
Proeve van een Kaapsch-Hollandsch idioticon met toelichtingen en opmerkingen betreffende land, volk en taal
door N. Mansvelt
professor in de moderne talen aan het college te stellenbosch
Verkrijgbaar bij
Cyrus J. Martin, Kaapstad
Mej. S.M. Schröder, Stellenbosch, en
A.J. van Huffel, Utrecht, Nederland
1884
(Kopijrecht voorbehouden)
‘Idioticon! - Nee, as di ou'Hollander ons taal 'n taal van idiote noem, wil ik niks moet di boek uit te waai hê ni!’ - Zoo ongeveer moet de uitroep, of liever uitbarsting, van zeker iemand geklonken hebben, toen hij 't eerst van dit werkje hoorde. 't Woord Idioticon maakte dus op hem geen gunstigen indruk. Eerst meende ik dit als een wenk te moeten beschouwen, dat de door mij gekozen titel niet deugde, en zon derhalve op een meer verstaanbaren naam. Na echter vergeefs eenigen tijd naar een geschikten plaatsvervanger gezocht te hebben, zag ik mij ten slotte verplicht, tot mijn uitgangspunt terug te keeren en het werkje toch Idioticon te doopen.
Laat mij dus voor niet-ingewijden verklaren, dat 't woord Idioticon niets met idioten te doen heeft, maar dat 't in één woord, dus in den beknopsten en voor een negentiende-eeuwschen titel meest geschikten vorm, uitdrukt, wat in verstaanbaar Nederlandsch tamelijk omslachtig heeten zou: - Woordenboek bevattende woorden en uitdrukkingen die aan een bijzonder gewest (in dit geval Zuid-Afrika) eigen zijn. Uit deze bepaling blijkt tevens, dat dit werkje alleen die woorden en uitdrukkingen bevat, welke 't hedendaagsche Nederlandsch((*)) òf niet kent, òf in een anderen zin gebruikt. Woorden, enz., die aan beide talen ('t Nederlandsch en 't Kaapsch-Hollandsch) gemeen zijn, zijn er niet in opgenomen, zoodat ook de naam ‘Woordenboek der Zuid-Afrikaansche taal’ geenszins zou passen.
Doch reeds genoeg ter verklaring, en tevens ter verschooning van 't gebruik van een vreemd woord, waarvan ik anders ook geen vriend ben.
En nu, wat is 't doel van dit boekje? - Toen ik vóór bijna tien jaren mijn werk in Zuid-Afrika begon, gaf een vriend mij den raad, nauwkeurig aanteekening te houden van alles wat mij in de uitspraak of 't woordgebruik van 't Kaapsch-Hollandsch vreemd voorkwam, opdat mijn gehoor na verloop van tijd niet ongevoelig wierd voor fouten, die 't mijn plicht als onderwijzer van 't Nederlandsch zijn zou te verbeteren. Dezen verstandigen raad volgde ik op, en langzamerhand wies mijn lijst van aanteekeningen aan. Ook in den omgang met mijne leerlingen en bij 't onderwijs in de klas bemerkte ik spoedig, hoe noodig het was, de eigenaardigheden van 't Kaapsch-Hollandsch te kennen, ten einde daardoor beter in staat te zijn, mijn leerlingen te begrijpen en hun omgekeerd de vele hun onbekende woorden en zegswijzen in 't Nederlandsch te beter te doen verstaan.
Dit alles geschiedde alleen voor een persoonlijk doel; doch naarmate ik bespeurde, hoe in de laatste jaren vooral onder de studeerende jongelingschap de belangstelling in de taalstudie in 't algemeen en ook in 't eigenaardige der landstaal toenam, rijpte bij mij 't plan, mijne aanteekeningen uit te werken en dus voor een ruimeren kring bruikbaar te maken. Bij de bewerking heb ik dus voornamelijk 't oog gehad op studeerende jonge Afrikaners, van wier belangstelling ik mij op goede gronden bij voorbaat verzekerd hield. Echter heb ik deswege den algemeenen lezer niet uit 't oog verloren, terwijl ik in de derde plaats getracht heb, in andere opzichten ook Nederlandsche taalbeminnaars te bevredigen.
Wat den inhoud betreft, erken ik gaarne, enkele woorden ontleend te hebben aan de Proeve van Kaapsch Taaleigen, voorkomende in Dr. Changuions Spraakkunst. Echter heb ik geen enkel woord van hem overgenomen zonder het eerst behoorlijk te toetsen, aangezien men bij hem woorden als eigenaardig Kaapsch-Hollandsch vindt opgegeven, die òf ook in Nederland algemeen bekend zijn, òf die men hier volstrekt niet kent, althans 't tegenwoordige geslacht niet.
