|
|
|
| |
| | | |
Gerrit Kouwenaar
Het begin van de film: luciferdozen zeilen in vliegtuigformatie over Nederland,
geluid van bommenwerpers daaronder. Het slot: interieur van een vliegende
schotel die zich van de aarde verheft, hand pakt achteloos luciferdoosje.
Verbeelding van een onvoltooid verleden tijd: Snelheid '40-'70,
de documentaire die cineast Johan van der Keuken en dichter Gerrit Kouwenaar in
opdracht van de gemeente Amsterdam vervaardigden ter gelegenheid van
vijfentwintig jaar bevrijding.
Gesprek met Gerrit Kouwenaar (46), in zijn ‘keurige burgermanswoning
boven de viswinkel’ die hij bedaard deelt met echtgenote Paula, een
zoontje van negen plus laks lopende tekkel, in haarvorm en bedachtzaam voorkomen
het evenbeeld van de poëet.
Kouwenaar heeft zich de laatste tijd wat teruggetrokken, voorzien van
schrijversstipendium en een enkele kloeke toneelvertaling (Koning
Jan van Dürrenmatt staat nu op het programma); zijn leven
speelt zich voornamelijk af in de woning naast de drankwinkel die gelukkig
Franse brandewijn verkoopt ‘zonder die velpon-achtige bijsmaak van de
Hollandse’, ergens achter het Amsterdamse Concertgebouw, hetzelfde
decor waarin zijn jeugd zich voltrok: ‘De kalme burgermannenbuurt,
niet veranderd sinds die jaren dertig, een vader die journalist was bij de
nrc
, meer een grootvader eigenlijk.’
Gerrit ging als zeventienjarige de oorlog in, ‘die ontploffing die we
allemaal aan hadden zien komen, sinds zevenendertig al’, een explosie
die met drastische milieuverandering in huize Kouwenaar gepaard ging. Zijn vader
werd gepensioneerd en ging buiten, in Bergen, wonen. Pas twee jaar later trok de
zoon ‘het volle leven’ in: Amsterdam 1942.
‘Een stad vol gevaar, vol spanning, gekoppeld aan de atmosfeer van die
| | | | tijd. Weinig mocht, weinig te koop. Razzia's. Ik woonde in een
treurig huis in de Jordaan. Rozenstraat. Daar ben ik in '43 opgepakt wegens
publicatie in een illegaal blaadje, niks bijzonders hoor, vervolgens een
halfjaar in de gevangenis.’
Een sterk beeld van die tijd kan Kouwenaar nu niet meer reproduceren, het lijkt
alsof hij ook in die tijd ‘een buitenstaander van zichzelf
was’. Het goed en fout in de oorlog relativeert hij:
‘Achteraf, en wellicht ook toen, zijn de dingen begrijpelijker - hoe
mensen erin gerold zijn, uit slapheid, naïveteit, uit onverteerbare
rancune. In die tijd lag 't allemaal wat simpeler, je was goed, of je was fout.
En niemand was verplicht om fout te zijn, hè.’
Na een halfjaar aan de Amstelveenseweg te hebben vertoefd kreeg
‘boffer’ Kouwenaar ‘een heus procesje. Ik kreeg
een halfjaar met aftrek en ik had precies die tijd uitgezeten dus ik werd
vrijgelaten, dook meteen onder.’
De belevenissen tijdens de oorlog schakelt hij gelijk met ‘een periode
die sowieso belangrijk in ieders leven is: volwassen worden. De oorlogstijd
verhevigde, geloof ik, alleen maar dat proces.’
Inmiddels was zijn familie ‘fleurig weggedreven en woonde in een
rustiek villaatje’, hoefde zich niets aan te trekken van de wijze
waarop Gerrit Kouwenaar, niet geheel in de traditie van zijn milieu, doorging,
het moest gewoon wel, met dat kleur bekennen en direct na de oorlog deswege bij
De Waarheid ging werken.
