VI. Wetenschap en kunst na de Reformatie
Hoezeer het kulturele leven in Zeeland na de Reformatie een opvlucht
heeft genomen blijkt o.a. uit de ontwikkeling van de boekdrukkunst en de
uitgeverij, van de schilderkunst en van het onderwijs. Het zou echter onjuist
en onbillijk zijn, dit op de debetrekening van het Calvinisme te boeken en de
kerk der Middeleeuwen te verwijten, dat ze de bloei van deze uitingen van het
kulturele en het kunstleven heeft verijdeld. Op zijn hoogst kan men dit beweren
van de boekdrukkunst en de ontwikkeling van de uitgeverij in Zeeland. De
schilderkunst daarentegen dankt haar opkomst alleen aan de economische
structuur van de zeventiende-eeuwse samenleving, die eveneens de oorzaak werd
van de vlucht, die het onderwijs in de nareformatorische tijd heeft
genomen.
Niettemin geldt voor de wetenschap en de beeldende kunsten hetzelfde
als voor de letterkunde: ook op deze terreinen is Holland van meet af de
meerdere van Zeeland. Men kan dit toeschrijven aan het feit dat de voor Holland
en Zeeland bestemde hogeschool in Leiden en niet in Middelburg gevestigd was,
en zeker verklaart dit althans goeddeels waarom in Zeeland het intellect niet
in die mate op de voorgrond trad als in Holland. Alleen maakt dit nog niet
duidelijk, waarom ontdekkers en uitvinders als
Christiaan Huygens,
Van Leeuwenhoek en
Swammerdam, die buiten universitair
terrein hun onderzoekingen verrichtten, in Zeeland niet gevonden werden.
Philips Lansbergen, de astronoom, en
Isaac Beeckman, de natuurkundige, zijn
tenslotte toch niet van gelijk formaat als de zojuist genoemde Hollanders, en
de laatste bracht bovendien zijn werkzaamste jaren in Holland door. Met de
schilderkunst is het al evenzo gesteld. In steden als Delft,
Dordrecht en Haarlem, economisch de mindere van
Middelburg, vormden zich schildersscholen, waartoe de beroemdste kunstenaars
van de zeventiende eeuw behoorden, terwijl Middelburg geen luisterrijker namen
kan noemen dan die van
Adriaen van de Venne en
Ambrosius Bosschaert, een Delftenaar en
een Antwerpenaar.