Maurice Gilliams zwijgt lang en glimlachend, kijkt geamuseerd toe hoe de verslaggever met een in gigantische maten uitgevoerde tafelaansteker van Engelse makelij worstelt, zegt dan eindelijk: ‘Dat ding is soms net zo moedwillig als zijn baas.’
Het is drukkend warm en stil in de flat, vlak bij de Antwerpse Midden Staatie - de vitrage is zorgvuldig toegeschoven en filtert het licht, onbestemd in het late namiddaguur. Af en toe piept de kanarie in zijn kooi - Gilliams plaatst een opmerking over het parkeerprobleem in België, de kwaliteit van de wegen, heftig: ‘Ach, in Holland zijn de banen gelijk een biljart, zo schoon, zo glad, zo snel.’
Een floers van verlegenheid trekt over zijn gezicht, alsof hij zich, in een onbewaakt ogenblik, vergeten zou hebben. ‘Snelheid is ook poëtisch,’ haast hij zich te verontschuldigen.
Later zou hij vertellen hoe hij, in zijn dofgrijze Karmann Gia 1500, elke dag de weg op en neer gaat naar Gent en terug. De 70-jarige dichter weer zich dan niet zelden gevolgd door de gemotoriseerde gendarmerie. Met 130 kilometer per uur neemt hij de levensgevaarlijke bochten, bij Sint Niklaas en elders, één hand aan het stuur, de ander rusteloos hanenpoten krabbelend in een immer gereedliggende blocnote; zo ontstond menig gedicht.
‘Maar zelfs die onstoffelijke snelheid is bijgeloof en heeft met de onthechting van al wat stoffelijk is, weinig van doen.’ Zijn wens gaat uit naar een Mercedes ls.
Hij is betrekkelijk klein, gaat conventioneel gekleed: een grijs pak, witte boord en manchetten, blauwgestreept overhemd, de parelgrijze das dicht toegesnoerd. Rookt aan de lopende band sigaren - één keer springt tijdens het vier uur durend gesprek, waarschijnlijk door de scherpe rook, een traan uit zijn rechteroog, blijft op de donkere rimpels boven zijn wang liggen, verdampt. ‘Als ik niet rook en geen auto rijd, dan heb ik niets meer.’
Zijn aanvankelijk vrolijke argwaan jegens het volgens hem al te nieuwsgierige bezoek gaat allengs over in vaderlijke vertrouwdheid - de ogen blijven onderzoekend kijken, soms hard, onverzoenlijk in een vriendelijk gezicht. Uiterst langzaam komt de conversatie op gang.
‘Ik vind het geweldig om in Holland een prijs gekregen te hebben, en als ge die toestanden hier zoudt kennen zoudt ge mijn vreugde op die prijs begrijpen. Ach, ik had zo graag in Amsterdam gewoond, ik gevoel me in Amsterdam veel geruster. Die jonge, arme, eenzame dichterlijke naturen als Michiels, die hier hun erkenning niet krijgen, waar ze toch wel recht op hebben...
Ik zit niet op erkenning te wachten. Toch heb ik plezier gehad van die prijs. Die Hollandse vriendschap die ik ontmoet heb, heeft me getroffen, die heb ik hier nooit verwacht. In Den Haag dacht ik steeds: ik vergis me. Dat is niet naïef... Integendeel!’
Vertelt schoorvoetend dat het onvervulbare waar hij almaar over schrijft toch ook weer een doel op zichzelf is geworden: ‘Allez, ja, ik ben op jacht naar het onvervulbare.’ Zou het ‘roerloze’ waarvan hij in zijn werk zo vaak rept dan ‘uiteindelijk Het-volkomen-onvervulbare’ in het leven zijn, of het tegendeel daarvan? Hij gelooft: ‘Die droom van het onvervulbare, die is de kracht en kan juist leiden tot het vervulbare in de mystiek.
Wat mij verwondert is, dat mensen over mijn werk nadenken. Ik hoor wel eens zeggen van schrijvers dat ze correspondentie ontvangen van hun lezers, dat is mij nog nooit overkomen. Daar in Den Haag kwamen er twee bejaarde dames op mij af en een ervan zei: “Ik had me eens voorgenomen om u een brief te schrijven.” En er stond iemand naast die zei: “U had 't moeten doen.” Ik zei: “Ja, ik weet 't niet, ik ben daar niet aan gewend. Mij schrijft niemand over mijn boeken of gedichten.” Ik denk: niemand leest mij.
