terug  begin  verder
[p. 129]

N. Mansvelt (1884)

[p. 131]


illustratie

Proeve van een Kaapsch-Hollandsch idioticon met toelichtingen en opmerkingen betreffende land, volk en taal
door N. Mansvelt
professor in de moderne talen aan het college te stellenbosch
Verkrijgbaar bij
Cyrus J. Martin, Kaapstad
Mej. S.M. Schröder, Stellenbosch, en
A.J. van Huffel, Utrecht, Nederland
1884
(Kopijrecht voorbehouden)
[p. 133]

Voorbericht

‘Idioticon! - Nee, as di ou'Hollander ons taal 'n taal van idiote noem, wil ik niks moet di boek uit te waai hê ni!’ - Zoo ongeveer moet de uitroep, of liever uitbarsting, van zeker iemand geklonken hebben, toen hij 't eerst van dit werkje hoorde. 't Woord Idioticon maakte dus op hem geen gunstigen indruk. Eerst meende ik dit als een wenk te moeten beschouwen, dat de door mij gekozen titel niet deugde, en zon derhalve op een meer verstaanbaren naam. Na echter vergeefs eenigen tijd naar een geschikten plaatsvervanger gezocht te hebben, zag ik mij ten slotte verplicht, tot mijn uitgangspunt terug te keeren en het werkje toch Idioticon te doopen.

Laat mij dus voor niet-ingewijden verklaren, dat 't woord Idioticon niets met idioten te doen heeft, maar dat 't in één woord, dus in den beknopsten en voor een negentiende-eeuwschen titel meest geschikten vorm, uitdrukt, wat in verstaanbaar Nederlandsch tamelijk omslachtig heeten zou: - Woordenboek bevattende woorden en uitdrukkingen die aan een bijzonder gewest (in dit geval Zuid-Afrika) eigen zijn. Uit deze bepaling blijkt tevens, dat dit werkje alleen die woorden en uitdrukkingen bevat, welke 't hedendaagsche Nederlandsch((*)) òf niet kent, òf in een anderen zin gebruikt. Woorden, enz., die aan beide talen ('t Nederlandsch en 't Kaapsch-Hollandsch) gemeen zijn, zijn er niet in opgenomen, zoodat ook de naam ‘Woordenboek der Zuid-Afrikaansche taal’ geenszins zou passen.

Doch reeds genoeg ter verklaring, en tevens ter verschooning van 't gebruik van een vreemd woord, waarvan ik anders ook geen vriend ben.

En nu, wat is 't doel van dit boekje? - Toen ik vóór bijna tien jaren mijn werk in Zuid-Afrika begon, gaf een vriend mij den raad, nauwkeurig aanteekening te houden van alles wat mij in de uitspraak of 't woordgebruik van 't Kaapsch-Hollandsch vreemd voorkwam, opdat mijn gehoor na verloop van tijd niet ongevoelig wierd voor fouten, die 't mijn plicht als onderwijzer van 't Nederlandsch zijn zou te verbeteren. Dezen verstandigen raad volgde ik op, en langzamerhand wies mijn lijst van aanteekeningen aan. Ook in den omgang met mijne leerlingen en bij 't onderwijs in de klas bemerkte ik spoedig, hoe noodig het was, de eigenaardigheden van 't Kaapsch-Hollandsch te kennen, ten einde daardoor beter in staat te zijn, mijn leerlingen te begrijpen en hun omgekeerd de vele hun onbekende woorden en zegswijzen in 't Nederlandsch te beter te doen verstaan.

