auteur: P.J. Meertens
bron:
P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en
de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers
Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van
Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2000 dbnl / erven P.J. Meertens

|
|
| |
| | | |
IV. Godsdienstig leven na de Reformatie
| |
Reformatorische stromingen
De invloed van Luthers optreden in 1517 heeft zich in Zeeland al
even vroeg als in Holland en Vlaanderen doen gelden. Wanneer de Landvoogdes in
1523 een scherp onderzoek laat instellen naar de kerkelijke toestanden in haar
gebied, blijkt dat ‘die ongheregeltheyt van der geestelikheyt van
Zeellant onghelyck grooter ende meerder was, dan oyt te vooren, ende dat de
geoirdende persoonen allen manieren van erfven ende andere waerlicke goeden hem
voorderden te gecrygen, by alle middelen zy dincken mochten, sulck dat tgeheel
landt van Zeellant ghescape hadde gheweest in hueren handen te commen’
1. Aldus had ook hier de geestelijkheid zelf de grond bereid, waarin
de nieuwe leer wortel kon schieten, en al twee jaar later noemt
Erasmus naast de Hollanders en de
Vlamingen dan ook de Zeeuwen nadrukkelijk als bekend met Luthers leer en van
een dodelijke haat tegen de monniken vervuld
2. Enkele maanden later schrijft koning
Christiaan II van Denemarken uit
Middelburg aan zijn vriend
Spalatinus, dat hij zich verwonderde over
de ijver voor Gods woord - d.i. het Luthers Schriftgeloof - in Zeeland, die ook
hier door het bloed der martelaren toenam
3.
Intussen droeg zijn verblijf in Zeeland niet weinig bij tot deze uitbreiding
der ketterse opvattingen. In Mei 1523 met zijn gezin en zijn gevolg op veertien
schepen te Vere geland, vertoefde hij daar als gast van
Adolf van Bourgondië en in de
hoofdstad van het eiland, tot de Landvoogdes hem tegen het eind van 1525
gelastte om naar Brabant te vertrekken. Het grootste van zijn schepen, met een
bemanning van meer dan vijfhonderd opvarenden, lag ruim een jaar in Vere, en de
omgang van deze Luthersgezinde matrozen met de inheemse bevolking is zeker niet
zonder gevolgen gebleven
4.
Wanneer Adolf in 1529 en nog eens in 1531 een gestreng onderzoek
instelt naar ketterijen in zijn gebied, blijkt dat twee pastoors deelnemen aan
de conventikelen van de Sacramentisten, en een derde er van verdacht wordt dat
hij, evenals zij, zijn ambt wel zou neerleggen als hij het geld maar kon
missen. Samenkomsten van hervormingsgezinden vinden geregeld plaats en worden
door velen bijgewoond; wanneer de processie omgaat, laat men zich smalend uit
over het Allerheiligste. Adolf bevindt zich in een moeilijke positie. Twee en
een half jaar lang heeft hij toegelaten dat de bemanning van het oorlogsschip
van zijn gast ongestoord met de burgerij kon verkeren. Men heeft hem een brief
uit Holland getoond, waarin de afvalligen tot volharding werden aangespoord,
maar hij heeft er zomin aandacht aan besteed als aan de conventikels zelf.
Thans dwingt het Hof te Mechelen hem, althans de schijn op te
houden van een Rooms-Katholiek en landsgetrouw heer te zijn, maar het blijft
bij de schijn, en van bestraffing der ketters horen we niets. Hoe kan Adolf
trouwens daarbuiten vervolgen wat hij binnen de muren van zijn eigen huis
toelaat, en wellicht aanmoedigt? Want zeker zullen de ketterse denkbeelden zo
geen algehele, dan toch een gedeeltelijke instemming hebben gevonden bij zijn
lijfarts
Reinier Snoy, de vriend van
Cornelius Aurelius en van
Erasmus, en als deze beiden vol kritiek op
de kerk en vol welwillendheid tegenover de nieuwe ideeën. Alle maatregelen
die Adolf genomen zou | | | | hebben, konden trouwens de zaak der
Hervorming eerder goed dan kwaad hebben gedaan; de tijden waren nu eenmaal
vervuld en de vruchten hingen rijp aan de boom
5.
Het is opvallend, maar alleszins verklaarbaar, dat in deze
beginjaren van de reformatorische bewegingen van de Zeeuwse eilanden alleen
Walcheren de invloed der nieuwe leer heeft ondergaan
6. Rondreizende ketters als de ‘apostaet broeder
Jacop uuyt Ingelandt’ (1525) en de
Augustijnermonnik
Petrus Daensius, die van 1534 tot 1538 op
Zuidbeveland vertoefde, zullen er waarschijnlijk geen of zo goed als geen
aanhang hebben gevonden
7. Walcheren, met zijn koopsteden, stond uiteraard
meer voor de nieuwe denkbeelden open dan het agrarische achterland, en hier
zien we dan ook de eerste sporen van het optreden van ketterse denkbeelden in
Zeeland.
Hadrianus Cordatus, priester en kanunnik
van Sint-Pieters binnen Middelburg, de geleerde vriend van
Geldenhauer en zovele andere Humanisten, wordt in 1527 wegens
‘luterye’ gevankelijk naar het slot te Vilvoorden gevoerd.
Janne Pier Kerstiaensdochter wordt in
hetzelfde jaar te Middelburg een stuk van de tong afgesneden en
vervolgens wordt de ongelukkige voor twee jaar verbannen wegens blasfemie van
God en Maria.
Jan de Wevere wordt in 1530, eveneens in
Middelburg, met een ijzer door zijn tong gestoken, ‘overmits zyne
lutherye’.
Dirck Arentsz van Middelburg en
Adriaen Lauwereysz van Grijpskerkeworden
in Februari 1530 vóór het stadhuis van Middelburg ter dood
gebracht wegens hun aanhangen van de nieuwe leer. Zij zijn de eersten van een
lange rij van slachtoffers, die de inquisitie ook in Zeeland heeft gemaakt, al
wist deze juist in de jaren omstreeks 1530 door grote gestrengheid het naar
buiten optreden van de ketterij sterk te beteugelen.
| |
Het Anabaptisme en Mennonisme
Kort na 1530 eindigt de eerste periode der Hervorming, die der
Sacramentisten. In de volgende jaren zijn het de Anabaptisten of Wederdopers,
die van zich doen horen. Deze beweging, omstreeks het genoemde jaar uit
Oostfriesland naar Holland overgeslagen, is al in 1534 in Zeeland
doorgedrongen. In dat jaar verlaten
Pieter Rombouts, alias Pier de Pape, en
zijn vrouw hun huis en have te Arnemuiden, ‘volgende alsoe
de nyeuwe secte van herdooperie’, en hun stadgenote
Aechte Jansdochtere neemt de vlucht
‘met die van der secte Melchioriten’. Het Anabaptisme neemt in
Zeeland van jaar tot jaar in aanhang toe
8, en
ook van hier trekt men op naar Munster, waar het nieuwe
Jeruzalem zal worden gesticht.
Cornelis Polderman uit Walcheren wordt er
weldra een van de leidende personen.
Jan Everts, schoenmakersgezel te Vere
9,
Jan Matthysz. Blauwaert, goudsmid te
Middelburg
10 en menige
andere Zeeuw sloten zich eveneens bij de Munsterse beweging aan en trokken in
heilige geestdrift naar het beloofde land.
Omstreeks 1535 treedt in deze periode van godsdienstige bewogenheid
echter schijnbaar een stilstand in, die tot omstreeks 1560 voortduurt. De
oorzaak daarvan is niet zozeer in de plakkaten van 1529 en 1531 te zoeken, als
wel in de ontgoocheling die de Anabaptisten beving, toen tegen hun verwachting
de wederkomst des Heren en het Duizendjarig Rijk uitbleven. Deze teleurstelling
heeft de beweging radicaal van karakter veranderd. In het vervolg leven de
meeste Dopersen, nu onder leiding van
Menno Simons, ‘in stillicheyt’
voort, zonder aanstoot te geven, en naar buiten treden ze voorlopig niet of
nauwelijks meer op. Weldra wordt het Anabaptisme door het Calvinisme
overvleugeld. Het edict van | | | | April 1550 noemt voor het eerst de
naam van de hervormer van Genève, wiens ‘Institutie’ al in
1546 op de index was geplaatst. Twee jaar tevoren had de uittocht van de
hervormingsgezinden, die zich bedreigd gevoelden, al een aanvang genomen, en
ook uit Zeeland waren velen naar Engeland getrokken, waar ze in
Londen, Sandwich, Nordwich en andere plaatsen tezamen met de
uitgewekenen uit andere gewesten bloeiende kerken stichtten
11.
Wanneer de Doopsgezinde oudste,
Leenaert Bouwens, op zijn zwerftochten in
1557 in Zeeland komt, doopt hij in Middelburg 13, in Zieriksee 2
aanhangers van zijn sekte, zodat in deze steden in elk geval huisgemeenten
zullen zijn geweest
12.
Het van overheidswege ingestelde onderzoek van 1550 en vooral dat van 1567 en
volgende jaren naar ‘gereformeerden’ brengt ook Mennonieten aan het
licht, die zich sinds het wonderjaar 1556 weer meer in de openbaarheid gewaagd
hadden. Al in 1561 en het volgende jaar klaagt men over kooplieden, waaronder
ook buitenlandse, die in Middelburg de gevoelens van deze sekte waren
toegedaan. In 1569 worden drie ‘vrome schaepkens en navolgers
Christi’,
Hendrik Alewijnsz
13,
Hans Marijnsz. van Oosten
14 en
Gerrit Duynherder gevangen genomen en na
vele martelingen levend verbrand. Omstreeks dezelfde tijd heeft, waarschijnlijk
te Brouwershaven, Valerius de schoolmeester hetzelfde lot ondergaan
15.
| |
Het Calvinisme
Inmiddels was, omstreeks 1555, in de Noordelijke Nederlanden, en ook
in Zeeland, de calvinistische periode der Hervorming begonnen. In niet meer dan
twintig jaar heeft het Calvinisme
16 onder ons volk de plaats veroverd, die het voortaan
althans in Noordnederland zou innemen. Het Anabaptisme is door zijn optreden
tot een voor ons volksleven vrij onbetekenende richting geworden. Als
Guido de Brès in 1559 de Confessie
opstelt, is deze geheel in overeenstemming met de beginselen van
Calvijn. In hetzelfde jaar predikt
Ghislein de Hoorne te
Middelburgal, voor een gehoor van twee- à driehonderd
hervormingsgezinden, onder wie wel vele Luthersen en Doopsgezinden geweest
zullen zijn, het evangelie in calvinistische zin. Uit beide kringen, vooral uit
die der laatstgenoemden, trok de leer van Calvijn weldra haar aanhangers, om in
enkele tientallen jaren de heersende geloofsrichting op de Zeeuwse eilanden te
worden, waar zij het na bijna vier eeuwen nog is. Deze snelle en volkomen
overwinning wijst op een geestelijke verwantschap tussen Calvijn en de
Nederlandse volksaard.
Wessel Gansfort, Erasmus, Luther,
Zwingli,
Bullinger, de Anabaptisten, zij allen, die
beurtelings op ons volksleven hebben ingewerkt, hebben elk op zijn wijze de
Reformatie voorbereid; deze Reformatie zelf is echter aan het Calvinisme te
danken. Het democratische element, het radicalisme, dat ons volk eigen is, zijn
voorliefde voor het sobere en het ongekunstelde, het klare en heldere, en de
individualistische trek in ons volkskarakter, dat alles deed de Nederlander
uitgaan naar de leer van Calvijn, waarin hij diezelfde elementen terugvond.
Men kan het betreuren, dat de Rooms-Katholieke kerk geen kans heeft
gekregen - of haar kans voorbij heeft laten gaan - om zich te zuiveren van de
smetten, waarmee zij zich, in de aan de Hervorming voorafgaande periode,
bevlekt had, en tegelijk met Bakhuizen van den Brink het
Calvinisme als de hoogste ontwikkeling van het godsdienstig en staatkundig
beginsel der zestiende eeuw beschouwen. Een hervormingsstrijd, zo laat na het
ontstaan der Hervorming uitgebroken als de onze, kon niet anders | | | |
dan calvinistisch zijn
17,
en het feit, dat Zeeland van het begin af in deze richting partij heeft
gekozen, en zich openlijk voor een breuk met de Rooms-Katholieke Spaansgezinde
landsregering verklaarde, heeft niet anders dan ten goede gewerkt op de
politieke ontwikkeling van het gewest. In zekere zin waren de Zeeuwen voor het
Calvinisme als gepraedisponeerd; wie beter dan dit volk van vissers en
kooplieden konden het leerstuk van Gods vrijmachtige genade verstaan?
18 Economische factoren droegen er het hunne toe bij, dat de
onverschilligheid, die in deze tijd in vele leden der oude kerk moet hebben
geleefd, oversloeg tot een gevoel van wrevel, dat maar al te willig het oor
leende aan de stem, die tot ontrouw verleidde. De nieuwe kerkelijke indeling,
die
Nicolaus de Castro, een heftig
tegenstander van de Reformatie, in de Middelburgse abdij bracht
19 en de
aanwezigheid van Spaanse troepen op Walcheren, wachtende op een gunstige
gelegenheid tot verscheping, hielden beide een economische bedreiging in zich
besloten, waardoor in de steden, Middelburg en Vlissingen vooraan, een
controverse ontstond tussen de burgerij en de stedelijke overheden ener-, de
geestelijkheid en de landsregering anderzijds. De nieuwe bisschop bond dadelijk
na zijn consecratie, in 1562, de strijd tegen de ketterij aan, daarin gesteund
door de Landvoogdes, die herhaaldelijk geklaagd had over de laksheid, door
Middelburg in deze aan de dag gelegd. Zo ontstond hier als overal elders in
deze jaren oppositie tegen de centraliserende tendenzen der landsregering in
Brussel
20, die het opkomend
verzet tegen de door deze zelfde regering zo nodig bloedig gehandhaafde kerk
maar al te zeer in de hand zou werken.
Voor zover de schaarse, verwarde en elkaar meermalen tegensprekende
berichten ons in staat stellen, een voorstelling te vormen van het
kerkelijk-godsdienstige leven der ketters omstreeks 1565, zag dat er als volgt
uit. Doperse gemeenten bestonden in Middelburg en in Zieriksee. In de eerste
stad was
Hendrik Alewijnsz voorganger, in de tweede
Valerius de schoolmeester. Van de (gereformeerde) gemeenten onder het kruis
waren die van Vlissingen en Vere georganiseerd. Vlissingen had sinds 1559 in
Ghislein de Hoorne een eigen predikant; in Vere leidde
Adriaen Obry de jonge gemeente. Beiden
waren uitgeweken Vlamingen. Bovendien vond men in Middelburg een groep
sympathiserenden, die evenwel niet georganiseerd waren.
Op Zondag 30 Juni 1566 vond de eerste openlijke preek van ketterse
zijde in Zeeland plaats in de duinen van Dishoek onder
Koudekerke, waar ongeveer 250 mannen en vrouwen bijeenkwamen om te
luisteren naar de predikant, een jongeman van ongeveer dertig jaar, een kuiper
uit Vlissingen
21. Twee dagen later
werd in een weiland onder Brigdamme een tweede samenkomst
gehouden, waarheen men uit Vere en Vlissingen kwam aangereden. Hier preekte
Obry voor een gehoor van tussen de 1500 en 1600 mensen
22. De daaropvolgende Zondag vond buiten Vere, waar die dag
de ommegang werd gehouden, opnieuw een openlijke preek plaats. Het plakkaat,
dat de regering in Brussel op 3 Juli had uitgevaardigd, kon de stroom niet meer
indammen; de Hervorming brak zich ook op Walcheren krachtig baan. De
berichtgevers melden, dat het vooral burgers uit Middelburg, Vlissingen en Vere
waren, die deze samenkomsten bezochten, en dat er maar weinig boeren werden
gezien. Zondag 11 Augustus, een regenachtige dag, had binnen Middelburg in een
pakhuis van
Jacob van der Meersch, de schoonzoon van
de oud-baljuw
Pieter Haeck, achter het huis de Gouden
Leeuw in de Langedelft, de eerste grote samenkomst binnenshuis plaats. Hier
trad Ghislein de Hoorne op | | | | voor een gehoor van wel duizend man,
ook uit Vlissingen, Vere en de dorpen van het eiland. De samenkomst werd echter
op last van de baljuw uiteengedreven.
Twee dagen nadat de Beeldenstorm in Antwerpen was
uitgebroken, werden, op 22 Augustus 1566, te Middelburg
achtereenvolgens de Sint-Maartens-, de Abdij- en de Sint-Pieterskerk bestormd
en geplunderd. Nog twee dagen later moest de magistraat de 21 raddraaiers, die
men gevangen had genomen, alweer loslaten, ‘om oploop ende
bloedtstortinghe te verhoeden’
23. Pas op 5 September waagt de pastoor van Westmonster het, op
aandrang van de overheid, om weer voor het eerst de mis te lezen. Het gehele
jaar door blijft het rumoerig in de stad, maar de magistraat weet al te grote
excessen te voorkomen. Omstreeks Kermis wordt binnen Middelburg voor de eerste
keer Avondmaal gevierd; onder de aanzittenden zijn een schepen en een
oud-schepen en de dochter van Pieter Haeck.
Mogen we
Bor en
Hooft geloven, dan bleef er tijdens de
Beeldenstorm geen kerk op Walcheren ongeschonden. Vast staat in elk geval, dat
van een aantal kerken, o.a. te Vlissingen, de beelden en kerksieraden werden
vernield, en dat ook het nonnenklooster Zoetendale onder
Serooskerke werd geplunderd
24. Buiten Walcheren daarentegen blijkt op de eilanden nergens iets
van woelingen van enige betekenis te zijn voorgevallen. Er is aanleiding om te
veronderstellen, dat de magistraat van Vlissingen,
Vere en Arnemuiden sympathiseerde met de
beeldenbrekers en de prediking der Calvinisten oogluikend toestond. Die van
Middelburg verzette zich weliswaar, maar haar houding was weifelend; enerzijds
beheerste haar de vrees voor de landsregering, waaraan de stad economisch
verbonden was, anderzijds die voor een belangrijk deel der burgerij. In
September krijgen de hervormingsgezinden er een schuur, waar ze hun
godsdienstoefeningen mogen houden, en waar gewoonlijk Ghislein de Hoorne in de
dienst voorging, maar ook anderen, o.a.
Petrus Dathenus, preekten er wel. En niet
alleen op Walcheren, vrijwel op alle Zeeuwse eilanden wordt in 1566 de nieuwe
leer gepredikt, zeker op Schouwen
25 en Tolen, waarschijnlijk ook op
Zuidbeveland. De beweging, aanvankelijk tot de lagere volksklassen en de
middenstand beperkt, had zich intussen tot de hogere kringen uitgebreid; onder
hen, die bij de zojuist genoemde hagepreek in Brigdamme waren, behoorden
‘merckelick diversche persoonen van estimacie ende rijcke van
goede’, en zelfs de baljuw van Middelburg, Pieter Haeck
26.
Uit dit alles blijkt, dat er omstreeks 1566 vooral op Walcheren een
vrij grote belangstelling was voor de nieuwe leer. De komst van Alva, in het
daaropvolgende jaar, en de instelling van de Raad van Beroerten dreven dan ook
van hier velen op de vlucht, om elders betere tijden af te wachten. Het ligt
voor de hand, dat men van hier vooral naar Engeland trok. Inderdaad treffen we
vele van de door Alva verbannen Zeeuwen
27 in de
vluchtelingengemeenten van Londen, Sandwich, Colchester, Norwich, Yarmouth en
andere plaatsen aan, o.a. de Veerse apotheker
Jan van Reigersberch, de zoon van de
kroniekschrijver, de Middelburgse koopman
Pieter Boreel, die in 1568 te Norwich
stierf,
Rochus Adriaensz. Hoffer, burgemeester van
Zieriksee en rentmeester van Zeeland Beoosten-Schelde, de vader van de dichter
Adriaen Hoffer, de afvallige Veerse pastoor
Jan van Miggrode, die te Colchester, en de
Middelburgse lekeprediker Ghislein de Hoorne, die te Norwich en Yarmouth als
predikant optrad.
| | | | Zodra in 1572 Vlissingen, Vere en Arnemuiden echter de
zijde van de Prins kiezen, keren verscheidenen van deze uitgewekenen zonder
dralen terug. Voorop de ijverige Miggrode (1531 - 1627)
28, de man, die wellicht meer dan enig ander de
zaak der Hervorming in Zeeland gediend heeft. Oorspronkelijk pastoor der
parochiale kerk van Vere en kanunnik in het kapittel van Onze Lieve Vrouwe, was
hij sinds de zestiger jaren de denkbeelden der Reformatoren toegedaan. Al in de
zomer van 1572 stond hij aan het hoofd der hervormingsgezinde beweging, die
allengs in alle dorpen en steden van Walcheren was doorgedrongen. In Vere en
Vlissingen kwam het weldra tot vorming van een geordende gemeente met een vaste
predikant. Toen na de val van Middelburg in 1574 de officiële regering
haar laatste steunpunt op het eiland verloren had, werden nog in hetzelfde jaar
te Middelburg, Arnemuiden en Domburg gemeenten geconstitueerd. Al
vóór 1590 hadden bijna alle dorpen op het eiland hun eigen
predikant. Vooral door toedoen van Miggrode kwam in 1574, misschien nog
vóór de overgang van Middelburg, de classis Walcheren tot stand,
waarvan de eerste leden verklaarden zich te zullen richten naar de confessie en
de artikelen van Emden (1571) en Dordrecht (1574).
De overige eilanden volgden het voorbeeld van Walcheren op de voet.
Al in de zomer van 1572, terstond nadat de stad de zijde van de Prins had
gekozen, preekte
Hermanus Moded in Zieriksee,
maar eerst nadat de Spanjaarden in 1576 Schouwen en Duiveland voorgoed verlaten
hadden, werd hier en te Brouwershaven een gemeente geconstitueerd,
waarna in de tachtiger jaren de dorpen van de beide eilanden successievelijk
volgden. Op Tolen en Zuidbeveland, die in de satisfactie, waarbij zij zich aan
de zijde van de Prins hadden gesteld, vrije godsdienstuitoefening voor de
Rooms-Katholieke religie hadden bedongen, blijkt de Hervorming iets trager te
zijn verlopen; zo kreeg Goes pas in 1579 zijn eerste predikant, nog iets later
dan Baarland, Heinkenszand, Hoedekenskerke, Nisse, Kapelle, Kruiningen
en Wemeldinge. In de stad Tolen duurde het zelfs tot 1580 eer de
gemeente er een vaste predikant kreeg. Terwijl er al in Juni 1574 een classis
Schouwen bestond, en in 1579 de classis van Zuidbeveland werd opgericht, kwam
die van Zeeland Beoosten-Schelde (later die van Tolen en Bergen-op-Zoom
geheten) pas in 1584 tot stand.
In Juni 1574 kwam onder voorzitterschap van
Gaspar van der Heyden
te Dordrecht een provinciale synode van de Hollandse en Zeeuwse
kerken bijeen. Wel werd in 1579 de eerste Zeeuwse synode te Goes
gehouden, maar men wilde daarmede allerminst te kennen geven, dat Zeeland in
kerkelijke aangelegenheden een eigen weg wilde bewandelen.
Aanvankelijk heeft de overheid zich niet met de Zeeuwse kerkorde
bemoeid; eerst in 1586 verklaarde zij de Haagse kerkorde, de zgn. Leicesterse,
voor ‘goetgehouden ende geapprobeert’
29. Vijf jaar later werd op de synode te Middelburg een nieuwe,
ditmaal uitsluitend voor Zeeland geldende kerkorde vastgesteld, waaraan echter
nog altijd die van 1586 ten grondslag lag. Deze legde de oppermacht der
overheid in kerkelijke zaken met nadruk vast. Een door de Staten ingesteld
‘Collegium qualificatum’, bestaande uit kerkeraadsleden en
magistraatspersonen, werd aangewezen voor het beroepen van predikanten en het
benoemen van kerkeraadsleden. Deze Zeeuwse kerkorde van 1591 is door de Dordtse
van 1619 niet meer gewijzigd; de Staten van Zeeland hebben zich tegen de
invoering ervan verzet, en zo doet het geval zich voor, dat de Zeeuwse kerk
zich meer dan twee eeuwen lang vrijwillig onder de heerschappij der overheid
heeft gesteld, zonder dat deze verhouding ooit | | | | tot botsingen
aanleiding heeft gegeven. Een merkwaardig en tekenend voorbeeld van het eigen
karakter, dat de provincie vooral in kerkelijke en godsdienstige
aangelegenheden tot op de huidige dag zou blijven vertonen.
| |
Immigratie der Zuidnederlanders
Een krachtige stoot tot de Calvinisering van Zeeland heeft de
uitwijking van duizenden Zuidnederlanders, vooral Vlamingen en Brabanders,
gegeven, die terwille van het geloof hun vaderland verlieten om zich, vooral na
de val van Antwerpen, maar ook in de jaren daarvóór en daarna,
metterwoon in het Noorden te vestigen
30. Uiteraard kreeg Zeeland van deze emigratie het leeuwendeel; hier
toch woonde men dicht genoeg bij het oude vaderland om, indien de koers mocht
veranderen, spoedig terug te kunnen keren, en hier ook waren de economische
factoren in alle opzichten gunstig om een nieuw bestaan van de grond op te
bouwen, hetzij dit in de koophandel, de landbouw of de visserij was. In weinige
jaren tijds verdubbelden de emigranten het bevolkingsaantal van steden als
Middelburg en Vlissingen, en men mag aannemen dat, wellicht in mindere mate,
ook de kleinere steden en de dorpen, vooral op Walcheren, hun aantal inwoners
in deze jaren aanmerkelijk zagen stijgen. Onder hen waren niet alleen vissers
en boeren, neringdrijvenden en grote kooplieden, maar ook mannen van het woord
en de pen, als de rederijker
Jeronimus van der Voort, een overtuigd
Calvinist, de De Swaefs, schoolmeesters en predikanten die in woord en
geschrift de beginselen van het Calvinisme in hun nieuwe vaderland uitdroegen,
Joos van Laren, de stamvader van een
geslacht van calvinistische predikanten, waarvan verscheidene leden zich ook
voor de wetenschap verdienstelijk hebben gemaakt,
Marnix van Sint-Aldegonde, mannen die elk
op hun terrein de leer van
Calvijn hebben verbreid. In 't bijzonder
op kerkelijk en godsdienstig gebied, maar daarnaast ook voor het geestelijke en
kulturele leven in Zeeland in 't algemeen is deze immigratie van de grootste
betekenis geweest.
Vooral echter op kerkelijk terrein heeft de invloed der uitgewekenen
zich doen gelden. De meeste Hervormde gemeenten, ook in de kleinste dorpen van
Zeeland, werden door predikanten van Vlaamse en Brabantse oorsprong bediend
31,
terwijl vele andere Vlamingen en Brabanders als ouderling en diaken een
leidende rol in het kerkelijke leven vervulden. Het is voor een niet gering
deel aan hun invloed toe te schrijven, dat wanneer straks de twisten tussen
Gomarus en
Arminius uitbreken, Zeeland onverdeeld
Gomarus' zijde kiest.
Weinig minder belangrijk was hun invloed op staatkundig terrein.
Christoffel Roels
32 uit Leuven werd in 1568 pensionaris van Prelaat en Edelen van
Zeeland. Deze neef van de bisschop van Middelburg was een plooibaar man, en zo
kon hij na Middelburgs overgang aan de Prins Hervormd Zeeland even
plichtsgetrouw dienen, van 1578 tot zijn dood, in 1597, als raadpensionaris,
als hij het tevoren Rooms Zeeland had gedaan. Zijn vrouw was een dochter van
Cornelis Taymon uit Gent, die omstreeks
1580 secretaris der Staten van het gewest was. Hun zoon Willem Roels was van
1574 tot 1595 pensionaris van Middelburg. Roels' opvolger als raadpensionaris
was
Johan van der Warck († 1615)
33 uit Antwerpen, van 1575 tot 1577 en later nog eens van 1588 tot
1596 pensionaris van Middelburg.
Pieter de Rijcke (†1596)
34 uit Gent werd in 1573 baljuw van Vlissingen en was van 1580 tot
1596 representant van de Eerste Edele. Het was een Vlaming,
Jacob van Malderé (†1617)
35, sinds 1585 baljuw van Vere, die hem in deze functie opvolgde. Ook
aan deze lijst zouden tientallen andere namen van Vlaamse en Brabantse
uitgewekenen | | | | toegevoegd kunnen worden, die op het laatst der
zestiende en in het begin der zeventiende eeuw een leidende functie hebben
vervuld in het staatkundige leven van hun nieuwe vaderland en er het vuur van
de haat tegen het Spaanse rijk brandende hebben gehouden. Het is vooral door
hun invloed dat de oorlogspartij, die op voortzetting van de strijd aandrong,
in Zeeland machtig was en bleef. Dit kwam duidelijk aan de dag, toen het
sluiten van een wapenstilstand ter sprake werd gebracht, waartegen men zich
nergens zo fel verzet heeft als in Zeeland, tenslotte toch zonder het beoogde
succes. Toen in 1629 opnieuw onderhandelingen werden aangeknoopt om tot een
wapenstilstand te komen, richtten de Middelburgse predikanten zich met een
uitvoerig vertoog, waarin zij deze plannen bestreden, tot de Staten van
Zeeland, die zich trouwens zelf ook tegenstanders van een nieuw bestand
betoonden
36.
| |
Marnix' verblijf in Zeeland
Niet zonder invloed op de doorwerking van het Calvinisme in Zeeland
is ongetwijfeld Marnix' verblijf op het slot te Westsoeburg
geweest. Dit kasteel
37, dat in April 1573, tijdens het beleg van Middelburg
door de Vlissingers, gedeeltelijk was afgebrand, kwam op de laatste dag van het
jaar 1578 in het bezit van Philips van Marnix van Sint-Aldegonde
(1540 - 1598)
38 die het liet herstellen en er vervolgens
een groot deel van het jaar 1583 en van November 1585 tot 1595 met tussenpozen
zijn intrek nam
39. Over zijn verblijf in deze landelijke
omgeving is niet veel bekend
40. In zijn uitgestrekte tuinen kweekte hij, zoals hij in 1590
op een maaltijd bij
Walraven van Brederode, Eerste Edele van
Holland, vertelt, kweeën, beetwortelen en pompoenen, gelukkig en tevreden
met zijn lot, dat hem van staatsman tot boer had gemaakt
41. Na zijn woelige en zenuwslopende
ambtelijke loopbaan kreeg hij, teruggetrokken in zijn Walchers ballingsoord,
volop gelegenheid om zich naar hartelust aan deze liefhebberij te wijden. De
belangstelling voor de landbouw en het buitenleven, die hier en daar het
karakter van een kultus aannam, was een typische vorm van
humanistisch-renaissancistisch levensbesef, en Marnix was door geboorte en
opvoeding genoeg in deze sfeer thuis, om er zich ten volle aan te kunnen
overgeven. Intussen nam het landleven maar een deel van zijn werkkracht in
beslag; ook voor wetenschappelijke arbeid bleef op Soeburg volop
tijd over. Hij herzag er zijn ‘Boeck der Psalmen’, waarvan de tweede uitgave in
1591 bij de Middelburgse uitgever
Richard Schilders van de pers kwam
42. Verder schreef hij er nog twee pamfletten, beide van
politieke aard, en beide in 1589 verschenen
43. Het eerste, de ‘Heylige
bulle, ende krusade des Paus van Roomen... seer claerlick wtgheleyt’
44 valt enkele propagandistische libellen aan, die de Armada had
meegebracht met de bedoeling, die hier te lande te verspreiden. Het tweede, de
‘Trouwe vermaninge aende Christelicke gemeynten van Brabant, Vlanderen,
Henegou, ende andere omliggende landen’
45, is als
opwekking om standvastig te blijven in het geloof en in de ballingschap de moed
niet te verliezen, misschien nog meer van stichtelijke dan van politieke
aard.
Dank zij Marnix' verblijf te Soeburg is de in gunstige zin
veranderde stemming jegens hem in Zeeland het eerst aan het licht gekomen
46. Het eerste symptoom bleek bij de verschijning van de
‘Heylige bulle’, waarvan de voor Zeeland bestemde
exemplaren onder de voorrede de initialen van de schrijver droegen, terwijl de
overige zonder enige aanduiding van de auteur het licht zagen. Een duidelijker
aanwijzing van zijn eerherstel onder de Zeeuwen was de opdracht, die de Staten
van het gewest hem in | | | | 1590 gaven om de Franse en Engelse
regeringen persoonlijk in kennis te stellen van de inhoud van enkele brieven,
die de gouverneur van Bergen-op-Zoom in handen waren gevallen. Het
jaar daarop bevalen ze hem aan voor de Bijbelvertaling, waarvoor hij vijf jaar
later naar Leiden zou verhuizen
47.
Uit Marnix' briefwisseling noch uit zijn geschriften blijkt, welke
Zeeuwen in deze periode van zijn leven tot zijn vriendenkring hebben behoord.
In elk geval zal hij omgang hebben gehad met de weduwe van de Prins, Louise de
Coligny, die tussen 1585 en 1591 herhaaldelijk het Prinsenhof te Vlissingen
bewoonde. Ook met
Pierre Loyseleur de Villiers
(± 1530 - 1590)
48 zal hij veel verkeerd
hebben. De geleerde oud-hofprediker van Willem van Oranje had zich na diens
dood metterwoon op het kasteel Westhoven gevestigd, dat hij omstreeks 1582 had
gekocht. Hij schreef hier zijn bekende stellingen over de vrije wil
49, die hem doen kennen als een verdraagzaam
theoloog en een Calvinist van gematigde beginselen. Nadat de Engelse gouverneur
van Vlissingen in November 1587 getracht had, hem gevangen te nemen, vertoefde
hij doorgaans binnen Middelburg, waar hij, 28 November 1590, in de
Sint-Pieterskerk begraven werd.
Ook met vooraanstaande magistraatspersonen in Zeeland zal Marnix
omgang hebben gehad. Een van hen, de gecommitteerde raad
Joos Teelinck, later lid van de Raad van
State, vertrouwde hem de opvoeding van zijn oudste zoon Eewoud toe, die in 1592
enige tijd op het kasteel van Soeburg heeft gewoond. Het aandeel dat Marnix
heeft gehad aan de vorming van de latere ontvanger-generaal van het gewest, die
een der voormannen van het Piëtisme zou worden, laat zich alleen maar
gissen.
Eewoud Teelinck, die al zijn geschriften
onder een schuilnaam in het licht heeft gezonden, kon zich daarover bezwaarlijk
uitlaten zonder zijn anonymiteit prijs te geven. Maar ook zonder een
uitdrukkelijke verklaring daarover mag men aannemen dat de overtuigd
calvinistische levensbeschouwing van de leermeester, die te Genève onder
Calvijn en Beza zelf gestudeerd had, haar stempel heeft gedrukt op de geest van
de leerling.
Als ambachtsheer van Westsoeburg wijdde Marnix zijn zorgen aan het
welzijn van deze heerlijkheid. Nog in 1595, na zijn verhuizing naar Leiden,
wist hij van de Staten van Zeeland een geldelijke ondersteuning te krijgen voor
de opbouw van de kerk van het dorp en het onderhoud van een predikant en een
schoolmeester
50. Of
zijn lijk, nadat het te Leiden begraven was, naar Soeburg is
overgebracht, is een onbesliste vraag.
| |
De Rooms-Katholieken
Al was in 1576 de openlijke uitoefening van de Rooms-Katholieke
godsdienst tenslotte ook in Zeeland verboden
51 en verbood de Prins er vijf jaar later
eveneens de heimelijke uitoefening
52, toch bleef een
aantal inwoners op alle eilanden, maar vooral op Zuidbeveland, het oude geloof
trouw. Al in 1591 schrijft
Sasbout Vosmeer aan de nuntius over de
verblijdende vooruitgang van het kerkelijke leven onder de Roomsgezinden van
Zeeland
53, waarvoor reeds in de tachtiger jaren
Martinus Conincx (Regius) (1549 - 1625)
54 zich verdienstelijk had gemaakt. In Goes en stellig ook
in vele dorpen van Zuidbeveland waren de overheidspersonen omstreeks het begin
der zeventiende eeuw nog grotendeels alleen in naam Hervormd, maar in hun hart
nog Roomsgezind
55. In Zieriksee
56 en op Schouwen en Duiveland
57 was het niet veel anders gesteld. Vele leden der Zierikseese
regentenfamilie De Vager bleven tot diep in de eeuw het geloof van hun
voorgeslacht trouw
58, evenals een tak van het oude ge- | | | | slacht De Huybert, die
zich Harinckman noemde en waarvan enkele leden nog omstreeks het midden van de
eeuw tot de geestelijke stand behoorden
59, o.a. de
Augustijner pater
Alexander Harinckman
60. Van de familie Janssen (of Janssenboy)
werden vier broers uit één gezin en een neef allen Dominicaan
61. Te Sint-Maartensdijk op het eiland Tolen
verenigde het Sint-Jacobsgilde degenen, die aan het Roomse geloof trouw waren
gebleven; de magistraat verzocht in 1623 aan Maurits om de bezittingen der
gildebroeders te gelde te mogen maken, o.a. uit deze overweging dat ‘de
Pauselicke religie by deselve werd gestigt en dagelicx meer persoonen thaerder
devotie soecken te brengen’
62. In 1629
klaagde de synodale classis van Zeeland bij de Staten over de Rooms-Katholieken
te Scherpenisse en elders op Tolen, die in Halsteren
naar de mis gingen
63. Van de patricische families Liens en Werckendet gingen nog in 1595
leden ter bedevaart naar San Jago di Compostella in Spanje,
alhoewel beide geslachten toen al in de regering zaten
64. Wanneer de
klachten der predikanten te luid werden, hernieuwden de Staten de
verbodsbepalingen, waardoor voor een ogenblik de propaganda der
Rooms-Katholieke kerk gematigd of stil werd gelegd
65, om straks weer het hoofd op te steken. Nog in 1654 werd
voorgeschreven, dat alle paapsgezinde burgemeesters, schepenen en regenten van
godshuizen afgezet moesten worden
66.
