|
|
|
| |
| | | |
Jeroen Brouwers
Met dat boek was hij al sedert vijftien jaar bezig. ‘En ik wist: dit
wordt ten slotte een groot werk. Maar ik kon de structuur ervan niet vinden. Het
andere werk kwam er steeds tussendoor - om mij te ontspannen van dat
verstikkende onderwerp.’
Eind vorig jaar schreef hij aan een roman, De zondvloed.
‘Er stagneerde iets. Ik vroeg me af: wat is er aan de hand? Waarom
kan ik plotseling niet verder? Ik pleeg waaraan ik begin toch altijd binnen een
bepaalde tijdspanne te voltooien.’
Een week of twee chagrijnig. ‘Tot ik mijn aantekeningen voor dat grote
werk weer eens inzag, en ik las die, op zo'n manier, dat ik er zelf door raakte
meegesleept. Vonk! Eensklaps wist ik: dat moet ik zo en zo in elkaar
steken.’
Van januari tot april. ‘In één geut,
één roes. Ik schreef het ten einde. Toen had ik die
klepper van vijfhonderd pagina's klaar, waarvan ik de indruk of het inzicht of
de wetenschap had: dit is mijn levenswerk.’
Uit het voorwoord tot De laatste deur. Essays over zelfmoord in de
Nederlandstalige letteren:
Er is in deze jaren iets aan het gebeuren waarmee ik klaarblijkelijk te
maken heb. In ieder geval in die zin, dat wat er aan het gebeuren is in de vorm
van verhalen of anderszins in mijn literaire werk terechtkomt, en het mij
toeschijnt dat mijn verhalen, behalve dat ze de gevolgen van gebeurtenissen
zijn, ook van de gebeurtenissen zélf deel uitmaken. Ik heb mijzelf
ergens genoemd: de schrijver van het In Memoriam van deze tijd. In de loop van
‘deze tijd’, de ‘jaren zeventig’,
heeft in mijn directe omgeving (dit is: ‘de literatuur’ en
deze vormt gelijkertijd de kring van mijn vrienden en bekenden) sterfgeval zich
op sterfgeval, zelfmoord zich op zelfmoord gestapeld. Ik heb de geschiedenissen
van bijna al deze doden beschreven ‘omdat zij in mijn leven zijn
geweest’. Hun dood heeft deel uitgemaakt van mijn leven, - door hun
doodsgeschiedenissen te schrijven, schrijf ik aan mijn levensgeschiedenis: alles
moet worden ‘vereeuwigd’.
| | | |
Vijftien jaar geleden was hij achtentwintig, had vier boeken geschreven,
‘en op een gegeven moment heb je dan - hoe moet je dat nu
omschrijven? - een vaag gevoel van: ik zou mij toch in iets moeten
specialiseren. Maar waarom nou juist daarin? Dat weet ik niet. Het eerste
verhaal van mijn debuutbundel gaat er al over, in ieder geval.’
Nu dan dat levenswerk. Valt het de thans drieënveertigjarige auteur
niet moeilijk te leven met de gedachte dat hij zo'n karwei al geklaard heeft?
‘Een heel interessante vraag. Kom maar na vijf jaar terug en
informeer dan of ik sedertdien nog iets verricht heb, of er na mijn levenswerk
nog iets gekomen is.’
Hoe kan hij nu al weten dat hij zijn levenswerk gemaakt heeft?
‘Ah ja, god - op die manier. Nou, misschien dient zich binnenkort nog
een ander levenswerk bij me aan. Ik bedoelde het letterlijk: een werk waaraan je
je hele leven - tot op heden - gewerkt hebt. Niet zo van een groot machtig epos.
Hoe dan ook, ik weet niet waar die belangstelling vandaan gekomen is: die
obsessie. Hoewel - dat is de term ook weer nier. Laten we het houden op: nimmer
aflatende interesse.
Ik heb aan dat boek gewerkt alsof er voordien nog nooit één
letter aan dat onderwerp was gewijd. Daaruit putte ik mijn werklust, de zin om
eraan te blijven werken. Vanuit een open, blanco, zelfs naïef te
noemen instelling. Ik ontkende gewoonweg de massa literatuur erover, waarvan ik
wel degelijk had kennisgenomen, die ik zeer goed in mijn hoofd had - steeds weer
een aanleiding om mijn eigen standpunt op de voorgrond te drukken.
Levensangst? Nee. Terwijl ik hier leef, ben ik heel gelukkig. Ik ben niet bang
voor het leven. Ik ben bang voor een bepaald leven. Ik wil bijvoorbeeld niet in
Amsterdam wonen. Mijn besluit om schrijver te worden, mij hier als een monnik
terug te trekken en constant boeken te schrijven, soms twee, soms drie per jaar
- daarin ligt mijn geluk. Ik leef hier in de stilte. Luister maar. Je hoort
niets. Daarbij beschik ik over een zeer sterk geheugen. Ik onthoud alles. Ik
vergeet niets. Ik kan alles terugvinden.’