Ik heb altijd compassie met de uitgevers. Vroeger drukte ik 's zondags mijn eigen boekjes in het lege drukkersatelier van mijn vader. Eerst in edities van honderd exemplaren, later vijftïg, toen werd het vijfentwintig en ten slotte zeven; ik heb mij daar nooit over verwonderd. Wel heb ik mij verbaasd om het feit dat uitgever Meulenhoff er geld in wilde steken om het uit te geven. Ik dacht steeds: Ge geraakt niet aan uw geld met die boeken van mij.
Ik had 't toch anders aan boord moeten leggen, denk ik wel, zoals de anderen die een plaats in de literatuur willen veroveren. Maar daar heb ik nooit aan gedacht.’
Zijn hand aait rusteloos over een bladzijde aantekeningen - die zijn geschreven, zegt hij, in de kamer aan de achterzijde van het huis, een vertrek waar niemand, behalve hij, ooit zal mogen komen. ‘Het schrijven,’ zegt hij, ‘gaat moeilijk. Doet pijn.
De negentiende eeuw heeft grote invloed op me gehad, al was 't alleen maar door de grote Franse schrijvers, die waren ons hier zeer nabij. Kwestie van sfeer, hè... dat ik met veel moeite Nederlands ben gaan leren... wij hadden vier uur Nederlandse les op een hele week.
Ik heb daar zeer veel last mee gehad, want toen ik om mijn papa een plezier te doen zo Vlaams begon te leren, kwam ik ergens terecht, haha, waar ik mij niet thuis gevoelde.
Ik had die Franse letterkunde meegemaakt en kwam dan terecht in die oude Vlaamse romantiek van Streuvels, ach... dat was allemaal heel braaf en de grote schrijvers die we toen al hadden kon ik nog niet lezen. Karel van de Woestijne, dat waren ontdekkingen van veel later, als ik al een beetje meer vertrouwd was met de taal.
Waarom, waarom ben ik Vlaams gaan schrijven en niet Frans? Dat is niet uit te leggen. Er zijn ook andere voorbeelden in de geschiedenis... Men kiest de taal niet waarin men schrijft, de taal kiest u, dat is een mysterie dat niemand kan oplossen. Ge hebt die Engelse auteur Conrad, een Pool van afkomst, een zeekapitein, en die Pool kende uitstekend Frans. En hij is boeken gaan schrijven in het Engels dat-ie ver van uitstekend kende, daar heeft hij het altijd moeilijk en lastig mee gehad.
Wat is dat? Ik heb er zelfs nooit over nagedacht. Ik heb het gedaan. En ik heb dat Frans stilaan steeds meer verlaten. Wat niet wegneemt... en nu ga ik u een geheim verklappen... ik zeg: ik schrijf moeilijk, hè, maar dat overkomt me nogal eens, dat ik 't veel makkelijker in het Frans vind en dat ik dikwijls een gehele alinea in het Frans schrijf en die nadien in het Nederlands vertaal. Haha, dat zijn curieuze dingen. Wie zal dat uitleggen?’
Mede uit onuitsprekelijke liefde voor zijn vader (‘Wie heeft mij ooit meer geleerd dan hij?’) begon Gilliams zijn worsteling met de Vlaamse taal - een vader die, negentiende-eeuws liberaal als hij was, zijn boezemvrienden in het Noorden zocht: patroondrukker die droomde van gestroomlijnde vakbonden ‘die zo accuraat in Holland werkten’.
De moeder, ‘een gevoelige fijne vrouw, wat moet ik er meer van vertellen’, kwam uit een rijk, katholiek en behoudend milieu. Gilliams memoreert ‘het curieuze effect’ dat zijn escapades in de Nederlandse taal thuis veroorzaakten. Gilliams praat lachend over zijn letterkundige ‘knoeisels’ uit die tijd - weet niet het moment te noemen waarop zijn schrijven serieus te noemen werd.
‘Wanneer ging mijn werk de richting uit dat het “van belang” te noemen werd? Ik hecht niet van belang aan wat ik doe. Ik doe m'n best, dat is al. Wel luister, als ik er de gelegenheid toe zou hebben (en die heb ik niet), dan zou ik alles wat ik geschreven heb willen herschrijven. Zo agressief mogelijk! Met een etsnaald in metaal - ik kan 't niet anders uitleggen. Ik heb wel es mensen
horen vertellen dat ze graag schrijven, omdat 't plezier doet of geeft. Ik gun dat die mensen... schrijven is pijnlijk.’