Was hij een overtuigd communist in die tijd? Kouwenaar betwijfelt ook dat:
‘Wat is een overtuigd communist? Weet ik veel van wat ik
vijfentwintig jaar geleden dacht. Ik stond wel voor de zaak, geloof ik, of ik
het verstandig en juist beredeneerd had, weet ik eigenlijk niet.’ Wel
had De Waarheid, zoals hij zegt: ‘Niet dat smoel
dat 't nu heeft. 't Was gewoon een van de weinige kranten (met Trouw, Het Parool) die goed waren.’ PvdA-stemmer Kouwenaar
stelt wel rustig vast dat van alle idealen die hij en de zijnen van indertijd
(Jan Spierdijk, A.J. Koejemans, Jan Brusse, Jan Vrijman) hadden
‘niets maar dan ook niets uitgekomen is’. Trouwens, de
kunstcriticus Kouwenaar denkt met iets van walging terug aan die prille
naoorlogse jaren ‘toen er een vacuüm op kunstgebied
bestond waar je nu geen idee van hebt. De groten van voor de oorlog waren ook de
groten van na de oorlog.’
Wat lacherig memoreert hij zijn als 22-jarige geschreven kritiek op schilder
Carel Willink, stelt nogal bitter vast dat Hans Gomperts de eerste indruk van
Atonaal als een lachertje wegschreef, dat een
tentoonstelling van Picasso ondermaatse krantenkritieken kreeg, dat enige
versvorm buiten het klassieke ‘pomperomperomsonnet’ geen
instemming kon vinden dan binnen de zeer kleine groep die zich later als Cobra
zou manifesteren, een kunststijl die | | | | hem nog steeds, lijkt 't, met
wat weemoed, gepaard aan trots, vervult (‘Wat is er nou op
poëziegebied na de Vijftigers voor nieuws gekomen?’).
De aarzelende poging van de verslaggever om hem op de drastische
poëzievernieuwing van de Zeroïsten te wijzen, doet hem
enigszins verdrietig achter de snor wegkruipen: ‘Moet je nagaan, we
gingen met die Zero-jongens om, als kunstbroeders. En daar laten ze je dan
opeens in de steek.’ Na enig aandringen wil hij wel wat
Nul-poëzie mee matig waarderende adjectieven bedelen, vraagt zich dan
sobertjes af wat de Barbarber-jongens nou eigenlijk met de
verworvenheden van Armando en Sleutelaar gedaan hebben: ‘Verdorie,
als ik de poëzie van Bernlef lees, met waardering hoor, dat wel,
krijg ik 't idee dat-ie net zo dicht als ik!’
De Koude Oorlog liet de ietwat secundair reagerende jongeman niet geheel koud:
‘Och, ik ging wel weg uit De Waarheid, maar ook die
daad ging niet met veel kracht gepaard, hoor. Daarna kwam trouwens direct Cobra
en daarin kon je je politieke ideeën ook wel kwijt. We waren beslist
links, ja.’
Hij dempt redenaties over motieven die in het verleden tot daden brachten,
politiek, artistiek, graag af. ‘De motieven moeten zuiver geweest
zijn, anders had ik bepaalde essentiële dingen nooit
gedaan.’ Beantwoordt de stellige constatering van een hem sterk in de
greep houdende naïviteit met de woorden: ‘God, zeker wel,
die oorlog was trouwens een naïeve tijd.
Ik herinner me nog dat die tijd na de oorlog begrippen als links en rechts nog
niet zo vaststonden. De drie goeie kranten hadden bijvoorbeeld voor bepaalde
klussen één auto. Zo kon het gebeuren dat ik samen met
Gerard van het Reve en Halbo Kool naar passiespelen in Tegelen ging, om die te
verslaan. Dat deed De Waarheid toen nog. Kun je
nagaan.’
Dat het feit dat zijn ‘kameraadjes van toen’ (Spierdijk,
Brusse) vaak politiek wel een ietsje anders terecht zijn gekomen dan ze zich
wellicht in de ‘vurige Waarheid-tijd’ hadden kunnen
voorstellen, stemt Kouwenaar geenszins droevig: in het begin vat hij die vraag
ook niet zo. Na enig aandringen komt dan: ‘Als ik daarover
gedesillusioneerd zou moeten zijn zou ik wel verdomde naïef zijn.
Nogmaals: die tijd was nogal argeloos. Ik denk dat die tijd nu nogal opgeklopt
wordt omdat het nu eenmaal een naoorlogse tijd was.’
Stilte. Dan: ‘Ach, hoe mal kan alles lopen, hè.’
Gaf Kouwenaar in zijn filmscriptie voor Snelheid '40-'70 zich
rekenschap van de som der gebeurtenissen tussen het begin van de oorlog en nu?
‘Nee, niet helemaal. Wat we geprobeerd hebben is om bepaalde
essentiële zaken die aan de orde waren te vertalen in een taal en
stukje werkelijkheid van nu.’
