Eerste indrukken, het nieuwe boek van K. Schippers, bevat de memoires van een driejarige.
Schippers (43): ‘Wat ik in ieder geval geprobeerd heb: een soort belevenissen aan te boren waarover je normaal gesproken niet zoveel hoort. Het gaat tenslotte over een periode waarvan en waarin niemand zich iets herinnert, behalve dan - zoals ik ook opgeschreven heb - een beer die zoek is of een deur die open- en dichtgaat. De uitdaging was: hoe zou zoiets nou in elkaar steken, die eerste, zo belangrijk geachte, drie levensjaren, waar iedereen het altijd over heeft? Wat dat betreft kleeft er tevens een licht parodistisch aspect aan die roman. Er valt niets concreets over die begintijd te zeggen. Want niemand weet er iets van. En toch doe je het.’
Een literaire expeditie die in speelsheid, vernuft en precisie aan het werk van Raymond Queneau doet denken. Een voortdurend balanceren op de dunne scheidslijn tussen opperste geloofwaardigheid en volstrekte onmogelijkheid.
Schippers: ‘Die grens trok ik al schrijvende, intuïtief. Toen ik de proeven doornam, werd ik me er als het ware van bewust dat het klopte. Wat ook te maken heeft met de waarnemingen die ik deed toen mijn dochters klein waren; en dan bedoel ik eigenlijk vooral de gedragingen van volwassenen ten opzichte van kinderen, of liever: de bemoeizucht van de grote mensen tegenover de kleinen. Van het moment af dat je geboren bent, bemoeit er zich wel iemand met je; en het betreft hier niet alleen de ouders of verzorgers, maar ook allerlei vreemde mensen die op bezoek komen.
Het kind verwacht aanvankelijk van alles iets. Eerst van de dingen, dan van de mensen die het omringen - in beide gevallen een verloren zaak. Vervolgens wordt het totale compromis gesloten en valt het kind niet meer te onderscheiden van alle andere mensen.’
In Eerste indrukken is er sprake van een geschiedenis waar het kind achter probeert te komen.
Schippers: ‘Het gaat hierom: hoe kan dat kleine meisje, gedreven door een hevige nieuwsgierigheid, haar eerste gereedschap - luisteren, zien, voelen - in dienst stellen van iets dat ze niet weet?
Het kind hoort flarden van gesprekken. Want volwassenen plegen zich eerst even tot het kind in de wieg te wenden, om vervolgens doodgemoedereerd, terwijl ze nog hij de baby staan, over te gaan op het gesprek van de dag: oorlog, ziekten, dood, noem maar op - alsof dat kind daar dan niks meer mee te maken zou hebben.
Het kind in mijn boek moet maar zien hoe het uit die brokstukken van de volwassen conversatie een samenhangend verhaal maakt. Tegelijkertijd boezemt het haar angst in, ooit mee te moeten doen met het circus waar iedereen om haar heen aan meedoet. Daar probeert ze buiten te blijven. Een onmogelijke opgave.’
Op het moment dat het kind zich wel moet overgeven aan het compromis bepaalt ze ook zelf haar karakter: ‘Nee, ik twijfelde niet meer: ik moest voor een neerslachtig karakter kiezen, zo iemand die het nooit ergens mee eens kan zijn. Een oplettende geest die fouten ziet waar andere ogen langs afglijden.’ (Eerste indrukken, pag. 162.)
Schippers: ‘Mensen maken altijd iets van je. Je moet altijd iets zijn. Gesprekken die aan de rand van zo'n wieg worden gevoerd, liggen vaak in de orde van: “Die is achterbaks”, “Die is stom”, “Die houdt 't met die”, en ga zo maar door. De mensen die dat soort conversatie voeren, verwachten heel gauw, dat het kind dat daar ligt ook iets zal zijn. Het kind begrijpt dat het daaraan zal moeten voldoen. Het probeert zich daar zo lang mogelijk buiten te houden, want als je eenmaal voor een karakter, een etiket hebt gekozen, dan zit je er ook voor je hele leven aan vast. Het kind probeert dat uit te stellen.’
Een portret van zichzelf als kind?
Schippers: ‘Het zou wel prettig zijn wanneer je buiten elke geschiedenis zou kunnen vallen. Dat maakt het waarnemen gemakkelijker en je bent minder snel onderwerp van gesprek voor anderen. Stel, dat je kon zien zonder er te zijn.
Mensen moeten toch altijd iets hebben om over te praten. Daarvoor bestaan we toch eigenlijk ook. Daar dragen wij ook onze steen aan bij; enkel en alleen al door het feit dat we er zijn. Het zou aardig zijn als we er niet waren, maar toch aan het gesprek konden deelnemen. Je bestaan loopt toch vaak via anderen.’
Zijn het ook herinneringen aan zijn eigen jeugd?
Schippers: ‘Het zijn omvormingen van eigen waarnemingen die je nu
doet, van emoties die je nu hebt, die je alleen op een andere schaal overbrengt, waarbinnen het natuurlijk wel moet kloppen.
Zoals al gezegd, het boek berust op waarnemingen hoe grote mensen met kinderen omgaan. Dat is over het algemeen geen prettig gezicht. Nou hoeven kinderen ook niet altijd aardig te zijn. Ik ben geen kindervriend, of zo. Dat kind uit mijn boek is ook leep genoeg. Dat gaat ten slotte ook de verkeerde kant op.’
Een mistroostig boek.