De mens doet dingen waarvan hij van tevoren al weet dat ze hem pijn zullen doen of moeten weerhouden. ‘Het zal wel zijn natuur zijn. Schrijven? Deugd doet dat precies niet.’ Maar de smart die het creëren hem brengt is niet bovenmenselijk te noemen. ‘Bovenmenselijk, ach, dat is literatuur maken, “bovenmenselijk”, da's flauwekul.’
‘“Menschliches, all zu menschliches,” zegt Nietzsche.’ Het individu zal het dan ‘hoger’, ‘verhevener’ kunnen brengen. ‘Maar wat,’ zegt Gilliams, ‘is dan verheven en hoog. Ik lijd niet aan verheffing en zeker niet aan zelfverheffing. Ik ben zelfironisch, ik sta met beide voeten op de grond.’
Hij zet de gast jenever en tonic voor. Mevrouw Gilliams komt later met kaas. Van dat alles mag Gilliams, die op zwaar dieet leeft, niet proeven. Hij steekt maar weer een grote sigaar op, port zijn bezoek voortdurend tot toetasten aan.
‘Literatuur beoefenen, beoefent men letterkunde? Dan is men een schoolmeester die van tevoren al weet wat hij gaat schrijven, boekenfabrikanten, die beoefenen de literatuur. Hoe maak je literatuur? Is het wel “maken”? Is het “scheppen”? Neem me niet kwalijk, ik ben zo ongeoefend in het spreken. Ik zit meestal alleen, hè...
Ge wordt niet eenzaam of zwaarmoedig door de omstandigheden. Ge wordt eenzaam en zwaarmoedig geboren. Ja, ik ben een pessimist, en dat is ook een vorm van energie. Het leven is een groot mysterie. Al wat leeft en geleefd heeft is mysterieus. Mineralen, ertsen die hebben eens geleefd en misschien leven ze nog. In vormen die wij niet kennen of niet bespeuren. Men komt al zeer weinig over zichzelf te weten, ook al denkt men er lang over na, dan komt men later weer zo terecht dat er geen wegen meer zijn. Il n'y a plus de pistes.’
Het element van ‘de roerloosheid’ neemt een grote plaats in zijn werk in. Hij schreef over de schilder Henri de Braekeleer: ‘Wellicht werd De Braekeleer door de plechtige eenzaamheid van een nacht met sterren ontroerd; maar hij schildert een deur waartegen een stoel geschoven staat.’
‘Subliem is een groot woord, en roerloosheid ook - laten wij dat uitwissen... Maar een gedicht dat ge maakt, dat vertoont een geslotenheid, een afgerondheid, die zich verdedigt tegenover alles wat buiten dat gedicht staat; ik denk aan een kei, aan een kei kunt ge niks veranderen, hè. Het is volledig in zijn hermetische geslotenheid, en in z'n hardheid, en in z'n volte...’
De kei. Symbool voor ‘de entiteit van het ik’. Gilliams zegt plotseling, haast om zich te verontschuldigen, dat hij gereserveerd is. Bang om gekwetst te worden? ‘Welnee! Da's voor jonge juffrouwen, hè.
...Maar ik denk dat iedereen die achter de dingen wil kijken ermee te maken heeft, met die gereserveerdheid, die mystieke inslag. Als ge achter de dingen weg wil denken; we lijden allemaal aan een gevoel van begrenzing, dan wil men daarachter geraken, in die grote ruimte... Maar men zal veel moeten laten afsterven, onthechten van dingen die er niet toe doen. Rijkdom, autoriteit, flauwekul, dat heeft niets met het leven te maken.
Beethoven, zelfs in die heroïsche passages... hij houdt 't niet vol, hè. Onmiddellijk volgt er een deemoed. Na een heldhaftig motief komt dan weer, ach!, zulk een klagende eenvoud, hè. Ik noem dat soort eenvoud: geheiligd. En in alle grote kunst is iets van die geheiligde eenvoud aanwezig.’
Hij laat plotseling de bandrecorder stopzetten - luistert dan met smaak het voorafgaande gesprek af. Glimlachend, diep ernstig, of met een even pijnlijk vertrokken gezicht. Na afloop straalt hij, gaat genoeglijk in een andere stoel zitten, meer ontspannen nu.
Over liefde en vriendschap, over geestelijke onthechting: ‘Echt liefhebben is totaal zichzelf zijn en zichzelf vergeten. Maar wat vergeet men dan als men op dat punt gekomen zichzelf vergeet? Vraagteken.
