Remco Campert dichtte:
Cees Buddingh' zegt: ‘De mensen lachen vaak om dingen waar helemaal niet om te lachen valt. Neem nou es die “kachel-cyclus” die ik geschreven heb: dertien manieren waarop je een doodgewone kachel kunt bekijken. Een van die manieren is:
Daar lachen de mensen dan om, terwijl het hier eigenlijk gaat om een van die essentiële bronnen van het menselijk tekort waar altijd zoveel over gezeurd wordt. Ze lachen uit misverstand, ze lachen om het misverstand. En ik wil niet aansprakelijk gesteld worden voor de misverstanden die ik zelf opwek, haha!’
Dichter, romancier, sportjournalist, televisiepresentator, vertaler, criticus, toneelschrijver, hoorspelbewerker, detectiveschrijver, citatenverzamelaar en aforistisch denker Cees Buddingh' (52) dankt zijn succes en gemoedsrust aan een van understatement doortrokken schrijf- en levensstijl. Een korte, vriendelijke pijproker, immer gehuld in een bijna tweedehands tweedjasje, bezitter van een hoogst ongebruikelijk stemgeluid: hoog en lijzig tegelijkertijd.
‘Het eigen Buddingh'-geluid,’ zegt hij zelf, ‘zoals dat, vooral na '56 ook in mijn poëzie doorklinkt, is gebaseerd op het principe van de gewone spreektaal waarin ernst en humor nuchter en laconiek op louter constaterende toon ten gehore wordt gebracht.’ Het maakte hem tot een van de populaìrste dichters in deze drassige dreven: van zijn laatste twee bundels werden in to-
taal al meer dan 12.000 exemplaren verkocht, een ongehoord resultaat ook voor de voordrachtskunstenaar Buddingh' die voor het eerst eigenlijk ‘ontdekt’ werd op de grote poëzieavond (1966) in het Amsterdamse Carré.
Daar droeg hij zelf, stomverbaasd over de razend enthousiaste bijvalsbetuigingen uit de zaal, enige van zijn ‘toevallig genoteerde’ ontboezemingen voor die snel hoog genoteerd kwamen te staan op de letterkundige hitlijsten van de middelbareschooljeugd. Zoals het vers over de dekseltjes van het Marmite- en Heinz-sandwichspreadpotje die, na een proefondervindelijk onderzoekje, onderling verwisselbaar bleken.
Buddingh': ‘Het was niks bijzonders, het was eigenlijk ook niet om te lachen. Daar heb je 't weer: dat misverstand. Het was gewoon een typische ervaring aan de ontbijttafel die ik verstrooid opschreef. Ik schroefde bij vergissing de dekseltjes op de verkeerde potjes; nou zijn er grote ontdekkingen in de wereldgeschiedenis (bijvoorbeeld de penicilline) óók bij vergissing gedaan - dit was een kleintje, maar op hetzelfde principe gebaseerd. Nou, en zo'n levenswijsheid wil je je lezers natuurlijk niet onthouden!’
Het gewone is hem niet gewoon genoeg (hij kan je genoeglijk vertellen hoe hij tijdens een radio-poëziewedstrijd-voor-de-jeugd de opdracht kreeg een versje over ‘blubber’ te vervaardigen en ‘ook nog de hoogste punten kreeg’), hij wil tot het uiterste toe relativeren.
Na in In Den Gulden Winkel gedebuteerd te hebben met ‘Military Service Blues’ (‘ik was niet uit dienst, er ging een goed vaandrig der wielrijders aan mij verloren’) werd hij ziek en vertoefde lange tijd in een sanatorium: ‘Je moet 't niet zo zwaar zien. Ach, er gingen wel mensen om mij heen dood, dat was verschrikkelijk, aan de andere kant was 't oorlog en buiten gebeurden veel ergere dingen dan waar ik verbleef. En je moet je zo'n sanatorium niet als bron van totale rust voorstellen. 't Kon er verdomd rumoerig zijn.’
Ondanks dat gedruis vervaardigde hij in die tijd revolutionaire poëzie waaronder het poëem over de befaamde Blauwbilgorgel:
Later kwam er een bundel als De laatste der Mohikanen (met invloeden van Eluard en Breton) waarin hij zich een duidelijke voorloper van de latere Vijftigers toonde, de dichtersbeweging waarover hij het eerste essay schreef: ‘Ik was gewoon ouder, hè, ik had de Franse surrealisten gewoon veel eerder gelezen. Ik was blij toen die Vijftigers plotseling losbarstten: 't was toch ook mijn ideaal.’
In het begin van de jaren vijftig hield hij zich in leven door te vertalen (Forsyte Saga bijvoorbeeld en een complete hervertaling van Burgersdijks Shakespeare-omzetting) en te schrijven, ‘weer wat later door te schrijven en te vertalen, en nu godzijdank praktisch alleen door te doen waar ik zin in heb - mijn ideaal is: twee boeken per jaar. Dat moet kunnen, hè.’