Schippers: ‘Ja! Dit weet ik nog wel van heel vroeger: dat je nummers moest opvoeren. Je kon je absoluut niet onttrekken aan die grote kinderwedstrijd, waarin ze allemaal al praten, kruipen, lopen - weerzinwekkend. Dan al in de competitie. En je kunt niet al te lang achterblijven, want dan zeggen ze dat je ziek bent, of doof, of erger misschien. Dus je moet steeds toegeven, iets te laat, maar toch - en uiteindelijk geef je hoe dan ook altijd te veel toe. Tot er geen weg meer terug is. Het eeuwige, tot de dood durende compromis.’
Heeft hij zich verder ook nog op een of andere wijze gedocumenteerd ter zake van de zuigelingenziel?
Schippers: ‘Nee. Het enige boekje dat ik geraadpleegd heb, was een verhandeling over het gaan praten van kinderen. “Dwing het kind niet te praten als het dat niet wil”, dat heb ik eraan ontleend. Verder had ik er niet zoveel aan, want het kind in mijn boek zegt maar één woord. Het was zaak, dat moment zo lang mogelijk uit te stellen. Op het moment dat het kind gaat praten, hang je als een schrijver.
Verder heb ik me een werk van professor Wilhelmina Bladergroen aangeschaft. Ik heb thuis de kaft bekeken, het boek even opengeslagen en toen meteen weer dichtgeslagen. Waarmee ik niets ten nadele van professor Wilhelmina Bladergroen wil zeggen - maar nee, ik vond 't flauw. Ik dacht: niet kijken, zélf doen. Terwijl ik best erin geïnteresseerd ben wat professor Wilhelmina Bladergroen van mijn boek zal vinden.
Het is pure fantasie. Een plaisanterie.’
In Eerste indrukken uit hij nogal direct zijn visie op allerlei - soorten van - mensen. Dit is een tegenstelling tot eerder werk van zijn hand, dat vooral inzicht gaf in ideeën.
Schippers: ‘Je hoeft niet psychologiserend te werken om iets over mensen te willen zeggen. Misschien is het enige dat ik kan het waarnemen van dingen; of dingen zien die dan wel vluchtig zijn, maar daarom niet minder het vermelden waard. De vluchtigheid ervan betekent misschien ook wel de kracht.
Stel, dat je vanaf het moment van je geboorte zou beschikken over de
woordenschat van de volwassene, zonder die vooralsnog te kunnen gebruiken, en dat je daarbij de intelligentie van een volwassene zou hebben, zodat je - net als een volwassene - in staat zou zijn dingen te verwerpen of te aanvaarden, en dan vooral te verwerpen. Daar gaat dat boek over.
Wat men over het algemeen als verworvenheden beschouwt, wordt door dat kind als beperkingen gezien. Het kind denkt ook: “Om een deur te openen hoef je geen karakter te hebben.” Vanuit de visie van een kind is het waarschijnlijk ook niet leuk om op een gegeven moment met alles en iedereen mee te moeten doen. Later weet je niet beter.’
Het boek gaat over een nederlaag.
Schippers: ‘Vanzelfsprekend. Als je geboren wordt, krijg je onmiddellijk te maken met de voorwaarden om dingen te kunnen zien, zoals daar zijn: ruimte, licht, kleur, beweging, geluid - die gaan aan dat zien vooraf. Misschien is het helemaal niet zo prettig om daarvan afhankelijk te zijn. Heb jij ooit iemand horen protesteren tegen het bestaan van het licht? Is het nou zo duivels prettig om afhankelijk te zijn van kleur? Nee, dat lijkt me niet. Maar je kunt jezelf moeilijk als geroyeerd verklaren van het licht of het gegeven kleur, of ruimte. Dat zijn zaken die me hevig interesseren. Dat soort gedachten wordt vaak overgeslagen. Alsof die altijd in principe goed zitten. En daar gaat het ook over in Eerste indrukken. Ik denk ook, dat zulke overwegingen een rol spelen bij kinderen die geboren worden - hoogstwaarschijnlijk nooit op die manier als ik het in dat boek beschrijf, maar ik heb er toch een zekere notie van.
En ruimte, licht en kleur - dat zijn dan de eerste voorwaarden waarbij je je neerlegt.’
Het kind in Eerste indrukken is ook nog in staat de haar omringende schilderijen volkomen compromisloos te beschouwen. Een droom van de schrijver?
Schippers: ‘Inderdaad. Je weet nooit welke compromissen je in de loop van je leven allemaal hebt gesloten.’
Waarmee we beland zijn op het terrein van de kunstkritiek. Hij vertelt het verhaal over zijn moeder die, onvoorbereid, met een object van Armando geconfronteerd werd, een zwart monochroom met uitsteeksels.
Zijn moeder zei drie zinnen: ‘God, wat een somber mens.’
‘Maar het leven zit erin.’
‘Als het glad was geweest, had-ie zich opgeknoopt.’
Hij was ontroerd toen hij in een biografie over Samuel Beckett las over het no man's land between the object and the eye - dat gebied had hem, net als de Ierse schrijver, ook altijd mateloos geïntrigeerd, als maker en als waarnemer. Het gebied van de opgerichte angst, waarin de mogelijkheid tot nieuwe ontdek-
kingen, altijd aanwezig is, verheugend en bedreigend. Het terrein van Eerste indrukken.
Schippers: ‘Het verzet tegen het samenvallen met je omgeving - waaraan je toch ook weer niet ontkomt en wat op zich soms ook best aardig kan zijn.
Misschien dat het driejarige meisje uit mijn boek dat voorvoelt, daar zo lang mogelijk buiten wil blijven.’