Verder heb ik, zooals ter plaatse zal worden aangegeven, enkele opmerkingen te danken aan den anonymen schrijver (den heer M.L. Wessels?) van de belangrijke en van zorgvuldige studie getuigende verhandelingen over 't Kaapsch-Hollandsch voorkomende in de Nommers Juni, Juli en Augustus van den jaargang 1880 van 't Cape Monthly Magazine. Doch den meesten dank ben ik verschuldigd en breng ik hierbij gaarne toe aan zoovele mijner tegenwoordige en vroegere leerlingen die mij niet alleen door hunne belangstelling hebben aangemoedigd, maar door wier bijdragen ik ook een aanmerkelijk deel mijner bouwstoffen bijeengekregen heb. Gaarne noemde ik eenige namen, doch, om niemand voorbij te zien, is 't beter, ze alle te verzwijgen. Mogen zij voor alle gedane moeite de voldoening smaken, dat zij door eigen opmerken een beter inzicht verkregen hebben in 't wezen hunner moedertaal en tevens een verhoogden zin voor 't genot dat de taalstudie in 't algemeen den mensch aanbiedt.
Een ieder die eenigszins met 't Kaapsch-Hollandsch bekend is, zal terstond ontdekken, dat er hier geen melding gemaakt wordt van zoo vele Engelsche woorden die men dikwijls, al of niet geradbraakt, in 't dagelijksch gesprek hoort bezigen. Daar zulke woorden òf uit traagheid òf uit een beklagenswaardige modezucht alleen gebruikt worden door hen, die liever een vreemd dan een eenvoudig Kaapsch of Nederlandsch woord gebruiken, heb ik gemeend, dit werkje niet te moeten ontsieren door er een aantal meest mismaakte woorden in op te nemen, die men onvervalscht in elk Engelsch woordenboek kan vinden. Zulke halfnaatjies op taalkundig gebied Afrikaners te noemen, zou onrecht zijn tegenover degenen die er prijs op stellen, een zuiverder taal te spreken.
De woorden en uitdrukkingen, door mij opgenomen, behooren tot vier klassen. Tot de eerste klasse reken ik al zulke die hier door het volk zelf naar zijne eigenaardige omstandigheden en behoeften gevormd zijn; tot de tweede eenige oorspronkelijk Nederlandsche woorden die hier een wijziging van beteekenis hebben ondergaan; tot de derde die welke uit 't Oud-Hollandsch der zeventiende eeuw hier sedert de stichting der Kolonie zijn blijven voortleven, terwijl ze in Nederland geheel in onbruik zijn geraakt of nog slechts in enkele streken blijven voortbestaan; terwijl eindelijk een vierde klasse gevormd wordt door enkele woorden aan vreemde talen ontleend, en wel voornamelijk aan het Maleisch, tengevolge van de nauwe verbinding waarin vroeger de Kaap met Indië stond.
Zoover de schrijver daartoe bij machte was, en de noodige hulpbronnen hem ten dienste stonden, heeft hij getracht, van alle eenigszins duistere of belangwekkende woorden de afleiding aan te geven, terwijl hij tevens hier en daar een opmerking heeft aangeknoopt, betrekking hebbende op 't eigenaardig karakter der Afrikaners of op hunne levenswijze en gebruiken, die mede hun eigen stempel op de volkstaal van dit zuidelijk werelddeel hebben afgedrukt. Heeft de schrijver daarbij misschien een enkele maal misgetast, dan moge het te zijner verontschuldiging dienen, dat hem tot heden de gelegenheid heeft ontbroken, door reizen en ruimer verkeer land en volk grondiger te leeren kennen, zoodat vele zijner gegevens slechts uit de tweede hand verkregen zijn.
Dat sommige van die opmerkingen, vooral in 't eerste gedeelte van 't boek, met groote in plaats van met kleine letters gedrukt zijn, is te wijten aan den haast waarmee na lang oponthoud dit werkje eindelijk is afgedrukt. Aan dezelfde oorzaak schrijve men ook andere kleine onnauwkeurigheden in spelling of punctuatie toe.
Dat er nog vele woorden en uitdrukkingen bestaan, die hier een plaats hadden moeten vinden, daarvan is de schrijver zich maar al te zeer bewust, en zelfs onder 't verbeteren der proeven is hier en daar nog 't een en ander ingelascht. Volkomen op dit werkje toepasselijk zijn dan ook de woorden door Max Rooses van den grooten Plantijn aangehaald: ‘Dan de ondervinding leerde mij, dat dit (nl. volledigheid) eene hersenschimmige hoop was bij het opstellen van het eerste
woordenboek eener levende taal. Daarom besloot ik dan ook het werk te laten drukken gelijk het was, met de hoop, dat het een grondslag zou zijn, waarop iets volledigers zou worden opgetrokken.’
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat er, ofschoon 't volkomen waar is, dat men van de Kaap tot de Limpopo dezelfde taal spreekt, toch ook hier kleine dialectische verschillen voorkomen, zoodat zelfs de geboren Afrikaner in dit boekje wel een enkel woord kan ontmoeten dat hem onbekend is.
Voor alle billijke aan- en opmerkingen, voor de toelichting van menig onverklaard gebleven woord of uitdrukking, en voor verdere bijdragen van geletterden en ongeletterden houdt zich beleefdelijk aanbevolen
De Schrijver.