Klaarblijkelijk waren die er dus nog.
De felle haat tegen de Rooms-Katholieke kerk en de vrees voor een
‘wederopluiking van het Katholicisme’ uit zich ook in de Zeeuwse
letterkunde. Heviger dan de uitvallen en beschimpingen, talrijker dan de
strijdschriften tegen Doopsgezinden en Remonstranten zijn die tegen Rome en
Spanje, de in de ogen der calvinistische Nederlanders onafscheidelijk verbonden
vertegenwoordigers van het kwaad, waartegen zij sinds het midden der zestiende
eeuw een strijd op leven en dood voerden. Er is nauwelijks een schrijver of
dichter uit het eind der zestiende of de eerste helft der zeventiende eeuw te
noemen, bij wie de haat tegen deze twee-eenheid niet tot uiting komt, nu eens
in een opzettelijk en uitvoerig betoog, dan in een terloopse opmerking.
Cats is op deze regel een van de weinige
uitzonderingen. Ze uit zich, als bij Van Heyst, in een breed opgezette en
uitgesponnen aanval tegen de Spanjaarden en de Roomsen, in een waarschuwing om
onder geen voorwendsel, welk ook, een verbond te sluiten met de
‘doodelijcke, gesworene, trouweloose, onversoenelijcke, en erf-vyanden
van Gods kercke, ende onsen Staet: 't welck al te mael warachtich is inden
Coninck van Spaengien’
67. Ze uit zich elders, als bij De
Swaef, in een afkeuring van de overblijfselen uit de voorreformatorische tijd,
die in het volksleven te taaie wortels hadden geschoten dan dat
één of twee geslachten ze konden zien verdwijnen
68. Of ze openbaart zich, als bij Liens, in betuigingen van diep
medelijden met de arme Vlaamse gewesten, die nog altijd beide onder het Spaanse
en het Roomse juk liggen te zuchten
69. Maar in de meeste gevallen is er alleen maar
sprake van een zinloos en ongemotiveerd schelden, als bij Hondius, die
verzekert dat hij over de streken der Roomsen wel een boek ‘soo groot als
haer missael’ zou kunnen volschrijven
70, of bij Hoffer, die
‘Spaansche tyrannie’ en ‘Roomsch' afgodery’ in
één adem noemt
71.
Zuiver op theologische gronden bestreed de predikant
Jacob Burs, die we nog in de Sabbats- en
de Grallenstrijd zullen ontmoeten, de Rooms-Katholieke kerk in zijn ‘Tafel des geloofs’ (1629)
72 en later nog eens in een ‘Kort ende dienstich berecht over de
aenroepinghe der heylighen, reliquien, beelden ende van het kruys’ (1640)
73. Dezelfde
anti-papistische gezindheid spreekt ook uit het kerkhistorische werk van de
predikant van | | | |
Kerkwerve,
Jacobus Baselius, de ‘Sulpitius
Belgicus’ (1656), een duidelijke taal
74.
Uiteraard moeten onder de Roomsgezinden in de eerste plaats de
Jezuïeten het ontgelden. Zelfs een overigens zo gematigd man als De Brune
loopt warm, als hij over ‘dit Loyolitische gebroetsel’ komt te
spreken
75, maar vooral Hondius
76 en Adriaen Hoffer
77 raken niet
uitgesproken over de volgelingen van
Loyola, ‘eenen Spaignaert uyt de
hel’, zoals de eerste hem noemt, die zij en anderen met een goedkope
woordspeling bij voorkeur ‘Jesu-wijten’ plegen te noemen.
Tot de strijdlustigste ketterbestrijders uit het laatst der
zestiende en het begin der zeventiende eeuw behoorde
Jean David (1545 - 1613). Deze
Zuidnederlandse Jezuïet beschikte over een even vaardige als scherpe pen,
die niet moe werd om de afvallige rebellen uit het Noorden aan te vallen. Zijn
naam dient hier genoemd te worden als bestrijder van
Willem Teelinck. Toen deze predikant
van Haamstede en Burg bij het begin van het Bestand
zijn ‘Timotheus’ (1609) schreef
78 als een ‘ghetrouwe waerschouwinge, tegen
het verdrietelijck begapen der afgoden, ende afgodischen dienst der Papisten:
't welck by vele van de Gereformeerde seer onbedachtelijck gepleeght wert, in
Brabant ende Vlaenderen, by occasie van desen stil-stant van wapenen’,
diende Jean David hem van repliek in zijn ‘Vry-gheleyde tot ontlastinghe
van conscientie om de Catholiicke kercken, beelden, ende godtsdienst te gaen
bekiicken’ (1609)
79.
Teelinck antwoordde in zijn ‘Ontdeckinge des vermomden Balaams, dat is,
grondich bewys van de nieticheyt des vry-gheleydes tot het begapen der paepsche
afgoden, daer-mede Divoda Jansen... het volck van Hollandt en Zeelant souckt te
doen struyckelen, haer verlockende tot afgoderye’ (1611)
80. In vinnigheid
gaven de Jezuïet en de Piëtist elkaar niets toe. Jean David
dupliceerde in de: ‘Postillon van den roskam der vermomder eselinne van Willem
Teelinck’ (1611)
81, en liet op het titelblad zowel
zichzelf als hoornblazend postillon als de ezelin voor de poort (!) van
Haamstede afbeelden. Teelinck, die in deze tijd naar alle
waarschijnlijkheid nog op een reis door Engeland was, deed er verder het
zwijgen toe. De Middelburgse rederijker
Hendrik Cannenburghnam in een ‘Balade aen Divoda Jansz, alias Johannes Davids’
(1611)
82 de aanval
over. In felheid deed hij voor
Jean David niet onder; heel het arsenaal van
beschuldigingen, waarmee ons calvinistisch voorgeslacht de kerk van Rome te
lijf placht te gaan, stond tot zijn beschikking, en der traditie getrouw
versmaadde hij geen enkel wapen, hoe onedel het ook mocht zijn.
Het anti-papisme van onze voorouders, waaraan de Zeeuwen op
onbekrompen wijze hebben deelgenomen, vormt niet een van de verhevenste
bladzijden uit het verleden van ons volk. Maar ook dit verschijnsel moet men
beschouwen tegen de achtergrond van de tijd, om het althans te kunnen
begrijpen. En in onze eeuw, die zich in menigerlei opzicht met de zestiende
eeuw laat vergelijken, kunnen wij, zelf verkerend temidden van de botsing der
richtingen, een verschijnsel als dit beter verstaan dan de generaties die
vóór ons kwamen. Het anti-papisme dat, in de zestiende-eeuwse
strijd om geloofsvrijheid ontstaan, in de zeventiende nog niets van zijn
felheid had verloren, is een historische noodzakelijkheid, een onmisbare
component in de meedogenloze strijd van krachten en tegenkrachten, waarin de
mensheid oude rechten tracht te handhaven of nieuwe tracht te verwerven.
| |
| | | |
Bestrijding van de Mennonieten
Een brandende kwestie, waarmee de kerk zich al dadelijk na haar
constituering moest bezighouden, was de bestrijding van de Mennonieten,
waaronder men de Doopsgezinden verstond. Nauwelijks een maand nadat de
Spanjaarden Middelburg hadden verlaten, komt in de kerkeraad het
vraagstuk der Wederdopers al ter sprake
83. Wanneer deze, in de eerste week van Mei, door koningin
Elisabeth uit haar rijk verbannen, ‘met scepen vol’ uit Engeland
naar Walcheren overkomen, verzoekt een deputatie uit de kerkeraad aan de
magistraat om toe te zien ‘dattet ons op geen Munstersche murderie
uitquam’
84. Het zou niet de laatste maal zijn, dat men, al of niet met opzet,
de aanhangers van
Jan Matthijsz en
Jan van Leiden vereenzelvigde met de
volgelingen van de vreedzame
Menno Simons. De notulen van de
Middelburgse kerkeraad uit deze beginjaren wemelen van klachten over Doperse
boeken, schoolmeesters en bijeenkomsten. De magistraat steunde het Calvinisme
in deze strijd, o.a. door in 1576 de winkels der Wederdopers te sluiten, op
grond van hun weigering om de eed af te leggen; hierdoor verbraken ze immers de
burgerlijke orde en de band der maatschappij, en konden dus niet langer als
burgers worden beschouwd. De Prins deed dit besluit, het enig bekende voorbeeld
uit onze geschiedenis van een economische boycot van ketters door de
Calvinisten, echter weer te niet en alle pogingen van de Middelburgse
predikanten, die Marnix aan hun zijde hadden, om 's Prinsen besluit op te
heffen, bleven vruchteloos
85. De strijd diende naar het geestelijke terrein verlegd te worden, al
werd het de Middelburgse Mennonieten ook in de volgende jaren door de
magistraat nog meermalen moeilijk gemaakt.
Van de oudste predikanten van Zeeland heeft meer dan
één naar de pen gegrepen om deze sekte te bestrijden, waarin men
klaarblijkelijk een ernstige bedreiging zag voor het Calvinisme. Toen enkele
Middelburgse Doopsgezinden in 1580 aan de raad der stad een request aanboden,
waarin zij nogmaals trachtten te bewijzen ‘dat het crijch-voeren teghen
Godes woort strijt, ende sy daerom tot de burgherlijcke wacht vande overheyt
niet en behoorden ghedwonghen te worden’
86, schreven enkele niet
met name genoemde calvinistische predikanten uit de steden van Walcheren daar
een verweerschrift tegen
87. Niet zonder reden
verwijten zij de Doopsgezinden, dat ze zich meer aan de letter dan aan de geest
der Goddelijke geboden houden. Duidelijk blijkt, aldus de predikanten,
‘door wat gheest de Weder-dooperen ghedreven zijn, wt dien zy gheen
conscientie en maken spiessen, sweerden, bussen, pistoletten, ende derghelijck
gheweer totten crijch te maken, ende eenen yegelijcken sonder onderscheyt (ia
oock den soldaten) te vercoopen: Item schattinghe te gheven, die welcke zy wel
weten, dat voornemelijck tot den crijch ghebruyckt worden, jae ander lieden in
haerer plaetse te hueren. Dit is immers niet alleen in tquaet (ghelijck zy den
crijch achten) bewillighen maer oock tselve voorderen ende wtrechten?’
88. Een ons onbekende I.P., klaarblijkelijk een
Middelburgs Doopsgezinde, heeft in een ‘Verantwoordinge’
89 getracht, het request der predikanten te weerleggen.
Men kan zijn pogingen moeilijk geslaagd noemen - Kühler spreekt zelfs van
een ‘armzalig verweer’ - en maar al te zeer bewijst deze
weerlegging dat de periode der martelaren ook voor de Doopsgezinde gemeenten
tot het verleden behoorde.
De bekende Jacobus Kimedoncius († 1596)
90, die van 1585 tot 1588 als predikant te
Middelburg stond, heeft waarschijnlijk in deze periode van zijn leven een
aanval gericht op het hoofdstuk ‘Vander doope ons | | | | Heeren
Iesu Christi’ uit het ‘Enchiridion’ (1564) van
Dirk Philipsz (1504 - 1568)
91, alhoewel de voorrede uit Heidelberg geschreven is, waarheen Kimedoncius op het eind van 1588 vertrokken was. Een
geducht bestrijder van de Doopsgezinden was zijn ambtgenoot ds.
Johannes Seu († 1613) (1576 -
1613)
92, van wiens hand we
vier strijdschriften tegen deze ‘ketters’ kennen: *
‘Schriftmatige artykelen tegen de ongeschikte en valsche dwaelingen
der Wederdoperen’ (1599)
93, *
‘Corte beschryvinge van het ampt der overheit’ (1600)
94, dat tegelijk een bestrijding inhield van de
‘Verantwoordinge’ van I.P., ‘Waerachtighe grondige bewijsinge vanden
kinderdoop’ (1601)
95 en tenslotte een ‘Antwoorde’ (1608)
96 op de ‘Eenvuldighe verantwoordinge’ (z.j.)
van Cornelis de Cuyper. Het is zeker geen gewaagde veronderstelling, wanneer we
in deze hardnekkige bestrijder der Doopsgezinden een der opstellers zien van de
Requeste der Walcherse predikanten van 1580.
Een medestrijder vond Seu in zijn ambtgenoot
Johannes Tay
97, die van 1591 tot zijn emeritaat in 1625 in
Brouwershaven stond, waar hij zijn ‘Proeve vande leere der Wederdooperen’ (1601)
98 schreef, door Gomarus als ‘grondich
ende seer nuttelick’ geprezen
99. Twee jaar later schreef
Hermanus Moded († 1603)
100, de eerste
predikant van Zieriksee, die zijn laatste levensjaren in Middelburg doorbracht,
een ‘Grondich bericht, van de eerste beghinselen der Wederdoopsche
seckten’ (1603)
101. Het boekje, dat in Modeds sterfjaar
verscheen, is een bewerking van twee traktaten van zijn oude Norwichse vriend
Pieter Pauwels, en is vooral van belang
omdat het een aantal historische bijzonderheden bevat over de Doopsgezinde
sekten der zestiende eeuw. Het bevat o.a. een lijst van de zestien
hoofdketters, waaronder Moded o.a.
Thomas Munzer,
Balthazar Hubner,
Johannes Denck,
Caspar Schenckfeldt,
Sebastian Franck,
Melchior Hofman,
Jan Matthijsz,
Obbo Philips,
David Joris,
Hendrik Nicolaes en
Menno Simons rekent. Ook een van de latere
predikanten van Zieriksee, de Piëtist
Godefridus Cornelisz. Udemans (1581/82 -
1649) (1604 - 1649)
102was een geducht bestrijder van de Doopsgezinden, o.a.
in zijn ‘Corte notulen’ (1610), zijn ‘Noodighe verbeteringhe’ (1620), beide tegen
François de Knuyt, vermaner bij de
Vlaamse Doopsgezinden te Zieriksee gericht, en tenslotte in zijn ‘Vrede Jerusalems’ (1627). Dit laatste geschrift
was een verdediging van het standpunt van Herman Faukeel (± 1560 - 1625)
(1599 - 1625)
103, zoals dit door de inmiddels
overleden Middelburgse predikant uiteen was gezet in zijn ‘Babel, dat is verwarringe der Weder-dooperen’
(1621)
104. Daarmede is wel het belangrijkste
opgesomd, wat Zeeuwse predikanten in deze tijd tegen de Doopsgezinden hebben
geschreven. Nog lang hoort men in kerkeraden en classicale vergaderingen van
maatregelen, tegen de volgelingen van Menno Simons ondernomen, maar inmiddels
waren andere vraagstukken op het theologisch tapijt gebracht, die voor de
bestrijding der in Zeeland - met uitzondering van Aardenburg - weinig talrijke
Doopsgezinden geen plaats meer lieten.
| |
Andere sekten
In 1579 had de Doperse sekte der Voetwassers, een van de vele die
Moded in zijn ‘Grondich bericht’ zou opsommen, enige aanhang in
Westsoeburg, maar toen hun voorganger
Hans Cassier of
Hans de Ries het jaar daarop te Middelburg
gevangen werd genomen, loste deze beweging zich spoedig op
105. In de herfst van 1581 vestigden zich een vijftig à zestig
Brownisten in Middelburg onder leiding van
Browne en
Harrison. De overheid stond de
godsdienstoefeningen van deze Engelse sectarissen, | | | | die voor het
merendeel wel tot de koopmansstand zullen hebben behoord, oogluikend toe. Op
het eind van 1583 keerde Browne met enkele gezinnen naar Schotland terug, maar
Harrison bleef tot zijn dood (vóór 1608) aan het hoofd der
overgeblevenen te Middelburg. De kring loste zich later op in de Engelse
gemeente. Van de zijde der gereformeerden is nooit tegen deze sekte geageerd,
maar zelf hebben de Brownisten een aantal strijdschriften uitgegeven tegen de
Engelse staatskerk, ten dele tegen
Thomas Cartwright, het hoofd der
Disciplinaristen, die korte tijd voorganger van de gemeente der Engelse
kooplieden teMiddelburg was geweest. Deze geschriften, die voor
een deel door Browne zelf waren opgesteld, verschenen te Middelburg bij de
Engelse drukker en uitgever
Richard Schilders
106.
Rufus M. Jones oppert de mogelijkheid, dat de denkbeelden der
Seekers in Zeeland zijn ontstaan en door
Bartholomew Legate naar Engeland zouden
zijn overgebracht. Legate, die in 1612 te Smithfield om des
geloofs wille werd verbrand, had als rondreizend lakenkoopman in Zeeland
vertoefd en was daar zelfs voorganger geweest van een Mennonitische sekte, die
de ideeën der Seekers aanhing. Op een zo grote afstand zal wel nooit meer
uit te maken zijn, of hier werkelijk van beïnvloeding sprake is, dan wel
of men moet aannemen dat verwante of gelijke opvattingen tegelijkertijd, maar
onafhankelijk van elkaar, zowel aan deze als aan gindse kant van de Noordzee
zijn ontstaan. Het feit is in elk geval een bewijs te meer voor de rijke
verscheidenheid in godsdienstig leven, die zich omstreeks het einde der
zestiende en het begin der zeventiende eeuw ook in Zeeland heeft geopenbaard
107.
Na de val van Antwerpen hadden zich ook een aantal Martinisten of
Luthersen in Middelburg gevestigd
108. De magistraat schonk hun allerlei
voorrechten, behalve die van vrijheid van godsdienstoefening. De kleine
gemeente kwam desondanks in particuliere huizen samen, en kreeg in 1591 haar
eerste predikant. Wel richtte de kerkeraad der gereformeerden tussen 1590 en
1597 telkens het verzoek tot de overheid, de toeneming en de prediking van deze
sekte tegen te gaan, maar zonder succes. Wanneer de schout, door enkele
calvinistische heethoofden opgestookt, in 1606 de godsdienstoefening der
Luthersen met geweld wil verhinderen, keuren de Staten deze handelwijze af. Van
calvinistische zijde zijn ze nooit in geschrifte bestreden, waarschijnlijk
omdat hun aanhang te gering was en er geen vrees bestond voor uitbreiding van
hun invloed.
| |
Het Piëtisme
Meer dan van enige andere richting in het godsdienstig-kerkelijk
leven heeft Zeeland de invloed ondergaan van het Piëtisme. Telkens weer in
zijn geschiedenis duikt als reactie tegen een verstard objectivisme het streven
op, de geloofswaarheden subjectief te beleven en zich niet te vergenoegen met
de belijdenis alleen. Al in het begin van de zeventiende eeuw heeft het in
Udemans en de beide Teelincks, Willem en Eewoud, zijn propagandisten gevonden.
Onder hun invloed is het principiële vraagstuk van de Zondagsrust het
eerst in Zeeland opgeworpen. De ‘nadere reformatie’ die
Jacobus Koelman, van 1662 - 1675 predikant
te Sluis, beoogde, en het independentistische streven van
Jean de Labadie, van 1666 - 1669 predikant
bij de Waalse gemeente te Middelburg, zijn twee loten van dezelfde
piëtistische stam. De gehele eeuw door heeft dit Piëtisme het
godsdienstige en kerkelijke leven van Zeeland nu eens met meer, dan met minder
kracht beheerst. Van Udemans en de Teelincks ging de eis van een strengere
sabbatsviering uit, die een der belangrijkste | | | | episodes vormt van
het kerkelijke leven in het gewest tijdens de Gouden Eeuw.
Eewoud Teelinck wierp zich tijdens en na
het Bestand als woordvoerder op van de heftig anti-Remonstrantsgezinde Zeeuwen.
Het aandeel van Udemans in de strijd tegen de Doopsgezinden kwam al ter sprake.
Het anti-papisme vond in
Maximiliaen Teelinck zijn paladijn. Zo
bleek het Piëtisme op alle terreinen weerbaar, overal vooraanstaand in de
handhaving van wat het, al of niet terecht, als de normen van een leven naar
Gods heilige wil beschouwde, en in de bestrijding van al wat daarvan, naar zijn
inzicht, afweek.
Tussen twee polen weifelt de naald van het mensenhart: die van de
hemel en die van de aarde, die van het geloof, dat al de schatten der wereld
ijdel acht, en die van de lust, die de beker der aardse vreugden tot de bodem
wil leegdrinken
109. De
spanning tussen deze twee is een der belangrijkste en zinvolste elementen van
het leven, maar tegelijk een van zijn meest tragische kanten. De Middeleeuwen
zijn zich - een enkele, eenzame figuur als
Jacopone da Todi daargelaten - van deze
tweespalt nog niet bewust geweest; in de poëzie der troubadours zingt de
aarde haar lied door de hemelmuziek heen. Eerst wanneer de Renaissance in al
haar schone volheid bezit heeft genomen van de geesten, ontstaat als reactie de
Reformatie, en is voorgoed de tegenstelling geschapen, die van nu af diep haar
stempel drukt op het kulturele leven van geheel Westeuropa.
De Renaissance heeft het aardse leven niet langer gezien, zoals de
Middeleeuwen deden, als een ingang tot het hemelse, maar het een zelfstandig
bestaan gegeven, los van de tradities van het geloof. In tegenstelling tot de
kerk, die in de grond van haar wezen een anti-kulturele inslag heeft, omdat zij
transcendentaal gericht was, is de Renaissance kultureel van de wortels tot de
top.
Scherper dan vóór haar het Rooms-Katholieke
middeleeuwse Christendom had gedaan, heeft de Reformatie de controverse tussen
de aarde en de hemel, het diesseitige en het jenseitige gesteld. Vandaar dat
zij in de geschiedenis der kultuur een tijdperk van reactie inluidt. Een in
wezen anti-kultureel ingestelde denkrichting kon zomin een
Dante of een
Petrarca als een Michelangelo of een
Botticelli voortbrengen.
De diepste en zuiverste vorm, waarin de Reformatie zich geopenbaard
heeft, is het Piëtisme of Puritanisme, dat vooral in Engeland en Nederland
gebloeid heeft. Tegen de vormelijke rechtzinnigheid, waartoe het Protestantisme
door zijn aard en oorsprong als voorbeschikt was, stelde het het persoonlijke
geloofsleven en de innige omgang der ziel met God op de voorgrond. Tegen de
leerheiligheid, waartoe het Protestantisme uit afkeer van het leerstuk der
goede werken noodzakelijkerwijs moest vervallen, legde het de nadruk op de
beleving van de vroomheid, de praxis pietatis. Als Protestantse richting was
het anti-Rooms-Katholiek en anti-renaissancistisch, wat tot uiting kwam in een
zich afwenden van de wereldse ijdelheid en een ernstig streven naar ascese
110.
Daarin sloot het ten nauwste bij het oudste Christendom aan. In het middelpunt
staat de gedachte van de vernieuwing van het geestelijke leven, die men bij
alle piëtistische schrijvers in alle toonaarden herhaald vindt. De
godsdienst moet allereerst een aangelegenheid van het hart zijn;
rechtzinnigheid en vroomheid zijn twee geheel verschillende zaken. De
rechtvaardigmaking is, als de vereniging van de mens met Christus, het
werkelijke begin van de heiligmaking, en daaruit volgt dat het geloof krachtens
zijn eigen aard vruchtbaar is in goede werken. Het leven van de Christen dient
een navolging van het leven van Jezus te zijn, met wie de mens zich in liefde
verbonden weet. Zo beschrijft Willem Teelinck het nieuwe geestelijke leven als
het zalige gevoel der vereniging van de ziel met Christus, en | | | | van
de aanschouwing der schoonheid, die de hemelse Bruidegom eigen is.
Grierson
111 heeft de
nadruk gelegd op het heroïsche element in het Engelse Puritanisme, in
zoverre dit op doortastende wijze het jenseitige karakter van het Christendom
heeft voorgestaan, maar tegelijk, in tegenstelling met het Rooms-Katholicisme,
elke gedachte aan een vlucht uit de wereld versmaadde. Hetzelfde geldt voor het
calvinistische Piëtisme, dat de verheffing van het volksleven als een van
zijn wezenlijke kenmerken heeft beschouwd en voor de aangelegenheden van het
aardse leven de grootst mogelijke belangstelling heeft gehad. Voor de
ontwikkeling van het Nederlandse volksleven in de zeventiende eeuw is deze
tendenz van de grootste betekenis geweest, en een ruimschootse vergoeding van
het verlies aan kultuur, dat mee op rekening van het Piëtisme moet worden
gesteld. Het bekende woord van Dowden, ‘If Puritanism did not fashion an
Apollo with the bow or a Venus with the apple, it fashioned virile
Englishmen’
112, geldt ook voor de Republiek der Zeven
Provinciën.
Het is onjuist, te beweren
113
dat in het Engelse Puritanisme de bronnen zouden hebben gelegen van het
Nederlandse Piëtisme; het was alleen maar de aanleiding dat de
piëtistische richting in Holland en Zeeland omstreeks het begin der
zeventiende eeuw weer naar voren trad, nadat ze eeuwen lang in het Nederlandse
geestesleven met meer of minder kracht en met korter of langer tussenpozen had
geheerst. Wanneer
Voetius
Willem Teelinck de
Thomas a Kempis der Protestanten noemt,
verbindt hij de namen van twee mannen, die inderdaad eens geestes waren, die
gedragen werden door eenzelfde geloof en hetzelfde vroomheidstype vertonen. De
mystieke trek in hun persoonlijkheid is een karaktertrek van het Nederlandse
volk, althans van een groot deel van dit volk. Op de Zeeuwse en Zuidhollandse
eilanden, in de Achterhoek van Gelderland, op de zandgronden der Veluwe, maar
ook in het hart van Oud-Amsterdam heeft deze zich de eeuwen door telkens weer
in nieuwe vormen geopenbaard, daar wordt dit mystieke element in verschillende
verschijningsvormen nog altijd aangetroffen.
Niet uit het Engelse Puritanisme dus, maar wel mede onder invloed
van deze stroming ontstond de piëtistische beweging der zeventiende eeuw
hier te lande. Vele Nederlanders, vooral uit Zeeland, theologen en anderen,
o.a.
Willem Teelinck en
Jacob Cats, hadden korter of langer aan
Engelse en Schotse universiteiten vertoefd, en de puritanistische stichtelijke
lectuur was door talloze vertalingen
114 in brede lagen der bevolking in
deze landen bekend geworden.
De oorzaken dat het Nederlandse Piëtisme juist in Zeeland
ontstond, zijn van tweeërlei aard. Allereerst was de godsdienstige
gezindheid van de Zeeuwen voor deze stroming ontvankelijk. Nog altijd bezit de
bevolking van de Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden een sterk piëtistische
inslag, die telkens weer aan het licht komt en steeds opnieuw tot scheuring en
afscheiding in het kerkelijk leven leidt. Maar ook zuiver politieke motieven
zullen een rol hebben gespeeld
115. Tot diep in de zestiende eeuw was het leven van de Hollanders en
de Zeeuwen in aanmerkelijk grotere mate door kerkelijke en godsdienstige dan
door staatkundige belangstelling beheerst. Het Nederlandse volk is van oudsher
godsdienstig georiënteerd en interesseert zich meer voor het leven der
kerk dan voor hetgeen in 's lands vergaderzaal omgaat. Omstreeks de overgang
van de zestiende naar de zeventiende eeuw treedt in deze typisch Nederlandse
geesteshouding een kentering op, echter niet bij de brede laag van het volk,
maar vooreerst alleen bij de aanzienlijken. Het veldwinnend Libertinisme doet
de belangstelling voor kerkelijke en godsdienstige aangelegenheden bij de
hogere standen, die de regering vormden, verslappen. Terzelfder tijd
| | | | hebben de hoge politieke vlucht en de schitterende
maatschappelijke ontwikkeling van de jonge Nederlandse staat ten gevolge, dat
de regentenstand zo vaak dit nodig wordt geacht het staatsgezag ook in de kerk
onverbiddelijk laat gelden. De aaneensluiting van de verschillende gewestelijke
kerken tot één algemene nationale kerk wordt door de overheid
belet, omdat men geen staat in de staat wenste.
Deze beweging riep onder de Calvinisten een tegenactie in het leven,
en het lag voor de hand dat die haar centrum moest vinden in Zeeland. De
Libertijnen immers, die de staat ten koste van de kerk naar voren schoven,
waren in hoofdzaak Hollanders, en zo zagen de Zeeuwen de genoemde controverse
niet als een strijd tussen de regering en de burgerij (wat ze in werkelijkheid
was), maar als een strijd van Holland tegen Zeeland. Deze strijd was er nolens
volens, door politieke en sociaal-economische oorzaken; nu daarnaast in Holland
en Zeeland een geheel andersoortige strijd ontstond, zagen de Zeeuwen geen
onderscheid in de motieven, en vereenzelvigden wat niet te vereenzelvigen viel.
Dit is de oorzaak dat in Zeeland niet alleen de burgerij, maar ook de
regentenstand piëtistisch is. De Teelincks zijn een regentengeslacht,
Udemans en
Josias van den Houte waren door hun
huwelijk aan de regerende kringen verwant, en de regering hield hun levenslang
de hand boven het hoofd.
| |
De Teelincks
Voor de verbreiding van het Piëtisme in deze landen heeft geen
geslacht zoveel gedaan als de Zierikseese familie Teelinck
116, voor zover we kunnen nagaan een
autochthone Schouwse familie, die tot het begin van de zestiende eeuw opklimt.
Eewoud Teelinck († 1561) werd in
1544 toegelaten als brouwer te Zieriksee, waar hij later schepen
en penningmeester van den lande van Schouwen werd. Zijn zoon
Joos (1543 - 1594)
117, die in zijn vaderstad een aantal belangrijke
functies bekleedde en bovendien lid was van de Raad van State en van de
Financie-kamer, was de vader van Eewoud en
Willem Teelinck, twee vurige
propagandisten van het Piëtisme. Jongere zusters van hem waren
Susanna (1551 - 1625), de moeder van de
staatsman-dichter Adriaen Hoffer, en Cornelia. Deze Cornelia Teelinck (1554 - 1576)
118 schreef als jong meisje
van negentien jaar een ‘Corte belijdenisse des geloofs’, die pas in 1607,
dertig jaar na haar vroege dood, voor de eerste maal in het licht werd gegeven,
en waarvan in 1625 nog een vijfde druk verscheen. Dit stichtelijke boekje bezit
zomin als de refereinen en ‘liedekens’, die er aan zijn toegevoegd,
ook maar enige kunstwaarde. Het wordt hier als terloops genoemd, omdat deze
jonggestorven Zeeuwse de eerste schrijfster was in een geslacht, dat enige
veelgelezen stichtelijke auteurs heeft opgeleverd.
| |
Eewoud Teelinck
Haar oudste neef Eewoud Teelinck (1571 - 1629)
119 zou men
de pamflettist van het Zeeuwse Piëtisme kunnen noemen. Omstreeks zijn
twintigste jaar woonde hij, nadat hij in Leiden zijn literaire en juridische
studies voltooid had, enige tijd op het slot te Westsoeburg bij
Marnix. In 1595 kwam hij in de regering van Zieriksee, als raad, schepen en
stadsadvocaat; van 1599 tot 1603 was hij bovendien burgemeester. Al deze
functies legde hij echter neer, toen hij in 1603 tot ontvanger-generaal van
Zeeland werd aangesteld, waarna hij zich metterwoon in Middelburg vestigde. Hij
stierf er in October 1629, een half jaar na zijn jongere broer Willem.
Behalve het ouderlingschap in de Middelburgse kerkeraad, dat hij
o.a. | | | | met Jacob Cats en
Johan de Brune deelde, heeft Eewoud
Teelinck nimmer enig kerkelijk ambt bekleed, maar dit heeft hem niet verhinderd
om een levendig aandeel te nemen in het kerkelijke en godsdienstige leven van
zijn dagen. Met zijn broer Willem, die eind 1613 als predikant in
Middelburg kwam, heeft hij in de kerkeraad en daarbuiten op de
bres gestaan voor een strengere tuchthandhaving op kerkelijk en maatschappelijk
terrein; met hem behoort hij onder de eerste en invloedrijkste
vertegenwoordigers van het Zeeuwse Piëtisme. Ofschoon hij al een man van
middelbare leeftijd was, toen hij in 1616 begon met het schrijven van een reeks
in hoofdzaak kerkpolitieke traktaten, heeft hij er daarvan niet minder dan
twintig in het licht gegeven. Met uitzondering van drie verschenen ze alle
onder het veelzeggende pseudoniem Irenaeus Philalethius. De la Rue stelt het op
rekening van zijn ‘zonderlinge zedigheid’
120, dat hij steeds
onder een schuilnaam heeft geschreven, maar het is niet uitgesloten dat hij
daaraan met het oog op de belangrijke openbare functie, die hij vervulde, de
voorkeur heeft gegeven. De meeste van deze pamfletten zijn tegen de
Remonstranten gericht; andere bestrijden de Rooms-Katholieke kerkleer.
