auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
| | | |
III. De rederijkers
Eerst tegen het midden van de vijftiende eeuw vinden we op de
Zeeuwse eilanden de duidelijke sporen van letterkundig leven. Een enkele
Middelburgse geestelijke
1 schreef, nog in de veertiende eeuw, een
kloosterkroniek die verloren ging, en indien
Melis Stoke een Zeeuw was
2,
is hij de oudste vertegenwoordiger, zo niet van de eigenlijke letterkunde, dan
toch van de wetenschap in Zeeland. Op Paasdag 1390 trad
Willem van Hildegaersberch er met twee
andere sprooksprekers voor het grafelijke hof op
3, maar we
weten noch of zijn optreden een aanwijzing is, dat Zeeland zelf geen kundige
minstrelen bezat, noch of die beide medespelers misschien toch Zeeuwen waren.
Bijna een eeuw voordat we van de eerste rederijkers in Zeeland horen, vinden we
melding gemaakt van spelen, die te Middelburg werden opgevoerd door de
scholieren van de grote (d.i. Latijnse) school, onder leiding van hun rector
4, en we mogen aannemen dat het
schooldrama evenals elders ook in Zeeland bekend is geweest, al vloeien ook op
dit terrein de bronnen schaars en al is ons van opgevoerde spelen uit de
veertiende en de vijftiende eeuw er ook niet één bij name bekend
gebleven.
Tegen het midden van de vijftiende eeuw gaat het letterkundig leven
in Zeeland zich met vaster lijnen aftekenen. Uit Vlaanderen en Brabant dringen
ongeveer tegelijkertijd twee stromingen de Noordelijke gewesten binnen: de
conste van rhetoriken, die aanhang verwerft onder de handel- en neringdrijvende
burgerij, en het Humanisme, dat de geestelijkheid en in 't algemeen de
intellectuelen opwekt en aanzet tot wetenschappelijke en letterkundige arbeid.
De eerste bedient zich van de volkstaal, goeddeels door Franse woorden
verbasterd; de voertaal van het Humanisme echter is het Latijn. Van enig
contact tussen deze beide stromingen blijkt, althans in Zeeland en
vóór de zeventiende eeuw, niets; elk volgt haar eigen weg en
werft haar eigen aanhangers.
De merkwaardige instelling der rederijkerskamers, in het begin der
vijftiende eeuw in Vlaanderen onder Franse invloed ontstaan uit kerkelijke of
geestelijke broederschappen, heeft zich al vrij spoedig ook over Zeeland
verbreid
5. Daargelaten of de
Middelburgse kamer inderdaad van 1430 dateert, en dus de oudste uit alle
noordelijke gewesten is, vast staat dat tegen het eind van de vijftiende eeuw,
als in Holland en de overige gewesten van het Noorden rederijkerskamers nog
maar sporadisch voorkomen, in Zeeland gilden gevonden worden in
Middelburg, Vere, Goes en Reimerswaal, en bovendien in de toen nog geheel tot Vlaanderen
behorende plaatsen Sluis, Hulst, Aksel en Zaamslag. In Goes heeft in of vóór 1481 een
landjuweel plaatsgevonden, in Hulst in 1483, in Reimerswaal in 1507, in
Dordrecht, de eerste stad buiten Zeeland, waarvan we dit horen,
pas in 1552. Duidelijk blijkt uit deze feiten dat de rederijkerij door Zeeland
uit het Zuiden naar de Noordelijke gewesten is doorgedrongen.
De invloed van de rederijkers op het maatschappelijke en geestelijke
leven, en met name hun aandeel aan de Hervorming, is niet licht te
onderschatten
6. Vooral in de
zestiende eeuw, het tijdperk van hun bloei, waren zij een factor waarmede kerk
en staat beide rekening hadden te houden. In de loop der jaren waren hun macht
en hun bezittingen gelijkelijk toegenomen; overal genoten ze de bescherming van
de overheid, en aan hoogdagen en ommegangen verleenden ze een luister, die geen
ander gilde | | | | in dezelfde mate kon aanbieden. De pracht van hun
vertoningen, de humor en de ernst van hun spelen, hun vrijmoedige kritiek op
kerk en maatschappij maakten hen gezien bij het volk, bij de magistraat, die
hen op het stadhuis, zogoed als bij de burgerij, die hen op het marktplein zag
spelen. De rederijkersfeesten vormden een band tussen de gildebroeders van de
verstverwijderde plaatsen als geen ander gilde bezat, en maakten hen tot leden
van één grote, wijdverbreide nationale organisatie.
Voor de rederijkers was de kunst in vele gevallen, vooral in de
zestiende eeuw, middel, geen doel. Hun spelen van sinne hadden dikwijls geen
andere strekking dan het volk te onderwijzen en te stichten, en de aandacht te
richten op maatschappelijke of kerkelijke misstanden. Uit het volk
voortgekomen, spraken zij uit wat er leefde en woelde in de hoofden en de
harten. De ontevredenheid over de ongebonden levenswijze van sommige priesters
en de grote staat, die de kanunniken voerden, het gemor over de misbruiken,
waartoe de aflaathandel aanleiding gaf, verschil van inzicht met de leer der
kerk over het leerpunt der goede werken, elke uiting van misnoegen en kritiek
kon in hun spel onder woorden worden gebracht. Daarmede werd de grond gelegd
voor de strijd, die overheid en rederijkers vooral in het tweede kwart van de
zestiende eeuw met felheid zouden voeren, en die, anders dan men verwachten
zou, geen einde heeft genomen toen de omstandigheden zich in die mate gewijzigd
hadden, dat het eertijds verbodene nu uitsluitend geoorloofd was geworden.
Nauwelijks toch was het Calvinisme aan de macht gekomen, of de kerk keerde zich
met rigoristische gestrengheid tegen de rederijkers, die in zo belangrijke mate
tot haar overwinning hadden bijgedragen, en ook ditmaal vond de kerk de
overheid aan haar zijde. Voor deze bestrijding bestond tweeërlei reden. In
de eerste plaats toch waren, vooral ten plattelande, de opvoeringen van de
rederijkersgilden een welkome aanleiding tot losbandigheid en brooddronkenheid,
en in de tweede plaats was het, in 't bijzonder op Zuidbeveland, waar dit
verzet dan ook het sterkst was, vooral het Rooms-Katholiek gebleven deel der
bevolking, dat zich in deze gilden verenigde en er de voorreformatorische
traditie voortzette. Langer dan een eeuw heeft deze strijd geduurd en het einde
van deze schermutselingen kwam pas, toen het Calvinisme niet alleen in naam,
maar ook in feite onder heel het Zeeuwse volk ingang had gevonden, zodat de
rederijkerskamers òf te lichtzinnig werden geacht, òf, zoals op
Zuidbeveland, door gebrek aan leden hun natuurlijke dood stierven. Alleen in de
steden, waar ze een ander karakter droegen en meer te vergelijken zijn met de
achttiende-eeuwse dichtgenootschappen, konden ze hun bestaan langer rekken: de
Middelburgse en Vlissingse kamers tot het laatst der zeventiende, de Veerse
kamer zelfs tot het eind der achttiende eeuw.
| |
Bestrijding door overheid en kerk
Ook uit Zeeland zijn ons voorbeelden bekend van maatregelen, door de
overheid genomen om aan de hervormingsgezinde tendenzen der rederijkers paal en
perk te stellen. Op 21 Februari 1535 vermaande de raad van
Zieriksee het rederijkersgilde der stad, ‘dat sy niet en
(zouden) speelen, dat schandeloos is’ en in het vervolg van hetgeen zij
wilden opvoeren aan de burgemeester zouden kennis geven
7.
Deze vrij vage mededeling doet vermoeden dat onder de Zierikseese rederijkers
hervormingsgezinden waren, alhoewel daarvan verder niets blijkt. Opmerkelijk is
dat de opvoering van ‘Den Boom der Schriftueren’ in 1539 door de
Middelburgse rederijkers geen aanleiding schijnt te hebben gegeven tot enige
verbodsbepaling, alhoewel de geestelijkheid in dit spel fel werd gehekeld en
het tien jaar later | | | | op een lijst van verboden boeken werd
geplaatst. In 1563 voerden de rederijkers van Kapelle op
Zuidbeveland een klucht op, waarin de broek van de Heilige Franciscus een
belangrijk aandeel scheen te hebben gehad. De geestelijkheid maakte er werk
van, de zaak kwam zelfs voor de Landvoogdes, maar per slot van rekening bleek
een en ander op een vergissing te berusten
8.
Van heel wat feller aard was de oppositie van het Calvinisme tegen
de rederijkerij. Al in 1581 besloot de particuliere synode van Zeeland om bij
de Staten van het gewest aan te dringen op ‘executie van de
26e vraghe der particuliere questien des Dortschen synodi aengaende
de rhethoryck-spelen’
9, in overeenstemming met het kort
daarop door de te Middelburg gehouden nationale synode genomen besluit, dat
inzake de kamerspelen ‘een ijeghelick aenhouden sal bij syne overheyt,
dat onstichtynghe gheweert wordt’
10. Ook de Haagse
nationale synode van 1586 keerde zich tegen de rederijkersspelen, als
aanleidingen tot onstichtelijkheid
11.
Nergens is het verzet van overheidswege tegen de rederijkers zo
krachtig en aanhoudend geweest als in Zeeland, klaarblijkelijk omdat hier de
aandrang van de kerk het grootst was. In een reeks van plakkaten hebben de
Staten zich telkens weer tegen de batementspelen gekeerd, in 1583, 1590, 1591,
1621, 1625, 1636, 1639, 1646, 1652 en 1673
12. Dat deze verordeningen
telkens weer hernieuwd moesten worden, wijst er op hoezeer de rederijkersgilden
op de Zeeuwse eilanden wortel hadden geschoten. Met name geldt dit voor
Zuidbeveland, dat dan ook enkele malen afzonderlijk werd aangeschreven. Dat men
vooral de Rooms-Katholieke rederijkers, die op dit eiland nog in
organisatorisch verband verenigd waren, bedoelde, blijkt wel daaruit dat de
gereglementeerde rederijkersgilden in de steden Middelburg,
Vlissingen en Vere de bescherming van de overheid genoten
13.
Dat de strijd van de Staten tegen de rederijkers was gericht, en
niet tegen het opvoeren van toneelstukken in 't algemeen, blijkt duidelijk uit
een besluit, dat zij slechts enkele jaren na de resolutie van 1591 namen. In
hun zitting van 5 Augustus 1595 verscheen een tiental Zeeuwse studenten uit
Leiden, die hun verzochten ‘hunne actie van exhibitie van zeker tragedie
ende comedie’ met hun tegenwoordigheid te vereren. De Staten - er was een
zoon van het Statenlid
Caspar van Vosbergen onder de spelers -
voldeden aan dit verzoek en schonken aan de studenten bovendien nog een
gratificatie van £ 25 Vlaams, ‘boven alle oncosten, gedaen in 't
erigeren van de stellingen, schilderen, kleederen ende anders-sins’
14. Ook de Middelburgse kerkeraad had tegen deze opvoering geen
bezwaar, wat uit zijn stilzwijgen mag worden opgemaakt
15. Uitdrukkelijk spreekt dit college trouwens steeds van
rhetorijkers, niet van het toneelspel op zichzelf, al zullen op een enkele
uitzondering na beide wel onafscheidelijk verbonden zijn geweest. In Zeeland,
waar de overheid een veel grotere macht in kerkelijke aangelegenheden bezat dan
elders
16, treedt de kerk trouwens veel minder fel
tegen de rederijkers op dan in de andere gewesten. Dit felle optreden was hier
onnodig, omdat de wereldlijke overheid zich hier agressiever betoonde dan bv.
in Holland, waar de magistraat der steden meer libertijnsgezind was. Wanneer
echter in 1602 de provinciale synode van Zeeland verzoekt ‘alsoo doort
placaet van policie de rhetorijck-spelen om ghewichtighe redenen verboden zijn
ende diesniettegenstande op velen plaetsen tplacaet dienaengaende niet
onderhouden en wordt, dat het den E.E.heeren believe tverbodt van dien te
vernieuwen, midtsgaders oock tegen de spelen in de latijnsche ende franssche
scholen naerder te verclaeren, alsoo door sulcke onnoodighe ende
ontstichtelijcke oeffeningen de jonckheijt haeren tijdt verliest’, wijzen
Gedeputeerde Staten dit verzoek van de hand: | | | | ‘alsoo hierop
bij placate is voorsien, en connen die van den Rade niet voorder daerinne
doen’
17. Sindsdien kwam de rederijkerij niet meer ter sprake
vóór 1618, toen men besloot om aan de synode te Dordrecht in
bedenking te geven, de Staten-Generaal om een ‘algemeijne ordre’ te
verzoeken tegen ‘de batementspelen en diergelijcke
onbehoorlycheden’
18.
Het plakkaat van 9 Juni 1625
19 richt zich klaarblijkelijk meer tegen rondreizende
kermistroepen dan tegen rederijkers, maar dat van 15 Juli 1636
20, dat aan de ambachtsheren van Zuidbeveland was gericht, noemt de
‘batement-spelen’ met name. Tien jaar later, op 31 Mei 1646,
vaardigden de Staten een nieuwe verordening uit, aangezien hun ter ore was
gekomen dat ‘in verscheyden quartieren deser provintie, vele insolentien
ende dertelheden gepleecht werden, in rethorijck ende batement-spelen’,
die daarom instantelijk verboden werden. Aan de officieren en magistraten,
daartoe gekwalificeerd, werd scherp gelast, hieraan ‘sonder eenige
ooch-luyckinge ofte dissimulatie’ de hand te houden
21. In 1654 richtte de classis van Zuidbeveland zich tot de
Staten, die daarop de ambachtsheren van het eiland nogmaals herinnerden aan de
eerder afgekondigde verbodsbepalingen
22. Niettemin moest de predikant van Hoedekenskerke, ds.
Michael Eversdijk, op 13 Januari 1673 bij de classis een vertoog indienen over
de ‘Confrerien of Landluydengilden’, waarbij zich ook
gereformeerden lieten inschrijven. De predikant zette daarin in den brede
uiteen dat deze confrerieën ‘van een puiren paepsen gront en
aart’ waren, ‘superstitieus en afgodisch’ in haar oefeningen,
vergezeld gingen van ‘profaniteit en goddeloosheit’ en geheel
verschillend waren van ‘de borgerlike gilden en schutterien in de
steden’
23. Nog geen veertien dagen
daarop volgde het plakkaat van de Staten van 24 Januari 1673, dat de
rederijkersspelen nogmaals verbood
24, met uitzondering van die der geprivilegeerde kamers in de
besloten steden
25. Het is het laatste van deze aard, dat door de
Staten werd uitgevaardigd, maar er zijn bewijzen te over dat de gilden op
Zuidbeveland er zich weinig of niets van hebben aangetrokken en rustig zijn
doorgegaan met hun opvoeringen. In 1696 moesten kerkeraad en classis er in
's-Heer-Arendskerke en Heinkenszand verhinderen
26, en op 7
September 1700 moest de classis het besluit nemen om alle lidmaten te
censureren die zich schuldig maakten aan ringsteken, gaaischieten,
rethorijkspelen en soortgelijke vermaken. Toen de classis beval dat dit verbod
van alle kansels bekend moest worden gemaakt, weigerden vier of vijf kerken,
met die van Goes aan het hoofd, daaraan te voldoen, wat tot veel geharrewar
aanleiding gaf
27. Op het laatst van 1711 kwam men er achter, dat de rederijkers van
's-Gravenpolder tegen Driekoningen een spel voorbereidden, waar
natuurlijk een stokje voor werd gestoken
28. In Mei 1717
beloofde de baljuw van Zeeland Bewesten-Schelde nog eens aan de classis,
‘de Rhetorika op allerlei wijze te verhinderen’
29. Wat hem daartoe
aanleiding gaf is onbekend. Intussen schijnen in het begin van de achttiende
eeuw ook de laatstovergebleven kamers op Zuidbeveland verdwenen te zijn,
ongetwijfeld tengevolge van de toenemende invloed van het Calvinisme, alhoewel
dat op dit eiland er nooit in geslaagd is, de oude Roomse godsdienst te
verdrijven.
Vooral de piëtistische predikanten hebben zich in de eerste
helft van de zeventiende eeuw krachtdadig verzet tegen deze uiting van het
middeleeuwse volksleven, die voor hen in de eerste plaats een overblijfsel was
van de ‘Paepse superstitie’, Udemans noemt ‘batementen,
camerspelen, ende andere sotte cluyten’ in één adem met
‘oncuysche ende dertele ghebaerden’ en ‘lichtveerdighe
dansserijen’, waartegen hij op zeer besliste wijze stelling neemt
30.
Eewoud Teelinck noemt ‘stellagie
spelen zelve te spelen, ofte | | | | t'aenschouwen’ onder de
‘oneerlijcke ende ongeoorloofde vermakingen’
31. Ook zijn broer Willem noemt
‘commedien, tragedien, batement-spelen, camer-spelen, lichtveerdighe
speelkens, waer in veel onkuyssche, ergerlijcke, vuyle, gebaerden vertoont
worden’ onder de ‘aenleydinge tot oncuysheyt’
32, en had al eerder aan ‘vele genaemde
gereformeerde Christenen’ verweten dat ze meewerkten aan de opvoering van
batementspelen
33. Zijn zoon Maximiliaen sluit zich bij het oordeel van zijn vader
hierover letterlijk aan
34. Ook Adriaen
Hoffer keert zich tegen de rederijkers, ‘dewelcke alhoewel sy den naam
van Reden-rijck draghen, evenwel nochtans duergaans redeloose, ende onbesnedene
menschen sijn, die niet minder in haar leven en betrachten, dan het ghene sy
tot stichtinghe voor den volcke schynen te willen voortbrenghen’,
waardoor de ware poëzie in verachting wordt gebracht
35. Het is dan ook te begrijpen dat in
tegenstelling tot de Walcherse steden in Zieriksee de rederijkerij in de
zeventiende eeuw een kwijnend bestaan heeft geleid, al heeft ze er zich tot het
laatste kwart van de eeuw weten te handhaven.
| |
Middelburg
De oudste der Zeeuwse rederijkerskamers is het ‘Bloemken
Jesse’ van Middelburg
36, en indien we de overlevering mogen geloven, die haar oprichting in
1430 stelt, is deze kamer tegelijk de oudste uit de Noordelijke Nederlanden.
Het ligt trouwens voor de hand, deze in Zeeland te zoeken, het overgangsgebied
immers tussen de kultuur van Noord en Zuid, de brug tussen de beide helften van
de Dietse landen, waarin Noordbrabant met zijn moerassen en heidevelden en zijn
gering aantal steden een wig had gedreven. Reeds was Middelburg in het begin
der vijftiende eeuw een bloeiende koopstad, waarheen vooral uit Brabant en
Vlaanderen vele kooplieden, maar ook vele geestelijken kwamen, en
waarschijnlijk is door de laatstgenoemden de Middelburgse kamer in het leven
geroepen
37, naar het voorbeeld
der Vlaamse en Brabantse rederijkersgilden.
Het oudste document dat de Middelburgse kamer noemt is de
ordonnantie, die baljuw, burgemeesters, schepenen en raden der stad haar op 9
Januari 1484 verleenden
38. Uit deze brief blijkt dat de
kamer Sinte-Anna tot patrones had, en haar jaarfeest vierde op de Zondag na het
naamfeest van deze heilige (26 Juli). Wie tot het gilde wilde toetreden, moest
zijn wens daartoe te kennen geven aan de deken en zijn gezworenen. Verzette
niemand zich tegen zijn aanneming als gildebroeder, dan werd hij toegelaten
tegen een intreegeld van acht groten en één groot voor de cnape.
Bij overlijden van de gildebroeder verviel zijn pallore - de gebruikelijke naam
voor het feestgewaad - aan het gilde; de gildebroeders waren daarvoor gehouden
om de overledene ter aarde te dragen. 's Daags daarop ‘soe sal den deken
als dan gehouden wezen eene memorie te doene van een singende misse van requiem
van die penningen die onder hem liggen’, die alle gildebroeders moesten
bijwonen. Kwamen rederijkers van buiten batementen of wagenspelen opvoeren, dan
droegen de gildebroeders gemeenschappelijk de kosten. Tweemaal 's jaars legde
de deken rekening en verantwoording af van de gelden, die hij onder zijn beheer
had, en wel op de dag van de verkiezing van een deken, en op Sinte-Anna of de
dag daarna. Iedere gildebroeder was verplicht zich een pallore te doen maken op
eigen kosten, en minstens één in de drie jaar. Deze pallore,
waarop het embleem der kamer geborduurd was, mocht niemand ter afdoening van
schuld in ontvangst nemen; als officieel gewaad vertegenwoordigde het de goede
naam van het gilde. Daarom mocht niemand ook met zijn pallore ‘in stoven
| | | | noch in bourdeelen gaen noch in tavaernen tot eenigen dobbelspelen
of droncken drijncken noch gheenderhande spel spelen ten ware scaetsen,
balslaen of schieten’. Ook mocht men de pallore niet dragen op de plaats
‘daer eenige dootslagen geschien’ (als bv. bij terechtstellingen),
en evenmin mocht men het kleed ‘in die lombaerde dragen’. Op al
deze overtredingen stond verbeurte van het ambtsgewaad. Het privilege bevat
verder enkele strafbepalingen voor leden die de repetities der op te voeren
stukken niet bijwoonden of de hun toegewezen rol weigerden te spelen. Priesters
en magistraatspersonen, die in het gilde traden, konden dispensatie krijgen van
bepaalde voorschriften, bv. van het dragen van de pallore en het deelnemen aan
de opvoeringen. Het stadsbestuur koos jaarlijks de deken, de gezworenen en de
gildeknaap, ‘gelijck men in andere gilden doet’. Men kan hieruit
gevoeglijk opmaken dat het een of ander Vlaams of Brabants rederijkersreglemeht
als voorbeeld heeft gediend voor het Middelburgse, maar het is niet aan te
wijzen welk.
Deze ordonnantie, die nagenoeg volkomen gelijkluidend is met die van
de Reimerswaalse kamer en op dezelfde dag als deze is uitgevaardigd
39, bleef slechts tot
1514 van kracht, toen het stadsbestuur op 17 Maart aan de kamer een nieuw
privilege schonk
40. Dit privilege, dat merkwaardigerwijze
van het oudere geen gewag maakt, stelde een overdeken en dertien
‘tabbeertdragers’ aan, die in het rood gekleed moesten zijn en elke
vier jaar van de stad een nobel ontvingen. De magistraat nam op zich, te zorgen
voor het onderhoud van de speelwagen van het gilde, en schonk bovendien
maandelijks vijf schellingen tot onderhoud van de kamer, ‘mits
condiciën en voirwaerden, soo wanneer dat de stad eenighe victorien maect
ofte eenighen triumphe bedrive, zoo zullen deselve van de Rethorike gehouden
zijn te spelen, ende der stad eere daarinne te bewaren, 't zy by batementen oft
staande spelen’. Bovendien moest de kamer jaarlijks dertien
‘staande spelen’ opvoeren, en voorts op alle Zondagen tijdens de
jaarmarkt een uitvoering geven, verder op alle heiligendagen, ‘insgelijks
wanneer de scutters opscieten zullen’, op Sint-Joris, Sint-Sebastiaan
‘ende als de cleuveniers horen feeste houden van den zeven
weën’. Al deze spelen moesten ‘spelen van genuchte’
zijn. Op Nieuwjaarsdag en Driekoningenavond moesten de rederijkers ‘naar
ouder costume’ op het stadhuis een opvoering geven, en tenslotte waren ze
gehouden om op Sacramentsdag en de dag van de processie ‘te spelen den
ommeganck, ende de processie in ordinancie te helpen stellen ende
onderhouden’
41.
Het privilege bevatte vervolgens de ordonnantiën van het gilde
zelf, die gedeeltelijk overeenkomen met de bepalingen van het privilege van
1484. Er blijkt o.a. uit dat het aantal gildebroeders onbeperkt was, en dat
elke gildebroeder het in zilver uitgevoerde insigne van de kamer op zijn borst
moest dragen, of het in kleuren op zijn rok moest laten borduren.
De Middelburgse rederijkers hebben steeds de bescherming van de
magistraat genoten, en gedurende heel het bestaan der kamer, dat zich over een
tijdsverloop van twee en een halve eeuw uitstrekt, blijkt nimmer iets van enig
ernstig conflict tussen het gilde en de stedelijke regering; integendeel geniet
de kamer van haar steeds bescherming en steun. Vóór de overgang
van Middelburg naar de Staatse zijde draagt ze geheel en al het karakter van
een geestelijk gilde. Ze had de leiding bij de grootse processies, die elk jaar
op Sacramentsdag plaatsvonden, en bij alle gelegenheden die daartoe aanleiding
gaven, trad ze met haar esbatementen voor de regering en het volk op. De kamer
genoot dezelfde voorrechten, maar had ook dezelfde verplichtingen als de
overige 22 gilden der stad. Met de drie schuttersgilden, die haar het meest
verwant waren, wordt ze herhaaldelijk | | | | in één adem
genoemd
42; in tijden van onrust is aan deze vier gilden de bewaking
van de poorten opgedragen, en in 1575 worden deze gilden zelfs gerekend met
burgemeesteren, schepenen en raden ‘het gansche corpus der stad’ te
vertegenwoordigen
43.
Het oudste spoor
44
van de aanwezigheid van een rederijkerskamer in Middelburg dateert uit 1444,
wanneer ter gelegenheid van de jaarlijkse processie op H. Kruisdag (26 Juni) de
stad aan de Westmonsterkerk £ 3 uitbetaalde wegens verleende hulp,
‘en ook om den boom van Yesse te helpen maken’
45. Het
jaar daarop waren de ‘esbatement-spelers’ van Middelburg in Vere,
‘als men onser vrouwen ommedrouch’
46. De stadsrekening van 1480
vermeldt dat de loods, staande in ‘damerie’ (de amerij)
47, om de ‘wagenen’ daarin te
plaatsen ‘van den Rethorike’ gedekt werd.
Colijn, de koster van de Westmonsterkerk,
werd van stadswege betaald omdat hij de wagen van Rethorica gestoffeerd en
geverfd had, en ook wordt in dezelfde rekening nog gesproken van de toren van
de Rethorike, klaarblijkelijk een van de requisieten
48. In 1483 kregen de
gezellen van Rethorike, toen ze met enkele leden van de Wet in de Liebaard (de
stadsherberg) vergaderd waren, een maaltijd. Toen ze op Driekoningenavond 1493
hun opwachting kwamen maken bij de koning van de stad, die op het stadhuis
recipieerde, kregen ze een stoop Rijnwijn. In hetzelfde jaar schonk de stad hun
laken, om er een zotsrok met twee kousen van te laten maken, en bovendien kreeg
Willem Treurniet, als gouverneur van de
kamer, vijf ellen rood en grauw laken ‘om daermede met der stede livreie
gekleed te zijn’
49 en van Rethorica twee poortkannen Rijnwijn, omdat ze een spel van
sinne gespeeld hadden
50.
In 1507 waren de Middelburgse rederijkers op het landjuweel te
Reimerswaal, waar ze een prijs wonnen, die uit zeven tinnen stopen en tien
tinnen kannen bestond. In Februari 1513 speelden ze ‘'t wagenspel’
op het stadhuis. Herhaaldelijk treffen we in de nu volgende jaren in de
stadsrekeningen posten aan voor wijn, aan de rederijkers wegens hun opvoeringen
geschonken
51. In 1518 trokken
ze naar Goes ‘om den prijs te winnen’, en in 1525 werd hun £
3 betaald voor een reis naar Reimerswaal
52.
| |
Den Boom der Schriftueren
Enkele maanden na het Gentse landjuweel van 1539, waar de
Middelburgse kamer niet aanwezig was, gaf deze, op de 1ste Augustus van
hetzelfde jaar, te Middelburg een opvoering van ‘Den Boom der Schriftueren’
53. Dit spel, klaarblijkelijk door een
van de ‘Sint Annen kinderen’ zelf gedicht, vertoont zo
al geen Lutherse, dan toch een Erasmiaanse strekking
54.
Medecyn der Sielen, d.i. Christus, en Menschelijcke Leeringhe strijden om het
bezit van de non Elck Bysonder, die in het prieel van Suyver Consciencie onder
de Boom der Schriftueren ligt te rusten. Aanvankelijk wint Medecyn der Sielen
haar gunst, maar Eyghen Wijsheyt en Natuerlijcke Begheerte, de dienaars van
Menschelijcke Leeringhe, weten haar door schoonklinkende woorden en beloften
over te halen en voeren haar met zich mee als de toekomstige bruid van hun
heer. Gheloove, door Medecyn der Sielen tenslotte opgeroepen om een einde te
maken aan het rijk van Menschelijcke Leeringhe, redt met ‘het sweerdt van
twoort Gods’ Elck Bysonder uit de macht van Menschelijcke Leeringhe en
brengt haar terug tot haar ‘eerste lief’.
De strekking van ‘Den Boom der Schriftueren’ en die van
de Gentse spelen lopen niet ver uiteen, maar hoeveel scherper is de toon der
Middelburgse rederijkers, hoeveel directer hun aanval op de kerk en de
geestelijk- | | | | heid. Hoe hatelijk is de voorstelling der priesters,
zoals Menschelijcke Leeringhe ze aan Elck Bysonder afschildert:
Verslint eenen kemel, maer een mugge wilt cleesen
voor tvolc, om te cryghen goet of ghelt;
doen si u ghebot niet, segt: tis eenen geest die u quelt.
Doet zielmissen doen, vigelien en memorien,
dertichsten, jaerghetyden, so crijchde ghewelt.
Prijst broerscappen, ghilden van grooter victorien,
preect parabelkens voor dees dantelorien,
en ghelaet u alleens in u vertalen,
dat ghi de sluetels hebt vander eewiger glorien
so devoot, al soudy God vanden cruyce halen
55.
Scherp bestrijdt de anonyme schrijver van het spel, die we wel onder
de Middelburgse rederijkers zelf te zoeken zullen hebben, de leer der goede
werken, niet minder scherp ook de aflaathandel, en in geen ander
rederijkersspel uit deze tijd treft men een zo felle, onomwonden belediging der
geestelijken aan, die hier beurtelings Farizeeën, antichristenen, Bels
dienaren, grijpende wolven in schaapskleren en ‘standaertvoerders van
Lucifers wempelen’ worden gescholden. Literaire verdiensten bezit het
spel niet; het is, als vele andere soortgelijke spelen uit de zestiende eeuw,
hier en daar langdradig en veelal niet meer dan berijmd proza, zodat in alle
opzichten de inhoud merkwaardiger is dan de vorm. Het feit dat het in de
zestiende- en zeventiende-eeuwse uitgaven steeds gevolgd wordt door ‘Een
spel van sinnen op tderde, tvierde, ende tvijfde capittel van dwerck der
apostolen’
56, heeft aanleiding gegeven tot de veronderstelling dat dit
apostelspel uit dezelfde tijd allereerst, maar bovendien ook uit dezelfde kring
afkomstig zou zijn als het Middelburgse spel. Wanneer de spelers zich in de
proloog ‘wy scholieren’ noemen, zou men geneigd zijn aan de
‘Missus scholieren’ van Vere te denken. De Brabantse
eigenaardigheden van de tekst kunnen op rekening van een Antwerpse drukker
worden gesteld, te meer omdat ze niet in het rijm voorkomen. Bewijzen voor een
Zeeuwse afkomst van dit spel van sinne zijn er echter niet
57.
Dit apostelspel, terecht gekenschetst als ‘het ketterproces op
de planken’
58, behandelt
‘van woorde te woorde’ de in de drie bedoelde hoofdstukken der
Handelingen beschreven geschiedenis: de prediking van Petrus en
Paulus, de genezing van de kreupele, hun gevangenneming
en verhoor, hun bevrijding uit de gevangenis, opnieuw hun gevangenneming en
verhoor, en tenslotte hun moedig doorstane geseling. De apostelen treden hier
op als representanten van de ‘Duytsche doctoren’, de nieuwe
predikers die de mensen leren dat zij ‘door Christum alleene de salicheyt
ontfaen’. Ook uit dit stuk spreekt duidelijk de haat tegen een
geestelijkheid, die door haar leven het recht op Evangelieprediking in de ogen
van het volk verbeurd had en daarmede de weg had geëffend voor een
beweging, die in enkele tientallen jaren tot haar ondergang zou leiden.
De lijst der verboden boeken, in 1550 op bevel der Keizerlijke
Majesteit door de universiteit van Leuven opgemaakt, veroordeelde met de Gentse
spelen van 1539 ook ‘Den Boom der Schriftueren’ en ‘Een spel
van sinnen’ als ketters
59. En
indien een zekere overeenkomst tussen het Middelburgse spel en ‘Tspel van
de Cristenkercke’ van de Roomse
Reinier Pouwelsz het vermoeden wettigt,
dat deze Utrechtse rederijker zijn stuk bedoeld heeft als een tegenhanger van
‘Den Boom der Schriftueren’
60, dan blijkt daaruit dat dit spel van
sinne toch meer beroering heeft gewekt | | | | dan de absolute
stilzwijgendheid der Middelburgse archieven zou doen vermoeden.
Intussen schijnt de magistraat de kamer naar aanleiding van deze
opvoering geen moeilijkheden in de weg te hebben gelegd, en het
rederijkersleven ging zijn gewone gang. Op Meidag 1549 kwamen de kamers van
‘Drysen’ (? lees: Sluys?) in Vlaanderen, Goes, Vere en Vlissingen
te Middelburg vóór het stadhuis een spel van sinne spelen
61. In 1556 werd £ 2
betaald aan mr.
Jan Apart, ‘over dat hij gemaect
heeft 25 of 26 speelen sprekende op theijlyghe cruijsce om jaerlicx te dienen
ende ghespeelt te worden inden ommeganck deser stadt’. Deze Jan Apart
(Appaert, Happaert) zal ongetwijfeld tot het rederijkersgilde hebben behoord,
evenals zijn compagnons
Joos Maninc en
Joos Mahyeu (Mahuij), met wie hij in de
stadsrekeningen van deze tijd herhaaldelijk genoemd wordt. In 1550 kregen beide
laatstgenoemden 20 schelling ‘over dat zij luijden op den omme-ganckdach
tspel vuijtgebrocht hebben noepende tvlieen vande kinderen van Yesarel duer
troode meel (sic)’. In 1552 kregen
Jan Appaert en Joos Mahuij £ 4
‘over dat zij luijden met huere consoorten vuijtgebrocht hebben tspel van
Faro ofte den vuijtganck vanden kinderen Ysrael vuijten landen van
Egipten’, een spel dat ook later nog herhaaldelijk werd opgevoerd, en dus
in de smaak schijnt te zijn gevallen
62. Naar alle waarschijnlijkheid is van deze
spelen niets bewaard gebleven
63.
In 1559 besloot de raad om aan de kamer 100 gulden te betalen,
waarvoor deze zich moest verbinden om aan het einde van de processie ‘te
furnieren van schilderie ende van personagien ende sieraed alzulcke vijf
tavreelen’ als zij haar ‘in partraituere’ vertoond had. De
stad zou dan de stellage doen plaatsen en tegen een redelijke beloning
ambachtslieden verschaffen
64. In
1564 besloot de raad om aan de rederijkers 25 Carolusguldens te schenken
‘tot den oncosten, die syluyden doen sullen desen toecommenden ommeganck
uit speelen van tmeyespel boeven de costen van der stellayge te stellen’
65,
maar welk dit Meispel geweest is, vernemen we niet. In 1565 voerde het gilde
vóór Palmzondag in de vasten het spel van Sint-Jans onthoofding
op
66; ook maakte het
in hetzelfde jaar een ommegang ‘tot eere vander stadt’
67.
De publicatie op de viering van Ommegangdag en Sacramentsdag, die in 1566 werd
uitgevaardigd, legde een sinds lang bestaande gewoonte vast, toen ze
voorschreef ‘dat alle de gesellen van der Rethoricke hemzelven zullen
vougen om de processie, ambochten ende spelen in ordonnantie te stellen ende
voort te doen gaene, op de correctie voorscreven’
68.
Toen in hetzelfde jaar Middelburg met een aanval van de ontevreden
elementen bedreigd werd, die zich onder aanvoering van
Pieter Haeck verenigd hadden, vaardigde de
overheid op 25 Februari een ordonnantie op de dagwacht uit, waarbij de bewaking
der poorten werd opgedragen aan personen, ‘genoemen uuyt het corpus van
de drie schutteriën ende Retorica’
69. Kort daarop werden
dezelfde corporaties ook met de nachtwacht belast
70. In de volgende jaren
van beroering werd deze opdracht herhaaldelijk vernieuwd
71, Tijdens het beleg van Middelburg
gaven deken en beleders van het gilde van hun loyaliteit blijk door de
schenking van ‘een zilvere cop’ aan de overheid
72. Dit gebeurde in
1572, maar in de jaren daaraan voorafgaande schijnt de verhouding tussen de
kamer en de magistraat niet altijd even ideaal te zijn geweest.
Jan Happaert, die zo hij al geen factor
van het gilde was, dan toch als de auteur van tal van spelen daarin een
vooraanstaande plaats bekleedde, werd in 1567 door burgemeesters en schepenen
‘ter cause van de religie ende oproer’ uitgewezen
73, | | | | en we kunnen ons
bezwaarlijk voorstellen dat zijn ketterij enerzijds, zijn verbanning anderzijds
respectievelijk op de overheid en op het gilde een goede indruk heeft gemaakt.
Houdt hiermee wellicht verband, dat wet en raad op 30 October 1568 besloten om
aan de rederijkers bekend te maken dat zij ‘om sekere redenen, hen
daertoe porrende ende moverende’, de bijeenkomsten van het gilde voor zes
maanden schorsten?
74
| |
Adolphus van Lare
In 1569 schreef Adolphus van Lare, in wie we wel een
lid van de Middelburgse kamer zullen moeten zien, een kort wagenspel voor het
barbiers- (en chirurgijns-) gilde van de stad, dat jaarlijks op de
ommegangsdag, drie weken na Pinksteren en elf dagen na Sacramentsdag, door vier
van de jongste leden van dit gilde gespeeld zou worden
75. Wetgeleerden, Farizeeën en doctoren
spannen samen tegen Christus en besluiten om hem de overspelige vrouw voor te
leiden,
Ende vragen zijn advijs tot deeser stonden
Oft hij dit vrouken wil gracie verleenen
Oft dat men se duer haer misdaet sal steenen.
Salmense steenen soe is barmharticheijt buijten geset,
Gheeft hijse gratie soe breeckt hij Moijses wet,
Aldus wordt hij beschaemt in allen hoecken.
Maar wanneer Christus dan in het zand schrijft en tot de omstanders
zegt: ‘Die sonder sonde is die worpe den eersten steene’, vluchten
allen, en Christus blijft met de vrouw alleen achter. Veel meer dan een
parafraserende uitbeelding van het bekende Nieuwtestamentische verhaal is dit
spel niet.
Van Lare was, toen hij dit spel in het rekeningenboek van het gilde
neerschreef, deken van het Chirurgijnsgilde, waarvan hij in 1573, tijdens het
beleg van de stad, beleder was. We weten verder niets van hem, en zijn naam
komt onder de ons bekende leden van het rederijkersgilde niet voor. Maar ook al
heeft hij daartoe niet behoord, zijn werk vertoont naar vorm en naar inhoud
zozeer alle kenmerken van de rederijkerspoëzie, dat het in dit kader
vermeld dient te worden
76.
| |
De legende van den Geusen troubele
Uit 1573 of kort daarna dateert ‘De legende van den Geusen troubele over Zeelant van den jare
1572 ende l573’, die ons, voorafgegaan door een referein en
gevolgd door ‘een liedeken op te benautheyt van Middelborch uit beleggen
van de Geusen uit jaer 1573 in Januario stilo curie, op de wyse: Der minnen
saet’ in een handschrift bewaard is
77. De schrijver, die zich achter de zinspreuk
‘Niet sonder maer’ verschuilde, was klaarblijkelijk een Middelburgs
rederijker. De gebeurtenissen van 1572 en 1573 heeft hij meegemaakt; enkele
bijzonderheden over het beleg van Middelburg en de krijgsgebeurtenissen, die
daarmede verband hielden, zoekt men in andere geschiedbronnen tevergeefs. Als
ijverig Spaansgezinde en Rooms-Katholiek betreurt hij de loop van zaken in
1572, waaronder de overgang van Vlissingen naar de Geuzen hem het meest ter
harte gaat. ‘Tfy Vlissingen’ klaagt hij,
Tfy Vlissingen, hoe ghy u onteert hebt,
u selven doende die groote scande
dat ghy uwen rock nu omgekeert hebt,
met boeren, met Geusen menigerande,
en de angst besluipt hem, dat ook Middelburg, ‘dblomken van
den lande’ | | | | in hun handen zal vallen. ‘Tis te scoonen
bloeme voor sulcken guyten’, meent hij, maar wat hij zich aanvankelijk,
in zijn angst, als onmogelijk gedacht heeft, wordt weldra een feit. Nadat de
opstandelingen heel Zeeland in hun macht hebben gekregen, valt tenslotte ook de
hoofdstad in hun handen, nadat de burgerij door een beleg van bijna twee jaar
uitgehongerd was.
Daer therte flau is, daer wort den cop laff.
Diaer 73, naer shoofs schryvens wys,
opten vetten Donderdach, de stadt men opgaff,
tsuccoers faelgeerde, de vaert was vol ys.
Daer en was geenen troost noch goed advys,
de borghers waren gheexcuseert,
de schamel kinderen broesch als een rys
hebben ter dood toe ghepersevereert.
Deendracht der borgheren den peys passeert
die God haer deur syn Exalencie sandt.
De Prince heeftse gheaccepteert,
want hyse lancmoedich vol patientie vandt.
God geve ons vrede vur [voor] een sententie, want
al synse van honger som op straet gestorven,
haer assistencie is te laet verworven.
Deze slotregels van het gedicht, dat ongeveer 500 regels telt en een
tamelijk uitvoerige beschrijving van de oorlogsfeiten en de nood der belegerde
stad geeft, bewijzen dat de onbekende auteur niet veel meer dan een rijmelaar
was. Men zal hem in elk geval niet moeten zoeken onder de rederijkers die na de
overgave der stad deel uitmaakten van het gilde, want ongetwijfeld zullen deze
allen althans in naam Hervormd en anti-Spaans zijn geweest. Waarschijnlijk zal
de gezindheid der gildebroeders het enige zijn geweest, waarin de kamer van na
de overgang van Middelburg zich zal hebben onderscheiden van die van
vóór 1574; van enige verandering, laat staan van een nieuw
reglement, vernemen we althans niets. De kamer zal zich, als overal elders, aan
de veranderde omstandigheden hebben aangepast, en de toevoer van nieuwe leden,
die we als waarschijnlijk mogen veronderstellen, zal dit proces in de hand
hebben gewerkt. De berichten uit de stadsrekeningen van na 1574 over de kamer
geven de indruk, dat alles op de oude voet wordt voortgezet. Alleen zou men er
uit kunnen opmaken dat het toezicht op de op te voeren stukken strenger was dan
vroeger; zo benoemt de raad in 1582 een commissie, waarin o.a. de overdeken van
het gilde, mr.
Pieter van der Baerse, secretaris van
Middelburg, zitting had, om het spel van zinnen door te zien dat de kamer op
Tweede Pinksterdag wilde spelen
78.
In 1589 liet de kamer, misschien ter ere van de intocht van Maurits
in Middelburg
79, een blazoen maken
80, waarschijnlijk ter vervanging van
een ouder, dat verloren gegaan is. Twee jaar later lieten de gildebroeders
zichzelf uitschilderen
81; dit schilderij is echter verloren gegaan. Ook werd
in 1592 de oudst bewaarde gildepenning geslagen
82. Uit een en ander mag men opmaken dat de kamer tegen het
eind der zestiende eeuw een bloeitijd beleefde, waarin zij trouwens de welvaart
en de voorspoed van Middelburg in deze jaren weerspiegelde. Overigens deed deze
bloei geen dichttalenten ontluiken. Uit het eind der zestiende en het begin der
zeventiende eeuw bezitten we enkele volmaakt kunsteloze refereinen, door de
timmermansbaas Pieter Joossen, bijgenaamd Altijt Recht Hout
83, toegevoegd aan het door | | | | hem
aangelegde gildeboek van het timmermansgilde, waarvan hij in 1594 deken werd;
deze refereinen dateren uit 1595 en 1621. Pieter Joossen begon in 1602
bovendien aan een kroniek te werken, die klaarblijkelijk bedoeld was als een
vervolg op die van
Reygersberch; toen hij in 1626 stierf, had
hij de geschiedenis van Middelburg van 1551 tot 1572 er in beschreven. Noch
zijn proza, noch zijn poëzie bezit ook maar enige letterkundige waarde
84.
In 1613 begint de Middelburgse kamer zich opeens op landjuwelen te
vertonen, waarvan ze zich sinds het rederijkersfeest van
Reimerswaal in 1507 als het ware angstvallig verre had gehouden.
In Juli verscheen ze op het feest van de Vlaamse rederijkerskamer
‘'t Wit Lavender’ te Amsterdam, waar ze de eerste
prijs voor de beantwoording van de vraag verkreeg, en bovendien de enige prijs,
die was uitgeloofd voor ‘tbeste liedeken’
85. Een maand later waren de Middelburgse rederijkers op het
landjuweel van de ‘Wijngaertrancxkens’ te Haarlem,
waar
Hendrik Cannenburgh (zinspreuk: Godt is
mijn burcht) de eerste prijs wegdroeg voor het antwoord
86. Met hem dongen nog twee
andere leden van het gilde mee naar de prijzen. Toen de Amsterdamse kamer
‘'t Wit Lavender’ in Mei 1624 weer een ‘reden-feest’
organiseerde, sprak het vanzelf dat het ‘
Bloemken Jesse’, na haar succes van
1613, er niet op het appèl zou ontbreken. Cannenburgh, in deze jaren de
meest op de voorgrond tredende figuur onder de Middelburgse rederijkers,
oogstte er ook ditmaal succes: zijn antwoord op de vraag kreeg de enige
uitgeloofde prijs, zijn referein de eerste, en bovendien kreeg Middelburg nog
de prijs ‘van 't verst' coment’
87. Ook
aan het landjuweel van de Vlaamse kamer der
‘Wit-Angieren’ te Haarlem in Juni 1629 nam Middelburg
deel, ditmaal in gezelschap van Vlissingen en Vere. Op deze wedstrijd, waar de
bloem der Hollandse en Zeeuwse rederijkers tezamen was gekomen, kon echter
zelfs Cannenburgh geen prijs wegdragen
88.