Dit alles geschiedde alleen voor een persoonlijk doel; doch naarmate ik bespeurde, hoe in de laatste jaren vooral onder de studeerende jongelingschap de belangstelling in de taalstudie in 't algemeen en ook in 't eigenaardige der landstaal toenam, rijpte bij mij 't plan, mijne aanteekeningen uit te werken en dus voor een ruimeren kring bruikbaar te maken. Bij de bewerking heb ik dus voornamelijk 't oog gehad op studeerende jonge Afrikaners, van wier belangstelling ik mij op goede gronden bij voorbaat verzekerd hield. Echter heb ik deswege den algemeenen lezer niet uit 't oog verloren, terwijl ik in de derde plaats getracht heb, in andere opzichten ook Nederlandsche taalbeminnaars te bevredigen.

Wat den inhoud betreft, erken ik gaarne, enkele woorden ontleend te hebben aan de Proeve van Kaapsch Taaleigen, voorkomende in Dr. Changuions Spraakkunst. Echter heb ik geen enkel woord van hem overgenomen zonder het eerst behoorlijk te toetsen, aangezien men bij hem woorden als eigenaardig Kaapsch-Hollandsch vindt opgegeven, die òf ook in Nederland algemeen bekend zijn, òf die men hier volstrekt niet kent, althans 't tegenwoordige geslacht niet.

[p. 134]

Verder heb ik, zooals ter plaatse zal worden aangegeven, enkele opmerkingen te danken aan den anonymen schrijver (den heer M.L. Wessels?) van de belangrijke en van zorgvuldige studie getuigende verhandelingen over 't Kaapsch-Hollandsch voorkomende in de Nommers Juni, Juli en Augustus van den jaargang 1880 van 't Cape Monthly Magazine. Doch den meesten dank ben ik verschuldigd en breng ik hierbij gaarne toe aan zoovele mijner tegenwoordige en vroegere leerlingen die mij niet alleen door hunne belangstelling hebben aangemoedigd, maar door wier bijdragen ik ook een aanmerkelijk deel mijner bouwstoffen bijeengekregen heb. Gaarne noemde ik eenige namen, doch, om niemand voorbij te zien, is 't beter, ze alle te verzwijgen. Mogen zij voor alle gedane moeite de voldoening smaken, dat zij door eigen opmerken een beter inzicht verkregen hebben in 't wezen hunner moedertaal en tevens een verhoogden zin voor 't genot dat de taalstudie in 't algemeen den mensch aanbiedt.

Een ieder die eenigszins met 't Kaapsch-Hollandsch bekend is, zal terstond ontdekken, dat er hier geen melding gemaakt wordt van zoo vele Engelsche woorden die men dikwijls, al of niet geradbraakt, in 't dagelijksch gesprek hoort bezigen. Daar zulke woorden òf uit traagheid òf uit een beklagenswaardige modezucht alleen gebruikt worden door hen, die liever een vreemd dan een eenvoudig Kaapsch of Nederlandsch woord gebruiken, heb ik gemeend, dit werkje niet te moeten ontsieren door er een aantal meest mismaakte woorden in op te nemen, die men onvervalscht in elk Engelsch woordenboek kan vinden. Zulke halfnaatjies op taalkundig gebied Afrikaners te noemen, zou onrecht zijn tegenover degenen die er prijs op stellen, een zuiverder taal te spreken.

De woorden en uitdrukkingen, door mij opgenomen, behooren tot vier klassen. Tot de eerste klasse reken ik al zulke die hier door het volk zelf naar zijne eigenaardige omstandigheden en behoeften gevormd zijn; tot de tweede eenige oorspronkelijk Nederlandsche woorden die hier een wijziging van beteekenis hebben ondergaan; tot de derde die welke uit 't Oud-Hollandsch der zeventiende eeuw hier sedert de stichting der Kolonie zijn blijven voortleven, terwijl ze in Nederland geheel in onbruik zijn geraakt of nog slechts in enkele streken blijven voortbestaan; terwijl eindelijk een vierde klasse gevormd wordt door enkele woorden aan vreemde talen ontleend, en wel voornamelijk aan het Maleisch, tengevolge van de nauwe verbinding waarin vroeger de Kaap met Indië stond.