Hardnekkig en heftig is zijn strijd tegen de Arminianen, maar men krijgt uit
zijn geschriften de indruk, dat het enige beginsel, waardoor hij zich hierin
liet leiden, zijn bekommernis om de verdoolde schapen der kudde was. In zijn
diepste grond is hij echter de pleitbezorger voor de eenheid van de zuivere
leer en het zuivere leven; zijn laatste werk, ‘Amos, ofte de siender Israëls’ (1625), is
een opwekking aan de gereformeerden om metterdaad te tonen, dat zij een hogere
geest in zich omdragen; hun goede voorbeeld zal de andersdenkenden tot inkeer
brengen. Niet de vormelijke rechtzinnigheid, maar het persoonlijke
geloofsleven, de praxis pietatis, staat op de voorgrond. Het uitvoerigste werk
dat we van hem bezitten, de ‘Vyer ende wolck-calomne, lichtende nacht
ende dach, om het Israel Godes... van stap tot stap door de grousame woestenie
deses werelts, tot in het hemelsche Canaan te leyden’ (1622), is een
leidraad tot een Christelijk leven in piëtistische trant, zoals ook zijn
broer Willem en Udemans die voor en na hem opstelden. In 1649 bezorgde Voetius
een herdruk van dit traktaat, dat hij van grote dienst achtte ‘niet
alleen den ghemenen Christenen, maer oock ende bysonderlijck den studenten inde
Theologie, ende de jonge aenkomende predikanten’. Tevoren was het
piëtistisch karakter van zijn wereldbeschouwing o.a. al in zijn
‘Christelicke clachte van eenige godsalige luyden over hare
onvruchtbaerheydt in het ware Christelicke leven’ (1618) tot uiting
gekomen, waarin hij de oorzaken aantoonde van het verval, dat allerwegen op
geestelijk terrein kon worden waargenomen. Zijn ‘Mizpa, ofte Christelyck gespreck, van het rechte gebruyck des
algemeenen vasten-biddaghs’ (1620) is in de eerste plaats een
pleidooi voor de eenheid van leer en leven, en een bestrijding van de
leerheiligheid. En terwijl zijn polemiek tegen de Remonstranten ons dikwijls
naïef en onbillijk in de ooren klinkt, en zijn aanvallen op de Roomse kerk
ons, de drie eeuwen later levenden, slechts de schouders doen ophalen, behield
zijn piëtistische zedeleer, zijn strijd tegen bandeloosheid en onmatigheid
en voor een waardig en ingetogen Christelijk leven zijn volle waarde ook voor
onze tijd. Al is hij de mindere van zijn broer Willem, de mindere ook van de
Zierikseese predikant Udemans, niettemin verdient hij naast deze beide Zeeuwen
een plaats als strijder voor een verdieping en vernieuwing van het geloof, die
voor het geestelijke leven der zeventiende eeuw, vooral ook in Zeeland, de
heilzaamste gevolgen heeft gehad.
| |
| | | |
Willem Teelinck
Willem Teelinck (1579 - 1629)
121 werd op 4 Januari 1579 te Zieriksee geboren, als jongste zoon van
Joos Teelinck en
Johanna de Jonge. Hoewel hij in zijn jeugd
aanvankelijk plan had, in de theologie te gaan studeren, koos hij de studie der
rechten en der letteren
122. Nog voor hij deze te Leiden voltooid
had, trok hij naar de beroemde universiteit van Poitiers, waar hij, 28
September 1603, tot doctor in de beide rechten promoveerde. Het volgende jaar
reisde hij naar Engeland, en vandaar naar Schotland, waar hij reeds eerder, in
1600, aan de hogeschool van St. Andrews, gestudeerd had. In Engeland
teruggekeerd, kwam hij te Bambury in aanraking met de puriteinse
Piëtisten, onder wie vooral
John Dod en
Arthur Hildersum grote invloed op hem
verkregen. Zijn verkeer in deze kring, waar hij de ‘practijcke der
godtsalicheit’ van zo nabij leerde kennen, was beslissend voor zijn hele
verdere leven, en ofschoon hij destijds al vijf en twintig jaar en getrouwd was
123, besloot hij om alsnog in de
theologie te gaan studeren, en zich als predikant in dienst te stellen van God
en zijn kerk op deze aarde. Na een verblijf van zeven jaar in het buitenland
keerde hij, nog in 1604, naar Zieriksee terug, en vertrok van daar weldra naar
Leiden. Lang is hij hier niet geweest
124; nadat
hij zich onder de jonge
Trelcatius ‘soo in de fondamenten
der relegie, als int proponeren, dan int Duyts, dan int Frans’
125, geoefend had, vestigde hij zich weer te Zieriksee, om
zich onder de classis van Schouwen verder in het ‘proponeren’ te
oefenen. 4 October 1606 werd hij beroepen naar Haamstede en
Burg, dezelfde gemeenten waar Udemans van 1599 tot 1604 had
gestaan. Zeven jaar lang heeft hij in deze duindorpen het predikambt
uitgeoefend, in plaatsen, die voor de ruwste van het gehele eiland golden, en
waar de grootste ongebondenheid heerste
126. In 1613 werd hij naar Middelburg beroepen,
waar hij in November zijn intrede deed. Onder de negen predikanten, die
Zeelands hoofdstad destijds telde, waren o.a. Faukelius,
Walaeus en Gomarus.
Willem Teelinck heeft zijn tweede standplaats niet meer voor een
andere verwisseld; hij overleed er op 8 April 1629, in hetzelfde jaar als zijn
broer Eewoud. Zestien jaar heeft hij er het predikambt uitgeoefend,
‘alwaer de Heere niet min sijnen dienst gesegent heeft: Want in corte
tijt naer sijn comste aldaer, met de hulpe van sijn mede broeders, isser
merckelicke veranderinge, in yver tot het gehoor van Gods Woort, tot het
betrachten van alle gheestelicke oeffeninghen, tot het vieren van den dach des
Heeren, ghespeurt gheworden, gelijck daer van duysenden binnen de selve stadt,
connen ghetuygen sijn’
127. Onder invloed van zijn prediking, die een diepe indruk moet
hebben gemaakt
128, zal onder de impressieve bevolking van Middelburg, van nature
reeds geneigd tot het Piëtisme, een geestelijke opwekking zijn ontstaan.
Er vormden zich conventikelen, ‘vergaderingen, soo van mans- als van
vrouws-personen (doch elck apart), om sich te oefenen in de dingen Gods’
129, en
zeker zal ook het voorbeeldige huiselijke leven van Teelinck een weldadige
invloed op de gemeente hebben uitgeoefend. De jaren, in Middelburg
doorgebracht, heeft hij bij dag en bij nacht uitgekocht; zijn zoon getuigt van
hem, dat hij ‘onvermoeyelick is geweest int predicken, in wekelicx te
catechiseren, in sijn lidtmaten te besoecken, in de siecke te vertroosten, de
afdwalende te rechte te bringhen, de roeckeloose te vermanen, de
wanckelmoedighe te verstercken, de benaude met heylsamen raet by te
staen’
130. Bij dit alles
zag hij nog kans tot het schrijven van grotere en kleinere werken, waarvan het
aantal evenzeer onze bewondering als ver- | | | | bazing opwekt
131. Het is geen wonder, dat deze overmatige arbeid zijn toch al
zwakke lichaam betrekkelijk vroegtijdig gesloopt heeft; zijn zoon schrijft van
hem ‘dat hij sijn lichaem, gelijck alle weten, inden dienst des Heeren
hadde uytgemergelt’
132.
‘Theologus ’ noemt Voetius hem
133, en op deze eretitel maakt
hij terecht en welverdiend aanspraak.
Het streven van
Willem Teelinck is van tweeërlei
aard, en dienovereenkomstig zijn in zijn werken duidelijk twee stromingen te
onderkennen: een piëtistische en een mystieke. Te Bambury is hij tot het
inzicht gekomen van de breuk tussen Gods wil en het leven der menigte, en
sindsdien wordt hij bezeten door het verlangen, de mensheid te wijzen op haar
taak en haar roeping. Overal om zich heen ziet hij de afval van God, de zonde
neemt hand over hand toe, Gods geboden worden veronachtzaamd, of erger,
moedwillig overtreden, en de kinderen Gods zijn de wereld gelijkvormig
geworden. ‘Is dan gheen salve in Gilead?’ klaagt hij met Jeremia,
‘off en is daer gheen heylmeester? Waerom en is dan de dochter mijns
volcx niet gheheelet?’
134. Als een rode draad
loopt deze klacht door zijn geschriften, al treft ze ons het meest in de
‘Balsem Gileads voor Zions wonde’ (1622). Er is geen zonde, waaraan
ook zij, die tot het volk van God gerekend willen worden, niet schuldig zijn,
en voor Gods roepstem is het volk doof. ‘Wie en siet niet de pracht, en
prael, den overdaet, ende de geylheydt, die daer over al te speuren is? onder
groote, ende cleene, elck na sijn uytterste vermoghen, jae vele boven haer
vermoghen, in cleederen, en habijten, in maeltijden, ende banquetten? Wie can
vertellen, alle de dertele danssen, d'onkuysche liederen, d'oneerlicke, ende
schandaleuse tafereelen, die daer als vercierselen, even ten verdriete Godes,
ende aller eerbarer herten, in veler huysen voor-gestelt werden? Dus soecktmen
sijne eere in sijne schande’
135.
‘Teerlingen, kaerten, ende tick-tack-berden werden in vele huysen veel
meer ghehandelt dan Gods eyghen weerde boeck, ende woordt: Soo werden oock vele
vileyne boecken, vol van schertzerie, vol van aen-ritselen van onkuyscheyt,
ende onmaticheyt, onghemoeyt gheventet, ende in veler huysen, sonder
achterdincken, jae wel somtijdts neffens het Boeck Gods, ten proncke gesettet.
Ende dus gaet het daer toe selve, in andersins eerlicke burgers huysen’
136. Aldus begint
Teelinck de opsomming van de lange lijst van zonden, waaraan het volk schuldig
gaat. Onrechtvaardigheid, liefdeloze handelingen jegens onze naasten, ontrouw
en bedrog, haat en nijd, onverdraagzaamheid, bittere gezindheid,
onderkruiperij, woeker, uitzuiging van weduwen en wezen, corruptie (zelfs in de
kerk) en tengevolge daarvan jalouzie, die tot moord en doodslag leidt - het
zijn slechts enkele zonden van de talloos vele, die dagelijks bedreven worden.
De sacramenten, doop en avondmaal, worden geprofaneerd; men trouwt zonder enig
gewetensbezwaar ‘met afgodendienaers, met Lybertinen, weerelts kinderen,
ofte andere dwalende geesten, een sonde die ick nawelicx weet, ofte sy meer
gemeyn, dan grouwelick is’. Men bezoekt buitenslands ‘de
afgodissche guygelerien des Pausdoms’, en laat binnenslands ‘de
afgodissche misse’ oogluikend toe. Hoe kort is het geleden, dat het
voorgeslacht met groot gevaar van goed en bloed de vergaderingen der gelovigen
bezocht; thans verzuimt men de kerkgang ‘uyt enckele wan-lust’,
stelt de doop der kinderen zo lang mogelijk uit, en komt niet meer aan het
avondmaal. Vloeken komt zo veelvuldig voor, dat het niet eens een zonde meer
heet; ‘wie can vertellen alle de lichtveerdighe eeden, die onder den
gemeynen man omme- | | | | gaen: mitsgaders d' onbedachte, ende
verstrickende eeden, die selfs onder de forme van regieringhe beleydt
werden’. Geen dag wordt méér ontheiligd dan de Zondag, maar
al de ‘vette, doch vervloeckte afgodische feest-daghen der
Papisten’ als kermis en Vastenavond worden daarentegen alom gevierd
137.
Teelincks klacht moge al ten dele uit kortzichtigheid en gebrek aan
historisch inzicht ontsproten zijn, in elk geval mogen we aannemen, dat ze
allereerst en allermeest ingegeven werd door oprechte deernis met het lot
dergenen, die naar zijn stellige godsdienstige overtuiging een wis verderf
tegemoet gingen. Bovendien school er veel waars in: de economische opbloei van
deze landen omstreeks het begin van de eeuw moest noodzakelijkerwijze tot
weeldezucht en zedenbederf leiden, en geen van beide is bevorderlijk voor de
bloei der kerk. In dagen van strijd en ontbering was het Calvinisme hier te
lande groot geworden, maar nauwelijks was het getij gekeerd, of de ijver
verslapte, het geloof verflauwde, en velen onder het volk werden, zo al niet
bepaald onkerkelijk, dan toch traag in de uitoefening van hun
godsdienstplichten. Temidden van dit volk levend, was Teelinck zich klaar
bewust van de taak, die hij geloofde, dat hem opgelegd was. ‘Soo een
wachter, die in tijt van oorloghe gestelt is op de sentinelle, eenich onraedt
verneemt, ende daer over swijcht, die wort billicken voor een verrader
uyt-geroepen, ende naevolghens oock ghehandelt’
138. Hoezeer zou
dus wie als dienaar des Woords tot wachter over het volk Gods is gesteld, zijn
taak verzuimen, indien hij zijn stem niet verhief tegen het gevaar, dat alom
dreigt, en dat het slapende volk niet ziet!
Deze onverschilligheid voor de godsdienst was aanmerkelijk groter
bij de rijken dan bij de minder bedeelden
139; het Calvinisme was van ouds het
geloof der ‘kleine luyden’. Heftig zijn Teelincks aanvallen op de
geld-aristocratie, waarbij hem het beeld voor ogen zal hebben gestaan van de
rijke Middelburgse kooplieden, wier vermogen van jaar tot jaar toenam, die zich
huizen lieten bouwen van een bijna vorstelijke pracht en praal, en die nochtans
slechts één of twee geslachten behoefden terug te gaan om een
eerzame wever of landbouwer onder hun voorvaderen te vinden. Hoewel ze in naam
gereformeerd zijn, is al wat naar reformatie zweemt, hun ten enenmale vreemd.
Zij zijn het, die ‘allerley boose exempelen der sondigher volcken,
op-volghen, ende na-doen, in nieuwe fatsoenen van kleedinghe te maecken, van
maeltyden te houden, in batement-spelen, in masqueraden, in drincken, ende
suypen, in danssen, in pasquilleren, in hoveren, in allerley ydelheydt, ende
aelweerdicheydt, in al wat niet en deucht, in al wat plagen pleeght te
verwecken’
140. Het kwaad blijft
bovendien niet tot hun eigen stand beperkt, maar vreet alle kringen der
maatschappij aan, ‘daer door dan het lant vervult wort met onlijdelicke,
ende zeer hoogh-gaende pracht, ende overdaet’
141. Maar een veel groter
zonde is nog, dat deze rijken meestal karig of zelfs gierig zijn tegenover de
armen, ‘soo dat het in der waerheyt, ende in der daet bevonden wordt, dat
de meeste aelmoessen, ende de grootste charitate, gedaen wort by de gemeyne
burgherye, ende by de geringhe luyden in den lande, die soo by haer ambacht,
ende by haren handel leven: alhoewel daer eenighe rijcke zijn die oock zeer
rijckelicken gheven, maer die zijn weynige; ende noch en weet ick niet, off
daer eenighe gevonden worden onder de rijcke zelve, die meest charitatijf zijn,
welcke nae proportie hare strenge noch trecken (ghelijck men seydt) met een
menichte gemeyne luyden in hare charitate, de welcke dickwils geven met de
gepresen weduwe, zelve van hare | | | | armoede’
142. En bovenal
klaagt hij die rijken aan, die in dure tijden door hun monopoliën zich ten
koste der armen verrijken
143. Teelincks
Piëtisme vertoont in deze en dergelijke uitlatingen een sociale trek, die
te weldadiger aandoet, omdat deze bij het overgrote deel van zijn tijdgenoten
tevergeefs gezocht wordt.
Een andere kenmerkende trek van Teelincks Piëtisme is zijn open
oog voor het praktische leven, voor de belangen van zijn land, zijn volk en
zijn kerk. Een groot aantal van zijn geschriften beweegt zich in hoofdzaak op
het terrein der praktijk van het leven. In ‘Philopatris’ (1608), zijn eerste werk, wijst hij
de overheid op de onder het volk heersende zonden en gebreken, en spoort haar
aan tot handhaving van de godsdienst. ‘Davids wapen-tuyg’ (1622) richt zich tot
Prins Maurits en zijn broers, die hij met de
vrijmoedigheid van zijn beroep naar Gods Woord verwijst. Over de inwendige
toestand der kerk, die eensdeels door de lauwheid der gelovigen, anderdeels
door de twisten der Remonstranten verscheurd en krachteloos wordt gemaakt,
spreekt hij in ‘Eubulus’ (1616), in ‘Bueren-kout’ (1620), in ‘Wraeck-sweert’ (1624) en in het ‘Noodwendigh vertoogh aengaende den tegenwoordigen bedroefden
staet van Gods volck’ (1627)
144. Bij al zijn drukke werkzaamheden vond
hij nog tijd om de belangen der buitenlandse kerken te behartigen; zo had hij
een werkzaam aandeel in de totstandkoming van een Engelse kerk te Middelburg
145, en wist hij in 1622 van de
regering aanzienlijke bedragen los te krijgen ter ondersteuning van
Genève, dat door de hertog van Savoye en andere vijanden
van de Protestantse religie werd aangevallen
146.
Teelinck was de eerste gereformeerde theoloog hier te lande, die de kerk op
haar plicht wees om de nog ongekerstende volksstammen, waarmede de Oost- en
West-Indische Compagnieën handel dreven, in aanraking te brengen met het
Christendom; met dit doel voor ogen schreef hij zijn ‘Ecce homo, ofte ooghen-salve voor die noch sitten in blintheydt
des ghemoedts’ (1622) en ‘Davids dankbaerheyt voor Gods weldadicheyt’ (1624)
147.
Teelinck is niet bij het Piëtisme blijven staan, tenslotte
heeft hij naar het allerhoogste gegrepen, naar de innigste gemeenschap van de
ziel met God, die het einddoel van alle mystiek is. In enkele van zijn laatste
geschriften keert hij zich af van wat
Calvijn en van wat hij ook zelf in zijn
vroegere werken als theologische waarheden uiteen heeft gezet, om zich tot de
vroomheid te wenden, zoals een Bernardus die beleefd had. Voor Calvijn is het
geloof de vaste en zekere kennis van de Goddelijke welwillendheid jegens de
mens, die gegrond is in de genadige belofte Gods in Christus, en door de
Heilige Geest zowel aan onze geest wordt geopenbaard als aan ons hart wordt
ingeprent
148.
Teelinck echter zoekt - althans in zijn latere werken - het geloof niet, als
Calvijn, allereerst in de kennis van Gods welwillendheid jegens ons, maar legt
meer de nadruk op de gevoelige geestesgemeenschap met God. Voor hem is het
geloof weliswaar eveneens een gave Gods, maar dan vooral een zich overgeven
aan, een gemeenschapsleven in liefde met Christus. Wanneer Teelinck het geloof
door de liefde werkende predikt, legt hij daarbij de nadruk op de liefde, en
komt langs deze weg tot zijn opvatting van het geloof als de liefde-gemeenschap
met God en Christus. De controverse is tussen geloof en liefde. Het geestelijke
leven in eigenlijke zin ziet Teelinck in de liefde, en het geloof is niet meer
dan een voorbereiding daartoe. De voornaamste werking van dit geloof is de
overgave van de mens aan | | | | Christus, en zijn vereniging met hem in
liefde, waaruit een bestendige wisselwerking tussen de gelovige ziel en
Christus ontstaat
149. Het
Christelijk leven wordt nu een leven der liefde, d.w.z. een leven van een door
de liefde van Christus gewekte wederliefde, die zichzelf geheel en al vergeet.
Geloof en liefde zijn dus niet te scheiden, maar de laatste is de meeste van
deze
150.
Een der voornaamste mystieke geschriften van Teelinck is zijn
‘Soliloquium, ofte betrachtingen eens sondaers die hij gehad
heeft in den angst sijner weder-geboorte’ (1635)
151. In gebedsvorm beschrijft dit de bekering
van de zondige mens, die tot de overtuiging komt dat de ware gelukzaligheid
alleen in God te vinden is. In hevige strijd neemt zijn beangste, naar vrede
zoekende ziel haar toevlucht tot Jezus, die zij aanneemt als haar
bruidegom.
De taal die Teelinck in dit devote geschrift spreekt is geheel en al
de taal der mystiek, die de band tussen God en mens als een huwelijk ziet,
waarbij de menselijke ziel de bruid, en God of Jezus de hemelse bruidegom zijn.
Brandend is het verlangen van de liefhebbende ziel naar God: ‘Och!
Heere’, bidt zij, ‘wanneer sal het dan wesen, wanneer sal d'uyre
daer zijn... dat ghy u selven aen my sult komen openbaren? dat ghy my sult
komen trecken tot dy, dat ick dy na-loope? daer verlanght mijn ziele nae, daer
staet mijn hope op, ende in 't verwachten van yet sulcx begint mijn herte sich
nu oock te verheffen; even dit bloot verwachten, ende d'enckele hope, dat sulcx
my noch eens sal mogen gebeuren, houdt nu noch mijn herte op, ende verquickt
alreede mijn ziele, als preoccuperende, ende voorkomende dien vrolicken
bruylofts-dagh, wanneer ghy de beminde mijner ziele, mijnen Hemelschen
Bruydegom, sult verweerdighen, uwen onweerdighen dienstknecht te komen
besoecken, ende u selven begeven, in mijne omhelsinghe. Och! dat ick dy mochte
omhelsen dien mijn ziele lief heeft, dat ick dy mochte vinden, die ick nu by
dage, ende by nachte soecke, ende die ick niet en wil ophouden te soecken tot
dat ick dy ghevonden hebbe, ende in mijns Moeders kamer gebracht, ende daer
omhelst hebbe’
152.
Hier en elders heeft Teelinck de beeldspraak aan het Hooglied ontleend, om de
hunkering der minnende ziel, het verlangen van de mens die God zoekt, met zo
vlammend mogelijke kleuren te schilderen. Telkens weer duikt het beeld van de
bruid en de bruidegom en van de hemelse bruiloft op, in het
‘Soliloquium’
153, en zo mogelijk nog sterker in een
ander mystiek geschrift van Teelinck, ‘Het nieuwe Jerusalem, vertoont in een 'tsamen-sprekinghe
tusschen Christum ende Mariam, sittende aen sijn voeten’ (1635)
154. Maria is hier de personificatie van de
minnende ziel, die boven alle dingen begeert om met Christus, haar bruidegom,
verenigd te worden. ‘O alder-soetste Bruydegom mijner zielen Jesu
Christe!’ roept zij in vervoering uit, ‘O alder-suyverste Minnaer,
die heerschappye hebt over alle creatueren, wie sal my geven de vleugelen der
waerachtigher vryheyt, om te vlieghen tot u, en te rusten in u? och wanneer sal
my volcomentlijck verleent worden, dat ick sal moghen heel ledich en
onbecommert van herten wesen, ende smaken hoe soet dat ghy zijt, o mijn Heere
en mijn God! wanneer sal ick my eens heel vereenighen in u ende met u, alsoo
dat ick uyt grooter liefde, my selven niet en mochte ghevoelen, maer u alleene
in mijn?’
155
Ruusbroec zou het precies zo gezegd kunnen
hebben
156, en men moet het Goeters toegeven, dat in deze
vorm de innigste vereniging van de ziel met haar Schepper bereikt is, en dat
uit elke trek van deze passage blijkt, hoezeer gevoel en affecten voor Teelinck
alles zijn
157. Vooral in dit
kleine geschrift, dat tot zijn beste en verhevenste werk moet worden gerekend,
toont hij zich als asceet en mysticus geestverwant van
Bernardus en de schrijver der ‘Imitatio’, één van | | | |
streven en willen met de vele Middeleeuwers, ook in deze landen, die de
onmiddellijke vereniging van de ziel met God als het hoogst bereikbare en het
schoonste in de schepping hebben gezien.
Is Teelinck dus zonder twijfel mysticus, aan zijn rechtzinnigheid
kan niet getwijfeld worden. In zijn beschouwing van de Heilige Schrift, van het
geloof, van de leer en de sacramenten stemt hij geheel overeen met de
gereformeerde kerkleer van zijn dagen; dogmatisch staat hij volkomen op de
grondslagen van de kerk, zoals die in de formulieren van enigheid vervat zijn
158.
Het eigenaardige van zijn richting moet gezocht worden in de toepassing van de
dogmatische stellingen op het leven
159. Hierin sluit
Teelinck zich volkomen aan bij het puriteinse Piëtisme, dat de nadruk legt
op de toepassing van het geloof in het leven, de praxis pietatis.
De stijl
160 van Teelincks
geschriften is al even kunsteloos als die van zijn broer Eewoud en van
Udemans. Bijna al zijn boeken kenmerken
zich door een zekere breedheid, die maar al te vaak langdradigheid wordt. Al
wat naar het dichterlijke zweemt is hem ten enenmale vreemd gebleven. Ook al is
eenvoudig onvermogen hiervan klaarblijkelijk de oorzaak, toch mag daarnaast de
gedachte aan een zekere opzettelijkheid niet uitgeschakeld worden; het
Puritanisme strekt zijn soberheid immers ook tot over de stijl van zijn
geschriften uit, en komt uit angst voor het precieuze en het gemaniëreerde
tot een eenvoud, die na verwant is aan stijlloosheid. ‘Want het en
betaemt gantsch niet’, meent Teelinck, ‘dat de predickers des
cruyces Christi... souden spreken aen het volck... op de wijse, die de
wereltsche orateuren onder den heydenen plegen te ghebruycken, opsoeckende wel
noestelyck, ende blijckelijck, alle bloemkens ende figuerkens van
welsprekentheyt, ende daer mede dan soo henen, alleene met een vloyende reden,
over den text discourerende, ende latende alsoo de predicatie eenparichlijck
tot den eynde toe afloopen, in een merckelijcken draet van een gesochte
wereltsche welsprekentheyt’. De ervaring leert evenwel dat een dergelijke
wijze van preken ‘seer crachteloos is, om d'onbekeerde te bekeeren; ende
seer smakeloos, de bekeerde herten’
161.
Teelinck moest van ‘bloemkens ende figuerkens van
welsprekentheyt’ niets hebben; integendeel, wanneer hij - wat overigens
maar zelden gebeurt - afwijkt van het pad van de middelmatige spreektrant,
begeeft hij zich in de lagere regionen der taal en worden zijn beelden min of
meer plat
162. Een
streven, zich bevattelijk en populair uit te drukken, ligt hieraan onmiskenbaar
ten grondslag. Wie door deze trivialiteit niet wordt afgeschrikt, zal echter
ook meermalen getroffen worden door een krachtig en fors geluid, met een
ondertoon van ernst en toewijding, al is het te betreuren dat deze fors
aangeslagen toon maar al te spoedig verklinkt.
De invloed die Teelinck op zijn tijdgenoten heeft uitgeoefend
blijkt, behalve uit de vele herdrukken van zijn boeken, ook uit de vertalingen
daarvan. ‘De clachte Pauli’ (1620) werd in het Engels (1621)
en het Duits (1693) vertaald, de ‘Weech-schale des heylichdoms’ (1621) in het Engels
(1621), de ‘Rustplaetse des gemoets’ (1621) eveneens in het
Engels (1622), ‘Het nieuwe Jerusalem’ (1635) in het Duits (1693),
‘Soliloquium’ (1635) eveneens in het Duits (1693).
Verscheidene van zijn werken werden nog in de voorgaande eeuw herdrukt.
| |
Godefridus Cornelisz. Udemans
Met uitzondering van
Willem Teelinck heeft geen Zeeuws theoloog
uit de zeventiende eeuw groter invloed op zijn tijdgenoten gehad dan de
Zierikseese predikant Udemans, die een halve eeuw lang door het ge- | | | | sproken
woord en in zijn vele geschriften de beginselen van het
Piëtisme in Zeeland en daarbuiten heeft verbreid, en die door zijn
relaties met enkele Zeeuwse dichters ook op het letterkundig leven van zijn
dagen een zekere invloed heeft uitgeoefend.
Godefridus Cornelisz. Udemans (1581 of
'82 - 1649)
163 werd
te Bergen-op-Zoom geboren uit een geslacht, dat waarschijnlijk uit
Schouwen afkomstig was. Al op zeventienjarige leeftijd werd hij predikant
te Haamstede, vanwaar hij in 1602 naar Zieriksee werd
beroepen. De gemeente van Haamstede, die, naar de overlevering wil,
aanvankelijk bezwaar had tegen zijn jeugdige leeftijd, wilde hem in het eerst
niet laten gaan; eerst na tussenkomst van de Staten van Zeeland kon hij in 1604
in zijn tweede gemeente bevestigd worden, die hij tot zijn dood zou dienen.
Beroepen naar Dordrecht en 's-Hertogenbosch sloeg hij
af.
Al spoedig heeft Udemans zich, ook door zijn vele geschriften, een
zekere vermaardheid als theoloog verworven, en meermalen maakten zowel de kerk
als de wereldlijke overheid van zijn diensten gebruik voor opdrachten van
onderscheiden aard. O.a. werd hij afgevaardigd naar de Dordtse synode, waar hij
een der vice-presidenten was.
Al in Udemans' oudst bekende geschrift, de ‘Christelijcke bedenckingen, die een geloovige siele dagelijcx
behoort te betrachten’ (1608), openbaart zich de
piëtistische trek, die voor al het werk van deze theoloog kenmerkend mag
heten, maar rijker en in voller omvang komt deze tendenz tot uiting in zijn
‘Practycke, dat is werckelijcke oeffeninghe vande Christelicke
hooft-deuchden, gheloove, hope, ende liefde’ (1612). Dit
omvangrijke geschrift behandelt de praktijk der goede werken, een hoofdstuk uit
de zedeleer, dat vooral het oude Calvinisme, uit reactie op de Rooms-Katholieke
beschouwing van dit leerstuk, maar al te dikwijls verwaarloosd heeft. ‘De
siele des geloofs’ noemt Udemans de goede werken, ‘want gelijc het
lichaem sonder den geest doot is, soo ist geloove sonder de wercken
doodt’. Drie kwart van het boek bestaat uit een uitvoerige commentaar op
de decaloog, waarbij alle zonden en deugden van de menselijke samenleving over
de hele linie worden geconfronteerd met Gods wil, zoals die in de Heilige
Schrift tot uiting komt. Wie zich de moeite getroost deze bladzijden door te
lezen, moet wel eerbied krijgen voor de ernst, waarmede de zeventiende-eeuwse
Piëtisten het leven hebben opgevat. Na een lange periode van verwording
hebben zij zich opnieuw rekenschap gegeven van Gods bedoelingen met de
mensheid, en wanneer het triumferend Calvinisme op zuiverheid in de leer de
nadruk gaat leggen, stellen zij er de met het Rooms-Katholieke leerstuk der
goede werken verworpen plicht der praktische vroomheid tegenover.
Hoezeer het Udemans ernst was met de praxis pietatis, de
daadwerkelijke uitleving van de vroomheid in het dagelijkse leven, blijkt wel
o.a. uit drie grotere boeken, die alle drie praktische handleidingen zijn voor
maatschappelijke standen: het ‘Geestelick compas’ (1617) voor de zeelieden,
schippers en vissers, het ‘Coop-mans-iacht’ (1637) en ‘'t Geestelyck roer van 't coopmans schip’ (1638),
beide voor de kooplieden. Het laatste boek is vooral ook belangrijk voor onze
kennis van de economische ethiek der zeventiende-eeuwse Calvinisten hier te
lande
164. Ook als men van mening is, dat Max
Weber ten onrechte het ascetisch Protestantisme verantwoordelijk zou hebben
gesteld voor de rationele leefwijze op de grondslag van de beroepsidee, een der
pijlers van de kapitalistische geestesgesteldheid, dan kan men toch moeilijk
loochenen, dat verscheidene Nederlandse Calvinisten zich hebben uitgesloofd om
de economische opvattingen der zeventiende-eeuwse kooplieden in het gevlij te
komen. Een boek als het ‘Geestelyck roer’ bewijst dit eens te meer.
De hoogst | | | | welwillende houding, die Udemans inneemt ten opzichte
van de beide Indische Compagnieën blijkt vooral waar hij breed uitmeet
over de ‘stoute roepende sonden’, die de Spanjaarden in Indië
hebben bedreven. De enige verontschuldiging voor deze haast opzettelijke
bewustzijnsverenging is, dat zij een massaal verschijnsel was. De politieke
hartstochten en de patriottische gevoelens van het geslacht, dat met de jonge
Republiek was opgegroeid, hebben dit belet om bepaalde toestanden en
verhoudingen in het juiste licht te zien. Een typisch voorbeeld daarvan geeft
Udemans, wanneer hij uit het Oude Testament tal van voorbeelden opsomt, waaruit
de gruwelijkheid moet blijken van de toelating der afgoderij door een
Christelijke overheid uit handelspolitieke overwegingen. Men vraagt zich af of
hij inderdaad niet geweten heeft, dat zowel de O.I.C. als de W.I.C. zich bij
herhaling aan deze gruwel hebben schuldig gemaakt.
Udemans ontleent zijn betekenis in de
eerste plaats aan zijn onvermoeide strijd tegen de weeldezucht in een tijd,
toen snelverworven rijkdom maar al te dikwijls aanleiding gaf tot dit kwaad.
Onbarmhartig heeft de asceet, die in hem stak, de zondigheid van weelderige
kleding, overvloedige maaltijden, het ten toon stellen van pracht en praal in
huis en daarbuiten, uiteengerafeld tot er niets van overbleef dan wat armzalige
ijdelheid. Naast deze ascetische trekken vertoont het werk van deze Zierikseese
predikant, in tegenstelling tot dat van de meer mystiek aangelegde Willem
Teelinck, in niet minder mate een sterk ontwikkelde zin voor de realiteit der
dingen, een voorkeur voor het praktische, waarbij het geestelijke niet zelden
in het gedrang komt. Hierin herinnert hij aan zijn landgenoot en geestverwant
Cats; beiden, de prediker en de dichter, vertegenwoordigen in dit opzicht het
volk, temidden waarvan zij leefden en werkten, waarvoor deze praktische zin een
levensvoorwaarde was en is. In sterker mate dan dit bij de Engelse
Piëtisten het geval is, hebben hun Zeeuwse geestverwanten, en onder deze
in de eerste plaats wel Udemans, een open oog gehad voor de werkelijkheid van
het leven, de praxis vitae, die naast de praxis pietatis haar rechten opeist.
In dit opzicht is het Zeeuwse Piëtisme minder verheven in de zin van
vergeestelijkt dan het Engelse, waarin die trek weliswaar ook niet geheel
ontbreekt, maar toch nimmer op de voorgrond treedt.
Uit de catalogus van Udemans' bibliotheek, die in 1653 te Zieriksee
werd geveild
165, blijkt de belangstelling van deze piëtistische
predikant voor de letterkunde, ook van zijn eigen tijd. Banden van
bloedverwantschap en vriendschap bonden hem trouwens met een aantal
letterkundigen, in de eerste plaats met de Zierikseese. Samen met Adriaen
Hoffer werd hij in 1618 naar de Dordtse synode afgevaardigd, en in 1644 trouwde
Udemans' dochter Johanna met Hoffers oudste zoon Rochus, die toen op het punt
stond om de traditie van zijn enkele maanden tevoren overleden vader, de regent
en de dichter, voort te zetten. Adriaen Hoffer schreef zeven
‘klinck-ghedighten’ voor zijn ‘Christelijcke bedenckingen’ (1608) en een lofdicht
voor het ‘Geestelick compas’ (1617). Lofdichten van Rochus
vindt men voorin ‘'t Geestelyck roer van 't coopmans schip’ (1638)
en ‘Een salich nieuwe-iaer’ (1640), die beide van
vóór zijn huwelijk dateren. Met Cats, die hij, slechts vier jaar
jonger dan deze, ‘van joncx op’ gekend had, voelde Udemans zich op
bijzondere wijze verbonden, wat o.a. in de opdracht van zijn ‘Salich nieuwe-iaer’ tot uiting komt. Zowel in dit
boek als in de eerder verschenen ‘Laetste basuyne’ (1635) en het ‘Geestelyck
roer van 't coopmans schip’ (1638) vindt men lofdichten van de
raadpensionaris, die in 1637 zijn ‘Trou-ringh’ aan zijn Zierikseese vriend ten
geschenke had gezonden. Ook de | | | | uit Zieriksee
afkomstige
Cornelis Boy,
Abraham van der Meer, de rector der Latijnse
school te Zieriksee, zijn Dordtse collega
Caspar Parduyn,
Johannes Rogiers, die we als een der
medewerkers van de ‘Zeeusche Nachtegael’ leerden
kennen, de Dordtse predikant
Jacobus Lydius,
Samuel Ampzing, destijds nog student in de
theologie, en
Louis van Kinschot, auditeur van de
Rekenkamer van Holland, die met een Zierikseese vrouw was getrouwd
166, hebben in
Nederlandse of Latijnse lofdichten hun eerbied en bewondering uitgesproken voor
de vroomheid en de rechtzinnigheid van deze theoloog. Van de Leidse historicus
Boxhorn, bij wie
Rochus Hoffer tijdens zijn studententijd
inwoonde, is een brief aan Udemans bewaard, waarin hij zijn grote waardering
uitspreekt over het ‘Geestelyck roer’
167. Ook heeft Rochus' vriend
Henricus Bruno in een Latijns gedicht zijn
lof breed uitgemeten
168. Al
deze waardering van letterkundige kant wijst toch ook op een geestverwantschap,
althans een sympathieke houding ten opzichte van de godsdienstige richting, die
Udemans in zijn werk propageerde. Bij Cats bestond die zeker, evenals bij
Adriaen Hoffer en zijn zoon Rochus.
| |
Andere Piëtisten
Onder invloed van de Teelincks en van Udemans hebben enkele andere
Zeeuwse theologen de piëtistische levensbeschouwing in geschrifte
verkondigd en verbreid. Maar ook in de literatuur komt zij hier en daar tot
uiting, allereerst en allermeest bij Cats, die trouwens zelf in Cambridge, het
bolwerk van het Piëtisme, onder invloed van
Perkins en Hall was gekomen, en vervolgens
ook bij Johan de Brune. Beide schreven een lofdicht voor de ‘Balsem
Gileads’ (1622) van
Willem Teelinck, en deze droeg zijn
‘Gesonde bitterheyt’ (1624) aan Cats op. Beider
werk vertoont op tal van plaatsen hoezeer het Piëtisme hun denken heeft
beïnvloed, hoezeer ook zij onder de bekoring zijn gekomen van deze
puriteinse wereld- en geloofsbeschouwing, die hun als Zeeuwen welvertrouwd
moest voorkomen. Duidelijk spreekt het Piëtisme ook uit het werk van
Cornelis Udemans, de neef van de Zierikseese
predikant, en uit de lofdichten die Adriaen Hoffer en Cats op de
piëtistische werken van Willem Teelinck en de Zierikseese Udemans
schreven.