Toen de ‘Blaeu Acolye’ van Vlissingen op de
1ste Juli 1641 een rederijkersfeest gaf, was Middelburg daar natuurlijk
vertegenwoordigd. Als ‘naeste bueren’ werden de gildebroeders er
speciaal welkom geheten. Cannenburgh schijnt intussen gestorven te zijn; zijn
opvolger als de woordvoerder van het ‘Bloemken Jesse’ was
Samuel Bollaert (zinspreuk: Patientie
verwint). Deze nieuwe ster aan de rederijkershemel verliet het tournooi met
drie prijzen: de eerste voor het kniewerk, de derde voor het lied, en de enige
voor ‘'t best pronuncieren’
89, zodat zijn confraters alle reden
hadden om tevreden te zijn. De nieuwe gildepenning, die ze in dit jaar lieten
slaan, houdt wellicht met de in Vlissingen behaalde triumfen
verband
90.
Ook in haar eigen stad liet de kamer van tijd tot tijd van zich
horen. In Juli 1621 richtte ze een vertoog tot de raad, waarin ze mededeling
deed van een verzoek, haar door verscheidene liefhebbers en patriotten gedaan,
om openbaar een spel op te voeren van ‘de tyrannie der Spanjaarden en
hare adherenten, en hoe miraculeuselijk God deze landen van derzelver tyrannie
heeft beschermd’. De raad besloot om de compositiën, die van deze
vertoning gemaakt waren, door de regerende burgemeesters en de pensionaris der
stad te laten overlezen in het bijzijn van enkele predikanten, waarna deze
commissie haar een rapport zou uitbrengen
90a. De
afloop van deze kwestie is onbekend. Het verzet der Zeeuwse burgerij tegen een
eventuele verlenging van het Bestand vond onder de rederijkers klaarblijkelijk
een krachtige weerklank.
Drie rederijkers uit dit tijdperk treden meer dan de anderen op de
voorgrond. Het zijn Cannenburgh en
Willem Wijnants, en enkele tientallen
jaren later
Samuel Bollaert.
| |
| | | |
Hendrik (van) Cannenburgh
Hendrik (van) Cannenburgh
91 is de
meest productieve onder de zeventiende-eeuwse leden van het Middelburgse gilde
geweest, waarvan hij in 1616 deken en in 1621 boekhouder was. Zijn publicaties
beslaan ongeveer een kwarteeuw (1602 - 1629) en zijn ten dele van politieke
aard. Behalve de al eerder genoemde antwoorden in de refereinbundels van de
‘Wijngaertrancxkens’ (1613) en ‘'t Wit Lavender’ (1624) en misschien nog een
geuzenlied op de slag van Nieuwpoort
92, dat dan zijn oudste werk zou
zijn, gaf hij vier vlugschriften uit, alle met zijn zinspreuk ‘Godt is
mijn burcht’ ondertekend.
Het oudste, evenals de andere in dichtmaat gesteld, is een van de
talrijke geschriften tegen de Spanjaarden en hun aanhangers, die in deze tijd
het licht zagen. In Juni 1602 hadden de Staten van Holland een open brief
gezonden aan de inwoners der Zuidelijke Nederlanden, waarin deze opgewekt
werden om zich met de Noordelijken te verenigen en de Aartshertogen te verjagen
93. Als
reactie daarop verschenen enkele tegenschriften, o.a. de ‘
Domp-hooren der Hollanscher fackel, tot blusschinge des
brandt-briefs ende missive die onlancks met de volle mane uut s'Graven haghe
gheschoten wierden’ van de Jezuïet Jean David (1545 - 1613)
94.
Tegen dit pamflet nu schreef Cannenburgh: ‘Een t'samensprekinge van twee personagien, te weten, Polytick
Verstant ende Partialen Sin’ (1602)
95. Partialen Sin verdedigt het standpunt van de
‘Domp-hooren’, Polytick Verstant valt dit libel aan. Wist ik niet
beter, zegt de eerste spreker, dan zou ik denken dat je een Geus was, alhoewel
je onder ons, Rooms-Katholieken, woont. Cannenburgh moet zich onder het
schrijven dus een Zuidnederlandse lezerskring hebben voorgesteld, en men vraagt
zich af of een pamflet als dit op de een of andere wijze in Vlaanderen werd
binnengesmokkeld en daar onder de bevolking verspreid. Op de dialoog volgen nog
enkele liederen, een danklied op de overwinning van de Geuzen ter zee
96, een referein tegen
de ‘Domp-hooren’ en de Spanjaarden
97, een danklied dat als ketendicht
een kunstwerk van rederijkersvaardigheid is
98 en tenslotte nog een aansporing,
aan de infante Isabella in de mond gelegd, aan haar echtgenoot
Albertus, om het land te verlaten alvorens
Nassau hen met schande verjaagt
99.
Eerst een hele tijd later, in 1618, is een tweede politiek pamflet
van Cannenburgh verschenen: ‘Een cleyn vensterken, waer door gekeecken werdt hoe die groote
meesters haer tot de poorten der hellen wentelen’
100. Men moet dit schotschrift, dat na de terechtstelling van
Oldenbarnevelt het licht zag en waarvan de
titel een zinspeling inhoudt op de zelfmoord van
Ledenberg, bezien in het schijnsel van de
felle hartstochten, die in dit onheilsjaar de gemoederen bewogen en ontvlamden.
De vier ‘liedekens’, op populaire wijzen te zingen, die Cannenburgh
aan de dood van de oude raadpensionaris en de veranderingen in de regering
heeft gewijd, zijn alleen te verontschuldigen wanneer men weet hoe fel vooral
bij de Contra-Remonstranten, waartoe Cannenburgh behoorde, de partijstrijd was
ontbrand en hoe geen wapen werd versmaad waar het ging om de bestrijding van
degenen, wier politiek men als een gevaar beschouwde voor staat en kerk beide.
Zo zijn de voor ons gevoel minderwaardige aanvallen op Oldenbarnevelts karakter
en integriteit, waaraan ook deze Middelburgse rederijker zich schuldig maakt,
te verklaren, al worden ze daarmee niet verontschuldigd.
Sympathieker, omdat het niet tegen de binnenlandse vijand, maar
tegen de Spanjaard is gericht, is het ‘Protest. Ofte scherp dreighement, 't welck den coninck van
Spagnen is doende’ (1629)
101,
een spotdicht op de koning | | | | van Spanje over het verlies van zijn
zilvervloot. De houterige, onbeholpen alexandrijnen staan even ver van
poëzie af als het met mythologische termen overladen lied, dat aan dit
libel is toegevoegd. Nog in hetzelfde jaar gaf Cannenburgh een ‘Lof-dicht’
102 uit op de verovering van Wezel en
's-Hertogenbosch, ook nu weer in stroeve alexandrijnen geschreven. Een dichter
is in deze rederijker, die zich na 1629 niet meer heeft doen horen, niet
verloren gegaan.
| |
Willem Wijnants
Datzelfde geldt voor Willem Wijnants , over wiens
levensomstandigheden we al even weinig ingelicht zijn als over die van
Cannenburgh. Misschien is hij de Willem
Wijnants van Deventer, die glasblazer was en 17 November 1626
gratis poorter werd: gratis omdat de stad op zijn poorterschap prijs stelde
103. Hiervoor pleit dat het oudste werk van deze rederijker uit
1628 dateert. In de later aangelegde lijsten van rederijkers komt zijn naam
niet voor, en evenmin vinden we die in de bundels der landjuwelen, waaraan de
Middelburgse kamer haar medewerking heeft verleend, maar in de, alleen met zijn
zinspreuk ‘Die wel doet wel vint’ ondertekende ‘Treur-klachte’ (1628)
104 wijst een
vermelding van ‘Iesses Spruyt’ en het noemen van de zinspreuk der
kamer onmiskenbaar op Wijnants' gilde-broederschap. In deze op een blad in
plano gedrukte klacht over de bedroefde staat van het lieve vaderland leren we
Wijnants kennen als een goed patriot en een even vurig Gomarist als Cannenburgh
en waarschijnlijk wel het overgrote deel der Middelburgse rederijkers geweest
is. Heftig valt ook hij, tien jaar na de dood van Oldenbarnevelt en de
veroordeling van
Arminius' leerstellingen, de Arminianen aan,
en werpt hun de rampen en onheilen, die het land bedreigen, verwijtend voor de
voeten.
De ‘Spaensche tryumphe’ (1629)
105, die Wijnants een jaar later uitgaf, bezingt de inneming van
Wezel en 's-Hertogenbosch, waarvoor de Zeeuwse rederijkers een opmerkelijke
belangstelling aan de dag hebben gelegd. Het mist de heftige toon van de
‘Treur-klachte’ en bezit zomin als dit lied ook maar enige
letterkundige waarde.
| |
Samuel Bollaert
Tot een jongere generatie behoort de rederijker Samuel Bollaert
106. Waarschijnlijk is
hij een zoon van de uit Antwerpen afkomstige
Titus Bollaert, die in Juli 1612 te
Middelburg met
Janneken Soetemans in het huwelijk trad.
Overigens is ons niets over Samuels leven bekend. Er bestaat een hs. van hem,
dat klaarblijkelijk de kopij bevat van een door hem geschreven verzameling
liederen, die hij in druk wilde geven onder de titel ‘In minnen groiende, dat is de gedurige liefde onses Heilants
ende Salich-makers Jesu Christii, in rijm gestelt door Samuel Bollaert,
beminner vande rijmconst’
107. Bollaert droeg dit onuitgegeven werk, waarvoor de
Enkhuizer burgemeester-dichter
Claes Jacobsz. Wits (1599 - 1669), de
dichter van de populaire ‘
Stichtelijke bedenkingen’ (1639), een lofdicht
schreef, aan het gilde op, waarvan hij deel uitmaakte. De inhoud is in
hoofdzaak van stichtelijk-theologische aard, maar naast een uitvoerige
berijming van de ‘Schriftmatige bekentenisse der 12 artikelen des waren
Christelicken geloofs’ en van het Onze Vader vindt men er ook een
minnelied als ‘Minne traentiens’, de klacht van een verstoten
minnaar die voor zijn liefjes venster zijn leed uitzingt:
| | | |
Woudt ghij noch mijn smeecken hooren
ter wijl dat u beuren mach,
zoo waert noch geen moit verlooren
al mijn droevich treeur geklach.
Hoort ick roep hier voor u traellie,
wort eens wacker mijn vriendin,
waer naer wachie, hoe lang draelie,
staet eens op en laet mij in
108.
Een groot aantal gedichten van Bollaert is ook opgenomen in de
bundel, waarin de antwoorden op de vragen, tussen de jaren 1650 en 1662
uitgeschreven, verzameld zijn, en die waarschijnlijk eveneens een autograaf van
hem is
109. Er blijkt uit, dat
hij in 1650 en 1651 factor der kamer was. In het eerstgenoemde jaar
lach t'bloemken Jesse schier ter aerden neergedreven
en t'stont op t'juyste poinct te nemen haer vertreck
om dat konst oeffeningh leed armoed' en gebreck
bij t'Jesse Broederschap en die in minnen groeijen
110,
maar dank zij het initiatief van enkele leden, in de eerste plaats
waarschijnlijk van Bollaert zelf, had een opleving plaats, en in de volgende
jaren werden geregeld vragen ter beantwoording door de leden uitgeschreven
111. Tot deze behoorden o.a. de schoolmeester
Johannes de Swaef
112, de
notaris
Cornelis Quirijnsen Boy
113(zinspreuk: Betraght het noodighste) en verder een aantal
personen, over wier burgerlijke staat ons geen gegevens ten dienste staan. Geen
van hen laat in zijn werk een eigen geluid horen en in heel deze bundel is geen
enkel vers, dat om de een of andere reden onze aandacht verdient. Middelburg
telt in deze tijd geen dichters onder zijn inwoners, en zo de stad ze al
bezeten had, zouden ze toch buiten het rederijkersleven zijn gebleven, als
Cats en
De Brune in het onmiddellijk hieraan
voorafgaande tijdperk.
Voor zover bekend verscheen van de hand van Bollaert slechts
één enkel afzonderlijk geschrift, ‘
Munsters kleuter-spaen’ (1647)
114, een
schimpdicht op de zwakheid van Spanje, geschreven in het jaar voordat de vrede
gesloten werd. Er blijkt uit, hoezeer Bollaert eensgezind was met de overgrote
meerderheid van het Zeeuwse volk, dat van geen vrede met het Roomse Spanje
wilde weten en de spot dreef met het ‘kleuter-spaen’, waarmee het
zieke en kwijnende Rooms-Spaanse kind te Munster werd gepaaid.
Op 17 September 1667 werd mr.
Jacobus Peckius, door de magistraat tot
opperprins gekozen, als zodanig geïnstalleerd, bij welke gelegenheid hem
een zilveren erepenning werd aangeboden. Onder zijn protectoraat beleefde de
kamer nog enkele jaren van voorspoed en bloei. In 1669 liet zij de ‘Verkrachte Belgica’ van haar prins
Arent Roggeveen verschijnen. Behalve deze
vooraanstaande figuur behoorden in deze tijd nog enkele personen van enige
betekenis tot het gilde, als
Jacobus Willemsen (1644 - 1712)
115, die een voornaam koopman was, en de
boekdrukker
Pieter van Goetthem. Hun namen zijn het
bewijs, dat de Middelburgse kamer tot het laatst toe representatief mag worden
geacht voor de zelfbewuste burgerij.
Met de kamer van Vere was het ‘Bloemken
Jesse’ op 31 December 1672 de gast van de Vlissingse rederijkers,
die een feest gaven ‘en petit comité’. Van de vier
uitgeloofde prijzen vielen er niet minder dan drie aan Middelburg ten deel. Ook
in dit opzicht toonde de stad haar superioriteit tegenover de Walcherse
zustersteden
116. | | | |
De 1ste Februari 1676 verbood de overheid aan de
rederijkers, ooit nog enige comediën of dergelijke spelen in het publiek
te vertonen. De aanleiding tot dit verbod kennen we niet; de notulen van de
Raad laten deze in het duister en ook van elders is er ons niets van bekend.
Maar dat de magistraat hun niet blijvend ongezind was, blijkt daaruit dat al op
22 April van hetzelfde jaar hun het oprichten en houden van een loterij werd
toegestaan. Even later trad de kamer zelfs weer naar buiten op, al was het dan
niet op Zeeuws grondgebied, nl. op het Pinksterfeest van de
‘Koornairen’ te Katwijk-aan-de-Rijn,
waaraan ze als enige Zeeuwse deelnam. De vraag, een ongewilde demonstratie van
het lage peil, waartoe de rederijkerij in deze tijd was gedaald, luidde:
‘Wie sprack die noyt geen spraeck nog sonden had bedreven, En nogtans in
der daet geleyd een beest'lijck leven?’, en alle kamers antwoordden in de
trant van het Middelburgse antwoord: ‘Sprak d'es'lin, die noeyt sprak,
leeffd' beestlijk sonder sonden’. Met drie van de uitgeloofde prijzen
keerden de Middelburgers huiswaarts: de tweede prijs voor het lied, die voor
het zingen en tenslotte die ‘van het veerste kome’ vielen hun ten
deel. Met ‘een danckbaer hart’ zong het ‘Bloemken
Jesse’ bij haar vertrek uit Katwijk dan ook een afscheidslied.
Minder dankbaar en allerminst voldaan is de lezer van al de erbarmelijke
rijmelarij, die ook bij monde van de Middelburgse kamer op dit landjuweel ten
beste werd gegeven
117.
Nog eenmaal zou ze in ruimer kring van zich doen horen. Op de eerste
dag van het jaar 1680 schreef ze een wedstrijd uit alleen voor haar eigen
leden. De ‘Redenrijcke Maagt’, naar haar gewoonte
‘ten top van Helicon geseten’, stelde aan hen een viertal vragen:
l. ‘Waerom most Adam slapen? Wanneer dat Eva hem ter vrouwe wierd
geschapen?’ 2. ‘Waerom dat haer leeme hut en romp, Niet is gebouwt
uyt slijck, of uyt een aerde klomp?’ 3. ‘Waerom uyt midden-lijff,
en niet uyt andere leden?’ en 4. ‘En uyt een ribb' alleen?’.
De antwoorden op deze onnozele theologische vragen zijn bijeengebracht in het
bundeltje: ‘Nieuw-jaers-gift aen Mittels Reden-hof’ (1680)
118.
Op 4 Maart sprak de jury er haar oordeel over uit.
Jacobus Willemsz kreeg de eerste en de
vierde prijs,
J. Halibertus de tweede,
Remigius Schryver de derde,
J. Wymers de hoogste trant, en
Arent Roggeveen de tweede. Het is uitermate
moeilijk om in deze laatste publicatie van de Middelburgse rederijkers ook maar
iets te waarderen - of het moest zijn de scherpzinnigheid van de jury, die in
al deze rijmelarij nog graden van meer en minder voortreffelijkheid wist te
ontdekken.
Beter dan met hun artistieke bekwaamheden was het met de
maatschappelijke positie van de leden gesteld, die aan deze wedstrijd
deelnamen. Jean David Macquet en Willemsz behoorden tot voorname
koopmansgeslachten, mr.
Daniel Vincentius
119 was een jong advocaat, Pieter Dathenus
120, in 1680
klaarblijkelijk nog heel jong, zou in de achttiende eeuw drukker van de Staten
worden. Remigius was boekdrukker en bovendien organist en klokkenist, Roggeveen
landmeter,
Roelant Adolfs koperslager. Zij vormen
weliswaar niet de aristocratie van de stad, maar vertegenwoordigen toch de kern
van de burgerij.
De dagen van het Middelburgse rederijkersgilde waren intussen
geteld; het had ook hier zichzelf overleefd. Wat de directe aanleiding tot
opheffing van het gilde is geweest, bleef onbekend; misschien heeft de minder
gezonde financiële staat van de kas daarin een belangrijk aandeel gehad
121, mogelijk ook is gaandeweg de
overtuiging doorgebroken, dat het instituut als zodanig verouderd en uit de
tijd was geraakt. Hoe dit zij, op 19 Februari 1681 werd de rhetoriekamer
publiek verkocht. Het gebouw werd als herberg ingericht, wat het bleef tot het
in 1816 werd afgebroken
122.
| | | | | |
Arent Roggeveen
De belangrijkste figuur onder de Middelburgse rederijkers uit de
tweede helft van de zeventiende eeuw is ongetwijfeld Arent Roggeveen (†1679)
123. Geboortig
uit Delfshaven, vestigde hij zich later te Middelburg,
waar hij 22 April 1658 gratis poorter werd: een bewijs dat de stad zijn
overkomst op prijs stelde. Als zijn beroep gaf hij bij die gelegenheid
landmeter op, maar bovendien treffen we hem later aan als schoolmeester, als
‘gouseerder’ (gaugier) of roeier van wijnen en sterke dranken, als
leverancier van vuurwerk en, last not least, als de maker van een
‘vliegent casteel’, dat hij in 1673 voor rekening van de drie
Walcherse steden leverde en dat de vijand moest beletten, aan het strand te
landen
124. Deze veelzijdige man was bovendien nog lid van het
‘Bloemken Jesse’; in 1667 en '68 was hij boekhouder,
en het volgende jaar zelfs prins van de kamer. We ontmoetten hem al op het
Vlissingse rederijkersfeest van 1672
125.
Roggeveens belangstelling schijnt vooral naar de zeevaart- en de
sterrenkunde te zijn uitgegaan, waarin hij ook of vooral onderwijs heeft
gegeven. Een bewijs van zijn astronomische belangstelling is het pamflet
‘Het nieuwe droevige nacht-licht, ontsteken door Godts
toren’ (1665)
126, waarin hij de loop
beschreef van de komeet, die zich in de winter van 1664 op '65 aan de hemel
vertoonde, en waarin hij een teken zag van Gods verbolgenheid over de zonden
der mensheid. Heel wat belangrijker is het grote kaartenboek van
West-Indië, dat hij tien jaar later uitgaf onder de titel: ‘Het eerste deel van het brandende veen’ (1675)
127. Het bevat een dertig, bijna alleen door hemzelf
ontworpen kaarten en een groot aantal houtsneden van de kusten en forten van
onze West, en behoort tot de prachtuitgaven op kartografisch gebied uit onze
ook in dit opzicht zo rijke zeventiende eeuw. Belangrijk is ook de ‘Voorlooper op 't octroy van de Staten Generael’
128, die het jaar daarop
verscheen. In dit geschrift zette Roggeveen de plannen uiteen voor een
ontdekkingstocht naar de Zuidzee, waarin naar zijn mening het nog onontdekte
Zuidland zou liggen. Na veel moeilijkheden en de tegenstand van de W.I.C.
overwonnen te hebben, kreeg hij eindelijk het verlangde octrooi, maar de
gebeurtenissen van 1672 en de volgende jaren hadden inmiddels kapitaalkrachtige
belangstellenden van deelneming aan Roggeveens plannen afgeschrikt. Zo stierf
de man voordat hij zijn idealen in vervulling had zien gaan. Zijn zoon Jacob
zou ze een halve eeuw nadien weer opnemen.
Als rederijker-letterkundige schreef Roggeveen in het gedenkwaardige
jaar 1666 twee gelegenheidsgedichten, * ‘Het Staten lof en der zee-helden bazuyn’
129, op de
vierdaagse zeeslag, en de * ‘Zeeuwsche Mercurius en kransdragers met gedichten
uitgebeeld’
130, op de slag in de Noordzee van 4 Augustus,
die minder gelukkig voor De Ruyter uitviel. Bovendien bewerkte hij drie jaar
later onder de titel ‘De verkrachte Belgica’ (1669)
131 een historisch treurspel van Samuel
Bollaert, dat zoals hij in een korte inleiding meedeelt verscheidene malen
‘op 't edel Reden-hof binnen Middelburgh’ was opgevoerd. Van de
zeven duizend regels, die het originele spel inhield, bleven er onder
Roggeveens handen maar duizend over; de rest werkte hij om, en bovendien voegde
hij aan het oorspronkelijke spel, dat eindigde met de terechtstelling van
Egmont en Hoorne, een tweede toe, dat de geschiedenis
van de Opstand voortzette tot de dood van Prins Willem. In het eerste deel
treden zestig spelers op, in het tweede maar vijftig. Het succes, dat het
klaarblijkelijk bij de Middelburgse toneelliefhebbers genoot, zal voor een niet
gering deel te danken zijn aan wat men te zien kreeg, want de tekst werd
afgewisseld door een groot aantal ‘vertooninghen’, die het
middeleeuws karakter van dit rederijkersspel nog | | | | eens accentueren.
Zo zag men er ‘Belgica in heerelijcken glans verciert, met alderhande
geschencken soo van Mooren als Africanen en Americanen’, waarbij de
‘Nederlantsche Vryheyt’ een monoloog hield, verder
Filips II met zijn vrouw, omgeven door de Rijksadel ‘met jufferen en
damen in ordre, op sulcke wijse of sy een balet dansten’, wat met
trompetgeschal en zelfs met ‘los-branden van canon’ begeleid werd.
In een andere pantomime zag men ‘veel menschen aen galgen hangen en aen
staecken staen en branden, andere onthooft, andere vrouwen en kinderen onder de
voeten van de wreede Spanjaers met de degen op de borst’, waarbij de
‘Nederlantsche Vryheyt’, alhoewel ‘leggende gedruckt onder de
moordenaers’, toch nog kracht genoeg had om een vierregelig vers te
declameren. Op soortgelijke wijze werden de Beeldenstorm en de onthoofding van
Egmont en Hoorne voorgesteld. Daar deze vertoningen uitsluitend in het eerste
gedeelte en de eerste akte van het tweede voorkomen, zal Roggeveen ze wel van
Bollaert overgenomen hebben.
Het spel kan ons moeilijk een hoge indruk geven van Roggeveens
letterkundige betekenis. Maar ook hier luidt het oordeel van het nageslacht
anders dan dat van de tijdgenoot, want mr.
Jacobus Peckius, opperprins van de kamer,
Jan Pietersen Slingertrecht,
Roelant Adolfs en
Jacobus Willemsen vergeleken in hun
lofdichten ‘den soet-vloeyende poëet’ met
Homerus,
Virgilius en
Horatius. Deze overschatting van een
rijmelaar, die zelfs beneden het middelmatige is gebleven, is symptomatisch
voor het gehele instituut der rederijkerij in zijn nadagen. Men moet het
verschijnsel in de eerste plaats wel beschouwen als een uiting van verhoogd
zelfbewustzijn, dat de burgerij van een stad als Middelburg in de Gouden Eeuw
wel eigen móest zijn. Het succes in de handel zocht een component op
geestelijk gebied; de rijkgeworden koopman wilde ook op een terrein, waarop hij
volkomen onbevoegd was, uitblinken, hetzij door de maecenas uit te hangen,
hetzij - en nog liever - door zelf daadwerkelijk literatuur te bedrijven. Tot
op onze dagen heeft men overeenkomstige verschijnselen kunnen waarnemen.
Wanneer ze al niet de onmiddellijke aanleiding tot de dood van de rederijkerij
zijn geweest, hebben ze het afstervingsproces in elk geval verhaast.
| |
Pieter van Goetthem
Uit kultuurhistorisch oogpunt beschouwd verdient Pieter van Goetthem
132 onze aandacht, omdat het aanstonds te noemen door hem
uitgegeven bundeltje Franse poëzie een der symptomen is van de in deze
tijd toenemende verfransing van onze kultuur. De Van Goetthems komen al op het
laatst van de zestiende eeuw in Middelburg voor, maar desniettegenstaande was
deze Pieter te Leiden geboren. Hij vestigde zich, waarschijnlijk pas na 1650,
als boekbinder en uitgever te Middelburg, waar hij in 1662 poorter werd. Van
dat jaar tot 1679 was hij stads- en statendrukker. Hij woonde in de Giststraat
‘in den Leydsen boeck-binder’, waar in 1661 de ‘Af-beeldinge van de verkeerde werelt’ van de
Veerse rederijker
Cornelis Udemans verscheen, en in 1669 de
‘
Verkrachte Belgica’. In 1668 werd hij beboet
wegens het drukken en uitgeven van een verboden geschrift
133. In
1678 was Van Goetthem kapitein-majoor van de Middelburgse burgerwacht.
In 1657 is bij hem een bundeltje Franse verzen uitgegeven, ‘La lyre d'Apollon’
134, waarvan hij zelf waarschijnlijk de dichter was. Voor deze
veronderstelling pleit ten eerste dat hij rederijker was, en ten tweede dat de
verzameling geen enkele aanwijzing over de auteur bevat behalve dat deze zich
op het titelblad ‘un Zelandois’ noemt en ‘amateur
d'icelles’ (t.w. van gedichten), twee bepalingen die beide op Van
Goetthem kunnen | | | | slaan. De bijna zevenhonderd gedichtjes, die het
bundeltje bevat, die voor het overgrote deel maar heel kort zijn, handelen ten
dele over erotische, ten dele over andere onderwerpen van de meest
uiteenlopende aard. Zowel de stad Parijs als de vier jaargetijden, de Prins van
Oranje als de tekens van de dierenriem inspireren de dichter tot een vers, maar
dit hebben alle gemeen, dat ze niet de geringste letterkundige waarde bezitten.
Een aantal ‘estrenes diverses’ bevatten vooral korte minnedichtjes
of epigrammen op doorgaans alleen met hun voornamen of initialen aangeduide
personen, vooral vrouwen. Hun inhoud is, zoals van vele andere gedichtjes uit
het bundeltje, niet zelden vrij plat. Het enige wat in zijn voordeel kan worden
aangevoerd is zijn liefde voor Zeeland, die in drie stukjes tot uiting komt:
een gedichtje op de schapenrijkdom van het gewest, op zijn rijke natuur en een
‘Mot de Zelande’:
Moy qui suis Zelandois, je ne cognois des ruses,
On oit jamais propos me desgorger en vain,
Mon coeur franc, et ouvert n'use jamais d'excuses,
Les gens feroient ainsi s'ils avoient l'esprit sain
135
Er zijn betere regels in het boekje te vinden dan deze, maar ze zijn
uiterst schaars.
| |
Vlissingen
Indien het overgeleverde stichtingsjaar van de Middelburgse kamer
(1430) juist is, werd de Vlissingse rederijkerskamer van de ‘Blaeu
Acolye’
136,
onder de zinspreuk ‘De gheest ondersoecket al’, precies een eeuw
later opgericht. Deze oprichting schijnt het werk te zijn geweest van
Adolf van Bourgondië, heer
van Vere en Vlissingen, die in hetzelfde jaar 1530 de
beide kamers van Vere verenigd had. Dat het niet toevallig is dat de Vlissingse
kamer dezelfde naam aannam als die, welke de ‘Sint Anna's
Kinderen’ van Vere tot dusverre hadden gevoerd
137, blijkt
uit de woorden waarmee Rhetorica meer dan een eeuw later, op het Vlissingse
landjuweel van 1641, de stichting van de kamer herdenkt:
Eer dat het Roomsche rijck beheerste dien van Gent,
Was Adolf, Bourgonjon, een Vlissinghs heer erkent,
Dien was 't die 't borgerschap gaf wet en vryheyt mede,
En my hier plaets vergunt, een wel bequame stede,
Ja op mijn jeugdigh hooft een kroone vast gedruckt,
Van Blaeu Acleyen schoon, ter Veere soet gepluckt
138.
De brand van het Vlissingse stadhuis in 1809 heeft zowel het archief
van de kamer als de stadsrekeningen verloren doen gaan, zodat we voor onze
kennis van het rederijkersleven van Vlissingen uitsluitend op gedrukte bronnen
zijn aangewezen, in de eerste plaats op het werk, door de kamer zelf of door
haar leden gedrukt. De veronderstelling ligt voor de hand dat het reglement van
de kamer gelijkluidend is geweest met de gildebrief, die Adolf van
Bourgondië op 3 Juni 1530 aan de verenigde Veerse rederijkers schonk. Het
gilde had op het stadhuis de beschikking over een groot vertrek, dat ingericht
was als vergaderlokaal
139.
Vlissingen was de enige kamer uit de Noordelijke Nederlanden, die in
1562 tegenwoordig was op het ‘Prinsfeeste’, dat de Brusselse kamer
de ‘Corenbloeme’ op 26 Juli van dat jaar had
georganiseerd. Op de vraag ‘Wat dat de landen can houden in
rusten?’ antwoordde de kamer bij monde van een harer leden, dezelfde
rederijker die een lied van acht coupletten componeerde, dat dezelfde indruk
wilde maken ‘als David | | | | speelde op sijner herpen, verdrijvende
Sauls boosen woet’, maar dat niet meer dan een gebrekkig minnelied is,
waarvan de stof aan het Hooglied werd ontleend
140.
Onder de zeventig antwoorden, waaronder er waren van
Willem van Haecht,
Jan Fruytiers,
Peter Heyns en andere rederijkers van
naam, valt dat van de Vlissingse kamer geheel in het niet; geen der zes
uitgeloofde prijzen werd haar dan ook toegewezen.
| |
Jeronimus van der Voort
Een merkwaardige figuur in het Vlissinger rederijkersleven van de
zestiende eeuw is Jeronimus van der Voort
141. In het begin der eeuw, wellicht
te Lier, geboren, was hij in deze stad in de zestiger jaren factor
van de kamer ‘
Den groeyenden boom’, waarvoor hij een spel van
sinne schreef, dat in 1561 op het landjuweel te Antwerpen de
tweede prijs behaalde
142. Ook op het feest van de Brusselse
‘Corenbloem’, in 1562, werd een spel van hem opgevoerd. Van der
Voort, die behalve dichter ook kunstschilder was, werd echter in 1568 gevangen
genomen als overtuigd aanhanger van de nieuwe leer, terwijl zijn goederen
geconfiskeerd werden. Het gelukte hem te ontsnappen en uit te wijken naar de
Noordelijke Nederlanden, waar hij dienst nam in het leger van de Prins. Na de
pacificatie van Gent vestigde hij zich te Antwerpen als schilder;
bovendien werd hij er factor van de in verval geraakte kamer ‘De
Goudbloeme’. In 1585 week hij uit naar Vlissingen, waar hij factor werd
van de ‘Blaeu Acolye’. Later woonde hij nog in
Den Briel. Nadere levensbijzonderheden zijn,
evenals zijn geboorte- en sterfjaar, onbekend.
Van Van der Voort zijn drie, waarschijnlijk vier werken bekend,
waarvan er twee of drie al van vóór zijn Vlissingse tijd dateren.
In 1577 schreef hij ‘Een schoon profijtelick boeck, ghenaemt den benauden,
veriaechden, vervolchden Christen’
143. Dit rijmwerk, niet veel meer dan een
verzameling aan elkaar geregen berijmde Bijbelteksten, is de klacht van een man
die om des geloofs wille geleden heeft, huis, hof, goed en vrijheid heeft
moeten verlaten, die zijn erfdeel in het bezit ziet van zijn vervolgers en
vijanden, en nu in een vreemde streek in harde arbeid zijn levensonderhoud moet
zoeken. In deze nood troost hem het woord van de Heiland:
Dat ghy aen alle zijen zijt beswaert en belast,
Tselfste heeft Christus zijnen jongeren voorseyt,
Dat sij om zijns naems wil sullen worden aengetast
Gegeesselt, ja gebannen als een onreyn gast,
Maer salich ist hier lijden om de gerechticheyt
144.
Toen Van der Voort dit werk schreef, was hij vermoedelijk nog in
ballingschap. Kort daarop vestigde hij zich te Antwerpen, en waarschijnlijk
heeft hij tijdens zijn verblijf aldaar, en als factor van ‘De
Goudbloeme’, het vroeger wel aan Willem van Haecht toegeschreven spel van
de ‘Bekeeringhe van Sinte Paulus’ geschreven
145, dat in een Zuid- en een Noordnederlandse versie
is overgeleverd.
In Antwerpen gaf
Van der Voort een tweede werkje uit:
‘Het heerlick bewijs, van des menschen ellende’
(1582)
146, dat een
uitvoerige en soms realistische schildering geeft van de vele rampen en
ongelukken, die elk mens ten deel vallen. Gelijk de schaduw nimmer van hem
wijkt, zo volgt hem de Dood, waar hij gaat of staat. In pijnen en zorgen
volbrengt hij hier op aarde zijn levensdagen, en wijs is, wie de zin van het
leven verstaat: ‘Gheen dinck nutter, dan sijn selven leeren
kinnen’.
Van der Voort deelde zijn werk in tweeën, en laat, om de
tegenstelling te scherper te doen uitkomen, aan de beschrijving van 's mensen
ellende | | | | die van ‘de ghelucksaemheyt der dieren’
voorafgaan. Hij spreekt van de grote kennis der natuur bij de dieren, die
zichzelf van allerlei kwalen weten te genezen, van hun zorg voor de jongen, hun
slimheid, hun instincten, hun rechtsgevoel, en herinnert aan de pelikaan, die
zijn jongen zuivert van vergiftige beten met zijn bloed, de zwaluw die de mens
metselen, de spin die hem weven, de mieren die hem wijsheid leert. Met
Plinius,
Plutarchus,
Polydorus, Heropilus, Democrites en
Alianus als bronnen tekent hij het dier,
zoals de humanistische Middeleeuwen het door de ogen der Ouden had leren zien:
een leermeester en een navolgenswaardig voorbeeld voor de mens.
In schrille tegenstelling met deze gelukkige staat, waarin de dieren
verkeren, staat het leven van de mens, dat van de wieg tot het graf
één lange lijdensweg is. Al de kwellingen die hem op deze tocht
vergezellen, worden beschreven, vervolgens de zorgen en rampen die aan elke
stand eigen zijn, aan de akkerman en de koopman, de vorst, de hoveling, de
krijgsman, de geestelijke, de magistraatspersoon, en dan de
‘miseriën’ van het huwelijk, van ziekte, honger en venijn, van
de geest, van de ouderdom. Maar tenslotte doet Van der Voort ook blijdere en
vreugdevoller klanken horen als hij ‘Smenschen exellentheyt’, zo
naar de geest als het lichaam, ‘Smenschen eere der consten’ en
‘Des gheests mogentheyt’ beschrijft.
In de inleidende refereinen, die de inhoud van het boek aangeven,
verontschuldigt de dichter zich, dat hij niet de Heilige Schrift, maar de
‘Philosophen’ gevolgd heeft; geeft God hem echter tijd van leven,
dan zal hij later op Bijbelse gronden nog eenmaal aantonen ‘hoe ellendich
hier is des menschen habitatie’
147.
Deze belofte loste hij in Vlissingen in met een onder de enigszins
vreemde titel ‘Het leven en sterven ben ick genaemt’ (1597?)
148 verschenen rijmwerk, waarin hij, naar middeleeuwse trant, in
de vorm van een visioen zijn gedachten en overdenkingen meedeelde.
Op een wandeling langs de zeedijk buiten Vlissingen zint hij over de
ijdelheid van het menselijk leven. De zee, met haar eeuwige eb en vloed, blijft
hoe ook opgezweept door de stormen, steeds dezelfde, maar de mens wordt geboren
in weedom en scheidt met pijn. Aldus in gepeinzen verzonken bevindt hij zich
plotseling voor een woud, waar hij intreedt en terstond een zwarte vrouw aan
zijn zijde vindt, die hem uitnodigt in haar paleis te komen. Het is moeder
Aarde, uit wie alle stervelingen geboren worden en die al haar kinderen na hun
dood weer tot zich neemt. Maar een jonge nimf, symbool der blijde jeugd, neemt
hem bij de hand en leidt hem voort, over bergen en valeien, naar haar zusters
die aan de rand van de Helicon zitten en de stervelingen tot vreugde opwekken.
Te zeer heeft hem echter de gedachte aan 's levens broosheid aangegrepen, dan
dat hij in haar gezelschap behagen kan scheppen; hij neemt afscheid en zet
zich, ver van haar, op een duintop neer. Daar komen tot de in gedachten
verzonken dichter de drie schikgodinnen, en haar aanblik doet hem verder
peinzen over het raadsel van leven en dood, de ellende van het bestaan, de
vergankelijkheid van alles wat de mens op aarde bezit, het zorgvolle leven van
de groten der aarde, de ontoereikendheid van alle kunsten en wetenschappen. En
de enige troost in deze ellende is de dood, die ons leidt tot een hoger en
gelukzaliger leven, de dood die de veilige haven is tegen 's leven woeste
stormen. De hemel is ons vaderland, het aardse leven slechts een ballingschap,
en wie dit verstaat moet de dood niet vrezen, maar liefhebben, wetende dat hij
een einde maakt aan zijn lijden:
Die in dese sake wel seker en vast is ghegront,
Die moet de doot liefhebben, sy moet hem willecom wesen:
| | | |
Want hy weet dat hy in een gewenste ruste comt
terstont
De pijne sal met soetheyt hem zijn ghejont,
Tlijden sal deur de hope in hem ghenesen.
De prickel des doots sal self sterven in desen,
Tquaet dat hy inde doot vreest, sal hy self versmaeyen
En belachen, dat wijer int leven so seer voor vreesen:
Want die na tsterven hoept, can hem troostlijck paeyen.
Wil men hem wt het lant drijven, hy en is niet belaeyen,
Hy weet dat hy elders een beter vaderlant vint,
Daer hem niemant sal wtdrijven oft beschaeyen:
Want dees landtschappen zijn anders niet, diet wel versint,
Dan herberghen daer de weyrt vremde vrint,
Alst hem belieft, elck daer wt doet scheyen.
Men can de mensch in gheen pijnlijcker ghevancknis blint,
In vuylder, onrustigher dan m zijn eyghen lichaem leyen:
Wilt men hem dooden, helpen wt swerelts contreyen,
Dats dat hy begheert om tsyne wt alle verdriet fris,
Hoe eer hoe liever twort vergeten, so haest alst gheschiet is
149.
De zon gaat schuil en de maan komt op, maar als de dichter opstaat
om huiswaarts te keren, komt Mercurius tot hem, en toont hem in een gezicht,
hoe de zielen der afgestorvenen in de Lethestroom al de ellende van hun aardse
bestaan vergeten. Hij vermaant hem, ook indachtig te zijn aan de dood die
eeuwig zal duren, en dit brengt de wandelaar tot nieuwe en andere
overpeinzingen. De mens moet wedergeboren worden, wil hij de hemelse zaligheid
beërven, maar waar vindt men er die zo zijn? De boeren zijn er op uit om
hun koren te oogsten en akkers te kopen, niet om Christus te zoeken, en niet
alleen aan de hoven der koningen is de zonde tot een tweede natuur geworden:
overal is de mensheid verdorven. In een droomgezicht aanschouwt hij de hel, met
zijn Danteske verschrikkingen
149a, en als hij ontwaakt
is, keert hij naar de stad terug, vervuld van alles wat hij gezien heeft, en
overpeinzend hoe de zondige mens deze straf zal mogen ontgaan.
Voor de kennis van Van der Voorts denkbeelden en gedachteleven
150 is dit laatste geschrift, het werk van zijn ouderdom
151, het belangrijkst. Al is hier, in
tegenstelling met zijn voorafgaande gedicht, de Heilige Schrift de hoofdbron
voor zijn filosofische overpeinzingen, naast deze neemt ook
Seneca een belangrijke plaats in zijn
gedachten in
152, en de
denkbeelden die hij er ontwikkelt zijn ook hier meermalen aan de Antieken
ontleend. In
Van der Voort leeft iets van de
Stoïcijn, die leven en dood beide aanvaardt als onvermijdelijk. Wanneer we
de dood vrezen, is dat omdat we niet begrijpen wat zijn bedoeling is; weten we
dit, dan is alle reden tot vrees vervallen. Anders dan bij de Middeleeuwers
heeft voor hem de onrust van het zieleleven groter betekenis dan de broosheid
van het lichaam. Wat is het leven? Van der Voort kon het, na zoveel
lotgevallen, niet anders zien dan zijn tijd- en lotgenoten het zagen: een bron
van eeuwige onrust,
Studeren, leeren, onder een anders ghebiet,
Elck haeckt na d'omloop des tijts, om ten fijne
Met vryheyt zijns selfs heer te wesen siet
153.
Met
Tauler ziet hij de mens, uit het niet
geschapen, steeds weer terugverlangen naar zijn oorsprong, d.i. de zonde, de
moeder van de dood
154. Maar hoe
geheel anders weer dan bij de Middeleeuwers is zijn beschouwing van de dood,
die hem niet vreesaanjagend en verschrikkelijk, maar integen- | | | | deel
liefelijk voorkomt: Gods knecht, die de moede wandelaar aan het eind van zijn
reis de schoenen ontbindt:
Hy en leeft niet, die niet en weet wat hy leeft,
En het sterven tot een ander leven niet en bekent,
Dats een ruste die de doot hem gheeft,
Eenen soeten slaep, so lang tot dat hy heeft
Een wackermaking van God omnipotent.
O lieflijcke doot, o beelde excellent,
Waerom is u de mensch verfoeyende:
Want ghy zijt die hem van alle miserien ent,
Die alle moede gaenders zijt ontschoeyende
155.
Als Calvinist tenslotte is Van der Voort geheel een van geest met de
Zeeuwse dichters, die enkele tientallen jaren na hem zullen optreden; zowel de
rechtvaardiging door de goede werken als de leer van de vrije wil vinden in hem
een beslist bestrijder. Reeds in de ‘Benauden, veriaechden, vervolchden Christen’
verdedigt hij de uitverkiezing:
Tzijn dwase die zeggen, waerom doet ghy dit oft dat
Tot God, over wien hy zijn ghramschap strect,
Heeft hy niet Esau ghehaet en Jacob lief gehadt,
Tis al niet onder zijn genade, wie, welck en wat.
Staet daer niet den Pharo heb icker om verwect,
Op dat mijnen naem en macht sou worden ontdect,
So en eest niet den willenden oft loopenden zeere,
Niemant coemt tot my, seyt hy dan die de vader trect
En dat alleen noch deur dontfermen vanden Heere
156.
Van der Voort is geen dichter van de eerste of zelfs van de tweede
rang, maar onder de rederijkers neemt hij, wat de aangehaalde regels mogen
bewijzen, allerminst de geringste plaats in. Zijn versificatie is soms vrij
gebrekkig, en het Renaissance-vers, dat in zijn laatste levensjaren baan
breekt, is hem vreemd gebleven. Maar de gloed, waarmede hij zijn
levensovertuiging verdedigt, en de soms verheven gelatenheid, waarmede deze
wijsgerig aangelegde natuur na een leven van strijd en vervolging, alles wat
hem overkomt aanvaardt, geven zijn werk een betekenis, die nog tot ons spreekt.
Niet zozeer als dichter, dan wel als mens blijft zijn beeld ons langer bij dan
dat van het merendeel der rederijkers uit zijn tijd
157.
Na Van der Voort is het Vlissingse rederijkersleven dertig jaar lang
voor ons in het meest volstrekte stilzwijgen gehuld
158. Eerst in
1629 vinden we de ‘Blaeu Acolye’ op het
rederijkersfeest dat de Vlaamse kamer der
‘Wit-Angieren’ te Haarlem in Juni van dat jaar
organiseerde, en waar twee en twintig kamers elkaar ontmoetten.
Vincent Mathijsz (zinspreuk: Met vreucht
in deucht) was haar woordvoerder; hij beantwoordde de vraag ‘Welck is
d'weerdighste Vrucht, die Godt ons heeft ghegheven?’ en de regel
‘Zijt danckbaer voor Gods gaef, die ons in alles voedt’, en zond
bovendien nog een liedeken in, maar geen van deze drie vermocht een der
uitgeloofde prijzen te behalen. Vlissingen was een der zes kamers die -
eveneens bij monde van Vincent Mathijsz, deelnam aan de wedstrijd in het
kniewerk, en eveneens een der zes die een ‘afscheyd-liedt’ zong
159.
| |
Landjuweel van 1641
Klaarblijkelijk was Mathijsz reeds in deze tijd factor van de kamer,
maar in elk geval was hij dit in 1641, toen de ‘Blaeu Acolye’,
waar- | | | | schijnlijk op zijn initiatief, een landjuweel uitschreef. Met
toestemming van de overheid legde zij aan alle ‘vrye ende toe-ghelaten
cameren der nutbare konst van redenrijck’ de vraag voor: ‘Wat
oeff'ningh is elck best, en noodighst voor 't gemeen?’, en bovendien
schreef ze wedstrijden uit voor een referein op de regel ‘Geluckigh is
het landt, daer sulcke volck'ren woonen’, voor een lied op de zin
‘Die God heeft tot sijn hulp', geen dinck hem hinder doet’ en voor
een kniewerkslied op de regel ‘'T is 't werck van Godes geest te roepen
Abba Vader’. Voor iedere wedstrijd werden drie prijzen uitgeloofd, en
bovendien nog voor ‘'t verdst kommen’, ‘'t best
pronuncieren’, ‘'t best singhen’ en ‘de meeste
wercken’. Voor de leden van de Vlissingse kamer zelf waren particuliere
prijzen beschikbaar gesteld. De ‘Reden-caert’, waarin dit alles
vermeld stond, behelsde tenslotte nog de bepaling dat ‘een camer onvry
zijnde, en brenghende bescheet van haer magistraat, (hier) haer vryheydt (zou
kunnen) ghenieten’, waarvan de ‘Balsembloem’ van
Gouda gebruik maakte. Zo trokken op de eerste dag van Juli 1641
vier en twintig kamers plechtig de stad binnen, waar de ontvangende kamer haar
met een ‘Welcom-spel’ ontving. Vier kamers waren uit Zeeland, t.w.
het ‘Bloemken Jesse’ uit Middelburg, de
‘Witte Lely’ en de ‘Blauwe
Acolye’ uit Vere, de
‘Nardusbloem’ uit Goes en de
‘Distelbloem’ uit Sluis, de overige op
één na - ‘Den Vierighen Doorn’ uit
's-Hertogenbosch - alle uit Holland. Al deze kamers pronuncieerden
hun antwoorden en zongen hun liederen, die het daaropvolgende jaar gezamenlijk,
met de antwoorden van de Vlissingse kamer zelf, het welkom-spel en een danklied
van
Vincent Mathijsz in druk verschenen onder
de titel ‘
Vlissings Redens-lust-hof, beplant met seer schoone en bequame
oeffeningen’
160.