Buddingh' (wiens achternaam een samentrekking is van Budding Heer: ‘Tja, die komma symboliseert dan de weggevallen eer in de familie’) komt uit een oud Dordts geslacht. In het grijze verleden bracht de familie ook nog een schrijver Buddingh' voort die een standaardwerk in twee delen schreef over oude drinkgebruiken. Cees leende het uit de openbare bibliotheek en bevond het ‘nogal saai, hè’.
Al zijn arbeid geschiedde tot voor kort op zijn Dordrechtse werkkamer in gebouw Pictura, tegenwoordig werkt hij thuis, ook in Dordrecht: ‘Ik heb hier een geweldige plezierige jeugd gehad (soms dacht ik wel es: kan je met zo'n gelukkige jeugd wel schrijver wezen?), ik vind 't in Dordt nog steeds fijn.’
Naast vertaal- en schrijfwerk produceerde Buddingh' ook nog twee Prisma-citatenbijbels waarin onder anderen een zekere Jan de Boisson honderdvijftig puntige gedachten ten beste geeft - zoals: ‘Hoe leger het hoofd is, hoe minder men erin kan gieten.’ De Boisson/Buddingh': ‘Het aforisme wordt hier verwaarloosd. Nederland wil preken horen; hoe langer de preek hoe beter, hoe korter het aforisme des te beter. Mij gaat 't om een reëlere benaderingswijze - poëzie wordt hier vaak gelijkgesteld met het tragische. Als je in Nederland zegt: ik voel me beroerd, dan wordt je automatìsch hoger aangeslagen dan wanneer je je plezierig voelt. Ik heb 't persoonlijk uitstekend naar m'n zin.’
Na ‘een schokkerige poëtische carrière’ ontdekte hij langzamerhand een gerichte hang naar ‘de ogenschijnlijk gewone situaties in het ogenschijnlijk gewone leven’. Zo signaleert hij in een van zijn gedichten de ‘oude linksbuiten Glimmerveen’ die tijdens voetbalwedstrijden in het vooroorlogse ods geplaagd werd door een steeds uit de kniekom schietend onderbeen; dan liep de voetballer even uit het veld, sjorde de onderhavige ledematen weer in elkaar en huppelde lustig verder:
Hier mengt zich de sportliefhebber Buddingh' in het spel, de sportjournalist die elke week in de Haagse Post een column over voetbal (voor zijn ziekte was hij een verdienstelijke voetballer, volgend seizoen gaat hij weer cricketen), tennis, cricket, ijshockey of atletiek ten beste geeft. ‘Sport fascineert me om-
dat 't dramatisch is en volstrekt onbelangrijk tegelijkertijd - sporten waarin ook minder gelegenheid tot spanning geboden wordt zoals zwemmen (als iemand vier meter voor ligt is het drama al voorbij) of basketbal liggen me minder. Maar ik vind elke sport wel fijn om naar te kijken.’
Het dramatische plus het onbelangrijke combineren zich ook in zijn ‘readymades’ oftewel ‘gevonden tekstvoorwerpen’ zoals de bezitter van de mo-a-akte Engels het snel vertaalt (dit papiertje plus een jarenlange traditie van vakanties in Londen en op het Britse platteland stelt hem in staat vier uur per week Engelse vertaalles te geven aan het instituut voor de opleiding tot vertaler en tolk in Amsterdam).
Buddingh': ‘Zo'n readymade kan verrassend zijn, onthullend door de relatieve context. Ik gebruikte eens een briefje dat mijn zoontje Sacha van de kleuterschool meekreeg en waarin stond dat door de moord op Kennedy de ouderavond twee weken verzet werd. Ja... Zoiets gewoons tegenover zoiets ongewoons. Alsof twee weken later de wereld beter zou zijn. En dan nog die verhullende tekst: door de gebeurtenissen in Amerika. Ik heb dat briefje gewoon zo als gedicht gebruikt. Politiek... wat dat betreft ben ik principieel. Ik word erdoor bewogen. Al dat opportunistische. Ze zijn de tweede klas kleuterschool nog niet te boven. De eerste net...’
Via de tekstuele objects trouvés komt het gesprek op de dichter Armando die dit letterkundige procédé als een van de eersten in Nederland gebruikte. Buddingh': ‘Armando schreef ook de teksten voor Poets die ik voor de tv presenteerde. Nee, ìk hou er nìet van om op straat herkend te worden. Ik hou er niet van om mezelf te verkleden. Ik doe 't niet meer.’
Buddingh', definitief tv-presentator af, gaat door met zijn normale arbeid. ‘'s Morgens ga ik naar boven en doe wat er gedaan moet worden. Het gevoel is als God: overal merkbaar, nergens aantoonbaar. Dat is het ideaal.’