Zoover de schrijver daartoe bij machte was, en de noodige hulpbronnen hem ten dienste stonden, heeft hij getracht, van alle eenigszins duistere of belangwekkende woorden de afleiding aan te geven, terwijl hij tevens hier en daar een opmerking heeft aangeknoopt, betrekking hebbende op 't eigenaardig karakter der Afrikaners of op hunne levenswijze en gebruiken, die mede hun eigen stempel op de volkstaal van dit zuidelijk werelddeel hebben afgedrukt. Heeft de schrijver daarbij misschien een enkele maal misgetast, dan moge het te zijner verontschuldiging dienen, dat hem tot heden de gelegenheid heeft ontbroken, door reizen en ruimer verkeer land en volk grondiger te leeren kennen, zoodat vele zijner gegevens slechts uit de tweede hand verkregen zijn.

Dat sommige van die opmerkingen, vooral in 't eerste gedeelte van 't boek, met groote in plaats van met kleine letters gedrukt zijn, is te wijten aan den haast waarmee na lang oponthoud dit werkje eindelijk is afgedrukt. Aan dezelfde oorzaak schrijve men ook andere kleine onnauwkeurigheden in spelling of punctuatie toe.

Dat er nog vele woorden en uitdrukkingen bestaan, die hier een plaats hadden moeten vinden, daarvan is de schrijver zich maar al te zeer bewust, en zelfs onder 't verbeteren der proeven is hier en daar nog 't een en ander ingelascht. Volkomen op dit werkje toepasselijk zijn dan ook de woorden door Max Rooses van den grooten Plantijn aangehaald: ‘Dan de ondervinding leerde mij, dat dit (nl. volledigheid) eene hersenschimmige hoop was bij het opstellen van het eerste

[p. 135]

woordenboek eener levende taal. Daarom besloot ik dan ook het werk te laten drukken gelijk het was, met de hoop, dat het een grondslag zou zijn, waarop iets volledigers zou worden opgetrokken.’

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat er, ofschoon 't volkomen waar is, dat men van de Kaap tot de Limpopo dezelfde taal spreekt, toch ook hier kleine dialectische verschillen voorkomen, zoodat zelfs de geboren Afrikaner in dit boekje wel een enkel woord kan ontmoeten dat hem onbekend is.

Voor alle billijke aan- en opmerkingen, voor de toelichting van menig onverklaard gebleven woord of uitdrukking, en voor verdere bijdragen van geletterden en ongeletterden houdt zich beleefdelijk aanbevolen

 

De Schrijver.

 