Klaarblijkelijk heeft de redactie van deze bundel berust bij Vincent
Mathijsz, die in een voorwoord ‘Tot den liefhebbenden leser’ zich
rekenschap gaf van wat men onder rethorica verstaan had, en waarin de betekenis
der dichtkunst lag. Hij wijst op het voorbeeld van
Clement Marot,
Petrus Dathenus,
Jan Utenhove,
Aldegonde en
Houwaert, en dat van de tijdgenoten
Heinsius,
Cats,
Huygens en
De Brune, dat de Vlissingse rederijkers
heeft aangespoord tot ‘de oeffeninghe van dees konst, en het goet
ghebruyck der selver, zijnde oock als een spoore die den menschen aendrijft tot
ondersoeck van Gods Woordt, waer in is te vinden den wegh der zaligheyt, als
oock zijnde een eerlick en stichtelick vermaeck, en een goede soete
tijdt-kortinge’
161. In
gelijke geest is het ‘Welcom-spel’ geschreven, een moraliteit waarin de
maagd Rethorica verdedigd wordt tegen allen die haar eer willen verkleinen
162. Ook van dit stuk is Vincent Mathijsz de auteur.
‘Vlissings Redens-lust-hof’ geeft ons geen aantrekkelijk
beeld van de dichterlijke gaven der broeders van de ‘Blaeu
Acolye’
163, maar het was
overal elders al even treurig gesteld met de rederijkerij, en zomin als deze
ergens anders een zelfs maar middelmatig talent kon voortbrengen, kon ze het
hier. Van de leden van het Vlissingse gilde, die aan deze wedstrijd deelnamen,
heeft alleen Joos Claerbout enige bekendheid verworven als dichter van een spel
dat, hoewel onoorspronkelijk wat de inhoud en zeer middelmatig wat de vorm
betreft, toch geen slecht figuur maakt onder de talloze kluchten van dergelijke
aard, die in deze en de volgende eeuw het licht zagen.
| |
Vincent Mathijsz
Omtrent de levensloop van Vincent Mathijsz
164
is ons niets bekend, dan dat hij in 1641 en 1642 factor was van de kamer, en
voor- en nadien een | | | | van haar meest op de voorgrond tredende leden
is geweest. In 1622 was hij een van de vele Zeeuwse dichters die een
‘Lof-dicht’ (1622)
165 op de inneming van Bergen-op-Zoom vervaardigden,
waarvan de goede bedoeling groter lof verdient dan de uitslag. Zeven jaar later
was de overwinning van 's-Hertogenbosch hem aanleiding tot het uitgeven van een
‘Naer-bedinckinge’ (1629)
166 en
het jaar daarop publiceerde hij ‘Paeys of vrede’ (1630)
167, een pleidooi voor de vrede in Gods kerk en
tegelijk een waarschuwing tegen een onbedachtzaam gesloten treves met Spanje,
immers de erfvijandin van deze kerk. Weer een jaar later verscheen ‘Wonder, dat is de wonderlicke overwinninghe die den
almachtighen Godt ... onse landen heeft gegeven ... op den 13en September
1631’
168,
toen Hollare op het Slaak een volkomen overwinning behaalde op de
Spaans-Duinkerkse vloot. Wie de hortende alexandrijnen van de Vlissingse
rederijker naast de bekende ‘Postilion’ van
Revius legt, beseft eerst in zijn volle
omvang welk een erbarmelijk rijmelaar Vincent Mathijsz was.
In 1636 had een mislukte aanslag op Vlissingen plaats.
Een zekere
Charles de la Motte, een Fransman die in
Staatse dienst was, bleek in verstandhouding te staan met de Duinkerkse
admiraal Jacques Colaert, die vanwege de koning van Spanje het bevel had
gevoerd over de vijandelijke zeemacht in Vlaanderen, maar in de slag bij Duins
gevangen was genomen. Het plan was, Vlissingen verraderlijk in te nemen, maar
Jan Evertsen wist de aanslag te
verhinderen en de schepen van De la Motte naar Oostende terug te drijven
169. Dit voorval
gaf Mathijsz aanleiding tot het opstellen van een ‘Discours ofte
t'samensprekinge’
170 tussen een Kruisheer, Colaert en De la Motte, ditmaal in
trochaeën gesteld, wat dit lied levendiger doet zijn dan zijn andere
gedichten, die in alexandrijnen zijn geschreven, zoals ook het
‘Ghedenck-teecken’, dat op de samenspraak volgt. Een kunstwerk
echter is het er niet door geworden.
Tenslotte schreef Mathijsz in 1649, toen
Willem II Vlissingen bezocht, een *
‘Triumphe’
171, om de Oranjevorst welkom te heten.
Waarschijnlijk is het zijn laatste werk geweest
172.
| |
Joos Claerbout
Joos Claerbout
173 was omstreeks 1618 te Vlissingen geboren,
waar hij in Maart 1640 in het huwelijk trad met
Maria Dammaerts, afkomstig van Tolen. Van
zijn verdere levensomstandigheden is niets bekend. In 1641 nam hij deel aan het
landjuweel van de ‘Blaeu Acolye’; de door hem gedichte
refereinen en liederen onderscheiden zich op geen enkele wijze van de overige
bijdragen in ‘Vlissings Redens-lust-hof’. In 1654 schreef hij een *
‘Bly-eyndig vertoogh’
174 op de vrede tussen de Republiek
en Engeland, maar we kennen dit alleen van naam. In 1661 gaf Claerbout een
‘Droef-bly-eyndig vertoog op 't belegh en over-gaen van
Middelburgh’
175 uit, waarin een groot aantal sprekende en stomme personages
meespelen, en o.a. zinnebeeldige personen als de Middelburgse Maegt, Vryheyt,
Gods-dienst, Pallas, Faem en Memory. Christoffel en Rokus, twee burgers, zeggen
de reien; hun rol kon eventueel door een ‘Rey van Maeghden’
vervangen worden. Dit historische drama, waarvan de titel de inhoud genoegzaam
aanduidt, werd opgeluisterd door vijf ‘vertooningen’ die momenten
uit het beleg uitbeeldden; de laatste twee, de verwelkoming van de Prins door
de Middelburgse maagd, en een groep, waarin Pallas en de Godsdienst de zijde
van de Vrijheid bekleedden, waren van allegorische aard.
Het volgende jaar liet Claerbout zijn ‘Oresto’ (1662)
176 van de pers komen, waarin hij de tragische
Phaedra-geschiedenis nog eens behandelde. De koningin Sibyna tracht tevergeefs
de liefde te verwerven van haar | | | | stiefzoon Oresto, en beschuldigt
hem dan, uit wraak over haar teleurgestelde liefde, van datgene waartoe zij hem
had willen overhalen. De vertoornde koning Dandalus laat zijn zoon zonder vorm
van proces doden, en ontdekt eerst te laat het bedrog. Sibyna wordt waanzinnig
van wroeging en hangt zich op; de koning doodt de kamenier Dalida, de
medeplichtige van de koningin, en wordt tenslotte ook krankzinnig. Zo leert dit
bloederige spel
Den menschen staet vervalt en komt tot dolle sin.
Is het wonder dat Claerbout dit stuk opdroeg aan
Jan Vos, die immers in zijn ‘Aran en Titus’ het toneel eveneens in een bloedbad
had herschapen? Vos was de eerste letterkundige kennis die Claerbout ‘tot
Amsterdam by eenige lief-hebbers quam te verkrijgen’, maar niet alleen om
deze reden zal hij hem ‘dit geringh rijm-werck’ opgedragen hebben.
Bij gelegenheid van dit Amsterdamse reisje zal Claerbout, misschien door
bemiddeling van Vos, met toneelkringen in aanraking zijn gekomen, waar hij
Noozeman en Bara zal hebben ontmoet.
Het spel is met mythologische versierselen overladen; wanneer in het
derde bedrijf de koningin ‘sit en slaept onder de rosengaert’ komen
Hydra, Tisiphoon, Alecto en Megeer uit ‘de Poel’ opgerezen, en ook
op andere plaatsen wordt bij de toeschouwer een vrij grote kennis der Griekse
en Latijnse godenleer verondersteld.
Elisabeth Wynants is wel zeer vriendelijk,
als zij in haar lofdicht van Claerbout getuigt dat ‘(zijn) naem wert door
Euroop' door Faams-basuyn geviert’.
Claerbouts laatste en tegelijk zijn beste werk is zijn ‘Klucht van 't kalf’ (1662)
177, een
‘vermakelijcke Klucht’, in ‘boertige Veersen’
geschreven, en uitgegeven ‘door 't versoeck vande lief-hebbers’.
Kees, een boer, brengt zijn kalf naar stad om het te verkopen, maar komt
onderweg Lambrecht de slager tegen, die het beestje voor vijf rijksdaalders van
hem koopt, en de boer verzoekt om het naar zijn huis te brengen. De slimme boer
verkoopt het kalf evenwel voor de tweede keer, ditmaal aan een neef van
Lambrecht, de kok Rokus, die kalfsvlees nodig heeft voor een bruiloftsmaal.
Maar als de twee kopers elkaar ontmoeten, komt het bedrog uit en Kees wordt
voor de rechter gedaagd. Een advocaat, Eduwart, die hij in de arm neemt, geeft
hem de raad om zich voor gek te houden en op alles wat hem gevraagd wordt te
antwoorden met: ‘heu kalfje, heu kalfje, heu kalfje’. Inderdaad
wordt hij door deze simulatie vrijgesproken, maar wanneer de advocaat om zijn
geld komt, volhardt Kees in zijn rol en betaalt ook hem slechts met een
‘heu kalfje’, ‘Noyt en was advocaet van een boer soo
bedroogen’, zucht mr, Eduwart; ‘dat die van Rhetorica dit
wisten; sy maecktend' er een klucht van’. Men mag hieruit de conclusie
trekken, die trouwens ook uit andere hoofde gewettigd is, dat deze klucht
oorspronkelijk voor de Vlissingse kamer bedoeld was, wat ook met de andere
spelen van Claerbout wel het geval zal zijn geweest.
De ‘Klucht van 't kalf’ is, zoals Moltzer overtuigend
heeft aangetoond
178, een navolging van de
bekende ‘Farce de Maistre Pathelin’, waarvan de dichter en
de datering onbekend zijn, en die zowel in Frankrijk als
daarbuiten in de zeventiende en de volgende eeuw grote opgang heeft gemaakt.
Dezelfde Bara, die voor Claerbouts ‘Droef-bly-eyndig vertoog’ een
lofdicht schreef, gebruikte het motief enkele jaren later voor zijn even platte
als onbeduidende klucht ‘Ick ken je niet’ (1664).
| |
Ne'erlandts vallende oorsaeck
Nog een maal heeft de ‘Blaeu Acolye’ van
zich doen horen, en wel | | | | toen het gilde op l November 1672 nogmaals
een wedstrijd uitschreef, waaraan ditmaal echter alleen de kamers van
Middelburg en Vere deelnamen. Men mag dan ook veronderstellen dat ook alleen
deze beide uitgenodigd zijn geweest
179. De
uitgeschreven vraag luidde: ‘Waerom kreeg Nederlant in dit jaer sulken
krack?’, en als zin voor het lied werd opgegeven: ‘Hoe God
Ne'erlandt sal verschoonen’. Er werden vier prijzen uitgeloofd, en
bovendien ontvingen alle deelnemers aan het feest een boek. Van de broeders der
‘Blaeu Acolye’, die aan het landjuweel van 1641 hadden deelgenomen,
was alleen de destijds veertienjarige Jan van Liere overgebleven, die thans
factor van de kamer was.
J. Grindet schreef als prins de
‘kaerte’ uit.
Op 31 December 1672 vond het feest van de drie kamers plaats. De
antwoorden verschenen tezamen in een bundeltje van matige omvang, onder de
titel: ‘Ne'erlandts vallende oorsaeck, en hulp-middelen tot des-selfs
her-stel’
180. J. Grindet ondertekende namens de kamer de opdracht
aan de magistraat van Vlissingen en die aan de hoofden van de kamers van
Middelburg en Vere; ook de ‘Welle-komste’ en een ‘Lof-dicht aen de redenaers’, beide in dichtmaat,
waren van hem. Zijn antwoord op de vraag en dat op het lied kregen de voorrang
boven alle andere. Die van de andere Vlissingse gildebroeders kwamen geheel
achteraan in het bundeltje
181. Van de prijzen, die niet aan de kamers, maar aan de
rederijkers persoonlijk werden uitgereikt, viel de eerste ten deel aan
Verdoel, de enige onder de Vlissingse
rederijkers van zijn tijd die enige naam heeft verworven, zij het dan ook niet
als dichter, maar als schilder
182.
‘Ne'erlandts vallende oorsaeck’ is het laatste blijk van
het bestaan der Vlissingse rederijkers, dat tot ons gekomen is. Waarschijnlijk
is de kamer, als in zovele plaatsen elders, tegen het eind der zeventiende of
in het begin der achttiende eeuw door gebrek aan leden opgeheven of vervallen
183
184.
| |
Vere
Te Vere
185 bestonden in het begin van de zestiende eeuw
twee kamers: ‘Missus Scholieren’, ook wel de
‘Missende Scholieren’ genaamd, onder de zinspreuk van
de ‘Witte Lelyen’, en ‘Sint Anna's
Kinderen’, onder de zinspreuk van de ‘Blauwe
Acolye’. Adolf van Bourgondië, heer van Vere en Vlissingen,
heeft ze in 1530 tot één kamer verenigd, waaraan hij de naam van
‘Missus Scholieren’ schonk en als devies de spreuk: In reynder
jonsten groeyende. Patrones der nieuwe kamer werd Onzer Lieven Vrouwen
Boodschap, terwijl haar blazoen, de lelie en de akelei, de beide bloemen der
oude kamers in zich verenigde. Het schild der kamer beeldde een bloempot af,
waaruit deze beide bloemen oprezen; in een rol, die door de takken was
gestrengeld, was de zinspreuk geschreven. Onderaan dit blazoen stond een bordje
met de letters A, B, C.
De gildebrief
186, die Adolf van
Bourgondië aan dit gilde verleende op 3 Juni 1530, en waaraan de
bovenstaande gegevens ontleend zijn, bevat de gewone bepalingen van het
lidmaatschap, de verplichtingen, de boeten e.d. Er blijkt o.a. uit dat de
gildebroers ‘de secreten van der camere, oft de materie men spelen
sal’ geheim moesten houden. ‘Altijts des Son-daeghs na de
quatertempere ende zolempnizatie van Missus, oft anderen bequaemen dach, alst
prince ende dekens goet dunct’, zou men ‘de feeste van eenen
maeltijt’ houden, waarop alle gildebroeders aanwezig moesten zijn, een
nieuwe prins en deken werden gekozen, en de aftredende functionarissen rekening
en verantwoording moesten afleggen. Indien in een geschil een der beide
partijen zich niet wilde onderwerpen aan de uitspraak van de prins of van
dekens en gezworenen, werd hij o.a. veroor- | | | | deeld tot een bedevaart
naar het wonderdoende beeld van Onze Lieve Vrouwe in de Polder. Bleven beide
partijen weerspannig, dan moesten ze naar het beeld van Sint-Willebrord in
Westkapelle ter beevaart. Als gezworenen of facteurs in de schutterijen moesten
treden, ‘daer de camere mede gedefraudeert ware’, zou de prins dit
mogen beletten.
Op 6 September 1608 werd de gildebrief van 1530, op
‘oitmoedige supplicatie van den prince, dekens, gesworens ende de gemeene
supposten van de camer van Rhetorica’ door burgemeesters, schepenen en
raden der stad vernieuwd, met enkele wijzigingen en toevoegingen, ‘ten
regarde sij (t.w. de “ordonnantien, regulen en statuten”) diversche
superstitieuse poincten behelsen, ende ook eenige articulen, die, deur den laps
van tijde, geheel in ongebruik zijn gecommen’. Wat wonder! De nieuwe
gildebrief
187 volgt de oude op de voet en bevat grotendeels dezelfde bepalingen,
in dezelfde bewoordingen vervat, maar de ‘superstitieuse poincten’
zijn weggelaten: het Rooms-Katholicisme had, zo het er al niet geheel verdreven
was, ook te Vere zijn macht en invloed verloren, en de heiligenbeelden waren
ook hier ten offer gevallen aan de Beeldenstorm. De jaarlijkse maaltijd met den
aankleve van dien werd vastgesteld op de eerste Zondag in September
188.
De kamer vergaderde, althans in het begin van de zeventiende eeuw,
op het stadhuis in een vertrek, waarvan een der ramen haar devies met de
afbeelding van Maria Boodschap droeg. In 1628 verhuisden de leden naar de
bovenkamer van het Vleeshuis
189. Van 1593 tot 1637 wisselde haar ledenaantal van 23 tot 40.
Merkwaardig is, dat ook enkele vrouwen tot de leden behoorden, een verschijnsel
dat nergens elders in Zeeland voorkomt.
In 1494 kwamen de gezellen van Rethorica op de ommegangsdag te
Middelburg spelen ‘met hunne battementen’, waarvoor de Middelburgse
regering hun twaalf poortkannen Rijnwijn schonk
190.
Eenzelfde beloning ontvingen ze het volgende jaar, toen ze op Sacramentsdag met
een wagenspel kwamen
191. Ofschoon het
niet vermeld wordt, zullen ze zeker tegenwoordig zijn geweest op het landjuweel
te Reimerswaal van 1507, waar zes of zeven Zeeuwse kamers waren.
In 1515 speelden ze op Sint-Pietersdag weer in de Sint-Pieterskerk te
Middelburg
192, en in 1519
nogmaals: voor deze gelegenheid werd in de kerk een stellage gemaakt
193. In 1517 kreeg de kamer een vergoeding voor het opstellen van zeven
stellages, waarop ze bij de jaarlijkse ommegang te Vere de zeven blijdschappen
van Maria had vertoond. In 1542 speelden de Veerse rederijkers een spel ter
gelegenheid van de huldiging van
Maximiliaen van Bourgondië. Op Meidag
1549 was de kamer te Middelburg, waar ze vier poortstopen wijn kreeg
194. Toen de Prins in 1581 zijn blijde incomste in Vere hield, voerde
de kamer twee spelen en een esbattement op
195. Ook kwamen kamers uit andere steden er wel battementen, zoals die
van Middelburg in 1445, 1464 en 1466 en die van Reimerswaal in 1471
196.
| |
Adriaen Valerius
In de eerste decenniën van de zeventiende eeuw was Adriaen Valerius († 1625)
197 een der gildeleden van
‘Missus Scholieren’. In 1598 vermeldt het rekenboek
van de kamer hem voor het eerst als lid, van 1611 tot en met 1616 komt zijn
naam niet onder die van de leden voor, maar in 1617 is hij overdeken, wat hij
tot zijn dood, in 1625, blijft.
Valerius is waarschijnlijk uit een Franse familie en te Middelburg
geboren als zoon van
François Valéry, die er in
1569 het poorterschap had verkregen, en o.a. notaris was. Toen in 1575 de
Westmonsterkerk op de Markt voor afbraak werd verkocht, werd François
Valéry door aankoop | | | | eigenaar van het kleine orgel van deze
kerk. Het is een verleidelijke veronderstelling, dat de vader dit instrument
voor zijn zoon heeft gekocht, die er misschien de beginselen van de muziek op
heeft geleerd.
Omstreeks 1592 werd Adriaen klerk bij
Pieter van Reigersbergh, equipage- en
ammunitiemeester van Zeeland en burgemeester van zijn woonplaats Vere. Zes jaar
later werd hij er op voordracht van de Admiraliteit van Middelburg tot
controleur van de convooien en licenten aangesteld. In hetzelfde jaar trouwde
hij er een burgemeestersdochter, waaruit men mag opmaken dat zich toen al zijn
verdere fortuinlijke loopbaan voorspellen liet. In 1606 werd hij tot het
notarisambt toegelaten en tot ontvanger van de convooi- en licentgelden
benoemd; later werd hij ook nog fortifica-tiemeester van Vere, en bovendien was
hij sinds 1616 schepen, sinds 1617 raad van de stad, wat hij ook bij zijn dood
nog was. Zo werd hij geleidelijk aan een belangrijke figuur in een wel kleine,
maar destijds welvarende stad, waar de polsslag klopte van de rijke handel en
koopvaart der Republiek, de stad waar, al was het maar kort,
Balthasar de Moucheron zijn kantoor had
gevestigd.
Behalve één lied in de ‘Zeeusche
Nachtegael’ bezitten we van Valerius alleen de ‘
Nederlandtsche Gedenck-clanck’ (1626), die het
jaar na zijn dood is verschenen. Het geschiedkundig gedeelte van dit boek komt
bij de bespreking der Zeeuwse historiografie ter sprake
198, maar de zes en
zeventig historieliederen, die tussen dit geschiedverhaal staan, zijn het werk
van de rederijker Valerius, en er is aanleiding om te veronderstellen dat hij
ze naargelang van hun ontstaan voorgedragen heeft op de bijeenkomsten van
‘Missus Scholieren’, met uitzondering dan van de drie
Geuzenliederen, die niet zijn eigen werk waren. De letterkundige betekenis van
deze liederen is betrekkelijk gering
199, er is veel rederijkerswerk onder in de ongunstige betekenis van
het woord, en voor het overgrote deel zijn ze geschreven in een al zeer weinig
persoonlijke stijl. De populariteit die een aantal van deze gedichten bezitten,
danken ze dan ook meer aan hun zangwijzen dan aan de tekst, al zijn er enkele
onder, die zich in dit opzicht gunstig onderscheiden, in de eerste plaats
‘Waer datmen sich al keerd of wend’, waarin al de
fierheid en het zelfbewustzijn van onze Gouden Eeuw spreekt, met het brede,
bewogen slotcouplet:
O Neerland! so ghy maer en bout
U pylen vast gebonden hout,
End' t'saem eendrachtig zyt;
So kan u Duyvel, Hel, noch Doot,
Niet krencken noch vertreen,
Al waer oock Spanjen noch so groot,
Ja 'swerelts machten een
200.
Geloofsvertrouwen en nationale trots zijn de beide polen, waartussen
de geest van deze liederen zich beweegt. Het is te betreuren dat we geen enkele
aanduiding bezitten, waaruit we kunnen opmaken in hoeverre ze drie eeuwen
geleden populair zijn geweest, maar juist deze lacune bewijst naar alle
waarschijnlijkheid al, dat populariteit niet hun deel is geweest. Eerst twee en
een halve eeuw later herontdekt, hebben ze sindsdien niet alleen ons eigen
land, maar twee werelddelen stormenderhand veroverd. In de eerste plaats moge
deze opgang aan de melodieën te danken zijn, zonder de begeleidende tekst
zouden ze nog altijd verloren en vergeten liggen in de bibliotheken. En wat in
deze tekst aantrekt en bekoort, is in de eerste plaats de onmiddellijke,
ongecompliceerde en daardoor bewust eenzijdige | | | | reactie op de
bezongen gebeurtenissen. Ook in dit opzicht is Valerius het type van de
zeventiende-eeuwse Nederlander, en zijn werk dat van de zeventiende-eeuwse
gemeenschapskunst.
Valerius' oudste zoon François (1604 - 1634) werd in 1625 lid
van ‘Missus Scholieren’ en al in 1631 deken van het gilde, maar hij
stierf drie jaar daarna. De
Marcus Adriaensz. Valerius (1592 - 1632),
schepen en raad van Vere, die in 1630 deken en in 1632 prins van de kamer werd,
is waarschijnlijk een achterneef van Adriaen.
Een van de leden van het gilde,
Pieter H. Spoormaker, heeft in een tweetal
liederen uiting gegeven aan de droefheid der kamer bij het sterven van haar
overdeken
201. Hoe moeilijk het in 't algemeen is, uit
lijkdichten de ware gezindheid van de dichter ten opzichte van de betreurde
dode op te maken, men kan veilig aannemen dat de Veerse rederijkers het
overlijden van hun ‘voesterheere’ pijnlijk hebben ervaren.
Dezelfde Pieter H. Spoormaker
202
gaf in 1629 een kleine verzameling liederen uit op de verovering van
's-Hertogenbosch, onder de titel ‘Vive le Geus’
203, dat meer voor zijn
patriotisme en zijn gehechtheid aan het rechtzinnige Protestantse geloof pleit,
dan wel voor zijn talent als dichter. In velerlei toonaarden bezingt hij de lof
van
Frederik Hendrik en de smaad die, dank zij
's Prinsen beleid, op het ‘Catholijck gespuys’ en de
‘verduyvelde Papen’ is gevallen.
Spoormakers aandeel aan het Vlissingse landjuweel van 1641 komt zo
aanstonds ter sprake. Zijn liefde voor het Oranjehuis kwam in 1650, bij de
geboorte van
Willem III, nog eens tot uiting in een
lofdicht, * ‘Vera fidelis’
204. Sinds 1635 was hij notaris te Vere, waar hij
waarschijnlijk geboren was. Toen
Boxhorn zijn ‘Chroniick van Zeelandt’ (1644) schreef, waarvoor
hij wat de berichten over Vere betreft het meest aan Spoormaker te danken had,
was deze prins van de rederijkerskamer
205.
Een tijdgenoot van hem is
Johannes Tomijs Rompel, die in 1615 in
het gilde kwam en in 1625 deken was. In 1633 werd hij notaris te Vere. We
ontmoeten hem op de landjuwelen van de Haarlemse (1629) en van de Vlissingse
kamer (1641). Zijn zinspreuk was ‘Dinckt op 't eynde’
206.
Pieter de Vos (1606 - 1663), de latere
secretaris der stad, een der medewerkers aan de ‘Zeeusche
Nachtegael’, werd reeds in 1627 overdeken van het gilde, maar tot de
werkende leden heeft hij klaarblijkelijk nooit behoord.
In 1629 was de kamer van Vere op het rederijkersfeest der
‘Wit-Angieren’ van Haarlem. Joannes
Rompel was de woordvoerder van het gilde, maar zomin als de Middelburgse kamer
wist die van Vere van dit landjuweel een prijs weg te dragen
207. Wat meer succes had het gilde op het
Vlissingse rederijkersfeest van 1641. Het werd er in de eerste plaats met
bijzondere onderscheiding begroet, aangezien de ‘Blaeu Acieyen
schoon’ der Vlissingse rederijkers immers ‘ter Veere soet
gepluckt’ waren. Maar bovendien won het er, dank zij het antwoord van
Jacob van Eepen, de derde prijs van de
vraag en dank zij Pieter Spoormaker de derde prijs van het kniewerk, terwijl
het ook nog die voor ‘de meeste wercken’ kreeg
208.
Toen dertig jaar later, op de laatste dag van het rampjaar 1672, de
‘Blaeu Acolye’ van Vlissingen weer een
feest gaf, ditmaal alleen voor de drie destijds nog overgebleven Walcherse
kamers, vertegenwoordigde M(atthijs) van Eepen er de Verenaren.
Op de vraag: ‘Waerom kreeg Nederlant in dit jaer sulken krack?’
antwoordde hij: ‘De onboet-veerdigheyt is oorsaeck van dees'
plagen’. Hij ondertekende het met zijn naam en zijn zinspreuk
‘Geest baert leven’, evenals het lied op de vraag: | | | | ‘Hoe God Ne'erlandt sal verschoonen van veel plagen en verdriet’
209. Matthijs van Eepen zal als rechtzinnig Calvinist,
misschien met de piëtistische inslag, de Zeeuwen eigen, een man van
onverdachte beginselen zijn geweest, maar als dichter viel heel wat op hem aan
te merken, en men mag de jury niet van partijdigheid beschuldigen, omdat ze hem
zelfs in dit meer dan middelmatige dichtgezelschap geen der vier uitgeloofde
prijzen waardig keurde. Van Eepen had enkele maanden tevoren een ‘Veersche vreughde-galm en zege-wensch’
210 uitgegeven, ter gelegenheid van de opdracht van het generale
kapiteinschap der Zeven Provinciën aan de jonge Prins Willem.
Waarschijnlijk is onze Matthijs een zoon van de zoeven genoemde rederijker
Jacob van Eepen en een kleinzoon van de oudere Matthijs, die in 1606 schepen,
en van 1608 tot zijn dood, in 1616, raad van Vere was.
Na 1672 ontmoeten we de Veerse kamer niet meer op enige
rederijkerssamenkomst. Toch wist ze haar bestaan nog langer dan een eeuw te
rekken en daardoor alle andere kamers in de Noordelijke Nederlanden te
overleven. Nog in 1790 telde ze 21 leden; eerst kort daarop vond ze een zeker
niet ontijdige dood. De vragen, die de leden in de laatste jaren van haar
bestaan aan elkaar opgaven, pleitten niet voor het peil der bijeenkomsten
211. Men mag ook overigens veronderstellen, dat de kamer destijds
reeds lang haar oorspronkelijk karakter verloren had en, onder andere naam,
volkomen gelijk was aan de dichtgenootschappen der achttiende eeuw. Voor zover
bekend is ze dan het enige voorbeeld van de geleidelijke overgang van een
rederijkerskamer naar een dichtgenootschap.
Geen van de Veerse rederijkers is als auteur meer naar buiten
opgetreden als Udemans, die we op het Vlissingse landjuweel van 1641 al
terloops ontmoet hebben.
| |
Cornelis Hendricksz. Udemans
Cornelis Hendricksz. Udemans (1599 -
1672 of later)
212 was een neef van de piëtistische
predikant
Godefridus Udemans en evenals deze
‘tot Bergen-op-Zoom gelyck als in een leger gheboren, ende onder den
gheduerigen trommel-slach, ende trompetten-klanck opghevoedt’
213. Ook hij is, als zijn neef, al vroeg
naar Zeeland verhuisd, waar hij de rest van zijn leven als smid en goudsmid in
Vere is blijven wonen
214. Daar werd ook, op 28 Juni
1622, zijn huwelijk met Godefridus' zuster
Apolonia Cornelisdr. Udemans voltrokken,
waaruit acht kinderen zijn geboren
215.
De rederijker Udemans voerde als zinspreuk: Cor ne lis agitet
Tumultuosa (Moge geen onrustverwekkende strijd mijn hart verontrusten)
216. Men
vindt dezelfde zinspreuk - misschien een citaat uit de een of andere ons
onbekende Latijnse dichter - ook onder een der rijmen in een pamflet uit 1618,
de ‘Wonderlijcken droom vande school-houdinghe van mr. Ian van
Olden-barnevelt’
217, dat verder geen naam of enige andere aanduiding van
de schijver bevat. Is dit geschrift van Udemans, en er is geen reden om het
tegendeel te veronderstellen, dan zou hij dit nog vóór zijn
twintigste jaar hebben geschreven
218. Het bestaat uit een in alexandrijnen gestelde
beschrijving van een droom over de school van Meester Ian, en een
‘Tsamen-spraeck van eenen burghemeester, Quaet-raet, ende eenen gheselle
ghenaemt Goossen Goet Jaer’, en is een van de talrijke schotschriften,
die in deze tijd tegen
Oldenbarnevelt en zijn aanhangers het licht
zagen, meedogenloos en onbarmhartig van stijl en inhoud, het product van een
tijd waarin de politieke hartstochten tot het uiterste waren opgezweept. Uit
het feit dat er drie uitgaven van bekend zijn, mag de opgang worden afgeleid
die, als zovele andere, ook dit libel gemaakt heeft.
| | | | Pas wanneer Udemans over de middelbare leeftijd heen
is, in 1643, verschijnt opnieuw een werk van zijn hand: ‘De waekende oog,
op de onsekerheyt des menschen levens’
219. In het voorbericht noemt hij het zijn eerste werk; mocht het in
goede aarde vallen, dan zal dit hem aanmoedigen om later meer uit te geven.
‘De waekende oog’, in Catsiaanse alexandrijnen geschreven, is een
tamelijk uitvoerig en uiterst wijdlopig leerdicht over de dood. De dood, die
allen gelijk maakt, die niemand spaart, die ons aller uiteindelijk deel is.
Voor alle mensen is hij gelijk, maar na dit leven komt het verschil: voor de
goeden de hemel, voor de kwaden de hel. Daarom zij ons oog op de onzekerheid
van het leven gericht, opdat als de dood ons eenmaal overvalt, wij hem getroost
mogen begroeten als de ontsluiter van de hemel.
Die van te voren sterft eer dat hem treft de doot,
Die heeft dan door de doot van sterven geenen noot
220.
In dit zich vermeien in de doodsgedachte is Udemans nog geheel
Middeleeuwer, die zijn doodsangst tracht te bezweren door er uitvoerig over te
schrijven en zich telkens weer voor ogen te houden, dat de dood voor de
Christen alleen maar een verlosser is. Achter het eigenlijke gedicht volgen nog
een aantal emblemata, maar zonder platen, waarom de dichter aan zijn lezers
verzoekt ‘met sijn gedachten te willen spelen, overmits de selfde met
geen af-beeldinghen, maer eenvoudichlick, en slecht voorgestelt en sijn’
221. Deze emblemata, die
soms bladzijden lang zijn, behandelen onderwerpen van de meest uiteenlopende
soort; men vindt er ‘Op het aenschouwen van des hemels beweginge’,
‘De eclipsis der sonnen gesien hebbende’, ‘Van een gemaeckte werelts-kloot, die door 't vallen gebroken
is’, ‘Op het aenschouwen van een graf’, ‘Siende een vogeltjen al singende in sijn kamer
vliegen’, ‘Van de derden-daegsche koortse’, ‘Op het kampen van twee hanen’, ‘Op eenen lasteraer’, ‘Den eersten grondt der wijsheyt is de vreese Gods’
en vele andere. Wie herkent zowel in de keuze als in de bontheid der
onderwerpen niet dadelijk Cats? Dezelfde piëtistische gezindheid, die in
het werk van de Raadpensionaris tot uiting komt, vinden we bij Udemans,
dezelfde ontlening aan de beelden van het alledaagse leven als middel om tot
hogere gedachten op te stijgen, dezelfde zin voor het praktische naast een
geloofsbelijdenis, die hier en daar mystiek aandoet. Is het wonder dat Udemans
op het eind van zijn boek zijn leermeester noemt als een, die groter
verdiensten bezit dan hijzelf?
Maer dat ick schuldig' blijf, en niet voldoen en kan,
Dat wijst de heere Cats u wel ten vollen an.
Dien weerden man beschrijft ten rechten uwe plichten,
Die u aen siel en lijf in alles mogen stichten,
Waer in sijn snelle pen van honich over-vloeyt,
Het dient dan niet van my een smit te sijn gemoeyt
222.
Alleen had Cats heel wat meer van de dichter in zich dan deze
erbarmelijke rijmelaar.
De plotselinge dood van
Willem II en de geboorte van Willem III
gaf Udemans, die als Zeeuw een vurige Oranjeklant was, een tijdsgedicht in de
pen, dat hij ‘Oraenjens rou-mantel’
223 noemde, en dat tegelijk een treur- en een
vreugdedicht moest zijn en bovendien nog een politiek pamflet was, in zoverre
het zich heftig tegen de aanhangers van een stadhouderloos gezag keerde. Zoals
in al Udemans' geschriften voert hij ook hier een krachtig pleidooi voor de
eenheid van het land, en vermaant hij de | | | | Nederlanders tot inkeer
en berouw over de bedreven zonden. Berouw voor God en eendracht onder elkaar,
deze alleen zullen het land kunnen redden van de afgrond, waarin het dreigt te
verzinken.
De werelt die bestaet op onderlinge krachten,
Den rijcken heeft van doen den armen tot sijn werck,
Den armen moet de daet oock van den rijcken achten;
Dien onderlingen soen die maeckt de werelt sterck
224.
Men ziet: ook in sociaal opzicht was Udemans zijn tijd niet
vooruit.
Eveneens een gelegenheidsgeschrift is de twee jaar later verschenen
‘Nederlantsche tragi-comedie’ (1652)
225. In een toneelspel van twee
bedrijven, nog geheel en al in de trant van de zestiende-eeuwse spelen van
sinne opgebouwd, behandelt hij de toestand van de Republiek. Wel is er vrede,
maar een die ‘meer een oorlog dan een vrede ghelijckt, en meer voor een
tragedie, dan voor een comedie alle daghen voor onse oogen ghespeelt wort,
hoewel ons de ghedachtenis der voorledene oorlogen noch versch is en
schrickelijck valt, soo dat wy alle van kints beenen af hebben geleert de
wreetheyt van den alles-verderffelijcken oorlogh te haten, en de
vriendelijckheyt van de heylsame vrede met een gheduerighe hope te ghemoete te
gaen, en te omhelsen’
226. Het stuk
is Catsiaans als alle werken van Udemans, maar het is hier en daar vrij plat,
wat bedenkelijker is. Latijnse kanttekeningen en citaten in de inleidingen
geven het een schijn van geleerdheid en gewichtigheid, waarop het geen recht
heeft. Er treden ongeveer veertig personen in op, meest onder symbolische namen
als Den Tyt, De Fortuyn, Geluck, Druck, De Vrede, De Liefde tot het Vaderlant,
De Spaenjaert, Den Hollantschen Schipper, Den Engelsman, Sinte Reyn-uyt enz. De
drie schikgodinnen ontbreken er evenmin als de Eumeniden en de goden van de
Olympus, Ja en Neen, ‘elck een langen grijsen baert hebbende, beyde seer
op een manier gekleet, doch wat antiqs’, vervullen de dankbare rol van de
zinnekens. Zo ergens, dan blijkt uit dit spel hoezeer Udemans' werk nog met de
rederijkerspoëzie, en dan liefst die van de zestiende eeuw, verwant
is.
In 1658 schreef hij zijn ‘Grove pack-kleedt, af-getrocken van het lastigh pack des
werelts’
227, en wel ‘ter eeren van den
edelen, hoog-geleerden, ende hoog-achtbaren heer
Jacob Cats, ridder, &c., op syn
Sorg-vliet, ende af-leggen van alle sijne hooge ampten, en staten’. Ook
dit eveneens in alexandrijnen geschreven korte gedicht verraadt op iedere
bladzijde de onmiskenbare invloed van de heer van Zorgvliet, aan wie Udemans
bij het neerleggen van zijn ambt enerzijds de hulde betuigt, die hem toekomt
voor zijn maatschappelijke en letterkundige verdiensten, terwijl hij hem
anderzijds voor ogen houdt het lastige pak, dat al wie in hoogheid zit met zich
moet meedragen, en de zondenlast, waarmee elk mens beladen is. Korte gedichten
opZorgvliet en op Cats' werken besluiten dit geschrift. Ook de
overgang van het aardse naar het hemelse, de toepassing van stoffelijke dingen
en zaken op godsdienstige aangelegenheden, had Udemans van Cats afgekeken. De
hulde, door de leerling aan de leermeester toegebracht, was waarlijk een plicht
der dankbaarheid.
Heel wat uitvoeriger is ‘Het geestelyck gebouw, met sinne-beelden verciert’
(1659)
228,
dat het jaar daarop verscheen. Dit rijmwerk bevat over de honderd verzen, die
onderwerpen van de meest uiteenlopende aard behandelen, als: ‘Op de
verdraeyde verkeertheyt, en verachtelicke ydelheyt des werelts’,
‘Op de vreese des doots’, op rijkdom en armoede, op een moeilijke
vrouw, op een groot huisgezin - zijn eigen? - , op de wellust des vleses, op de
langdurige koude winter van het jaar 1658, op de razernij, kortom op alle
mogelijke en ook vele onmogelijke onderwerpen. Het is | | | | mogelijk dat
Udemans hieraan verscheidene jaren gewerkt heeft, maar wat te denken van de
‘Af-beeldinge van de verkeerde werelt’ (1660)
229, die weer een jaar later verscheen, een rijmwerk van
dezelfde strekking als het voorafgaande, maar nog honderd bladzijden groter?
Zijn deze nieuwe verzen het resultaat van één jaar dichtarbeid,
of strekt deze verzameling zich over een langere tijdsruimte uit? In het eerste
geval zou men althans bewondering kunnen voelen voor Udemans' productiviteit,
al wordt deze getemperd door de overweging, dat hij niet op inspiratie behoefde
te wachten om voort te weven aan het mateloze tapijt van zijn stichtelijke
gedachten. In de ‘Af-beeldinge van de verkeerde werelt’ behandelt
hij in vijf en twintig taferelen uit het Oude en dubbel zovele uit het Nieuwe
Testament, ook nu weer in alexandrijnen geschreven, de hele Bijbelse
geschiedenis van ‘De scheppinge der werelt’ tot
‘De hemel-vaert Christi’. Heeft
Du Bartas' ‘Semaines’ hem daarbij voor de geest gezweefd, of
is hij onafhankelijk daarvan tot het schrijven van deze cyclus gekomen?
Rechtstreekse invloed van de Franse dichter op de Veerse rederijker is in elk
geval niet aan te wijzen.
De ‘Schrickelicke vertooninge van den staet-suchtigen
duyvel’ (1665)
230 is een van de vele schotschriften die de
tweede Engelse zeeoorlog in het leven riep, en als het merendeel van deze is
het meer een uiting van felle haat tegen de erfvijand Engeland dan een
welsprekend getuigenis van liefde voor het vaderland. Het rijm vormt er een
geheel bijkomstige factor in. Nog in hetzelfde jaar schreef Udemans een ander
pamflet, waarschijnlijk eveneens van politieke aard: * ‘Een klaren en verre-sienden bril, dienende op de neus van alle
neus-wyse dwasen’
231. En
eindelijk komt, zeven jaar later, zijn laatste werk en opnieuw een politiek
geschrift van hem uit onder de titel: * ‘Chartacea et sanguinolenta navis bellica’ (1672)
232, dat waarschijnlijk - het kwam ons
evenmin als het voorafgaande onder ogen - op de nieuwe oorlog met Engeland, in
dat jaar uitgebroken, betrekking heeft gehad. Het bestaat bijna geheel uit
aanhalingen van niet minder dan honderd en één Latijnse
schrijvers, en we behoeven de onvindbaarheid dus alleen uit bibliografisch
oogpunt te betreuren.
Alles tezamen is het niet weinig, wat deze rederijker bijeen heeft
geschreven
233, maar wat dit aan vorm en inhoud tekort schiet, kan de omvang
moeilijk goedmaken. Udemans is een rijmelaar, en alleen wie weet dat toen en nu
een boek nooit zo slecht geschreven kon en kan zijn, of het vond en vindt zijn
drukker, begrijpt dat ook deze Veerse smid zijn werk gedrukt kon krijgen, al
moest hij het één keer zelf bekostigen. Het zou interessant zijn,
te weten hoe zijn tijdgenoten over deze rijmelaar hebben gedacht. Iets daarvan
weten we, maar dat betreft alleen de politieke strekking van zijn geschrijf.
Als hij in 1660 Huygens zijn ‘Af-beeldinge van de verkeerde werelt’ toezendt,
schrijft hij daarbij: ‘Mijn Heer, ick bemercke openbaer dat ick met mijn
schrijven en schrabben veler menschen haet om mijnen hals gehalet hebbe, al hoe
wel mijn penne niet en gaept om ijemant int bijsonder te quetsen of te bijten,
maer om ons allen int gemeen onse verdraeyde verkeertheijt wat uijt te
schreeuwen, twelck ick oock in dit mijn boeck int eijnde van de voorreden aen
den leser eenigsins bekent make, maer het is met de werelt noli me
tangere, daerenboven conscius ipse sibi de se putat omnia dici. Evenwel wil ick om de vogelen het saeijen niet laten’
234. Huygens' lofdicht
op dit boek houdt zich wijselijk op de vlakte, en Cats zegt in het zijne,
‘gedicteert, ende geteeckent uyt (z)ijn bedde’, alleen maar dat
hij, des levens zat, niet meer in de stemming is om aan Udemans' verlangen te
voldoen. De andere lofdichten zijn van dichters, die geen recht van spreken
hebben.
| | | | | |
Arnemuiden
Van het bestaan van een rederijkerskamer te Arnemuiden
235 zijn geen oudere sporen aanwezig dan het tweetal ruitvormige
houten schilden, die nog altijd op het raadhuis van deze oude smalstad bewaard
worden. Op het ene is een oranjeboom afgebeeld met de wapens van Zeeland en
Arnemuiden (het laatste echter zonder burcht) en het onderschrift ‘Niet
sonder vrucht, 1578’. Het andere draagt de beeltenis van Maria met het
goddelijke Kind, staande op een plompeblad, en heeft tot opschrift:
‘Plomp van verstande, 1580’
236. Men heeft uit deze
zinspreuk willen opmaken, dat de Arnemuidse kamer uit een zottengilde is
ontstaan. Het is wel mogelijk. Waarschijnlijk werd in of omstreeks 1578, kort
na de verheffing van Arnemuiden tot stad, een kamer van rethorike opgericht, al
of niet uit een al eerder bestaand (zotten) gilde. Aangezien er in de
rekeningen en notulen van de stad nooit van twee kamers sprake is, en
uitsluitend van ‘die van rethorica’ wordt gesproken, is het niet
noodzakelijk om op grond van die twee blazoenen het bestaan van twee kamers aan
te nemen
237. In hun adressen aan de overheid noemen de rederijkers zich
beurtelings ‘aeraent-gens’ en ‘plompkens’.
De Arnemuidse rederijkers schijnt het al aanstonds niet voor de wind
te zijn gegaan; datzelfde geldt trouwens ook van hun stad. Al in 1580 en het
volgende jaar roepen ze, in een drietal kreupelrijmen, de hulp van de overheid
in; o.a. verzoeken ze om een kamer in het stadhuis en enig
‘pensioen’ terwijl ze in het eerste adres hun ordonnantie aan het
stadsbestuur ter goedkeuring voorleggen. Dit liet het aanvankelijk bij
beloften; eerst na het derde adres stelden ze, op 2 December 1581, een som van
£ 6 uit de stadskas voor de rederijkers beschikbaar. Ook later werd
meermalen geldelijke bijstand verleend. Eerst op 31 Mei 1589 werd een commissie
benoemd, die een ordonnantie voor de kamer zou ontwerpen; deze is 26 Juli
d.a.v. vastgesteld, maar niet bewaard gebleven.
Herhaaldelijk maken de stedelijke rekeningen van de rederijkers
gewag. Op 8 Januari 1589 hielden ze een landjuweel, waarvoor de kamers van
Walcheren waren uitgenodigd; de stad betaalde voor het ‘uitgeven van
zekere vragen’ die op dit feest behandeld moesten worden, 31 schelling.