Onder de predikanten uit Zeeland die in hun werk de kennelijke
invloed van het Piëtisme vertonen, treden Josias van Houten en de zoons
van Willem Teelinck, Maximiliaen en Johannes, het meest op de voorgrond
169.
| |
Josias van Houten
Een piëtistisch predikant van weliswaar minder betekenis dan de
Teelincks en Udemans, maar die niettemin om meer dan één reden
onze aandacht verdient, is Josias van Houten (ook, waarschijnlijk
juister, Van den Houte genoemd) (1582 - 1623)
170. Hij werd in
1582 te Sluis geboren, waar zijn vader
Gillis van den Houte predikant was, werd
in 1606 student te Leiden, waar hij onder invloed van Gomarus kwam,
in 1609 proponent onder de classis Schouwen en Duiveland, en nog in hetzelfde
jaar als predikant naar Renesse en Noordwelle
beroepen, waar Udemans hem bevestigde. In 1621 vinden we hem als diens collega
te Zieriksee, waar hij echter reeds in Januari 1623 stierf.
Van Josias van Houten zijn ons drie geschriften bekend, waarvan
één echter slechts van naam. Het meest opgang heeft gemaakt zijn
* ‘Korten wegh of Catechismus’
171, dat we alleen
kennen in de herdrukken, daarvan | | | | bezorgd door Voetius en Koelman.
Toen de eerste oplage uitverkocht bleek te zijn, legde Voetius in 1637 er een
tweede uitgave van ter perse, die met enkele toevoegingen van
Biefield, Willem Teelinck en Voetius zelf
onder de titel ‘Biecht-boecxken der Christenen’ het licht zag en
herhaaldelijk herdrukt werd. In 1768 verscheen het opnieuw onder de titel
‘De boetvaardige Christen’. In 1690 had Koelman het
nog eens uitgegeven als ‘Spiegel der wet’; van deze laatste uitgave
verscheen nog in 1888 een nieuwe uitgave.
Dit populaire boekje van Van Houten bestaat uit een register van
alle denkbare zonden tegen de tien geboden, in de trant van soortgelijke
opsommingen in
Udemans' ‘Practycke’ en het ‘Noodwendigh vertoogh’ van Willem Teelinck, en
geheel en al in dezelfde piëtistische geest. Ook Van Houten legt de nadruk
op de geestelijke zin van Gods geboden en strijdt tegen de leerheiligheid; ook
hij is asceet in zijn bestrijding van weelde en weeldezucht, en de praktijk van
zijn geloofsleven, zoals dat in dit register tot uiting komt is dezelfde als
die van de andere Zeeuwse Piëtisten van zijn tijd, die hij natuurlijk
persoonlijk gekend heeft en wier invloed op zijn werk onmiskenbaar is. Het is
te betreuren dat een ander geschrift van zijn hand ‘De Christelijcke land-man’, dat in 1620 verscheen,
niet bewaard is
172; ongetwijfeld zou deze proeve van praktische
theologie, die het Piëtisme zozeer eigen was, ons een dieper inzicht
gegeven hebben in Van Houtens godsdienstige opvattingen dan zijn uiteraard wat
dorre ‘Korten wegh of Catechismus’ dat doet.
Nog in hetzelfde jaar verscheen een ander geschrift van Van Houten,
onder de titel: ‘Salomo, dat is, vermaninghe aen die Christenen, die wt eenen eenvoudigen yver zich aende syde vande genaemde Remonstranten houden, tot
vereeninghe mette openbare Ghereformeerde kercken’ (1620)
173, een poging tot verzoening
van Remonstranten en Contra-Remonstranten. Van Houtens vroege dood, drie jaar
nadien, heeft hem belet zich verder te ontplooien tot een theologisch auteur,
wiens naam langer was blijven voortleven dan hij het nu, ondanks de
populariteit van zijn ‘Biecht-boecxken’, gedaan heeft.
| |
Maximiliaen Teelinck
Groter bekendheid kregen Maximiliaen en Johannes Teelinck. Maximiliaen Teelinck (± 1605 -
1653)
174 was
eerst predikant bij de Engelse gemeente te Vlissingen (1627 -
1628), daarna bij de Nederl. Herv. gemeente van Zieriksee (1628 -
1640) en Middelburg (1640 - 1653). Zijn oudst bekende geschriften
zijn van 1636, toen hij de ‘Remonstrantie van de kercken van Zeelandt op de Christelijcke
ende vigereuse verklaringhe, vande Ed: Heeren Gecommitteerde Raden... nopende
het weren van de stercke inbrekende afgodische superstitien des
Pausdoms’
175 uitgaf met een fel anti-Roomse inleiding, en vervolgens, nog
in hetzelfde jaar, een ‘Corrosiif teghens de in-etende pest-kole van 't
Pausdom’
176 schreef, dat niet minder
hartstochtelijk de ‘Paepsche religie’ te lijf gaat. Teelinck somt
een aantal redenen op, waaruit moet blijken dat een Christelijke gereformeerde
overheid het Roomse geloof in haar gebied niet mag dulden. Hij wijst er op
hoezeer het de Nederlanden voor de wind is gegaan, sinds ze de Roomse afgoderij
afgezworen hebben: ‘van die tijdt af is onse staet gegroeyt, sins hebben
wy veel treffelijcke victorien gehadt, groote conkesten gedaen, ja sins daer wy
kleyn waren, zijn wy groot geworden: daer wy yeder moesten vreesen, daer werden
wy gevreest’. | | | | Maar nauwelijks begon men te beweren dat de
oorlog niet gevoerd wordt om de religie, en dat elke stad die religie mag
aannemen, die zij voor zichzelf dienstig acht, of ‘Gods hant (is) over al
tegen ons geweest, ten onghelucke, ende wy zijn sins van Gods hart ghedrongen
geweest, en syn bescherminge is van ons gheweken’: zowel te water als te
land leden we smadelijke verliezen, en de pest rukte duizenden mensen weg.
‘Soo is oock des Heeren hant noch tegens ons uytgestreckt. Welck vele
doet vreesen dat soo niet spoedelijck hier in voorsien wort, ende soo wy ons
hier over niet en bekeeren, ende de vremde Goden van ons wech doen, ende naer
onse voorgaende oude maximen, alle afgoderie onder ons uyt te royen, niet in
schijn, maer inder daet: ende den Heere alleene dienen. Geensins toestaende
eenige voorder inbreucke van dien, al konden wy de heele werelt daer mede
winnen. Dat andersins de Heere t'eenegaer van ons sal wijcken, ende ons laten,
of door gewelt van onse vyanden overrompelt werden, of door haer loose
aenbiedinge van Trevis bedriegen ende in haer listigh net gevangen
worden’
177.
Drie jaar later gaf Teelinck onder zijn eigen naam een ‘Grondighe verclaringhe, over de thien gheboden, ende het ghebedt
onses Heeren’ (1639)
178 in het licht, dat als toevoegsel
verscheen achter de door hem uitgegeven tweede druk van zijn vaders
‘Huys-boeck’, waarbij het zich ook naar de geest en de strekking
volkomen aansluit. Heftig anti-papistisch was weer zijn ‘Vrede
predicatie’ (1648)
179,
waaraan hij nogmaals zijn ‘Corrosiif’ toevoegde, dit keer onder de
titel: ‘Grondigh bewys, dat het een Christelicke magistraet ongeoorloft
is, in plaetsen, daer over sy te gebieden hebben, de Paepsche superstitien ende
afgoderyen toe te laten’. Teelinck hangt in dit geschrift de
zienswijze van de Zeeuwse magistraten aan, die tegen een vrede met Spanje waren
en op voortzetting van de oorlog aandrongen. Voor wie de opdracht leest, heeft
het er veel van weg, dat hij de vrede vooral daarom zo verfoeit, omdat met de
oorlog de negotie, de nering en de handel uit het land geweken zijn. Dezelfde
geest spreekt uit de ‘Vrymoedige aenspraeck aen Syn Hoogheyt de Heere Prince van
Oraengjen’ (1650)
180, waarin Teelinck zich als
overtuigd Orangist en als boetprediker ontpopt. Vooral de rechtzinnige Maurits
was een man naar zijn hart, en zijn hoop is thans op de jonge
Willem II gevestigd, die immers met lede
ogen de vrede met Spanje had zien sluiten en veel liever de oorlog had willen
voortzetten. Teelinck had deze ‘aenspraeck’ als opdracht
vóórin het door hem uitgegeven nagelaten werk van zijn vader,
‘Den politycken Christen’ (1650) geplaatst, waaruit
het zonder zijn voorkennis was overgedrukt. Zijn felle bestrijding van de
Remonstranten en de anti-Orangisten, zijn aanvallen op een figuur als
Oldenbarnevelt, zijn vleierij van de Prins
wekten de verontwaardiging van velen op. Toen een hunner Teelinck bestreed in
een pamflet, getiteld ‘Bedenkingen en antwoort op de vrymoedige aenspraek
aen Zyn Hoogheit, ... gestelt door den geleerden
Maximiliaen Teelinck’ (1650)
181, verdedigde de aangevallene zich in
een ‘Onderrichtinge ... aengaende de Vrymoedige aensprake’ (1650)
182, waarin hij verzekert, dat deze
‘Aenspraeck’ zonder zijn medeweten afzonderlijk is uitgegeven, en
dat die uitgave bovendien, ‘in sommighe dinghen anders ghestelt (is) als
in 't origineel’
183.
Vondel schreef naar aanleiding van de
‘Aenspraeck’ zijn hekeldicht ‘Op d' oproericheit van den Godtloosen Zeeuw, Maximiliaen
Teeling’ (1650)
184.
Van geheel andere aard was het catechetische geschrift, dat Teelinck
twee jaar later uitgaf, de ‘Christelycke onderwijsinghe’ (1652)
185, een uitbreiding en verklaring van het door
Melchior Burs uitgegeven ‘Kort begrip der Christelycker religie’ (1640), dat
in Middelburg op de cate- | | | | chisatiën in gebruik was. Het is fel
anti-Rooms, maar overigens in geen enkel opzicht opmerkelijk. Het jaar daarop
stierf Maximiliaen Teelinck.
| |
Johannes Teelinck
Een veel belangrijker en vooral ook oorspronkelijker geest is zijn
jongere broer Johannes Teelinck (1623 - 1674)
186,
achtereenvolgens predikant te Maidstone in Engeland (1645), bij de Engelse
gemeente te Middelburg (1646) en vervolgens bij de Hervormde
gemeente te Wemeldinge (1647), te Vlissingen (1649),
te Utrecht (1655), te Arnemuiden (1660), te
Kampen (1661) en tenslotte te Leeuwarden (1674), waar
hij nog geen maand na zijn intrede overleed. Deze jongste zoon van
Willem Teelinck heeft het werk van zijn
vader op waardige wijze voortgezet, al heeft hij maar weinig in druk
uitgegeven. Al in zijn Vlissingse periode wist hij de overheid er toe te
bewegen, dat 's Zondagsmorgens op de Grote Markt geen vlees mocht worden
verkocht, zoals tot dan de gewoonte was, en dat de stadspoorten op Zondag
gesloten bleven
187. In onze
kerkgeschiedenis is hij vooral bekend gebleven door zijn aandeel in de
Utrechtse twisten om de kerkelijke goederen, die door
Voetius in 1653 werden ingeluid, en die
eindigden met de afzetting en verbanning van Teelinck en zijn ambtgenoot
Abraham van de Velde, in Juli 1660
188. Teelinck deelde in deze
strijd geheel en al het standpunt van Voetius, die de kapittelgoederen aan de
kerk wenste te zien en de eigendomsrechten van particulieren daarop
betwistte.
Dat Teelinck ook in theologisch opzicht een geestverwant van Voetius
was, blijkt ten duidelijkste uit zijn preek over de ‘Levendigmakende
kracht van Godts beloften’ (1661)
189, het oudste
geschrift, dat we van zijn hand bezitten. Hij waarschuwt hierin tegen de
gevaren der wettelijkheid, zoals die in de conventikels maar al te zeer werd
aangehangen. De wet doodt, de kracht van Gods beloften maakt levend, en wie in
oprechtheid van hart begeert deel te hebben aan Gods beloften, die heeft
alreeds deel daaraan.
Dat de conventikel-Christenen ten onrechte in deze preek een aanval
zagen tegen de goede werken, blijkt uit ‘Den vruchtbaermakenden wynstock Christus’ (1666 -
1667)
190,
eigenlijk het enige boek, dat
Johannes Teelinck heeft geschreven. Met
nadruk wijst hij in dit driedelige werk juist op de noodzaak der goede werken,
waarin zelfs vele toch ware kinderen Gods onvruchtbaar blijven. De wijnstok
Christus bloeit, maar zijn ranken zijn dor en dood, omdat ze geen gemeenschap
meer met hem hebben. Blijft in mij, spreekt Christus (Joh.
15:4), maar zijn leden horen hem niet en blijven doof. Hen op te wekken
tot hereniging met Christus, de lauwen, de onstandvastigen, de halfgelovigen te
vermanen, en de gelovigen in hun geloof te versterken, dit ziet Teelinck als
zijn taak, deze opdracht aanvaardt hij als uit Gods handen. In het eerste deel
van zijn trilogie onderricht hij de Christen om, onder alle omstandigheden,
door het geloof in Christus te blijven; in het tweede deel wijst hij de ware
Christenen op hun taak, in elke zielestaat Christus, dat is de kracht van zijn
geest, in zich te houden; het derde deel tenslotte leert hoe de Christen door
het ware geloof uit Christus kracht tot goede werken kan putten. Teelinck maakt
daarbij onderscheid tussen de vereniging van Christus met de gelovige ziel, en
de krachtdadige werkzaamheid van Christus' geest in de ziel
191. Christus blijft in wie wedergeboren is onveranderlijk
dezelfde, maar de inwerking van zijn geest is niet constant, en vaak voelt de
ziel zich verlaten van de zoete gemeenschap met Christus. Dan hebben de
kinderen Gods tot taak, Christus | | | | weer tot zich te trekken, en
zelfs moeten zij ‘hem als met een heyligh gheweldt gaen dwingen, dat hy
by haer blijve, so hy wil wegh gaen; ofte tot haer wederkeere, so hy al
eenighsins van haer geweken is’
192, gelijk de discipelen van Emmaus Jezus dwongen om
bij hen te blijven.
Met wenen en bidden overwint de mens zijn God; met tranen en gebeden
- noemde
Luther deze niet de wapenen der
Christenen? - zal de mens zijn Hemelse Vader zijn geestelijke nood klagen, en
hem als afpersen hetgeen hij hem beloofd heeft te zullen geven
193.
Bovendien kent de gelovige ziel Christus als de algenoegzame zaligmaker, die
bij God teweeg kan brengen dat aan de Christen de geest der heiligmaking wordt
geschonken
194, en dat al hetgeen hem zou mogen verhinderen in de
uitoefening van goede werken van hem zou worden geweerd.
Reeds de keuze van de tekst, waarop deze uitvoerige verhandeling
opgebouwd, en waaraan de titel ontleend is, verraadt de mystieke trek, die ook
deze Teelinck eigen is, en die in dit geschrift telkens weer aan het licht
treedt.
Aitzema noemt Teelinck ‘een man van
groote welspreeckentheyt’
195, maar in zijn geschriften komt dit niet uit: ze bestaan, evenals
die van de andere Teelincks, voor een belangrijk deel uit een aaneenschakeling
van Bijbelteksten. Zelf getuigt hij: ‘Mijn stijl ende maniere van seggen
is slecht ende na het begrijp vande alder-eenvoudighste gherichtet; daerom ick
oock wel weet dat deselve vele delicate ooren niet behaghen en sal’
196. Dit heeft echter niet kunnen verhinderen
dat zijn ‘Vruchtbaermakende wynstock’ zelfs nog een halve eeuw
geleden werd herdrukt.
| |
Reformateurs
Naast de vertegenwoordigers der officiële kerken vinden we ook
in Zeeland de representanten van die godsdienstige groepen, die Hylkema onder
de verzamelnaam reformateurs heeft samengebracht
197. Buiten het verband der
Protestantse kerkgenootschappen om hebben zich, vooral in de nadagen van onze
Gouden Eeuw, godsdienstige stromingen van allerlei aard doen gelden, die hierin
overeenstemden dat ze vrij wilden staan van het kerkelijk gezag en ook buiten
de Bijbel om bronnen van inspiratie voor hun geloofsleven aannamen, in de
eerste plaats de onmiddellijke inwerking van de Heilige Geest. De geschiedenis
van deze ketters en sekten vormt een van de aantrekkelijkste bladzijden uit
onze kerkgeschiedenis, omdat er steeds opnieuw de drang uit opstijgt, het in
kerkelijk verband verdorde en verstarde geloofsleven te bezielen met nieuwe
krachten. Op dit punt vinden het Piëtisme en deze reformatorische sekten
elkaar. In welke vorm dergelijke bewegingen ook optreden, als Rijnsburger
Collegianten, Spinozisten, Gichtelianen of Boehmisten, hen allen verbindt het
streven naar individualisme, naar het volgen van eigen wegen, die andere zijn
dan de dikwijls al zo platgetreden paden, waarlangs de kerk haar weg vervolgt
in de gang der eeuwen. Deze individualistische trek, die voor het Zeeuwse
geloofsleven nog altijd zo kenmerkend is, maakt het waarschijnlijk dat ook in
de zeventiende eeuw het sectarisme onder de Zeeuwen welig heeft gebloeid. En
inderdaad zien we in de tweede helft hiervan in Sluis
Jacobus Koelman optreden met zijn eis tot
‘nadere reformatie’ en in Middelburg
Jean de Labadie een poging doen om de
eerste Christengemeente tot nieuw leven te wekken, wat hem tenslotte geheel van
de kerk zou vervreemden. Terwijl deze predikanten in het moederland hun idealen
trachtten door te zetten, stelde de Zierikseeënaar
Pieter Cornelis Plockhoyaan de Delaware in
Nieuw-Nederland alles in het werk om zijn sociale utopieën te
verwezenlijken en een broederschap te stichten, waarin allen gelijk zouden
zijn.
| | | | | |
Adam Boreel
Ten dele nog vóór 1650 valt het optreden van Adam Boreel (1602 - 1665)
198, heer van Duynbeke, die sinds
1646 te Amsterdam woonde, en daar nog in hetzelfde jaar een
college stichtte, waarin hij zijn spiritualistische ideeën propageerde.
Hij stamde uit een aanzienlijke regentenfamilie; zijn vader was de Middelburgse
burgemeester
Jacob Boreel, zijn oudere broer mr.
Johan Boreel (1577 - 1629), sinds 1625
raadpensionaris van Zeeland, die bevriend was met De Groot. Pas op
vijf-en-twintigjarige leeftijd is hij, in 1628, in Leiden gaan studeren,
waarschijnlijk in theologie en filologie, waarbij hij zich speciaal op het
Hebreeuws schijnt te hebben toegelegd. Kort na 1632 is hij naar Engeland
gegaan, waar hij in contact is gekomen met independentistische kringen,
misschien met Seekers. Het kwam hem op enkele maanden gevangenisstraf te staan,
maar een bevriende relatie bewerkte zijn invrijheidstelling. Teruggekeerd in
het vaderland leefde hij enkele jaren stil en teruggetrokken in een eenvoudige
woning (zijn tegenstander
Maresiusspreekt van een hut!) in de buurt
van Middelburg, waar hij zich vooral aan de studie van het Oude
Testament en de Misjna (de mondeling overgeleverde leer van het Jodendom)
199
wijdde. Gesprekken met de Utrechtse hoogleraar
Johannes Hoornbeek (1617 - 1666), de
medestrijder van
Voetius, gaven Boreel aanleiding om zijn
theologische denkbeelden schriftelijk uiteen te zetten; hij deed dat in het
anonym verschenen boekje ‘Ad legem et ad testimonium’ (1645)
200. In dit geschrift, dat als Boreels hoofdwerk moet worden
beschouwd en dat bij zijn verschijnen in kerkelijke kringen groot opzien wekte,
stelt hij de inspiratie van Christus' geest in het middelpunt, als het beginsel
dat aan elke godsdienstige gemeenschap ten grondslag moet liggen. Christus is
de stichter der kerk, aan haar heeft hij zijn woord en zijn geest beloofd. Maar
alleen wie door deze geest aangestoken is, kan het woord Gods verstaan. Wat de
kerk predikt is feilbaar; onfeilbaar is het woord der Heilige Schrift. Wie dus
de geest van Christus bezit en dientengevolge het woord Gods verstaat, heeft de
kerk niet nodig. Met nadruk verzet Boreel zich tegen het goddelijk karakter,
dat de kerk aan de prediking toekent: hij verwerpt dit juist als
onschriftuurlijk. De Heilige Schrift houdt tegelijk ook de catechismus en de
belijdenis in; een andere daarnaast te stellen is al evenzeer onschriftuurlijk.
Op grond van deze denkbeelden kwam Boreel er toe, nog in hetzelfde jaar waarin
hij zijn ‘Ad legem et ad testimonium’ liet verschijnen, zijn
eerste kring van geestverwanten, los van elk kerkgenootschap, te stichten.
Vermoedelijk is dit in Middelburg gebeurd, maar meer dan een vermoeden is dit
niet; aanwijzingen voor het bestaan van zijn college, zoals men deze
bijeenkomsten noemde, zijn noch in de notulen van de Middelburgse kerkeraad,
noch elders gevonden. Al het jaar daarop vestigde Boreel zich metterwoon te
Amsterdam, het Jeruzalem van alle vrijgeesten en
sectariërs, waar hij opnieuw een college oprichtte, dat weldra door vele
soortgelijke in andere steden werd gevolgd. Nog twintig jaar heeft hij in
Amsterdam gewoond, zijn tijd verdelend tussen wetenschappelijke studies, o.a.
op alchemistisch gebied, en de propaganda van zijn theologische idealen,
waarvoor hij zelfs
Galenus Abrahamsz (1622 - 1706),
Zierikseeënaar van geboorte, wist te winnen. Hij stierf er, ongetrouwd, in
1665. Ook deze Zeeuw heeft de belangrijkste, althans de werkzaamste en
succesvolste jaren van zijn leven buiten het gewest van zijn geboorte
doorgebracht, en zijn optreden behoort dus maar ten dele tot de geschiedenis
van het geestelijke leven in Zeeland. Dat men in Middelburg ook na zijn vertrek
nog wel belangstelde in zijn actie, blijkt hieruit dat de Middelburgse
kerkeraad nog in 1649 besloot om bij de Amsterdamse predikant | | | |
Petrus Wittewrongel (1609 - 1662), de
bekende bestrijder van Vondel, te informeren naar de wandel van Boreel. Het
antwoord, dat men op dit verzoek ontving, gaf aanleiding om nadere inlichtingen
in te winnen
201. De inhoud is ons helaas
onbekend.
| |
Bestrijding der Remonstranten
Het toeval wil dat de heftigste bestrijder en de felste verdediger
van het Remonstrantisme, die Zeeland heeft voortgebracht,
Eewoud Teelinck en
Reinier Telle, stad- en tijdgenoten zijn
geweest. Beiden waren uit oude Zierikseese families geboren, en in de laatste
jaren der zestiende en de eerste der zeventiende eeuw hebben zij waarschijnlijk
beiden in het kleine Zieriksee gewoond, de een als regent, o.a. als
burgemeester, de ander als praeceptor van de Latijnse school. In 1603 vertrok
Teelinck metterwoon naar Middelburg, in 1610 verhuisde Telle naar Amsterdam.
Voortaan zouden zij elkaar slechts op het slagveld van de geest ontmoeten. In
1617 en 1618, wanneer de strijd tussen Arminianen en Gomaristen op zijn hevigst
is ontbrand, valt Teelinck tot twee keer toe de auteur van vele even fel als
talentvol geschreven anti-gereformeerde libellen aan, naar alle
waarschijnlijkheid zonder ook maar te vermoeden, wie hij bestreed.
Tot de kwesties waar het meest over werd gestreden in deze
kerketwisten behoorden het vraagstuk der praedestinatie en dat van het gezag
der overheid in kerkelijke aangelegenheden. Het laatste vraagpunt heeft
Teelinck vooral in zijn oudste politieke pamflet, ‘Philometor ofte Christelicke tsamensprekinghe, van 't recht der
kercke in kerckelicke saken’ (1616), behandeld en daarbij met
klemmende argumenten het standpunt der Contra-Remonstranten verdedigd. Breder
van opzet en uitvoeriger uitgewerkt is ‘Het ampt der kerckendienaren’ (1615)
202 van
Antonius Walaeus, het degelijkste en
tegelijk het waardigste tegenschrift dat verschenen is tegen Wtenbogaerts
‘Tractaet van t'ampt ende authoriteyt eener hoogher Christelicker
overheydt’ (1610)
203. Pas tegen het midden van de eeuw zou het
vraagstuk in Zeeland opnieuw aan de orde worden gesteld en aanleiding geven tot
de onverkwikkelijke Grallenstrijd.
Het calvinistisch leerstuk der voorbeschikking werd tegen de
Remonstranten verdedigd door
Joos van Laren de jonge, de latere
predikant van Vlissingen, in zijn ‘Responsie ad analysin J. Arminii in IX cap. ad
Rom.’ (1616)
204. Met de geschriften van de Teelincks en
Udemans is daarmee dan wel het belangrijkste
genoemd, dat in deze jaren over deze brandende kwestie in Zeeland is
geschreven. Een geheel eigen plaats neemt het conciliante ‘Salomo’ (1620)
205
van Josias van Houten in, dat bij de bespreking van het overige werk van deze
piëtistische predikant al genoemd is
206.
Wie, afgaande op het geringe aantal geschriften, dat in de strijd
tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten van Zeeuwse zijde in het
strijdperk werd geworpen, daaruit de gevolgtrekking zou willen maken dat men in
Zeeland onverschillig stond tegenover dit vraagstuk, zou zeker ernstig dwalen.
Het tegendeel is waar. Maar anders dan in Holland, was hier de bestrijding van
het Remonstrantisme onnodig, om de eenvoudige reden dat er noch onder de
predikanten, noch onder de gemeenteleden waren, die openlijk voor deze richting
partij kozen. Van der Myl, de enige predikant die van Arminiaanse
sympathieën verdacht werd, was door de Vlissingse vroedschap met succes
weggewerkt. Ongeveer ter zelfdertijd verdween Reinier Telle vrijwillig naar
Amsterdam, als wilde hij door zijn vertrek het terrein vrij laten
voor de Contra-Remonstranten. In Mei 1610 stelde de provinciale synode van
Vere een formulier van ondertekening aangaande | | | | de
leer op, waarbij de predikanten moesten verklaren ‘dat alle de artickelen
ende leerstucken, begrepen ende verclaert in dese Confessie ende Catechismus,
de minste met de meeste, den woorde Godes in alles conform syn’. Alle
predikanten uit Zeeland moesten het stuk ondertekenen en daarbij de gelofte
afleggen, eventuele gemoedsbezwaren voor een kerkelijke vergadering te brengen,
‘op pene van als scheurmaeckers gecensureert te worden’
207. Geen der Zeeuwse predikanten weigerde dit. Namens dezelfde
synode werd er bij de Staten op aangedrongen, de bijeenroeping van een
nationale synode te willen bevorderen. Stellig heeft
Trigland geen ongelijk, wanneer hij het
aan de hechte kerkenordening der Zeeuwen toeschrijft, dat de Arminiaanse
denkbeelden onder hen niet die ontreddering teweeg hebben gebracht, die in
Holland de kerk op haar grondvesten deed wankelen
208.
| |
De Sabbatsstrijd
Zeeland had zijn eigen probleem: dat van de Sabbatsstrijd, dat er
alle andere overschaduwde
209. Het ontstond er
onder rechtstreekse invloed van het Piëtisme, dat we voor deze gelegenheid
liever Puritanisme zouden willen noemen, en Udemans en Teelinck waren zijn
paladijnen. Al in zijn ‘Practijcke’ (1612) pleit Udemans voor
Zondagsheiliging, wat hij o.a. in zijn ‘Geestelick compas’ (1617) en zijn ‘Geestelyck roer van 't coopmans schip’ (1638)
herhaalde.
Willem Teelinck wijdde er een afzonderlijk
boek aan, zijn ‘Rusttijdt ofte tractaet van d'onderhoudinge des Christelyken
rustdachs, diemen ghemeynlyck des Sondach noemt’ (1622), en kwam
enkele jaren later in zijn ‘Noodwendigh vertoogh aengaende den tegen-woordigen bedroefden
staet van Gods volck’ (1627) nog eens op het onderwerp terug.
Zijn broer Eewoud heeft vooral in zijn ‘Amos’ (1625) en de ‘Derde Wachter’ (1625) voor een strengere
sabbatsviering gepleit. Tegen deze voorvechters van een min of meer
rigoristische Zondagsheiliging staat als enige tegenstander in Zeeland Jacob Burs (1589 - 1650)
210, die van 1612 tot zijn dood predikant was in Tolen, waar hij
in 1622 ter bestrijding van de ‘Rusttijdt’ van Willem Teelinck een uitvoerig
tegenschrift uitgaf onder de titel: * ‘Threnos, ofte weeclaghe’
211. Burs verwijt hierin zijn
tegenstanders, dat zij de Joodse sabbat, door Christus afgeschaft, weer willen
invoeren en staat een gematigder opvatting van de Zondagsrust voor. Niemand
minder dan Voetius heeft het, in zijn ‘Lachrymae crocodili abstersae’ (1627), op scherpe
wijze aangevallen. Ook twee oud-predikanten van Middelburg, sindsdien beiden
hoogleraar geworden, Walaeus en Gomarus, hebben zich in het debat gemengd, de
eerste met een ‘Dissertatio de sabbatho’ (1628)
212, aan de regering van deze stad opgedragen, die zich aan de zijde
der Piëtisten schaarde, de tweede met een ‘Investigatio sententiae
et originis sabbati’ (1628)
213, waarin het minder rigoureuze
standpunt wordt verdedigd. Voetius heeft ook als hoogleraar zijn opvattingen
over de sabbat herhaaldelijk uiteengezet en verdedigd. Omstreeks het midden van
de eeuw werd het een der voornaamste geschilpunten tussen Voetianen en
Coccejanen. Het slagveld was inmiddels van Zieriksee en
Middelburg naar Leiden en Utrecht verplaatst, waar voor- en tegenstanders elkaar met nietsontziende heftigheid te
lijf gingen. Behalve de Middelburgse predikant Maximiliaen Teelinck, de zoon
van Willem, die in de tweede druk van zijn vaders ‘Huys-boeck’, in 1639 door hem bezorgd, nog eens op
het onderwerp terugkwam, heeft eigenlijk alleen zijn ambtgenoot Willem Apollonius (1603 - 1657)
214, sinds 1631
eveneens predikant te Middelburg, er opzettelijk zijn mening over geuit in een
posthuum geschrift: * ‘Corte aenmerckingen over de nature en onder- | | | | houdinge van den
sabbath’ (1659)
215. Apollonius neemt in deze verhandeling het standpunt van Voetius
in. In een nog latere periode, die buiten ons bestek valt, zouden nog twee
andere Zeeuwse predikanten,
Koelman en
De Mey, in de Sabbatsstrijd worden
betrokken.
| |
Gerson Bucerus
Een cause célèbre in de Zeeuwse kerkgeschiedenis der
zeventiende eeuw vormt de aanklacht van de Engelse koning
Jacobus II tegen Gerson Bucerus (± 1565 - 1631)
216, die van 1588 tot zijn dood predikant te Vere was. Met approbatie
van de classis van Walcheren had hij in 1618 een * ‘Dissertatio de gubernatione ecclesiae’
217 in het licht gegeven, waarin hij zich kantte
tegen het episcopale kerkbestuur, zoals dat kort tevoren door de Engelse
predikant
George Downam was verdedigd. Dit wekte in de
hoogste mate het ongenoegen van de koning, die door Bucerus zijn meest geliefde
geloofsstelling zag aangevallen. De Engelse gezant
Carleton deed stappen bij de
Staten-Generaal, maar de provinciale synode, die in October in Zieriksee
bijeenkwam, stelde vast dat Bucerus ‘tot zijn onschult’ bij Jacobus
in ongenade was gevallen en besloot zich tot Maurits te wenden, ‘ten
eijnde zijne Majesteijt den weerden broeder in zijnen dienst ende ruste niet en
verstoore’
218. Zo liep deze zaak met een sisser af.
| |
Zeeuwse Bijbelvertalers
Bucerus, die behalve deze ene publicatie nooit meer iets in druk
heeft gegeven, was een van die in stilte arbeidende geleerden, die zich ver
hielden van het gewoel der kerketwisten. Hij behoorde tot de vijf Zeeuwse
predikanten, die op de Dordtse synode door de afgevaardigden van Zeeland werden
genoemd als geschikt voor het werk der Bijbelvertaling
219. Met
hem waren dat
Abraham Appart(Happart) († 1655), van 1614 tot
zijn dood predikant te Goes,
Cornelis Bosschaert, sinds 1590 predikant
te Lilloo,
Hendrik Brandt († 1627)
220, van omstreeks 1580 tot zijn dood predikant
te Zieriksee, en
Jacobus van Miggrode(1572 - 1645)
221, destijds te Arnemuiden en van 1625 tot zijn dood
te Middelburg. Van dit vijftal werd alleen Bucerus, die als een
uitstekend Hebraïcus bekend stond, als een der drie vertalers van het O.T.
uitgekozen. Van de werkverdeling en het aandeel dat iedere translateur aan de
Bijbelvertaling heeft gehad, is ons maar weinig bekend
222. Het schijnt dat elk boek van het O.T. in drieën
werd verdeeld. De schrijver van de ‘Vita Walaei’ zegt dat Bogerman telkens het eerste,
Baudart het tweede en
Bucerus het derde deel van een boek voor
zijn rekening nam. Van de Grote Profeten nam ieder de bewerking van een heel
boek op zich, waarbij aan Bucerus Ezechiël en een stuk van Daniël ten
deel viel. Toen hij tot Ezechiël 21 was gekomen, stierf hij
evenwel, in Augustus 1631.
Ook Hermanus Faukelius (± 1560 -
1625)
223, van 1599 tot zijn dood predikant te Middelburg, was
in de vertalingscommissie benoemd, als plaatsvervanger voor het O.T. en als
translateur voor het N.T. en de Apokryfen, maar toen hij in 1625
stierf, was men nog niet met de werkzaamheden begonnen. Er was alle aanleiding
voor de verkiezing van deze Middelburgse predikant geweest, aangezien hij in
1617 een vertaling van het N.T. had uitgegeven
224, die grote
verdiensten bezit en die dan ook door de overzetters van de Statenvertaling
doorlopend gebruikt is geworden. Faukelius, die vooral in het Hebreeuws en het
Grieks ervaren was, had er een groot aantal andere vertalingen voor
geraadpleegd, in 't bijzonder de Duitse van
Piscator. Na de voltooiing van het N.T. is
hij begonnen aan een vertaling van het O.T., waarbij Piscators overzetting hem
even- | | | | eens tot leidraad diende. In de jaren 1621 tot 1623 voltooide
hij de historische boeken; het hs. daarvan is door de Statenvertalers
geraadpleegd. Faukelius' dood, in 1625, heeft hem verhinderd om dit werk te
voltooien
225.