Afr., Afrika, Afrikaners, of Afrikaansch.
alg., algemeen.
allegorisch, zinnebeeldig, verbloemd.
Amst., Amsterdam (sch).
analogie, overeenkomst.
aphaeresis, afkapping van letters aan 't begin eens woords.
assim., assimilatie, gelijkmaking, samensmelting.
bet., beteekent, beteekenen, beteekenende, beteekende of beteekenis.
b.v., bijvoorbeeld.
bvnw., bijvoegelijk naamwoord of adjectief.
bw., bijwoord.
cf., conferatur: men vergelijke.
Chang., Changuion, d.i. de in 1844 door Dr. Changuion uitgegeven spraakkunst: ‘De Nederduitsche taal in Z.A. hersteld.’
C.M.M., Cape Monthly Magazine, Z. Voorbericht.
De Groot, Ned. Letterkunde. De voornaamste schrijvers der vier laatste eeuwen, door De Groot, Leopold en Rijkens, 4e.dr.
d.i., dat is.
Du., Duitsch of Hoogduitsch.
d.w.z., dat wil zeggen.
e.a., en andere.
eig., eigenlijk.
elliptisch, onvolledig; dat waarvan iets weggelaten is.
Eng., Engelsch.
enk., enkelvoud.
epenthetisch, ingelascht.
euphemistisch, verzachtend.
Europ., Europa, Europeesch, enz.
fig., figuurlijk, bij wijze van beeldspraak.
Fr., Fransch.
frequ., frequentatief, herhaling aanduidend.
Geld., Gelderland, Geldersch.
gew., gewestelijk, tot een bepaalde streek behoorende.
gh., staat in woorden als Ghon om den stootklank der G (als in't Eng. Go) aan te wijzen.
Gron., Groningen of Groningsch.
Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taaleigen, door Mr. J.H. Hoeufft.
Holl., Holland(er), of Hollandsch.
Hott., Hottentot(ten), of Hottentotsch.
idioom, taaleigen, tongval.
infin., infinitief, onbepaalde wijze van 't werkwoord.
It., Italiaansch.
Jag. Arch., Archief voor Ned. Taalkunde, door A. de Jager.
K.H., Kaapsch Hollandsch, ook Afrikaansch genoemd.
Kil., Kiliaan, Kiliani Etymologicum Teutonicae Linguae, een der oudste Ned. woordenboeken.
Lat., Latijn, of Latijnsch.
letterl., letterlijk.
Mal., Maleisch.
meerv., meervoud.
m.i., mijns inziens.
N. Bet., Neder-Betuwe (een deel van Gelderland), of Neder-Betuwsch.
N. Brab., Noord-Brabant(sch).
[p. 136]
Ned., Nederland(er), of Nederlandsch.
Nieuhof, Joan Nieuhofs gedenkwaardige Zee- en Landreize door de voornaemste Landschappen van Westen Oost-Indien (omstreeks 1670), waarin ook een hoofdstuk over de Kaapkolonie voorkomt.
nl., namelijk.
N.Z., Noord en Zuid, Taalkundig Tijdschrift. N.B. Het Romeinsche cijfer achter deze letters duidt den Jaargang, 't Arabische cijfer het No. aan.
o.a., onder andere.
O.I. Comp., Oost-Indische Compagnie.
Oost. prov., Oostelijke provincie der Kaap-kolonie.
Oudemans, Bijdrage tot een Middelen Oudnederl. Woordenboek, door Oudemans.
Oud. Mag., Oudemans, Magazijn van Nederl. Letterkunde.
O.V., Onze Volkstaal, Tijdschrift gewijd aan de studie der Ned. Tongvallen. Zie N.B. op N.Z.
Overijs., Overijsel, evenals Gelderland en Groningen een der Ned. provinciën, waar zich 't Saksisch element heeft gehandhaafd.
parag., paragogisch, d.i. achter aan een woord gehecht.
P.K., Peter Kolbe, Naaukeurige en uitvoerige Beschrijving van de Kaap de Goede Hoop, enz., enz. (uit de eerste jaren der vorige eeuw).
plastisch, aanschouwelijk.
plat, niet tot de taal van den beschaafden omgang behoorende.
pleon., pleonastisch, overtollig.
Port., Portugeesch.
predicatief, een deel van 't predicaat of gezegde vormende.
Saks. prov., Z. Overijs.
Stereotiep, vast, onveranderlijk.
Syn., synoniem, gelijkbeteekenend.
Terwen, Etymologisch Handwoordenboek der Ned. Taal, door Terwen. ('t Eenige boek van dien aard sedert 1844 in 't Ned. uitgegeven.)
Theal, Compendium of S.A. History and Geography, by George M. Theal.
tw., tusschenwerpsel.
uitdr., uitdrukking(en).
V.D., Van Dale, Woordenboek der Ned. Taal.
verb., verbastering.
vergr. tr., vergrootende trap, comparatief.
verl. dlw., verleden deelwoord.
vnw., voornaamwoord.
vocatief, aangesproken onderwerp.
voce, op 't woord, d.i. zie wat er ter plaatse van 't genoemde woord gezegd wordt.
voorn., voornamelijk.
vw., voegwoord.
vz., voorzetsel.
waarsch., waarschijnlijk.
Wdb., Woordenboek.
Weiland, Ned. Taalkundig woordenboek, door P. Weiland (begin dezer eeuw).
ww., werkwoord.
Z., zie.
Z.A.T., Het Zuid-Afrikaansche Tijdschrift.
Z. Ned., Zuid-Nederland of België.
Znw., selfstandig naamwoord.
[p. 137]