We zullen dit wel als een bijdrage in de drukkosten moeten beschouwen. De
laatste Mei van hetzelfde jaar benoemde de overheid een commissie tot onderzoek
van het spel van sinne, dat de kamer voornemens was bij gelegenheid van de
eerstvolgende jaarmarkt in het openbaar te vertonen. Op Vastenavond 1590
speelden de rederijkers op de markt, waarvoor de stad de onkosten terugbetaalde
met nog wat er bij. Dat Vastenavond nog in 1590 in Arnemuiden gevierd werd,
bewijst weer eens dat de Hervorming nog niet over de gehele linie had
gezegevierd. Toen in 1611 voor een nieuw te bouwen gasthuis een grootscheeps
opgezette loterij werd uitgeschreven, liet men de rederijkers daarbij tweemaal
op de markt spelen, de tweede keer tegen het einde van de inlegtijd, ‘tot
recommandatie en vordering van deselve loterie’. Het stadsbestuur had hun
een jaar tevoren order gegeven om onpartijdig te spelen en in het openbaar geen
geestelijke of wereldlijke personen aan te vallen
238. Op 19
Juni 1612 kregen ze machtiging om op Zondag en Maandag d.a.v. de ‘comedie
van patientighe Christelles’ op te voeren, en in de zomer van 1616
speelden ze het spel van Cambises, waarbij speellieden assisteerden.
Omstreeks deze tijd begint ook in Arnemuiden de strijd tegen de
rederijkerij scherper vormen aan te nemen. En ook hier had de kerkeraad, die al
in 1598 de lidmaten had verzocht om uit de kamer te treden, de leiding bij dit
verzet. In 1617 werd de rederijkers eerst na een aanvankelijke wei- | | | | gering
toegestaan om een spel van Abraham in het openbaar te vertonen.
Het volgende jaar werd hun verzoek om het spel van de koning Darius te mogen
spelen door de magistraat met meerderheid van stemmen afgeslagen; toen de kamer
op deze weigering haar verzoek herhaalde, besloot men af te wachten wat die van
Middelburg zouden doen. Toen ze in 1620 weer een openbare vertoning hadden
gegeven, verzocht de kerkeraad aan de overheid om de rederijkers voor zich te
laten komen, hun in het vervolg het spelen te verbieden, en vooral Salomon
onderhanden te nemen, ‘dewelke den persoon Godes gespeeld had’. Dit
is de laatste keer dat de stadsrekeningen of de kerkeraadsnotulen van een
openbare vertoning der rederijkers melding maken, en men mag dus aannemen dat
ook de kamer van Arnemuiden als zovele andere geen weerstand heeft kunnen
bieden aan het verzet der calvinistische predikanten, die bij de overheid meer
en meer steun vonden. Toch rekte de kamer haar bestaan nog tot het begin van de
achttiende eeuw. Omstreeks 1640 was ze met het stadsbestuur in onmin, maar in
1644 kwam men tot een vergelijk
239. Nog tot 1705 benoemde de overheid jaarlijks een overdeken van het
gilde, maar waarschijnlijk zullen we daarin louter een formaliteit moeten zien,
die tot doel had de kamer kunstmatig in het leven te houden, zoals men tot 1703
ook met het chirurgijnsgilde deed, dat op zijn hoogst drie leden kan hebben
geteld
240. In
feite zal de Arnemuidse rederijkerskamer veel eerder teniet zijn gegaan.
| |
Domburg
Ook de smalstad Domburg bezat omstreeks het midden van
de zestiende eeuw een kamer van rethorike
241. Op het raadhuis van dit dorp wordt
nog een houten ruitvormig schild bewaard, waarop in olieverf de Maagd Maria is
afgeschilderd. Dit schilderij draagt de opschriften ‘Bi mate lief’
en ‘De domme burgers’ en het jaartal 1656. De bovenhoek vertoont
een wapen, dat geschonden is, maar waarschijnlijk dat van Maximiliaen van
Bourgondië, heer van Domburg, zal zijn. Uit de zinspreuk van de kamer mag
men opmaken dat het madeliefje haar embleem was.
Van de geschiedenis van het Domburgse gilde is ons overigens bitter
weinig bekend. Uit de stadsrekeningen van 1595 en 1596 blijkt, dat de kamer in
deze jaren haar vergaderingen in een bovenkamer van het stadhuis hield, waar op
stadskosten een stellage was gemaakt, ‘daar die van rethorica op
speelden’. Zoals elders zal ook hier het veldwinnend Calvinisme en de
puriteinse geest der predikanten het einde der kamer verhaast hebben. Op 23
Juli 1625 schreven de Staten van Zeeland het stadsbestuur aan met het verzoek,
maatregelen te nemen ter verhindering van de vertoningen van rethorica, die
naar zij vernomen hadden weldra te Domburg zouden plaatsvinden, en die ze
achtten ‘zelden betamelijk te zijn’. Toen toch een voorstelling
plaatsvond, werd de officier van Domburg door de Staten beboet en de magistraat
aangeschreven, zich voor herhaling te wachten
242. Het is het laatste, wat ons met betrekking tot de Domburgse
rederijkers wordt meegedeeld.
Van het rederijkersleven in de smalstad Westkapelle en
de dorpen van Walcheren is het ons ondanks alle mogelijke
nasporingen niet gelukt, ook maar het minste spoor te vinden. Daaruit op te
maken dat het er niet bestaan heeft, is zeker een onjuiste gevolgtrekking.
Toevallige oorzaken, in hoofdzaak wel het verloren gaan van rekeningen en acta
van de kerkeraad, zijn oorzaak dat deze bladzijde uit het verleden van het
Walcherse volksleven hier voorgoed verdwenen zijn.
| | | | | |
Goes
De oudste rederijkerskamer te Goes
243 schijnt in de
tweede helft van de vijftiende eeuw te zijn opgericht, vermoedelijk ongeveer
gelijktijdig met de herstelling van het Sint-Joris- of voetbogengilde (1469) en
de instelling van het Sint-Sebastiaans- of handbogengilde, die enkele jaren
later plaatshad
244. Deze oudste kamer
droeg de naam van de ‘Nardusbloem’ en had tot devies
de spreuk ‘Met gantscher herte’. Maria Magdalena, aan wie ook de
hoofdkerk van Goes gewijd was, was haar patrones
245. In later tijd althans bestond een nauw verband tussen
het gilde van rethorica en het Sebastiaansgilde. Hadden de rederijkers
aanvankelijk hun vergaderplaats in een der lokalen van het zusterhuis, nadat
dit had opgehouden klooster te zijn, in later jaren, toen zij bij de stichting
van het weeshuis in dit gebouw (1626) daaruit verjaagd werden, vergaderden zij
in het hof van de handboog, waar men nog lange tijd de glasramen der
rederijkers kon aanschouwen, en waar het wapen der kamer
246, verenigd met dat van de
boogschutterij, boven de deur gebeiteld nog heden ten dage wordt
aangetroffen.
In 1475 's daags voor O.L. Vrouwe Hemelvaart deden de Goese
rederijkers te water hun intrede in Bergen-op-Zoom, waar ze 's
middags op de markt en 's avonds op de camere een battement speelden, en de
volgende dag meeliepen in de H. Kruisprocessie
247. In of even voor 1481 gaf de Goese kamer een landjuweel, waarvan
ons alleen bekend is dat de kamer ‘De Roos’ uit
Leuven er aan deelnam
248. In 1493 of '94 kwamen ‘de ghesellen van retorijck van die
stede van Goes’ in Aksel ‘batementen’ ter
gelegenheid van de processie
249.
In 1518 kwamen de Middelburgse rederijkers in Goes, waar ze een
prijs wonnen, zodat er ook in dat jaar een wedstrijd plaatsgevonden zal hebben,
waarover nadere bijzonderheden echter ontbreken
250.
In 1549 kwam, op Meidag, de kamer van Goes in
Middelburg een spel van sinne spelen
251, maar overigens zijn uit de
eerste helft van de zestiende eeuw geen berichten over de activiteit van de
Goese rederijkers overgeleverd.
In 1563 deden prins, dekens en gemene gildebroeders van de
‘Nardusbloem’ aan baljuw, burgemeesters en schepenen van de stad de
ordonnantiën van het gilde toekomen, met verzoek om deze te willen
‘visiteeren, approbeeren, ende ratificeeren’. In het bijgevoegde
verzoekschrift beklaagt de kamer er zich over, dat terwijl haar ledenaantal
sterk is achteruitgegaan, haar uitgaven niettemin nog even hoog zijn als toen
zij dertig en meer leden telde, en zij verzoekt daarom dat haar speelwagen,
waarvan de wielen geheel gebroken zijn, door de stadstimmerlieden wat opgeknapt
mag worden
252.
De ordonnantiën, waaraan de raad zijn goedkeuring hechtte,
bevatten de gewone, ook van elders bekende bepalingen omtrent de parure, het
bestuur van de kamer, de colve, de boeten, de spelen, de ontvangsten en
uitgaven van het gilde, enz. Er blijkt o.a. uit dat de kamer op Sint-Jacobsdag
(25 Juli) haar prins, stadhouder en dekens koos, en dat zij op Maria Magdalena
(22 Juli) en Driekoningen feestelijke bijeenkomsten hield. Een der broeders
droeg in de jaarlijkse processie, waarvan de ordening aan de rederijkers was
opgedragen
253, het beeld van Maria Magdalena. Alle jaren op Maria
Magdalena-avond, ‘na tafsetten van de beelde’, schoten de broeders
met klapbogen naar de papegaai, wat van oudsher op Zuid-beveland een geliefd
volksspel was.
In 1577 diende de kamer opnieuw een verzoekschrift in bij de
regering, waarin zij opmerkte ‘dat op de meeste dorpen des eilands
rethorikamers | | | | waren geweest, jaerliks van haeren ambachtsheer met
luttel of veel begift (waarvan nog bewijzen zijn)’, waarom zij verzocht
dat ook zij steun zou mogen genieten van de magistraat. Deze kon echter,
waarschijnlijk tengevolge van de tijdsomstandigheden, het verzoek niet
inwilligen. Toen de kamer dit in 1581 herhaalde, en met name een geldelijke
toelage verzocht voor een vrije vergaderplaats en bodehuur, vond dit verzoek
een gunstiger gehoor; de regering stond haar £2 's jaars toe
254 en verdubbelde acht jaar daarna deze toelage
255.
Uit de ordonnantie kan opgemaakt worden dat men tijdens de jaarmarkt
enkele esbattementen speelde, waarvoor ook gezellen uit andere plaatsen
overkwamen. In 1597 speelden de rederijkers ‘ter occasie van het vieren
over de verovering van Grol’
256.
Op het eind van de zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw
bestond te Goes naast de ‘Nardusbloem’ nog een tweede
rederijkerskamer, de ‘Edele Castanienbloem’, waarvan
prins en dekens in de lijst der gildebroeders van de confrerie der Ed. Busse
van 1595 met name genoemd worden
257. In 1630 besloot de magistraat de oude en de nieuwe kamer te
verenigen, op beider verzoek
258. Waarschijnlijk heeft de ‘Castanienbloem’ zich in de
tweede helft der zestiende eeuw van de ‘Nardusbloem’ afgescheiden
om godsdienstige redenen, die in 1630 waarschijnlijk vervallen waren. De
‘Castanienbloem’ zal dan die rederijkers verenigd hebben, die het
Rooms-Katholieke geloof trouw waren gebleven.
Van het werk der Goese rederijkers is ons vóór de
zeventiende eeuw nagenoeg niets bekend; een referein onder de ordonnantie van
1563 en een ander over de gebeurtenissen van 1572 te Goes, door een rederijker
die wever was
259, zijn de enige nagelaten sporen
van hun dichterlijke arbeid. In 1620 was de kamer vertegenwoordigd op het
landjuweel van de ‘Peoene’ te Mechelen; een van haar leden droeg
er, onder de zinspreuk ‘Minne baert solaes’, de tweede prijs
‘vant beste liedeken’ weg
260. In
1641 nam ze deel aan de wedstrijd van de Vlissingse kamer de ‘Blaeu
Acolye’, waar ze echter geen prijs behaalde
261. Niet veel gelukkiger was ze
op het Bleiswijkse landjuweel van 1684, waar ze weliswaar een prijs, maar
alleen die ‘van 't verst' komen’ ontving. Het antwoord der Goese
kamer was van haar prins,
Andries van Dorme. In de proloog beklaagt
‘ons Goessche Nardus-Blom’ zich over haar verval,
Want s' is door Boreas by nae gheheel verdwenen,
Haer glans die is verdooft, die eertijts heeft gheschenen
262.
Toch verhinderde dit de kamer niet, het volgende jaar op het
landjuweel van de broeders van ‘'t Rosmareyn’ te
Schipluiden ‘met trom, blaysoen en vaen’ te
verschijnen, ook ditmaal, als te Bleiswijk, als enige deelneemster uit Zeeland.
Ditmaal was de Goese kamer gelukkiger, aangezien ze drie prijzen won: de tweede
prijs van 't pronunciëren, de tweede prijs van 't zingen en ook nu weer de
prijs ‘van 't veerste komen’
263.
Deze wedstrijd, waaraan maar vijf kamers deelnamen, is de laatste
waarop we Zeeuwse rederijkers ontmoeten.
Ook de Goese rederijkers hebben in de zeventiende eeuw heftige
tegenstand van de zijde der kerk ondervonden, en hier nog in sterkere mate dan
elders, waar de gilden van rethorica zich niet zo lang in stand wisten te
houden. Uit de classicale acta blijkt, dat rederijkers meermalen werden
gecensureerd of in de ban gedaan; de oudste vermelding dienaangaande is van 2
October 1645. De wereldlijke overheid volgde ook hier de kerkelijke. Al in 1630
had de stedelijke regering een opgave geëist van al de roerende en
onroerende goederen der kamer
264:
de eerste voorbode van haar | | | | naderende ontbinding, die niettemin
nog een halve eeuw zou uitblijven. Wel vaardigden de Staten, onder invloed der
predikanten, op 31 Mei 1646 opnieuw een plakkaat uit tegen de rederijkers, maar
de Goese kamer wist zich niettemin staande te houden, al leed zij een tijdlang
een kwijnend bestaan. In 1663 was de kamer zelfs weer zo machtig, dat ze
opnieuw een adres bij de magistraat inleverde, dat door acht leden, alle
gequalificeerde gildebroeders, werd gepresenteerd en waarbij deze te kennen
gaven, dat hun gilde wel lange tijd zo weinig leden had geteld, dat daaruit
geen officieren gekozen hadden kunnen worden, maar dat thans hun ledenaantal
daartoe weer toereikend was, waarom zij de overheid verzochten, naar oude
gewoonte over te gaan tot de verkiezing van prins en dekens. Deze verzocht het
gilde, vooraf de privilegiën, waarvan in het request sprake was, over te
leggen; de heren van het stadhuis wisten wel, dat die stukken er niet meer
waren, en er gebeurde dus niets
265.
Eerst in 1679 werden vergaderingen onder de naam van Rethorica
verboden en beval de stedelijke magistraat aan het gilde om het boek, de
juwelen en het zilverwerk op het stadhuis te brengen
266. De
kerkeraad nam ‘met aengenaamheit’ van dit besluit kennis, deed er
mededeling van aan de classis en gaf in bedenken ‘of (dese) niet zoude
goedvinden hare Ed. Mo. en de respective ambachtsheeren te versoecken, dat 't
selve goede exempel ten platten lande mochte ingevolcht werden’
267. De stad kwam echter al in 1681 op haar
besluit terug en schonk de kamer alles weer, wat zij haar twee jaar tevoren
ontnomen had. Enkele maanden later, in Januari 1682, censureerde de kerkeraad
een lidmaat, die in een rethorijkspel meegespeeld had, terwijl hij aan andere
lidmaten, die er als toehoorders bij tegenwoordig waren geweest, voor
één keer het avondmaal ontzegde
268. Bovendien zond hij een protest bij de magistraat in, waarin
verzocht werd om ‘vernietiging soo van het paepsche als gereformeerde
collegie’; men zou hieruit moeten opmaken dat er destijds, als in het
begin van de eeuw, weer twee kamers te Goes bestonden, waarvan uit andere
bronnen echter niets blijkt. Het protest schijnt evenwel geen resultaat te
hebben gehad; blijkens de deelneming aan de landjuwelen van Bleiswijk en
Schipluiden schijnt de kamer na deze herstelling zelfs weer een periode van
opleving te hebben gekend, die echter niet lang geduurd kan hebben, en we mogen
aannemen dat ze nog vóór het einde der eeuw een roemloze dood is
gestorven.
| |
Pieter Lenaerts van der Goes
In verband met de Goese rederijkers kan hier gevoeglijk melding
worden gemaakt van de dichter Pieter Lenaerts van der Goes
269, die in 1602 een verzameling minneliederen in het licht gaf onder
de titel: ‘Een nieu liedt-boeck, genaemt den Druyven-tros der
amoureusheyt’
270. Deze dichter, wiens naam doet
vermoeden dat hij uit Goes afkomstig was, of dat zijn geslacht er vroeger
gevestigd was geweest, droeg zijn bundeltje bovendien op ‘aen de eerbare
jeugt van der Goes’, wat er voor pleit dat hij zelf Goesenaar is geweest,
al woonde hij, toen hij zijn verzen publiceerde, klaarblijkelijk in Terneuzen.
Het is niet mogelijk gebleken, hem te identificeren met een der personen, van
elders bekend, die de naam Pieter Lenaerts droegen
271. Heeft hij in
Goes gewoond, dan is er alle aanleiding om hem te zoeken onder de leden van een
der beide kamers, die aldaar gevestigd waren, want zijn werk vertoont al de
eigenaardige kenmerken van de rederijkerspoëzie, en met name van het
Renaissance-minnelied. Naar de wijze der rederijkers ondertekent hij ook zijn
verzen met zijn zinspreuk: Doende leer-ick.
| | | | Hoewel op het tijdstip dat de ‘
Druyven-tros’ verscheen de bloeitijd van het
minnelied reeds een halve eeuw tot het verleden behoorde, sluit deze bundel
zich in vele opzichten nog volkomen aan bij dit genre, zoals we het in de
vijftiende en de eerste helft der zestiende eeuw in onze literatuur
vertegenwoordigd vinden. Al de motieven van dit laat-middeleeuwse minnelied
zijn in het werk van Pieter Lenaerts aanwezig. Naast minneklachten, het
Leitmotiv van de bundel, is de dialoog (lied XXIV) en het Meilied (liederen XXV
en L) er vertegenwoordigd, en opvallend is het veelvuldig gebruik van
bloemennamen om er de geliefde vrouw mee aan te spreken of te vergelijken, een
typisch-zestiende-eeuws motief.
De ‘amoureuse liedekens’ van Pieter Lenaerts zijn
nagenoeg alle variaties op hetzelfde thema: de teleurgestelde liefde. In alle
toonaarden heeft de dichter de schoonheid van zijn geliefde bezongen, de
liefelijkheid van haar ‘corale mondeken’, de glans van haar ogen,
al de bekoorlijkheden van haar jonge, bloeiende lichaam. De aanschouwing van
haar schone gestalte herinnert hem echter te feller aan zijn gemis, het zien
van haar klare, donkere ogen brengt hem smartelijk in de gedachte, wat hij
verloren heeft, en zo gaat elke lofspraak al spoedig over in een bittere
klacht.
Een groot dichter is Pieter Lenaerts niet; menig lied uit zijn
bundel is zelfs niet meer dan rijmelarij, maar de jonge rederijker, waarvoor we
hem mogen houden, zal ook geen of weinig andere literatuur gekend hebben dan
die der zestiende-eeuwse rederijkers. Toch vertoont zijn vers op vele plaatsen
een grote vlotheid, een levendigheid van uitdrukking, een juistheid van
zegging, een beeldend vermogen, dat de hand van de dichter verraadt. Van
dichterlijke visie getuigen regels als die, waarin hij de gloed van de ogen
zijner liefste vergelijkt bij het glanzen der sterren boven de zee:
Prijs naer gedienstich poogen,
Rayen u claer bruyn oogen,
Die my mijn wee verthoogen;
Ondancx ick moets gedoogen
272.
Vlot en levendig is een lied als de ‘Dialogue van Jongman en Dochter’ (lied XXIV), of
het Meilied (lied L):
Ras neemt vertreck, ghy duyster nacht;
Licht op, o dach van vreden!
Beschijnt nu de lieflickste dracht,
Volmaect van lijf en leden,
Die heden sal, hier by den rey,
Vreuchdich bringen den blijden Mey.
Haest u, ghy jongers, comt inne
Voor mijn schoon coninginne.
Welluidend en melodieus zijn ook liederen als LVIII (Notabel, reyn
goddinne), met regels als deze:
| | | |
Lijf, goet, noch aerdsche eere,
Dat ghy my liefde thoont.
Niet anders is 't behoeven,
In mijn angstich bedroeven,
Dan naer een lang vertoeven
Alsoo hoogh te zijn geloont,
waarvan de aanhef herinnert aan die van het vierde couplet van het
Wilhelmus. Verdienstelijk zijn ook de liederen LXIV (Corect in heusscher
seden), LXX (Nobel, divijn), LXXXIV (Adieu, adieu, o Venus, die arghlistich),
LXXXVIII (Crachtich is mijn lijden), of een meer gedragen lied als LXII (Persse
vol drucx), waarvan de tweede strofe volgt:
Ballinck, dole in veel gewesten.
Is haer soo beeldich afgemaelt,
Daer can niet el dan 't wesen resten.
Des waters druppen breect ten lesten
Een steen, maer aen dit kindt verdrayt
En can God moet noch reden vesten.
Al is mijn dienst tot haeren besten,
Nimmermeer zy haer vindt gepaeyt;
'T zijn pluymen inden windt gesaeyt.
Een lied als dit is nog geheel en al uit de school der rederijkers,
maar men moet toegeven dat het tot de verdienstelijkste soort van
rederijkerspoëzie behoort. De ongebondenheid, de ruwe scherts en het
erotische karakter van het zestiende-eeuwse rederijkersminnelied zoekt men hier
tevergeefs; de calvinistische levensleer had haar invloed ook reeds uitgestrekt
over de kunstuitingen van het jonge geslacht, dat onder haar tucht opgroeide.
In het strenge rhythme vinden we reeds een overgangsvorm van het vrije
rederijkersvers naar de alexandrijn der zeventiende eeuw, zoals trouwens heel
het werk van
Pieter Lenaerts op de grens staat van twee
eeuwen. Aan
De Roovere en
Mathijs de Castelein is hij ontgroeid,
maar
Hooft en
Bredero behoren tot een andere generatie
dan de zijne. Indien hij inderdaad van een der beide Goese kamers deel heeft
uitgemaakt, is deze enige vertegenwoordiger van het Goese rederijkersleven,
omtrent wiens werk iets naders bekend is, zeker een der besten die het zich
binnen de grenzen van het mogelijke had kunnen wensen.
| |
Reimerswaal
Ongeveer in dezelfde tijd als die van Goes schijnt de
rederijkerskamer ‘De drie korenbloemkens’ van
Reimerswaal te zijn opgericht, onder de zinspreuk ‘In minnen
versaemt’. De ‘willecoere ende ordinancie’ die baljuw,
burgemeesters en schepenen haar in 1483 verleenden
273 spreekt van ‘den gemeenen gesellen van der rethorijcke
binnen Reymerzwale, van der Gentylen genaempt’, waaruit men zou kunnen
opmaken dat de gilde-broeders zich de ‘gentylen’, de edelen,
noemden
274. Deze keur, klaarblijkelijk
de eerste, die aan het gildewerd gegeven, bevat de gewone bepalingen omtrent de
toetreding, de ontvangsten en uitgaven van het gilde, het gildefeest dat op
Maria Hemelvaart werd gehouden, de kleding, de deelname | | | | aan de
Mei-processie, de colve, de spelen, de boeten, enz. Al in 1471 was de kamer
in Vere opgetreden
275; in 1474
276, 1476/77
277 en 1483
278 vinden we haar in Bergen-op-Zoom en in 1494 in Middelburg vertegenwoordigd
279. Twee jaar later waren de
Reimerswaalse rederijkers op het grote landjuweel te Antwerpen,
waar ze ‘voor de meeste mysterie ofte gratie’ speelden
‘Charitate voor 't lesten’; de prijs die zij daarvoor verwierven,
bestond uit ‘vier schalen, eenen silveren St. Lucas, eenen arent ende
eenen roosen hoet’
280.
In 1507 gaven ze zelf een landjuweel, waarop naar de overlevering wil zes of
zeven Zeeuwse kamers verschenen. Het ‘Bloemken Jesse’
won er zeven tinnen stopen en tien tinnen kannen
281. In 1525 trokken de
Middelburgse rederijkers nog naar Reimerswaal
282,
maar reeds waren in dit jaar de dagen der stad en daarmee die van haar
rederijkersgilde geteld. In 1530 begon de ondergang van de plaats, die in
weinige jaren voltooid was en een schielijk einde maakte aan een omstreeks 1490
aangevangen bloeiperiode
283.
Ook over het rederijkersleven op enkele dorpen van
Zuidbeveland zijn ons uit de zestiende en zelfs nog wel uit het
allerlaatst van de zeventiende eeuw berichten overgeleverd.
| |
Kapelle
Kapelle is het eerste Zuidbevelandse dorp waar we van
rederijkers horen. In 1508 werd er het gilde van rhetorica ingesteld
284. De voorrede van het gildeboek, dat bewaard is gebleven, al is het
dan in een afschrift
285, vermeldt
dat ‘zekere persoonen binnen de parochie van Kapelle, considereerende
ende overdenkende, dat omtrent dezelve parochie, in steden, dorpen en andere
genoegelijke plaetsen des lands van Zeeland zijn spruitende minnelijke en
eerlijcke gezelschappen van retorijka en konste van deugt’, ‘ter
eere en ten waardigheid van den alderzoetsten en minnelijksten naam Jesus,
geconspicieerd, geordonneert en ingesteld’ hebben ‘om in recreatie
en eere te verbroederen een minlijk gilde en broederscap en een genughtelijke
compaignie, genaemt 't gezelschap van de wijngaartsranke, sustineerende en
houdende den zoeten Jezus voor haaren patroon, ende in haaren kamer zeer
liefelijk gepoinktnetniëert (sic), in dezen manieren te weten de
verbeeldinge van Jezus, van navel opwaart, spruitende uit een wolke omvange(n)
met een liefelijke wijngaartranke met bladerkens en druyfkens en met een
rolleken doortrekken (sic), in het welke gespecifiseert staat voor 't advijs
van de kamer (in Godts name), gewapent met de schildwapenen van ons lieve en
aldergeduchtigste genadige Heere den Roomschen Keizer, en de wapenen des lands
van Zeeland, en dat lieflijk gezelschap is begrepen en gefondeert in den jaere
naar ons Heeren geboorte, vijftien hondert en agt, door den edelen en
welgebooren
Hendrik van Bruellis, Heer
Jan Cornelisz. Brouwer, en
Hubrecht Jansz. van der Goes
286 componisten van de kamer van retorijka’.
De zin is wat langademig, maar we leren er heel wat uit, over de
oprichting van de kamer, haar naam, zinspreuk en blazoen. De twee en veertig
artikelen, waarin de rechten en plichten van de gildebroeders worden
omschreven, bevatten daarentegen maar weinige gegevens, die ons een inzicht
zouden kunnen verschaffen in de werkzaamheid van deze kamer. Het getal
gildebroeders mocht niet hoger zijn dan dertig. Uit hun midden werd op de
eerste Zondag na Nieuwjaar een prins, een deken en twee ‘notabele
persoonen van 't gezelschap’ gekozen, die op hun beurt een bode en een
secretaris aanstelden. Deze secretaris verving klaarblijkelijk | | | | de
factor. Men beoefende het kolfspel, muziek en zang, dichtkunst en toneelspel.
Overigens krijgen we van de ernst van dit gezelschap geen erg hoge dunk,
wanneer we in art. 19 lezen: ‘Item zoo zal een igelijk gildebroeder tot
allen tijde van triumphe gehouden zijn ten ordonneeringe van den prinse te
zeggen een referein, balaat of rondeel, een zinnelijk gedigt, ofte een vroolijk
liedeken zingen, ter eeren van 't gezelschap en zo wie faalgeert in zijn
gedight, dat is op de boete van drie lepelen vol mostaard uit te eeten, die hem
van de regeerders gegeeven zal worden’. Het ging er in dat Kapelse gilde
klaarblijkelijk nogal Bruegeliaans toe.
Diezelfde indruk krijgt men uit het enige spoor dat we van het
optreden der gildebroeders bezitten. Omstreeks 1564 bereikte de Landvoogdes een
klacht over deze rederijkers, ‘qui avoient publicquement jeu une farse
fort scandeleuse de la brage de Sainct Franchois’
287.
Lindanus, de latere bisschop van Roermond,
destijds nog deken van de Hofkapel in Den Haag, onderzocht dit
geval op zijn inspectiereis, waarover hij in 1565 verslag uitbracht. Uit dit
rapport blijkt, dat de klacht afkomstig was van de provisor en de deken van
Reimerswaal, die zich tot de Grote Raad van Mechelen hadden gewend. Deze had de
kwestie ter fine van advies doorgegeven aan het Hof van Holland en Zeeland, dat
na onderzoek tot het besluit kwam, dat de schandaleusheid nogal meeviel en er
van ketterij geen sprake was. De klucht, die op Vastenavond was gespeeld,
handelde bovendien niet over de broek van Sint-Franciscus, maar over Priapus
broek. Het enige dat men tenslotte de Kapelse rederijkers inzake dit spel kon
verwijten, was dat er ‘eenighe schurrile (schandelijke?) propoosten inne
stonden die nyet wel dienden ter eerbaerheyt’. Maar dat was dan ook
alles.
Van het optreden van deze kamer in later tijd, althans op het
eigenlijke rederijkersgebied, blijkt verder niets. Het gilde bestaat nl. nog
altijd, maar heeft zich sindsdien gesplitst in een Rooms-Katholiek en een
Protestants gilde, waarbij ook de landerijen, die het bezat, verdeeld zijn.
| |
's-Gravenpolder
Van de rederijkers van 's-Gravenpolder is vrij wat bekend. De kamer
van dit dorp noemde zich de ‘Violieren’; Sinte-Barbara
was haar patrones en haar zinspreuk luidde: Met deught verwijnnende.
Waarschijnlijk dateert deze kamer eveneens uit de zestiende eeuw, maar de
boeken van de broederschap, voor zover nog aanwezig, lopen over de jaren 1619
tot 1818. In het eerstgenoemde jaar telde het gilde twaalf broeders; dit aantal
varieert vervolgens tussen negen en drie en twintig. Een ‘register van de
boeken van rethorika’ uit de eerste helft van de achttiende eeuw telt
dertig nummers; men vindt er Bijbelse (het spel van Susanna, het spel van
Joseph, het spel van den Verloren Sone, van Jacob en Rachel, van Abraham,
Potijfar), historische (het spel van den hertogh Albertus (1663), het spel van
koningin Elysabeth (1629), het spel van Ysabella koninginne
van Spanje, het spel van prins Frederik Heijndrick) en
moraliserende stukken (van de werken (van) barmhertigheijd, van de graci Gods)
onder, naast burgerlijke drama's (de minne spiegel, waarschijnlijk de ‘Spiegel der minnen’ van
Colijn van Rijssele), het oude abele spel
van ‘
Sanderijn en Lanslot’ en battementen
288.
In 1596 schonken
Cornelis Gillijsse en
Jan Jacobse Boone, ambachtsheren van de
parochie en heerlijkheid van 's-Gravenpolder aan de kamer,
‘overmijts datse ganschelick ende geheel onder de voet ende te ruijne
geraeckt was deur den troubelen tiden verdonckert’, opnieuw een privilege
en een reglement
289. Uit het verzoekschrift daartoe blijkt dat de
kamer ‘over houde tiden namentlick voor den troubelen heerlick gebruijckt
ende | | | | geexereert is geweest tot versieringe der prochij ende tot
leeringe ende stigtinge van jonge persoonen, die dezelve waren gebruijkende en
useerende’. Het gilde bestond dus in elk geval al in de eerste helft van
de zestiende eeuw.
Er zijn enkele aanwijzingen dat het ook na zijn herstelling
uitsluitend uit Rooms-Katholieken bestond, en dat zou dan ook de scherpe
vervolgingen kunnen verklaren, die het in verloop van tijd van de zijde van de
kerkeraad moest ondervinden. Herhaaldelijk dringen in de tweede helft van de
zeventiende eeuw (in 1665, 1669, 1671, 1673 en nog in 1706) consistorie of
kerkeraad bij de wereldlijke overheden op verbodsbepalingen tegen de
rederijkers aan, maar zonder succes. In December 1711 gaf de raadpensionaris
van Zeeland aan de gecommitteerde raden kennis, dat ongeacht de bepalingen van
1582, 1646 en 1673 betreffende de ‘Rethoryck en battement spelen’
deze ‘insolventien stoutelyck werden gepleecht sel(f)s in dese
conjuncture van tyden, sonderlinge ten platten lande in Zuyt-Bevelandt daer de
stoutichheyt soo verre gaat, dat men niet alleen op den tweeden Pincxterdach
deses jaars aldaer heeft omgedragen seecker beelt onder den naam van St.
Barbara als patronesse van 's Gravenpolder, maer nu wederom besigh soude sijn,
te ondernemen, omme aldaer op 's Gravenpolder de rethoryck speelen te
vernieuwen, op den sesden der aanstaande maant January, waartoe bereyts de
preparatien aldaar wierden gemaackt’. Gecommitteerde raden gaven naar
aanleiding van deze mededeling de rentmeester Bewesten-Schelde last om zich
naar 's-Gravenpolder te begeven, de opvoering van het spel op Driekoningen te
verhinderen en een onderzoek in te stellen naar de schuldigen
290. Welke gevolgen een en ander heeft gehad
blijkt niet. De kamer heeft, zoals uit haar boeken blijkt, zelfs de Franse tijd
nog overleefd, maar men mag aannemen dat het Rooms-Katholieke element er steeds
meer op de achtergrond is gedrongen. Als zovele andere is ook 's-Gravenpolder
een voorbeeld van een Zuidbevelands dorp, waar het Calvinisme er nooit in
geslaagd is, het Rooms-Katholieke element geheel te verdringen.
| |
Wemeldinge
Dat ook in Wemeldinge althans in het midden van de
zeventiende eeuw een rederijkersgilde heeft bestaan, zou opgemaakt kunnen
worden uit enkele aantekeningen in het actaboek van de kerkeraad van dit dorp.
Zo lezen we daarin: ‘Den 12 April 1649 is goet gevonden, dat, alsoo
eenighe jongelinghen in dese plaetse gerethoryckt hebben, ende dat niemant van
haer lidtmaet en is, dat de ouders van deselve, dewelcke ledematen syn,
daerover sullen aengesproocken werden vanden predicant met een ouderlingh, als
oock dat de broeders met namen sullen aenspreken
Jacob Snoup, herberghier, in welckes huys
dese jonghgesellen verscheydenmalen by den anderen syn geweest om haer selven
te bereyden tot het rethoryck spelen’. Ook werd op 21 April d.a.v. de
diaken
Euwout Jacobsen door het consistorie
vermaand, omdat hij het rethoryckspel aanschouwd had
290a. Het is natuurlijk mogelijk dat hier
sprake is van een toevallige opvoering van een spel in verband met bv. een
bruiloft, en dat niet behoeft gedacht te worden aan een gevestigd
rederijkersgilde. Deze veronderstelling wint aan waarschijnlijkheid, wanneer we
zien dat op geen andere plaats in de handelingen van de kerkeraad over
rederijkerij in Wemeldinge wordt gesproken.
| |
's-Heer-Arendskerke
Op 3 Juni 1696 maakte de predikant van
's-Heer-Arendskerke aan zijn kerkeraad bekend, ‘dat eenige
ligtveerdige en boosaardige menschen sogten | | | | in te voeren een
soogenoemd retoorijkspel, tegen godlijke en burgerlijke wetten’, waarop
de kerkeraad besloot om zich tot de ambachtsheren te wenden met een
schriftelijk adres, dat hun door de predikant der gemeente overhandigd zou
worden. Uit dit adres blijkt dat spelen van rethorica ‘hyr noyt voorheen
gepractiseert’ waren. Wellicht heeft te 's-Heer-Arends-kerke dus nooit
een rederijkerskamer bestaan vóór het plakkaat van 1673 het
optreden van de rederijkers in de steden bemoeilijkt had
291.
| |
Heinkenszand
In hetzelfde jaar kwam ter classikale vergadering van Zuidbeveland
een soortgelijke kennisgeving over Heinkenszand in. Een commissie
van twee predikanten wendde zich namens de classis tezamen met de predikant van
's-Heer-Arendskerke tot dezelfde ambachtsheren met een gelijkluidend verzoek.
De ambachtsheren gingen er op in en besloten ‘yder schout in de voorn.
plaetsen wonende te gelasten sulke ongeoorloofde spelen synde ook strydigh
jegens den placaete van den lande tegen te gaen en te verhinderen’
292.
Uit het bovenaangehaalde verzoekschrift van de Goese rederijkers van
1577 weten we, dat in de zestiende eeuw vóór de troebelen op de
meeste dorpen van Zuidbeveland rederijkerskamers waren geweest, die de steun
van de ambachtsheren genoten. Ook zonder deze mededeling zou er alle reden zijn
om te veronderstellen dat ook op dorpen als Ierseke,
Kruiningen, Hoedekenskerke, Baarland,
Nisse en andere met een vrij groot inwonersaantal
rederijkersgilden hebben bestaan. Hun archief is echter klaarblijkelijk
verloren gegaan, en voor zover de kerkeraadsnotulen nog aanwezig zijn, bewaren
deze over de rederijkers en hun optreden in deze dorpen een volstrekt
stilzwijgen. Er is alleen nog een enkele aanwijzing, dat in
Wolfaartsdijk een gilde heeft bestaan
293.
Ook op Schouwen en Duiveland
294 vinden we
in de zestiende en de zeventiende eeuw menig spoor van rederijkersleven, zowel
in de steden Zieriksee en Brouwershaven als in een aantal dorpen van dit
tweelingeiland.
| |
Zieriksee
In Zieriksee bestonden in de zestiende eeuw drie
rederijkerskamers, de ‘Distelbloem’, de
‘Egelantieren’ en de
‘Laurieren’
295. Over de oorsprong en de oudste geschiedenis van deze
kamers is ons niets bekend; de oudste berichten dateren pas van het midden der
zestiende eeuw. Op l Februari 1535 besloot de raad der stad voor de rederijkers
een nieuwe wagen te doen maken, maar tegelijk werden ze vermaand ‘dat sij
niet en (zouden) speelen, dat schandeloos is’, terwijl hun bevolen werd
om in het vervolg vooraf aan burgemeesters mee te delen wat ze zouden spelen.
Waarschijnlijk had het gilde ook hier ergernis gegeven aan de rechtzinnige
Rooms-Katholieken. Op 2 December 1538 stond de overheid het verzoek van de
‘Distelbloem’ toe, om de boeten der leden langs gerechtelijke weg
te innen. Op 30 Mei 1542 schonk de raad een ordonnantie ‘op de
rhetoricijns van den Distelbloem’, die toen met hun 28en waren; al deze
leden werden door de raad gekozen en ontslagen. Een zo sterke inmenging van de
overheid is zonder voorbeeld; waarschijnlijk wilde men, gewaarschuwd door de
ervaringen die andere plaatsen hadden opgedaan, voorkomen dat de ketterse
denkbeelden ook hier door de rederijkerskamers zouden worden gepropageerd. Op
19 Juli 1568 besloot de stad ‘den prins en gemeen-gesellen van
Eglantieren te contenteren in redelijkheid voor 't spul bij de huldinge door
hen gespeelt’, maar nog dezelfde dag werd aan ‘die van | | | | Eglantieren en die van de Laurieren verboden, geduurende dese
periculeuse tijd te speelen’
296.
De gehele eeuw door mochten de Zierikseese rederijkers zich
overigens in de gunst van de stedelijke overheid verheugen. In 1588 werd
burgemeester
Thomas Lenaartse Rinck tot overdeken van
het gilde gekozen. In 1595 verkregen de rederijkers van de raad vrijstelling
van accijns voor een last bier. Maar dan begint ook hier het verzet der
predikanten tegen de rederijkerij, en op 9 Juni 1608 besluit de raad ‘op
versoek van de predicanten, de rhetorijkers te interdiceren, het kamerspelen,
loopen met de sotscappe en diergelijke andere insolventien, ook het steeken van
de hane en tonne te verbieden’
297. De
rederijkers schijnen toen - evenals die van Goes een halve eeuw later gedaan
hebben - het terrein van hun werkzaamheid buiten de stad te hebben verlegd,
totdat de overheid ook daar een stokje voor stak. Op 21 Mei 1616 werd hun en
alle andere rederijkers vanwege de raad strikt verboden, in de Vierbannen van
Duiveland, destijds eigendom van Zieriksee, ‘sich optehouden met speelen
of broederschap te exerceren’. Toch schijnen ze enkele jaren later weer
in de stad te zijn opgetreden; in de zomer van 1623 althans werd de
binnenplaats van het Gasthuis door de ‘camerspelers’ gehuurd voor
f. 7,50, en in September 1633 genoot het Gasthuis f. 15, - voor het spelen van
een spel, dat in die inrichting was opgevoerd. Daarna verliezen we de
rederijkers tientallen jaren uit het oog, om ze nog éénmaal te
ontmoeten, in de handelingen van de kerkeraad van 21 Augustus 1670, waarin we
lezen dat de praeses burgemeesteren nogmaals zal verzoeken om bij de a.s.
jaarmarkt het battementspelen te beletten. Het is het laatste spoor dat de
Zierikseese rederijkers in de geschiedenis hebben achtergelaten.
Van hun arbeid is ons geen enkele proeve bewaard gebleven, tenzij
daartoe ‘t'Catgens en t'hondekens strijdt’
298 moet worden
gerekend: een lied dat uit een tiental refereinen bestaat (op de stok: Dit
heeft al ghewracht, Gods moghende handt), waarin een anonymus het beleg van
Zieriksee door de Vlamingen en het ontzet in 1304 heeft bezongen. Het zonder
aanduiding van drukker, jaartal en plaats van verschijning uitgegeven stuk, dat
maar in één enkel en onvolledig bewaard exemplaar, uit Zieriksee
afkomstig, bewaard is, is misschien het werk van een zestiende-eeuws
rederijker, en het ligt dan voor de hand aan een lid van een der Zierikseese
kamers te denken. Maar aangezien het hoegenaamd geen letterkundige waarde
bezit, is er ons niet veel aan gelegen, dat we de naam van de dichter niet
kennen.
| |
Brouwershaven
Te Brouwershaven wordt sinds 1557 melding gemaakt van
de rederijkerskamer ‘De roode Lelie’; in dat jaar
wordt nl.
Marten Jansse, die het jaar tevoren de eed
als procureur had afgelegd, als ‘prinsse van de Roede Lelye’
genoemd
299. In de rechtsregisters van de stad komen de
rederijkers en hun kamer nog enkele keren voor, en soms wordt er een met naam
en toenaam genoemd, zo in 1588
Adriaen Brasser als ‘camermeester
van rhetorica’.
Op 11 Mei 1594 verleenden baljuw, burgemeesters, schepenen en raad
van Brouwershaven een ordonnantie
300 aan een nieuw opgerichte kamer,
die de oude, wellicht tengevolge van de godsdienstige omwenteling verdwenen
kamer, zou vervangen. Het reglement, dat uit niet minder dan 48 artikelen
bestaat, bepaalde ten eerste dat de bloem en het devies der kamer dezelfde
zouden zijn die haar voorgangster had aangenomen, nl. de rode lelie en de
zinspreuk ‘Versaemt wt jonsten’. Het gilde moest zich ‘tot
volcomen obedientie’ aan de overheid verplichten, vooral wat betrof
| | | | ‘de verkiesinge inde compaignien ofte vaendelen totte
defensie vande stadt ende ganssche gemeente opgerecht, of alsnoch op te
rechten’, waarvoor het vrijdom van accijns ontving. De confrerie zou
voortaan ‘nyet meer mogen vieren, oft eeren den dach bij de pauselijcke
religie toegeeijgent Ste Apolonia, op dat daermede Godes eere nijet en werdde
te cort gedaen, ende de pauselijcke superstitien gevoedet ende
onderhouden’, maar ze zou een andere dag mogen vaststellen ter verkiezing
van haar prins, regeerders, camermeesters, secretaris en eventuele andere
functionarissen. Alwie tot het gilde toetrad moest de eed afleggen, waarvan het
formulier aan het reglement is toegevoegd. Alle spelen van sinne en
esbattementen, die het gilde wilde opvoeren, moesten eerst in handen van baljuw
en burgemeesters worden gesteld. De te behandelen onderwerpen mochten nooit aan
de Heilige Schrift ontleend worden, die daardoor geprofaneerd zou worden, maar
ze moesten ‘adiaphorijck’ (neutraal) zijn ‘ende nijet rakende
de religie’. Ook ‘bespottinge, beschimpinge, ofte vercleeninge van
hare overicheyt’, openlijk of bedekt, moest streng vermeden worden. Het
reglement bevat verder de gebruikelijke bepalingen van straffen en boeten
ingeval van dronkenschap, twist, het aanspreken van iemand ànders dan
‘bij zijnen kersten naem’, het bezigen van ‘oncuijssche
woordden’, het niet nakomen van zijn verplichtingen, enz. Ook indien een
gildebroeder, die wettig getrouwd was, ‘overspel geperpetueert
hadde’, zou men hem mogen ‘refueseren’. Alle Zondagen werd
een ‘colve’ gehouden, waarvoor het reglement eveneens een aantal
bepalingen bezat.
Duidelijk is in deze verordening, waaraan de kerk wel haar aandeel
zal hebben gehad, de strekking om het oorspronkelijk Rooms-Katholieke gilde in
gereformeerde banen te leiden. Daarom mag de dag van Sinte-Apollonia (9
Februari), klaarblijkelijk de patrones van het oude gilde, niet meer worden
gevierd, daarom moet de overheid toezicht houden op de te spelen stukken, die
niet aan de Bijbel ontleend mogen zijn, en niet over godsdienstige
aangelegenheden mogen handelen. Waarschijnlijk zijn het ook hier de in hun hart
Rooms-Katholiek gebleven ingezetenen geweest, die zich in dit rederijkersgilde
verenigd hebben.