Mijn ouderdom voel ik niet als verval, ik ben frisser dan ooit. Tot m'n 45ste ben ik altijd ziek geweest.’ De ziekte van Gilliams heeft te maken met vernauwing van de bloedvaten gepaard gaande met een gevoel van verstikken. ‘Een psychosomatische kwaal,’ denkt hij. Hij weet nooit wanneer hem die aanvallen te wachten staan. Zegt dat hij er voor het gesprek bang voor was, dat hij zich nu, langzaamaan, beter gaat voelen.
‘De dood is mij zo onverschillig als het maar zijn kan. Ik ben er al zo'n twee keer heel dicht bij geweest. Dat is de gewoonste zaak van de wereld. Ik was niet bang, ik was zelfs in zo'n toestand van: we zijn er vanaf. Oef! Ik was toen nog jong. Ik ben zo'n buitenissig slecht sujet. Zo eigenzinnig.’
Houdt van de jonge Goethe, natuurliefhebber, is allergisch voor de diersoorten die hij bemint - kan nauwelijks ademhalen als hij ergens komt waar katten zijn, heeft altijd een poes willen hebben.
Praat over zijn vrouw, met wie hij 32 jaar mee getrouwd is, en goed: ‘Wij doen niet flauw, hoor.’ Heeft, tot zijn grote verdriet, geen kinderen.
‘Die nakomelingschap vind ik op zichzelf geen probleem. Dat is maar voor de mensen die grote fortuinen nalaten, of die zich in zovele generaties willen bestendigen. Ik voel dat anders aan, en dat is weer die bijzondere vriendschap. Dat mis ik, hè, en dat mist mijn vrouw ook. Dat wat gij dan liefde zou noemen... die warme, gezellige betrouwbare vriendschap van het kind. De mensen beseffen het niet. Maar als ge 't beseft...
Moest ik leven geschapen hebben toen er nog geen leven was, en ik zou weten wat ik nu weet, dan had ik nooit die verantwoording op me hebben durven nemen. Kinderen nemen is iets anders, begrijp me niet verkeerd: het is er
nu eenmaal, en wat is het gevolg van dat “er-zijn”, dat is dat kind. Maar moest ik voor het ongeschapene gestaan hebben, dan zou ik 't zeker niet gecreëerd hebben. Doelloos, het is een lange, lange misère, ik zie er het nut niet van in.
Met Nietzsche, daarmee ben ik van de goede weg afgestapt. Ik ben zeer vroom opgevoed, zeer katholiek. Ik heb een groot respect voor vrome mensen, maar als ik die theologische twistgesprekken hoor - op radio of tv - en ik hoor al die mensen van de nieuwe oriëntatie over de nieuwe theologie praten, dan zit ik altijd te wachten op iets en dat heb ik nog nooit vernomen: geloven. Mijn geloof is ver uitgedoofd, denk ik. Bernardus van Clairvaux, Ruusbroec. Hadewijch, die twisten er niet over, dat is geen kaartspel voor hen. Ze geloven.
...Dat er een vonk uit ontspringt als het ware, die misschien, een seconde maar, ons verstand verlicht, heel ons wezen... Die roerloosheid...’
Misschien zou hij wanneer hij eerder met een wetenschap als de psychologie in aanraking was gekomen heel wat zaken die hij nu als ‘mysterieus’ ervaart makkelijker geduid kunnen hebben, geeft hij toe, maar: ‘Sommige dingen kunnen ze zeer dichtbij benaderen, maar toch niet alles, nog niet. En zou het niet spijtig zijn als dat wel zou lukken... het mysterie is toch ook wel nodig. Zeker voor de poëzie.
Ik ben een negentiende-eeuwer in zoverre dat ik van traditie houd: dat vindt men nu wel wat week, hè. Maar sommige jonge mensen interesseren me geweldig om de vorm die ze aan hun werk geven, Ivo Michiels bijvoorbeeld.
Die jongemannen hebben een hekel aan de dingen die eens lustig neergeschreven werden (Raes vind ik ouderwets). L'art de faire marcher les notes, die zijn ze op het punt goed te begrijpen. Weg van al die uitgeschreven faits divers... Leren schrijven met taal en niet meer te rekenen op het effect van baldadig, vertelzuchtig, opgeschreven onnozele zaken. Schrijven moet essentiëler zijn...’