Kouwenaar over de taal en de werkelijkheid van nu: ‘Het moest geen
te- | | | | rugblik op de tijd van toen worden, vooral geen lesje. Als ik
't woord oorlog gebruik denk ik aan '40-'45, maar anderen denken weer aan
oorlogen die nu aan de gang zijn. Door de tijden heen worden mensen mishandeld.
Dat blijft actueel.’
Ook hier?
Kouwenaar aarzelt wat: ‘Nou ja, we hoeven 't niet zo ingewikkeld te
maken’, welk citaat (onverwacht als het is en ondoorzichtig) zowel
vragensteller als ondervraagde enigszins van zijn apropos brengt.
Na een onthutste stilte wordt de valse start geredresseerd; Kouwenaar:
‘Wat heeft de democratie ons nou eigenlijk gebracht? Welvaart,
betrekkelijke welvaart, verder haast niks. Door steeds maar weer naar die oorlog
terug te kijken wordt de zaak vals voorgesteld.
De oorlog mag niet als een zoethoudertje gebruikt worden, zo van: vroeger was 't
nog veel ellendiger.’
Het verzet van nu vindt hij, vergeleken met het verzet van toen, ‘heel
waardevol, heel naïef ook weer. Die Kabouters, best leuk.’
Hij gelooft wel dat met politiek meer te bereiken is. Komt dan tot de
ontboezeming: ‘Eigenlijk kan een kunstenaar niks doen tegen
maatschappelijke, politieke problemen. Ik ben geen politieke figuur. Je moet je
tenslotte enigszins maatschappelijk opstellen.’
Kunst kan, zowel in grote als in kleine zaken, volgens hem geen omwenteling
veroorzaken. Een boek als dat van Mulisch over Cuba ziet hij dan ook niet zo
zitten, hoewel hij absoluut niet wil zeggen ‘dat dat soort dingen
niet gebeuren moeten’.
Wat is dan wel de zin van die dingen die voor hem gebeuren moeten?
Kouwenaar: ‘Er wordt een mening gegeven. Die mening is er. Ik heb die
film gemaakt, gewoon omdat het onderwerp me boeide. Je moet 't niet doen om 't
effect.’
Waarop een korte discussie losbrandt over de tomatenwerpers ten tijde van de
Toller-opvoering van de Nederlandse Comedie, een voorstelling waarvoor Kouwenaar
de vertaling verzorgde. Hij levert scherpe kritiek, eerst op de tomatengooiers,
zegt daarna dat 't effect ‘misschien wel een beetje goed
was’.
Terug naar de film. Kouwenaar heeft het over 't probleem van de
‘onafgemaakte tijd’, waarmee hij de jaren '40-'45
karakteriseert. Maar het is nu eenmaal zo dat alle tijd in wezen onvoltooid moet
blijven. Kouwenaar begint over de bevrijding als abrupte cesuur, waarop de
vraag: hoe kan oorlog nou afgemaakt worden? Tenminste, anders dan door een
bevrijding? Is het niet zo dat, wanneer Kouwenaar het over de onafgemaakte
problematiek van een oorlogs- en naoorlogs verleden heeft (individueel,
maatschappelijk), hij de bevrijding in 1945 traumatisch ervaart?
| | | |
Nogmaals: ziet hij de bevrijding als een soort trauma? (‘Je kon
sigaretten krijgen en eten, er kwam een schijn van democratie, een bedrieglijke
schijn.’)
Kouwenaar: ‘Dat zou best kunnen, maar die opmerking laat ik voor wat
't is, die is voor jouw rekening.
We zijn met een zekere teleurstelling uit de oorlog gekomen, er is allemaal niets
van terechtgekomen. Dat is geen verwijt of zo. Ik probeer een situatie te
schetsen. De oorlog heeft een last op mensen gelegd die niet is verwerkt. Ach,
elk toegespitst idealisme is mij vreemd, ook de idee van Cuba, ik geloof
namelijk niet zo in de goedheid van de mens.
Je moet de dingen ongekleurder, naakter proberen te beschrijven. Zoals ik met die
film heb willen doen.’
We lopen naar beneden. In de woonkamer hangt een portret (collage) van Kouwenaar
waar hij ontzettend op gesteld is. ‘Jawel, zei de
dichter,’ staat erop geschreven. Kouwenaar glimlacht wat verlegen:
‘Ik zeg, geloof ik, nogal 'ns: Jawel.’
|
|
|