Sleutelaar (van Boelen Uitgevers) zegt: ‘Een zinnetje als: “Moest ik ingrijpen of niet?” Schattig, hè.’
En lacht vertederd. Aan dit nieuwe boek van Jules D. is hard gewerkt. Het resultaat: exacte taal, concies, het soort ‘klein letterkunde’ waarvan er heden ten dage helaas te weinig verschijnt.
De prospectus zegt: ‘De samenhang in dit op het eerste gezicht bonte geheel berust op de voor Deelder kenmerkende stijl - droog en bliksems komisch - en op de bindende thematiek.’
Bindende thematiek? Dat is dan zeker weer de stijl: Justus Anton Deelder, geboren 1944, Rotterdam.
Zegt Sleutelaar: ‘Je moet'm es vragen of-ie z'n zonnebril eventjes afzet. Die tedere, weerloze ogen!’
Een halfuur vroeger dan afgesproken vervoeg ik mij aan zijn adres, achter het Centraal Station. Hij is (nog?) niet thuis. Een huisschilder komt juist de deur uit.
Schilder: ‘Voor wie komt u?’
‘Ik kom voor Jules Deelder.’
Schilder: ‘Bennu een relatie van hem?’
‘Nee. Maar ik heb wel een afspraak.’
Schilder: ‘Waarvoor dan?’
‘Ik ben van de krant. Ik kom hem interviewen.’
Schilder: ‘O ja?’
‘...!’
Schilder: ‘Vanwege z'n gedichten?’
‘Hoe weet u dat hij gedichten schrijft?’
Schilder: ‘Heb-ie me vanmorgen staan te vertellen.’ (Wijst op een groepje voorbijkomende negers.) ‘Waarom interview je niet die daar?’
‘Waarom?’
Schilder: ‘Misschien hebben die meer te vertellen dan Deelder.’
‘Hoe weet u dat?’
Schilder: ‘Ik zei toch ook: misschien.’
Nu komt Deelder eraan, in beide armen een fles wijn. Een verzameling 78-toerenjazzplaten. Jules Deelder: ‘Je kan misschien wel heimwee hebben naar een tijd die voorbij is; maar 't is beter om heimwee te hebben naar een tijd dat je er zelf nog niet was - dat lijkt mij gezonder dan weemoed om je vervlogen jeugd. Ik lees graag in een jaargang van De Toeristen Kampioen van 1937.
Op m'n twaalfde jaar maakte ik m'n eerste gedicht. De atoombom kwam erin voor. Thuis dachten ze eerst: 't gaat wel over. Later is 't dan van: “Kijk dan toch naar je neven, die zijn goed terechtgekomen.” Maar m'n moeder was wel boos toen De Bezige Bij mijn proza had geweigerd. “Je gaat toch wel dóór, hè.”
Mijn vader was vertegenwoordiger, later had-ie een eigen zaak, in comestibles, fijne vleeswaren. 't Tofste was 't als we niks tegen mekaar zei-en. In Rockanje heel vroeg de duinen in. Of naar votballen. En dan wat drinken na afloop. “Maar niks tegen je moeder zeggen,” zei-ie elke keer weer.
Tien jaar geleden is-ie overleden. M'n vader was een aardige man, ja. Ook gek toen ik foto's van 'm zag, nog niet zo lang geleden, en dat ik aan m'n moeder vroeg: “Hoe oud was-ie daar nou?” “Een jaar of drieëntwintig.” Dat-ie op die foto's veel jonger was dan ik nu, terwijl je je vader toch altijd als een ouwe man ziet, hè - toen zag ik toch nog mezelf staan. Goh!
Ik ben van plan om misschien een boek over 'm te schrijven. Hoewel 't waarschijnlijk helemaal geen belangrijke man is, weet je wel. Een biografie van m'n vader.
Wat mij in hem ontroerde? Dat zou ik zelf ook wel es willen weten. Dat-ie vreselijke pijn had, maar ook écht grappig bleef. Dat-ie op een bijna pathetische wijze ontkende dat-ie ziek was. In die duinen bij Rockanje - dat soort dingen. Of dat we naar Venlo gingen voor vvv-Sparta, en dat-ie geen stuiver voor de kansen van Sparta gaf.
Op verjaardagen ook, met die broer van 'm - dat die twee zo'n onbedaarlijke pret hadden met elkaar. Hoorde je van je moeder dat ze vroeger onafscheidelijk waren geweest, die jongens van Deelder. Als zo'n familie bij elkaar is, gaat 't altijd over vroeger.
Daar zat ik dan bij, en na afloop de restjes uit de glaasjes drinken. De dames dronken bessen en advocaat, de mannen jenever. Je kunt geen café in Rotterdam noemen waar ze 'm niet kennen. Hij was toch vertegenwoordiger, hij leverde de vleeswaren. - “Dag, Arie!” Ja. Arie. Arie Marinus Deelder. Jaaa. Dat ik een keer met 'm op de Lijnbaan liep. Daar heb je Faas Wilkes. Kwam voorbij ons. “Daag, Arie.” “Dag, Faas.” En ze lopen gewoon door! “Ken jij Faas Wilkes?” “Ja, natuurlijk.”