Een zwaargehavend en maar onvolledig bewaard gebleven handschrift
301 bevat een aantal esbattementen, in
de loop der zestiende of het begin der zeventiende eeuw door de beide kamers
opgevoerd en waarschijnlijk uit het bezit van het gilde in dat der stad
overgegaan. Het zijn o.a. ‘een esbatement van vijf personagien ghenaemt
Jan Goemoete’, ‘een esbatement van vijf personagien ghenaemt Tcalf
van wondere’ (beide in 1559 gespeeld), ‘een esbatement van vijf
personagien van een crysman (sic) die een buermans paert steelt’,
‘een esbatement van een schoorsteenvagher ende schoelapper’
(gespeeld in 1562). Andere spelen en een aantal liederen, o.a. van
Jacop Pietersse Rantsaet (zinspreuk: Hout
raet voor daet), dateren van 1636, zodat de kamer althans in dat jaar nog
floreerde. Latere berichten ontbreken geheel. Enige kunstwaarde valt ook in het
werk van dit gilde niet te bespeuren.
| |
Haamstede
Van de rederijkers van Haamstede is voor het eerst
sprake in 1581. Toen op 30 April van dat jaar de secretaris van het dorp,
Pieter Witte Job Pieterse, trouwde, werd
de bruiloft, waarop tweehonderd personen waren genodigd, 's avonds opgeluisterd
met een ‘spel van sinne, hoe Jacob troude Rachel de dochter van
Laban’ en bovendien werd de dag daarop, eveneens aan de zuidzijde van de
kapel van de kerk, nog een ‘geestelijck Meije spil’ opgevoerd. Het
duurt dertig jaar voor we weer iets over dit gilde horen, en | | | | dan
zijn de omstandigheden minder prettig. Op 11 Februari 1611 werden ‘die
van de camere van retorica tot Haemstede’ nl. veroordeeld tot een
geldboete van £ 20, met bedreiging van een dubbele boete ingeval van
herhaling, en wel ‘omdat sij haer vervordert hebben openbaerlijck de gans
te vreeken ende andere ongeregeltheeden te bedrieven’
302. Twee maanden later besloot de classis van Schouwen en
Duiveland, in haar vergadering van 13 April, aan de gecommitteerden der Zeeuwse
synode te schrijven, om ‘op 't ernstigste’ te verzoeken, de
kamerspelen te verbieden. Ook zou een der predikanten naar Zijn Excellentie (de
Eerste Edele?) worden afgevaardigd, om hem te verzoeken, zeker octrooi, door
hem aan de rederijkers van Haamstede en Renesse verleend, in te trekken. Het
verdere verloop van deze zaak bleef onbekend, maar klaarblijkelijk hebben de
rederijkers ook hier geen verzet kunnen bieden aan de steeds groeiende
oppositie der Calvinisten. Predikant van Burg en Haamstede was in deze jaren
Willem Teelinck (1580 - 1629), de
begaafdste van alle Zeeuwse piëtistische predikanten, die al kort na zijn
indiensttreding, in 1608, zich bij de classis had beklaagd over de ontheiliging
van de Zondag door kaartspelen, drinken en andere baldadigheden zowel in zijn
eigen als in de naburige gemeenten.
| |
Renesse
Zoals uit het besluit der classis van 1611 blijkt, bestond dus ook
in Renesse een rederijkerskamer, maar er zijn over deze geen oudere
berichten tot ons gekomen dan de zojuist genoemde plaats uit de classikale
handelingen. Het bedoelde verzoek schijnt aanvankelijk succes te hebben gehad,
maar het kon nog niet voorgoed een einde maken aan de rederijkerij. Op 30 Juli
1631 besloot de classis nl. om de predikanten
Bruynvisch en
Hayman naar de ambachtsheer van Renesse,
de dichter Adriaen Hoffer, en de heer van Moermond af te vaardigen
met het verzoek, de rethorijkspelen, die daar weer het hoofd begonnen op te
steken, door hun autoriteit te willen verbieden. Of dit succes heeft gehad is
niet bekend. Op 25 April 1640 besloot de classis echter nogmaals, de
ambachtsheer en de ambachtsvrouw van Renesse te vragen, hun bedreigingen tegen
de kamerspelers aldaar tot uitvoering te brengen. En nog eenmaal vinden we deze
rederijkers in de classicale acta vermeld op 8 Januari 1642, toen de predikant
van Renesse en Noordwelle de hulp der classis verzocht tot wering
van de rederijkers en van de vastenavondspelen in zijn gemeente - een eeuw na
de Hervorming. Men heeft vooral in de wat achteraf gelegen dorpen in Zeeland
(en hier niet alleen) de ‘paepsche superstitiën’ waarlijk niet
vlug overboord gegooid.
| |
Dreischor
In de classicale vergadering van 31 Augustus 1615 deelde de
predikant vanDreischor,
Wilhelmus Jacobi, mee dat enige
kamerspelers op de dag des Heren in zijn gemeente een battementspel zouden
opvoeren. De classis besloot om de baljuw van Dreischor hierop attent te maken.
Men zou zo zeggen dat de predikant dat zelf ook wel had kunnen doen. Het is
niet zeker, dat deze kamerspelers rederijkers waren; het kunnen ook
rondreizende toneelspelers zijn geweest.
| |
Oosterland
Te Oosterland daarentegen bestond in het begin van de
zeventiende eeuw zeker nog een rederijkerskamer. ‘De prince en andere van
[de] kamer van rhetorica der heerlijkheijt Oosterland’ hadden nl. in de
zomer van 1611 ‘haer vervordert met blasoen en andere haere
camerkleederen te | | | | comen rijden deur de stadt (Zieriksee), en dat
op een Sondagh, singende openlijk en diergelijcken ongeregeltheden bedrievende
tot schandael en ergernisse van anderen’, waarom ze gestraft werden met
een boete van £20 en een ‘interdictie van 't meer te doen op
swaerdere correctie’
303.
| |
Ouwerkerk
Te Ouwerkerk was in 1565 een kamer, de
‘Terwen Greijnkens’, onder de zinspreuk ‘Plomp
van sinne’, die de maagd Maria tot patrones had
304. Er zijn ons over deze kamer geen verdere
bijzonderheden bekend.
| |
Nieuwerkerk
Uit dezelfde tijd zijn ons bijzonderheden bekend over de
rederijkerskamer van het nabijgelegen Nieuwerkerk, de
‘Blauwe Acoleyen’, die als zinspreuk ‘In minnen
groeyende’ voerde en zich onder het patronaat van Sinte-Anna had gesteld.
In 1564 en volgende jaren was Job Gommersz haar factor; een aantal spelen van
sinne en refereinen van zijn hand zijn bewaard gebleven. Op 27 Januari 1566
speelde deze kamer ‘Een spel van zinnen van menigh mensche’,
afkomstig van Gommersz, van wie naar alle waarschijnlijkheid ook de beide
andere ons overgeleverde spelen zijn: een klucht en ‘een spel van onser
lyever vrouwen hemelvaert’, die eveneens door deze kamer zijn gespeeld.
Toen de Hervorming ook in Nieuwerkerk meer en meer veld won, raakte de kamer in
verval, en toen de raad van Zieriksee op 21 Mei 1616 de rederijkers verbood om
in de Vierbannen van Duiveland, waaronder ook Nieuwerkerk ressorteerde, te
spelen of bijeenkomsten te houden, betekende dit het einde van het gilde. In de
notulen van de raad van Zieriksee vindt men op 8 Februari 1632 aangetekend:
‘De rethoricakamer te Nieuwerkerk vervallen zijnde, worden de inkomsten
van zekere drie gemeten lands aldaar, haar toebehoorende, geresolveerd te
appliceeren ten behoeve van de armen van Nieuwerkerk’.
| |
Job Gommersz
Job Gommersz
305, die een
tijdlang factor van deze rederijkerskamer is geweest, is een van de weinige
Zeeuwse rederijkers uit de zestiende eeuw, van wiens werk ons iets overgeleverd
is. Geboren in 1543, kwam hij in 1563, dus in zijn twintigste jaar, in het
gilde van de ‘Blauwe Acoleyen’. Niet veel later
schijnt hij secretaris van zijn geboorte- en woonplaats te zijn geworden, en in
deze kwaliteit legde hij in 1569 een register van Duivelandse keuren en wetten
aan. Uit een bij dit register gevoegde kalender
306 blijken enkele
levensbijzonderheden van hemzelf en zijn gezin.
Het handschrift waarin Gommersz zijn werk verzameld heeft, is zwaar
gehavend; het bevat thans nog drie spelen, waarvan het eerste onvolledig is, en
vijftien refereinen. De spelen dateren alle drie uit 1565, de refereinen uit
verschillende jaren tussen 1564 en 1573, zodat het vele dat deze rederijker,
gezien zijn productiviteit in zijn jonge jaren, na zijn dertigste jaar
waarschijnlijk nog gedicht zal hebben, verloren is gegaan.
Het fragmentarisch bewaarde eerste spel uit de verzamelbundel is een
klucht, die een onderwerp behandelt - een vrouw die zich door een list van drie
huwelijkspretendenten weet te ontdoen - dat in de latere Middeleeuwen en de
zeventiende eeuw een grote verbreiding heeft gehad en wellicht aan de ‘Decamerone’ ontleend is. Op dit werkelijk spel
volgen twee zinnespelen. ‘Een spel van onser lyever vrouwen
hemelvaert’ toont ons hoe het middeleeuwse mysteriespel tot een spel van
sinne kon worden. Job Gommersz ontleende zijn gegevens waarschijnlijk
uitsluitend aan het | | | | ‘Passionael’ van
Jacobus a Voragine, en nergens blijkt, dat
hij de ‘
Sevenste bliscap van Maria’ heeft gekend. Het
derde stuk, ‘Een spel van zinnen van menigh mensche hoe hy doer hoverdye
ende gyericheyt inde verkeerde weerelt tot menigherley zonden wert
ghebracht’, is een bekeringsgeschiedenis, waarvoor geen bron valt aan te
wijzen. Het spel bevat enkele toespelingen op ‘den grooten
dyerentyt’ en ‘die groote wouckerye’, die ons herinneren aan
de destijds heersende armoede, die hoofdzakelijk het gevolg was van de lange en
strenge winter van 1564 op 1565. In dit opzicht is dit spel een tegenhanger van
het ‘Spel van Tcoren’ dat de Haarlemse rederijker
Louris Jansz het jaar daarop zou
schrijven.
Wat literaire betekenis betreft staan de refereinen van Gommersz
over 't algemeen hoger dan zijn spelen. Vooral in twee refereinen ‘int
amoureuse’, beide op de stok: ‘Ick hebber geweest dat niemandt en
weet’
307, komen vlotte passages voor. Zowel uit zijn spelen als uit
deze liederen leren we hun dichter kennen als een Rooms-Katholiek van
onverdachte beginselen en een verwoed bestrijder van de
‘Luytrianen’ en alle andere ketters, die het voorvaderlijk geloof
en het gezag der Moederkerk aantastten. Zijn heftige en herhaaldelijke
aanvallen op de afvalligen zijn wellicht een reactie geweest op het doordringen
van de nieuwe leer in Schouwen en Duiveland, waar de Hervorming pas laat
aanhang heeft gevonden.
| |
Tolen
Ook op het eiland Tolen heeft in de zestiende en het
begin der zeventiende eeuw het rederijkersleven gebloeid. In het stadje Tolen
zelf bestond al in de eerste helft der zestiende eeuw een kamer van rhetorica
308; van deze is afkomstig ‘Een Meyspel van sinnen,
van menschelyke broosheyt, de met swerelts ghenuechte triumpheert in den
ghemeynen beyart’, dat in 1551 door de Amsterdamse kamer ‘In
liefde bloeyende’ werd opgevoerd
309. Over de auteur van dit spel, Jacop Awyts, is niets bekend, evenmin
weten we iets van de lotgevallen der kamer vóór haar opheffing,
in 1597, toen baljuw, burgemeesters en schepenen van de prins der kamer de
keuren terugeisten en verdere samenkomsten van het gilde verboden
310. De
oorzaak van deze opheffing wordt niet vermeld, maar zij zal geen andere geweest
zijn dan die elders de overheid dwong, aan het optreden der rederijkers een
einde te maken. In 1614 verzochten de ‘Rhetoricen’ verlof aan de
regering om hun kamer weer te mogen oprichten
311, maar het blijkt niet welk besluit daarop genomen is. In elk geval
horen we van de Toolse rederijkers niets meer.
| |
Sint-Maartensdijk
Dat ook Sint-Maartensdijk althans omstreeks het midden der
zeventiende eeuw een rederijkersgilde heeft bezeten, schijnt te blijken uit een
aantekening in de notulen van de kerkeraad van deze gemeente, van 19 Januari
1641: ‘gedeputeerden hebben oock verstaen, hoedat
Esias Jansen hem seer schandelyk hadde
vergrepen in Retoriccamer’
312, maar het is het enige gegeven over dit gilde.
| |
Oud-Vosmeer
Te Oud-Vosmeer bestond in het begin der zeventiende
eeuw de kamer ‘De drie Koornairen’ onder de zinspreuk
‘Christus is 's mensch voedzel’. Nog wordt ter plaatse in het
ambachtshuis een klaarblijkelijk van deze kamer afkomstig ruitvormig houten
blazoen bewaard, waarop een heilige (Christus?) temidden van korenaren is
afgebeeld, met het jaartal 1612 en | | | | de spreuk ‘'t Coren
bloyt’. Het enige dat ons overigens van deze kamer bekend is, is dat in
1609 de overheid haar beval, haar spelen ter onderzoek voor te leggen aan
rentmeester, baljuw en schepenen, en ‘in haare exercitien, zig te wagten
van smadige vuyle en oneerlyke woorden’ of uitspraken die het geloof of
het bestuur van de staat betroffen
313.
| |
Sint-Annaland
Aan de rederijkers van Sint-Annaland herinnert eveneens
een ruitvormig houten blazoen, voorstellende Sinte-Anna, op wier schoot Maria
is gezeten, die zelf het Christuskind op haar schoot houdt
314. Het blazoen draagt het jaartal 1591 en de zinspreuk,
‘Altyt bet groeyende’.
| |
Poortvliet
Een houten schild is ook het enige dat herinnert aan de
rederijkerskamer ‘Wt rechter minnen’ van
Poortvliet, die tot zinspreuk voerde: ‘Nec spe nec
metu’. Dit blazoen, waarop de H. Catharina, de patrones der kamer, is
afgebeeld, draagt behalve naam en zinspreuk nog het jaartal 1549, misschien het
stichtingsjaar
315. Over de lotgevallen van deze kamer is niets bekend.
| |
Scherpenisse
Tenslotte noemen we op Tolen nog de kamer van
Scherpenisse, waarvan echter weinig bekend is. Op het raadhuis van
dit dorp berust nog een schilderijtje, klaarblijkelijk uit het begin van de
zeventiende eeuw daterend, dat waarschijnlijk van dit gilde afkomstig is. Het
stelt een herder voor, met zijn staf een wolf afwerend, die zijn kudde wil
aanvallen, terwijl een tweede herder met zijn schapen de vlucht neemt. Wat van
het randschrift rond dit bord nog leesbaar is, luidt:
Sy blijven hem gehecht Al sijn sij slecht van daden
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . con raden.
Wat ons niet veel wijzer maakt. Noch de naam, noch de zinspreuk van
de kamer zijn bewaard gebleven.
Het eerste actenboek van de classis van Tolen en Bergen-op-Zoom
(1584 - 1608) behelst verscheidene klachten van de kerkeraad van Scherpenisse
over het optreden van de kamer. Ds.
Symon Jansen legde op de classicale
vergadering van 2 Juli 1590 ‘een seker schrift’ over, ‘dwelck
hy gestelt hadde om over te geven aan de retoryck kamers (sic) van
Scherpenissen daerin de sonden van batement speelen breeder gestraft
worden’, maar de broeders, van mening zijnde dat Symon Jansen ‘de
zonden van dien aengaende genoechsaem van den predicstoel gestraft hadde, dat
hy daermede hem gequeten hadde, hebben het overgeven van eenich schrifte
onnodich geacht’. Dat vermaningen van de kansel ook hier niet het minste
succes hadden, blijkt uit het verslag van de classicale vergadering van 27
October 1607, waarin de vertegenwoordigers van de kerkeraad ‘hebben
begeert het advijs des classis aengaende het spel der rethoryckers de welcke
bestaen hebben tot Scherpenisse te selver dage niet alleen datmen het Avontmael
des heeren wtreckte, maer ooc onder de predicatie een zeer enorm ende
bespottelick spel streckende tot lasterynge vanden h. name Godes te spelen,
hebben de broederen des classis voor advijs gegeven ende die vanden kerkenrade
van Scherpenisse geraden om waert mogelic de copie vant voorsz. spel te
becommen ende hen daermede te beclagen voor myne Ed. Heeren de Raden van
Zeelant’.
| |
| | | |
Jasper Bernaerds
Waarschijnlijk heeft zich in dezelfde tijd, omstreeks 1608, een uit
Hondschoote in Frans-Vlaanderen afkomstige schoolmeester, Jasper Bernaerds gevestigd, die de
rest van zijn leven in Scherpenisse schijnt te hebben doorgebracht waar hij
althans in 1628 nog woonde. Bernaerds was een rederijker in hart en nieren, en
de veronderstelling dat hij twintig jaar lang de factor van het gilde van dit
dorp is geweest, is zeker niet te gewaagd. Hij was, als zovele anderen onder
zijn land- en tijdgenoten, misschien nog als minderjarige jongen, naar het
Noorden uitgeweken, woonde van 1596 tot 1603 met tussenpozen te Leiden en trok
in die tussenpozen als soldaat in dienst van de Republiek ons land door. Op de
een of andere wijze is hij in contact gekomen met de kring van
Carel van Mander, en ‘Den Nederduytschen Helicon’ (1610) bevat een
uitvoerige ‘Veldt-dichtsche t'saemspraeck’
316 van
hem. We mogen aannemen dat hij in Leiden lid is geweest van de
kamer der uitgeweken Vlamingen, ‘D'Oraigne Lelie’, en
dat hij door toedoen van vooraanstaande leden van dit gilde Van Mander heeft
leren kennen, op wiens dood hij een ‘Elegia oft claeghdichtsche
tweespraeck’
317 dichtte. Een groot aantal andere
gedichten, alle ondertekend met zijn zinspreuk ‘Ick HT (d.i. haet)
bedrog(h)’, bevindt zich in een autograaf
318. Men
vindt er stichtelijke en bruiloftsliederen in, naamverzen op zijn kinderen,
familieleden en vrienden, liederen op historische gebeurtenissen, refereinen,
rondelen, sonnetten, elegieën op alle mogelijke onderwerpen en personen
Nieuwjaars- en Meiliederen, morgen- en avondgebeden, geestelijke lofzangen, een
kinder-morgen- en een kinder-avond-schoolgebed en nog veel meer, alles tezamen
het bewijs van een onverdroten rijmelzucht. Nimmer verheft het werk van deze
veelschrijver zich echter boven dat van de tallooze rederijkers die de
zestiende en de zeventiende eeuw heeft gekend. De Renaissance-poëzie, die
juist in zijn tijd en in de Leidse kring, waarin hij verkeerde, opkwam, heeft
hem niet beïnvloed; zodra hij een andere versvorm dan die van het referein
gebruikt, worden zijn verzen stroef en onregelmatig. Ook aan deze rederijker
wordt bewaarheid, dat de Zeeuwse lucht klaarblijkelijk niet bevorderlijk is
geweest voor de edele const van rethoriken.
| |
Zeeuws-Vlaanderen
Strikt genomen behoort de geschiedenis van de Zeeuwsvlaamse
rederijkers maar zeer ten dele onder dit hoofdstuk en in dit boek te worden
ondergebracht, aangezien ze zich bijna uitsluitend uitstrekt over een periode,
waarin Zeeuws-Vlaanderen nog niet tot Zeeland kon worden gerekend.
Alleen terwille van de historische samenhang wordt ze hier niettemin
bijgevoegd.
| |
Hulst
De oudstbekende kamer uit Zeeuws-Vlaanderen is ‘De
Transfiguratie’ van Hulst
319. Haar
zinspreuk was ‘Reyne minne’, haar patroon Sint-Gomarus. Op H.
Transfiguratiedag (6 Augustus, waarop de R.K. kerk de gedaanteverandering van
Christus op de berg Thabor herdenkt) had deze kamer haar jaarfeest, dat door de
aanwezigheid van andere kamers werd opgeluisterd, zoals in 1483 door die van
Zaamslag. In 1467 wordt voor het eerst van het Hulsterse
rederijkersgilde melding gemaakt, maar waarschijnlijk bestond het toen al vele
jaren, zoals af te leiden valt uit het feit, dat in het genoemde jaar naast de
oude kamer nog een nieuwe optrad. De eerste gaf op tweede, de jongere kamer op
derde Paasdag een opvoering | | | | voor het volk. Misschien zijn deze
beide gilden later versmolten; we horen in het vervolg althans maar van
één gilde, dat wanneer het bij name genoemd wordt ‘De
Transfiguratie’ heet
In 1478 was
Jan Quisthout
320, prochiepape van Sint-Pauluspolder,
prins van de rederijkers van Hulst. In de stadsrekeningen van dat jaar lezen
we, dat hij ‘vele scoendre ghenouchghelicke spelen van de retoricke
ghemaect heeft den ghesellen van ghenought van deser stede, die te Luevene ende
andersins ghespeelt hebben ghezijn, daer zi vele heere (eer) ende prys mede
begaen hebben’
321. Op tweede
Paasdag 1481 speelden de rederijkers op de markt ‘de materie’ die
ze te Bergen-op-Zoom gespeeld hadden
322.
Toen op 23 December 1482 Maximiliaen vrede sloot met Frankrijk, werd
dit de daaropvolgende Zondag en Maandag en bovendien op Dertiendag
(Driekoningen 1483) te Hulst ‘solempnelicke gheviert’, waarbij de
‘ghesellen van rethorycke’ van de stad ‘speelden ende
abatamenten ende al tvolc ghemeenlic verhoeghden ende verbliden’. De
overheid schonk hun daarvoor vier kannen wijn. Bij deze gelegenheid waren ook
de rederijkers van Zaamslag in Hulst
323.
Op 7 September van ditzelfde jaar schreef ‘De
Transfiguratie’ een prijskaart uit, waarin ‘prinche, facteur, deken
ende besorghers, guldebroederen vander Rethorijcken binnen de stad van Hulst,
dienende Gods waerdichste transfiguratie voor onsen patroon, met mijnen heere
Sinte Gummaer’ alle rederijkers uitnodigden tot ‘eene feeste ende
prijs van der edeler consten der Rethorijcken, na onse cleene macht ende
vermoghen, te houdene in onse stede van Hulst, tsondaechs naer sinte Bavon
dach, twelcke zijn zal den ven dach van octobre eerstcomende’.
De kamer, die ‘tonsen taneele-feeste ende spele ons speelwijs tooghen oft
bewijzen zal de alderscoonste ende beste materie, die wel spelende, van God,
Marien, ons Heeren transfiguratien ofte van eenighen andren sancten ofte
sanctinnen, gheestelic of werelic, te toecomste des werelts ofte thende des
werelts, van der blijscap des eewichs levens, ofte van der droufheit of pijnen
der hellen, van den Ouden Testamente ofte Nyeuwe, scriftuerlic, natuerlic of
figuerlic, exemplen ofte poetrye, ofte alsulcke materien als elc van hemlieden
begrijpen wille ofte can, thuwen wille, lanc zijnde vc niet min
vic niet meer, nyen ghemaect, noyt ghehoort ofte ghezien, het zy by
moralisatien oft andersins, op een materie beghinnende ende op de zelve
vulhendende, dit best doende zal ontfangen van ons, ende hem zal worden
ghepresenteert, als over best ghedaen hebbende van den principalen spele van
zinne, over den hooghsten prijs, een schoonen rijckelijk zilveren cop, weghende
een maerc zelvers, zonder tfaitsoen ende tgoud’. De overige prijzen
bestonden uit zilveren schalen, een zilveren pen, een verguld-zilveren beeld
van Sint-Barbara, en voor de kamer die ‘met hem bringhen zal den
ghenoughlicxsten zot, daer men aldermeest ghenouchten ende boerden af hebben
zal, ende tfolc bequamelicxste doet lachen’, een zilveren zot
324.
Op 5 October 1483 en volgende dagen had het landjuweel plaats.
Aanwezig waren de rederijkers van de ‘Fonteyne’ en die
van ‘Saincte Barbele’ (Sinte-Barbara) van
Gent, die van Aalst, Mechelen,
Dendermonde, Sluis en de ‘broeders rethorisinen
van Zaemslacht’, ‘onse gheburen die ooc een scoen spel
speelden’. Ook was aanwezig de ‘abt van de stede van
Axele, die ooc hier quam met vele volxs omme de ghenouchte van de
spelen te vermeersene (vermeerderen) ende scoenen staet ooc hilt met alle zinen
gheselscape’, wat de stad op twaalf kannen wijn kwam te staan
325.
In 1495 kwamen de rederijkers van Hulst batementen te Aksel
‘ter feeste van minen heere den abt deser stede’
326. In 1496 waren ze op
het grote | | | | landjuweel te Antwerpen, waar ze ‘voor gratie
ofte mysterie’ het spel van ‘die bloetstortinghe’ speelden.
Voor ‘'t schoonste incomen te lant’ kregen ze een prijs:
‘twee schalen ende eenen roosen hoet’
327. Op het grote schietspel, dat in 1498 te
Gent werd gevierd, hadden die van Hulst rederijkers ‘in 't zotte’,
dus narren, meegebracht
328. Eerst
in 1528 horen we vervolgens weer van de Hulsterse rederijkers, die in de in dat
jaar gehouden Pinksterommegang ‘speelwijs beleeden de passie ons
Heeren’
329.
Zoals ook wel elders (o.a. in Middelburg) gebruikelijk was, moesten
de rederijkers van Hulst samen met de schutterijen wacht houden. Een
ordonnantie van de magistraat van 19 Januari 1572 beveelt dan ook ‘alle
gulde broeders ende confrerien van schutteryen, mitsgaders die van de
Transfiguratie deser selve stede, ende elck van dien bysondere’ zich
terstond ter beschikking te stellen van de heren van de wet, zodra er enig
oproer zou ontstaan onder de bevolking
330.
Uit de laatste decenniën van de zestiende eeuw zijn ons geen
berichten over het gilde overgeleverd. De troebele tijden hebben waarschijnlijk
tijdelijk aan zijn werkzaamheid een einde gemaakt, maar als tijdens het Bestand
Hulst een rustiger periode tegemoet gaat, duikt het weer op. Zo lezen we, dat
het in 1614 een opvoering gaf van ‘de historie van den rijken
vrek’, en als toegift daarbij een spel van ‘Hope, Liefde en
Vrede’
331. Daarna
horen we dan nog, dat in 1621 het reglement van de kamer, dat op rijm was
gesteld, vernieuwd werd
332. Alle
latere berichten ontbreken.
| |
Zaamslag
Uit de stadsrekeningen van Hulst van 1482/83
333 blijkt, dat ook Zaamslag destijds een
rederijkerskamer had, die te Hulst de viering van de vrede met Frankrijk kwam
opluisteren. Ook waren de ‘retorisinen van Zaemslacht’ met hun
factor Anthonius op 9 Augustus 1483 in Hulst op het jaarfeest (dat dit jaar
drie dagen was uitgesteld) van de ‘Transfiguratie’
334. Overigens is ons van dit
gilde niets bekend, zelfs niet de naam.
| |
Aksel
Beter zijn we ingelicht over de rederijkerskamer van Aksel
335, ‘De
vier melcteelen’ (ook wel ‘De vier
melkstoopen’), onder de zinspreuk ‘Godt ontcommer elcx
herte’
336. Sinte-Barbara was haar patrones. De stadsrekeningen
spreken echter enkele keren van de ‘ghesellen van retorijck van
Ste On (t) commers’, wat aan een tweede kamer doet denken.
Aannemelijker is, dat in verband met de zinspreuk der kamer het gilde ook aan
Sinte-Ontkommer was gewijd, misschien ook eerst aan de ene, later aan de andere
heilige. Sinte-Ontkommer (Sinte-Wilgefortis) was in de oude abdijkerk van Aksel
afgebeeld, en genoot er dus klaarblijkelijk bijzondere verering.
De oudste stadsrekening van Aksel (1492 - 1493) maakt melding van
‘batementers ende andere spellieden, die te Paesschen speelden ende
ghenouchte maecten’, waarvoor ze drie kannen wijn ontvingen
337. In 1493/94
kwamen de Goese rederijkers te Aksel battementen ter gelegenheid van de
jaarlijkse processie, die omdat de kerk van Aksel een abdij was, hier met
groter pracht en praal dan elders werd gehouden. In 1496 was de kamer van Aksel
op het landjuweel te Antwerpen; ze kwam er met het twaalfde lot aan de beurt om
te spelen en vertoonde voor gratie of mysterie ‘Dat Godt menschelijck
vleesch ontfinck’, met welk spel ze twee schalen en een rozenhoed won
338. De stad kwam het gilde met de niet
geringe som van £ 30 tegemoet in de kosten en onthaalde het bij zijn
terugkomst op wijn. Op Lichtmisdag van hetzelfde jaar en ook tijdens de
Paasdagen hadden de rederijkers te Aksel zelf gespeeld, en eveneens op de
Zondag vóór Vastenavond, ‘ter feeste van mijnen heere den
abt deser stede’. Bij die gelegenheid waren er ook rederijkers uit Hulst
komen batementen.
Ook de rekeningen uit de volgende jaren maken herhaaldelijk melding
van het optreden der Akselse rederijkers, op Lichtmisdag, Vastenavond of de
Zondag daarvóór en tijdens de Paasdagen. In 1503/04 speelden ze
bovendien op Sinte-Ontkommer (20 Juli). In 1505 waren ze met hun prins
Jan Picans in Bergen-op-Zoom,
waar ze een esbattement opvoerden. Toen op Vastenavond 1506 de koning der
zotten optrad, kreeg hij een gratificatie, en toen op Vastenavond 1508
Jan Scolpaert ‘zijn conincfeeste van
de sotten hilt’, kreeg hij daar twee kan wijn voor. In 1516/17 ging het
gilde naar Brugge en speelde er in de rederijkerskamer; daarentegen kwamen de
‘Barbaristen’ van Gent in datzelfde jaar te Aksel in de processie
spelen. In 1519/20 kreeg de factor
Wulfaert Weysse ‘voor tmaken ende
stellen van de spele ende sprake van de sybillen, van de joden, van de drie
coninghen ende ander personen van de processie ende ommeganck’ twee kan
wijn.
Toen in 1524/25 feest gevierd werd ‘ter blischepe van de
victorie die de K. M. ons ghenadige Heere hadde int vangen van den coninc van
Vrancricke’ verleenden de rederijkers daarbij hun assistentie, die met
zestien kan Rijnwijn werd gehonoreerd. In 1527/28 kwamen de factor en diverse
gezellen van de rederijkerskamer van Tielt te Aksel ‘antieren en
retoricke met de retorisinen deser stede’; in 1528/29 ging de kamer van
Aksel op haar beurt in de jaarprijs van rethorica te Werneke spelen. Ook toen
in 1537/38
Karel V en
Frans I vrede sloten, voerde men uit
vreugde daarover te Aksel esbattementen op, waarvoor de rederijkers twaalf kan
wijn kregen
339.
| |
Jacob de Hont
In het begin van de zestiende eeuw was Jacob de Hont (Jacobus Canis) (1487 - 1527)
340, pastoor te Aksel, deken van het gilde van Sinte-Barbara. Geboren
te Aksel in 1487 werd hij al op jeugdige leeftijd door
Marie van den Berghe, vrouwe van Aksel
(†1500) met de kapelrij van deze stad begiftigd. In 1510 werd hij tot
priester gewijd; bovendien was hij organist van de kerk. In 1517 en 1518 was
hij deken van het gilde van Sinte-Barbara, en niets ligt meer voor de hand dan
aan te nemen, dat hij in deze kamer het merendeel van de gedichten heeft
voorgedragen, die hij heeft verzameld in een lijvige autograaf, waarin hij ook
zijn ‘Liber de multiloquio’ opstelde, een kroniek van
Vlaanderen over de jaren 621 - 1525, grotendeels ontleend aan de ‘Cronike
van Vlaenderen’. In dit historische proza heeft pastoor De Hont allerlei
gedichten ingelast, die deels zijn eigen werk zijn, deels dat van zijn
voorganger Anthonis Stalin, die tussen 1430 en
1475 als pastoor van Aksel wordt vermeld
341.
Dichters bij Gods genade waren geen van beiden. De Hont verzekert
herhaaldelijk dat dichten voor hem maar tijdverdrijf is, en geen ander doel had
dan ledigheid en verveling te verjagen
342. De
overgrote meerderheid van zijn gedichten is half in het Latijn, half in het
Vlaams gedicht en herinnert in dat opzicht aan de vagantenpoëzie. Ze tonen
ons hun dichter als een Pater Goedleven, liefhebber van een goede pot bier en
een goed glas wijn. ‘Qui bona vina bibit, Paradisum tutus ibit’
343 verzekert
hij zelfs, maar in de mond van een priester, zelfs van een middeleeuwse, zal
deze uitspraak wel meer op rekening van grootspraak dan van de theologie moeten
worden gesteld. Want De Hont was behalve rederijker dan toch | | | | ook
nog pastoor, en in deze functie acht hij het zijn plicht om nu en dan ook een
moraliserende toon aan te slaan in zijn verzen, alle mogelijke zonden en
ondeugden, die voor het menschelijk hart op de loer liggen, te bestrijden, te
waarschuwen tegen de vrouwen, de kaarten en de teerlingen. Diep gaat zijn
moraal overigens niet, meestal bepaalt hij zich tot het opsommen van deugden en
ondeugden zonder meer. In zijn simpele volkswijsheid doet hij soms denken aan
Cats.
Wat brinct meer onrusten in steden
Dan hooverdie, nijt ende ghierichede?
Bij dese drie, na mijn verstaen,
Es menighe stede te niete gheghaen
344.
In hetzelfde genre is een rijm als het volgende:
Die hoogher wil vlieghen dan hij vermach,
Die compt dickent in een quaet bejach,
Als Ycarus dede, die vlieghen begaerde,
Hij verbernde zijn vloghen ende viel doot op d'aerde
345.
Of dit half-Latijnse, half-Nederlandse, macaronische gedicht:
Noli dicere omnia que scis,
Het mochti te laste commen;
Nec credere omnia que audis,
Ten soude di niet vromen;
Nec revelare omnia que vides,
So en doeste niemans scaempte;
Nec facere omnia que potes,
Di mocht er of commen groote blaempte
346.
De gedichten van
Stalin en De Hont zijn in de eerste plaats
geschreven bijwijze van tijdpassering en als wapen tegen de zonde der
verveling. Literaire betekenis bezitten ze niet, maar ter kenschetsing van de
geest van de tijd, waarin ze ontstonden, zijn ze niet zonder belang.
| |
Aksel op het Gentse landjuweel
In 1539 was de kamer van Aksel op de feesten van de
‘Fonteine’ van Gent, in April op het
refereinfeest, in Juni op het landjuweel. Op de vraag voor de refereinen in 't
vroede: ‘Wat dier ter waerelt meest fortse verwint’, antwoordden de
Akselnaren met: ‘Christum als mensche’
347. De vraag in 't zotte: ‘Wat volck ter waerelt meest
zotheyt tooght?’ was voor de kamer aanleiding om de zeden der
geestelijkheid aan te vallen:
Int tooghen van zulcx noyt en was ghehoort,
Als dolende gheleerde stellen voort,
Zy ons met soberheyt onderwyzen,
En zy drijncken daghelicx al versmoort
Leerende paeys, en maken zelf discoort,
Ooc zegghen zy, schuwt soverspels afgryzen,
Nochtans zy zelve loopen en byzen
Met vrauwen, alzoomen daghelicx ziet,
Zy leeren ons den armen spyzen,
Zelve en ghevenze een myte niet,
Zy zijn ghierigh en vreck, hoort dit bediet,
Dus de gheleerde den zin duervloghen
Verdoolt int verstant meest zotheyt toghen
348.
| | | | Ook aan de refereinwedstrijd in 't amoureuze nam de
kamer deel met een referein op de opgegeven stokregel: ‘Och moght icze
spreken, ic waer ghepaeyt’, een lied dat de ontmoeting van een jonggezel
en een mooie vrouw beschrijft, die echter, als eenmaal Hero en Leander, door de
rivier wreed gescheiden worden
349.
Op het Gentse landjuweel, dat in Juni 1539 werd gehouden, werd de
vraag gesteld: ‘Welc den mensche stervende meesten troost es?’ Op
enkele uitzonderingen na antwoordden alle kamers in reformatorische zin, ook
die van Aksel
350. In het zinnespel
351, waarin Aksel haar antwoord had ingekleed, legt
Vierigh Apetijt de vraag voor aan Dyversche Opynye, maar zijn antwoorden,
‘tgheloove en tdoopzele’, ‘die belofte Gods’,
‘Gods groote ontfermhertighede’, ‘des menschen
verdienste’, ‘de verdienste Christi’, ‘Gods milde
gracye’, ‘den strael der godderlicker liefte’, worden stuk
voor stuk door Vierigh Apetijt weerlegd. Dan komt op het gebed tot God
Schriftuerlic Verstandt, die het juiste antwoord brengt:
Paulus die zeght: wy betrauwen ons zo wel,
Want wy hebben een goe consciencye.
Ooc zeght hy voort naer ons intencye:
Ic ben naerstigh om hebben, maerct wel dit slot,
Een oprechte conscyencye voor God
En voor de creatuere naer ons wenschen.
Ooc zeght sent Ian van dusdanyghe menschen,
Sprekende omme des zins verhooghen al:
Wy weten, als de Heere hem vertooghen zal,
Dat wy hem zullen ghelijc zijn en hem zyen
Zullen, ghelijc als hy es dits claer belyen
352.
Dyversche Opynye vraagt hem:
Schriftuerlic, wat zeght ghy van tgheloove
En van goede hoope, dits niet gheqwist vry,
En alder meest vander verdienste Christi,
Vander liefde en donfermhertighede
Gods en vander verryzenesse mede?
Dits al grooten troost naer onzen propoosten
353.
Maar Schriftuerlic Verstandt antwoordt:
Deze en zullen al den mensche niet troosten,
Ten zy dat hy heift, verstaet al nu dit snel,
Een goe consciencye gherust zeer wel.
En daer die niet en es, hier op zo gloost fijn,
En magh tgheloove daer gheenen troost zijn.
Hope, verdienste, ontfermhertighede,
Belofte, liefde, bloet, ia Christus mede
En zijn al gheenen troost, dit my wel verstaet,
Der ongheruster consciencyen qwaet,
Want zy hier noch hier namaels troost en verbeyt,
Maer al dat wreet es, zoo de wyze man zeyt.
Ooc genereirtse qwa desperacye,
Den meesten ontroost in tstaervens stacye
Diemen peynzen magh binnen sdoodts foreesten;
En by contrarye zo es den meesten
Troost zuver gheruste consciencye goet;
Gheenen ontroost en heift zou, zijt dit wel vroet,
Dus moet dit boven allen troosten ryzen
354.
| | | | Een viertal ‘toochen’ brengen in beeld wat
Schriftuerlic Verstandt heeft uitgelegd: het sterfbed van de aartsvader Jacob,
de zeven Maccabaeen, gereed om te sterven, Christus aan het kruis tussen de
beide moordenaren, en Stephanus' steniging.
Het zinnespel van Aksel, onbeholpen van taal en stijl en zonder
enige letterkundige verdienste, is evenals bijna alle andere spelen uit deze
bundel doortrokken van ketterse ideeën
355, en bewijst
daarmee dat ook hier, als overal elders in Vlaanderen, de geesten rijp waren
voor de gedachte der Reformatie, die op het punt stond om door te breken.
Enkele maanden na de Gentse spelen werd in Middelburg ‘Den Boom der Schriftueren’ opgevoerd, waaruit de
wens tot zuivering van de leer, in of buiten de kerk, al even onverholen
opklonk. Maar dezelfde hervormingsgezindheid, die hier en elders de weg
bereidde voor de leer van
Luther en
Calvijn, droeg ook hier de kiemen in zich
van de ondergang der rederijkerij. Nog enkele tientallen jaren vinden we sporen
van hun optreden, en dan maakt naar alle waarschijnlijkheid de politieke
omwenteling van de zestiger en zeventiger jaren een eind aan hun bestaan. In de
stadsrekening van 1549/50 worden
Martijn Brant en
Lieven Heynderssen genoemd als
‘facteurs van de Rethorice’, en er is sprake van spelen, die ze in
deze functie hadden gedicht. Op Pasen van 1556 gaven de rederijkers een
uitvoering, en dit is het laatste wat we over hen horen
356.
| |
Sluis
De rederijkerskamer van Sluis voerde de naam van de
‘Distelbloem’, met de zinspreuk ‘Van 't oude nieuw’
357. Ze bestond in elk geval in de laatste
jaren van de vijftiende eeuw, want in 1496 was ze op het landjuweel van
Antwerpen aanwezig, en speelde er ‘Dat Godt menschelijck vleesch ontfinck’, voor welk
spel ze een schaal en een ‘roosen hoet’ ontving
358. Maar misschien bestond ze al veel eerder,
zelfs nog vóór de Middelburgse kamer het ‘Bloemken
Jesse’. Nog op het laatst van de achttiende eeuw immers berustte
in het archief van Sluis een ‘Nieuw spel- ofte comedie-boeck’ van
een zekere
Cornelis Sarreau, dat uit 1427 dateerde
359. Is deze Sarreau factor van de Sluise rederijkers geweest?
In dat geval zou het landjuweel, dat in 1441 of 1442 te Sluis werd gehouden,
maar waarover ons verder geen bijzonderheden bekend zijn, ook door de
rederijkers georganiseerd kunnen zijn, en behoeven we niet aan een feest van
het schuttersgilde te denken
360.
Bij gebrek aan gegevens kunnen we het hierin echter niet verder brengen dan tot
een gissing.
Gedurende de hele zestiende eeuw horen we van deze Sluise kamer
niets meer; eerst in 1613 duikt het gilde weer in de geschiedenis op. In dat
jaar was het, o.a, met het Middelburgse gilde, te gast op het landjuweel van de
Brabantse kamer ‘'t Wit Lavender’ te Amsterdam. Op de
vraag: ‘Wat 's d'oorsaeck meest, waerom 't verkeerde werelts rond, Sich
waenwijs so bedrieght, en bloeyd in alle sond?’ antwoordde de kamer bij
monde van
Gilles van Mullem (zinspreuk: Van 't ouwe
't nieu)
361, klaarblijkelijk haar factor. Het zal een schrale
troost voor de kamer en Van Mullem zijn geweest, dat ze alleen de prijs
‘vant verst coment’ heeft gekregen.
Ook op het Vlissingse rederijkersfeest van 1641 was de kamer van
Sluis verschenen. Haar factor, ditmaal
Zeger Moyaert (zinspreuk: 't Best is
goet), antwoordde op de vraag: ‘Wat oeff'ningh is elck best, en nodighst
voor 't gemeen’ met: ‘De waere oeff'ningh van der
godtsaligheydt’
362, en nam ook aan de andere
wedstrijden, zelfs die van het kniewerk deel. Met dat al kreeg de
‘Distelbloem’ geen enkele van de uitgeloofde
prijzen.
De kamer bestond nog in 1683, toen het Bleiswijkse gilde in zijn
uit- | | | | nodigingskaart voor zijn landjuweel ook dat van Sluis noemde
onder de nog bestaande rederijkerskamers
363. De ‘Distelbloem’ is evenwel niet in
Bleiswijk verschenen, en ook verder bewaart de geschiedenis het
diepste stilzwijgen over haar.
| |
Hengsdijk
Aan de rederijkers van Hengsdijk tenslotte herinnert
alleen nog een blazoen
364, dat aan de ene zijde het wapen van de gemeente draagt met het
jaartal 1630 en een monogram, waaruit de letters E, M en G zijn te lezen,
terwijl de andere zijde een klaarblijkelijk symbolische voorstelling
365 vertoont, met het randschrift: ‘'t Is de edele fleur,
soet van geur, in hengst-dijck, reidrijck
366,
1766’. Hieruit de gevolgtrekking te maken dat Hengsdijk in 1630 een
rederijkersgilde kreeg of al bezat, dat in 1766 nog bestond of weer opnieuw tot
leven werd gebracht, schijnt niet te gewaagd. Het blazoen is overigens het
enige bewijs van het bestaan van een rederijkersgilde in dit dorp.
Er zullen zeker ook in andere dorpen van Zeeuws-Vlaanderen in de
Middeleeuwen of daarna rederijkerskamers hebben gebloeid, in
Sint-Anna-ter-Muiden en Aardenburg, in
Oostburg en Kadzand en andere oude dorpen, die toen
het Zwin nog bevaarbaar was, mee hun aandeel hadden in de rijkdommen, die van
alle windstreken naar de rijke koopstad Brugge werden toegevoerd.
Dat ons over al die kamers hoegenaamd niets bekend is, bewijst eens te meer hoe
onvolledig en gebrekkig onze kennis is van het merkwaardige instituut der
rederijkersgilden, en hoe we ons slechts uit enkele schaarse gegevens een
voorstelling kunnen maken van de plaats, die deze gilden in het volksleven en
de kulturele ontwikkeling van ons voorgeslacht hebben ingenomen.
| |
Algemene beschouwingen
Uit de wordingsgeschiedenis van de Zeeuwse rederijkerskamers is het
duidelijk, dat deze meer Vlaams georiënteerd konden zijn dan de Hollandse.
Inderdaad is dit in zoverre het geval, als de Zeeuwse, zomin als de Vlaamse,
het instituut van keizer hebben gekend, dat alle Hollandse kamers, de oudste
uitgezonderd, naderhand hebben ingesteld. In hoeverre de Zeeuwse kamers
overigens onder directe invloed van de Vlaamse ontstaan zijn, blijkt niet.
Waarschijnlijk heeft het een of andere Vlaamse of Brabantse
rederijkersreglement als voorbeeld gediend voor dat van de Middelburgse kamer,
maar we weten niet welk. Men zou mogen verwachten dat het statuut van de
Middelburgse kamer op haar beurt het voorbeeld is geweest van dat der andere
Zeeuwse kamers, en inderdaad is althans de ordonnantie van 1484 gelijkluidend
met en op dezelfde dag uitgevaardigd als die voor de kamer van Reimerswaal.
Andere reglementen uit deze tijd ontbreken echter, zodat een nadere
vergelijking zich aan onze waarneming onttrekt.
Opmerkelijk is, dat de Middelburgse kamer nooit een landjuweel
schijnt te hebben uitgeschreven. Vergelijkt men haar activiteit met die van de
Vlissingse kamer, dan blijkt de laatste veel intenser te zijn geweest. Het is
mogelijk dat de bevolking van Vlissingen democratischer was dan die van
Middelburg, en dat dit zich ook in de deelneming aan het rederijkersleven
geopenbaard heeft. De beide belangrijkste Zeeuwse rederijkers - juister: in
Zeeland levende rederijkers -
Jeronimus van der Voort en Joos Claerbout,
behoorden beiden tot de Vlissingse kamer.
Vergelijkt men het rederijkersleven in Zeeland met dat uit Holland,
dan constateert men dezelfde verhouding als tussen de letterkunde in 't
alge- | | | | meen van beide gewesten. Ook wat de rederijkerij betreft is
Zeeland verreweg de minste van de twee. Figuren van het gehalte van een
Louris Jansz zoekt men er tevergeefs.