A

A, (de lange) heeft in veler mond een klank, die naar de Geldersche en Noordbrabantsche oa zweemt.
Opmerking: In den loop der bewerking zal hier en daar blijken, dat een aanzienlijk deel der eerste Kolonisten uit de Oostelijke en Zuidelijke provinciën van Nederland afkomstig moet geweest zijn. Uit een verhandeling over 't Amsterdamsch (O.V. II, 2) blijkt mij echter, dat de oa- klank ook aan 't Amst. dialect niet vreemd is; en, dat de Amst. weesmeisjes als huisvrouwen van vele der eerste Kolonisten (Z. Theal, 2nd ed., part 1. p. 70) mede een blijvenden invloed op 't K.H. hebben uitgeoefend, zal ter plaatse worden aangetoond.
Aaklik, akelig. Akelik vindt men ook in 't Oud-Hollandsch (b.v. bij Hooft) en in hedendaagsch gewestelijk Nederlandsch wordt 't nog gehoord.
Aansienlik, schoon van aanzien, vooral van vrouwen. Gelijken zin heeft dit woord in 't Limburgsche (Maastricht). Jag. Arch. III, 346.
Aans(t) wordt, evenals in Holland, beide voor aanstonds (straks) en voor misschien gebruikt (cf. dalkies).
Aa'nt, avond, komt samengesteld voor in naa'nt = (goede)n a(vo)nd; in aa'ntblommetji, en in de uitdrukking: ni van aa'nt ni, dan toch morre aan't, kom ik er van daag niet, dan kom ik er morgen.
N.B. - Het weglatingsteeken (') wijst hier en in soortgelijke woorden een soort van korten hiatus (gaping) aan, den laatsten ademtocht, als 't ware, van een wegstervende lip- of keelletter.
Opmerking: De v als tusschenletter valt soms met den uitgang geheel weg (boo' = boven); gaat soms in w over (skrijw' = schrijven); terwijl w tot f wordt in skreef (schreeuwen). In de Kaapstad hoort men soms am'nt voor avond. Ook de g als tusschenletter verdwijnt, doch de uitgang blijft soms behouden: waa' (wagen), ree'n (regen), enz. 't Is opmerkelijk, dat 't wegvallen der g hier niet, zooals in 't Nederlandsch en andere talen, een tweeklank veroorzaakt heeft (cf. lei van legde, dweil van dwegel, enz.).
Aapskilloeder, een gemeen scheldwoord waarsch. door Duitsche soldaten der O.I. Comp. ingevoerd. Skilloeder is door 't wegvallen der d en door assim. van de n met l ontstaan uit 't Du. schinden (villen) + luder (dood dier, aas of kreng). In 't Ned. is loeder ook een scheldwoord, of beteekent hoer.
Aapstert, eig. apestaart, sambok (voce), zweep.
Aarbeiplant of bebroeide eiers, naam van een heester, welks bloemen eenigszins op aardbeien, doch meer nog op 't met bloedaderen doorweven door van een bebroed ei gelijken.
Opmerking: Uit de vele hier gevormde woorden blijkt, dat de Afrikaner in den regel wel plat en onpoëtisch, doch daarentegen ook scherpzinnig, en juist en geestig van opvatting is.
Aardig of Arig, vreemd, raar (steeds in ongunstigen zin, behalve in de Transvaal). Denzelfden zin heeft dit woord in 't N. Brab. O.V., I, 4.
Aasvoo'l, aasvogel. Z. gier.
Abba of abbe, een kind op den rug dragen. Van 't Hott. abba of awa.
Abbliewi, wat belieft u? Door aphaeresis en assim. uit den Ned. bastaardvorm watblievie ontstaan.
Achter, in: hij is - hom in (hij is hem achteraan of -na) wordt verkeerdelijk met in plaats van met aan verbonden.
Achterkant wordt als vz. gebruikt, bv. achterkant di Pêrl (Paarl).