Daar was enerzijds, van jongs af aan, de wil om schrijver te worden,
‘het onwrikbare besef: ik word schrijver. En anderzijds de biografie,
die dat dwarsboomde: een vrouw, kindertjes - dus: wanneer vind ik in godsnaam
tijd om die roman te schrijven? In die levensloop van mij kwam ook te pas dat ik
in België terechtkwam. Twaalf jaar werken bij een uitgeverij. En die
lange tijd schreef ik te weinig. Ik werd daar ongedurig van. Ik zag in: dit is
mijn levenstaak niet. Ik ben opgehouden met die baan en heb mij hier gevestigd.
Toen was ik zesendertig. En ik zat voor mijn raam uit te kijken over de
weilanden en vroeg mij af: hier zit je dan nu in de stilte, en wat heb je
bereikt? Geen flikker, hè. Zeg, begin eens. Want indien niet, maak je
het nooit meer. Toen ben ik maar begonnen. Sinds dat moment - '76 - heb ik een
stuk of tien boeken geschreven.’
| | | |
Tot aan De zondvloed, waaraan hij niet verder kon - om
vervolgens het levenswerk te plegen. ‘O nee, niet gestikt in die
roman. Het ging om een louter technisch facet. Na tweehonderd bladzijden of zo -
daar liggen ze, in het raamkozijn, een vuistdik manuscript - dacht ik: op deze
manier kan ik natuurlijk wel tot in de eindeloze oeverloosheid doorgaan, maar ik
vind dit niet leuk, dit inspireert mij niet meer om er verder aan door te
werken. Je kunt je al schrijvende met je eigen werk vervelen - en dat was toen
het geval.’
Technisch stukgelopen op een werk van fictieve aard, om dan een nonfictieboek te
schrijven, waaruit inmiddels weer een novelle voortsproot, die - ogenschijnlijk
- weinig of niets met de twee andere werken van doen heeft. Toch
één oeuvre. Wat heeft het een nu precies met het andere te
maken?
‘In de tijd dat ik te Brussel werkte en naar mijn zin te weinig
produceerde, heb ik wel degelijk geschreven. Ik was toen bezig aan een
kladroman, die ten slotte uitdijde tot wel zo'n duizend pagina's. Titel: Eigenlijk ben ik best een aardige jongen. Dat boek is nooit
uit mijn polsen gekomen. Te veel afgeleid door mijn baan en het gewone leven.
Maar dat manuscript ben ik met mij blijven meeslepen.
Later dacht ik: ik ga een roman fleuve schrijven over mijn
jeugdjaren in Indië; mijn geboorte; het jappenkamp; de jaren daarna.
Maar dat had ik intussen al geschreven, dat hoefde ik alleen maar te putten uit
Eigenlijk ben ik best een aardige jongen. En ook wat ik in
Het verzonkene en Zonsopgangen boven zee
schreef, dat was al geschreven. Ik moest er slechts nog een andere structuur aan
geven.
Er komt nog steeds veel, heel veel uit die oer-roman van mij: fragmenten, zinnen,
woorden zelfs. Dan denk ik opeens: maar dat heb ik toch al eens eerder beter
geformuleerd. Dan ga ik net zo lang erin rommelen - kijk, daar ligt het, onder
die boekenkast- tot ik die inval, alinea of zinswending heb teruggevonden, en
dan zee ik het tussen mijn “nieuwe” werk.
Neem nu eens de rel die ontstaan is over Bezonken rood - of het
wel waar was dat er wachttorens om het kamp stonden. Naar aanleiding van
Kousbroeks tirade braken critici die mijn boek eerder hadden geprezen het weer
af. “Het kan ook niet,” werd er gesteld, “dat
je in twee, drie maanden een roman schrijft.” Maar niemand weet dat
ik mijn Indische passages al tien jaar daarvoor op schrift had gesteld: die
hoefde ik maar te pakken.’
Tussen zijn dertigste en vijfendertigste werkte hij aan dat
‘oerkladboek’. Wat voor soort iemand was hij toen?
‘Ik leefde als een nette meneer. 's Morgens deed ik mijn pak aan en
stropdas voor. Ging dan naar kantoor. Werkte daar mijn acht uren en keerde dan
weer terug naar huis. Vervolgens schreef ik onder de huiskamerlamp aan dat
boek.’ Lacht. Zegt: ‘Ja. Bij wijze van spreken. Ja.
Te hooi en te gras schreef ik er een bladzij aan een hoofdstuk, soms alleen maar
korte notities. Geen roman. Meer een breiwerk, met rafels eraan en | | | |
knopen erin. Ik ben niet bang dat dat werk van toen eens uitgeput zal zijn. Want
ik schreef inmiddels nieuwe romans, waarvan ik fragmenten terzijde legde, die ik
voor dat bepaalde doel - nog - niet gebruiken kon. Een nieuw reservoir ontstaat.