‘Den Boom der Schriftueren’ bleef niet terwille van zijn
letterkundige, maar uitsluitend om zijn kultuurhistorische betekenis bekend. In
de zeventiende eeuw steken vier Middelburgse rederijkers boven de anderen uit,
maar alleen de oudste van dit kwartet,
Hendrik (van) Cannenburgh, is mogelijk een
Zeeuw, de drie andere,
Willem Wijnants,
Samuel Bollaert en
Arent Roggeveenzijn het zeker niet. Ook
Jeronimus van der Voort, met
Vincent Mathijsz en
Joos Claerbout (beiden misschien
autochthoon) de representant van de Vlissingse rederijkerij, is uit het Zuiden
afkomstig. In Vere zijn
Adriaen Valerius,
Pieter Spoormaker en
Cornelis Udemans eveneens de
toonaangevende rederijkers. Als we daarbij nog de zestiende-eeuwer
Job Gommersz uit Nieuwerkerk en
Pieter Lenaerts van der Goes, mogelijk uit
Goes, noemen, zijn alle figuren uit de Zeeuwse rederijkerswereld van enige
betekenis opgesomd. De oogst is even gering als onbeduidend.
Onder deze rederijkers vinden we ook de beide vertegenwoordigers van
het Zeeuwse lied: Lenaerts van der Goes en Valerius. Beiden behoren al tot onze
Gouden Eeuw. Van geen der vele middeleeuwse en zestiende-eeuwse geestelijke en
wereldlijke liederen, die onze letterkunde bezit, wijst de herkomst naar
Zeeland. Hebben er dan in de Zeeuwse kloosters niet, als in Brabant en
Vlaanderen en Utrecht, vrome nonnen geleefd, die haar liefde en verering voor
God en zijn Moeder hebben uitgezongen in geestelijke liederen, die de levens
der heiligen hebben verdicht, die van haar blijdschap terwille van de liefde
Gods getuigd hebben in devote zangen? Een nog altijd zo mystiek aangelegd volk
als de Zeeuwen moet toch ook in de Middeleeuwen ontvankelijk zijn geweest voor
de letterkunde der mystieken. Onder ‘die volmaecte ghecleedt ghelijc
minnen, die Hadewich sach elc met sinen seraphinnen’ vindt men zes
Zeeuwen genoemd: ‘een priester, twee beghinen, een clusenare in
Middelborch ende een wedue van groter macht; die zeste es een verborghen
manneken’
367.
De mogelijkheid bestaat dat in dit calvinistische land de Reformatie
op ruwe wijze heeft opgeruimd wat haar elders ontsnapt is, maar daarmee zijn we
op het glibberige terrein der hypothesen gekomen. We kunnen slechts constateren
dat het voorreformatorische Zeeland geen aandeel heeft gehad aan het oude
Dietse lied. Dit geldt zowel voor het geestelijke als voor het wereldlijke
lied. Wie immers in de verleiding zou komen om de dichter van het
‘Liedeken van den gouverneur van Zeeland’
368 terwille van het onderwerp,
dat het behandelt, onder de Zeeuwen te zoeken, moge bedenken dat het de
Zuidnederlandse rederijker
Colijn van Rijssele was, die in ‘De spiegel der minnen’ ‘begrijpende in ses
batementspelen die seer amoreuse historie van Dierick den Hollandere ende
Katharina Sheermertens, eertijts gheschiet binnen Middelburch’ (1561),
een zo bij uitstek Zeeuws onderwerp heeft behandeld.
|
1
Henricus Nicolai de Alta Terra; vgl.
hiervóór, blz. 28.
3Gedichten van
Willem van Hildegaersberch, uitgegeven
door W. Bisschop en E. Verwijs ('s-Gravenhage, 1870), blz. VII.
4Vgl. Kesteloo, Stadsrek., I, blz. 227, alwaar
een plaats uit de rekening van 1366/67.
5Een samenvattende studie over de geschiedenis
der Zeeuwse rederijkers ontbreekt nog. Het Zeeuwsch genootschap der
Wetenschappen schreef in 1790 daarover een prijsvraag uit: ‘Vermits de
geschiedenis der Rethorijkers binnen de Provintie van Zeeland niet zeer bekend
is, en dezelve nogtans vermoedelijk invloed gehad hebben op de gebeurtenissen
van vroegere tijden: vraagt men een geschiedkundig verslag van den oorsprong,
de verrigtingen en lotgevallen der onderscheiden Rethorijkers binnen gemelde
Provintie?’. - De vraag bleef echter onbeantwoord en werd later
ingetrokken. Behalve op de nader te noemen bronnen en op archiefonderzoek
berust het volgende vooral op de bekende monografieën over de rederijkers,
t.w.: Willem Kops, Schets eener geschiedenisse der rederijkeren (Werken van de
Maetschappy der Nederlandsche letterkunde te Leyden, II (1774), blz. 213 -
351); G.D.J. Schotel, Geschiedenis der rederijkers in Nederland 2
(Rotterdam, 1871), 2 dln.; Prudens van Duyse, De rederijkkamers in Nederland
(Gent, 1900 - 1902), 2 dln. en J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het
tooneel in Nederland (Groningen, 1904 - 1908), 2 dln.
6Vgl. Te Water, Kort verhaal van de Reformatie
in Zeeland, t.a.p., blz. 5; Worp, t.a.p., I, blz. 181 - 192; J. Loosjes, De
invloed der rederijkers op de Hervorming (Stemmen voor waarheid en vrede, 1909,
blz. 246 - 290, 359 - 376, 417 - 442, 609 - 646); L.M. van Dis, Reformatorische
rederijkersspelen uit de eerste helft van de zestiende eeuw (Haarlem, 1937); J.
van Mierlo, De middelnederlandsche letterkunde van omstreeks 1300 tot de
Renaissance (Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, II)
('s-Hertogenbosch-Brussel, 1941), blz. 366 - 373.
7Te Water, Kort verhaal, t.a.p., blz. 6.
9Vgl. Acta der provinciale en particuliere
synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572 - 1620,
verzameld en uitgegeven door J. Reitsma en S.D. van Veen, V (Groningen, 1896),
blz. 9. - Op de 26ste der ‘Particuliere vraghen’ die op de Dordtse
synode van 1578 behandeld waren, luidende ‘oftmen gheestelicke comedien
ende tragedien voor den volcke in Rhetorye spelen magh?’ had deze synode
ontkennend geantwoord, ‘nademael dese ghewoonte noyt in de Israelitische
ofte Apostolische kercke gheweest is, ende veel ongheschicktheden daerwt
volghen ende het oock openbaer is dat de facteurs der selver dickwils de
fundamenten der Christelicker religie niet ghenoegh verstaen’. - Acta van
de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw, verzameld en uitgegeven door F.L.
Rutgers (Utrecht, 1889), blz. 269.
11T.ap., blz. 549, 552, 629.
12Groot placaet-boeck ('s-Gravenhage, 1658 -
1705), I., blz. 349 - 360, 467 - 470; III, blz. 594 - 598; IV, blz. 1032 -
1033; Notulen van Zeeland, 1590, blz. 36, 99.
13De verbodsbepaling van de Middelburgse
magistraat van 1676 (vgl. hierna, blz. 86) is de enige, onverklaarbare,
uitzondering op deze regel.
14Notulen van de Staeten van Zeelandt, 1595,
blz. 141, 159. - De bedoelde studenten waren:
Jeremias van Dale, student in de
medicijnen,
Simon Schotte, in de rechten,
Jacob Miggrode, in de theologie,
Jonas van Reigersberch, in de theologie,
Mathias Looper, in de rechten,
Apollonius Schotte, in de rechten,
Sebastiaen Collaertsen, in de rechten,
Josias van Vosbergen, in de rechten,
Abraham Isacq, in de theologie,
Johan Fernando Visscher, in de rechten.
- De jonge
Antonius Walaeus maakte een lofdicht op
deze voorstelling, waaruit blijkt dat de studenten klassieke spelen opvoerden,
nl. van
Sophocles,
Seneca en Plautus. - Vgl.
Prosphonematicum ad doctiss. nobilissimosque adolescentes Lugduno Bat. in
patriam Zelandiam, per ferias caniculares, reduces; ibique publice exhibentes
spectandos Aiacem flagel. Sophoclis. Herculem furent. Senecae. Capteivos
Plauti. Anno 1595. - Ant. Walaeus, Omnia opera, II (Lugd. Bat., 1648), p. 501 -
502.
15Het feit dat zoons van aanzienlijke
overheidspersonen aan de opvoering deelnamen, kan op het oordeel van de
kerkeraad niet van invloed zijn geweest; herhaaldelijk toch worden
magistraatspersonen door de kerkeraad wegens aanstotelijke gedragingen berispt
en vermaand.
16Nl. doordat de kerkenorde uit
Leycesters tijd (1586) hier vervangen
werd door de Staatse van 1591.
17Vgl. Reitsma en Van Veen, Acta, t.a.p., blz.
87; vgl. blz. 57.
18Reitsma en Van Veen, Acta, t.a.p., blz.
150.
19Groot placaet-boeck, IV 's-Gravenhage, 1705),
blz. 1032 - 1033.
20Notulen der Staten van Zeeland, 1636, blz.
147.
21Groot placaet-boeck, I ('s-Gravenhage, 1658),
blz. 467 - 470.
22Vgl. J.J. van der Horst, De Katholieken op
Zuid-Beveland in 1654 (Bijdr. v. d. gesch. v. h. bisdom v. Haarlem, 2 (1874),
blz. 272 - 275).
23Actenboek G van de classis van Zuidbeveland,
blz. 1 - 28. - Vgl. J. ab Utrecht Dresselhuis, De redenrijkers te Goes (Eene
nalezing) (Zeeland, 1855, blz. 155 - 156).
24Hieruit mag worden opgemaakt, dat ds.
Eversdijk wel degelijk ook, naast de schuttersgilden, de rederijkersgilden op
het oog had.
25Groot placaet-boeck, III ('s-Graven-hage,
1683), blz. 594 - 598.
26Vgl. hierna, blz. 114 - 115.
27Ab Utrecht Dresselhuis, t.a.p., blz. 161 -
162.
28T.a.p., blz. 162 - 165.
30
Godefr. Udemans, Practycke 3
(Dordrecht, 1632), blz. 285. - De eerste druk is van 1612.
31Ireneus Philalethius, Vyer ende wolck-calomne
(Amstelredam, 1622), blz. 105.
32Willem Teellinck, Huys-boeck 2, II
(Middelburg, 1639), blz. 117.
33Willem Teellinck, Gesonde bitterheyt
(Amsterdam, 1624), blz. 33. - Elders verwijt hij het houden van battementspelen
vooral aan de rijken (Zephaniae waerschouwinge (Amsterdam, 1623), blz.
93).
34Maximiliaen Teellinck, Grondighe verclaringhe,
over de thien gheboden (Middelburgh, 1639), blz. 117.
35Adrianus Hofferus, Nederduytsche poëmata
(Amsterdam, 1635), blz. ** 4 v°.
36Zie:
N.C. Lambrechtsen van Ritthem, Beknopte
geschiedenis van de Middelburgsche rethorijkkamer Het Bloemken Jesse
(Verhandelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1e serie,
III, 1e stuk (Leyden, 1819), blz. 117 - 175); Marie G.A. de Man, De voormalige
Middelburgsche rederijkerskamer Het Bloemken Jesse onder de kenspreuk ‘In
minnen groeyende’ en hare gildepenningen (Jaarboek van het Kon. Ned.
Genootschap voor munt- en penningkunde, 4 (1917), blz. l - 40); Unger, Bronnen,
I en II, passim; Kesteloo, Stadsrek., II, blz. 105 - 106; III, blz. 314, 351 -
352; IV, blz. 70, 97 - 98; V, blz. 91 - 92; VI, blz. 59 - 60; VII, blz.
52.
37Voor deze veronderstelling pleit ook, dat het
huis waarin de kamer haar bijeenkomsten hield, in het derde wijkregister der
stad beschreven staat als ‘de Proserie de Kamer van Rhetorica’
(Zeelands Chronyk almanach, 1786, blz. 1021). Nog in 1483 waren priesters lid
van het gilde, en werden te hunnen behoeve enkele uitzonderingsbepalingen
gemaakt; o.a. behoefden ze geen pallore te dragen.
38Unger, Bronnen, I, no. 85, naar een sindsdien
verloren afschrift overgedrukt uit: eeuwsch jaarboekje en Middelburgsche
naamwijzer, 1858, Mengelwerk, blz. 3 - 10.
39Deze overeenkomst is zo volkomen, dat
eenzelfde persoon de beide ordonnanties moet hebben opgesteld, ofwel de
Reimerswaalse naar de Middelburgse gekopieerd is.
40Unger, Bronnen, I, no. 98; Lambrechtsen van
Ritthem. t.a.p., blz. 166 - 172.
41Unger, Bronnen, I, no. 213.
42Zie o.a. de ‘Costumen van
Middelburg’ van 1569 of 1570, bij Unger, Bronnen, I, no. 419, XIX, Van
gyselinge, IX.
43Lambrechtsen van Ritthem, t.a.p., blz.
152.
44Toen ter gelegenheid van de intrede van
Philips van Bourgondië in Brugge, in
1440, op de hoeken van de straten pantomimes werden vertoond, vond men
daaronder, zoals Die excellente cronike van Vlanderen (Antwerpen, 1531), blz. C
7 r°, meedeelt, aan het einde van de Zegherstrate, ‘den boom van
Yesse. Te wetene een persoon liggende te bedde, ende huyt hem spruytende eenen
groten boom up elcken tack sittende een cleen kindekin in witte ghecleet ende
met een crone up thooft, ende Maria inden middel, soe elck dat wel verstaet,
ende daer voren stont: Dits dye roede van Yesse’. Op grond o.a. van de
overeenkomst der namen en het feit dat deze voorstelling, met enig verschil,
die van het blazoen der Middelburgse kamer is, acht Lambrechtsen van Ritthem,
t.a.p., blz. 132 - 137, het voor ‘zeer waarschijnlijk’ dat deze
kamer in 1440 te Brugge was en dan deze pantomime verzorgd zou hebben.
45Kesteloo, Stadsrek., I, blz. 215.
46Stadsrekeningen van Vere, 1445. - In 1464
speelden ze te Vere een esbattement, en in 1466 speelden zij er ‘te
ommegange vanden heligen cruysse’.
47Het amerij-huisje stond in 1490 in het
schuttershof van Sint-Sebastiaan.
48Kesteloo, Stadsrek., II, blz. 105. - Toen in
1483 de ‘batementswagen’ omstreeks Vastenavond tweemaal vervoerd
moest worden, en er twee wielen aan moesten worden gezet, betaalde de stad al
deze onkosten. In 1493 moest Pieter de schilder de wagen stofferen en
schilderen, waarvoor de stad 55 ellen kanefas schonk. In 1495 werd de nieuwe
wagen eveneens op stadskosten met laken bekleed en geschilderd. - T.a.p., II,
blz. 105, 106. - In 1515 stoffeerde de schilder
Willem van den Broucke de wagen voor 20
schelling. - T.a.p., III, blz. 351. - In 1549 werd een pond
‘vlaege’ (spek) gekocht, om er de speelwagen mee te
‘smouten’. - T.a.p., IV, blz. 97.
49Posten uit 1515, 1518 en 1525 voor
tabberdlaken ten behoeve van de rederijkers bij Kesteloo, Stadsrek., III, blz.
351.
50Al het bovenstaande t.a.p., II, blz. 105 -
106.
52T.a.p., III, blz. 351, 352.
53Den boom der schriftueren van VI personagien
ghespeelt tot Middelburch in Zeelant den eersten in Augusto int iaer XXXIX. (Z.
p. e. j.; 1539?) (48 blzn.; 8vo) (Nat. Bibl., 's-Gravenhage, defect ex.). - Den
boom der schriftueren van VI personagien ghespeelt tot Middelburch in Zeelant
den eersten in Augusto int iaer XXXIX. (Z.p.e.j.; 1539?) (38 blzn.; 8vo)
(U.B., Leiden). - Den boom der schriftueren van VI personagien ghespelt tot
Middelburch in Zeelant den eersten in Augusto int iaer XXXIX. (Z.p.e.j.;
Antwerpen, Nic. van Oldenborch, ± 1539?) (32 blzn.; 8vo) (U.B., Leiden;
defect ex.). - Den boom der schriftueren van VI personagien ghespeelt tot
Middelburch in Zeelant, den eersten Augusto, int jaer XXXIX. Tot Dordrecht voor
Jasper Troyens boecvercoper inden Griffioen by de Wynbrug. Anno 1592 (36 blzn.;
8vo) (U.B., Leiden). - Den boom der schriftueren van ses personagien ghespeelt
tot Middelburch in Zeelant, den eersten Augusto, int jaer XXXIX. Tot Gorinchem
by Jan Haensberch, woonende aen 't Kerckhoff int Wapen van Dordrecht, anno 1608
(36 blzn.; 8vo) (U.B., Leiden). - Den boom der schriftueren van VI personagien,
ghespeelt tot Middelburch in Zeelant, den eersten Augusto in 't jaer 1539
opnieuw uitgegeven met een ophelderende woordenlijst door G.D.J. Schotel,
Utrecht, 1870. Een kopie, die het meest overeenkomt met de oudste hierboven
genoemde druk, maar met talloze spellingvarianten, bevindt zich in hs. II, no.
129 van de Kon. Bibl. te Brussel, ‘Spelen van sinnen en
refereynen’, fol. 36a - 47b.
54Vgl. Van Mierlo, De middelnederlandsche
letterkunde van omstreeks 1300 tot de Renaissance, t.a.p., blz. 370.
56Uitgegeven door F. Pijper in de Bibliotheca
Reformatoria Neerlandica, I ('s-Gravenhage, 1903), blz. 287 - 366. Het spel
werd vroeger aan Willem van Haecht toegeschreven, ten onrechte echter;
vgL.c.G.N. de Vooys, Apostelspelen in de rederijkerstijd (Meded. d. Kon. Ak. v.
Wet., afd. Letterk., dl. 65, serie A, no. 5) (Amsterdam, 1928), blz.
11.
57De Vooys, t.a.p. - Terloops breng ik hier de
mogelijkheid ter sprake dat ook ‘Den Boom der Schriftueren’ door
Veerse rederijkers zou zijn opgevoerd. Ook deze immers konden zich ‘Sint
Annen kinderen’ noemen, en in Vere waren de nieuwe denkbeelden op
godsdienstig terrein eer meer dan minder verbreid dan in
Middelburg.
58Pijper, t.a.p., blz. 275.
59H. Reusch. Der Index der verbotenen
Bücher, I (Bonn, 1883), S. 112; Chr. Sepp, Verboden lectuur. Een drietal
indices librorum prohibitorum toegelicht (Leiden, 1889), blz. 90 - 91.
Jacob van Middeldonck, deken van
‘De Damastbloeme’ te Antwerpen, werd in 1546 aangeklaagd omdat hij
vier jaar tevoren ‘Den Boom der Schriftueren’ had voorgedragen, een
spel ‘smakende heresie, contrarie onsen heylighen kersten geloove ende
insetten der heyliger Roomscher kercken’ (Antwerpsch Archievenblad, 8
(1871), blz. 359 - 362). Hij werd echter vrijgesproken. Vgl. J. van Mierlo,
‘Den Boom der Schriftueren’ en het geval Jacob van Middeldonck
(Versl. en meded. d. Kon. Vlaamsche Ac., 1939, blz. 889 - 905).
60G.A. Brands, Tspel van de Cristenkercke
(Utrecht, 1921), blz. XXVI - XXVII.
61De kamers kregen ieder 4 poortstopen Rijnwijn,
de Middelburgse kamer bovendien £ 6 tot goedmaking van de kosten. -
Kesteloo, Stadsrek., III, blz. 351 - 352.
62In 1552 werd van de wijnheren £ 4
ontvangen voor teruggaaf van hetgeen de stad betaald had aan degenen ‘die
de roode zee vuijtgebrocht hebben opden ommeganck-dach’. Een schilder
kreeg in hetzelfde jaar 12 schelling, omdat hij de Rode Zee geschilderd had. In
1553 schilderde
Arend Jansz de Rode Zee, en werden
‘twee Brabansche breede rollen lijnwaets’ gekocht ‘totter
beleedinge van de roode zee’. In 1564 kregen Joos Mahijeu ‘ende
zijn consoorten’ £ 2 ‘van dat zijluijden de Roode Zee
ghespeelt hebben inden ommeganck’. De rekening van 1565 maakt melding van
‘tspel vand(er) roode zee en den duvels wage’. - Kesteloo,
Stadsrek., IV, blz. 69 - 70.
63In hs. M van de Haarlemse kamer ‘Trou
moet blijcken’ bevindt zich een tafelspel, dat meer een soort revue dan
een toneelspel is, en dat blijkens de slotspreuk ‘In minnen
groyende’ van de Middelburgse kamer zou kunnen zijn. VgL.c.G.N. de Vooys,
Rederijkersspelen in het archief van ‘Trou moet blijcken’
(Tijdschr. v. Ned. taal- en letterk., 45 (1926), blz. 265 - 286), blz.
286.
64Register ten Rade, 11 April 1559.
65Unger, Bronnen, I, no. 608, § 2.
66Kesteloo, Stadsrek., IV, blz. 97. -
Jan Thönisz,
‘steêboô’ van Amsterdam, is de dichter van een spel
‘Van Sint Jans onthoofdinghe’, dat van een reformatorische geest
doortrokken is. Vgl. Kalff, III, blz. 71. Te Thielt werd in 1614 ‘'t spel
van Sente-Jans onthoofdinghe’ gespeeld (Worp, Geschiedenis van het drama
en van het tooneel in Nederland, t.a.p., II, blz. 105).
67Kesteloo, Stadsrek., IV, blz. 70 - 71.
68Unger, Bronnen, I, no. 213, §
4.
69Unger, Bronnen, I, no. 221. - Ook in 1544 was
de bewaking van de stadspoorten al aan ‘die scutterie ende
rethoricque’ opgedragen; t.a.p., no. 495.
71T.a.p., no. 524 (1566), no. 531 (1567), no.
254 (1570 of 1571), no. 534 (1572).
73Onderzoek van 's konings wege ingesteld
omtrent de Middelburgsche beroerten van 1566 en 1567; uitgegeven door J. van
Vloten (Utrecht, 1873), blz. 205.
74Unger, Bronnen, I, no. 535, en Register ten
Rade, 30 October 1568. - Het gilde bleef de vijf schellingen 's maands
genieten, die het van de stad ontving, en was verplicht om ook tijdens de
schorsing de dienst in de kerk te blijven uitoefenen. Mr. Jacob Sagarus,
overdeken, stelde het gilde van een en ander in kennis.
75Het opschrift luidt: Dit is het omgaende spel
datmen speelt altijt op den ommegancxdach binnen Middelburch drij weecken naer
Sinxen ende elf dagen naer Sacramentsdach ende moet ghespeelt weesen bij den
drij joncxsten vanden ambachte van de barbiers winckel houdende binnen der
stadt ende een de joncxste op Armuijden, dies moet altijt de joncxste waer hij
woont, Godt weesen, wt wijsende onse previlege ons bijden heeren deeser stadt
verleent; het onderschrift: finis coronat opus. Dit spel is lanck 77 regulen.
Adolphus van Lare me scripsit anno 1569 die vero 4 mensis Junij. - Het spel is,
maar niet feilloos, afgedrukt in: A.A. Fokker, Losse bladen uit de geschiedenis
van het chirurgijnsgilde te Middelburg (Tijdschr. d. Ned. Maatsch. ter bev. d.
geneesk., 1877, II, blz. 346 - 349), en nogmaals in: D. Schoute, Uit boeken die
verloren gingen (Ned. tijdschr. v. geneesk., 85 (1941), blz. 3620 - 3629), met
een facsimile van het hs.
76Schoute, t.a.p., blz. 3621, ziet in Van Lare
alleen de afschrijver van het spel, dat volgens hem veel ouder is. Zolang we
geen aanwijzingen hebben voor het tegendeel, is er m.i. echter geen aanleiding
om de woorden ‘me scripsit’ anders op te vatten dan als
‘heeft mij gedicht’.
77Uitgegeven door G.D.J. Schotel in: De legende
van den Geusen troubele over Zeelant in den jare 1572 ende 1573, door een
Roomsch Catholyk tijdgenoot. Met een voorwoord (Leiden, 1872). Het hs. bevindt
zich in het Gemeente-archief te Leiden (no. 7688). De vorige eigenaar, de
stadsarchitect van Leiden Van der Paauw, meende dat het hs. door
Jan van Hout was afgeschreven en
vermoedelijk door hem ook op de Leidse kamer was voorgedragen. J. Prinsen JLz.
acht het niet onwaarschijnlijk, dat Van Hout, als hij de gedichten inderdaad
heeft gekopieerd, om ze in de kamer voor te dragen, er een
‘liedeken’ van zichzelf aan heeft toegevoegd (Tijdschr. v. Ned,
taal- en letterk., 22 (1903), blz. 238). Noch voor het een, noch voor het ander
is m.i. het minste bewijs.
78Register ten Rade, 28 April 1582. - Verdere
berichten over de lotgevallen der kamer in deze jaren bij Kesteloo, Stadsrek.,
IV, blz. 97 - 98. - In de rekeningen van 1580 en volgende jaren komen posten
voor wegens huur van de rederijkerskamer ‘om daerinne te houwen het
lantrecht van Middelburch’. De stad huurde de kamer van 1579 tot 1648,
toen het Landrecht zijn zetel op het stadhuis vestigde. Vgl. Kesteloo,
Stadsrek., VI, blz. 60.
79Zoals Lambrechtsen van Ritthem, t.a.p., blz.
155 - 156, veronderstelt.
80Dit blazoen, op een eikenhouten ruitvormig
bord afgebeeld, kwam later in bezit van het wijnkopersgilde, dat het in 1805
aan het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen schonk; het hangt thans in de
vestibule van het Museum. Het stelt ‘de boom van Jesse’ voor: de
ter aarde liggende, in diepe slaap verzonken profeet Jesaja, in een met
kunstige gouden figuren versierd gewaad gehuld, uit wiens lichaam een boom
oprijst met lange, smalle bladeren. Op de takken zitten rechts de H. Anna, de
patrones der kamer, en links de H. Maagd. De eerste houdt een boek in de hand;
haar gelaat toont oudere trekken en zij draagt het achterhoofd gesluierd; de
tweede bespeelt een kleine harp, is ongesluierd, maar heeft een sluier in
sierlijke plooien van de linkerschouder afhangen. In de kruin van de boom zit
het Christuskind met de wereldbol in de hand; een kronkelend lint onder hem
draagt het opschrift ‘In minnen groeyende’. Links van de boom, op
een versierd schild, is het wapen van Zeeland, rechts dat van Middelburg
afgebeeld, beide in de juiste kleuren geschilderd, en geheel bovenaan, tussen
twee gouden roosjes, het wapen van de Prins van Oranje, met het jaartal 15 -
89. Op de achtergrond is een stad met gekanteelde muren geschilderd, waarvan de
poorten, de torens en de gebouwen duidelijk zichtbaar zijn. De met blokjes
versierde rand draagt het randschrift ‘wt de wortel van Jesse zal een
struixken ryse en daer op een bloome waerdich om pryse, 1589’. - De
voorstelling berust, zoals bekend, op de Messiaanse profetie in Jesaja 11, vs.
l en 10. - Vgl. de beschrijving van het blazoen bij Marie G.A. de Man, t.a.p.,
blz. 5 - 7, met de afbeelding ervan.
81Volgens Schotel, t.a.p., II, blz. 172, waren
36 rederijkers op dit schilderij afgebeeld, en luidde het onderschrift:
Hendryck Laurys prince in syner
leven,
Jacob van Berghe was deken
voorwaer,
Doen wert dit paneel gemaeckt als men heeft geschreven,
Vyftien hondert en een en tnegentig jaer.
82Beschreven en afgebeeld bij Marie G.A. de Man,
t.a.p., blz. 12 - 13. Deze penning draagt evenals die van 1642 de voorstelling
van de boom van Jesse. De ordonnantie van 1514 spreekt van een metalen
draagpenning, waarvan echter geen exemplaar bekend is. Misschien is deze
dezelfde als de penning die Schotel, t.a.p., II, blz. 173, heeft
beschreven.
83Zie: De kroniek van Pieter Joossen Altijt
Recht Hout, medegedeeld door R. Fruin (Archief Z.G.d.W., 1909, blz. 65 - 96). -
Dat Pieter Joossen, die in 1586 in het timmermansgilde was opgenomen, lid van
het ‘Bloemken Jesse’ was, blijkt uit het referein dat hij voorin
zijn kroniek schreef.
84Ook de ‘Verklaringhe van een monnincks
cap, hare cracht, macht, deucht ende virtuyten. Item een ghedicht van 't
Bestandt. Tot Middelburch, by Jasper de Craeyer. 1609’ (8 blzn.; 4to)
(Pamflet Knuttel, no. 1574; vgl. nos. 1575 en 1575a) is, omdat het bij een
Middelburgs uitgever het licht zag, misschien van een Middelburgs, althans van
een Zeeuws rederijker. De dichter ondertekent alleen met zijn zinspreuk:
T'heeft al syn tijdt.
85De vraag luidde: ‘Wat 's d'oorsaeck
meest, waerom 'tverkeerde werelts rond, Sich waenwijs so bedrieght, en bloeyd
in alle sond?’ Het antwoord van het ‘ Bloemken
Jesse’: ‘Om dat 's ong'loovigh waent, dat Gods belofte
traeght’, ondertekend met de zinspreuk der kamer, is afgedrukt in het:
Antwoort op de vraghe, uytghegeven by de Brabandsche reden-rijck camer 't Wit
Lavender, Uyt levender jonst tot Amsterdam (Amsterdam, 1613), blz. D v° - D
2 r°. Het antwoord van een der leden van de kamer (zinspreuk: Kent u
selven): ‘'sVleesch hoochmoedich vernuft, is oorsaec aller sonden’:
blz. E 4 v° - F r°. Het antwoord van de kamer op de vraag van het
referein: blz. L 3 v° - L 4 r°, dat van een der leden ‘in 't
particulier’: blz. N 2 v° - N 3 r°, het ‘liedeken’
van de kamer: blz. S 4 r°, dat van het particuliere lid: blz. V 2 v° -
V 3 r°.
86De vraag luidde: ‘Of Gods ghenade door
Christi lijden en 's gheests kracht Ons salicheyt maer ten deel, of gheheel
heeft ghewracht?’ Het antwoord van het ‘ Bloemken
Jesse’, bij monde van Cannenburgh: ‘Niet wy, maer Godt
alleen heeft ghewracht ons heyl goedich’, ondertekend met de zinspreuk
der kamer, is afgedrukt in het: Nootwendich vertoogh der alleen-suyverende
springh-ader aller kinderen Gods (Haerlem, 1614), blz. B 7 v° - B 8 r°.
De lijst der prijzen vermeldt dat het afkomstig is van een lid der kamer,
‘tot zijn devijs schrijvende. God is mijn Burcht’. Het antwoord op
de vraag, op de stokregel: ‘'T is al volbrocht aen tCruys, sprack wech
waerheyt en leven’, ondertekend met de zinspreuk ‘Kent u
selven’, en dus van dezelfde rederijker die op het feest van ‘'t
Wit Lavender’ was geweest: blz. D 4 v° - D 5 r°. Het antwoord op
de vraag, op de stokregel: ‘Gods ghenade, Christi lyden, en 'sgheests
kracht alleen Heeft ons salicheyt gheheel ghewracht voor groot en cleen’,
ondertekend met de zinspreuk ‘Al om vreucht’: blz. F 7 v° - F 8
r°. De drie antwoorden op de vraag van het referein, op de stok:
‘Want Reden leert deucht, oock sich selfs verwinnen’: blz. I 2
v° - I 3 r°, K 7 v° - K 8 r°, N 2 v° - N 3 r°. De drie
antwoorden op het lied: blz. O 5 v°, P 4 r°, Q 5 v°. - Van het
‘Nootwendich vertoogh’ bestaan ook exemplaren onder de titel: Der
reden-rijcken springh-ader (Haerlem, 1614).
87De vraag luidde: ‘Waer door geniet de
mensch zijn meeste rust en lust?’ Het antwoord van Cannenburgh:
‘Door Godts liefd' en ghenaed' in Christus doot volbracht’ is
afgedrukt in: Levenders reden-feest, oft Amsteldams Helicon, op-ghestelt by de
Brabantsche reden-rijcke vergaderingh uyt levender ionst (Amsteldam, 1624),
blz. C 4 r° - C 4 v°. Het antwoord op het referein: blz. I 3 r° - I
3 v°, het liedeken: blz. O 3 r°. De prijs voor ‘den sin-rijcksten
reghel’ bestond uit ‘een gheamaellieerde fruyt-schael’, die
voor het referein uit ‘een gheamaellieerde kelck’, die ‘van
't verst' coment’ uit ‘een minghels wijn-kan’.
88De vraag luidde: ‘Welck is d'weerdighste
vrucht, die Godt ons heeft ghegheven?’ Het antwoord van Cannenburgh:
‘Het is de weerdtste vrucht, een vrucht des buycx Marije’ is
afgedrukt in: Der Wit-Angieren eeren-krans: ghesproten uyt de Vlaemsche natie
(Haerlem, 1630), blz. B 3 v° - B 4 r°. Het antwoord van een ander lid
van de kamer (zinspreuk: Houdt raedt voor daedt) op de stok: ‘Daer is
geen weerder vrucht, als Christus, 't bloemken Iesse’: blz. B 4 v° -
C r°. De antwoorden van beide rederijkers op het referein: blz. L 4 v°
- M r°, M v° - M 2 r°, de liedekens: blz. V 2 v°, V 3
r°.
89De vraag luidde: ‘Wat oeff'ningh is elck
best, en nodighst voor 't gemeen?’ Het antwoord van Bollaert: ‘Den
sulcken wort belooft, dit en toecoment leven’ en dat van een ander
rederijker van het ‘Bloemken Jesse’ (zinspreuk: Hout raedt voor
daedt): ‘Naer Godes wil en woort, recht bidden soo 't behoort’ is
afgedrukt in: Vlissings Redens-lust-hof (Vlissinge, 1642), blz. H 2 r° - H
3 v°. Hun antwoorden op de regel: blz. X 2 r° - X 3 v°, op het
lied: blz. Hh 4 v° - Ii r°, Bollaerts antwoord op het kniewerk: blz. Tt
v° - Tt 2 r°. - Van Bollaert bevat de bundel bovendien nog een
‘Knie-werck. Bedanck-rijmpjen aen het Broederschap van de Blaeu
Acoleye’: blz. (XX) 2 v°.
90Deze zeer artistieke penning, die aan de ene
zijde een voorstelling van de boom van Jesse draagt, is het werk van de bekwame
stempelsnijder Johannes Looff. Zie: Marie G.A. de Man, t.a.p., blz. 14 - 16;
idem, Het leven en de werken van Johannes Looff, stempelsnijder en graveur te
Middelburg (Archief Z.G.d.W., 1925, blz. 1 - 72), blz. 56 - 57.
90aNotulen ten Rade, 30 Juli 1621.
91Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 105. -
Cannenburgh was getrouwd met
Catharina Bertgels. Toen op 4 Mei 1607
uit dit huwelijk een dochter werd gedoopt, was de vrouw van de predikant
Hermanus Faukelius een der getuigen. Wellicht valt hieruit iets op te maken
voor de maatschappelijke stand, waartoe Cannenburgh behoorde..
92Het tweede deel van ‘'t Geuse
liet-boeck’ (Amstelredam, ± 1640) bevat een ‘Veldt-slach,
gheschiedt in Vlaenderen en by Nieupoort, door Albertus ten een sy, ende
Maurits Prince van Orangien ter ander sy, daer den Admirant met veel groote
heeren gevangen wiert, ende de nederlage cregen, 2 July’ (Het
Geuzenliedboek, naar de oude drukken uit de nalatenschap van E.T. Kuiper
uitgegeven door P. Leendertz Jr. (Zutphen, 1924 - 1925), no. 170), dat Kuiper
om de kursief gedrukte voorlaatste regel: ‘Godt is mijn Borght’
eveneens aan Cannenburgh toeschrijft.
93Pamflet Knuttel, no. 1192 - 1195.
94Pamflet Knuttel, no. 1197; B.B., D. 137.
95Een t'samensprekinge van twee personagien, te
weten, Polytick Verstant ende Partialen Sin, de welcke handelen vant inhout des
Domp-hoorens ende noch andere voorvallende saken. Retrograde. Papen en Iesuiten
zijn wijs niet ongeleert, Altijt wiltse beminnen sonder afwijcken: Schapen
Christi zijnse geensins verkeert, Verblijf u dies arme ende rijcken. Ghedruct
int iaer 1602 (28 blzn.; 8vo) (Pamflet Petit, no. 771). - De dialoog en de
refereynen en liedekens zijn alle ondertekend met de zinspreuk: God is mijn
Burght.
96Een nieu liedeken, op de wijse: Den tijt is
hier. - Blz. C 2 v° - C 3 r°. - In het laatste couplet zijn de woorden
‘In minnen groyende’ kapitaal gedrukt.
97Refereyn (stokregel: Ick duchte d'Infante sal
daer misval af crijghen). - Blz. C 3 v° - C 4 r°. - Dit referein is ook
afzonderlijk gedrukt onder de titel: Refereyn op den Domphoom (z. pl. en j.; l
bl. folio) (Pamflet Tiele, no. 497).
98Refereyn, ende dancksegghinghe voor de genadighe
beschuttinge die ons de Heere dus langhe in dese landen bewesen heeft
(stokregel: Loff zy u noothelper nu, en t'allen tijden). - Bij een ketendicht
rijmt het slotwoord van elke regel op het beginwoord van de volgende. Vgl. J.
van Leeuwen,
Matthijs de Castelein en zijne Const van
rhetoriken (Utrecht, 1894), blz. 60.
99Een nieu liedeken, op de wijse, Schoon
ionckheerken vol van trouwe. - Blz. C 5 v° - C 6 r°.
100Een cleyn vensterken, waer door gekeecken werdt
hoe die groote meesters haer tot de poorten der hellen wentelen, soo met haer
gevangen zielen te vermoorden, alsoo, naer dat hy ghesouten waer, zijn
inghewandt in een dieff-put begraven werdt. In dicht gestelt. Door een cloeck
moedich Seuw (z. pl. en j.; 8 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 2753). - Andere
uitgaven: Pamflet Knuttel, nos. 2754 en 2755: 3de druk. - De
‘liedekens’ zijn alle vier ondertekend met de zinspreuk: Godt is
mijn burcht. Het eerste en het vierde zijn opgenomen in: Eene nieuwe tijdinghe,
ofte clachte, Johans van Oldenbarnevelt, over synen staet daer hy nu
tegenwoordigh in is, daer hy meynde verheven te syn: nu so vernedert is
gheworden. Noch is hier by gevoecht een vrolijcken ende ghenoechlijcken
Trommelslagh seer vermaeckelijcken ende kortswijlich. Met noch een Refereyn,
ghemaeckt op den naem van de principallste Arminiaensche predicanten. Alles
door eenen liefhebber der Nederlantscher vrije provintien. Na de copye tot
Middelborgh, anno 1618 (4 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 2756). - Bovendien
is het eerste opgenomen in: Het tweede deel van 't Geuse Liet-boeck
(Amstelredam, ± 1640), en het eerste en vierde in: Een nieu Geuse
Liedt-boeck ... 't Derde deel (Haarlem, 1645) (Het Geuzenliedboek, t.a.p., nos.
199 en 200).
101Protest. Ofte scherp dreyghement, 't welck den
coninck van Spagnen is doende d'Heeren Staten Generael, den Prince van Oragnen,
als admirael vande zee, d'Heeren Bewint-hebbers vande Oost ende West-Indische
compagnien: als oock mede alle capiteynen, reeders, ende participanten vande
vrye-vaert. Ter occasie van 't veroveren vande Silver-vlote. Met de antwoorde
op het selve protest. Als oock een liedt, daer op passende. Tot Middelburgh,
ghedruckt voor
Jacob vande Vivere, boeck-vercooper,
woonende by de nieuwe Beurse, in de nieuwe Druckerie, anno 1629 (16 blzn.; 4to)
(Pamflet Knuttel, no. 3861). - In de laatste regel van het
‘liedeken’ noemt de dichter zich ‘Iesses Soon’.
102Lof-dicht. Ofte dancksegginghe over de twee
heerlijcke victorijen, ons onlancx corts naer malcander van Godt de Heere
verleent, namentlijck de stadt Wesel, ende de gheachte onwinbare stadt 's
Hertoghenbosch. By een ghestelt door Hendrick van Kannenburch. Middelburgh,
ghedruckt voor Iacob vande Vivere, boeck-vercooper, woonende op den hoeck vande
Nieuwe Beurse, inde nieuwe Druckerie, anno 1629 (16 blzn.; 4to) (Pamflet
Knuttel, no. 3888). - Het ‘Lof-dicht’ zowel als het
‘Danck-liedt’, dat er op volgt, zijn ondertekend met de zinspreuk
van de dichter; het eerste begint met een aanroep tot ‘Jesses jonghste
soon’. - Beide zijn herdrukt in: Lof-dichten, ter eeren den
doorluchtighsten vorst Frederic Henric Prince van Orange, &c. over de twee
voortreffelijcke victoryen der stercke steden Wesel, ende het on-winbaer
geachte 's Hertogen-bosch: vervatende een verhael van 't ghepasseerde zedert 't
optrecken der Prince van Orange, tottet veroveren van 's Hertogen-bosch. Tot
Amsterdam, voor Jacob Pietersz Wachter, boeck-verkooper woonende op den Dam,
anno 1629, blz. D 3 r° - E 3 r° en E 3 v°. Behalve Cannenburgh
bezongen ook Willem Wijnants en de Vlissingse rederijker Vincent Mathijsz het
beleg van 's-Hertogenbosch. De literatuur over dit onderwerp is bijeengebracht
in: (C Ingen-Housz), Literatuurlijst van het beleg van 's-Hertogenbosch in 1629
(Handel. v. h. Prov. genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant,
1927 - 1929, blz. 93 - 152).
103Kesteloo, Stadsrek., VI, blz. 63. - In
dezelfde tijd woonde een schilder
Jacob Wynants te Middelburg, waar hij al
in 1601 voorkomt en in 1611 als getrouwd met
Jacobmynken Jansdr. van Serooskercke wordt genoemd. In 1620 en 1634 was hij beleder, in 1637 deken van het
Sint-Lucasgilde. Vgl. A. Bredius, Künstler-inventare, V (Haag, 1918), S.
1614 - 1616.
104Treur-klachte over den teghenwoordighen
bedroefden staet, van ons lieve vaderlandt. Tot Middelburgh; ghedruckt voor
Zacharias Rooman, boeck-vercooper, woonende inde Kerck-strate, inden Vergulden
Bybel, anno 1628 (l bl. in plano) (Pamflet Knuttel, no. 3806).
105Spaensche tryumphe, Over de begintselen haerder
victory, midtsgaders een aen-wijsinge vande subijte veranderinge, door de
groote weldaet Godst (sic), in 't verlossen der lang' verdructer burgerije
binnen Wesel. Daer beneffens het veroveren der stercke stadt s'Hertogen-bosch,
verovert den 17. September 1629. door den doorluchtigen hooch-geboren Vorst
Frederick Hendrick Prince van Orangien. Nae den lacchen komt treuren, en uae
(sic) der vreuchde komt leet. Prov. 14. 13. Door
W. Wynants. Tot Middelburgh, by
Zacharias Roman, kunst ende
boeck-vercooper, woonende inde Kerck-strate, inden Vergulden Bybel, anno 1629
(12 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 3904). - De ‘Spaensche
tryumphe’ is overgenomen in: Lof-dichten, t.a.p., blz. H v° - H 4
v°.
106Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 50; N.N.B.W.,
III, kol. 136 (C. de Waard). - Een klaarblijkelijk veel oudere broer van Samuel
Bollaert, Daniel, had uit zijn huwelijk met
Maria Conyns (of
Quirynsen) een zoon, eveneens Samuel
geheten, die 6 October 1619 te Middelburg gedoopt was. Het is niet onmogelijk,
maar wel zeer onwaarschijnlijk dat deze Bollaert de rederijker is geweest; hij
zou dan op zijn één-en-twintigste jaar al een uitgebreid oeuvre
achter de rug moeten hebben gehad. Een familie Bollaert, uit Reimerswaal
afkomstig, was later te Tolen en te Middelburg gevestigd.
Johannes Bollaert (1641 - 1694), zoon
van een uit Goes afkomstig Middelburgs bontwerker, was van 1681 tot zijn dood
predikant in zijn geboorteplaats Middelburg. Ook in Zieriksee was in de
zeventiende eeuw een familie van deze naam gevestigd.
107Het hs. telt 166 blzn.; achteraan ontbreekt
waarschijnlijk één blad. Het berust in de Prov. Bibliotheek van
Zeeland. Op de eerste bladzijde staat bovenaan de naam van Catharina Coorne
geschreven, en voorin het bundeltje is een ‘Naem versset, op den name van
Chatarina Coren’ opgenomen. De voorrede is gedateerd: In Middelburch, 20
Februarij 1640.
109Dit hs., dat eveneens in de Prov. Bibliotheek
van Zeeland berust, telt 166 beschreven folio-blzn.
111In 1649 luidde de vraag: ‘Wat doeter nu
en dan de geesten zoo verflouwen? Wat doet by dees of geen de conste
wederhouwen?’, in 1650: ‘Van wien is aldereerst Rethorica
gebooren?’, in 1651: ‘Van wien wort huydendaechs de weerelt meest
bedrogen?’, in 1656: ‘Waerin de meeste vreught op aerden is te
vinden’, in 1657: ‘Waer deur de scherpste pijl op aerden wert
geschoten’, enz.
112Vgl. hierna, blz. 424 - 426.
113Hij werd in 1645 notaris te Middelburg, maar
al in 1653 werd hem de uitoefening van zijn ambt binnen de jurisdictie van
Middelburg weer ontzegd (Secreet register ten Rade, 30 Januari 1653). Na dat
jaar komt zijn naam in het hs. niet meer voor; waarschijnlijk heeft hij
Middelburg toen verlaten. - Indien hij een zoon is van Crijn Cornelisz. Boy uit
Zieriksee, is zijn vader een half-broeder van mr.
Cornelis Boy (1612 -
1665).
114Munsters kleuter-spaen (z. n. v, pl., v. dr. en
z. j.) (8 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 5526; vgl. no. 5527), - Het gedicht
is ondertekend met Bollaerts initialen en zijn zinspreuk.
115Zie over hem: De la Rue, blz. 187 - 188;
Nagtglas, II, blz. 952 - 953. - Willemsen schreef: ‘De gangen Gods in
zijn Heiligdom, zoo des Ouden als Nieuwen Verbonds’ (1683; 2de druk:
1706) en ‘Sions zielsbanketten voor de genooden des Heeren ... ontworpen
in verscheide dichtmaten’ (1713; 2de druk: 1731; 3de druk: 1757). Achter
de derde druk (blz. 543 - 557) van het laatstgenoemde werk, die bezorgd is door
zijn neef Jacobus Willemsen, zijn ook opgenomen de antwoorden op de vragen, in
1680 door de Middelburgse kamer uitgeschreven voor haar eigen leden, waarvoor
Willemsen de eerste prijs ontving.