Zijn plaatsvervanger was
Walaeus, sinds 1619 hoogleraar te Leiden,
maar die van zijn elfde tot zijn zes-en-veertigste jaar met tussenpozen in
Middelburg had gewoond. Later werd nog Joos van Laren (1586 - 1653)
226 tot revisor
van het O.T. aangewezen. Van Laren, van 1608 tot zijn dood predikant in
verschillende Zeeuwse gemeenten, sinds 1618 in Vlissingen, had enkele boeken
van het O.T. (t.w. Job, Daniël en
Prediker) vertaald. Van deze vertaling hebben de translateurs
bij hun overzetting gebruik gemaakt
227. Tenslotte werd Carolus de Maets (1597 - 1651)
228, van 1620 - 1629
predikant te Scherpenisse en van 1629 - 1639 te Middelburg, aangewezen tot
revisor. Zeker hebben de Zeeuwen dus een belangrijk aandeel gehad in dit werk,
dat voor de ontwikkeling van onze taal van onschatbare waarde is geweest. In
hoeverre hun arbeid, in 't bijzonder die van Bucerus en
Walaeus, zijn stempel heeft gedrukt op de
Statenvertaling, en in hoeverre het Zeeuwse element
daarin tot uiting is gekomen, valt bij gebrek aan gegevens evenwel niet meer
uit te maken
229.
| |
De Grallenstrijd
De vraag waarover veel getwist is, nl. of en zo ja, in hoeverre de
wereldlijke overheid het recht heeft, zich met kerkelijke aangelegenheden te
bemoeien, gaf kort voor het midden van de eeuw in Zeeland aanleiding tot de
zgn. Grallenstrijd
230. De
aanleiding tot deze twist was een aanschrijving van de Staten aan de classes,
om niet in briefwisseling te treden met het Engelse Parlement, zolang dat in
openbare oorlog met de Engelse koning verkeerde. Terwijl dit verzoek overal in
de Zeven Provinciën geëerbiedigd werd, ontmoette het verzet bij de
classis van Walcheren, die inderdaad met het Engelse Parlement correspondentie
voerde. Om haar standpunt te rechtvaardigen, gaf ze in Februari 1642 aan de
Middelburgse predikant Willem Apollonius, ons uit de Sabbatsstrijd bekend,
opdracht om in een verhandeling uiteen te zetten, dat de wereldlijke overheid
noch in politieke, noch in kerkelijke aangelegenheden enig zeggingschap bezat
over de kerk. Apollonius' betoog was bedoeld als een aanval op een het jaar
tevoren verschenen geschrift van de Franeker hoogleraar
Nicolaes Vedelius, ‘De episcopatu Constantini Magni seu de potestate magistratuum
reformatorum circa res ecclesiasticas dissertatio’ (1641), waarin
deze felle bestrijder van de Remonstranten zijn standpunt uiteenzette, dat de
overheid ook in kerkelijke aangelegenheden zeggingschap had. Apollonius'
tegenschrift verscheen nog in 1642 onder de titel ‘Jus majestatis circa sacra’
231. Vedelius zelf heeft er niet op geantwoord, maar vier jaar
later verscheen een heftig gestelde bestrijding van een anonymus onder de
smadelijke titel: ‘Grallae seu vere puerilis cothurnus sapientiae, quo se jactat
apud imperitos Guillelmus Apollonii’ (1646). Aan deze titel dankt
de onverkwikkelijke pennestrijd, die nu pas in volle hevigheid zou ontbranden,
zijn naam
232. De schrijver van dit libel was de Leidse
hoogleraar
Claudius Salmasius, maar in Zeeland zag men
er de Middelburgse geneesheer
Pieter Lansbergen (1587 - 1661)
233 op aan, die in 1613 als predikant van Goes
ontslagen was wegens moeilijkheden met de overheid. Men had in zoverre gelijk,
dat Lansbergen de bouwstoffen voor de ‘Grallae’ aan Salmasius had
verschaft. De Vlissingse predikant Joos van Laren viel Apollonius bij in een
‘Epistola ad ... Guilielmum Apollonii ... in quâ deteguntur
| | | | mendacia et calumniae libelli famosi ... cui nomen Grallae’
(1646)
234. Apollonius
reageerde daarop in ‘Grallopoeus detectus sive epistola responsoria ad
Jod. Larenum’ (1647)
235
, waarin hij vrij onomwonden liet uitkomen, dat hij Lansbergen voor de auteur
van de ‘Grallae’ hield. Salmasius diende hem in zijn ‘Grallator furens’ (1647) van repliek en Lansbergen
antwoordde hem in een ‘Verantwoordinghe’ (1647)
236 en een ‘Naerder apologie’ (1647)
237. Apollonius antwoordde op deze laatste
schotschriften in een ‘Corte verantwoordinge’ (1647)
238, waarop Lansbergen
onmiddellijk een ‘Ontdeckinghe der schanden van mr. Apollonius’
(1647)
239 in het licht gaf. Speciaal tegen Van
Larens verdedigingsgeschrift van Apollonius verscheen, nog altijd in hetzelfde
jaar, te Franeker een anonym pamflet: ‘Bombomachia Vlissingana Walachro-Papistica
discussa’ (1647), waarop Van Laren antwoordde in een * ‘Responsie ad Grallarum authoris anonymi Bombomachiam
Vlissinganam’ (1647)
240, terwijl hij de ‘Grallator
furens’ nog eens afzonderlijk te lijf ging in de ‘Convictio praecipuorum mendaciorum, calumniarum, ac
sophismatum’ (1648)
241. Tegen de drie pamfletten van Van Laren verscheen
te Utrecht een anonym, zeer vinnig polemisch geschrift: ‘Colus Vlissing-anus seu anilis strena’ (1648),
waarop Van Laren met consent van de classis van Walcheren zijn laatste woord in
deze kwestie deed horen in een uitvoerige verhandeling: ‘Data pensa
trahemus’ (1649)
242, die hij opdroeg aan de Staten van Zeeland. Daarop verscheen nog
eens een anonym Utrechts pamflet: ‘Kauterium Frisium, adversus deleterium Walachrum’
(1650), maar Van Laren schijnt daarop niet meer te hebben geantwoord, misschien
ook al omdat hij door zijn ingespannen werken in deze tijd, kort voor zijn
dood, daartoe niet meer in staat was. Intussen had in 1648 de Toolse predikant
Jacob Burs, ons uit de Sabbatsstrijd al
bekend, zich in de Grallenstrijd gemengd. Lansbergen had deze kwestie nl.
dankbaar aangegrepen om, eerst in zijn ‘Verantwoordinghe’,
vervolgens in zijn ‘Naerder apologie’, de uitspraak van de coetus
te wraken, die hem en zijn vader in 1613 als predikant ontslagen had. Hiertegen
nu tekende Burs protest aan in zijn * ‘Vindex coetus Zelandici ofte bescherminghe raeckende den coetum,
gehouden in Zeelandt in den jare 1613’
243.
Lansbergen, die er niet de man naar was om een beschuldiging of een aanval op
zich te laten zitten, diende Burs ongezouten van repliek in een * ‘Index errorum coetus Zelandiae’ (1648)
244, ‘uytgegeven
tot wederlegginghe van den bespottelijcken Vindex coetus’. Burs
repliceerde in een ‘Expurgatio calumniarum ofte uytsuyveringhe der
lasteringhen en fouten’ (1648)
245. De
titel had Lansbergen op een gevaarlijke gedachte gebracht, en zo luidde zijn
repliek: * ‘Toolschen schouw-veeger. Dat is: Antwoorde D. Petri
Lansbergii, op het vuyle uyt-ghegeven boecxken Jacobi Bursii, genaemt
Expurgatio errorum, etc.’ (1648)
246. Nu men toch
eenmaal op skatologisch terrein was beland, zag Burs er ook geen bezwaar in om
zijn tegenstander te lijf te gaan in een * ‘Goeschen stille-vaegher; ofte beesem om mr. Pieter Lans-berghens
billekladden af te vaeghen ende sijne wt-stekende leugenstrepen voor de derde
mael oprechtelijck en naecktelyck te verthoonen’ (1649)
247, waarop de strijdlustige Lansbergen antwoordde in zijn *
‘Toolschen taback-roocker’ (1649?)
248. Intussen had een
anonymus, die zich achter de schuilnaam Ymant Velle-plooter verborg, te
Franeker een pamflet tegen de Lansbergens uitgegeven onder de titel:
‘Ontdeckinge der stoute practycken van Pieter en
Jacob Lansbergen, om mr. Apolony infaem te
maecken en oproer in Middelburg en elders te veroorsaecken’ (1648),
waarop Pieter geantwoord had in een * ‘Kort bericht teghen de infame
leughenen onlangs uytghegheven onder den verzierden naam Ymant | | | |
Velleplooter’ (1648)
249.
Hiermee is vrijwel aangegeven, wat er pro en contra in de ongeveer acht jaar,
waarover de Grallenstrijd zich uitstrekt, over het onderwerp in kwestie van de
pers is gekomen. Men moet enigszins thuis zijn in de sfeer van de theologische
en van de wetenschappelijke wereld in 't algemeen in onze zeventiende en
achttiende eeuw, om een zo breed uitgesponnen en wijdvertakte twist als deze in
de juiste verhoudingen te zien. Voor zover we de deelnemers aan dit
kerkrechterlijk steekspel kennen, waren het in wetenschappelijk opzicht niet de
eersten de besten. Apollonius en Van Laren behoorden in hun tijd tot de meest
vooraanstaande theologen van Zeeland en ook Burs was een verdienstelijk
godgeleerde. Lansbergen genoot als medicus een goede naam; nog op zijn
vier-en-zestigste jaar, in 1651, werd hij lijfarts van de Prins van Oranje, de
kort tevoren geboren
Willem III. Men kan het slechts betreuren
dat mannen van hun formaat zich tot zulke persoonlijke, nodeloos kwetsende
aanvallen lieten verleiden als waaraan, de anonymi buiten beschouwing gelaten,
vooral Burs en Van Lansbergen zich schuldig hebben gemaakt, maar laat men
daarbij in het oog houden dat hun eigen tijdgenoten aan de toon van deze
schotschriften klaarblijkelijk geen aanstoot hebben genomen. Wel werd
Lansbergen door de Middelburgse kerkeraad ter verantwoording geroepen en onder
censuur geplaatst, maar dit gold de kritiek, die hij op de behandeling van zijn
zaak door deze kerkeraad had uitgebracht. Teleurstellend is, dat wie zich de
moeite geeft, van de inhoud van die vele twistschriften meer of minder
oppervlakkig kennis te nemen, de indruk krijgt dat al dit geschrijf en gewrijf
de zaak waar het om ging, wezenlijk niets verder heeft gebracht. Maar dat was
trouwens te voorspellen geweest.
| |
Vaderlandsliefde
Een kenmerkende trek van het Zeeuwse Calvinisme is zijn
vaderlandsliefde. De begrippen Calvinisme en patriotisme zijn onafscheidelijk
aan elkaar verbonden, en zo is het te begrijpen dat in het calvinistische
Zeeland het patriotisme een grote vlucht heeft genomen. De omstandigheden
hebben er toe geleid dat de zaak van het Calvinisme innig verweven werd met de
strijd voor de vrijheid der Nederlanden. ‘Ende bevindende’, zegt
Van Meteren, ‘de ghereformeerde wel
de ijverichste totte vrijheyt ende welstants des vaderlants, mits dat sy met
bysondere persecutie om religie vande Spaengiaerden, aen den anderen ghehecht
waren, soo hebben de landen op die meest haer fondament ghemaeckt’
250. Herhaaldelijk wijst de predikant
Udemans er op, dat de Staten de gereformeerden steeds voor de trouwste
patriotten hebben gehouden
251. Dit kon trouwens moeilijk
anders, aangezien de Statencolleges zelf nagenoeg uitsluitend uit Calvinisten
waren samengesteld. Ook voor
De Brune zijn ‘den rechten dienst
van God, de vryheyt van ons land’ twee onverbrekelijke aan elkaar
verbonden begrippen
252.
Hiermee in overeenstemming is het feit dat de beste Calvinisten in
Zeeland de grootste belangstelling aan de dag hebben gelegd voor de
contemporaine geschiedenis van de Opstand. Men moet de illustratieve
begeleiding van de krijgsfeiten in de letterkunde niet in de eerste plaats bij
de dichters zoeken, maar bij de predikanten.
Petrus Hondius, die trouwens beide was, is
bezig geweest aan een berijmde geschiedenis van de Opstand, maar van de zeven
boeken, die het werk moest tellen, heeft hij er waarschijnlijk maar
één voltooid, dat bovendien nog verloren is gegaan.
Philibert van Borsselen schijnt hetzelfde
voornemen te hebben gehad, zoals
Cornelis Liens de bedoeling had om een
werk te schrijven | | | | ter ere van de Prins van Oranje - het is niet
duidelijk welke hij op het oog had - maar de dood heeft ook hen verrast,
voordat ze hun plannen verwezenlijkt hadden.
Valerius heeft zijn beschrijving van het
eerste deel van de Opstand en het voorspel daarvan evenmin in druk gezien, maar
zijn werk is althans in het licht gegeven.
Cats had voor de grote gebeurtenissen, die
zich onder zijn ogen afspeelden, nauwelijks oog; alleen de slag bij Duins heeft
hem een lied op
Trompen zijn wakkere matrozen ontlokt.
Van Beaumont,
Van de Venne en
De Brune, om alleen de belangrijksten te
noemen, geldt hetzelfde. Er is geen enkele reden om ook maar in het minst te
twijfelen aan de oprechtheid van hun patriottische gevoelens, waarvan o.a. De
Brune in zijn ‘Grond-steenen’ (1621) op welsprekende wijze heeft
getuigd. Maar nergens in hun werk vindt men een bewijs van een meer dan
oppervlakkig meeleven met de gebeurtenissen, die toch ook hùn denken
onafgebroken vervuld moeten hebben: het gold immers de onafhankelijkheid van
hun land en de vrijheid van hun volk. Een enkele rederijker koos zijn stof in
het belangrijkste feit uit de Zeeuwse geschiedenis van de Opstand: het beleg en
ontzet van Middelburg, waarover eerst een Roomsgezinde de ‘Legende van de Geusen troubele’, en bijna een eeuw
later de Vlissinger Joos Claerbout zijn ‘Droef-bly-eyndig vertoog’ (1661) dichtte. Dezelfde
rederijker vond in de vrede met Engeland van 1654 stof voor een ‘Bly-eyndig vertoogh’ (1654). Wanneer we dan nog de
lofdichten vermelden, die
Hendrik Cannenburgh,
Vincent Mathijsz en
Willem Wijnants op het ontzet van
's-Hertogenbosch (1629) maakten, is dan ook vrijwel alles genoemd,
wat van rederijkerszijde aan patriottische onderwerpen verschenen is. Een
gunstige uitzondering onder de dichters is Adriaen Hoffer, die op enkele
belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis, waarvan hij ooggetuige was,
gedichten heeft geschreven: het beleg en ontzet van Bergen-op-Zoom
(1622 en 1623), het uitzeilen van de vloot naar West-Indië (1624), de dood
van Maurits (1625), de overwinning van
Piet Heyn (1628), de inneming van Wezel en
het ontzet van 's-Hertogenbosch (1629) en tenslotte de slag op het Slaak
(1631). De slag bij Nieuwpoort heeft alleen de Franse schoolmeester
Johan Coutereels
253 uit
Middelburg geïnspireerd tot een ‘Cantique’ (1600)
254, maar er leefde destijds in Zeeland, de rederijkers uitgezonderd,
dan ook nauwelijks één dichter.
Onder de predikanten uit Zeeland, die metterdaad bewezen hebben
hoezeer het wel en wee der Republiek hun aan het hart ging, moet in de eerste
plaats de medewerker aan de ‘Zeeusche Nachtegael’
Nicolaes Antonisz. van der Deelen (1600 -
1630)
255 worden genoemd
met zijn ‘Nissi ofte gedenck-teecken’ (1621)
256, waarin de mislukte aanslag op Kadzand wordt bezongen. Een
tijdgenoot van hem is Cornelis Beukelaar
257,
Dordrechtenaar van geboorte, maar achtereenvolgens predikant te
Kerkwerve en Noordgouwe (1619 -
1621), Haamstede en Burg (1621 - 1627) en
Vere (1627 - 1665), bovendien in 1645 leger-predikant in
Vlaanderen. In zijn ‘Iehovah Nissi ofte Keeten-slachs-ghedenck-teecken’
(1631)
258 gaf hij niet
alleen uiting aan zijn vreugde over de overwinning op de vijand in de slag op
het Slaak, maar deelde daarover bovendien nog een aantal geschiedkundige
bijzonderheden mee, die hij aan het journaal van de vice-admiraal
Marinus Hollaer had ontleend. Van zijn
bevindingen als legerpredikant gaf hij verslag in een tweede verhandeling:
‘Schrick van Vlaenderen en Brabandt’ (1645)
259, die nog in hetzelfde jaar driemaal werd
herdrukt. Ook staat op zijn naam de ‘Spiegel voor de jeucht’ (1664)
260, het
bekende herhaaldelijk her- | | | | drukte schoolboek, waaruit de jeugd de
wreedheden der Spanjaarden tegenover het voorgeslacht kon leren.
Niet minder vurig patriot was
Johannes van Heyst (1597 - 1662)
261, te
Zieriksee geboren en achtereenvolgens predikant te
Bruinisse (1625 - 1631) en Brouwershaven (1631 - 1662). Ook hij was, in 1640,
een tijdlang veldprediker. Toen omstreeks 1636 stemmen opgingen om vrede te
sluiten met Spanje, tekende hij in twee vrij uitvoerige geschriften protest aan
tegen deze plannen, eerst in de ‘Ontdeckinghe vanden raed Achitophels’ (1636)
262, vervolgens in de ‘Op-weckende of hemelsche basuyne’ (1636)
263, waarin hij
op historische, politieke en theologische gronden trachtte aan te tonen, hoe
verderfelijk deze vredesplannen waren. De toon van beide pamfletten is zo
scherp als men dat van een zeventiende-eeuws calvinistisch predikant kan
verwachten.
Is het alleen maar toeval dat we nog een derde Zierikseese predikant
in dit verband moeten noemen? Deze, Martinus Bruynvisch (± 1591 -
1661)
264, stond achtereenvolgens te Rozendaal in Noordbrabant
(1613 - 1615), Oosterland (1615 - 1628) en Zieriksee (1628 - 1661),
waar hij in * ‘De baniere des Heeren’ (1640)
265 uiting gaf aan zijn vreugde over de slag bij
Duins.
| |
Oranje-verering
Deze vaderlandsliefde gaat begrijpelijkerwijs samen met een grote
verering van het huis van Oranje en een hartgrondige haat tegen de Spanjaarden
en de Rooms-Katholieken, de beide machten waartegen de strijd van het
Calvinisme met zoveel succes gevoerd werd.
Godefridus Udemans spreekt van ‘dat
extraordinaris instrument van de gunste Godts, Wilhelmus, Prince van Oraengjen,
hooger memorie, mitsgaders dat gantsche doorluchtighe huys van Nassouw, uyt het
welcke soo vele couragieuse helden ghesproten zijn, dewelcke hare halsen voor
de vry-heydt van ons vaderlandt, ende den suyveren godts-dienst gewaeght
hebben, den wekken (naest Godt) wy niet alleene en moeten danck weten, maer
oock alle de gemeynten in Europa, die door onse vryheydt, veel goedts
ontfanghen hebben’
266. Joos Claerbout vergelijkt Willem van Oranje
beurtelings met Perseus, de verlosser van Andromeda, en de Zwitserse
vrijheidsheld Willem Tell
267.
Jasper Bernaerds dicht in 1604 een
referein op Maurits, met de stokregel: ‘Te boven gaet hy z'al Grieck of
Romeynen kloeck’
268.
Willem Teelinck draagt zijn ‘Davids wapentuyg’ (1622) aan de prinsen Maurits,
Frederik Hendrik en
Ernst van Nassau op, en noemt hen in de
opdracht ‘de drie alder-beroemste crijghs-oversten, die ons nu ter tijdt
in de weerelt bekent zijn, die oock door een drievoudich snoer, der eenderley
religie, bloedt-verwantschap, ende hooger bedieninge in onsen lande, als in
één herte tsamen verbonden zijn; ende zijn oock t'onsen tijde als
d'eerste drie helden ten tijden Davids, wijdt-beroemt boven alle andere’
269. Hun ‘manhaftige daden’ zijn al
‘soo vele, ende soo groot, dat over de gantsche weerelt daer van
ghesproken wort’
270. En als Maurits in het
door het Hof van Holland verboden pamflet van de Zuidnederlandse Jezuïet
Charles Scribani (1561 - 1629) ‘Den Hollandschen Apocalypsis vrijmoedelijk
uytgheleit’ (1626) aangevallen wordt, neemt een Middelburgs
advocaat,
Petrus Quesnel (1591 - ?)
271 het
voor hem op in ‘Den strick vanden openbaren lasteraer, oft wederlegginghe vanden
Hollandtschen Apocalypsis’ (1626)
272, een heftige aanval op het
libel van Scribani. Zelfs een zo fel Remonstrants pamflettist als
Reinier Telle blijft, hoe fel hij ook partij
kiest tegen de Contra-Remonstranten, zijn hoogachting bewaren voor Maurits
273.
| | | | | |
Het kulturele leven na de Reformatie
De Reformatie van Zeeland, die in de zeventiger jaren der zestiende
eeuw tot stand is gekomen, heeft een scherpe scheiding teweeggebracht in de
ontwikkelingsgang zowel van het politieke als het kulturele leven van het
gewest. Een factor, die op dit proces een beslissende invloed heeft
uitgeoefend, is de migratie der bevolking, die juist in deze jaren groter dan
ooit is geweest. In nauwelijks tien jaar tijds is de hele kloosterbevolking van
Zeeland, die voor een niet onbelangrijk deel het Zeeuwse intellect
vertegenwoordigde, naar elders getrokken, terwijl in dezelfde jaren en kort
daarna een stroom van meest calvinistisch georiënteerde Vlamingen en
Brabanders zich over alle eilanden van het gewest heeft uitgestort en in niet
geringe mate heeft bijgedragen tot de vorming van een nieuwe klasse van
intellectuelen.
Op 22 Februari 1574 gingen in het gevolg van
Mondragon alles wat Middelburg nog bezat
aan kanunniken, aan monniken en nonnen van al de geestelijke orden, die zich in
de loop der eeuwen binnen haar muren hadden gevestigd, mee scheep naar de
Zuidelijke Nederlanden.
Requesens riep de bemiddeling van
Viglius, abt van de Sint-Baafsabdij van
Gent, in voor de Middelburgse kanunniken en verdere geestelijken,
onder wie zich veel vrome en geleerde lieden bevonden, die God en de kerk goede
diensten konden bewijzen
274.
Deze waren voor Zeeland verloren gegaan. En zoals het te
Middelburg ging, ging het overal elders. Voor zover de kloosters
niet door andere oorzaken waren vervallen, als dat van de Vlissingse
Karmelieten, werden ze na de overgave van het gewest aan de Prins door hun
bewoners verlaten, indien ze al niet eerder verwoest waren, zoals het
Cisterciënserklooster Bethlehem op Schouwen in 1572, waarvan de zusters
naar Brugge trokken, zoals die van het Praemonstratenserklooster Zoetendale op
Walcheren naar Antwerpen en de Clarissen van Vere naar Ieper de
wijk namen. Een deel der bevolking, dat het oude geloof in vrede en rust wenste
te blijven belijden, trok met hen mee en verliet als zij Zeeland voorgoed.
De omwenteling der zestiende eeuw heeft in Zeeland niet alleen aan
de macht van de kerk, maar tegelijk ook aan die van de adel een einde gemaakt.
Daaraan had het lot trouwens het zijne bijgedragen, toen het in 1558
Maximiliaen van Bourgondië, de
laatste bewoner van het kasteel Sandenburg bij Vere, kinderloos liet sterven.
Met zijn dood was een einde gekomen aan het humanistisch leven in Vere, dat er
een halve eeuw en langer gebloeid had. Met hem stierf tegelijk de laatste
Zeeuwse edele, die als maecenas, hoe bescheiden dan ook, een zeker aandeel had
in de kulturele ontwikkeling van het gewest. De taak, die eenmaal het privilege
van de clerus en de adel was geweest, was onder het democratische
regeringssysteem van het Calvinisme in handen van de burgerij gelegd. Deze
heeft zich van haar opdracht gekweten, door die over te dragen aan de nieuwe
geestelijkheid, en daardoor opnieuw een stand gevormd, die zich zowel wat
intellectuele kennis als invloed op het maatschappelijk leven betreft
nauwelijks onderscheidde van de Rooms-Katholieke geestelijkheid, wier taak zij
had overgenomen.
Terwijl het beschavingspeil van de grote massa der bevolking
aanvankelijk nog op een even laag niveau is blijven staan als
vóór de Reformatie het geval was geweest, is de dorps- en
stadspredikant, in zijn omgeving facile princeps, de vertegenwoordiger geworden
van het geestelijke en het kulturele leven voor zover zich dat in
calvinistische banen bewoog. De weinige regenten, die zich op wetenschappelijk
gebied onderscheidden of zich op dit terrein bewogen, zetten de eerbiedwaardige
| | | | tradities van het Humanisme voort, en beminden de wetenschap om
haarszelfs wil. De predikant daarentegen zag in alle wetenschap allereerst een
middel tot verdediging van het geloof, waarvan hij zich de behoeder en
beschermer wist, en in tegenstelling tot de renaissancistische
wetenschapsbeoefening der patriciërs, die buiten het begrip van het volk
om ging, was de zijne zo al niet rechtstreeks voor het volk bedoeld (als bv.
die van de piëtistische schrijvers), dan toch in elk geval indirect met
het oog op de verdieping van het geestelijke, kulturele of maatschappelijke
leven geschreven.
Aldus is vooral in de tijd onmiddellijk na de doorbraak der
Reformatie het kulturele leven ook in Zeeland voor een belangrijk deel in de
pastorieën gelocaliseerd. Onder de oudste Zeeuwse predikanten zijn er
verscheidene geweest, van wie het beschavingspeil niet zo heel veel hoger zal
hebben gestaan dan dat van hun gehoor, maar gaandeweg komt daar verbetering in,
en binnen enkele tientallen jaren bezit Zeeland uitsluitend predikanten met een
universitaire opleiding. Onder hen zijn er velen, die zich op
theologisch-wetenschappelijk gebied onderscheiden hebben. Het ligt voor de
hand, dat Middelburg de beste krachten tot zich wist te trekken. Had de
opheffing van de Middelburgse abdij en de andere kloosters de slagader
afgesneden, die enkele eeuwen lang het kulturele leven van de hoofdstad steeds
weer nieuw bloed had aangevoerd, het consistorie dat de geestelijke belangen
der Middelburgse burgerij behartigde, nam de opengevallen plaats op alleszins
waardige wijze in. Het aantal predikanten, dat al in 1575 drie bedroeg, steeg
na de immigratie van 1585 tot zes, in 1596 tot acht, en drie jaar later tot
negen, waarmee Middelburg meer vaste predikanten bezat dan enige andere stad in
de Nederlanden. In 1660 steeg het tot elf, in 1667 zelfs tot twaalf. Onder de
predikanten die de kerk van Middelburg de eerste eeuw na haar reformatie
gediend hebben, zijn er verscheidene geweest die hun ambt voor een professoraat
verwisseld hebben, als
Jacobus Kimedoncius († 1596) (1585 -
1588)
275,
Antonius Walaeus (1573 - 1639) (1605 -
1619),
Franciscus Gomarus (1563 - 1641) (1611 -
1615), die al hoogleraar te Leiden was geweest, toen hij in Middelburg kwam, en
Carolus Dematius (1597 - 1651) (1629 -
1639).
Willem Teelinck (1580 - 1629) (1613 -
1629) droeg veel bij tot de bloei der gemeente en de doorwerking van de
piëtistische beginselen, ook buiten Zeeland. In 1620 moest de kerkeraad
zich tot de overheid wenden met het verzoek, te willen voorzien in het gebrek
aan beschikbare kerken, wat voor een niet onbelangrijk deel zeker aan Teelincks
invloed toegeschreven dient te worden. Ook zijn zoon
Maximiliaen Teelinck (1602 - 1652) (1640 -
1652) was een geducht voorvechter voor het Puritanisme en een gezaghebbend
predikant. De activiteit van de veelzijdige
Johannes de Mey (1617 - 1678) (1650 -
1678) ontplooit zich pas in de tweede helft der eeuw.
In Vlissingen zijn de meest op de voorgrond tredende predikanten uit
de nareformatorische eeuw:
Johannes Gerobulus (Oudraadt) (1540 -
1606) (1573 - 1586),
Abraham van der Myl (1563 - 1637) (1589 -
1609),
Daniël van Laren (1585 - 1649) (1609
- 1623),
Lodewijk de Dieu (1590 - 1642) (1617 -
1619),
Joos van Laren Jr. (1586 - 1653) (1618 -
1653) en Johannes Teelinck (1613 - 1675) (1649 - 1654), een zoon van Willem. In
Vere zijn het
Gerson Bucerus († 1631) (1588 -
1627) en Cornelis Beukelaar (? - ?) (1627 - 1665). In Goes vertegenwoordigen
Philips Lansbergen (1561 - 1632) (1586 -
1613) en zijn zoon Pieter (1587 - 1660) (1611 - 1613) en na het midden der eeuw
Johannes van Dorth († 1692) (1654 -
1692) de wetenschap. Zieriksee kan wijzen op een reeks van theologen, die zich
door hun werk wetenschappelijke | | | | erkenning en invloed verschaften,
als
Herman Moded († 1603) (1572 -
1580),
Thomas Gruterus († 1605) (1579 -
1605),
Hendrik Brandt († 1627) (1610 -
1627),
Godefridus Cornelisz. Udemans (1582 - 1649)
(1604 - 1649), de voorvechter van het Piëtisme,
Laurens Boenaert († 1621) (1606 -
1621),
Josias van den Houte (1582 - 1623) (1621 -
1623), tevoren predikant in Renesse, Martinus Bruynvisch († 1661) (1628
- 1661), tevoren predikant in Oosterland, en
Petrus Wittewrongel (1609 - 1662) (1636 -
1638), tevoren predikant in Renesse, later in Amsterdam, waar hij met
Vondel in strijd raakte. Johannes van
Heyst († 1662) was eerst in Bruinisse (1625 - 1630), vervolgens in
Brouwershaven (1630 - 1662) predikant,
Jacobus Baselius († 1661), de enige
Zeeuwse kerkgeschiedschrijver uit dit tijdperk, stond in Kerkwerve (1646 -
1661). In het stadje Tolen werkten
Jacobus Burs (1589 - 1650) (1613 - 1650)
en
Daniël van Middelhoven (1612 - 1670)
(1638 - 1662), die beiden verscheidene theologische geschriften hebben
nagelaten. En tenslotte noemen we nog de predikant van Terneuzen, Petrus
Hondius (1587 - 1621) (1604 - 1621), die op zijn eenzame post botanicus en
dichter werd.
De betekenis van deze predikanten voor het kulturele leven is zeer
uiteenlopend. Er zijn mannen bij van grote wetenschappelijke verdiensten als de
Bijbelvertaler Gerson Bucerus, de theologen Gomarus en Walaeus en de
astronoom-mathematicus Philips Lansbergen. Er zijn er ook bij, die terecht
vergeten zijn, omdat het werk dat zij bij hun dood nalieten, toen al zichzelf
overleefd had. Maar op de een of andere wijze, de een in belangrijke, de andere
in geringe mate, hebben zij aandeel gehad aan de geestelijke stromingen van de
zeventiende eeuw, die ook in Zeeland het leven hebben opgestuwd, en aan het
wetenschappelijke leven in al zijn schakeringen. Men vindt onder deze theologen
evengoed vertegenwoordigers van de taalkunde als van de kerkgeschiedenis, van
de natuurwetenschappen als van de dogmatiek. Geen andere klasse heeft tot het
kulturele leven van deze eeuw zoveel bijgedragen als deze Protestantse clerus,
de erfgename van de voorreformatorische stand der geestelijken, die een eeuw en
langer de dragers der humanistische ideeën waren geweest.
|
1Uit het Eerste memoriaelbouck van mr. Johan de
Jonge, fol. 113 aangehaald bij J.G. de Hoop Scheffer, Geschiedenis der
kerkhervorming in Nederland van haar ontstaan tot 1531 (Amsterdam, 1873). blz.
503.
2In een brief aan
Willibald Pirckheimer, Bazel, 28
Augustus 1525: ‘Maxima populi pars apud Hollandos, Zelandos et Flandros
scit doctrinam Lutheri, et odio plusquam capitali fertur in monachos’. -
Allen, Opus epistolarum, ep. 1603.
3Uit het Diarium van Spalatinus (door J.G.
Schellhorn uitgegeven in zijn Amoenitates literariae (Francofurti etc., 1725 -
1727), IV, p. 428) aangehaald bij De Hoop Scheffer, t.a.p., blz. 504.
4Vgl. Josua van Iperen, Historische redenvoering
bij het ontdekken der gedenknaalde, opgericht ter eere van
Joannes van Miggrode (Amsterdam, 1774),
bijlage A: Rechtelijke getuigenissen nopens de eerste opkomst en beweegingen
der zuivere leere, ten jaare 1529 en 1530, getrokken uit de Depositie-boeken
deezer stadt, door den heer Secretaris J. Ermerins (blz. 87 - 96). - De
verhoren hadden plaats respectievelijk 9 Juli 1529 en l April 1530 (d.i. 1531);
ze betroffen personen die het H. Sacrament, het H. Oliesel of de geestelijkheid
kleineerden, geheime godsdienstige samenkomsten hielden, de H. Schrift lazen en
uitlegden, de vrije wil en het vagevuur loochenden en de biecht onnodig
achtten.
5Vgl. voor het bovenstaande De Hoop Scheffer,
t.a.p., blz. 512 - 516.
6Vgl. voor het volgende: K. Huizenga, De
hervorming op Walcheren tot de komst van
Alva (Gereformeerd theologisch
tijdschrift, 31 (1930 - 1931), blz. 97 - 126) (een globaal overzicht met vele
bronaanwijzingen).
7De Hoop Scheffer, t.a.p., blz. 516; over
Daensius: J.W. Pont, Geschiedenis van het Lutheranisme in de Nederlanden tot
1618 (Haarlem, 1911), blz. 233; De Hoop Scheffer in Kerkhistorisch archief, 4
(1866), blz. 200 - 208.
8De conventikels die omstreeks 1530 in
Middelburg, Vere en Arnemuiden worden gehouden, dragen al een zuiver
anabaptistisch karakter. - De Hoop Scheffer, t.a.p., blz. 512 - 516.
9Pekelharing, t.a.p., blz. 240 - 243.
10T.a.p., blz. 236 - 237.
11Vgl. W. en
J.W. te Water, Kort verhaal der
Reformatie van Zeeland in de zestiende eeuwe (Middelburg, 1766), blz. 112, 113,
145, 154 - 158; A.A. van Schelven, De Nederlandsche vluchtelingenkerken der
XVIe eeuw in Engeland en Duitschland in hunne beteekenis voor de Reformatie in
de Nederlanden ('s-Gravenhage, 1908).
12Vgl. K. Vos, De dooplijst van Leenaert Bouwens
(Bijdr. en meded. v. h. Hist. Gen., 36 (1915), blz. 39 - 70), blz. 50.
13Hendrik Alewijnsz was
‘taschmaecker’ (marsupiarius) van beroep. Als ijverig voorstander
van de Doopsgezinde leer werd hij ‘van de Broederen daer toe gestemt, en
verkoren, om de Gemeente Gods met het woord des heyligen Evangeliums te
bedienen, in 't welk hy seer neerstig geweest is, hoewel jong in den dienst,
heeft in 't werk Gods bovenmaten gebloeyt en toegenomen’. Toen hij in het
voorjaar van 1568 gevangen werd genomen, was hij weduwnaar en vader van drie
kinderen, een jongen van tien en twee meisjes van acht en zes jaar. Uit de
gevangenis schreef hij hun ‘Een vaderlijck adieu, testament ende
sorchvuldighe onderwijsinge wt der H. Schrift, ghemaeckt door Henrick
Alewijnsz. ghevanghen wesende binnen Middelborch om het ghetuychenisse der
waerheyt, het welcke hy zijn drie kinderen tot een eewighe memorie ende
ghedachtenisse heeft na ghelaten, ende heeft het selve met zijn eyghen bloet
onderteeckent, ende daer na int iaer M.D.LXJX. den 9. Febr. metter doot
bevesticht’ (Amsterdam, 1578) (16 blzn.; 8vo) (U.B., Gent) (beschreven in
B.B., A 48). Bovendien werd van hem gedrukt: ‘Veel schoone grondige
leeringen wt des Heeren woort, beyde des ouden ende nieuwen Testaments, in
welcke onderscheydentlijck bediet, verclaert ende aengewesen wort, wat een
mensche noodich sy ter salicheyt, door Henrick Alewijnsz tot Middelborch
gevangen om de waerheyt, die hy oock besegelt heeft anno 1569 den 9.
Febr.’ (z. p., 1577) (64 blzn.; 16mo) (U.B., Leiden). - Herdrukken:
Haarlem, 1581; Hoorn, 1611. (De herdrukken zijn beschreven in B.B., A 136 -
137). Behalve een achttal brieven, alle uit de gevangenis geschreven, bevat dit
traktaat nog ‘het gene dat Henrick Alewijnsz de Heeren over gaf by die
pijnbanck’ en ‘twee liedekens, de welcke Henric Alewijnsz wt
zijnder gevanckenisse ghesonden heeft’. Een en ander is vrij eentonig en
weinig bekoorlijk van vorm; S. Cramer spreekt dan ook van ‘de vervelende
betoogen van Hendrick Alewijnsz’ (Doopsgezinde bijdragen, 36 (1899), blz.
77). Vgl. over hem: Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 83 - 84; T. Jansz.
van Braght, Het bloedig tooneel, oft martelaers spiegel der Doopsgesinde of
weereloose Christenen 2 (Amsterdam, 1685), II, blz. 389 - 405, alwaar
op blz. 389 - 397 ‘Een gantsch Christelijcke groete’, op blz. 397 -
398 ‘Dit is het gene, dat Henrick Alewijnsz de Heeren over gaf’
(beide uit ‘Veel schoone grondige leeringen’) en op blz. 398 - 405
‘Een vaderlijck adieu’ volledig zijn afgedrukt.