Hij maakte een geheimzinnige indruk, m'n vader. Dat-ie meer wist dan-ie liet merken, van een heleboel dingen. Misschien was 't helemaal niet zo. Ik heb mij altijd aangetrokken gevoeld tot het volkse. “Die ordinaire mensen,”
zei mijn moeder dan. Ging ik juist wél mee om. Ordinaire mensen zijn vaak nee zo bekrompen.
Het ontzag voor de familie Hoboken in Overschie. Dat vond ik zo achterlijk. Woonden in een enorm huis op de Delftweg. Zaten ook op de padvinderij. “Die waren toch zó eenvoudig,” zei m'n moeder. Mensen die hun hele leven hard gewerkt hebben en dan plotseling op de vvd gaan stemmen. Denken ze dat ze zo een trapje hoger komen. Mijn vader heeft altijd op de vvd gestemd. Mijn moeder op de PvdA. Dat maakte niks uit.’
Hij laat zich niet van deze etage zetten, die hij samen met zijn vriendin Annemarie (schilderes) bewoont. Wat die nieuwe huiseigenaar ook van 'm mag denken. Hij wil hier rustig blijven wonen. In 1959 las hij - zoals het ook al zijn generatiegenoten betaamde - On the Road (Onderweg) van Kerouac, zo'n Literaire Reuzenpocket van De Bezige Bij. ‘Kerouac. Geweldig. Geweldig. Alsof 't een oom van je is.’
Vanaf zijn zeventiende, na een geslaagde hbs-a, steeds korte omzwervingen, allerlei baantjes, dan, in '65, een jaar Londen - wat hem het recht geeft om 't over vóór Engeland of na Engeland te hebben. Eind '65 stuurt hij een tekst naar Vinkenoog. Februari '66 maakt hij zijn debuut, Poëzie in Carré. ‘Mijn poëzie komt van de straat. Is toch wel met Gard Sivik verbonden. Dat zit er dik in. Dat kon alleen hier ontstaan. Omdat je hier geen poëtische traditie had.
Later had Vaandrager het in De hef ook over de Slufter. Heeft-ie mij van plagiaat beschuldigd. Toen ik in de stad begon rond te kijken, waren zij al erkende grootheden. Namen. Verder ben ik wel een eenling. 't Wordt meestal afgedaan met: woordspelletjes. Dan vind ik al dat andere eerder “woordspelletjes” - die sonnettenbakkers van tegenwoordig. Maar goed. In het kort:
Nietwaar. En dat iemand dan zei: “Hahaha.” Maar gewoon, om er even bij stil te staan. Het betékent toch wat? Daar vlei ik me in.’
Aan de muur Mario Lanza voor een woest landschap: De eenzaamheid van de grote Slufter. Doosje met een loze microfoon: ‘Dit is de Egofoon. Kan je alles in lullen. Geeft geen antwoord. En wat belangrijker is: spreekt niet tegen.’ Het kleine kamertje waar hij werkt. Een ingegooide ruit: ‘Vaandrager.
Ik werk neon-romantisch. Alle dichters zijn toch romantisch. Dat neon heb ik zelf bedacht, je kan 't overal voor gebruiken.
Gebruik je speed of horse?
‘Geen horse.’
Speed?
‘Ik gebruik wel speed, ja.’
Veel?
‘Gaat wel.’
Ben je hooked?
‘Nou ja. Ja. Neem aan van wel. Nooit geprobeerd, dat niet.’
Om ermee te stoppen.
‘Nee.’
Is dat geen zenuwachtig leven?
‘Onrust. Maar ja, uit rust komt niets voort.’
Maar speed is een onrust erbovenop.
‘Ja. Maar aan de andere kant geeft 't een zekere mate van hardheid. Onkwetsbaarheid. Als jij in mijn gedichten kwetsbaarheid proeft... Nou, als je dan zo kwetsbaar bent, ben je geen blijvertje, hè.’
Waarom zou speed je harden?
‘Toen ik voor de eerste keer speed gebruikte, gaf dat mij wat ik zocht: een gevoel van: schijt eran.’
Waar schijt an?
‘Om je eigen gang te kunnen gaan. Er zijn scheepsladingen vol argumenten dat ik geen schrijver zou worden. Allemaal verleidingen: - Ga dan in de reclame. Ga dan in de zus of de zo. - Speed is een middel, geen doel.’
Het middel wordt vaak doel in zichzelf.
‘Niet bij mij. Ik wil er trouwens niet uitgebreid over praten.’
Schaam je je ervoor?
‘Nee, maar ik koketteer er ook niet mee. Ik vind dat ieder woord dat erover geschreven wordt dar maakt 't alleen maar duurder, dat jaagt de prijs alleen maar op. Ieder woord dat er aan vuilgemaakt wordt, werkt wervend voor anderen.’
Je schermt jezelf zo af met die bril, ook.
‘Zullen we een psycholoog bellen?’
Hij zet z'n bril af. Sleutelaar had gelijk.