboren binnen Delft, van goet gheslacht, die by lust met groot opmerck de Const oeffent, oudt wesende ontrent 25. Iaer: desen is een Discipel van Michiel Miereveldt, daer hy doch maer een half Iaer by en was. Hy is neerstich t'ondersoecken de meeste schoonheyt van de Schilder-const, en coloreren, practiserende uyt sich selven op verscheyden wijsen, teyckenende ooc ondertusschen op blaeu papier, met hooghen en diepen zijn dingen uytbeeldende. Sijn meeninghe is binnen zijn leven niet veel, maer yet besonders te maken. Noch is een Discipel van Miereveldt, Pieter Diericksen Cluyt*, van Delft: zijn Vader was een uytnemende beminder en kender van alderley bloemen, wien als een

[fol. 300v] origineel

Voesterlingh van Flora, den Bloem-hof te Leyden was bevolen, en maeckte van de Bloem-lievende Honigh-byen en den honigh seer geleerdlijck een Nederlandtsch Boeck. Pieter zijn soon is seer neerstigh tot volcomenheyt der Schilder-const te comen, en is seer gheestigh in't inventeren, teeckenen, en schilderen. Veel ander jonge geesten meer acht ick wel dat hier plaets weerdigh mochten wesen, die my onbekent zijn, oft niet te voor en comen, de welcke ick wensch hun soo te bevlijten in de Const, dat t'gheruchte sich gheweerdige der selver namen soo helder uyt te blasen, datse in't Boeck des onsterflijcken en loflijcken ghedacht mogen blijven. Heb ick oock yemandt te hoogh boven weerde ghestelt oft gheroemt, nae sommigher oordeel, die moghen hier door gheprickelt en aengheport worden, daer toe te comen, en sulcx te worden. Eyndlinghe wensch ick, niemant mijnen ghedaen arbeydts halven my t'ondancken, t'zy om mijn onvolcomenheyt, oft yet dat hem mishaghen mocht. Noch dat niemant sich hem te ydelijck verheffe op de Const, die ick voorhenen een schaduw van t'rechte wesen, en een bloem heb gheheeten, wetende dat oock ons leven niet en is als een wijckende schaduwe, en een ongheduerighe Veldt-bloem. Alle Rijck-staven, constige Pennen en Pinceelen, moeten eyndlijck uyt der handt door de vernielende Doot wech gherockt en ghenomen worden: daerom behoeftmen ernstlijck de beste en Godlijcke Const, van lief hebben den even Mensch als sy selven, te behertighen, en te leeren in der daet volbrengen, als wesende eenen sekeren toepadt der eeuwigher salicheyt. Ick had de van den constigen Glas-schrijvers, Plaet-snijders, en Nederlandtsche Vrouwen, die t'Pinceel gheoeffent hebben, moghen eenighe deelen hier by gevoeght hebben: dan also ick de selvige, oft de bysonderste t' somtijden voorhenen in de levens der Schilders hebbe ghenoemt, en verhaelt, en dat ick mijn Boeck vast bevinde dick te worden, laet ick't blijven by mijn eerste voornemen, alleen van schilderen en Schilders te handelen oft te schrijven: bedenckende daer beneffens, dat het haest tijt soude wesen, als ick van anderen hebbe gheschreven hoe sy gheschildert hebben, dat ick my tot den Pinceelen keerde, om al proevende te ondervinden, of ick oock yet goets con maken. Het welck niet ongheraden wesende, ick de Const te ghevalle, nu dan nederlegghe mijn vermoeyde Pen, die ick doch de Schilder-const en al haer edel Oeffenaers ter eeren en ghevalle, oock de Schilder-jeught tot leeringe, verweckinghe, en vermaecklijckheyt, dus veel gebruyckt, en met veel tijdt en moeyte, tot mijn niet geringhe schade oft naedeel versleten hebbe: doch lust heeft my doen aenvanghen, volherden, en voleynden.

 

Eyndt des Schilder-boecks.