14Een brief van hem, ‘die hy uyt sijn
gevangenis aen sijn lieve broeders en susters gesonden heeft’, bij Van
Braght, t.a.p., II, blz. 405 - 406.
15Valerius de schoolmeester was aanvankelijk in
het beroep, waaraan hij zijn bijnaam ontleent, te Hoorn werkzaam,
en vervolgens te Middelburg, waar hij in 1562 voor het eerst genoemd wordt.
Tijdens een verblijf in Gent in ditzelfde jaar ging hij over tot de nieuwe
leer, waardoor zijn school verliep. In 1564 vertrok hij van Middelburg naar
Zieriksee, waar hij ongeveer een half jaar bleef; in 1565 keerde hij terug naar
Hoorn, maar reeds het volgende jaar was hij weer in Middelburg. Inmiddels had
hij de school er aan gegeven, en zijn fortuin in de handel gezocht. Valerius,
die zich bij de Doopsgezinden had aangesloten, was na zijn bekering een vurig
belijder van het nieuwe geloof geworden. In 1566 of het jaar daarop werd hij te
Goes, waar hij het volk voor het stadhuis had toegesproken,
gevangen genomen, maar spoedig weer vrijgelaten. In 1567 werd hij
te Brouwershaven opnieuw gevangen gezet, ‘alwaer hy veel
aenvechting en langdurige gevankenis geleden heeft, maer door des Heeren genade
alles overwonnen, en het geloof der waerheyd met sijn dood en bloed betuygt en
bezegelt, en alsoo de kroone des eeuwigen levens uyt genade verworven
heeft’ (Van Braght, t.a.p., II, blz. 371). De wijze waarop en de plaats
waar hij ter dood werd gebracht (waarschijnlijk Brouwershaven) is niet bekend.
Valerius de schoolmeester heeft tijdens zijn langdurige gevangenschap twee
traktaten geschreven. Van een dezer is geen enkel exemplaar bekend; Van Braght
(t.a.p., II, blz. 371 - 372) haalt het aan als: * ‘Van 't afnemen, en 't
vervallen der Apostelsche Gemeente, en het opkomen des Antichrists, en hoe het
licht des Evangeliums door desen verdonkert is. Geschreven in de tsestigste
weke sijner gevangenis, met een hertgrondelijke vermaning aen den afvalligen
van Gods Woord: op dat sy in tijds de genade des Almachtigen mogen soeken,
dewijl hy noch te vinden is’. Bovendien heeft
Valerius nog geschreven: Proba fidei.
Oft, de proeve des gheloofs. Waerinne een yeghlijck mensche, van wat opinie dat
hy sy, van woorde te woorde, en wercken te wercken. hem proeven mach, oft hy
int gheloove recht staet oft niet, na de reden Pauli: Proeft u selven, oft ghy
uit gheloove staet, offte en kent ghy u selven niet? Nu nieus ghemaeckt, ende
in druck wtgegeven, by V. S. M. (z. p., 1569) (36 blzn.; 8vo) (Bibl. Doopsgez.
gem., Amsterdam). - Het voorwoord is ondertekend: ‘De xiiij. weke mijnre
gevanckenisse, den eersten dach Januarij, so genaemt, in het jaer 1568’.
- Herdrukken: Amsterdam, 1590; Amsterdam, 1595; Haarlem, 1634 (vermeerderd met
een ‘Brief, vanden selven autheur, hier byghevoeght, welck noyt voor
desen in druck is gheweest’) (beschreven in B.B., V 138 - 141). Gedurende
op zijn minst drie kwart van een eeuw heeft men dus het geschrift van deze
merkwaardige schoolmeester gelezen, door Van Braght ‘een vyerig navolger
Christi’ genoemd, ‘en heeft sijn ontfangen pond niet willen in de
aerde verbergen, maer met groote neerstigheyd op woeker aengeleyd’ (Van
Braght, t.a.p., blz. 371). Vgl. over hem: Nagtglas, II, blz. 811; Archief
Z.G.d.W., II (1866 - 1869), blz. 280 - 286, alwaar een fragment van de brief
van Valerius is afgedrukt; Van Braght, t.a.p., II, blz. 371 - 377.
16Voor het volgende is vooral een dankbaar
gebruik gemaakt van: H. H. Kuyper, Calvijn en Nederland (Christendom en
Maatschappij, serie 2, no. 7) (Utrecht. 1909), dat in zijn beknoptheid een
volledig beeld geeft van Calvijns invloed op ons volk. Vgl. verder: F. L.
Rutgers, Calvijn's invloed op de Reformatie in de Nederlanden 2
(Leiden, 1901).
17R.C. Bakhuizen van den Brink, Het huwelijk
van Willem van Oranje met Anna van Saksen (Amsterdam, 1853), blz. 123.
18Vgl. A. Kuyper, De twaalf patriarchen.
Bijbelsche karakterstudiën (Amsterdam, 1887), blz. 57 - 58; C. Veltenaar,
Het kerkelijk leven der gereformeerden in Den Briel tot 1816 (Amsterdam, 1915),
blz. 56 - 57.
19Vgl. Quintyn Weytssen, Naauwkeurig verhaal van
de aanstellinge des eerwaardigen heeren Nicolaas de Castro tot eersten bisschop
van Middelburch in Zeeland in 't jaar 1551 (Leyden, 1757).
20Vgl. Van Schelven, t.a.p., blz. 7 vlg.; Unger,
Bronnen, I, no. 609; Weytssen, t.a.p., blz. 113 vlg.
21Vgl. Onderzoek van 's konings wege ingesteld
omtrent de Middelburgsche beroerten van 1566 en 1567; naar 't oorspronkelijke
handschrift uitgegeven door J. van Vloten (Utrecht, 1873), blz. 28, 47, 245 -
249; Correspondance française de Marguerite d'Autriche, duchesse de
Parme, avec Philippe II, II (Utrecht, 1941), p. 253.
22Van Vloten, Onderzoek, t.a.p., blz. 2,
29.
23
E. van Meteren, Historie der
Neder-landscher ende haerder na-buren oorlogen ('s Gravenhage, 1623), blz.
44.
24Over de Beeldenstorm in Zeeland vgl.: Te
Water, Kort verhaal, t.a.p., blz. 126 - 138; Huizenga, t.a.p., blz. 120 - 124.
- Het gezag van Bor en Hooft is voor het hier beschreven tijdperk niet bijster
groot.
25Vgl. Correspondance française de
Marguerite d'Autriche, l.c., II, p. 254.
26Vgl. Van Vloten, Onderzoek, t.a.p., blz. 2;
vgl. blz. 8 - 9.
27Hun namen in: J. Marcus, Sententien en
indagingen van den hertog van Alba (Amsterdam, 1735).
28Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 178 - 183;
Van Iperen, Historische redenvoering, t.a.p.; J. Renier, De verdiensten van
Joannes van Miggrode omtrent de Hervorming in Zeeland, en bijzonder in de stad
Vere (Middelburg, 1827).
29Vgl. voor het volgende: J. Reitsma - J.
Lindeboom, Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde kerk der
Nederlanden 4 (Utrecht, 1933), blz. 208 - 209 en de aldaar
aangehaalde bronnen. - De handelingen der Zeeuwse synoden zijn uitgegeven in:
Acta der provinciale en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke
Nederlanden gedurende de jaren 1572 - 1620, verzameld en uitgegeven door J.
Reitsma en S. D. van Veen, V (Groningen, 1896), en: Acta der Zeeuwsche synode
van 1638, medegedeeld door L.W. A. M. Lasonder (Archief Z.G.d.W., 1909, blz. 97
- 148).
30Vgl. J.L.M. Eggen, De invloed door
Zuid-Nederland op Noord-Nederland uitgeoefend op het einde der XVIe en het
begin der XVIIe eeuw (Gent, 1908); A.A. van Schelven, Omvang en invloed der
Zuid-Nederlandsche immigratie van het laatste kwart der 16e eeuw
('s-Gravenhage, 1919). Emigratie van Oostendenaren naar Zeeland, vooral naar
Middelburg, Vlissingen en Vere, vond al in 1580 plaats. Bekende families als
Meuninx en De Haze te Middelburg, Kien en Lampsins te Vlissingen, en Velters en
Olivier te Vere, waren van Oostende afkomstig. In 1613 werd in de Veerse
magistraat de vraag opgeworpen, of Oostendenaren aan de regering mochten
deelnemen. Reeds vroeger trouwens waren, waarschijnlijk alleen uit
commerciële overwegingen, kooplieden uit Vlaanderen en Brabant naar
Zeeland getrokken, maar de grote stroom kwam eerst in 1586. De regering van
Middelburg zond bij die gelegenheid voor eigen rekening verscheidene schepen
naar Antwerpen om de emigranten af te halen; aan de Gorstratepoort schreef een
daartoe aangewezen ambtenaar hun namen op (De Stoppelaar,
Balthasar de Moucheron, blz. 38). Een
hartelijke ontvangst en allerlei voorrechten vielen hun ten deel, en weldra
vonden zij in Zeeland hun tweede vaderland. Hoe groot de stroom van
vluchtelingen in deze jaren was, is niet bekend, maar uit verschillende
gegevens blijkt dat deze aanzienlijk moet zijn geweest. In de opdracht aan de
Staten van Zeeland van de Franse bewerking van Willem Baudaerts
‘Morghenwecker der vrye Nederlantsche provintien’ (1610) (in 1616
verschenen onder de titel ‘Le miroir de jeunesse représentant en
l'abrégé des choses arrivées ou Pays bas, la tyrannie
d'Espagne etc. Translaté du flamend’) verklaart de bewerker, de
Waalse predikant
Jeremie de Pours, dat hij deze vertaling
ondernomen heeft voor de talrijke scharen die, ‘de la Flandre Gallicante,
d'Arthois, d’Hainault, de Tournesis’ hierheen gevlucht, zich
voornamelijk in Zeeland hebben neergezet. Behalve naar Middelburg en Vlissingen
heeft deze stroom van emigranten zich vooral naar Vere, Goes en Zieriksee
gericht, maar in veel geringere mate dan naar de beide eerstgenoemde steden. In
1586 verleende
Leycester aan 136 personen, nagenoeg
allen gezinshoofden (en dus ongeveer 600 personen vertegenwoordigende), die ter
zake der Hervorming uit Antwerpen naar Middelburg wilden emigreren, vrijgeleide
(Kronyk Hist. Genootschap, VIII (1852), blz. 27 - 35; Eggen, t.a.p., bijlage I,
blz. 213 - 217). Uit de lidmatenboeken blijkt, dat in 1584, '85 en '86
respectievelijk 400, 1155 en 1150 Zuid-nederlandse uitgewekenen voor de eerste
maal te Middelburg aan het Avondmaal deelnamen (Van Schelven, t.a.p., blz. 14).
- Vlissingen kreeg vooral in 1582 een grote bevolkingsaanwas uit Doornik (Chr.
Sepp, Drie evangeliedienaren uit den tijd der Hervorming (Leiden, 1879), blz.
62, aangehaald bij Van Schelven, t.a.p., blz. 9). - In Goes kregen tussen 1589
en 1646 130 Vlaamse gezinnen het poorterrecht (B. Bogaert, Het poorterboek te
Goes (De Wapenheraut, 6 (1902), blz. 385 - 392; 7 (1903), blz. 39 -
41).
31Vgl. Eggen, t.a.p., blz. 52 - 59.
32Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 532 -
533.
33 Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 925 -
926.
34Zie over hem: t.a.p., II, blz. 514 -
516.
35Zie over hem: t.a.p., II, blz. 120 -
121.
36Notulen van de Staten van Zeeland, 1629, blz.
415 - 420, 420 - 431.
37Zie over dit kasteel: J. van Lennep en W.J.
Hofdijk, Merkwaardige kasteelen in Nederland 2, I (Leiden, 1883),
blz. 153 - 172.
38Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 135 - 138;
N.N.B.W., I, kol. 1307 - 1312 (A. Elkan), en de aldaar genoemde bronnen; B. N.
B., XIII, col. 800 - 844 (Herman van der Linden); A.A. van Schelven, Marnix van
Sint Aldegonde (Utrecht, 1939).
39In Marnix' briefwisseling (uitgegeven in: J.J.
van Toorenenbergen, Philips van Marnix' godsdienstige en kerkelijke
geschriften, III ('s-Gravenhage, 1878), zijn brieven van 19 Juni 1580 (blz. 44
- 45), April 1586 - April 1591 (blz. 327 - 338) en 12 September 1587 (blz. 75 -
77) te Soeburg geschreven.
40Vgl. R. Fruin, Verspreide geschriften, IX
('s-Gravenhage, 1904), blz. 73; J.D. M. Cornelissen, Marnix en de tuinbouw
(Historisch tijdschr., 19 (1940), blz. 223 - 251); Van Schelven, t.a.p., blz.
185 - 188.
41Diarium van
Arend van Buchell, uitgegeven door G.
Brom en L. A. van Langeraad (Amsterdam, 1907), blz. 242. - Arend van Buchell
was secretaris van Walraven van Brederode. - Marnix zeide bij deze maaltijd
o.a. ‘nunc vero hortorum culturam vitamque rusticam maxime
probare’. Al in 1586 had hij aan
Adriaen van der Myle geschreven, dat
door het wonen op het kasteel te Soeburg de wens van vele jaren vervuld was:
‘agricola, inter meos, in meo vivo’. - Godsdienstige en kerkelijke
geschriften, t.a.p., III, blz. 330.
42Het boeck der Psalmen. Wt der Hebreïsscher
sprake in Nederduytschen dichte, op de ghewoonlicke oude wijsen van singen,
overgeset. Mitgaders de heylige schriftuerlicke lofsangen, uyt den Ouden ende
Nieuwen Testamente by een getogen, ende oock in Nederlantschen dichte, na der
Hebreisscher ende Grieckscher waerheyt, mit elck sijnen text van woirde te
woirde daer tegen over, int Duytsche gestelt, doir Philips van Marnix, genaemt,
van Sint Aldegonde. Middelburgh, by
Richard Schilders, drucker der Staten
s'Landts van Zeelandt. 1591. Met toelatinge der voorsz heeren (XXIV, 360 ongen.
blzn.; 8vo). - Het boeck der heylige schriftuerlijcke lofsangen. Uyt den Ouden
ende Nieuwen Testamente by een getogen, ende in Nederlandtschen dichte nae de
Hebreissche ende Griecksche waerheyt trouwelijck over-geset: door Philips van
Marnix genaemt van Sint Aldegonde. Paul: tot den Coloss. int III. cap. Het
woirt Christi woine rijckelijcken in u, met alle wijsheyt. Leert ende vermaent
malcanderen, singende den Heere bevallichlijck in uwe herten, met psalmen, ende
lofsangen ende geestelijcke liedekens. Ende al wat ghy doet, met woirden oft
met wercken, doet het al in den naeme des Heeren Jesu, danckende God den Vader
doir hem. Tot Middelburgh, by Richard Schilders, drucker der Staten s'Landts
van Zeelandt. Anno M.D.XCI. (72 ongen. blzn.; 8vo). - Catechismus, oft
onderwijsinge inde Christelijcke religie, welcke inden ghereformeerden
evangelischen kercken ende scholen der Nederlanden gheleert ende gheoeffent
wert. Mitsgaders de Christelijcke ceremonien ende gebeden. Middelburgh, by
Rich. Schilders, drucker der Staten s'Landts van Zeelandt. Anno M.D.XCI. (128
ongen. blzn.; 8vo). - De drie werkjes zijn bij elkaar gebonden en tezamen
verschenen.
43Het eind 1585 verschenen ‘Brief recit de
l'estat de la ville d'Anvers’, waarin hij trachtte de capitulatie van
Antwerpen te rechtvaardigen, is nog vóór zijn vertrek naar
Soeburg geschreven. Zie: G. Tjalma, Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde
(Amsterdam, 1896), blz. 162, noot l.
44Heylige bulle, ende krusade des Paus van Roomen,
eerst vanden H. Vader Gregorio den xiiisten ghepubliceert, ende daer nae van
Sixto den vijfden vernieuwt, ende gherati-ficeert: voor alle de ghene die
volcommen afflaet ende indulgentie van haere sonden begheeren, om een cleyn
ghelt, te weten van twee silvere realen te winnen. Seer claerlick wtgheleyt,
ende met clare ghetuyghenissen vande Heylighe Schrift, seer fyn overeen
ghebracht, tot nut ende profijt van alle Christgeloovige menschen. 2. Pet. 2.
ver. (sic) 18. Want zy seer opgheblasen ydelheyt sprekende, verlocken door de
begheerlickheden des vleessches ende wulpsheden, hen die recht ontvloden waren,
de ghene die in dwalinghe verkeeren: belovende hen vryheyt, daer zy selve
dienstknechten der verdervinghe zyn. Midtsgaders, een corte verclaringhe voor
aen gheset, ghevonden onder die Armade van Spaengien, vanden vermetelicken
hoochmoet vanden Spaengiaert, die ter instigatie vande voorsz bulle,
aenghenomen heeft die toerustinghe vande onverwinnelicke Armade (soo zyse
noemen) wt Portugael naer Enghelandt ende die Nederlanden, alwaer die voorseyde
bulle ghevonden is, met meer diergelijcke. Welcke Armade door des
Alderhoochsten handt tot schande gecomen is. Psalm. 7. ver. (sic) 15. Siet die
heeft wat quaets inden sin: met ongheluck is hy swangher, hy sal dan noch een
faute baren. By Rich. Schilders, drucker der Staten van Zeelant. Met consent
vanden voorseyden Staten. Ghegeven tot Middelburgh, den xij. Septembris, 1588.
Onderteeckent Ch. Roëls (56 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 834 -
835).
45Trouwe vermaninge aende Christelicke gemeynten
van Brabant, Vlanderen, Hene-gou, ende andere omliggende landen, beyde die noch
onder t' cruyce sitten, ende die buyten slants geweken zijn; grootelicx
dienende tot troost ende versterckinge in dese benaude tijden tegen alle
aenvechtingen. Hier is by gevoecht t'gebet Danielis, mitsgaders den LI. ende
CXXX. Psalmen Davids, wt de Hebreissche tale naer den text, ende in dichte
overgeset: by Philips van Marnix, heer van S. Aldegonde. Gedruct tot Leyden by
Jan Paedts. M.D.LXXXIX. (84 blzn.; 8vo) (U.B., Amsterdam).
46Vgl. voor het volgende: Van Schelven, t.a.p.,
blz. 197 vlg.
47Notulen van Zeeland, 1591, blz. 109, n.
9.
48Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 99 - 103;
N.N.B.W., V, kol. 412 - 414 (P.J. Blok); B. N. B., XII, col. 541 - 548 (Emile
van Arenbergh); J. ab Utrecht Dresselhuis, Pieter Lozeleur, des Prinsen raad en
hofprediker (De Gids, 1846, II, blz. 79 - 127).
49* Theses de libero arbitrio. Hagae Comitis,
1587. - Aldus de titel bij Van der Aa, L, blz. 207. - Ik zag het geschrift
niet; ook Ab Utrecht Dresselhuis zocht er tevergeefs naar. Het is opgedragen
aan Adriaen van der Myle (1538 - 1590), de verdraagzame vriend van
Oldenbarnevelt en afgedrukt in de bundel: ‘Illustrium et clarorum virorum
epistolae selectae’ van Villerius, II, p. 934 - 935. - Is het inderdaad
afzonderlijk verschenen? - Vgl. nog:
G. Brandt, Historie der Reformatie, I
(Amsterdam, 1671), blz. 666.
50Notulen van de Staeten van Zeelandt, 1593,
blz. 43; 1594, blz. 198, 218, 282, 289, 290; 1595, blz. 104, 106.
51N. Wiltens, Kerkelijk plakaatboek
('s-Gravenhage, 1722), I, blz. 2.
53Romeinsche bronnen voor den
kerkelijk-staatkundigen toestand der Nederlanden in de 16de eeuw, verzameld
door Gisb. Brom en A.H.L. Hensen ('s-Gravenhage, 1922), blz. 415. - Vgl.
soortgelijke berichten uit 1593, 1601 en 1615 in: Romeinsche bronnen voor den
kerkelijken toestand der Nederlanden onder de apostolische vicarissen, 1592 -
1727, uitgegeven door J.D.M. Cornelissen. I: 1592 - 1651 ('s-Gravenhage,
1932), blz. 24, 25, 83, 212. - ‘In insula Tergoes Zelandiae’,
schrijft Grotius op 18 September 1609 aan P. Jeannin, ‘ubi magnus
Catholicorum Romanensium est numerus, sparsi sunt libelli, maiorem quam antehac
libertatem minacius postulantes’. - Ned. arch. v. kerkgesch., N. S., 17
(1923), blz. 137.
54Zie over hem: N.N.B.W., VII, kol. 1039 - 1041
(J. Fruytier).
55O.a. de Van Baerlands te Goes, en vooral mr.
Michiel van Baerland (± 1577 -
1629), schepen en baljuw en superintendant van Zuidbeveland, die in 1612 en
1613 tegen de Lansbergens optrad. Nog in 1654 waren de secretaris en een van de
schepenen van Nisse Rooms-Katholiek; vgl. J. J. Polderman, De Katholieken op
Zuid-Beveland in 1654 (Sinte Geertruydtsbronne, 17 (1940), blz. 38 -
44.
56Volgens mondelinge mededelingen van wijlen
P.D. de Vos, archivaris van Zieriksee.
57Op de prov. synode van 1597, te Goes gehouden,
klaagden de afgevaardigden van Schouwen over ‘de afgoderie, geplogen in
Dreijschere voor S. Adriaen’. - Reitsma en Van Veen, Acta, t.a.p., V,
blz. 42.
58De Vos, De vroedschap van Zierikzee, blz.
102.
60Tussen 1639 en 1642 werkte hij te Zieriksee.
De praefect
Michael Paludanus prees hem in een brief
aan de Propaganda ‘ob praeclaram diligentemque, quam ecclesiae Dei inter
maxima pericula incommodaque a multis jam annis ibidem praestat operam’.
- Cornelissen, t.a.p., blz. 686.
61Nl. Cornelius (1597 - 1637), Dominicus
(† 1647), Leonardus (1601 - 1663), Nico-laas († 1634) en hun neef
Ambrosius (1610 - 1637). - Nagtglas, I, blz. 48; N.N.B.W., I. kol. 1210 - 1211
(G.A. Meijer).
62J. Was, Het St. Jacobsgilde te St.
Maartensdijk (Nehalennia, 1850, blz. 221 - 253), blz. 238.
63Notulen van de Staten van Zeeland, 1629, blz.
29. - De Staten vaardigden er een verbod tegen uit; t.a.p., blz. 56 -
57.
65Vgl. Cornelissen, t.a.p., blz. 544 (n.a.v. de
werkzaamheid van pater Andreas Ver-specken onder de R.K. in Zeeland in
1637).
66Wiltens, t.a.p., blz. 598.
67
Joannes van Heyst, Op-weckende of
hemelsche basuyne, t.a.p., blz. 44.
68
Joannes de Swaef, De geestelycke
queeckerye 2 (Middelburg, 1740), blz. 31, waarschuwt tegen
‘afgodische spelen, als Coninck-brieven trecken, den schoen inde schouwe
setten op eenen versierden S. Nicolaes-avond, den Grave van half-vasten &c.
en diergelijcke grouwelen, die noch van het afgodische Pausdom ons syn
overgebleven, ende by sommige voor spel haren kinderen wijs gemaeckt
werden’. ‘'t Is grouwelijck’, voegt hij er aan toe. - Ook de
rederijkersspelen werden als overblijfselen van de voor-reformatorische tijd
bestreden.
69Cornelis Liens, De kleyne werelt (Amstelredam,
1655), blz. 149 - 153.
70Petrus Hondius, Moufe-schans (Leyden, 1621),
Voor-reden, blz. 20; vgl. hierna, blz. 351.
71Adrianus Hofferus, Nederduytsche poëmata
(Amsterdam, 1635), blz. 171.
72* Tafel des geloofs, in dewelcke door sekere
tegeneenstellinghe blyckelyk gemaeckt wort het onderscheit, dat 'er is tusschen
de Leere der Heyliger Schrifture, dewelcke is de oude Catholycke Leere door de
Heylighe Apostelen geleert en de Catholycke Kerck; ende tusschen de nieuwe
menschelycke Leere door de valsche Leeraars in de Kercke J.C. ingevoert en den
menschen geleert. Tholen. 1629. 8vo. - Aldus de titel bij De la Rue, blz.
46.
73* Korte ende dienstich berecht over de
aenroepinghe der heylighen, reliquien, beelden ende van het kruys. Dordr. by I.
Reyers. 1640, 8vo. - Aldus de titel bij De la Rue, blz. 46.
75
Johan de Brune, Grond-steenen
(Middelburgh, 1621), blz. 190, aangehaald bij Von Winning, t.a.p., blz.
49.
76Petrus Hondius, Moufe-schans (Leyden, 1621),
blz. 299 - 300, 330, 386 - 391; vgl. hierna, blz. 351.
77Adrianus Hofferus, Nederduytsche poëmata
(Amsterdam, 1635), blz 16 - 25, 40; vgl. hierna, blz. 332.
78W.J.M. Engelberts, Willem Teellinck (Amsterdam,
1898), Bijlage B, no. 3.
79Vry-gheleyde tot ontlastinghe van conscientie om
de Catholiicke kercken, beelden, ende godtsdienst te gaen bekiicken. Door
Divoda Iansen van Heylighen-stadt. T'Handt-werpen by Ioachim Trognesius.
M.DCIX. (92, II blzn.; 8vo) (U.B., Gent). - Beschreven in B.B., D. 152.
80Engelberts, t.a.p., no. 4.
81Postillon van den roskam der vermomder eselinne
van Willem Teelinck. Door Divoda Iansen van Heylighen-stadt. T'Handtwerpen by
Ioach. Trognesius. M.DCXI. (50, II blzn.; 8vo) (Kon. Bibl., Brussel; U.B.,
Gent). - Beschreven in B.B., D. 159.
82Balade aen Divoda Jansz, alias Johannes Davids,
die hem noemt te zijn van heylighen Stadt, priester van Jesu wijt binnen
Cortrijck. Tot Middelburgh, ghedruckt by
Isaac Schilders, wonende inde
Kerck-strate, voor Adriaen vanden Vivre, boeck-vercooper, M.DC.XI. (16 blzn.;
4to) (Pamflet Knuttel, no. 1919). - Blijkens de ondertekening: ‘God is
mijn burght’, is ook dit gedicht van de hiervóór, blz. 83 -
84, genoemde Hendrik (van) Cannenburgh. Doordat ik het aanvankelijk alleen uit
het ex. van de Nat. Bibl. kende, waarin door te kort afsnijden de zinspreuk is
weggevallen, is mij de schrijver ontgaan. Eerst later kwam mij het ex. van de
U.B. te Leiden in handen, waarin de zinspreuk bewaard is. In het laatste
couplet noemt de auteur zich een ‘ambachtsman’.
83Voor het volgende zie men: F. Nagtglas, De
algemeene kerkeraad der Nederduitsch-Hervormde gemeente te Middelburg van 1574
- 1860 (Middelburg, 1860); F. Nagtglas, De kerkeraad der Nederduitsche
Hervormde gemeente te Middelburg, tegenover de Doopsgezinden, Voetwasschers en
Martinisten van 1574 - 1608 (Bijdragen tot de oudheidkunde en geschiedenis,
inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, verzameld door H.Q. Janssen en J.H. van
Dale, 6 (1863), blz. 237 - 261); P. Sijbolts, De Doopsgezinden te Middelburg in
de XVIde eeuw (Doopsgezinde bijdragen, 48 (1908), blz. l - 64); Abr. Mulder,
De oudste bewaard gebleven brieven van onze Middelburgse gemeente (Doopsgezind
jaarboekje, 1930, blz. 115 - 141). Vgl. ook: W.J. Kühler, Geschiedenis
der Nederlandsche Doopsgezinden in de zestiende eeuw (Haarlem, 1932); idem.
Geschiedenis van de Doopsgezinden in Nederland, II (1600 - 1735), eerst helft
(Haarlem, 1940).
84Nagtglas, t.a.p., blz.
242.
85Vgl. M.F. van Lennep, Gaspar van der Heyden,
1530 - 1586 (Amsterdam, 1884), blz. 143 - 144; Sijbolts, t.a.p., blz. 33 -
35.
86De inhoud van het request is alleen bekend uit
het in de volgende noot genoemde verweerschrift.
87Requeste by die welcke men die Wederdooperen
ofte Mennoniten noemt, over-ghegeven: waerin sy soecken te bewijsen, dat het
crijch-voeren teghen Godes woort strijt, ende sy daerom tot de burgherlijcke
wacht vande overheyt niet en behooren ghedwon-ghen te worden. Midtsgaders een
wederlegginghe daer van: waerin niet alleene het tegen deel claerlijc wt de H.
Schrift betooght wort; maer ooc alle de argumenten by den Wederdooperen in die
voorseyde requeste by ghebracht, wederleyt zijn. Ghemaeckt door eenighe van die
Dienaers des H. Evangeliums in de steden van Walcheren. Rom. 16. 17. Ick bid u
broeders, hebt acht op die ghene die tweedracht ende arghernisse maken, teghen
de leere die ghy gheleert hebt, ende wijckt van hen. Thantwerpen. By my Jasper
Troyens op die Catte veste inden Tennen Pot (44 blzn.; 8vo) (Bibl. Doopsgez.
gem., Amsterdam). - Het boekje is opgedragen aan de Middelburgse magistraat. De
inleiding ‘aenden goetwillighen lesere’ is gedateerd: 17 October
1580; het boekje zal dus kort daarop verschenen zijn.
88T.a.p., blz. C 5 r°. - Vgl. Kühler.
t.a.p.. I, b4. 341 - 342.
89Er is van deze verantwoording alleen een
latere druk, van 1597, bekend, door I.P. uitgegeven, ‘alsoo dit boecxken
by eenighe voor desen, sonder (z)ijn weten in druck was ghebracht ende wat
verandert, oock hier ende daer wat by ghevoecht, anders alst'selve by (hem)
eerst was beantwoort ende schriftelick gestelt’. - De titel van de
herdruk luidt: Verantwoordinge eender requeste, door eenige vanden predicanten
inden steden van Walcheren berispt zijnde: daer in getrackteert worde, oft
oorloch noch wettelick ende na den Evangelio nu den jongheren Christi
gheoorloft sy: door I.P. 2. Corinth. 5. 17. Isser yemandt in Christo, soo is
hy een nieuwe creatuer. Het oude is vergaen, siet het is al nieuwe gheworden.
Ghedruckt int jaer ons Heeren. M.D.XCVII. (64 blzn.; 8vo) (Bibl. Doopsgez.
gem., Amsterdam).
90Zie over hem: Nagtglas. I, blz. 540 - 541;
N.N.B.W., IV, kol. 835 - 836 (A.A. van Schelven); Biogr. woordenb. v. Protest.
godgel., IV, blz. 749 - 752.
91Vander doope onses Heeren Iesu Christi,
Bekentenisse door Dierick Philips. Met-gaders een beandtwoordinghe der selver
bekentenisse. Door Iacobum Kimedoncium, ghewesen dienaer des goddelicken
woordts tot Middelburg. loh. 5. 39. Ondersoeckt de schriften. Middelburgh, by
Ieronimus Wullebrechts, woenende op het
hoecxke vanden Burght. 1589 (184 blzn.; 4to) (Bibl. Doopsgez. gem., Amsterdam).
- Dirk Philipsz had al omstreeks 1545 een ‘Bekentenisse vander doope ende
van dat avontmael’ uitgegeven, die waarschijnlijk tot grondslag heeft
gediend van het overeenkomstige hoofdstuk in zijn ‘Corte
bekentenisse’ (1557) en in het ‘Enchiridion’ zijn definitieve
vorm heeft gekregen. Vgl. De geschriften van Dirk Philipsz. bewerkt door F.
Pijper (Bibliotheca reformatoria Neerlandica, X) ('s-Gravenhage, 1914), blz.
15, 25 - 26, 69 - 111.
92Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 626 - 628;
N.N.B.W., I, kol. 1470 - 1471 (A.A. van Schelven). - Indien, wat ik vermoed, de
naam als ‘Zeeuw’ is uitgesproken, wijst dit op een Zeeuwse afkomst.
Aanvankelijk was hij schoolmeester te Frankenthal, waar hij in 1575 predikant
was bij de Frankfortse Nederduitse vluchtelingenkerk.
93* Schriftmatige artykelen tegen de ongeschikte
en valsche dwaelingen der Wederdoperen. Middelburg, 1599. - Aldus de titel bij
Te Water, Kort verhaal der Reformatie van Zeeland, t.a.p., blz. 181.
94* Corte beschryvinge van het ampt der
overheit, ende wederlegginge van een boucxken dat eenen Wederdoper met
verzwyginge zyns naems - heeft laten uitgaen jegens de dienaeren des woorts
deezes eilants, tegen het recht gebruyk des crychs. Middelburg, 1600. - Aldus
de titel t.a.p., blz. 181 - 182. Tegen dit pamflet schreef
Robbert Robbertsz (le Canu) nog in
hetzelfde jaar zijn: Ratelwachts ende toren wachters waer-schouwinge, voor de
poppen ende heymelicke vuyren geleyt, ghestroyt, ende verspreydt van eenen
nieuwen stokebrant onder de gereformeerden, genaemt Ioannem Seu, predicant tot
Middelburch (z. pl., 1600). - Vgl. E.W. Moes en C.P. Burger, De Amsterdamsche
boekdrukkers en uitgevers in de zestiende eeuw, III (Amsterdam, 1910), blz. 68
- 69, 98 - 99; Paul Fredericq, Het Nederlandsch proza in de zestiendeeuwsche
pamfletten uit den tijd der beroerten (Brussel, 1907), blz. XXX - XXXI, 363 -
377, 406 - 410.
95Waerachtighe grondige bewijsinge, wt
onbeweechlicke beginselen, ende de natuere der saken selve getrocken, vanden
kinderdoop, dat namelijck de cleyne kinderen, inden schoot der kercke Gods
geboren, des doops mededeelachtich moeten zijn. Mitsgaders ooc van den
vryen-wille des menschen, door loannem Seu, dienaer des goddelijcken woorts tot
Middelburch. Actor. 10. vers. 47. Can oock yemant het water weeren dat dese
niet gedoopt en worden, de welcke den H. Geest ontfangen hebben gelijc wy?
Philippensen 2. 13. Want het is God die in u werct, het willen ende het
volbrenghen naer zijn welbehaghen. Tot Leyden, by
Jan Claesz. van Dorp, woonende in de
vergulde Son, anno 1601 (118 blzn.; 8vo) (Bibl. Doopsgez. gem.,
Amsterdam).
96Antwoorde op een boecxken ghemaeckt door eenen
wederdooper
Cornelis de Cuyper, genaemt Eenvuldighe
verantwoordinge, met corte verclaringe onses gheloofs vanden eenigen Godt Vader
Sone, ende Heylighen Gheest, als oock vande menschwerdinghe ons Salichmakers
Iesu Christi, &c. Gheschreven teghen de onwaerheyt, ende dwalingen, tot
voorstant, ende bevestinghe der waerheyt, door Ioannem Seu, dienaer des
goddelijcken woorts binnen der stadt Middelburgh. Tot Middelburgh. By
Symon Moulert. Boeck-vercooper, op den
Dam, inde Druckerije, anno 1608 (XIV, 362, VI blzn.; 8vo) (Bibl. Doopsgez.
gem., Amsterdam).
97Zie over hem: N.N.B.W., III, kol. 1234 (A.A.
van Schelven).
98Proeve vande leere der Wederdooperen. In de
welcke de besonderste dwalingen der Wederdooperen, wt haer eygen schriften
genomen, worden voor de oogen van alle de werelt gestelt, in elf poincten ofte
artijckelen. Daer by gevoecht is een corte ende schriftuerlijcke wederlegginge
vande selve: mede in elf poincten begrepen. By een vergadert wt de Disputatie
inden jare 1597. tot Leeuwaerden jegens den Wederdoopers gehouden. Van Iohanne
Tayo, dienaer des H. woorts Gods tot Brouwershaven. Met een voorreden, vande
oprechte ende onbedriegelijcke beproevinge der geesten. Tot Leyden, by Jan
Claesz. Dorp, inde vergulde Son. 1601 (176 blzn.; 8vo) (Bibl. Doopsgez. gem.,
Amsterdam). - Het boekje is opgedragen aan de magistraat van Zieriksee, uit
dank voor het feit dat een van zijn zoons, student in de theologie, op kosten
van deze stad kon studeren.
99In een approbatie die aan het boekje voorafgaat,
t.a.p., blz. 2.