116De antwoorden op de vraag: ‘Waerom
kreeg Nederlant in dit jaer sulken krack’ en op het lied op de stokregel
‘Hoe God Ne'erlandt sal verschoonen’ zijn verzameld in de bundel:
‘Ne'erlandts vallende oorsaeck’ (Middelburg, 1673). Van de
Middelburgse gildebroeders vinden we daar genoemd:
Jan Pietersen Slingertrecht (zinspreuk:
Slingert recht; antwoord: ‘Om dat'er trouw, en gelt, soldaet, en hooft
ontbrack’), Arent Roggeveen (antwoord: ‘'t Is om dat hovaerdy, en
alle snoode sonden, staet-sucht en eygen-baet, regeert en blijft rebel’),
Jacobus Willemse (zinspreuk: Ontfanght
en geeft, Laet los en kleeft; antwoord: ‘Want dat komt, soo my dunckt,
van onser aller sonden’), een anonymus (zinspreuk: Lijdtsaemheydt baert
vreught; antwoord: ‘Om Ne'erlandts sonden wil, komt het in dees
ellenden’), J. M. J.D. (misschien Johan Molier, juris doctor, die van
1676 tot 1678 thesaurier van Middelburg was?) (zinspreuk: U hert houdt reyn;
antwoord: ‘Door hooghmoedt en ontrouw kreegh Ne'erlandt sulcken
krack’) en
Remigius Schryver (zinspreuk: Noyt
vol-leert; antwoord: ‘Om dat God op syn tijt (om haer schult) recht wou
thôônen’). Deze antwoorden en de liederen zijn afgedrukt op
blz. C 2 r° - E r°, maar die van Schryver staan (op blz. E 3 r° - E
4 r°) onder die van de Vlissingse kamer. Berust dit op een vergissing? In
elk geval was hij lid van het ‘Bloemken Jesse’, en zijn lied is
ondertekend: ‘In Middelburgh, den 30 Decembris 1672’. - Remigius
Schryver († 1681) was o.a. organist van de Nieuwe kerk en klokkenist van
de Abdij-toren, bovendien een bekwaam componist. Slingertrecht noemt zich ook
Saleingere. Hij was in 1665 lid en in
1676 beleder van het Sint-Lucasgilde. De Catalogus der letterkundige
nalatenschap van Jacobus Koning, I, Handschriften (Amsterdam, 1833) noemt onder
no. 2099 een ‘eigenhandig geschrift en biographie van Remy Schrijver,
beroemd musicus en organist. 1670’, waarnaar ik tevergeefs zocht. Zie
over hem: Nagtglas, II, blz. 616. Schryver kreeg de tweede prijs voor de vraag,
Slingertrecht die voor de ‘sin-rijcksten regel’ en voor het beste
lied. ‘Ne'erlandts vallende oorsaeck’ bevat verder nog een
‘Middelburghse in-trede tot de Vlissingse redenaers’ (blz. B
v°) en een ‘Schuldige danck-plicht’ (blz. H 2 r°), beide
van Roggeveen, een ‘Aen-spraeck, tot Nederlandt’ (blz. B 2 r°),
‘Messias-komst’ (blz. H 3 r°), en enkele korte rijmen (blz. B 3
v° en B 4 r°), alle van Schryver, en een éénrijmige
‘Momus-rolle’ (blz. H 2 v°) en twee korte
‘danck-veerzen’ (blz. B 4 r°) van Slingertrecht.
117Het antwoord van het ‘Bloemken
Jesse’ is afgedrukt in: Korenaers Pincxter-feest (Leyden, 1679), blz. C 2
r° - v°. Ook aan de wedstrijd van de regel ‘Dus kan de botste
hier de g'leerste overtreffe’ nam Middelburg deel: blz. C 2 v° - C 3
r°. Op de ‘Sotto-vraegh’: ‘Segt wie dat sotter sijn, die
schijnt in wijsheyt euvel, Of die de kap om 't lijf, en bel draegt aen de
keuvel?’, antwoordde het ‘Bloemken Jesse’ met: ‘Die wys
wil syn, en nochtans inder daet heel bot is. Ik sech u op de vraegh, dat hy de
grootste sot is’: blz. E 4 r° - v°. Op de knieregel: ‘Dus
sprack hy, en sijn spraeck was d'oorsaeck van sijn sterven’ antwoordde
het met ‘den Soone Godts’: blz. G 3 v° - G 4 r°. Het
‘Af-scheyt liet’: blz. H 4 r° - v°.
118Nieuw-jaers-gift aen Mittels Reden-hof, op de
geestige vragen van Pallas, voorgestelt en door de redenaers en lief-hebbers
van de Spruyte Jesse, onder 't woord In minnen groeyende, beantwoort binnen
Middelburg in Zeelant, den 1. Jan. 1680. Tot Middelburg, gedruckt by Johannes
Meertens, boeckdrucker woonende in de Gist-straet, in de Globe, 1680 (VIII, 68
blzn.; 8vo) (U.B., Groningen). De antwoorden zijn van
Johan Boudaan Courten, opperprins
(zinspreuk: In liefde boud-aan), (Arent Roggeveen?) (zinspreuk: 't Verandert
al), Jacobus Willemsz (zinspreuk: Ontfangt en geeft), een anonymus (zinspreuk:
Altijd liefde),
Remigius Schryver(zinspreuk: Noyt vol
leert), (Jean David) Macquet, J. Halibertus (zinspreuk: Smert baert vrugt). J.
Wymers (zinspreuk: Den aanhouwer wint),
Pieter Pietersz. Dathenus, Roelant Adolphs
(zinspreuk: Memento mori), mr.
Daniel Vincentius, een tweede anonymus
(zinspreuk: Alle ding heeft sijn tijdt) en
Hermanus Harthouwer (zinspreuk: U hert
hout reyn), de conciërge van de kamer. De prijswinnaars hebben hun
erkentelijkheid in ‘danck-verssen’ geuit. Een sonnet van een derde
anonymus (zinspreuk: Mijn borgt is hemelrijck) besluit het bundeltje.
119Mr. Daniel Vincentius (1658 - na 1730) was
als advocaat eerst te Vlissingen, daarna te Middelburg gevestigd. Hij is de
vader van de dichteres
Anna Maria Vincentius (1697 - 1730). -
Zie: Nagtglas, II, blz. 858.
120Petrus Dathenus Pz. († 1746) was
geboren te Leiden. Hij schreef: Lof der Christelyke mededeelzaamheid, in rym
(Middelburg, 1741). - Zie: Nagtglas, I, blz. 149 - 150.
121Al in 1579 was de financiële toestand
van de kamer minder rooskleurig, blijkens de verpachting van het gebouw aan de
stad. In 1639 werd het met een hypotheek van £ 204 tegen 5% bezwaard, in
1665 leende men f. 2.000. - als tweede hypotheek tegen 4%. In 1678 werden
opnieuw 1500 carolusguldens opgenomen.
122De verkoop bracht £ 401 op; kopers
waren
Comelis Versluis,
Anthon Colyn,
Cornelis Govaerts en
Pieter van Goetthem. - Marie G.A. de
Man, t.a.p., blz. 26 - 27. - Een beschrijving van het gebouw, zoals dit er in
de tweede helft van de achttiende eeuw uitzag, vindt men in ‘Zeelands
chronijk almanach’ van 1786, blz. 1022 - 1024. - Een lange, smalle gang,
tot 1940 nog tussen de percelen C. 12 en 13 op de Markt aanwezig, gaf toegang
tot de kamer. Een ‘Lijst van Middelburgsche rederijkers, wier namen in de
ordonnantie, stadsrekeningen of elders voorkomen’ werd samengesteld door
Marie G.A. de Man, t.a.p., blz. 28 - 40. - Nog andere namen vindt men in een
‘Lijst van Middelburgsche rederijkers’ (1847), opgemaakt door F.H.
Batenburg (hs. Bibliotheek Z.G.d.W.).
123Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 523 - 525;
N.N.B.W., I, kol. 1439 (F.E. Mulert). - Roggeveens geboortejaar is niet bekend.
Uit zijn huwelijk met
Maria Storm zijn drie kinderen geboren,
o.a. de bekende mr. Jacob Roggeveen (1659 - 1729), de ontdekker van het
Paaseiland en een strijdbaar voorvechter van het Hattemisme.
124Kesteloo, Stadsrek. van Middelburg, VII, blz.
78, VIII, blz. 131.
125In het hiervóór op blz. 85
genoemde hs. met refereinen uit de jaren 1650 - 1662 komen twee liederen van
hem voor.
126Het nieuwe droevige nacht-licht, ontsteken door
Godts toren, ende vertoont op den aerdt-kloot, in een comeet ofte staert-starre
den 15 December 1664, tot den 9 Februarij 1665, waer in wort aengewesen den
wonderlijcken loop der selve. Beschreven door Arent Roggeveen, lief-hebber der
mathematica, professie doende in de selfde konst tot Middelburgh in Zeelandt.
Voor den autheur. Tot Middelburgh, gedruckt by Thomas Berry, boeck-drucker,
woonende op de Noort-zijde van den Dam. Anno 1665 (XII, 38 blzn.; 4to) (Pamflet
Knuttel, no. 9204). - Het geschrift is opgedragen aan gecommitteerde raden van
Zeeland en de magistraat van Middelburg. Lofdichten van C. Udemans en J.
Pietersz. Slingert reght gaan er aan vooraf.
127Het eerste deel van het brandende veen
verlichtende alle de vaste kusten ende eylanden van geheel West-Indien,
beginnende van de linie aequinoctiael, ofte Rio Amasones; gaende noordwaert
door het Canael van Bahama, ende eyndigende aen het noordelijckste van
Nieu-Nederland, voortgaende benoorden Tarre-Neuf. Als meede alle de Caribes en
West-Indise eylanden. Met een klaere beschrijvinge der selver: verthoonende in
veele hier ingevoeghde zee-kaerten, alle de havens, revieren, baeyen, reeden,
diepten en droogten, seer curieus op sijn behoorlijcke poolus hoogte gelegt, en
versien met opdoeninge der principaelste landen; en op wat coers en veerheyt sy
van malkanderen geleegen zijn. Met groote kosten en vlijt by malkanderen
gebracht, uyt de meeste ervarenste schippers en stuurlieden haer eygene
ondervondene, en afteyckeninge. Door Arent Roggeveen. Liefhebber mathematicus,
professie doende in de zelfde konst tot Middelburg in Zeeland. t'Amsteldam,
gesneeden, gedruckt en uytgegeven door Pieter Goos, in compagnie met den
autheur. Met privilegie voor 15 jaren (XII, 62, II blzn. en 32 krtn.; folio)
(U.B., Amsterdam). - Het boek is opgedragen aan
Willem III, de Staten van Holland,
Zeeland, Westfriesland en Utrecht en de colleges der Admiraliteiten. Een
lofdicht van J. P. S. Slingert recht en twee gedichten van Roggeveen zelf
(‘Het boeck spreeckt’ en ‘Den autheur tot sijn boeck’)
gaan er aan vooraf.
128Voorlooper op 't octroy, van de Hoog. Mog.
Heeren Staten Generael, verleent aen Arent Roggeveen en sijn medestanders, over
de Australisse zee ofte beter geseght het onbekende gedeelte des werelts,
gelegen tusschen de meridiaen der strate Magalanes westwaert, tot de meridiaen
van Nova Gunea, soo noordtwaert als zuydtwaert. Midtsgaders, de articulen waer
naer een yder die eenige somme gelts inteeckent hem zal hebben te reguleren;
beneffens een kaerte van 't selfde district. Beschreven door den voornoemden A.
Roggeveen. Tot Middelburgh, gedruckt by Pieter van Goetthem, ordinaris drucker
van de Ed. Mo. Heeren Staten van Zeelandt. 1676 (IV, 24 blzn.; 4to) (Pamflet
Knuttel, no. 11391). - Het geschrift is gedeeltelijk herdrukt in: De reis van
mr. Jacob Roggeveen ter ontdekking van het Zuidland (1721 - 1722), uitgegeven
door F.E. Mulert ('s-Gravenhage, 1911), blz. 11 - 19, met de requesten van
Arent Roggeveen, de resoluties der Staten-Generaal en andere officiële
bescheiden betreffende Roggeveens plannen.
129* Het Staten lof en der zee-helden bazuyn;
uyt-geblasen ... over de ... victorye, bevochten op den 11, 12, 13, en 14 Junij
1666 ... Door A. Roggeveen, lief-hebber mathésos (sic) ... Middelb.,
Henr. Smidt ... 1666 (4 blzn.) (Pamflet Tiele, no. 5408).
130* De Zeeuwsche Mercurius en kransdragers met
gedichten uitgebeeld; aan de zeehelden gebleven voor 't vaderland in den
zeeslag in de Noordzee op 4 Augustus 1666. Vlissingen, 1666, - Aldus de titel
bij Nagtglas, II, blz. 524.
131't Nederlantsche treur-spel, synde de
Verkrachte Belgica, vertoonende d'onheylen daer in voorgevallen; t'sedert den
25. October 1555. tot den 10. July 1584. daer aen volgende, gecomponeert (alles
comform de letteren aenden leser) door Arent Roggeveen, liefhebber der
matthésis. Verthoont op 't edel Reden-hof binnen Middelburgh, door het
Broederschap van de edele Bloeme Jesse, onder het woort In Minne Groeyende. Tot
Middelburgh, gedruckt by Pieter van Goetthem, ordinaris stadts-drucker, op de
Groote Marct (XXII, 84, II. 90 blzn.; 8vo) (U.B., Leiden; Prov. Bibl. v.
Zeeland, Middelburg). - Roggeveen voegde aan de tekst twee
inhuldigingsgedichten toe, op de inhuldiging van Willem III als Eerste Edele
van Zeeland (blz. 86 - 88) en op die van mr. Jacobus Peckius als opperprins van
de kamer (blz. 89 - 90). - De opdracht, aan Willem III, is ondertekend:
Middelburgh de son zijnde 29 gr. 12 minu. inde twelinge 1669. - Jan Pietersen
Slingert-recht, mr. Jacobus Peckius,
Roelant Adolfs en Jacobus Willemsen
schreven lofdichten voor het spel.
132Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 275 -
276.
133Kesteloo, Stadsrek., VII, blz. 56.
134La lyre d'ApoIlon en poësies
meslées, et les mieux choisies de ce temps. Composées par un
Zelandois, & amateur d'icelles. En chancons, airs, rondeaux, estrenes,
& epitaphes, &c. A Middelbourg, chez Pieter van Goetthem, libraire,
demeurant à l'enseigne du Relieur de Leyde. 1657 (432 blzn.; 16mo
oblong) (U.B., Leiden; U.B., Gent). - Het bundeltje, dat in B.B., G 251
beschreven is, is opgedragen aan een achttal Middelburgers, voor het merendeel
regenten of toekomstige regenten en allen belangstellend in de
poëzie.
135L.c., p. 423. - De titels van de beide
andere gedichtjes luiden: ‘La Zelande abondante en brebis’ (p. 372)
en ‘La Zelande heureuse en tout’ (p. 373 - 374).
136Zie: H. P. Winkelman, Geschiedkundige
plaatsbeschrijving van Vlissingen (Vlis-singen, 1873), blz. 195 - 196.
137‘ De blaeuwe
Acoleyen’ was ook de naam van de Rotterdamse kamer.
138Vlissings Redens-lust-hof (1642), blz.
(***) 2 v°.
140Refereynen ende liedekens van diversche
rhetoricienen wt Brabant, Vlaenderen, Hollant, ende Zeelant ... (Bruessele,
1563), blz. 12 v° - 13 v° (het antwoord op de vraag, op de stok:
‘Godt gehoorsaem zijn, eest dat d'landt in rusten houdt’,
ondertekend met de zinspreuk: ‘Laet schande berghen’), blz. 13
v° - 14 v° (het lied, ondertekend met dezelfde zinspreuk).
141Zie over hem: G. Kalff, Geschiedenis der
Nederlandsche letterkunde in de 16de eeuw, II (Leiden, 1889), blz. 29 - 31. -
Jasper Bernaerds noemt hem in zijn
‘Veldt-dichtsche t'saemspraeck’ (Den Nederduytschen Helicon
(Haerlem, 1610), blz. 73), en in het ‘Vreught-eyndigh spel’
waarmede ‘Den Nederduytschen Helicon’ aanvangt, wordt hij onder de
zestien Nederlandse navolgenswaardige voorgangers op het terrein der rethorica
genoemd (t.a.p., blz. 42).
142Spelen van sinne (Antwerpen, 1562), I, blz. Mmm
2 r° - Rrr 2 r°, alwaar drie spelen van sinne, getekend: ‘In
deuchden voort’.
143Een schoon profijtelick boeck, ghenaemt den
benauden, veriaechden, vervolchden Christen, wt den Ouden ende Nieuwen
Testamente, in een maniere van een tsamen-sprekinghe gemaect in rethorijcke.
Door den eersamen Ieronimus vander Voort, schilder. Tot Leyden, by my Andries
Verschout, M.D.LXXVII. - Andere drukken: Leiden, 1578; Haarlem, 1610; Haarlem,
1612; Dordrecht, 1615. - Ik gebruikte de druk van Haarlem, 1612 (aanwezig in de
U.B., Gent). - De druk van 1577 was aanwezig in de U.B., Leuven, die van 1578
en 1610 kreeg ik, evenmin als de samenstellers der Bibliotheca Belgica, onder
ogen). Vgl. B.B., V. 39 - 41.
145Dit is waarschijnlijk gemaakt door Leonard
Willems. Noch het hs. in de Kon. Bibl. te Brussel, waarin het met drie spelen
van sinne van Willem van Haecht staat, noch dat van de Haarlemse kamer
‘Trou moet blycken’, bevat de naam van de schrijver of de datum van
het ontstaan. Het Haarlemse hs. bevat aan het eind echter een zinspeling op de
Antwerpse kamer. De enige tijd, waarin zulk een heftig calvinistisch werk in
Antwerpen kon opgevoerd worden, is de periode van ongeveer 1580 - 1585, toen
Antwerpen een Geuzen-stadsbestuur kende, en juist in deze tijd was Van der
Voort factor van de genoemde kamer. Taal en stijl van het spel komen bovendien
overeen met die van het andere werk van Van der Voort. Een en ander is
aangetoond in: L. Willems, Tooneelstudies (Versl. en meded. d. Kon. Vlaamsche
Ac., 1933, blz. 667).
146Het heerlick bewijs, van des menschen ellende
ende miserie onderworpen, van het begin der menscheyt, tot dat hy wederom coemt
tot den grave, oock hoe ongeluckich hy is buyten alle ander dieren, aengaende
de natuere: getrocken wt alle oude philosophen, ende stichtelick in rethorijcke
ghestelt, door Ieronimus vander Voort: Seer nut ende profijtelick, oock lustich
voor alle menschen om lezen. Antwerpen, 1582. - Andere drukken: Dordrecht, z.
j.; Dordrecht, 1595; Delft, 1596; Rotterdam, z. j.; Rotterdam, 1601; Amsterdam,
z. j.; Leiden, z. j. (?); Middelburgh, 1638 (Prov. Bibl. v. Zeeland,
Middelburg; U.B., Gent; niet beschreven in de Bibl. Belg.); Amsterdam, 1676;
Brielle, z. j.; Schiedam, 1699; Amsterdam, 1701; Gouda, z. j. - Ik gebruikte de
oudste druk. Vgl. B.B., V. 57, 42, 134, 46, 43, 47, 44, 45, 135. Alle uitgaven,
behalve de oudste, eindigen met een referein: ‘Aen die van Antwerpen die
het Woort des Heeren, wel wetende: nu weder haren rock om keeren’, waarin
Van der Voort zijn verontwaardiging uit over de schijnheiligheid der slechts in
schijn, of om den brode weer Rooms geworden Antwerpenaren.
147T.a.p., blz. A 3 v°. - ‘Het
heerlick bewijs’ werd in de zeventiende eeuw als schoolboek gebruikt, en
als zodanig aangeprezen door Richard Dafforne, Grammatica ofte
Leez-leerlings-steunsel (Amsterdam, 1627), blz. 135. Vgl. De Planque, t.a.p.,
blz. 103 - 110.
148
Het leven en sterven ben ick genaemt,
Want wij moeten al sterven om namaels te leven,
Dit beyde te weten elck een wel betaemt,
Wat oock leven en doot is, wort hier beschreven,
Schriftuerlijck en philosooplijck (sic) gedreven,
Met d'oorsaeck waerom ons de doot coemt aent boort,
Die hier en namaels sal worden beseven:
Leest wel en verstaet, incorporeert Gods woort,
Op dat ghy hier gaet In deuchden voort.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Het reyn Acoleyken, een bloem der Rethorijcken
Ghegroeyt, gheplant int Walchers dal,
Binnen Vlissinghen, laet door dit werck blijcken
Rethorices conste, al heeftse eenen val:
Sy verquickt weer, want den gheest ondersoecket al.
Tot Dordrecht. Ghedruckt by my Peeter Verhaghen, woonende
inde Druckerye, anno 1597 (64 blzn.; 8vo). - Andere drukken: Dordrecht, z.j.;
Rotterdam, 1597; Rotterdam, z.j. Vgl. B.B., V. 48 - 50. - Ik gebruikte de
oudste druk. In de opdracht aan de magistraat van Leiden deelt Van der Voort
enkele bijzonderheden over zijn leven mee, o.a. dat hij uit Antwerpen naar
Walcheren gekomen en daar thans factor van het ‘Acoleyken’ is,
‘in het Vlissingsche pleyn’ (blz. A v°). - Het werkje eindigt
met een acrostichon op de naam van de dichter (blz. D 9 v°). Toegevoegd is
een ‘Refereyn vanden droeven adieu van Antwerpen’ (blz. D 10 r°
- v°).
149aVoor de traditionele beschrijving van de
hellepijnen meent hij zich te moeten verontschuldigen:
Menich sal segghen ghy en connes met gheen Schrift
doceren:
Want elck mensch is zijn helle, elcx sonde zijn doot.
Tis waer ick kent, maer na Mattheus allegeren
Worter solpher en vyer ghebruyct int helsch conroot,
Datter tknerssen der tanden oock sal gheschieden groot,
Dat oock tvyer aldaer ongheblust sal blijven,
Den worm oock niet sterven, dit tuycht hy bloot.
Uit de volgende regels blijkt dan, dat Virgilius'
‘Aeneis’, ‘die ick corts had ghelesen’, de voornaamste
bron van deze beschrijving is (blz. D 8 v°).
150Vgl. voor het volgende: J. Vanderheijden, Het
thema en de uitbeelding van den dood in de poëzie der late Middeleeuwen en
der vroege Renaissance in de Nederlanden (Gent, 1930), blz. 41, 90 - 93, 170 -
177.
151Vgl.: Ick seg u hier met adieu, die ben van
jaren out (blz. D 9 v°).
152Vgl. o.a. blz. C 3 v°.
156T.a.p., blz. B 4 v°. - Tegen de leer
van de goede werken: Het leven en sterven ben ick genaemt, blz. D 4
r°.
157De Vlissingse kamer herdacht hem, bij monde
van Vincent Mathijsz, op het landjuweel van 1641 in het
‘Welcom-spel’, waar Rethorica zegt (Vlissings Redens-lust-hof
(Vlissinge, 1642), blz. (***) 2 v°):
Want dees plaets was versien van wijs en goe poëten,
Die deur het Nederlandt mijn soetheyt lieten weten,
Ja tot nu desen tijdt kan 't selve zijn gehoort,
Het leven, en de doot, van dien in deughden voort,
Soo ben ick hier seer langh in eer en staet gehouwen.
Behalve de genoemde werken is nog van Van der Voort
gedrukt: ‘Een liedeken van den gantschen handel der Nederlanden, ende
vanden val Babylons’, uit 1572 daterend, en gedrukt in: Een nieu Geusen
lieden boecxken (z. p., 1581) en de herdrukken daarvan (Het Geuzenliedboek,
t.a.p., no. 58 ).
158Wellicht behoorde in het begin der
zeventiende eeuw tot haar leden Gideon Morris, uit een te
Vlissingen woonachtige maar uit Schotland afkomstige familie, dichter van: Een
cleyn poetelick tractaet, betreffende des vreeds en oorloghs vruchten: waer
inne een yeder (als in eenen spieghel) claerlijck mach speuren, eersttlijck
(sic): wat schade leet ende verdriet d'oorloghe, is veroorsaeckende, ende ten
anderen wat nut, profijt ende welvaren, eenen vasten ongeveynsden vrede
medebrenght. By een verghadert door G. M. N. P. Tot Vlissinghe, by
Marten Abrahamsz van der Nolck, woonende
opde Bierkaye inde Druckerije. Anno 1607 (20 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no.
1412). Dit in refereinen geschreven pamflet op het Bestand, dat gesloten stond
te worden, is in alle opzichten het werk van een rederijker, maar de schrijver
vermeldt nergens de kamer van Vlissingen. Morris gaf, behalve dit geschriftje,
een vertaling van de ‘Meditations sur Job’ van de Franse moralist
Guillaume du Vair (1556 - 1621) uit,
onder de titel: * Heylige bedenkingen over het Boeck Jobs (De la Rue, blz. 226,
noot). Ook het geestige anti-feministische geschrift ‘Malus mulier’
(1612) is misschien van een Vlissings rederijker. De enige aanwijzing daarvoor
is echter dat het in Vlissingen is uitgegeven. De titel luidt: Malus mulier:
dat is grondelijcke beschryvinghe l. vande regiersucht der boose wyven. 2.
vande oorsake der huys-wyven crych. 3. het tractaet der boose wyven, vervatende
de recepten, preservativen ende medecynen tegen de regiersucht der wyven. 4.
vande voortreffelicke voordeel ende nutticheyt der boose wyven. Allen ende
eenen yeghelicken man ende vrouw tot nootwendighe onderricht, seer lustich,
eerlijck, ende cortswijlich beschreven, ende met menigherleye vermakelijcke
ende lacchelijcke historien verciert: nu wtghegheven ende toegheschreven allen
ende een yeghelijck door de gantsche werelt woonende, ende Jobs-geplaechde
mannen die van hare ongecroonde ende ongesalfde huys-bed-coninghinnen onder
hare regieringe gestelt zijn. Door Bartle Stweermans Onos. Tot Vlissinghen.
Ghedruckt by Jan Symonssz, anno sestien hondert twaelff (30 blzn.; 4to) (U.B.,
Leiden). - De schrijver (Bartel Stuermans? ‘Onos’ is
het Griekse woord voor ‘ezel’) is een geletterd man, die goed thuis
was in de klassieke auteurs. Vgl. over dit geschrift: P.J. Meertens, Een
anti-feministisch pamflet uit het begin der zeventiende eeuw (Historia,
maandblad voor geschiedenis en kunstgeschiedenis, 8 (1942), blz. 155 - 158).
Eveneens van een Vlissings rederijker is misschien het: Lof des vrye vaerts,
ende berisp tegen het misbruyck der selver. Gecomponeert door J.M.
Flissingano-Zelandum. Ghedruckt int iaer ons Heeren 1629 (12 blzn.; 4to)
(Pamflet Knuttel, no. 3925), dat in een lang en een kort gedicht de kaapvaart
verdedigt. Wie de schrijver is, heb ik niet kunnen uitvinden.
159Der Wit-Angieren eeren-krans ... (Haerlem,
1630), blz. A 2 v° - A 3 r° (het antwoord op de vraag, op de stok
‘De vrucht des buyckx Marie: waer deur wy alle leven’), blz. K 3
v° - K 4 r° (het antwoord op de regel), blz. T 4 r° (het liedeken),
blz. Aa 2 v° - Aa 3 r° (het kniewerk, op de regel ‘'Tgheen dat
den Gheest Gods baerdt, werdt vriendelyck bevonden’), blz. Cc v° - Cc
2 r° (het afscheidslied).
160Vlissings Redens-lust-hof, beplant met seer
schoone en bequame oeffeningen, ghestelt op de vrage, Wat oeff'ning is elck
best, en noodigst voor 't gemeen? Als oock een regel vast gestelt, Geluckigh is
het landt, daer sulcke volck'ren woonen. Met een liedt op desen sin, Die God
heeft tot sijn hulp, geen dingh hem hinder doet. Dit alles beantwoordt met 63
verscheyden wercken, op den l Julij 1641. En is besloten met een knie-wercx
regel, 't Is 't werck van Godes geest te roepen Abba Vader. Alles uyt-gegeven
by de reden-camer tot Vlissinge, de Blaeu Acolye, Den geest ondersoecket al.
Tot Vlissinge, by
Iacob Iansz Pick, boeck-verkooper op de
Beurs. Anno MDCXLII (202 blzn.; 4to) (U.B., Amsterdam; Nat. Bibl.,
's-Gravenhage; U.B., Leiden; Prov. Bibl. v. Zeeland, Middelburg; Kon. Bibl.,
Brussel; U.B., Gent). - De bundel is beschreven in B.B., R 42.
161T.a.p., blz. (**) r° - v°.
162T.a.p., blz. (***) 2 r° - (******) 4
v°.
163Van de Vlissingse rederijkers zelf namen er
tien deel aan de wedstrijden van de vraag, de regel, het lied en het kniewerk
(behalve J. Pick, die alleen aan de eerste en de laatste wedstrijd deelnam).
Men vindt hun antwoorden in de bundel, blz. Mm 2 v° - Yy r°. Het zijn:
Matthijs Jonck-heere (zinspreuk: Tracht nae beter; antwoord op de vraag: De
ware kennis Gods, in Christo liefd en vrede), de boekhandelaar-uitgever
Jacob Jansz. Pick (zinspreuk: Pickt uyt
het goet; antwoord: Godt en u naesten liefd uyt hert en zielens grondt), Claes
[of Blaes] Leendertsz (zinspreuk: Soeckt naer 't eeuwigh nieu; antwoord: Godts
naem t'heyl'gen voor best, en is noodighst voor elck een),
Lambrecht Verbrugge (zinspreuk: Spoet
naer 't goet; antwoord: Gehoorsaemheydt uyt liefd' aen Christum te bewijsen),
Joris Claerbout(zinspreuk: Eer voor
gout; antwoord: T goet ghebedt is elck best, en nodighst voor 't ghemeen),
Johannes van Epen (zinspreuk: Den noot
breeckt wet; antwoord: Het eynde des gebodts liefd uyt een reyn hert vry), een
anonymus (zinspreuk: 't Vleesch is niet nut; antwoord: Recht soecken na Godts
rijck, en sijn gherechticheyt),
A. de Vleeschouwers (zinspreuk: 't
Vleesch is swack; antwoord: Oprecht in liefd' en vred', met Godt en mensch te
leven). Ir.
Coppens (zinspreuk: In God betrout;
antwoord: Te wandelen voor God recht, met vierige gebeden) en de veertienjarige
Jan van Liere (zinspreuk: Gereet om te
leeren; antwoord: Godts liefde en 't geloof is een goe oeffeninge), die wel het
jongste lid van de kamer geweest zal zijn. Van
Matthijs Jonckheere is een echo-gedicht
opgenomen in de verzameling echo-liederen, door
Theodorus Dousa bijeengebracht: Lusus
imaginis iocosae sive Echus (Ultraiecti, 1638), p. 82 - 83: Ghedicht, op Echo.
- Bovendien is van hem afzonderlijk gedrukt een (met zijn naam en zinspreuk
ondertekend) spotdicht op de Gentenaren, na de val van Sas-van-Gent in 1644:
Lacht niet te vroegh! 't Is tijdts genoegh. Middelburg,
J. Fierens, 1644 (l bl., folio) (Pamflet
Knuttel, no. 5129; Pamflet Tiele, no. 2930), waarin hij de Gentenaren
uitscheldt over hun overmoedigheid, en hun aanraadt om in het vervolg niet meer
‘als geile sotten, soo lichtveerdigh en vroegh met vrome princen (te)
spotten’. - Een anonymus (zinspreuk: Recht ter zee) schold terug in een
lied, waaraan hij hetzelfde opschrift gaf (Pamflet Petit, no. 2243). - Jacob
Jansz. Pick was de uitgever van de bundel. - Joris Claerbout is dezelfde als de
aanstonds te noemen
Joos Claerbout. - Van Johannes van Epen
bevat de bundel nog twee sonnetten, blz. (XX) 3 r°. Is hij een bloedverwant
van de Veerse rederijkers Jacob en
Matthijs van Eepen?
164Zie over hem: De la Rue, blz. 225. - In de
Sint-Jacobskerk te Vlissingen was vóór de brand van 1911 een
koperen boog bij de trap naar de preekstoel, waarop onder andere namen ook die
van Vincent Mathijsz voorkwam, met het jaartal 1656. Zie: C.P.I. Dommisse, De
geschiedenis van de Westpoort te Vlissingen (Vlissingen, 1903), blz. 41.
165Lof-dicht over die groote victorye die Godt
Almachtich gegeven heeft voor de stadt van Berghen op den Zoom, alwaer hy den
vyant sonder slach of stoot de vlucht heeft doen aennemen. En alsoo is dese
stadt door Godes ghenade wonderlijck ontsedt gheworden, op den 3. October, anno
1622. Tot Vlissinghen. Gedruckt voor
Samuel Claes Versterre, boeck-vercooper,
op de Oost zijde van de haven, 1622 (16 blzn.; 4to) (Pamflet Petit, no.
1366).
166Naer-bedinckinge over die heerlijcke ende
groote victorie van die treffelicke ende onverwinnelicke stadt van 's
Hertoghen-bosch, de welck ons Godt Almachtich heeft gegeven deur het beleyt van
den hooch-ghebooren vorst Frederick Henderick, Prince van Oraengien, Grave van
Nassouw, etc. Als oock mede van die veroveringhe der stercke stadt van Wesel.
Hier is noch byghevoeght een liedeken, dienende tot der selver materie. Als
noch mede een overwinninghs-lof, in hem begrijpende ses-en-dertich baladen deur
een ghevlochten, door V.M. Tot Vlissinghen, gedruckt by
Samuel Claeys Versterre, boeck-vercooper
op de Oost-zijde vande Haven, inden vergulden Bybel, 1629 (12 blzn.; 4to)
(Pamflet Meulman, no. 2081). - Het ‘Overwinninghs-lof (blz. A 6 v°)
is een “schaeckberd”, waaruit 36 baladen zijn te maken.
167Paeys of vrede, waer in wert verhaelt hoe
noodich den vrede is, namelijck vrede in de kercke Godts; daer tegen hoe
perijckeleus en sorgelijck het is voor de vrije landen, haer te verbinden of
verbont te maken met de erfvyanden vande selve. Kortelijck in dicht gestelt
door V. Mathijssen. Tot Vlissinghen, ghedruckt by Samuel Claeys Versterre,
boeckvercooper op de Haven, inden vergulden Bybel, 1630 (12 blzn.; 4to)
(Pamflet Knuttel, no. 4029).
168Wonder, dat is de wonderlicke overwinninghe
die den almachtighen Godt deur sijn wonder-werck en groote ghenade, onse landen
heeft gegeven, en dat over die groote macht des vyants te water, die de Heer op
een wonder wijse, ons alle in handen heeft laten vallen, op den 13en September
1631. In dichte ghestelt door V. Mathiissen. Tot Vlissinghen, ghedruckt by
Samuel Claeys Versterre, ordinaris stadts drucker, woonende op de Haven, inden
vergulden Bybel, anno 1631 (8 blzn.; 4to) (Pamflet Meulman, no. 9069).
169Vgl. J. Wagenaar, Vaderlandsche
historie 2, XI (Amsterdam, 1770). blz. 237 - 238.
170Discours ofte t'samen-sprekinge tusschen den
Cruys-heer, d'admirael Coolaert, ende Charles de la Mote, over den bloedighen
aenslagh op de stadt Vlissingen, beleydt door Charles de la Mote, ende
ghetracht in 't werck te stellen op den tweeden, ende veerthienden Augustij
1636. Als noch een ghedenck-teecken, op-gherecht over den voorschreven
aenslagh. Door Vincent Mathyssen, Vlissingher. Tot Vlissinghen, voor
Iacob Ianssz Pick, boeck-vercooper,
woonende op de Beurse. Anno 1636 (8 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no.
4434).
171* Triumphe of Vlissingse vreugt over 't
ontfangen van den hooghgeboren Prins Wilhelmus by der gratien Gods, Prince van
Oranje enz. Vlissinghen, Jacob Jansz. Piek, 1649 (4to). - Aldus bij De la Rue,
blz. 225; ik zag het geschrift niet.
172Behalve de genoemde werken verschenen van hem
twee echo-dichten in de verzameling echo-liederen van Theodorus Dousa, Lusus
imaginis iocosae sive Echus, l.c., p. 83 - 85: ‘Echo’ en ‘Een
ander’.
173Zie over hem: De la Rue, blz. 198 - 199;
Nagtglas, I, blz. 127 - 128, 543. - Zijn vader was
Stefanus Claerbout, afkomstig van
Oudenaarde, eerst kapelaan in de Sint-Michielskerk te Gent, maar in 1616 te
Vlissingen tot de Hervormde kerk overgegaan; zijn moeder heette
Catalina van de Vivere en was dus
misschien verwant aan de Middelburgse drukkers-uitgeversfamilie. Ook te
Middelburg leefde in dezelfde tijd een Joos Claerbout, die er in Juni 1643 als
jongman in het huwelijk trad.
174* Bly-eyndig vertoogh of vreede-vreugt, tussen
Engeland en de Nederlanden. Vlissingen, by J. van Eden, 1654 (4to). - Aldus de
titel bij De la Rue, blz. 198, die ook nog enkele gelegenheidsgedichten van
Claerbout noemt: op de regering van Vlissingen, op enkele magistraatspersonen,
op het eiland Walcheren en op de steden Middelburg, Vlissingen, Vere en
Arnemuiden. Ook schreef hij een ‘Eer-dicht’ voor: Het proces
crimineel, verdeylt in twee boecken ... By
Claudius de Brun de la Rochette ... Wt de
Francoysche in de Nederduytsche sprake over-gebracht. Door Willem van Aller,
practisijn ter Vere in Zeelandt. Tot Vlissinge, gedruckt by Jacob Pick, anno
1656 (2 dln,), dl. I, blz. * 3 r°.
175Droef-bly-eyndig vertoog op 't belegh en
over-gaen van Middelburgh, onder 't beleyt van Wilhelmus den Eersten, Prince
van Oranje, &c. Gewonnen den 20 Februarij 1574. Seer levendigh af-gebeeldt
door J. Claerbout. Tot Middelburgh, gedruckt by Henrick Smidt, boeck-verkooper,
woonende op de Wal, by de Nieuwe Kerck. Anno 1661 (56 blzn.; 4to) (Bibl. Nat.
Ak. v. Wetensch., Amsterdam; U.B., Leiden; Prov. Bibl. v. Zeeland, Middelburg.
- 3de druk (Vlissingen, 1788) (Prov. Bibl. v. Zeeland, Middelburg). Deze druk
verscheen bij gelegenheid van de opvoering te Vlissingen door het gezelschap
van W. Bingley. - De 2de druk kreeg ik niet onder ogen; misschien is deze nooit
verschenen. - Aan het begin en het eind van de eerste druk zijn lofdichten
opgenomen van
P. Schonck,
J. Noozeman (de Amsterdamse
blijspeldichter),
J. Bara (dichter en toneelschrijver,
misschien een zoon van de Middelburgse geneesheer
Jacobus Bara),
Elisabeth Wynants (zinspreuk: Die wel
doet, wel vindt. Is zij verwant aan de Middelburgse rederijker
Willem Wijnants?),
Jacobus Kemp,
J. Dammaert (klaarblijkelijk familie van
Claerbouts vrouw) en de Vlissingse rederijker
D. d'Huysser (zinspreuk: Tracht naer
deught). Om strijd kronen deze het spel en zijn ‘soet-vloeyenden’
en ‘sin-rijcken’ dichter met laurieren, en verheffen hem als
‘'t Orakel’ en de ‘Dichters-son’ hemelhoog. Claerbout
zelf is waarheidslievender, als hij in zijn opdracht van zijn
‘onvolmaeckte vaersen’ spreekt. Hij droeg het spel op aan Prins
Willem en diens representant in Zeeland, mr.
Bonifacius Cau, baljuw en raad van
Vlissingen.
176Oresto. Verdruckte onnooselheyt; en de
ramp-salige Sibyna. Treur-spel. Op den regel Door geyle min, komt dolle sin.
Door J. Claerbout. t'Amsterdam, by Pieter Timmers, boeck-verkooper, woonende
inde Kalver-straet. Anno 1622 (44 blzn.; 4to) (U.B., Leiden; Prov. Bibl. v.
Zeeland, Middelburg). - Als bladvulling plaatste Claerbout achter het stuk een
‘Sonnet, op Alexander de Groote’ (blz. 44). C. M. en
Elisabeth Wynants schreven lofdichten voor
het stuk.
177De klucht van 't kalf, gerijmt door Joos
Klaerbout. Tot Middelburgh, gedruckt by Henrick Smidt, boeck-verkooper,
woonende op de Wal, by de Nieuwe-kerck. 1662 (16 blzn.; 4to) (U.B., Leiden). -
Het stuk is grotendeels herdrukt in: P.H. van Moerkerken, Het Nederlandsch
kluchtspel in de 17de eeuw, II (Snoek, 1899), blz. 432 - 445. Titeluitgave:
t'Amsteldam, by Pieter Timmers, boeck-verkooper inde Kalver-straet, aen de
Nieuwe-zijds kapell. 1662 (Prov. Bibl. v. Zeeland, Middelburg).
178Versl. en meded. d. Kon. Ak. v. Wet, afd.
Letterk., 3de r., 3 (1887), blz. 136 - 138.
179Dit kan ook opgemaakt worden uit de opdracht
van ‘Ne'erlandts vallende oorsaeck’, blz. A 3 r°.
180Ne'erlandts vallende oorsaeck, en hulp-middelen
tot desselfs her-stel. Aengewesen in verscheyde antwoorden: op de vrage Waerom
kreeg Nederlant in dit jaer sulken krack? En in den sin van de liederen Hoe God
Ne'erlandt sal verschoonen? Welcke vragen zijn voorgestelt by de hoofden der
reden-kamer binnen Vlissingen, genaemt de Blaeuwe Acoleye, onder 't woordt Den
geest ondersoeckt'et al. Op den eersten Novembris 1672. Ende be-antwoordt op
den een-en-dertighsten Decembris des selven jaers. Josua 7 vss. 7 ... 10:11.
Ende Josua seyde, Ach Heere Heere, waerom hebt Gy dit volck door de Jordane oyt
doen gaen, om ons te geven in de handt der Amoriten? &c. vss. 10: 11. Doe
seyde de Heere tot Josua, Staet op: waerom light gy dus neder op uw'
aengesichte? Israël heeft ghesondight, ende hebben oock mijn verbondt, 't
welck Ick haer geboden hadde, overtreden: &c. Gedruct te Middelburg, by H.
Smidt, boekverkoper op de Wal [1673] (64 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no.
10660). De bundel is beschreven in B.B., V 126, naar een ex. waarin de laatste
4 blzn. ontbreken.
181Deze waren van:
C. Bolten (zinspreuk: Fabricando fabri
fimus),
D. d'Huysser (zinspreuk: Tracht naer
deught).
Jan d'Hees(zinspreuk: Al met vrees),
Adrianus Georgius Verdool (zinspreuk: Geen genot, buyten God), een anonymus
(zinspreuk: Elck sijn best) en Johannes van Liere (zinspreuk: Gereet om
leeren).
182Vgl. hierna, blz. 451.
183In 1739 stichtten
Jan Guépin, N. Lambrechtsen,
P. de Beaufort en
H. Jaarsma een nieuwe rederijkerskamer
te Vlissingen, ‘De klimmende leeuwerik’, die echter maar kort
bestond. In 1753 werd het taal- en dichtlievend genootschap ‘Conamur
tenues grandia’ opgericht, waaruit het Zeeuws Genootschap der
Wetenschappen voortkwam.
184Men is geneigd, om onder de Vlissingse
rederijkers ook de auteur te zoeken van: Het eerste deel van den half-backen
Fop, behelsende sijn vryagie tot den trouw-dagh toe. Door D. S. Tot Vlissinghe,
by Jan de Klerck, boeck-verkooper, woonende op de Beurs. Anno 1660 (68 blzn.;
4to) (Nat. Bibl., 's-Gravenhage). Aan de initialen D. S. beantwoordt echter
geen van de ons bekende leden der Vlissingse kamer. Overigens valt deze platte
klucht buiten het bestek, dat we in deze bladzijden gesteld hebben. Misschien
is de schrijver dezelfde als die van een in 1673 te Middelburg verschenen
politiek pamflet: Den sluymerenden leeuw opgeweckt, en aengemoedight om een
eerlijcke standvastige vrede, met 't swaerdt in de klauwen, roemruchtig tegen
sijn vyanden, den beer, eenhoorn en swyn te verkrijgen. Voorgestelt in
diergelijcke voorvallen der bedruckten, en verrijkt met sinrijcke exempelen,
door D. S. Te Middelburg, by H.B. S. op de Turf-kaey gedrukt, 1673 (8 blzn.;
4to) (Pamflet Knuttel, no. 10960).
185Vgl. J. Ermerins, Aanteekeningen rakende het
gilde van rhetorica te Vere. Met bijlagen (hs., 10 blzn. folio, Bibl. d.
Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden); Iets van [H. A.] Tollé
(Vere, 1790), blz. 49-76: Berigt nopens de rederykkamer der stad Vere; A. Moens
van Bloois, De rederijkkamer te Veere (Zeeuwsche volks-almanak, 1841, blz.
70-73); Schotel, t.a.p., II, blz. 173-183. - Het Veerse gemeentearchief bezit
drie rekeningboeken van de kamer, respectievelijk over de jaren 1591 - 1658,
1660 - 1760 en 1761 - 1793.
186Afgedrukt bij Kops, t.a.p., blz. 331 - 338,
naar het origineel, dat hem door bemiddeling van Jacobus Ermerins ter hand was
gesteld, evenals de hierna te noemen gildebrief van 1608.
187Afgedrukt bij Kops, t.a.p., blz. 339 - 351,
naar het origineel. Het stuk is ondertekend door
A. de Vos, de secretaris van de
stad.
188In 1688 besloot de kamer dat de verkiezing
van prins en dekens voortaan op 14 November zou plaatsvinden, de verjaardag van
de Prins van Oranje, die markies van Vere was en aan de Veerse kamer jaarlijks
recognitiën bewees.
189Iets van Tollé, t.a.p., blz. 52. - Het
geschilderde raam was in Tollé's dagen nog aanwezig; het is sindsdien
spoorloos verdwenen. - Het is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling
berust (o.a. in de Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van
geschiedenis en kunst, VI (Utrecht, 1922), blz. 253) dat het huis ‘In den
Coerenbloem’ (Kade, A. 13) de zetel van de rederijkerskamer zou zijn
geweest.