Abdolkata, of abdolkater, een spel.
Achte(r)loosig, achteloos, onachtzaam. Z. dooierig.
Achteropskop, achteruitslaan (van trekdieren); ook fig. van een ongezeglijk kind gebezigd.
Opmerking: De infinitiefsuitgang en der ww is behoudens een paar
[p. 138]
uitzonderingen geheel verdwenen (Z. dolle).
Achteros, een os die tot 't achterste paar van een span (voce) behoort. Di achteros kom ook in di kraal (bijna 't Ned: lest best).
Achteruit wordt verkeerdelijk voor ten achteren gebruikt in: Di kind is banje achteruit, Dat kind is zeer achterlijk. Ook bezigt men achteruitstaan in een zin als: De gemeente van A. heeft nooit achteruitgestaan in enz., in plaats van: De gem. is nooit achtergebleven, of achterlijk geweest, in enz. Beide uitdrukkingen zijn letterlijke vertalingen van het Eng. backward en to stand back.
Achtig. Deze uitgang wordt verkeerdelijk steeds met den klemtoon uitgesproken. Zoo zegt men stormáchtig, ree'náchtig, enz., in plaats van stórmachtig, régenachtig, enz. In 't Ned. heeft deze uitgang alleen den klemtoon, als hij dezelfde beteek. heeft als haftig = hebbende, en dus 't volle bezit aanduidt van datgene wat in 't eerste lid der samenstelling genoemd wordt, bv. waaráchtig, woonáchtig, twijfeláchtig, en nog een paar, waarbij de uitspraak wankelt, als: reusachtig, krampachtig, enz. In alle woorden, waarin achtig verwant is aan 't Du. icht en een zweem v. gelijkheid of een geneigdheid beteekent, heeft 't voorafgaande stamwoord den klemtoon; bv. ólieachtig, bérgachtig, zwártachtig, schríkachtig.
Adoons, bijnaam van den baviaan; ook Kees en Jonas genoemd.
Afdraa'nd of afdraa'ns, afdragend, afhellend (van een weg); ook fig. voor: gemakkelijk; even eigenaardig Afrikaansch als de uitdrukking: vóór den wind, echt Holl. is, daar 't eerste aan 't bergachtig Kaapland, 't laatste aan 't waterachtig Nederland zijn ontstaan dankt. Zelfs heeft men er een znw. afdraa'n of afdraa'nte van gemaakt en spreekt dus van een steile afdraa'nte in 'n pad. cf. opdraa'n.
Afgedanks, bijw. van graad; ook bvnw. in: afgedankste kind (ondeugende schelm), dat ook schertsend wordt gebezigd. Zoo hoort men ook verflakste (kind), waarschijnlijk een verzachting van vervloekt.
Afgee', afgeven, verliezen (door den dood). Elliptische uitdrukking voor: aan God afgeven.
Afjak, 't Ned. afjacht, norsch en bits bescheid, heeft hier meer den zin van: een bok (schieten), of een blauwtje (loopen). Hij het 'n ----- gekrij, zegt men van een verklikker of aanbrenger, die geen gehoor heeft gevonden; van iemand, die een ongepaste aanmerking maakt en daarover op zijn plaats gezet wordt; en van een minnaar, wiens aanzoek is afgewezen.
Afneem, afnemen, portretteeren. Ook in Friesland gebruikelijk. Afnemen = afdekken (de tafel) is ook gewestelijk Nederlandsch.
Afrikaansskaap, naam van een schaapsoort, die zich door een grooten, platten vetstaart onderscheidt, welke tot vijf Eng. ponden zwaar wordt.
Afrikaner (soms -kaander), de naam, dien men iederen in Z. Afrika geboren blanke geeft. Kapenaar beteekent hier alleen inwoner van de Kaapstad en niet, als in Ned., bewoner van Z. Afrika.