100Zie over hem: Nagtglas, II. blz. 190 - 192;
N.N.B.W., III. kol. 862 - 874 (A.A. van Schelven); G.J. Brutel de la
Rivière, Het leven van Hermannus Moded (Haarlem, 1879). - Moded (Herman
Strijcker), die aanvankelijk R.K. priester was, kwam in 1572 uit Norwich te
Zieriksee, waar hij samen met ds.
Henricus Brandt ijverde voor de
uitbreiding van de Hervorming op Schouwen. Tijdens het beleg van de stad door
Requesens schijnt hij, eind 1575, naar elders te zijn getrokken. - Moded (part.
praes. van madad: strijken) is de Hebreeuwse vertaling van Strijker; vgl.
Brutel de la Rivière, t.a.p., blz. 147. - Een inhoudsoverzicht van het
‘Grondich bericht’ t.a.p., blz. 140 - 145.
101Grondich bericht, van de eerste beghinselen der
Wederdoopsche seckten, ende wat veelderley verscheyden tacken, een yder met
zijn aert ende drijven daer wt ghesproten zijn, item van haer ydele visioenen,
droomen, prophetien, sendinge, leere, grooten twist, etc. Vele wt haer eyghen
boecken ghetrocken, ende met gront der H. Schrift crachtich wederleyt. Hier is
noch by ghevoecht een grondich t'samen sprekinge over de voornaemste
hooft-stucken haerder dwalinghe. Door Hermannum Moded. Rom. 10. 14. 15. Hoe
sullen sy ghelooven van den welcken sy niet ghehoort en hebben, ende hoe sullen
sy hooren sonder predicant. Hoe sullen sy predicken sonder ghesonden te zijn.
Ierem. 23. 21. 32. Ick en sandt de propheten niet, noch soo liepen sy. Ic en
sprac niet tot hen, noch soo propheteerden sy. Tot Middelburgh. By Symon
Moulert, boeck-vercooper woonende aen den Dam inde Druckerije. Anno M.VJ.C.III.
(VIII, 341 (blz. 239 is bij de paginering overgeslagen), XVI blzn.; 8vo) (U.B.,
Amsterdam; U.B., Leiden). - Hiertegen verscheen van
Robbert Robbertsz. le Canu: * Een cleyn
briefken, tegen Harmen Modeth, predicant tot Middelburch. 1603. - Moes en
Burger, t.a.p., III, blz. 72.
102Vgl. over hem de op blz. 207, noot 163 genoemde
literatuur. In mijn verhandeling over Udemans zijn de ondervermelde titels
volledig genoemd.
103Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 208 - 209;
N.N.B.W.. VI, kol. 507 - 509 (F. S. Knipscheer); Biogr. wdb. v. Protest.
godgel., III, blz. 14 - 23; J. Borsius, Hermannus Faukelius, zijn leven,
karakter en letterkundige verdiensten (Archief voor kerkel. gesch., 15 (1844),
blz. 183 - 348). - Er bestaan van hem twee portretten, een van een onbekende,
en een door
S. Mesdach geschilderd en door
D. van Bremden gegraveerd. Het laatste is
beschreven in Zel. Ill., I, blz. 149, 281; het eerste is gereproduceerd in het
Archief voor kerkel. gesch., 15 (1844), tgr. blz. 188. - Vgl. over Faukelius
als Bijbel-vertaler hierna, blz. 189 - 190.
104Babel, dat is verwarringe der Weder-doopeperen
(sic) onder malcanderen, over meest alle de stucken der Christelijcker leere.
Met een cort verhael vanden oorspronck, verbreydinghe, menigherley
verdeelinghen ende scheuringhe der selven van malcanderen. Wt verscheyden hare
schriften vergadert ende t'samen ghebracht door Hermannum Faukelium, dienaer
der Ghereformeerde ghemeynte Jesu Christi tot Middelburgh in Zee-landt. Matth.
7. 15. Wacht u voor den valschen propheten, die in schaeps klederen tot u
comen, maer inwendigh zyn 't grijpende wolven: aen hare vruchten sult ghyse
kennen. Tot Hoorn, ghedruckt by
Pieter Jansz. van Campen, voor Marten
Gerbrantsz. boeck-vercooper, woonende in de Kerckstraet, in 't A B C (LVI, 286
blzn.; 8vo) (U.B., Amsterdam).
105Vgl. S. Blaupot ten Cate, Geschiedenis der
Doopsgezinden in Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland (Amsterdam, 1847), I,
blz. 143, 138, noot 161, 162, 193; Kühler, t.a.p., I, blz. 353, 357 -
359.
106Vgl. J.G. de Hoop Scheffer, De Brownisten te
Amsterdam (Versl. en meded. der Kon. Ak. v. Wetensch., afd. Letterk., 2de
reeks, 10 (1881), blz. 203 - 280). - De lijst der te Middelburg verschenen
strijdschriften t.a.p., blz. 216, noot 3.
107Vgl. Rufus M. Jones, Studies in mystical
religion (London, 1923), p. 453 - 454; vgl. J. Lindeboom, Stiefkinderen van het
Christendom ('s-Gravenhage, 1929), blz. 320, noot 2.
108Vgl. J. W. Pont, Geschiedenis van het
Lutheranisme in de Nederlanden tot 1618 (Haarlem, 1911), blz. 432, 501;
Nagtglas, De algemeene kerkeraad, t.a.p., blz. 113; Oud en nieuw uit de
geschiedenis der Nederlandsch Luthersche kerk, uitgegeven door J.C. Schultz
Jacobi, 3 (1864), blz. 75 - 76.
109Vgl. voor het volgende: Heinrich Heppe,
Geschichte des Pietismus und der Mystik in der reformierten Kirche, namentlich
der Niederlande (Leiden, 1879); Wilhelm Goeters, Die Vorbereitung des Pietismus
in der reformierten Kirche der Niederlande bis zur Labadistischen Krisis 1670
(Leipzig u.s.w., 1911); H. J.C. Grierson, Cross currents in English literature
of the XVIIth century or the world, the flesh and the spirit, their actions and
reactions (London, 1929), chapter I: Renaissance and Reformation.
110Zie over deze trek van het Piëtisme: M.
J.A. de Vrijer, XVIIe eeuwsche sump-tuositeit (Ned. arch. v. kerkgesch., N. S.,
33 (1941 - 1942), blz. 1 - 48, 73 - 92), vooral blz. 7 - 13, waar Willem en
Maximiliaen Teelinck, Udemans, Van Houten en Koelman worden aangehaald.
111Grierson, l.c., p. 285.
112E. Dowden, Puritan and Anglican (London,
1900), p. 13, aangehaald bij: A.A. van Schelven, Historisch onderzoek naar den
levensstijl van het Calvinisme (Christendom en historie (Kampen, 1931), blz. 64
- 95), blz. 95.
113Zoals Heppe, a.a.O., S. 140 doet. Reeds
Goeters, a.a.O., S. 21 heeft op de onjuistheid van deze mening gewezen.
114O.a.
Perkins,
Withaker,
Bayly,
Baxter,
Hooker,
Taylor en
Adams. Sommige van deze schrijvers
worden in Nederland nog altijd gelezen.
115Voor het volgende vgl. Goeters, a.a.O., S. 4
- 11.
116Over dit geslacht zie men: J. van der Baan en
P.D. de Vos Az., Genealogie Teelink (Maandblad van het genealog.-herald.
genootsch. ‘De Nederlandsche Leeuw’, 11 (1893), blz. 5 - 8 en 9 -
10; De la Rue, blz. 326 - 341; Nagtglas, II, blz. 742 - 751; De Vos, De
vroedschap van Zierikzee, passim.
117Zie over hem: N.N.B.W., V, kol. 888 (J. W.
van Nieuwenhuyzen).
118Zie over haar: De la Rue, blz. 326 - 331;
Nagtglas, II, blz. 743 - 744; P.J. Meertens, Cornelia Teelinck (Ned. arch. v.
kerkgesch., N. S., 28 (1936), blz. 209 - 211.
119Zie over hem: De la Rue, blz. 331 - 334;
Nagtglas, II, blz. 744 - 745; N.N.B.W., V. kol. 884 - 885; P.J. Meertens,
Eewoud Teelinck, de pamflettist van het Zeeuwse Piëtisme (Ned. arch. v.
kerkgesch., N. S., 28 (1936), blz. 212 - 235. - Na mijn uitvoerige bespreking
van deze figuur kan ik hier met een korte samenvatting volstaan.
121Zie over hem: De la Rue, blz. 334 - 341;
Nagtglas, II, blz. 745 - 747; N.N.B.W., V, kol. 890 - 893 (J.W. van
Nieuwenhuyzen); W.J.M. Engelberts, Willem Teellinck (Amsterdam, 1898); aan het
eerste hoofdst. van dit proefschrift ontleende ik in hoofdzaak de gegevens voor
het overzicht van Teelincks leven; Heppe, a.a.O., S. 106 - 140; Ritschl,
a.a.O., I, S. 124 - 128 en passim; Goeters, a.a.O., S. 84 - 92 en passim; R.
Hamming, Willem Teellinck (Geref. theolog. tijdschr., 27 (1926 - 1927), blz. 97
- 115); H. Bouwman, Willem Teellinck en de practijk der godzaligheid (Kampen,
1928).
12229 Nov. 1593 werd hij te Leiden voor de
letteren ingeschreven.
123Met
Martha Greendon (ook Grijns genoemd),
geboortig van Derby in Engeland, met wie hij 26 September 1604 te Zieriksee in
ondertrouw werd opgenomen. Het trouwboek van Zieriksee vermeldt zijn huwelijk
niet. - Engelberts, t.a.p., blz. 19.
124Tegelijk met hem studeerde ook
Gisbertus Voetius te Leiden, die zich
echter meer bij Gomarus aansloot. - Engelberts, t.a.p., blz. 19.
125Max. Teelinck, in de opdracht voorin het
nagelaten werk van zijn vader: De worstelinghe eenes bekeerden sondaers (1631),
blz. * 3 v°.
126Engelberts, t.a.p., blz. 22 - 23; vgl.
Notulen van de Staten van Zeeland, 1608, blz. 32 - 33, 41 - 42. - Tijdens zijn
verblijf te Haamstede - want daar stond de pastorie - werd hij o.a. in 1607 met
ds.
Brandt uit Zieriksee naar Middelburg
afgevaardigd, om er bij de Staten van Zeeland een nationale synode te vorderen,
en met de classis van Walcheren over de oprichting van een Zeeuwse hogeschool
te spreken. In 1610 reisde hij naar Engeland, waar hij voor de Nederlandse
gemeente te Londen optrad, en in 1612 vaardigde de coetus extraordinarius
Zelandiae hem, met ds. Faukelius uit Middelburg, naar Den Haag af, om bij de
Staten-Generaal aan te dringen op een nationale synode. - Engelberts, t.a.p.,
blz. 24 - 26.
127Max. Teelinck, t.a.p., blz. * 4
r°.
128Zie het getuigenis van Voetius bij
Engelberts, t.a.p., blz. 140; aldaar ook het citaat uit het ‘Vita Antonii
Walaei’, dat Teelincks wijze van spreken ‘acuta et penetrans’
noemt.
129Zie de voorrede van de drukker voorin de
derde maand van de Tydt-winninghe (2de druk, 1632), blz. A 3 r°.
131
Max. Teelinck deelt mede (t.a.p., blz. *
4 r°) dat hij 127 werken heeft opgesteld. Hiervan is een 60-tal in druk
verschenen. Teelinck schreef deze alle tussen 1608 en 1629, dus in twintig jaar
tijds. - Engelberts, t.a.p., blz. 211 - 223, geeft een bibliografisch overzicht
van zijn werken, en bovendien, t.a.p., blz. 41 - 92, een beredeneerd overzicht
van zijn geschriften. Ik kan mij dus beperken tot het noemen van die
geschriften, die voor mijn doel in aanmerking komen. - Van de
‘Ontdeckinge des vermomden Balaams’ (no. 4 van het bibliogr.
overzicht), dat Engelberts niet zag, bevindt zich thans een ex. in de U.B. te
Utrecht.
133Gisb. Voetius, Disputationes theologicae
selectae, III (Ultrajectinae, 1659), p. 1237.
135Balsem Gileads, t.a.p., blz. 12.
139‘So worden wy oock ghewaer, dat
doorgaens de lidtmaten der kercke, welcke daer met haer hantwerck broot moeten
winnen, meer tijts dagelijcks met haer huysghesin in den godsdienst besteden,
ende meer neerstelijck sich tot den openbaren godsdienst vervoegen, ooc selve
in de weke, dan vele van die andere, die der goederen volheyt hebben’. -
Sleutel der devotie (1624), blz. 598.
140Zephaniae waerschouwinge (1623), blz. 93;
vgl. het hele 4de hfdst. van het 3de dl.: ‘Van de gelegentheyt der
Rijcke, ende machtige in den lande, ende hoe weynich dat die oock beantwoorden
den eysch onses Gods over haer’ (blz. 92 - 95).
143T.a.p., blz. 94 - 95. - Vgl. Balsem Gileads
(1622), blz. 14: ‘De woeckenaers, uytsuypers, ende heymelicke bedriegers,
zijn nu oock soo vele, in onse eeuwe, ende soo listich, dat arme weduwen,
weesen, ende eenvoudige luyden, die geen trouwe voorstanders en becomen, wel na
heel en al verslonden, ende verteert werden’.
144Het laatstgenoemde geschrift noemde Voetius een
‘aureum tractatum’. -
Gisb. Voetius, Confraternitas Mariana
(Ultrajectinae, 1642), p. 469.
145William Steven, The history of the Scottish
church, Rotterdam (Edinburgh, 1832), p. 317.
146Engelberts, t.a.p., blz. 192 - 194.
147Voor Teelincks betrekkingen tot de zending vgl.
Engelberts, t.a.p., blz. 179 - 192.
148‘Nunc iusta fidei definitio nobis
constabit, si dicamus esse divinae erga nos benevolentiae firmam certamque
cognitionem, quae gratuitae in Christo promissionis veritate fundata per
spiritum sanctum et revelatur mentibus nostris et cordibus obsigna-tur’.
- Calvijn, Institutio Christianae religionis, III, 2, § 7.
149Vooral in ‘Liefden-dwanck’ (1620)
en ‘Soliloquium’ (1635) heeft Teelinck dit uiteengezet.
150Over Teelincks mystiek, zijn opvatting van
het geloof, en zijn afwijking van Calvijns standpunt in deze zie men:
Engelberts, t.a.p., blz. 105 - 109; Goeters, a.a.O., S. 88; Heppe, a.a.O., S.
133; Ritschl, a.a.O., I, S. 124 - 128, aan welke werken veel ontleend is. -
Hamming, t.a.p., blz. 113 - 114, betoogt dat Teelinck geen
‘mysticist’ was, maar verwart mysticisme en mystiek, waardoor zijn
betoog onhoudbaar wordt.
151Over het ‘Soliloquium’, dat hier
naar de 5de druk (Dordrecht, 1647) geciteerd wordt, zie: Heppe, a.a.O., S. 133
- 134; Ritschl, a.a.O., I, S. 124 - 128; Engelberts, t.a.p., blz. 107, 108;
Goeters, a.a.O., S. 88 - 89.
152Soliloquium, t.a.p., blz. 125 - 126.
153B.v. blz. 106, 107, 114, 115, 130; vgl. ook:
Sleutel der devotie (1624), blz. 273.
154Over ‘Het nieuwe Jerusalem’ zie:
Engelberts, t.a.p., blz. 175 - 176; Goeters, a.a.O., S. 84 - 87, 89 - 91;
Bouwman, t.a.p., blz. 51 - 56.
155Het nieuwe Jerusalem, t.a.p., blz. 68 - 69. -
Bijna letterlijk dezelfde passage in Soliloquium, t.a.p., blz. 129.
156Terloops zij hier opgemerkt dat de titel van
Teelincks prekenbundel ‘Het geestelyck cieraet van Christi
bruyloftskinderen’ (1620) opvallend doet denken aan de titel van
Ruusbroecs meesterwerk.
157Goeters, a.a.O., S. 87.
158Engelberts, t.a.p., blz. 98 - 103.
160Vgl. Engelberts, t.a.p., blz. 136 - 137; J.
Hartog, Geschiedenis van de predikkunde in de Protestantsche kerk van
Nederland 2 (Utrecht, 1887), blz. 57 - 60.
161Nootwendigh vertoogh (1627), t.a.p., blz. 129
- 130.
162Zo komt hij er toe, te zeggen ‘dat dit
oock een ken-teecken der kinderen Gods is, daer aen sy bekent werden, dat sy
namelijck soo besichlijck betrachten d'onvervalschte melck van Gods Woort, ende
soo steedts liggen en locken, ende suygen aen die twee segen-rijcke borsten
Gods, het oude, ende nieuwe Testament’ (Den volstandigen Christen (1620),
III, blz. 49). Elders heet het: ‘De Heere onse God (dat ick so spreke met
eerbiedinge) is den eersten Cleermaker gheweest’ (Den spieghel der
zedicheyt (1620), blz. 7), waarbij hij naar Gen. 3:21 verwijst, en in hetzelfde
boek noemt hij het menselijk lichaam ‘doch maer een made-sack, ende
spijse der wormen’ (t.a.p., blz. 65). (Ook Johan de Brune noemt in de
opdracht van zijn ‘Proverbia’ (1619) het lichaam ‘een
aerdt-worm, een maden-sack, een stincken graf’). Christus is ‘als
een nies-reghen, ende een vriendelijck druppen dat de bange herten
verquicket’ (Liefden-dwanck (1620), blz. 70) en het geloof ‘als den
emmer, daer mede wy uyt de heyl-fonteyne selve, de levende wateren der
salicheyt scheppen connen’ (Huys-boeck (1639), blz. 97).
163Vgl. P.J. Meertens, Godefridus Cornelisz
Udemans (Ned. arch. v. kerkgesch., N. S., 28 (1936), blz. 65 - 106 en de aldaar
genoemde bronnen; N.N.B.W., X, kol. 1065 - 1066 (F. S. Knipscheer). - Na mijn
uitvoerige bespreking van het leven en de geschriften van deze theoloog kan ik
hier met een korte samenvatting volstaan.
164Vgl. Ernst Beins, Die Wirtschaftsethik der
Calvinistischen Kirche der Niederlande, 1565 - 1650 (Ned. arch. v. kerkgesch.,
N. S., 24 (1931), blz. 81 - 156).
165Catalogus variorum et insignium librorum
bibliothecae ... D. Godefridi Udemanni ... quorum auctio habebitur Z-Zaeae in
aedibus viduae. IV. Septembris: hora octava matutina (Medioburgi, 1653) (Kon.
Bibl., Brussel).
166Louis van Kinschot (1595 - 1647) was nl. in
1620 getrouwd met
Maria de Jonge (1603 - 1630), dochter van
Jan Anthonisse de Jonge en
Maria Vierling.
167
Marcus Zuerius Boxhornius, Epistolae et
poemata (Amstelodami, 1662), p. 79.
168Henricus Bruno, Mengel-moes (Leyden, 1666),
blz. 295 - 296: Ad Godefridum Udemannum, Pastorem Zirizeensem, cum de
perseverantiâ Sanctorum in fide pro concione disseruisset.
169Wellicht was ook
Jacobus van Miggrode (1572 - 1645), een
zoon van de bekende Veerse predikant
Jan van Miggrode, en de schrijver van
een * ‘Bloemhof der geestelycke gelyckenissen’ (Dordrecht, 1646)
het Piëtisme toegedaan, maar ik zag dit boekje, het enige dat van hem
genoemd wordt, niet. In de ‘Nederduytschen Helicon’ wordt hij als
‘den konst-rycken Miggrodius’ onder de dichters van zijn tijd
genoemd (blz. 74). Hij was te Vere geboren, studeerde te Leiden, waar hij 21
Januari 1595 onder leiding van Gomarus een disputatie over Gods voorzienigheid
hield, en was vervolgens conrector aan de Latijnse school te Middelburg (1595)
en predikant te Diksmuiden (1596), Scherpenisse (1596 - 1599), Gapinge (1599 -
1608), Arnemuiden (1608 - 1625) en Middelburg (1625 - 1645). - Zie over hem: De
la Rue, blz. 250 - 251; Nagtglas, II, blz. 181 - 183.
170Nagtglas, II, blz. 1080 - 1081; N.N.B.W.,
VIII, kol. 858 (F.S. Knipscheer); Biogr. wdb. v. Protest. godgel., IV, blz.
332 - 334. - Hij was 20 April 1610 te Zieriksee gehuwd met
Judith Jasonsdr. Oudejans, een
achterkleindochter van de bekende Jason Pratensis, en hertrouwde na haar dood
op 20 April 1621 met
Catharina Imans, weduwe te Zieriksee.
Uit een van deze huwelijken werd een zoon Gillis geboren.
171Het Biogr. wdb. v. Protest. godgel., t.a.p.,
noemt een druk van 1645 en een van 1649, te Utrecht verschenen, ‘voor de
vierde reyse overzien en vermeerdert’, die ik geen van beide zag. -
Biecht-boecxken der Christenen, dat is een register vande sonden tegen de wet
Godts, seer bequaem om tot kennisse zijner sonden te komen. Eertijts t'samen
gestelt door Josias van Houten, in zijn leven dienaer des evangeliums tot
Renisse, ende daerna tot Zierickzee. Ende nu van nieus uyt-gegeven, oversien en
vermeerdert door
Gisbertus Voetius. De seste druck. Daniel
IX. vers. IV. Ick badt tot den Heere mijnen Godt, biechtende ende sprack. Tot
Utrecht, gedruckt by Johannes van Paddenburgh, boeck-vercoper achter 't
Stadt-huys, inde Binder vande Druckery, anno 1654 (148 blzn.; 12mo) (U.B.,
Amsterdam; U.B., Utrecht). - 7de druk (Utrecht, 1656) (U.B., Amsterdam; U.B.,
Utrecht). - ‘laetsten druck’ (8ste? druk) (Utrecht, 1660) (U.B.,
Amsterdam). - Spiegel der wet; aan de conscientien voorgehouden, tot ontdekking
der zonden tegen de tien geboden. Nu laatst veel vermeerdert, en verbetert,
door
Jacobus Koelman. Dienaer des evangeliums.
t'Amsterdam, by Joannes Boekholt, boekverkoper in de Gaper-steeg by de Beurs
a°. 1690 (X, 294 blzn.; 12mo) (U.B., Amsterdam). - (Leiden, 1888). - * De
boetvaardige Christen, in zijne eenzaame binnenkamer.
172In de vergadering van 18 Februari 1619 van de
classis van Zieriksee verzocht
Van Houten om dit geschrift na te doen
zien, wat aan de predikanten Brandt en
Boenaert werd opgedragen. Van Houten
deelde bij deze gelegenheid mede dat hij in de vorige oogsttijd over het ambt
van de Christelijke landman had gepreekt, waarna men hem had gevraagd, het
gesprokene in druk uit te geven. Adriaen Hoffer schreef er een lofdicht voor:
‘Op den Christelijcken land-man D. Josiae van den Houte, bedienaer des
Goddelijcken Woords tot Rennisse, uytgegeven anno 1620' (Nederduytsche
Poëmata, blz. 92).
173Salomo, dat is, vermaninghe aen die Christenen,
die wt eenen eenvoudigen yver zich aende syde vande genaemde Remonstranten
houden, tot vereeninghe mette openbare Ghereformeerde kercken, inde vereenichde
landen. Vervattende in maniere van t'samen-sprekinghe, de teghenwerpingen ende
ooc beantwoordinghe vande principale argumenten, waer door de Remonstranten zoo
mondelinghe als schriftelijc de eenvoudighe lieden vande zelve openbare
Ghereformeerde kercken zoecken af te schricken. Door I. V. H. Een liefhebber
der warer Christelijcker vrede. Tot Rotterdam, by
Jan van Waesberghe, aende Merct, inde
Fame. 1620 (34 blzn.; 8vo) (Pamflet Knuttel, no. 3117). - Herdruk: t. z. pl.,
1621 (Pamflet Petit, no. 1335). - Ongetwijfeld is dit het werkje ‘tot
bevrediging der Remonstranten’, waarvan de classicale vergadering van
Schouwen van 10 Februari 1620 de visitatie opdroeg aan de predikanten Brandt en
Becius.
174Zie over hem: De la Rue, blz. 171 - 173;
Nagtglas, II, blz. 747 - 749; N.N.B.W., V. kol. 888 - 889 (J. W. van
Nieuwenhuyzen). - Hij trouwde in Juni 1628 te Vlissingen met
Susanna Baggaert, weduwe van
Samson Morus; door dit huwelijk werd hij
ver-zwagerd aan
Joos van Laren, de jonge.
175De remonstrantie van de kercken van Zeelandt,
op de Christelijcke ende vigereuse verklaringhe, vande Ed: Heeren
Gecommitteerde Raden: ghearresteert by de Ed: Mo: Heeren Staten van Zeelandt,
nopende het weren van de stercke [in]brekende afgodische superstitien des
Pausdoms: ende het voorkomen van hare stoutigheyt. 2. Konin. 18. 3. Hiskia dede
wat den Heere wel beviel, als syn vader David. Hij nam de hoochten wech, ende
brack de calumnen, ende roeyde de hagen uyt, ende brack de metale slange, die
Moses gemaect hadde, want tot dier tijt toe hadde haer de kinderen Israels
gherooct, ende men heitse Nahustan. Wtghegheven door Theophilus Philopatris.
Int jaer ons Heeren 1636 (X, 16 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 4446). - Ik
schrijf dit pamflet aan Maximiliaen Teelinck toe, omdat de schrijver
klaarblijkelijk een Zeeuws predikant is, en het onder hetzelfde pseudonym
verscheen als het aanstonds te noemen ‘Corrosiif’, waarvan het
auteurschap van Teelinck vaststaat. De voorrede ademt bovendien geheel en al
zijn geest.
176Corrosiif teghens de in-etende pest-kole van 't
Pausdom, ofte grondigh ondersoeck, of het wel geoorloft is de Paepsche
superstitien te dulden ofte opentlijck onder een Christelicke Ghereformeerde
overigheydt toe te laten. Midtsgaders, de resolutie van de Hoo: Mo: Heeren
Staten van Hollant. Als oock mede haren brief aen 't Hof Provinciael vergunt,
op de remonstrantien vande Zuyd en Noort-Hollantsche Synode. Door Theophilus
Philopatris. Ghedruckt voor den autheur, 1636 (XII, 28 blzn.; 4to) (Pamflet
Knuttel, no. 4449). - Herdrukt achter de: Vrede predicatie (Amsterdam, 1648),
blz. 103 - 184. Uit de voorrede blijkt dat Max. Teelinck de schrijver is.
Theophilus Philopatris is ook het pseudoniem waaronder Willem Teelinck in 1626
zijn ‘Geestelijcke couranten’ deed verschijnen. Onder dezelfde
schuilnaam verschenen ook: Echo ofte weer-clanck op de Engelsche clachten, tot
ontschuldinghe vande recht-sinnige Nederlanders ... (1643) (Pamflet Knuttel,
no. 4979) en: Anatomie ofte ont-ledinghe van 't verderffelijck deseyn der
hedendaechsche Paeps-ghesinde, teghen kercke en politie, en alle goede
inghesetene der Geunieerde Provintien ... (1644) (Pamflet Knuttel, no. 5136).
Ik durf niet uit te maken of beide of een van beide eveneens van Max. Teelinck
zijn. De stijl doet dit echter betwijfelen.
177Corrosiif, t.a.p., blz. A r°, A 3 r°, A
3 v°.
178Grondighe verclaringhe, over de thien gheboden,
ende het ghebedt onses Heeren, met de toe-eygheninghe van dien, volghens de
order des Nederlandtschen Christelijcken catechismi. Het tweede deel. Door
Maximiliaen Teellinck, bedienaer des Heylighen Evangelij inde ghemeynte Christi
tot Ziericzee. Tot Middelburgh, gedruckt by
Hans vander Hellen, boeck-drucker op de
groote Marct, in 't Wapen van Audenaerde. Anno 1639 (VIII, 276 blzn.; 4to)
(U.B., Leiden; U.B., Utrecht).
179Vrede predicatie, uyt-gegeven voor de vrye
Nederlanders, om haer grondelijck te onderrichten, door wat middelen, de
verkregen vrede, haer een Christelijcke, eerlijcke, vaste, en gezegende vrede,
mach sijn en blijven. Mitsgaders een grondigh bewijs, dat het een Christelijcke
magistraet ongeoorloft is, in plaetsen, daer over sy te gebieden hebben, de
Paepsche superstitien ende afgoderyen toe te laten, ende volgens dien, dat de
tegenwoordige reformatie by hare Hog. Mog. aengestelt, in de Meyerye van den
Bosch, Baronye van Breda, &c. is conform Godts Woort, en volgens dien, by
de Paeps-gesinde, ende vele Libertijnsche Christenen sonder reden wert tegen
gesproken. Door Maximiliaen Teelinck. Bedienaer des H. Evangeliums tot
Middelburgh in Zeelant. t'Amsterdam. Gedruckt by Theunis Jacobs op 't Water,
inde Loots-man, 1648 (XXIV, 184 blzn.; 12mo) (Pamflet Van Someren, no. 951). -
Op blz. 103 begint, met afzonderlijk titelblad: Een grondigh bewys.
180Vrymoedige aenspraeck aen Syn Hoogheyt de Heere
Prince van Oraengjen, Grave van Nassauw, &c. Gouverneur en Capiteyn
Generael van Gelderlandt, Hollandt, Zeelandt, &c. Admirael Generael van de
zee. Gestelt tot waerschouwingh en noodige opmerckingh in desen verwerden en
kommerlijcken standt van ons lieve vaderlandt. Door Maximiliaen Teelinck,
dienaer des H. Evangelij tot Middelburgh, in Zeelandt. Nae de copye tot
Middelburgh, by
Anthony de Later, ordinaris
stadts-drucker, wonende op de Groote Marckt. Anno 1650 (16 blzn.; 4to) (Pamflet
Knuttel, no. 6857; vgl. nos. 6858 - 6860).
181Bedenkingen en antwoort op de vrymoedige
aenspraek aen Zyn Hoogheit, den Heere Prince van Oranje, Grave van Nassouw,
&c. Gestelt door den geleerden Maxi-miliaen Teelinck, dienaar des H.
Evangelij tot Middelburg, en hooft-participant van de Westindische Compagnie,
&c. Tot Vlissingen, by Geeraerdt de Laet, woonende op de hoek van Altena.
Anno 1650 (24 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 6862). - Het geschrift is
ondertekend: Te Haarlem den 2 November, 1650. O. M. P. en opgedragen aan de
Middelburgse burgemeester B.T.V.; evenwel is er in of omstreeks 1650 geen
burgemeester van Middelburg, op wie deze initialen kunnen slaan. - Er bestaat
van dit pamflet een herdruk met een ‘Waarschouwing des schrijvers’
aan het eind (Pamflet Knuttel, no. 6863), waarin beweerd wordt dat de
‘Aenspraeck’ van woord tot woord overeenkomt met de opdracht uit de
‘Politycken Christen’.
182Onderrichtinge van mr Maximiliaen Teelinck,
predikant tot Middelburgh; aen-gaende de Vrymoedige aensprake aen Sijn Ho. de
Heer Prince van Oraengien, op sijnen naem in een blauw boecxken uytghegeven.
Tot Middelburgh, gedruckt by Anthony de Later, ordinaris stadtsdrucker. Anno
1650 (18 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no. 6861). - Ook dit pamflet is op 2
November 1650 gedagtekend.
183Dit is onjuist; alleen aan het slot van de
afzonderlijke uitgave zijn enkele regels uitgelaten, die wel in de opdracht van
‘Den politycken Christen’ voorkomen.
184Op d'oproericheit van den Godtloosen Zeeuw,
Maximiliaen Teeling (een blad, in plano) (Pamflet Knuttel, no. 6864). - De
werken van Vondel, V (Amsterdam, 1931), blz. 517. Hierin is, op m.i. goede
gronden, niet opgenomen het eveneens aan Vondel toegeschreven hekeldicht
‘Bloed-beuling van Maximiliaan Teeling, groote bloed-beuling in
Zeeland’; vgl. t.a.p., blz. 945. ‘Op d'oproericheit’ wordt in
een pamflet van 1660, ‘De mot in 't vossevel’ (Pamflet Knuttel, no.
8389), blz. 21 - 22, niet aan Vondel, maar aan
Jan Vos toegeschreven.
185Christelycke onderwijsinghe, ofte: korte, en
bondighe verklaringhe over den Catechismus genaemt Kort begrijp der
Christelijcker religie, met veel-vuldighe materien, der H. Theologie, verbreyt,
en uyt Gods H. Woort, overvloedelijck bevestight: tot onder-wijsinge van alle
lief hebbers der waerheyt, als oock insonderheyt, van die haer tot het H.
Avont-mael des Heeren willen begeven: door Maximiliaen Teellinck, dienaer des
H. Woordts tot Middelburgh. Tot Middelburgh, gedruckt by Anthony de Later,
ordinaris stadts drucker, op de Groote Marckt. 1652 (VIII, 128 blzn.; 8vo)
(U.B., Leiden). Het boekje is opgedragen aan
Margarita Verbeeck, wed.
Cornelis de Meyr, gewezen bewindhebber van
de O.I.C. te Middelburg.
186Zie over hem: De la Rue, blz. 169 - 171;
Nagtglas, II, blz. 749 - 750; N.N.B.W., V. kol. 885 - 888 (J. W. van
Nieuwenhuyzen); Vrolikhert, t.a.p., blz. 123 - 130; Ritschl, a.a.O., I, S. 284
- 289; Goeters, a.a.O., S. 98 - 99, 131 - 134. Johannes Teelinck is drie keer
getrouwd: 1° met
Geertruid van Helmond (1627 - 1661), uit
welk huwelijk o.a. een zoon Willem († 1719) werd geboren, die van 1689
tot zijn overlijden predikant was te Ouwerkerk op Duiveland; 2° met ...
Heykoop; 3° met ... de Voogd, die hem overleefd heeft.
187Vrolikhert, t.a.p., blz. 127.
188L. van Aitzema, Saken van staet en oorlogh,
IX ('s-Graven-hage, 1664), blz. 1051 - 1063; Duker, Gisbertus Voetius, t.a.p.,
II, blz. 323 - 334; vgl. III, blz. 333 - 337.
189De levendigmakende kracht van Godts beloften.
Voorgestelt in een predicatie over Psalm 119. vs. 50. in 't midden, door
Johannes Teellinck, dienaer des Goddelijcken woordts tot Campen. Tot Campen;
gedruckt by
Gerrit vander Tollen; boeck-drucker,
inde Broeder-straet, in de Staten Bijbel, 1661 (XII + 108 blzn.; 12mo) (U.B.,
Leiden). - Deze preek, op 25 Juli 1661 te Vianen uitgesproken, was eerder door
een der toehoorders uitgegeven onder de titel: Predicatie over Psalm 119. vers
50, in 't midden van het vers. Gedaen tot Vianen den 25. Julii ouden stijls
1661. Door Johannes Teellinck, dienaer des Goddelijcken woordts tot Campen. Tot
Utrecht, gedruckt by Willem Clerck, boeck-drucker, woonende inde Zael-straet,
1661 (8 blzn.; 4to) (U.B., Amsterdam; Pamflet Van Someren, no. 760). - 2de
druk. Utrecht, 1673 (12mo) (Cat. Burgersdijk & Niermans, no. 48:
Bibliotheca theologica et philosophica, no. 16232).
190Den vruchtbaermakenden wynstock Christus. Dat
is, een eenvoudige onderrich-tinge aen alle ware Christenen, hoe dat sy sullen
mogen volharden in den geloove; ende den Geest des Heeren Jesu so by haer
hebben, ende houden; dat sy uyt Christo moghen deelachtigh worden, een
geestelijcke kracht, om vruchtbaer te wesen in goede wercken. Door Johannes
Teellinck, dienaer des Evangeliums Jesu Christi binnen Campen. Tot Campen,
gedruckt by Gerrit vander Tollen, boeck-drucker, in de Broeder-straet, in de
Staten Bijbel, 1666 (XXIV, 280; XVI, 384; XII, 304 blzn.; 8vo) (Bibl. der V.U.,
Amsterdam). De titels der afzonderlijke delen luiden: Den Christen in Christo
blijvende. Dat is, een korte ende eenvoudige onderrichtinge aen een yder ware
Christen, om in allerley staet der ziele door den geloove in Christo te
blijven... Tot Campen, ... 1666 (opgedragen aan Johan van Basselare, koopman te
Middelburg, en Maria Teelincks, de zwager en zuster van de schr.); Christus in
den Christen blijvende. Dat is, een korte ende eenvoudige onderrichtinge aen
een yder waer Christen, om in allerley staet der ziele Christum te hebben in
sich blijvende door sijn Gheest ... Tot Campen, ... 1666 (opgedragen aan
Nicolaes van Helmont en Geertruydt Goris, de ouders van Teelincks eerste
vrouw); Den Christen uyt Christo vruchtbaerheydt treckende. Dat is, een
eenvoudige onderrichtinghe hoe de Christenen door den waren geloove kracht uyt
Christo Jesu tot goede wercken halen moeten ... Tot Campen, ... 1667. - Enkele
uittreksels uit het tweede en derde deel vindt men in: Johannes Teellinck, De
vruchtbaar makende wijnstok Christus ('s-Gravenhage, 1908) (Geschriften over
het ingekeerde leven, onder redactie van Louis A. Baehler, III).