190Kesteloo, Stadsrek., II, blz. 106.
192T.a.p., III, blz. 321.
193Vgl. Moens van Bloois, t.a.p., blz.
71.
194Vgl. Kesteloo, Stadsrek., III, blz.
352.
195Vgl. Moens van Bloois, t.a.p., blz.
73.
196Vgl. (J. J.) van der Horst, Kerkelijk Veere
(Bijdr. tot de gesch. v.h. bisdom Haarlem, 26 (1901), blz. 195). - De
veronderstelling van Van der Horst, dat deze rederijkers naar Vere kwamen omdat
de stad destijds nog geen eigen gilde bezat, mist alle grond.
197Zie over hem: De la Rue, blz. 174; Nagtglas,
II, blz. 809 - 810; N.N.B.W., V, kol. 990 - 992 (L. Knappert); vgl. verder de
literatuurlijst in: Adriaen Valerius, Nederlandtsche Gedenck-clanck 2
(Amsterdam, 1942), blz. LXIX - LXX. - Valerius overleed te Vere 27 Januari
1625. Hij is twee keer getrouwd geweest, l. Vere, 24 Mei 1598
Elizabeth Adriaens Muynck († 26
November 1619), 2. Middelburg 24 Juni 1621
Christina Adriaensdr. van
Buyenskercke(Boudewijnskerke). Uit het eerste huwelijk zijn op zijn
minst zes kinderen geboren, uit het tweede twee.
198Vgl. hierna, blz. 445.
199Vgl. de inleiding voor de uitgave van 1942:
Adriaen Valerius' leven en werken, en:
P.J. Meertens, Valerius en wij (Groot Nederland, 1943, I, blz. 135 -
144).
200Valerius, Nederlandtsche
Gedenck-clanck 2, blz. 214.
201Afgedrukt in de Nederlandtsche
Gedenck-clanck 2, blz. XVIII - XIX, uit het bovengenoemde
‘Rekenboek voor de camer van Rethorica binnen der stede vander Vere,
ghemaect int jaer XV c eenentnegentich’ (Gemeente-archief,
Vere), achter de rekening van 1625. Hetzelfde boek, dat over de jaren 1591 -
1658 loopt, bevat achter de rekening van 1618 een lied ‘Op de vereeringe
van zomer’ van
Joannes Rompel, d.i.
Joannijs Thommijs Rompel, die in 1617
deken van de kamer was.
202Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 690.
203Vive le Geus. Inghestelt tot opweckinghe van de
ouwe, trouwe, eendrachtighe, cloeckmoedige, stantvasticheyt. Ghepast op de
teghenwoordighe veroveringhe van 's-Hertoghen-bosch, door het cloeckmoedich
beleyt vanden doorluchtigen hooch-geboren vorst ende heere, Fredericus Henricus
prince van Oraengie. Gheschiet op den 17. September 1629. Mitsgaders andere
ghedichtselen daer toe dienende. Tot Middelburgh, ghedruckt by Hans vander
Hellen, woonende op de Groote Marct, in 't Wapen van Audenaerde, anno 1629 (16
blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 3905). - De inleidende rijmen ‘Aende
ware patriotten ende lief-hebbers van 't vaderlandt’ zijn ondertekend met
de naam van de dichter, het sonnet met dezelfde titel, dat het werkje besluit,
is ondertekend met zijn zinspreuk: Spoort na deucht.
204* Vera fidelis, of lauwerkrans ter gedachtenis
van de blijde geboortedag van Wilhelm III, geboren 14 November 1650. Vere,
Adriaan Baldeus, 1664.
205Boxhorn, Chroniick, I, blz. 252.
206Een met deze zinspreuk ondertekend lofdicht
vóór de: Ordonnantie op 't stuck van de justitie, binnen de
steden, ende ten platten lande van Hollandt (Middelburgh, 1664) van Willem van
Aller, practizijn ter Vere in Zeelandt, (blz. ** 2 v°) is klaarblijkelijk
van zijn hand. - Te Winkel, III, blz. 119, schrijft aan hem het auteurschap toe
van de: Boeren-litanie ofte klachte der Kempensche landt-lieden, over de
ellenden van deze lanck-duerighe Nederlandtsche oorlooghe. Ghedruckt bij Dirck
Cornelisz. Troost, in den jare onzes Heeren Jesu Christi [Amsterdam] 1608 (8
blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 1395), waarvan nog een tweede veel
vermeerderde uitgave bestaat (Pamflet Knuttel, no. 1396). De anonyme auteur van
dit bundeltje tekende nl. ook met de zinspreuk ‘Denckt op 't
eynde’. Tegen Te Winkels opvatting pleit, dat Rompel dan eerst zeven jaar
na het publiceren van dit geschrift tot het rederijkersgilde zou zijn
toegetreden. Wanneer men aanneemt dat hij eerst elders heeft gewoond, wordt het
raadselachtig waarom hij dan eerst in 1633 notaris te Vere is geworden. Evenmin
bestaat er goede grond om hem het auteurschap toe te schrijven van de met de
zinspreuk ‘Denckt op 't endt’ ondertekende liederen in: 't
Lust-hofje Sions (Hooren, 1668), zoals in een ms.-aantekening in het in de U.B.
van Gent aanwezige exemplaar van dit liedboek gedaan wordt.
207In ‘Der Wit-Angieren eeren-krans’
(Haerlem, 1630) is de Veerse kamer vertegenwoordigd met drie liederen van
Joannes Rompel (zinspreuk: Dinckt op 't eynde), tw. zijn antwoord op de vraag:
‘Welck is d'weerdighste vrucht, die Godt ons heeft ghegheven?’
(‘De weerdste vrucht die is, de vrucht des buycx Marie’), blz. A
v° - A 2 r°, zijn referein op de regel ‘Zijt danckbaer voor Gods
gaef, die ons in alles voedt’, blz. K 2 v° - K 3 r°, en zijn
liedeken, blz. T 3 v°.
208De Veerse kamer was op dit feest
vertegenwoordigd door Jacob van Eepen (zinspreuk: Hierna een beter),
Joannes Tomijs Rompel (zinspreuken:
Denckt op 't eynde, en Memento mori),
Cornelis Hendricksz. Udemans,
Cornelis Tessynck en Pieter Spoor maker
(zinspreuk: Spoort nae deucht). Al deze rederijkers antwoordden op de vraag
‘Wat oeff'ningh is elck best, en noodighst voor 't gemeen?’, de
regel en het lied, terwijl Spoormaker bovendien deelnam aan de wedstrijd in het
kniewerk. De antwoorden vindt men in: Vlissings Redens-lust-hof (1642), blz. L
3 r° - M 4 v°, Aa 3 r° - Bb 4 v°, Kk 3 v° - Ll 2 r°, Ss
3 v° - Ss 4 r°. Die op de vraag luidden (in bovengenoemde volgorde der
deelnemers): ‘De salich oeffeningh der liefd, is best bevonden’,
‘God vreesen is elck best, en nodighst voor 't ghemeen’,
‘Want door de deucht alleen bouwt God op onse muyren’, ‘Want
Godes vrees gewis bout huysen, landt en steden’, ‘Die saligh
maeckt, en baert rust liefd' en vreed eendrachtich’ en, nogmaals van
Rompel, ‘Recht bidden is elck best, en nodighst voor 't ghemeen’.
De zinspreuk ‘Hierna een beter’ voerden behalve Van Eepen nog
andere zeventiende-eeuwers, o.a. J.G. Saegman en
Nic. Perclaes. Vgl. J. I. van Doorninck,
Vermomde en naamlooze schrijvers, I (Leiden, 1883), kol. 231 - 232. Er is dus
geen reden om een in 1637 verschenen pamflet (Pamflet Knuttel, no. 4543) van
‘een Gouds Lief-hebber’, die met dezelfde speuk ondertekent, aan
Jacob van Eepen toe te schrijven.
209Ne'erlandts vallende oorsaeck, t.a.p., blz. E
v°-E 2 v°.
210Veersche vreughde-galm en zege-wensch, over
het kapiteinschap generaal van de Seven Verêenigde Provintien;
op-gedragen aan Sijn Hoogheyt Willem-Hendrik, by der gratie Gods Prins van
Orangien, &c. op den xxiiij. van Sprokkel-maandt 1672. Tot Middelburgh,
gedrukt by Henrik Smidt, boek-verkooper op de Wal (l bl. plano) (Pamflet
Knuttel, no. 9966). - Het gedicht is ondertekend: M. van Eepen. Geest baert
leven. Behalve het hierboven genoemde kennen we van deze rederijker nog een
lofsonnet, met zijn naam en zinspreuk ondertekend, in: Het proces crimineel
(Vlissinge, 1656) van Willem van Aller, practisijn ter Vere (vgl.
hiervóór, noot 174), blz. * 4 r°, en een lofdicht voor de:
Ordonnantie op 't stuck van de justitie (Middelburgh, 1664). blz. ** 2 r°,
van dezelfde schrijver. Andere lofdichten in dit werkje zijn van de Verenaren
J. Rompel, P. de Neef en
A. de Koninck. Over J. Rompel is zojuist
gesproken. -
Pieter Davidtsz. (de) Neeff (†
1657) was van 1623 tot zijn dood permanente raad van Vere, tussen 1638 en 1657
herhaaldelijk schepen en van 1653 - 1655 burgemeester. - Van A de Koninck (of
Koning) somt De la Rue, blz. 247 - 248, een viertal gelegenheidsgedichten op,
waarvan ik er maar één kon terugvinden: Bellone aan-band. En de
waereld in vreugde. Over de aangenaame vrede, tusschen Haar Hoogh-Mogende de
Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden: en de Christen vorsten van
Europa &c. &c. &c. Concordiâ res parvae crescunt (Tot
Middelburg gedruckt by Johannes Meertens, wonende in de Gist-straat) (1697) (14
blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 14342), een gedicht over de vrede van
Rijswijk, in alexandrijnen geschreven, dat zelfs tot in de titel herinnert aan
het dertig jaar oudere ‘Bellone aen bant’ (1667) van
Joannes Antonides van der Goes. Ook
schreef hij een (niet door De la Rue genoemd) lijkdicht: Op het beklaaglijk
verongelukken van zijn Hoogheid Johan Wilhem Friso ... op den 14. July MDCCXI.
(z. pl. e. j.) (l bl. plano) (Pamflet Knuttel, no. 15968). Misschien is hij een
zoon of kleinzoon van de med. doctor A. de Koninck, die in 1665 schepen van
Vere was.
211O.a.: Heeft God het al zeer goed, en ons tot
nut geschapen, Wat nut was voor den val by luis, en vloo te rapen? - O
broederen! wilt my verkonden, Waar word in 't Bybelwoord 't gebruik van zeep
gevonden? - O broederen! wilt my verhalen: Wie heeft in zynen naam juist alle
de vocalen? - Deze en andere vragen en de antwoorden erop, alle uit het laatst
der achttiende eeuw, bij: Iets van Tollé, blz. 62 - 76. Vgl. ook
Schotel, t.a.p., II, blz. 176 - 183, alwaar ook de mededeling dat de kamer in
het laatste tijdperk van haar bestaan van het midden van December tot 8 Maart
des Dinsdagsavonds van half zes tot acht uur haar wekelijkse bijeenkomsten
hield op de bovenkamer van het Vleeshuis, die ze met een broederlijke maaltijd
besloot.
212Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 797 - 798;
N.N.B.W., V, kol. 982 - 983 (H. J.A. Ruys); G.A. F(okker), Cornelis Udemans (De
Navorscher, 17 (1867), blz. 16 - 18). - Zijn ouders,
Hendrik Udemans (1576 - 1649) en
Maayken Willemsdr. (1581 - 1645)
vestigden zich later in Vere. - Zijn portret op 61-jarige leeftijd, door zijn
zoon Hendrick getekend, met een vierregelig onderschrift van Rochus Hoffer,
vindt men voorin ‘Het geestelyck gebouw’ (1659); een ander in het
Panpoëticon Batavum.
213Cornelis Udemans, Nederlantsche tragikomedie
(z. pl., 1652), blz. (q) 4 v°.
214Enkele keren spreekt hij in zijn boeken over
zijn beroep, nl. in: De waekende oog ('s Graven-haghe, 1643), blz. B v°,
Oraenjens rou-mantel (Middelburgh, 1650), blz. ** 8 v° en de Nederlantsche
tragi-comedie, t.a.p., blz. (qqq) 4 r°.
215Godefridus Udemans was getuige bij het
huwelijk en maakte er een gedicht op. Al in Augustus van hetzelfde jaar werd
het oudste van hun kinderen geboren. We noemen van hen: Hendrick, schilder en
graveur, die 26 Januari 1647 te Vlissingen met
Maria Seuse trouwde, Cornelis (1630 -
?), vendumeester en sinds 1665 notaris te Vere, waar hij 15 Juni 1655 met
Cornelia Vertrecht van
's-Heer-Arendskerke trouwde, en Laurens (1632 - 1690), die notaris te
Middelburg werd en met zijn eveneens uit Bergen-op-Zoom afkomstige nicht
M. de Pauwtrouwde. Voor deze en andere
afstammelingen van Udemans vgl. Nagtglas, II, blz. 798 - 800.
216Het enige rederijkerswerk in eigenlijke zin,
dat we van hem bezitten, zijn twee refereinen en een lied, waarmee hij als
gildebroeder van ‘Missus Scholieren’ in 1641 uitkwam op het
Vlissingse landjuweel. Men vindt ze in de bundel: Vlissings Redens-lust-hof
(1642), blz. M r° - v°, Bb r° - v°, Kk 4 v°.
217Wonderlijcken droom vande school-houdinghe van
mr. Ian van Oldenbarnevelt. Met de verclaringhe van dien (z. pl., 1618) (16
blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 2777). - Andere drukken: Pamfletten Tiele,
nos. 1566 en 1568.
218Tegen dit auteurschap pleit, dat Udemans in het
voorbericht voor ‘De waekende oog’ het laatstgenoemde boek zijn
eerste werk noemt. Is het ook mogelijk dat Udemans een kwart eeuw later, toen
de tijdsomstandigheden zo geheel anders waren geworden, zich geschaamd heeft
over het heftig partijdige pamflet uit zijn jeugd, en het daarom
verloochende?
219. De waekende oog, op de onsekerheyt des
menschen levens. In dicht ghestelt, door Cornelis Udemans. Hier by sijn noch
door den selfden autheur gevoegt eenige emblemata ofte sinnedichten. In 's
Graven-haghe, voor
Anthony Jansz Tongerloo, boeck-verkooper
woonende inde Veenestraet inde Thien-Geboden. Anno 1643 (XX, 162 blzn.;
4to).
221T.a.p., blz. 83. - Als emblematabundel zonder
prenten is dit werk enig in zijn soort. Vgl. A. G. C. de Vries, De
Nederlandsche emblemata (Amsterdam, 1899), blz. 22.
223Oraenjens rou-mantel: over het droevigh en
onverwacht overlijden van den hoogh-geboren vorst Wilhelmus, by der gratien
Gods dies naems tweede Prince van Oranjen, Grave van Nassouw, etc. als-mede
over de onverwachte blyschap van den nieu-geboren Prins; den eersten-geboren
soon vanden voor-genoemden, zaliger memorie. Oock over de onverwachte
vriendelicke aen-sprake en vertooninge van de provintie van Hollandt aen de ses
andere provintien. Alle rijm ende vrede-lievende patriotten toe-ge-eygent. Door
Cornelis Udemans. Met een dobbel-slaende
rym-werck verçiert, doch, sat cito, si sat bene.
Siet! heel ons lant is in den rouw'
Noch met Oraenjen en Nassouw,
En oock met dese droeve eeuw,
Om dat soo brult noch onse leeuu.
Tot Middelburgh, inde druckerye van
Anthony de Later. 1650 (16 blzn.; folio)
(Pamflet Meulman, no. 3171).
225Nederlantsche tragi-comedie, vertoonende het
gewoel der voorledene, en tegenwoordige oorlogen van de vereenichde
Nederlanden. Doch eygentlijck vervattende den vredelijcken wensch der
Christenen. Door Cornelis Udemans. Gedruckt voor den autheur. Anno 1652 (134
blzn.; 8vo) (U.B., Leiden; U.B., Utrecht).
226T.a.p., blz. (qqq) 4 r°.
227Het grove pack-kleedt, af-getrocken van het
lastigh' pack des werelts. Door
Cornelis Udemans. Tot Middelburgh,
gedruckt by Henrick Smidt, boeck-drucker, woonende op de Wall. Anno 1658 (24
blzn.; 4to) (U.B., Leiden).
228Het geestelyck gebouw, met sinne-beelden
verciert, door
Cornelis Udemans. Tot Middelburgh,
gedruckt by Henrick Smidt, boeck-drucker, woonende op de Wall. Anno 1659
(XVIII, 192 blzn.; 4to) (U.B., Leiden). - Lofdichten van
Christophorus Maten en
Isaacus Snyers gaan vooraf aan dit werk,
dat de schrijver aan zijn geboortestad Bergen-op-Zoom heeft opgedragen.
229Af-beeldinge van de verkeerde werelt:
ontdeckende de oude aen-geborene verkeertheyt der menschen, vervattende daer
beneffens met rijm-werck de verklaringen van alle de voornaemste historien van
het Oude en Nieuwe Testament, noyt voor desen by eenige poëten meer
uyt-gegeven. Verciert met verscheyde kopere platen. Tot Middelburgh, uyt de
boeck-winckel van Pieter van Goetthem, boeck-verkooper in de Giststraet, in den
Leydsen Boeck-binder, 1660 (XII, 296 blzn.; 4to). - 2de druk: Middelburgh,
1661. - Het werk is opgedragen aan de overheid van Vere, de herdruk evenwel aan
Abraham Heidanus, een neef van de
uitgever. Cats, Huygens en
Elisabeth Havius schreven er lofdichten
voor; dat van Cats was het laatste gedicht, door hem geschreven. In mijn bezit
is een exemplaar van de eerste druk, geheel met wit doorschoten en door de
auteur zelf voor de derde druk bewerkt. Behalve talrijke toevoegingen tussen de
tekst, soms van vele bladzijden lang, heeft Udemans er een opdracht
bijgeschreven aan de prinses-douairière
Amalia van Solms en een inleiding
‘Aen den rijm-lievenden leser’. Bij de lofdichten is er een van
R(ochus) H (offer) (een autograaf). Een derde druk is echter nooit
verschenen.
230Schrickelicke vertooninge van den
staet-suchtigen duyvel, die van den beginne der wereldt sich selven aen alle
soorten van menschen inwendigh heeft verthoont, maer nu voornementlick aen
koningen en vorsten, die met haer acht of thienen de heele werelt in roeren
stellen, doch met bysondere voorsienigheyt Gods, die de koningen en vorsten als
roeden gebruyckt, tot straffe der onderdanen, maer wee haer die Gods roeden
zijn, want als een scherp-rechter sijn roeden gebruyct heeft, dan werpt hyse
wech. 's Graven-hage, gedruckt by Jasper de Bot. Anno 1665 (24 blzn.; 8vo)
(Pamflet Knuttel, no. 9131).
231* Een klaren en verre-sienden bril, dienende op
de neus van alle neus-wyse dwasen. Middelburg, 1665 (4to). - Veiling-catalogus
Van Huffel's Antiquariaat, Utrecht, October 1927, no. 1475.
232* Chartacea et sanguinolenta navis bellica, in
prora quidem rubrum belli, sed in puppi album pacis signum gerens. Cornelius
Udemannus hujus chartaceae navis naupegus. Medioburgi, Henricus Smetius, 1672
(116 blzn.; 8vo). - Ik kreeg het niet onder ogen, maar ontleende de titel en
enkele bijzonderheden over de inhoud aan de Navorscher, 7 (1857), blz. 10 en de
veilingcatalogus der nalatenschap van J. I. Doedes (Collection of rariora) (J.
L. Beijers, Utrecht, 1898), no. 871.
233Behalve de bovengenoemde werken zijn van
Udemans nog twee lofdichten bekend, nl. een twaalfregelig bijschrift bij een
portret van
Adriaen Banckert, luitenant-admiraal van
Zeeland, door zijn zoon H. Udemans gegraveerd (Zel. Ill., I, blz. 554) en een
lofdicht voorin: Het nieuwe droevige nacht-licht (Middelburgh, 1665) van Arent
Roggeveen (Pamflet Knuttel, no. 9204) (vgl. hiervóór, blz.
87).
234Brief van 21 Augustus 1660, aanwezig in de
hssn.verzameling van de U.B. te Amsterdam. Vgl. J.A. Worp, De briefwisseling
van
Constantijn Huygens, V ('s-Gravenhage,
1916), no. 5655. - Ook met Cats stond Udemans in briefwisseling, zoals blijkt
uit zijn: Grove pack-kleedt, t.a.p., blz. A 2 v°.
235Vgl. H. M. Kesteloo, Geschiedenis en
plaatsbeschrijving van Arnemuiden (Middelburg, 1876), blz. 85, 129 - 134, 145,
147, 209.
237Zoals Schotel, t.a.p., II, blz. 234,
doet.
238Kesteloo, Stadsrek., blz. 85.
239Notulen van Wet en Raad, 25 Maart
1644.
240Kesteloo, Stadsrek., blz. 134.
241Vgl. H. M. Kesteloo, Domburg in woord en
beeld (Middelburg, 1913), blz. 34.
242Notulen van de Staeten van Zeelant, 1625,
blz. 309.
243Over de Goese rederijkers zie men: R.C.H.
Römer, De rethorijkers te Goes (Zeeuwsche volks-almanak, 1844, blz. 10 -
19); J. ab Utrecht Dresselhuis, De redenrijkers te Goes (eene nalezing)
(Zeeland, 1855, blz. 137 - 166; R, A. S. Piccardt, Bijzonderheden uit de
geschiedenis der stad Goes (Goes, 1864), blz. 120 - 125.
244Ab Utrecht Dresselhuis, t.a.p., blz. 139 -
140. - In het stedelijk archief vindt men geen sporen van haar bestaan
vóór het midden der zestiende eeuw.
245Vandaar dat de kamer in de rekening van het
voetbogengilde over 1539 ‘die camer van Magdalena’ genoemd wordt -
T.a.p., blz. 141.
246Dit bestaat uit een ruit, waarvan het schild
in twee gelijke delen verdeeld is, de linkerhelft van zilver, de rechter van
goud. De rechterzijde heeft drie blauwe, schuins naar de linkerkant afdalende
balken, de linkerzijde twee rode dijen boven elkaar. Het schild is gekroond met
een groene krans, bestoken met blauwe nardusbloemen. - T.a.p., blz. 139;
Piccardt, t.a.p., blz. 122, noot 76.
247Stadsrekeningen van Bergen-op-Zoom, 1475 -
1476.
248Vaderlandsch Museum, 3 (1859 - 1860), blz.
56.
249F. Caland, De oudste stadsrekening van Axel
(Kronijk Hist. Gen., 24 (1868), blz. 394).
250Kesteloo, Stadsrek., III, blz.
96.
252Deze ordonnantiën berusten thans, met
het request en de apostille daarop, in de Nat. Bibl. te 's-Gravenhage. Een en
ander is afgedrukt bij Schotel, t.a.p., II, blz. 184 - 200. Ook bezit de Nat.
Bibl. het Rekeningboek der kamer, dat met 1570 begint. De eerste blz. is
versierd met een afbeelding van de patrones der kamer, gekleed in een wit en
hemelsblauw gewaad (de kleuren van het huis van Beieren!), op een veld, bezaaid
met nardusbloemen. In de rechterhand houdt zij een gouden drinkschaal met drie
nardusbloemen, in de linker het deksel daarvan. Haar hoofd is gekroond met een
krans van dezelfde bloemen, en omringd met een aureool. Terzijden, op een
uitgerold blad, staan de woorden ‘met gantsher (sic)
herten’.
253Boek der voorboden en ordonnanciën van
Goes (1568?), hfdst. 5, art. 10. - Romer, t.a.p., blz. 14; Piccardt, t.a.p.,
blz. 123, noot 88.
254Kleine notulen van de raad van 10 Mei
1581.
255Kleine notulen van 26 Maart 1589.
256Kleine notulen van 5 October
1597.
257Ab Utrecht Dresselhuis, t.a.p., blz.
145.
258Notulen van de raad van 14 November
1630.
259Hij schreef het, onder het devies van de
kamer, achter in het rekeningboek van het Sint-Severiusgilde van 1547 - 1619,
waaruit het is overgenomen bij Ab Utrecht Dresselhuis, t.a.p., blz. 142 - 143
en Piccardt, t.a.p., blz. 124, noot 89.
260De Schadt-kiste der Philosophen (Mechelen,
1621), blz. 321 - 322, 323. - Het referein, het ‘Nieuw Liedeken; op de
wyse: Wy Bevenaers alhier by desen’, en een referein van
Claude Fonteyne (zinspreuk: Ick dorst
naer eer), eveneens lid van de kamer, zijn in deze bundel afgedrukt.
261Op de uitgeschreven vraag: ‘Wat
oeffningh is elck best, en noodighst voor 't gemeen?’ antwoordde Goes,
bij monde van een rederijker die de zinspreuk ‘Spaert eerst fenijn’
voerde, met: ‘'t Heylzaem gebedt tot Godt, ist nodighste bevonden’.
Op de regel ‘Geluckigh is het landt, daer sulcke volck'ren woonen’
antwoordde de kamer in een niet ondertekend referein. Ter beantwoording van de
vraag naar een lied op de regel ‘Die God heeft tot sijn hulp, geen dingh
hem hinder doet’, stelden twee Goese rederijkers een lied op, nl.
Joannes Hendricks Mispelblom (1594 -
1649) (anagram: ‘Om spellen misiond braeinigh’; zinspreuk: Met
gantscher herten) en de bovengenoemde anonymus, wiens lied op muziek gezet was
(stemme: Prijsweerdigh pleyn, vol Nardus Blomken reyn, &c.). - Vlissings
Redens-lust-hof (Vlissinge, 1642), blz. N 2 r° - v°, Cc 2 r° -
v°, Ll 3 v°, Ll 4 r° - v°.
262Apollus lust-hof, ofte Beroep tot
Bleyswijck, vande broeders van den Dubbelt Geelen Hoff-Bloem (Delft, 1684),
blz. 22. - Op de vraag ‘Wat volck was seer benaut, die suchtend' tranen
lieten, Verlost uyt prijckel om vol-op-heyt te genieten?’ antwoordde
Andries van Dorme (zinspreuk: Door Godts hulp) met een referein, waarvan de
stokregel was: ‘Soo trock 't ghevanghen volck van daer door Godts
geleyden’ (tw. de Israëlieten uit Egypte). Van Dorme had als
stokregel voor zijn antwoord de opgegeven stok voor de prijsvraag van de regel
genomen, en nam dus met dit referein aan beide wedstrijden tegelijk deel. Aan
de knievraag nam Goes geen deel. Men vindt de antwoorden van Goes in: Apollus
lust-hof, t.a.p., blz. 22 - 25. - De prijs bestond uit een zilveren
proefschaal.
263Op de vraag ‘Wiens dood voor handen
was, vond' g'naed in 's Konings oogen Hy tot loon, kreeg een kroon, en wierdt
tot staat getogen?’ antwoordde Andries van Dorme met: ‘David kreegh
genaed', tot loon, de kroon Israël’, en
Bernardus Verheule (zinspreuk: Haet,
nijdt) ‘uyt liefde’ (d.i. buiten mededinging) met ‘David
victorieus, kreegh tot loon, kroon, en eere’. Het lied op de opgegeven
regel ‘Door weldoen krijgt den mensch, het geen hy niet en heeft’
en de beantwoording der knievraag: ‘Wat dient 'er by 't reen-rijck best
en nuts t'onderhouwen?’ (met: ‘De liefd' verbandt den twist, baert
eendracht, rust, en vrede’) waren weer beide van Andries van Dorme. Men
vindt ze in: Apollus-Helicon, ofte Beroep, gedaen by de broeders van 't
Rosmareyn, daermen schrijft: door 's Woords kracht, tot Schipluyde (Delft,
1685), blz. B 3 r° - B 4 r°, D r° - D v°. - De prijzen
bestonden uit ‘een groote tinne gesneden beker’, ‘een tinne
gesneden beecker’ en ‘een silvere tant-stoocker’.
264Kleine notulen van 14 December 1630.
265Ab Utrecht Dresselhuis, t.a.p., blz. 154 -
155.
266Kleine notulen van 24 Juli 1679.
267Uit de notulen van de kerkeraad aangeh. bij
Römer, t.a.p., blz. 18.
268Notulen van de kerkeraad van 2 Januari
1682.
269Zie over hem: Nagtglas. II, blz. 1075 -
1076.
270Een nieu liedt-boeck, genaemt den
Druyven-tros der Amoureusheyt: in hem begrijpende veelderhande amoureuse
liedekens, te vooren in druck noyt uytgegaen. Gecomponeert, door Pieter
Lenaerts vander Goes. 1602 (166 blzn.; kl. obl.) (U.B., Amsterdam). - Een
herdruk is in één ex. bewaard, waarvan het titelblad echter
ontbreekt (176 blzn.; kl. obl.) (Verzameling H. E. Driessen, Haarlem). - Een
moderne uitgave, met een inleiding en aantekeningen door P.J. Meertens
(Utrecht, 1929), verscheen in de ‘Liederen van Groot-Nederland’,
verzameld door F. R. Coers F.Rzn.
271Mr.
Pieter Leenaerts (Goeree) was in het
laatste kwart der zestiende eeuw te Goes in de regering (Nagtglas, t.a.p.; mijn
inleiding, blz. IV). Deze of een andere Pieter Lenaertsz verzocht in 1599 aan
de admiraliteit van Rotterdam om geslagen want naar Rochelle te mogen uitvoeren
(R. G.P., dl. 71, blz. 779, noot 3). En tenslotte komt in ‘De
Schadt-kiste der Philosophen’ (Mechelen, 1621) een ‘liedeken’
voor van P. Lenaerts (blz. 35), lid van ‘De Goubloeme’ van
Antwerpen, die tot zinspreuk voerde: In liefde verheught.
273Het recht der stad Reimerswaal, uitgegeven
door R. Fruin (Oude Vaderlandsche Rechtsbronnen) ('s-Gravenhage, 1905), blz. 15
- 20.
274Of moet men aannemen dat Reimerswaal twee
kamers heeft gehad, de ‘Gentylen’ en de ‘Drie
Korenbloemkens’? Aangezien de stadsrekeningen van deze al in de
zeventiende eeuw verdwenen plaats verloren zijn gegaan, zal hierop wel nimmer
een afdoend antwoord gegeven kunnen worden.
275Stadsrekeningen van Vere, 1471: ‘den
gezellen van Reymerswale, die hier ter Vere quamen batementen spelen, gesconken
twee poortcannen wijns van XX gr.’
276‘Den batementers ... deene van
Antwerpen, dandere van Remerswale en de derde van Bergen, hier voor der
stadthuys spelende, elc een van hen betaelt enz.’ - Stadsrekeningen van
Bergen-op-Zoom, 1474/75, meegedeeld in: C. R. Hermans, Geschiedenis der
rederijkers in Noordbrabant, 2de stuk ('s-Hertogenbosch, 1867), blz.
254.
277Sinte Geertruydtsbronne, 10 (1933), blz.
XXVII.
278Stadsrekeningen van Bergen-op-Zoom, 1483/84.
In dit jaar kwamen ‘die van de rethorike’ van Reimerswaal in
Bergen-op-Zoom om deel te nemen aan ‘'t heylige cruystocht’, de
grote sacramentsprocessie.
279Ze kwamen er op de ommegangsdag spelen,
waarvoor de stedelijke regering hun vier poortkannen Rijnwijn schonk. -
Kesteloo, Stadsrek., II, blz. 106.
280Belgisch Museum, l (1837), blz. 151.
281Boxhorn, Chroniick, I, blz. 177. - Ten tijde
van Boxhorn waren deze stopen en kannen, ‘waer op het wapen van
Romerswale, ende 's Kamers devijse, met den datum daer by, gheschildert
staet’ nog aanwezig; ze werden ‘tot Middelburch op de Reden-rijcke
Kamer tot gheheuchenisse bewaert’.
282Kesteloo, Stadsrek., III, blz. 351.
283Het ‘Esbatement van de Appelboom’
(door mij uitgegeven in het Tijdschr. v. Ned. taal- en letterk., 42 (1923),
blz. 165 - 193), dat ik indertijd als uit Reimerswaal afkomstig beschouwde, zie
ik thans, na de opmerking van F.H. Kossmann, t.a.p., 46 (1927), blz. 32 - 33,
eerder voor een werk van de Haagse kamer de ‘Korenbloem’ aan, al
blijft het dan vreemd, dat het typisch Zeeuwse woord wuijtken, dat
driemaal in dit esbattement genoemd wordt, kan voorkomen in een spel, dat niet
van een Zeeuwse kamer afkomstig zou zijn.
284Vgl. Ign. M. P. A. Wils, Het retorijka gilde
te Kapelle (Bijdr. v. d. gesch. v. h. bisdom v. Haarlem, 47 (1930), blz. 275 -
278).
285In 1804 door zekere Frans Verscraage te
Kloetinge geschreven; de tekst is door deze afschrijver klaarblijkelijk
gemoderniseerd en hier en daar bedorven. Het afschrift berust thans onder de
pastoor van Hansweert, tot wiens parochie het gilde behoort.
286Destijds schoolmeester te
Kapelle.
287Vgl. J. Bijlo, Kroniek van Kapelle-Biezelinge
en Eversdijk (Middelburg, 1923), blz. 97, 211 - 212; J. Kleijntjens, Verslag
over den godsdienstigen toestand in Holland en Friesland, a° 1565
(Haarlemsche bijdr., 59 (1940 - 1941), blz. 52 - 101), blz. 57 - 58.
288Vgl., ook voor de geschiedenis van de kamer:
Het spel van de Stathouwer, medegedeeld door D. A. Poldermans (Archief
Z.G.d.W., 1930, blz. 1 - 118); C. G. N. de Vooys, Het abele spel van Lanseloet,
door Zeeuwse rederijkers ten tonele gebracht? (Tijdschr. v. Ned. taal- en
letterk., 54 (1935), blz. 297 - 298).
289Poldermans, t.a.p., blz. 92 - 105. - Op het
raadhuis te 's-Gravenpolder is nog een zilveren schild van ruim een decimeter
in het vierkant, aan een zilveren ketting. Het schild vertoont een vrouw
(Sinte-Barbara) naast een toren (die van het dorp) en heeft als randschrift:
Als men 1596 heeft geschreven/wert in 's-Gravenpolder met raet vergeven/omdat
den Camer weder wert opgeheven/naer dat zij lange hadde desolat gelegen. - In
een wolk staat nog geschreven: Met dugt verwinnende, en het jaartal 1694. -
T.a.p., blz. 117 - 118.
290Ab Utrecht Dresselhuis, De redenrijkers te
Goes, t.a.p., blz. 162 - 165 (medegedeeld uit de notulen van gecommitteerde
raden van 31 December 1711).
290aMedegedeeld door J. van der Baan in de
Navorscher, 16 (1866), blz. 166.
291Ab Utrecht Dresselhuis, t.a.p., blz. 157. -
Het schriftelijk adres met de apostille van de ambachtsheren is als bijlage
opgenomen, blz. 158 - 161.
292T.a.p., blz. 160 - 161.
293In de rekeningen van de Goese schuttersgilden
(o.a. in die van het Sint-Jorisgilde van 1539 en 1540) komen nl. verscheidene
posten voor wegens geschenken aan de zotskap van Wolfaartsdijk. - Piccardt,
Bijzonderheden uit de geschiedenis der stad Goes, t.a.p., blz. 121.
294Vgl. (P.D. de Vos), Rederijkerskamers op
Schouwen en Duiveland in de 16e en 17e eeuw (Zierikzeesche Nieuwsbode, 19
October 1923); H. M. C. van Oosterzee, Naschrift (over rederijkers op Schouwen
en Duiveland) (Zeeuwsche volks-almanak, 1844, blz. 20 - 23).
295Tenzij de beide eerstgenoemden
één kamer zijn, zoals Schotel, t.a.p., II, blz. 293
veronderstelt.
296Van Oosterzee, t.a.p., blz. 20; vgl. Kops,
t.a.p., blz. 262.
297Van Oosterzee, t.a.p., blz. 21.
298t'Catgens en t'hondekens strijdt (2 bladen in
plano, waarvan het eerste te kort is afgesneden, zodat van het derde couplet 9,
van het vijfde 8 en van het zesde 2 regels ontbreken) (Prov. Bibl. van Zeeland,
Middelburg; het ex. bevindt zich in de op blz. 416, noot 931 genoemde
verzamelbundel van
Jacobus Baselius).
299Rechtsregisters van Brouwershaven, register
no. 2 (1553 - 1557).
300Deze ‘Ordonnancie voorde camer van
rhethorica der stede van Brouwershaven, 1594’ (16 blzn.; folio) berust in
hs. op het raadhuis van Brouwershaven.
301Dit hs. berustte tot voor kort eveneens op
het raadhuis van Brouwershaven, en is thans in bruikleen gegeven aan de
Universiteitsbibliotheek te Utrecht. - Een beknopte inhoudsopgave van de
esbattementen, die het bevat, vindt men in: C. G. N. de Vooys, Onbekende
zeventiende-eeuwse esbatementen van een onbekende rederijkerskamer (Tijdschrift
v. Ned. taal- en letterk., 55 (1936), blz. 211 - 224). - Een uitgave van deze
spelen wordt bezorgd door H. Meilink.
302Uit het Rood-Waarheidboek (een crimineel
register) van Zieriksee medegedeeld bij Van Oosterzee, t.a.p., blz. 22. - De
rederijkerskamer van Haamstede had, waarschijnlijk in het vroege voorjaar van
1610 (ter gelegenheid van het strarijden?) met trommels enz. willen uittrekken,
maar de ambachtsheer Jacob van den Eynde had er geen toestemming voor gegeven.
Desondanks waren ze naar Renesse getrokken en hadden daar ‘den gans
geclippelt’ en andere vermaken bedreven. De baljuw van Zieriksee kwam er
31 Maart 1610 voor over om getuigen te horen. ‘Souffereyn’ van de
rederijkerskamer was toen
Pieter Visch. - Schepenaktenboek van
Haamstede.
303Uit het Rood-Waarheidboek van Zieriksee, 24
Juni 1611, medegedeeld door Van Oosterzee, t.a.p., blz. 22.
304De Vos, Rederijkerskamers op Schouwen en
Duiveland, t.a.p.
305Vgl. P.J. Meertens, Job Gommersz, een Zeeuws
rederijker uit het midden der zestiende eeuw (Tijdschr. v. taal en letteren, 14
(1926), blz. 245 - 284). - Het hs., waaraan de gegevens voor deze studie
ontleend zijn, berust in de Nat. Bibl. te 's-Graven-hage.
306Vgl. E. Wiersum, Een Zeeuwsche kalender uit
de 16e eeuw (Archief Z.G.d.W., 1908, blz. 47 - 63).
307Er is een opvallende overeenkomst tussen een
van deze refereinen en een van de Tongerse rederijker meester
Ardt Bierses, die een tijdgenoot van
Gommersz was. Vgl. Jules Frère en Jan Gessler, Uit een Tongerschen
dichtbundel der XVIe eeuw (Tongeren, 1925), referein XI, blz. 36 - 38. Deze
overeenkomst is te sterk dan dat van toeval sprake kan zijn; enkele regels zijn
nl. woordelijk aan elkaar gelijk. Wie van beide rederijkers is de
plagiator?
308Kops (t.a.p., blz. 240) deelt mede dat een
‘Mey-spel amoreus, daar Pluto Proserpina ontscaect’, in 1534 te
Tolen werd gespeeld, maar ik zocht tevergeefs naar de bron van dit bericht. In
1519 zou het te Dendermonde en in 1551 te Aalst zijn opgevoerd. Een overzicht
van de inhoud t.a.p., blz. 236 - 240. Kops vermeldt niet, waar hij dit stuk
gevonden heeft.
309Het spel bevindt zich in de Kon. Bibl. te
Brussel (hs. 21659), in een afschrift van
Reyer Gheurts (vgl. C.G.N. de Vooys,
Amsterdams rederijkersleven in het midden van de zestiende eeuw (Tijdschr. v.
Ned. taal- en letterk., 48 (1929), blz. 133 - 140). Op het titelblad staat, als
plaats van afkomst: Thoolen; aan het slot:
Jacop Awyts fecit. Het spel, dat
ongeveer 850 regels telt, beschrijft hoe ‘Menschelyke Broosheyt’,
een jongeman die naar zijn eigen getuigenis meer taveernen en bordelen dan
kloosters en kerken bezoekt, en die verliefd is op ‘Swerelts
Ghenuechte’, een ‘huere’ met zeven dochters (de zeven
hoofdzonden), er toe gebracht wordt zijn lief in de steek te laten om
‘Tprofijt der Zielen’ te gaan zoeken. Uit de rijmen noch uit de
woordvoorraad blijkt iets over een Zeeuwse afkomst; ook komt de naam Awyts in
Toolse archivalia niet voor, maar noch het een, noch het ander behoeft een
reden te zijn om de zo uitdrukkelijk vermelde Toolse herkomst in twijfel te
trekken.
310‘Op den XVIIen November 97 hebben
bailiu, borgemeesters ende schepenen collegiater vergadert synde voer hun
ontboden Anthoni Leys als Prince van de Camer van Rethorica ende hem affgeyst
de keure van de Camer van Rethorica bij ons verleent mitsgaders de wilkeure by
henlieden gemaeckt ende hem Prince belast op de hoochste boete op syn
poorterschap geen vergaderinge ter cause vande camer meer te houdene ende
voerss. keuren opgesloten op den Stadthuise, van gelycke es ten zelfden dage
mede in 't voorss. collegie ontboden Corn. Breijl, als knape van den voorss.
camer ende hem op gelycke penen als boven belast die vande camer van Rethorica
nyet meer te vergaderen noch in hunne camer noch elders, en heeft den vrss.
Prince by eede verclaert, dat [in] de zelve camer sijns weten geen andere
keuren en zijn als hy alhier overgelevert heeft’. - Mededeling van wijlen
de heer C. Hollestelle, archivaris van Tolen. - De in deze resolutie bedoelde
keuren zijn thans niet meer in het archief van Tolen aanwezig.
311Stadsrekeningen van Tolen, 16 Juni
1614.
312J. Was, in Nehalennia, 1850, blz.
235.
313Vgl. Kops, t.a.p., blz. 287, en Ermerins,
Eenige Zeeuwsche oudheden, II, blz. 59. - Op het blazoen zijn de wapens van
Zeeland, Vosmeer en Nassau afgebeeld.
314Uit de wapenschilden, die in de vier hoeken
zijn aangebracht, blijkt dat
Charles van Bourgondië, heer van
Sommelsdijk en Sint-Annaland, het schild heeft doen vervaardigen. Deze wapens
zijn nl. die van zijn vier kwartieren: Bourgondië, Manuel de la Cerde,
Werchin en Luxemburg. Aan de keerzijde is het volle wapen van Bourgondië
afgebeeld.
315Het werd vroeger op het sinds verdwenen
rechtshuis, en wordt thans op het gemeentehuis bewaard. Het randschrift van het
bord luidt: Katarina refulsit/virgo regalis fidei/merito specialis/jubar in
[te]nebris M.V.D. (d.i. Catharina, een maagd van koninklijk geloof, door haar
verdienste uitzonderlijk, als een morgenster heeft zij geschitterd in de
duisternissen). - Is i.p.v. M.V.D. misschien M.D.V., d.i. 1505, te
lezen?
316Veldt-dichtsche t'saemspraeck, tusschen
Konst-oeffenaer, ende Konst-beminder. - Den Nederduytschen Helicon (Haerlem,
1610), blz. 66 - 85. - Het gedicht is merkwaardig door de vele tientallen namen
van dichters uit het begin der zeventiende eeuw, die het opsomt.
317EIegia oft claeghdichtsche tweespraeck. -
Epitaphien ofte graf-schriften gemaeckt op het afsterven van Carel van Mander
(Leyden, 1609), blz. 31 - 39.
318Dit 269 bladen tellende hs. bevindt zich in de
Prov. Bibliotheek van Zeeland te Middelburg. Een opstel over deze verzameling,
met enkele proeven eruit, verschijnt te zijner tijd in het thans tijdelijk
gestaakte tijdschrift Sinte Geertruydtsbronne. Bij het hs. is een ontwerp van
Bernaerds gevoegd voor een blazoen van de rederijkerskamer van Scherpenisse:
een hand die een zwaard vasthoudt, waarvan de punt naar boven is gekeerd, met
het jaartal 1622 en het randschrift: Soo Scherp en is geen zweird
tweesnijdig als Gods Woord (vgl. Hebr. 4:12). Jasper Bernaerds was getrouwd met
Anthonina Joosdr. Bostijns.
319Vgl. J. Adriaanse, Beelden uit het verleden
van Hulst en zijn ambacht (Amsterdam, 1930), blz. 70, 78, 79, 108.
320Zie over hem: N.N.B.W., VI, kol. 1156 - 1157
(J. Fruytier). Hij was in 1467 kapelaan te Hulst en maakte met ridder
Joost van Ghistele, heer van Aksel, de
reis mee naar Palestina, Indië, Perzië enz., die deze edelman tussen
1481 en 1485 ondernam.
321Uit de stadsrekeningen van 1478 medegedeeld
door F. Caland in de Navorscher, 32 (1882), blz. 67 - 68.
322Stadsrekeningen van Hulst. - Er bestond
klaarblijkelijk een vrij druk verkeer tussen Hulst en Bergen-op-Zoom. Op derde
Paasdag van hetzelfde jaar zongen de zangers van Bergen te Hulst in de kerk
(t.a.p.), en daags na Sacramentsdag (dus op 28 Mei) speelden de Bergse
‘gesellen van rethorike’ er op de markt een spel van
Sinte-Geertruydt - H. Levelt, De ‘gesellen der Vroeghdenbloeme’ te
Bergen-op-Zoom (Sinte Geertruydtsbronne 1 (1924), blz. 17).
323Het bovenstaande uit aantekeningen uit de
rekeningen van Hulst, medegedeeld door F. Caland in: Geschiedkundige
bijzonderheden van Zaamslag (De Navorscher, 29 (1879), blz. 134 -
136).
324J.F. Willems heeft deze ‘Pryskaerte van
de rederykkamer der stad Hulst’ uit de archieven van Oostvlaanderen
afgedrukt in Belgisch Museum, 4 (1840), blz. 411 - 418. Een der aan dit stuk
hangende zegels, die bij dit art. zijn afgedrukt (tgr. blz. 418) stelt
ongetwijfeld het blazoen van de kamer voor: een pot, waaruit drie (hulst)
takken oprijzen, tussen de letters R(eyne) M(inne).
325De Navorscher, 29 (1879), blz.
135.
327Medegedeeld door J.F. Willems in Belgisch
Museum, 1 (1837), blz. 152.
| |