Ik bewaar alles. Zo ontstaat wat men noemt: een oeuvre.’
Aanstaande woensdag gaat zijn toneelspel Zonder onderschriften
in première. Een jeugdwerk. Hij gaf zijn toestemming tot opvoering,
en daarbij moest het maar blijven; ze mochten ermee doen wat ze wilden. Het
betrof hier immers, schreef hij aan de artistieke leiding van het gezelschap,
een geliefde die hij sinds veertien jaar niet meer gezien had; zij zou wel oud
en lelijk zijn geworden, inmiddels, en zodoende een mooie herinnering kunnen
bezoedelen.
Regisseur en dramaturg dienden niettemin een
‘verzoekenlijst’ bij hem in, die deels in hoogdravende
taal gesteld was (‘Al onze punten zijn gedacht vanuit een vergroting
en vergroving van de waanzin’), maar ook concrete problemen stelde:
‘De Henk en de Thea uit uw stuk moeten wat meer te doen
krijgen.’
Het mocht niet baten.
De schrijver: ‘Theater is mijn discipline niet. Ik heb ze gezegd: ga
maar gerust je gang, mijn verantwoording is het niet meer.’
En zo schreef de dramaturg er ‘wel 25 procent’ bij,
‘in de stijl van de schrijver. Dat was in dit geval niet zo moeilijk.
Vergelijk het maar met het parafraseren van muziek. In het geval van Mozart of
Debussy gaat dat niet zo gemakkelijk, maar bij Bach mag je er best een streekje
naast zitten; die biedt zo'n duidelijke structuur, dan is zo dik, daar kan een
tweederangs barpianist zich nog niet mee vergalopperen.’
De dove protagoniste ontvangt op haar verjaardag een pedaalemmer ten geschenke.
In de oorspronkelijke tekst zegt ze: ‘Daarom zal ik dit
huishoudelijke voorwerp niet gebruiken. Ik wil het niet hebben.’ In
de huidige opvoering voegt zij hieraan toe: ‘Mijn ziel zou erover
struikelen. Ik wil geen monument voor fascisten, geen gedenknaald voor sadisten.
En zelfs geen opvangemmer voor mijn gal. Pachter kan zijn boeltje houden. Ik zal
dat chroom de deur wijzen - de voordeur, niet de keukendeur.’
De dramaturg: ‘Ik heb veel vertaald. De vertaler is een
dialoogkameleon. Hij moet niet alleen kunnen kruipen in de huid van degenen die
ze zeggen, maar ook in die van de schrijver.
Ik heb hem het definitieve script opgestuurd. Hij belde me op en zei dat hij het
“prima” vond. Wat betekent “prima”
in dit geval, eigenlijk?’
‘Al schrijvende aan mijn zelfmoordboek,’ zegt de schrijver,
‘ben ik tot de conclusie gekomen: die zelfmoordenaars uit de
Nederlandstalige literatuur, als ik die niet gevonden had en beschreven, dan
zouden ze, nu nog steeds, hetzelfde bestaan hebben geleid, waaraan ze
kapotgingen; in de marge, het gebied van de stilte. Het gaat hier namelijk
grotendeels om auteurs die nooit | | | | doorgedrongen zijn tot de grote
literatuur. Minor authors; niet slecht, maar ze hebben het zeker niet gehaald.
Ik realiseerde mij ineens: al mijn essayistische werk handelt over dit soort
auteurs; mensen die weliswaar wel degelijk hebben geleefd, maar ten slotte niet
blijken bestaan te hebben. Jegens die periferen koester ik kennelijk een grote
voorliefde. Zo'n schrijver treedt ook op in de novelle die ik naar aanleiding
van dat zelfmoordboek schreef.’
Waarom, denkt hij?
‘Noem het rechtvaardigheidsgevoel.’
Noem het angst?
‘Nee.’
Ook zijn complete werken hebben eens bij De Slegte gelegen.
‘Dat is toch geen schande?’
Nee. Maar het is niet leuk.
‘Nee.’
Nooit angst gehad voor: ik haal het niet.
‘Nee!’
Rechtvaardigheidsgevoel. Dus.
‘Ja!’
Een mooie aanleiding om de woede te laten gaan.
‘Hè?’
Een mooie aanleiding om zijn woede te laten gaan.
‘Ja. Voilà.
Ik ben niet meer gewend te praten. Ik woon hier alleen. Ik praat nooit. In de
letterlijke zin. Nimmer. 's Morgens vroeg gaat mijn vrouw naar haar werk. Dan
ben ik hier alleen, tot 's avonds. Dan komt ze terug en we zeggen wat tegen
elkaar. Maar dat is, na zo lang samenzijn, geen echt praten meer. En dat bedoel
ik niet cynisch. Dat past in de reeks laconieke opmerkingen die ik tijdens dit
gesprek geplaatst heb.’
|
|
|