Afsien, letterlijke vertaling van 't Eng. to see off, voor: iemand wegbrengen, of uitgeleide doen.
Afslach, afslachten, villen (v. dieren).
Aftrek, afschuiven (v. een raam), ook afhalen of afdraden van boonen.
Aftui', ook uittui', uitspannen; waarsch. een zeemansterm. Uitspan(nen) wordt echter ook gebruikt. Z. uitspanplek.
Afval, de kop en pooten van een schaap, waarvan men een bijzonder gerecht maakt.
Afvat, afneem (met list of geweld). cf. vat.
Aja, kindermeid, min (cf. memme en nenna). Dit woord komt ook in 't Portugeesch voor en stamt wellicht uit Indië. C.M.M., 1880.
[p. 139]
Akkelpienies komt voor in: hij gooi sen ----- daar (hij gaat daar vrijen). De afleiding van dit woord is mij duister.
Opmerking: Het is voor de hand liggend, dat er in een land, waar de strijd om 't bestaan niet groot is, waar gevolglijk de levenswijze tamelijk weelderig en de hartstochten vrij sterk zijn, en waar ook huwelijken tusschen jongelieden van 16 tot 20 jaar niet tot de zeldzaamheden behooren, een woord als vrijen vele synoniemen heeft. Zoo hoort men nog: - hij lê(g) an en hij loer daar (uitdrukkingen ontleend aan de jacht); hij draai (zooals een aasvogel boven zijn prooi); hij gooi skaapoochies (verliefde blikken); hij gooi spierings en vang kabbeljou ('t Ned. spreekwoord enigszins gewijzigd); hij soek perde, osse (als 't ware!); hij trap voetpad (baant zich zelf een voetpad door 't veld, om langs een omweg ongezien de woning zijner beminde te bereiken); hij rij daar (wegens de groote afstanden - de gemeente van een enkelen predikant, die van Calvinia bv., is grooter dan heel Nederland! - worden alle bezoeken, dus ook van vrijers, te paard of per kar afgelegd. Een voet-reiziger wordt met achterdocht aangezien en noode ontvangen.); hij wil pa sê (hij zoekt een schoonpapa. - Een aardige, naïeve uitdrukking!); hij doring daar (cf. doring); hij maak sij rolplek daar. (Een uitdrukking waarsch. aan 't wild ontleend, dat zijn geliefkoosde plekken heeft, waar 't zich komt koesteren en in 't zand rollen.)
Akker, aker, eikel. Akkerboom, eik. Oudemans geeft wel akerboom, doch nergens heb ik dit woord met een korte a gevonden.
Akkerdis, hagedis. Kiliaan geeft 't woord aketisse als Vlaamsch, en, als de spraakmakende gemeente alhier niet zelf 't woord naar haar eigen idee gewijzigd heeft, schijnt akkerdís daarvan, misschien onder den invloed van 't Noordbrab. erdís (O.V., I., 4) af te stammen.
Akkertji, tuin- of bloembed.
Akke(r)wani, een soort van biesgewas met vele draadvormige wortels, welke gebruikt worden om wollen stoffen te beveiligen tegen de mot - die P.K. m.i. eerder dan de vliegen onder ‘de drie algemene plagen, te weten, de vloojen, de vliegen, en den wind, welke als zij 'er niet waren, deze plaats (de Kaap) een der gelukkigste heten konde’ had behooren te noemen. Men noemt deze plant ook motworteltjies, mottekruid, of, dichterlijker nog, vrouwhaar.
Aks, verbastering van achste (van een Eng. duim).
Al wordt in korte zinnen op 't eind van den zin herhaald: ek is al moeg al. Volgens P. (Z.A. Tijdschrift, Sept. 1879) heeft dit ook in sommige deelen van Ned. plaats.