191Ik volg hierbij het betoog van Heppe, a.a.O.,
S. 171 - 172.
192Den vruchtbaermakenden wynstock Christus,
t.a.p., II, blz. 190.
193T.a.p., III, blz. 173 - 184.
194T.a.p., III, blz. 52. - Onjuist lijkt mij de
bewering van Heppe, a.a.O., S. 172, dat bij Teelinck op een gegeven ogenblik de
gedachte aan Christus' verdiensten, aan de door hem objectief volbrachte
verlossing geheel en al op de achtergrond treedt en verdwijnt. Teelinck heeft
dit leerstuk nimmer losgelaten; onmiddellijk aan het door Heppe gegeven citaat
(Den vruchtbaermakenden wynstock Christus, t.a.p., III, blz. 53) wijst Teelinck
er op dat Christus' offerande genoegzaam is om ook de allergoddelooste mens met
God te verzoenen.
195Aitzema, t.a.p., IX, blz. 1061 -
1062.
196De levendigmakende kracht van Godts beloften,
blz. * 3 v° - * 4 r°.
197VgL.C.B. Hylkema, Reformateurs.
Geschiedkundige studiën over de godsdienstige bewegingen uit de nadagen
onzer Gouden Eeuw (Haarlem, 1900 - 1902), 2 dln.
198Zie over hem: De la Rue, blz. 27 - 29;
Nagtglas, I, blz. 58; Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz, 500 - 501;
Realencyclopaedie f. protest. Theol. u. Kirche, III, S. 325 (H.G. Kleyn); J.C.
van Slee, De Rijnsburger Collegianten. Geschiedkundig onderzoek (Haarlem,
1895), passim (zie register); J. Lindeboom, Stiefkinderen van het Christendom
('s-Gravenhage, 1929), blz. 342 - 345; vooral: Walther Schneider,
Adam Boreel. Sein Leben und seine
Schriften (Giessen, 1911).
199Een vrucht van deze studie was het beroemde
model van de tempel van Salomo, dat
Jaacob Juda Leon Templo (1603 - 1675)
(zie over hem: N.N.B.W., VI, kol. 941 - 943 (J. Zwarts)), opperrabbijn van de
Middelburgse Marranengemeente, in deze jaren heeft samengesteld, en waarvan hij
de beschrijving deed drukken in: Retrato del Templo de Selomoh (Middelburg,
1642). Boreel kreeg in 1646 van de Staten van Zeeland octrooi voor het drukken
van een tekst van de Talmud; of deze verschenen is, is echter onbekend.
200Ad legem et ad testimonium sive erotematica
propositio et deductio quorundam conscientiae casuum, praecipue de publico Novi
Testamenti cuitu, aliisque Christianismo vel necessariis, vel utilibus,
exhibita Christianorum Ecclesiis et coetibus illis, qui solam Veteris et Novi
Testamenti scripturam pro unico fidei et morum Canone profitentur. 1645 (Nat.
Bibl., 's-Gravenhage; U.B., Göttingen). - Een overzicht van de inhoud
geeft Schneider, a.a.O., S. 44 - 52. - Hoornbeek bestreed Boreel in zijn:
Apologia pro ecclesia Christiana non apostatica (Amstelodami, 1647), Maresius
deed dit in zijn: Dissertatio theologica de usu et honore sacri ministerii
(Groningae, 1646). Over Maresius' bestrijding van Boreel vgl.
D. Nauta,
Samuel Maresius (Amsterdam, 1935), blz.
330 - 332.
201Vgl. Nagtglas, De algemeene kerkeraad, t.a.p.,
blz. 123. - Wittewrongel, die van 1632 tot 1636 te Noordwelle en Renesse en van
1636 tot 1638 te Zieriksee had gestaan, vanwaar hij naar Amsterdam werd
beroepen, was uit Middelburg geboortig.
202Het ampt der kerckendienaren: midtsgaders de
authoriteyt, ende opsicht, die een hooghe Christelicke overheydt daer over
toecompt. Waerin sekere nader bedenckinghen van dese gheheele saecke uyt Godts
Woordt worden ghestelt, maer insonderheyt over het tractaet des E. I.
Wtenbogaerts, van het ampt ende authoriteyt eener hoogher Christelicker
overheyt in kerckelicke saecken. Door Antonium Walaeum dienaer des H.
Evangeliums tot Middelburch in Zeelandt. Tot Middelburch, by
Adriaen vanden Vivere, boeckvercooper aen
den hoeck van de nieuwe Beurse, anno M.DC.XV (VIII, 216 blzn.; 4to) (Pamflet
Knuttel, no. 2204). - Herdruk: Delft, 1728. - Een uitvoerige beschouwing over
deze verhandeling vindt men in: J.D. de Lind van Wijngaarden,
Antonius Walaeus (Leiden, 1891), blz. 153
- 168.
203Vgl. H.C. Rogge,
Johannes Wtenbogaert en zijn tijd, II
(Amsterdam, 1875), blz. 34.
204Responsio Iodoci Lareni ad Analysin Iacobi
Arminii in IX. cap. ad Rom. Qua ostenditur breviter ac perspicuè, dictam
Analysin, mentem Apostoli improbè pervertere. Middelburgi, excudebat
Richardus Schilders, impensis Adriani Vivarij. Bibliop. (XVI, 2 bln., 160
blzn.; 8vo) (U.B., Amsterdam).
205Vgl. hiervóór, blz. 182.
206Vgl. nog enkele werkjes van de Zierikseese
predikant
Hendrik Brandt, in Biogr. wdb. v. Protest.
godgel., I, blz. 575.
207Reitsma en Van Veen, Acta, t.a.p., V, blz.
105 - 106.
208J. Triglandius, Kerkelycke geschiedenissen
(Leiden, 1650), blz. 171.
209Zie voor het onderstaande: H.B. Visser, De
geschiedenis van den Sabbatsstrijd onder de gereformeerden in de zeventiende
eeuw (Utrecht, 1939), blz. 50 - 60, 75 - 81, 88 - 90.
210Zie over hem: De la Rue, blz. 46 - 47;
Nagtglas, I, blz. 91; N.N.B.W., IV, kol. 363 (P.C. Molhuysen); Biogr. wdb. v.
Protest. godgel., I, blz. 720 - 722. - Hij was te Middelburg geboren; Tolen was
zijn enige standplaats. Zijn geschriften - hij mengde zich o.a. in de
Grallenstrijd - worden in de laatstaangehaalde bron opgesomd. Voor zijn
sabbatsbeschouwing vgl. nog: C. Steenblok,
Voetius en de sabbat (Hoorn, 1941), blz.
77 - 81.
211* Threnos ofte weeclaghe, aenwysende de
oorsaken des jammerlycken stants van het lant, ende de ontheyliginge des
sabbathdaechs, daer in byzonderlick verhandelt worden de verschillen van het
onderhouden des sabbaths ofte rustdaechs der Christenen. Ghedrukt binnen
Tholen, met consent van de Burghemeesters der selver stadt. 1627 (8vo). - Aldus
de titel bij De la Rue, blz. 46.
212De volledige titel bij Rogge, Beschrijvende
catalogus, t.a.p., stuk II. afd. I, blz. 34. - Voor Walaeus' opvattingen over
dit probleem vgl.: De Lind van Wijngaarden, Antonius Walaeus, t.a.p., blz. 116
- 142.
213De volledige titel bij Louis D. Petit,
Bibliografische lijst der werken van de Leidsche hoogleeraren. Faculteit der
godgeleerdheid, 1ste aflev. (Leiden, 1894), blz. 74, no. 16. - Voor Gomarus'
opvattingen over dit probleem vgl.: G.P. van Itterzon, Fran-ciscus Gomaris
('s-Gravenhage, 1930), blz. 301 - 309.
214Zie over hem: De la Rue, blz. 244 - 245, 411 -
412; Nagtglas, I, blz. 11; Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz, 199 - 208.
- Hij was geboren te Vere (waar zijn vader burgemeester was) en voordat hij in
Middelburg kwam, predikant te Sint-Anna-ter-Muiden (1627 - 1631). In 1652
volgde hij
Alexander Morus op aan de Illustre school
te Middelburg. Apollonius was een groot kenner van het gereformeerde kerkrecht.
Zijn aandeel in de Grallenstrijd komt aanstonds ter sprake.
215* Corte aenmerckingen over de nature en
onderhoudinge van den sabbath. Utrecht, 1659 (12mo). - Aldus de titel bij De la
Rue, blz. 245; ik zag dit door 's schrijvers zoon uitgegeven boekje
niet.
216Zie over hem: De la Rue, blz. 246 - 247;
Nagtglas, I, blz. 88; Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 689 - 692; Te
Water, Kort verhaal, t.a.p., blz. 167 - 176. Hij was waarschijnlijk in Engeland
geboren en werd in 1586 hulpprediker te Sandwich. - Zijn Nederlandse naam was
De Buysere (Buzere, Buusere). In 1608 zegende hij het huwelijk van
Hugo de Groot en
Maria van Reigersberch in, waarop hij
een Grieks gedicht schreef: Εις γαμον του Υγωνος Γρωτιου ελλογ μωτατου νεου και Μαριας Ρειγεσβεργιης προφερεσατης παρθενου επιθαλαμιον επος. - Hugo Grotius, Poemata (Lugd. Bat.,
1617) p. 539 - 540. - Als
Vossius deze ‘Poemata’ voor
de druk gereed maakt, schrijft De Groot hem: ‘De Buceri carmine cogita
sitne tanti; ego non consideravi’. - Briefwisseling, no. 473, 25 Augustus
1616.
217De volledige titel bij De la Rue, blz. 246. -
N. Hinlópen. Historie van de Neder-landsche overzettinge des Bybels
(Leyden, 1777), blz. 75, zegt dat het in 1634 ‘voor de vierde reis
herdrukt wierd’.
218Reitsma en Van Veen, Acta, t.a.p., V, blz. 154.
- Vgl. nog: G. H. M. Delprat, Koning Jakobus I van Engeland en Gerson Bucerus,
hervormd predikant te Ter Veere (Kerkhist archief, 3 (1862), blz. 402 -
416).
219Vgl. Jodocus Heringa, Bijzonderheden
betreffende de vervaardiging van de gewone Nederlandsche Bijbelvertaling
(Archief voor kerkel. gesch., 5 (1834), blz. 57 - 202), blz. 118.
220Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 1055 - 1057;
N.N.B.W., I, kol. 450 - 452 (F. S. Knipscheer); Biogr. wdb. v. Protest.
godgel., I, blz. 573 - 575.
221Vgl. over hem hiervóór, noot
169.
222Vgl. voor het volgende: J. Heinsius, Klank-
en buigingsleer van de taal des Statenbijbels (Groningen, 1897), blz. 5 - 7 en
de daar aangehaalde bronnen; C. C. de Bruin, De Statenbijbel en zijn
voorgangers (Leiden, 1937), blz. 284 - 299; De Statenvertaling, 1637 - 1937
(Haarlem, 1937).
223Vgl. over hem hiervóór, blz.
167 en noot 103.
224Het Nieuwe Testament onses Heeren Jesu
Christi. Wt den Griekschen overgheset. Neerstelick nu oversien na de beste
oversettingen, ende van veel druck-fauten ghesuyvert; met nieuwe sommarien ende
afdeelinghen der capittelen, midtsgaders annotatien aen den kant tot
verclaringhe vanden text. Door H.F. Middelb., A. van de Vivere, 1617 (8vo)
(Prov. Bibl. v. Zeeland, Middelburg). - Het boek was bij het afdrukken van deze
tekst nog niet beschikbaar. - Deze vertaling is ook opgenomen in de
Bijbeluitgave van 1625, door P. H. uit het Frans vertaald en overzien door de
Franeker hoogleraar
Sixtinus Amama.
225Vgl. De Bruin, t.a.p., blz. 274 - 275. - Het
hs., dat het O.T. van Genesis tot Esther bevatte, is door Faukelius met zijn
overige boekerij vermaakt aan het consistorie van predikanten der Nederl. Herv.
gemeente te Middelburg. Vgl. Nagtglas, I, blz. 209. In Mei 1940 is ook deze
verzameling grotendeels verbrand.
226Zie over hem: De la Rue, blz. 255 - 258;
Nagtglas, II, blz. 44 - 45; N.N.B.W., IV, kol. 878 - 880 (A.A. van Schelven);
Biogr. wdb. v. Protest. godgel., V, blz. 586 - 590. - Zijn portret is door een
onbekende gegraveerd; het is opgenomen voorin zijn: Tweeënvyftich
predicatiën over bysondere texten der H. Schriftuere (Vlissingen, 1670) en
in: De Statenvertaling, t.a.p., blz. 100. - Door zijn huwelijk met
Sara Baggaert was Van Laren verzwagerd
met zijn ambtgenoot
Maximiliaen Teelinck.
227Vgl. de brief van
Gerson Bucerus uit 1626, waarin deze hem
namens de vertalers verzoekt, zijn overzettingen toe te zenden. - Jean
Meyhoffer, Le pasteur Josse van Laren de Comines et ses descendants (Bruxelles,
1910), p. 93 - 96.
228Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 155 - 156;
N.N.B.W., VIII, kol. 1094 - 1096 (F.S. Knipscheer). - Zijn door
A. Souter geschilderd portret, door een
onbekende (W.J. Delff?) gegraveerd, is opgenomen in: De Statenvertaling,
t.a.p., blz. 116. Zijn door
H. Bloemaert geschilderd portret, dat
door
S. van Lamsweerde gegraveerd is, hangt
in de Senaatszaal der Utrechtse universiteit. Ook heeft
Anna Maria van Schurman zijn portret
geschilderd. Karel de Maets was in Leiden geboren, maar is in Middelburg
opgevoed, waarheen zijn uit Vlaanderen uitgeweken ouders later heen trokken. In
1636 werd hij uitgenodigd voor een professoraat te Utrecht, waarvoor hij
aanvankelijk bedankte. Toen drie jaar later Voetius zelf naar Middelburg
overkwam, stemde
Dematius toe.
229Vgl. de veronderstelling van Vrolikhert in zijn
Vlissingsche kerkhemel, t.a.p., blz. 95, en de weerlegging daarvan bij
Heinsius, t.a.p., blz. 6 - 7.
230Een uiteenzetting van deze strijd vindt men
in: Archief Z.G.d.W., I, 5de stuk (1863), blz. 80 - 86; Biogr. wdb. v. Protest.
godgel., I, blz. 199 - 208; V, blz. 563 - 564, 589, alwaar ook de verschillende
titels der geschriften worden genoemd, die in deze strijd pro en contra
verschenen. Ik kan een en ander hier dus in het kort bespreken.
231Jus majestatis circa sacra, sive tractatus
theologicus, de jure magistratus circa res ecclesiasticas, oppositus cl. D.
Professoris Nicolai Vedelii tractatui, De episcopatu Constantini Magni, ex
authoritate, & jussu classis Walachrianae adornatus; per Guiliel-mum
Apollonii, verbi Dei ministrum apud Zeland. in eccl. Mediob. Medioburgi
Zelandorum, apud Iacobum Fierensium bibliopolam, sub insigni Globi, anno 1642
(XXII, 412 blzn.; 8vo) (U.B., Amsterdam). Het jaar daarop verscheen nog: Pars
posterior juris maiestatis circa sacra, sive tractatus theologici, de jure
magistratus circa res ecclesiasticas, oppositi cl. D. Professoris Nicolai
Vedelii tractatui, De episcopatu Constantini Magni, ex authoritate, & jussu
classis Walachrianae adornati per Gulielmum Apollonii, verbi Dei ministrum apud
Zeland. in eccl. Mediob. Medioburgi Zelandorum, apud Iacobum Fierensium
bibliopolam, sub insigni Globi, anno 1643 (VIII, 388 blzn.; 8vo) (U.B.,
Amsterdam). En weer een jaar later verscheen nog van Apollonius, ditmaal bij
een Londens uitgever, een tot de synode van Londen gericht betoog namens de
Walcherse classis: Consideratio quarundam controversiarum ad regimen ecclesiae
Dei spectantium, quae in Angliae regno hodie agitantur. Ex mandato & jussu
classis Walachrianae conscripta; a Guilielmo Apollonij verbi Dei apud
Middelburgenses ministro. Et ab ecclesijs Walachris ad ecclesiarum suarum
sensum & consensum judicandum transmissa, ad synodum Londinen-sem. 16.
Octobris, anni 1644. Londini, typis G. M. sumptibus Georgij Tomason ad insigne
Rosae in Coemiterio D. Pauli. 1644 (XX, 184 blzn.; 8vo) (U.B.,
Amsterdam).
232‘Grallae’ betekent: stelten. -
Samuel Maresius zag
Adam Boreel als de schrijver van de
‘Grallae’ aan. - D. Nauta, Samuel Maresius (Amsterdam, 1935), blz.
332, noot 196, en 527.
233Zie over hem: De la Rue, blz. 410 - 412;
Nagtglas, II, blz. 33 - 34; N.N.B.W., II, kol. 782 - 784 (C. de Waard). - Deze
zoon van de astronoom
Philips Lansbergen was te Goes geboren,
studeerde theologie en medicijnen, was eerst predikant te 's-Gravenpolder (1609
- 1611) en Goes (1611 - 1613) en vervolgens medicus in Goes, in Middelburg en
sinds 1651 in Den Haag.
234Jodoci Lareni Epistola ad rev. ac clarissimum
virum D. Guilielmum Apollonii V. D. Ministrum fidelem, in quâ breviter
deteguntur mendacia & calumniae libelli famosi, maledicentissimi, cui nomen
Grallae. Psalm. 140. 12. Vir maledicus non stabilietur in terrâ.
Medioburgi Zeland. Apud Jacobum Fierensium, Bibliopolam, sub insigni Globi,
anno 1646 (II, 16 blzn.; 8vo) (U.B., Leiden; U.B., Gent).
235Grallopoeus detectus sive epistola responsoria
Guilelmi Apollonii ad cl: & vene-randum virum D. Jodocum Larenum Verbi Dei
apud Flissingenses ministrum. In qua disseritur de Grallarum authore, scribendi
methodo, vitijs, & synopsis proponitur doctrinae de jure majestatis circa
sacra. In Grallopoeum. Tit: l. 10. 11. 12. 13. 14. Sunt enim multi subjici
nescij, & vaniloqui, & mentium seductores, maxime qui sunt ex
circumcisione. Quibus oportet os obthurare, qui totas domos subvertunt,
docentes quae non oportet, turpis lucri gratia. Dixit quidam ex ipsis proprius
ipsorum propheta, Cretenses semper mendaces, malae ferae, ventres pigri.
Testimonium hoc est firmum, quam ob causam eos redarguito praecise, ut sani
sint in fide. Medioburgi Zeland. Apud Jacobum Fierensium. Bibliopolam, sub
insigni Globi, anno 1646 (IV, 94 blzn.; 8vo) (U.B., Leiden; U.B., Gent).
236Verantwoordinghe D. Petri Lansbergii jeghens
sekeren brief van mr. Guilielmus Apollonii aen mr. Joos van Laren geschreven
den xvj. Decemb. 1647. l Corinth. 13. 5. De liefde en draeght haer niet
oneerlijck, &c. Sy en wort niet verbittert; sy en denckt geen quaet. Tot
Middelburgh, gedruckt by Anthony de Later, boeckverkooper, op de Groote Marckt,
1647 (24 ongen. blzn.; 8vo) (U.B., Leiden; Pamflet Van der Wulp, no.
2899).
237Naerder apologie Petri Lansbergij op de
calumnien van M. Willem Apollonius, predikant der stadt Middelburgh. Psalm 18.
27. Heere, by den reynen zijt ghy reyn, by den verkeerden zijt ghy verkeert.
Tot Middelburgh, gedruckt by Anthony de Later, boeckverkooper, woonende op de
Groote Marckt. Anno M.DC.XLVII. (24 ongen. blzn.; 8vo) (U.B., Leiden; Pamflet
Van der Wulp, no. 2900).
238Guilelmi Apollonii Corte verantwoordinge op de
Apologien van
Pieter Lansbergen gewesen en ontslagen
predicant en nu medicijn meester, ghestelt en voor gedragen aen alle de
litmaten der gemeente Christi. Tot Middelburgh. Tot Middelburgh, by Iaques
Fierens, boeck-vercooper, inde Gist-strate inde Globe. M.DC.XLVII. (36 blzn.;
8vo) (U.B., Leiden; Pamflet Van der Wulp, no. 2901).
239Ontdeckinghe der schanden van mr. Apollonius,
begaen in het excuseren van sijn ghedaen lasteren teghen Petr. Lansbergium. Dat
is:
D. Petri Lansbergii Weder-antwoorde op de
korte verantwoordinge van M. Apollonius. Apoc. 22. 11. Wie onrecht doet dat hy
noch onrecht doe; wie vuyl is dat hy noch vuylder werde: wie rechtveerdigh is
dat hy noch rechtveerdigher werde. Tot Middelburgh, gedruckt by Anthony de
Later, boeckverkooper, op de Groote Marckt. 1647 (56 blzn.; 8vo) (U.B., Leiden;
Pamflet Van der Wulp, no. 2902).
240Responsio ad Grallarum authoris anonymi
Bombomachiam Vlissinganam. Mediob., 1647 (VIII, 64 blzn.; 8vo). - Aldus de
titel in het Biogr. wdb. v. Protest. godgel., V, blz. 589, waar als vindplaats
de Nat. Bibl. te 's-Gravenhage wordt genoemd. Het pamflet blijkt daar echter
niet aanwezig te zijn. (U.B., Gent).
241Convictio praecipuorum mendaciorum,
calumniarum, ac sophismatum, quibus larvati cujusdam turbonis maledicentissimi
libellus famosus passim interpolatur: seu brevis responsio ad libellum cui
titulus Grallator furens. Mediob., 1648 (XVI, 184 blzn.; 8vo). - Aldus de titel
t.a.p. (U.B., Gent).
242Data pensa trahemus; seu, ad colum
Flissing-anus, a larvato Furente Grallatore ... Jodoci Lareni ... responsio ...
Medioburgi, 1649 (XIV, 446 blzn.; 8vo) (Pamflet Broekema, no. 1023; U.B.,
Gent).
243* Vindex coetus Zelandici ofte bescherminghe
raeckende den coetum, gehouden in Zeelandt in den jare 1613; teghen de
onghegronde ergherlicke beschuldinghen van
Pieter Lansbergen, nu medecynmr. die hy in
zijne twee verandtwoordingen onlanghs achter een in druck wt gegeven heeft.
Middelb. by
J. Fierens 1648 (8vo). - Aldus de titel
bij De la Rue, blz. 47, aangevuld met die van de Catalogus van de Prov. Bibl.
v. Zeeland, II, blz. 35. - Het ex. uit deze bibl. is verbrand.
244* Index errorum coetus Zelandiae, dat is
aanwyser van de erreuren en fouten by den coetus Zelandiae begaen in den jare
1613, tegens D. Philippum ende Petrum Lans-bergium uytgegeven enz. Middelb. by
A. de Later, 1648 (8vo). - Aldus de titel bij De la Rue, blz. 411. Vgl. Biogr.
wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 721. V, blz. 565.
245* Expurgatio calumniarum ofte uytsuyveringhe
der lasteringhen en fouten uytgegeven teghens den Vindex coetus Zeelandiae enz.
Middelb. by J. Fierens, 1648 (8vo). - Aldus de titel bij De la Rue, blz. 47.
Vgl. Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 721, V, blz. 565.
246* Toolschen schouw-veeger. Dat is: Antwoorde D.
Petri Lansbergii, op het vuyle uyt-ghegeven boecxken Jacobi Bursii, genaemt
Expurgatio errorum, etc. Middelb., 1648. - Aldus de titel in het Biogr. wdb. v.
Protest. godgel., I, blz. 722. Vgl. t.a.p., V, blz. 565.
247* Goeschen stille-vaegher; ofte beesem om mr.
Pieter Lansberghens billekladden af te vaeghen ende sijne wt-stekende
leugenstrepen voor de derde mael oprechtelijck en naecktelyck te verthoonen.
Beschreven door Jacobu Bursium. Tholen, 1649. - Aldus de titel in Biogr. wdb.
v. Protest. godgel., I, blz. 722, verbeterd naar V, blz. 564. Vgl. De la Rue,
blz. 47.
248* Toolschen taback-roocker. Dat is antwoorde
... op M. Iacob Bursii boecxken genaemt Goessen stille-vager. - Aldus de titel
in Biogr. wdb. v. Protest. godgel., V, blz. 565.
249* Petri Lansbergii kort bericht teghen de
infame leughenen onlangs uytghegheven onder den verzierden naam Ymant
Velleplooter. Middelb. by A. de Later, 1648 (8vo). - Aldus de titel bij De la
Rue, blz. 412. Vgl. Biogr. wdb. v. Protest. godgel., V, blz. 565.
250E. van Meteren, Historie der Neder-landscher
ende haerder na-buren oorlogen ('s Graven-haghe, 1623), kol. 306 r°. - Vgl.
de uitspraak van Paul Fredericq, L'influence du Calvinisme sur les
libertés modernes (Bulletin de la Société d'histoire du
Protestantisme belge, 1909, no. 6), p. 11: ‘On a dit avec raison, que le
Calvinisme, secte ardente, intransigeante, indomptable, a sauvé le
Protestantisme. Mais je crois pouvoir ajouter, qu'il a sauvé aussi les
libertés publicques’.
251G. C. Udemans, 't Geestelyck roer 2
(1640), t.a.p., blz. 407, 415, 441, 459.
252Von Winning, t.a.p., blz. 125, aangehaald uit
De Brune's Grond-steenen (1621), blz. II.
253Zie over hem hierna, blz. 435.
254Cantique des victoires obtenues par l'illustre
prince Maurice de Nassau, gouverneur et capitaine general des Provinces unies
du Païs bas: accompagné d'un ample discours, touchant la defaite de
l'armée du Duc Albert, aupres de Nieuport, le 2me de Juillet, 1600.
Ensemble, un sonet à son Excelence, un au Prince Henri son frere, et un
autre pour la conclusion de ce cantique. Le tout par J. Coutereels, d'Anvers. A
Middelbourg, chez
Richard Schilders, imprimeur de Messieurs
les Estats de Zelande, 1600 (20 blzn.; 4to) (Pamflet Knuttel, no.
1140).
255Vgl. hierna, blz. 234.
256Vgl. voor de volledige titel hierna, blz. 378,
noot 135.
257Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 25; N.N.B.W.,
III, kol. 104 (C. de Waard); Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 442 -
443. - Hoewel in Dordrecht geboren, was hij onder het rectoraat van
Abraham van der Meer leerling van de
Latijnse school van Vere, en studeerde hij op kosten van deze stad. In 1610
werd hij lidmaat te Zieriksee, waar Adriaen Hoffer een bloedverwant van hem
was. In 1621 trouwde hij er met een Zierikseese:
Anna Jacobsdr. de Witte.
258Iehovah Nissi ofte
Keeten-slachs-ghedenck-teecken ende baniere: op-gherecht tot gedachtenisse van
des Heeren wonderlijcke verlossingen, victorien der Vereenichde Nederlanden,
ende insonderheyt van die heerlijcke overwinninghe der conincklijcke Spaensche
vlote, op de stroomen van Zeelant, tusschen Vianen ende Stavenisse, genaemt de
Keeten. Om tot ware danckbaerheyt alle menschen over soo veel verlossingen en
overwinningen, ende insonderheyt over dese laetste verkregene victorie vanden
13. September 1631. op te wecken, uyt den Psalm 126. 3. De Heere heeft groot by
ons ghedaen, dies zijn wy vrolijck. Seer nut ende dienstich om op alle
Bidt-dagen, Danck-dagen, en tijden van blyschap, wanneer wy Gods weldaden
moeten gedencken, gebruyckt te worden. Door een Beminder des Vader-landts, en
Dienaer des Goddelijcken Woordts. Tot Middelburgh, ghedruckt by Hans vander
Hellen, woonende op de groote Marct, in 't wapen van Audenaerde, anno 1631
(XVIII, 102 blzn.; 4to) (Prov. Bibl. v. Zeeland, Middelburg). - Het traktaat is
opgedragen aan
Frederik Hendrik.
259Schrick van Vlaenderen en Brabandt, &c.
Aenghedaen door sijn Hoogheydt Fredrick Hendrick, Prince van Oraengien. Met den
op-tocht, belegheringhe, en in-nemen van de stercke stadt Hulst. Tot
Middelburgh, ghedruckt by
Anthony de Later, ordinaris Stadts
drucker, woonende op de Groote Marckt, inde Bontekoe. 1645 (28 blzn.; 4to)
(Pamflet Knuttel, no. 5210). - Andere drukken: Pamflet Knuttel, nos. 5211 -
5213 (1645), 5336 (1646). - In zijn ‘Spiegel voor de jeucht’ (1664)
schrijft hij, dat zijn ‘Schrick van Vlaenderen’, ‘welcke rou
en incompleet voor desen is uytghegaen’, vervolgens ‘soo rou wel
tienmael (is) herdruckt’.
260Spiegel voor de jeucht, daer in oude en jonghe
konnen sien de wreede tyrannijen, en moordadigheden ghepleeght in meest alle de
deelen vande wereldt, niet alleen in Hoogh-Duytslandt, Nederlandt, Vranckrijck,
Yerlandt, maer oock in West-Indien, en 't eylandt van Formosa, en insonderheyt
in de valleyen van Piemont. Oft cracht des geloofs, vertoont door de liefde en
weldadigheyt aen de huys-ghenooten des gheloofs. Nuttigh om de jeught van
joncks af ingeplant, en van alle Christenen jonck en out, verstaen en
ghepractiseert te worden. Door Cornelis Beuckelaer, bedienaer des H.
Evangeliums Ter Veere. Gal. 6. 10. Soo dan dewyle wy tijdt hebben, laet ons
goet doen aen allen, maer meest aen de huys-genooten des gheloofs. Phylem. v.
6. Wy hebben groote vreughde en vertroostinge over uwe liefde, dat de
ingewanden der heylighen zijn verquickt gheworden door u broeder. Ghedruckt tot
Middelburgh, by Iacobus de Later, voor
Iohannis de Somer, boeck-ver-cooper
woonende inde Kerck-strate, Ter Veere. Anno 1664 (32 blzn.; 4to) (Pamflet
Knuttel, no. 8991). - Beuckelaer droeg dit werkje op aan Aemilia, de weduwe van
Frederik Hendrik, ‘wiens gunste en aen-spraecke ick menighmael, soo in de
leghers als elders, de eere ghehadt hebbe te ghenieten’.
261Zie over hem: De la Rue, blz. 573 - 574;
Nagtglas, I, blz. 382; N.N.B.W., I, kol. 1110 - 1111 (C. de Waard); Biogr. wdb.
v. Protest. godgel., IV, blz. 20 - 22; De Vos, De vroedschap van Zierikzee,
blz. 284. - Zijn vader,
Wouter Claesz. van Heyst, was uit
Antwerpen afkomstig, zijn moeder,
Adriaantje Jans, van Poortvliet. Hij
studeerde te Leiden zowel in de theologie als in de geneeskunde en werd doctor
in de medicijnen. Hij trouwde in 1640 te Brouwershaven met
Jacomina Schoonenbooms van
Middelburg.
262Ontdeckinghe vanden raed Achitophels.
Vyt-ghegheven onder den onsaligen, ende vermomden tijtel van Rijpen raed, ende
salighe resolutie, etc. Door den vaderland recht-lief-hebbenden patriott I. v.
H. Proverb. 26. 4. 5. Andwoord den dwasen niet na zijne dwaesheyd, dat ghy hem
niet ghelijck en wordet. Andwoord dan noch den dwasen na zijner dwaesheyd, dat
hy hem niet en laet duncken dat hy wijs zy. Tot Ziericzee, ghedruckt voor
Balthazar Doll, boeck-vercooper, woonende op den Dam. Anno 1636 (LVIII blzn.;
4to) (Pamflet Knuttel, no. 4435). - Vooraf gaat een lofdicht van C(ornelis)
B(oey) I. C ti. - Het pamflet, waartegen Van Heyst zich richtte,
bleef mij onbekend.
263Op-weckende of hemelsche basuyne, aenden
slaep-suchtighen Nederlander. over de vijf eerste veersen van het tweede
capittel Judicum, ghepast op den teghenwoordighen tijd, ende staet des lands.
Door Ioannem van Heyst, bedienaer des heylighen Euangelij tot Brouwers-haven,
ende Medicinae Doctoris. Psalm 48. 13. 14. Maeckt u om Zion, en omvanghtse,
ende teld hare torens: leght neerstigheyd aen hare mueren, ende verhooghd hare
palleysen: op datmen daer van vercondighe by den na-comelinghen. Tot Ziericzee,
ghedruckt voor Balthazar Doll, boeck-vercooper, woonende op den Dam. Anno 1636
(XVI, 168 blzn.; 4to) (U.B., Amsterdam; U.B., Leiden). - Van Heyst droeg dit
werk op aan de regeringen van zijn geboorte- en zijn woonplaats.
Abraham van der Meer, rector van de
Latijnse school van Zieriksee, schreef er een lofdicht voor.
264Zie over hem: De la Rue, blz. 293 - 294;
Nagtglas, I, blz. 87; Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 678; J.A.
Cramer, De theologische faculteit te Utrecht ten tijde van
Voetius (Utrecht, 1932), blz.
323.
265* De baniere des Heeren, ofte victory-vlagge,
op-ghesteken ter gedachtenisse van die ... victorye, die de Heere ons heeft
verleent over de machtige Spaensche vlote, den 21. ende eenighe volghende
daghen van October anno 1639. Onder het beleydt van ...
Maerten Harperssen Tromp, ... door
Martinum Bruynvisch, bedienaer des H. Evangelij ... tot Ziericzee ... Tot
Ziericzee, ghedruckt voor Balthazar Doll, ... anno 1640 (40 blzn.; 4to) (Prov.
Bibl. v. Zeeland, Middelburg). - Aldus (enigszins aangevuld) bij: J. Broekema,
Catalogus van de pamfletten, tractaten, enz. aanwezig in de Provinciale
Bibliotheek van Zeeland, I (1568 - 1795) (Middelburg, 1892), no. 804. - Ik zag
het geschrift niet.
266G. C. Udemans, Laetste basuyne 2,
t.a.p., blz. 249.
267Joos Claerbout, Droef-bly-eyndig vertoog,
t.a.p., blz. 3.
268In zijn onuitgegeven gedichten; vgl.
hiervóór, blz. 122.
269Willem Teelinck, Davids wapen-tuyg (Amsterdam,
1622), blz. III - IV.
270T.a.p., blz. V. - Ook Eewoud Teelinck
verheerlijkt Maurits bij meer dan één gelegenheid, o.a. in zijn
‘Querela Patriae’ (1617), blz. 23.
271Zie over hem: De la Rue, blz. 139 - 140;
Nagtglas, II, blz. 448 - 449. - Hij was een kleinzoon van
Pierre Loyseleur de Villiers.
272Den strick vanden openbaren lasteraer, oft
wederlegginghe vanden Hollandtschen Apocalypsis. Door Petrum Quesnelium Ium.
Middelb. Wie teghen sijnen naesten een valsche ghetuychenisse spreeckt, die is
een spiesse, sweert ende een scherpe pijle. Prov. 25. 18. Doch God salse
haestelick schieten, dat het hen wee doen sal. Tot Delf, voor
Felix van Sambix, anno 1626 (II, 46 blzn.;
4to) (Pamflet Knuttel, no. 3680; Pamflet Tiele, no. 2136). - Vgl. J. Bax,
Prins Mauritsin de volksmeening der 16e en
17e eeuw (Amsterdam, 1940), blz. 203 - 204.
273Vgl. Bax, t.a.p., blz. 247, 253, 268,
277.
274Vgl. Van Vloten, Middelburgs beleg en
overgang, t.a.p., blz. 120; E. Valvekens, De laatste kloosterlingen der abdij
van Middelburg (Annales Praemonstratensia, 9 (1933), blz. 97 - 135).
275Het tweede stel jaartallen achter de namen
der predikanten geeft de jaren aan, die ze als dienstdoend predikant in de
betreffende plaatsen hebben doorgebracht.
|
|