(A)laksa of laksel, vermicelli. Kan dit woord verwant zijn aan laksman (voce)? Z. ook snijsel.
Albaster, knikker, onverschillig van welke stof. Albast is eigenlijk een soort van fijne gips (Eng. Plaster of Paris).
Alhoewel, vw., bijna uitsluitend gebezigd voor: hoewel, ofschoon, schoon.
Al-honderd-en-tien, 't zelfde als maskie (voce), desniettemin, al is dit ook zoo.
Alkant, niet onaardig gebruikt in: ek is alkant selfkant (ik ben van alle markten thuis).
Opmerking: Het is algemeen bekend, dat vooral bij 't jongere geslacht bijna alle sterke werkwoorden zwak vervoegd worden, en ook 't personenonderscheid geheel is weggevallen, zoodat men zegt: ek, jij, hij, ons, julle, hulle is, het, gaat (gaan), enz. Zie verder over 't werkwoord onder was.
Allah, tw. als uitroep van verwondering, enz. De Maleische (Turksche) benaming van 't Opperwezen.
Allemensig, uitroep van verwondering, ontstaan uit: alle menschen! gelijk
[p. 140]
men ook nog in gelijken zin alle wereld, alle krach, alle mach gebruikt. Voor 't laatste hoort men ook de verbloemde vormen: allematjies en allemopstiks.
Almal, allemaal, allen. Dit laatste wordt in 't dagelijksch leven niet gebruikt. Zoo ook in 't Amst. O.V. II, 2.
Almeleewe, al mijn leven, steeds, altijd: ons se(g) almeleewe so, dat zeggen wij altijd.
Als, alles (ook in 't Hollandsch der 17e eeuw, bij Bredero); ook alsem.
Altemet(s) of altemetters, nu en dan, somtijds; misschien. Altemet(s) hoort men ook in Ned. - cf. dalk.
Ambraal, zwak, ziekelijk.
Amme(l)skie, ofschoon, hoewel. Door assim. verbasterd uit al-meskie of al-maskie (Z. maskie.)
Amper wordt alleen in den zin van bijna, niet in dien van nauwelijks gebruikt, zooals in Holland. Van 't Maleische ampir (bijna). C.M.M. Men zegt ook ampertjies.
Andach, huisgodsdienstoefening. Mogelijk door de Du. zendelingen van 't Du.: seine Andacht halten = zijne gebeden doen, zijn godsdienst waarnemen. Bij oude schrijvers (o.a. Hooft) komt echter aandacht soms in den zin van devotie voor. Z. Jag. Arch. I.
Opmerking: Evenals in vele Hollandsche dialecten valt de slot-t, vooral na een anderen medeklinker, geregeld weg. Cf. afslach, boch, ni, enz.
Ander heeft den zin van nog een in: sal jij 'n ander koppi thee? (wil u nog een kopje thee?). Dit voor den Nederlander zonderling gebruik van ander komt natuurlijk van 't Eng. another.
Andoeli, 't Ned. rolpens (Z.A. Tijdschrift, Feb. 1879), van 't Fransche andouille (worst), en dit weer van 't Lat. inductilis, eig. de darm waarin gehakt vleesch gedaan (inductus) is.
And're, in: di and're dag (vóór een dag of wat, onlangs), is ook wel 't Eng. other (cf. the other day) of 't Fransche autre (l'autre jour). Di andre week voor: de volgende week, schijnt uit 't Amst. afkomstig (O.V. II., 2). Misschien is ook dit geheele eigenaardige gebruik van ander wel oorspronkelijk Amsterdamsch.
Angaan, voortgaan; voortgang, vordering maken. In 't hedendaagsch Ned. wordt aangaan niet meer in dezen zin gebruikt; doch bij oude schrijvers (o.a. Cats) komt 't nog als zoodanig voor. 't Is dus niet, zooals men wel meent, een Anglicisme (to go on).
Anker, rank, scheut van een aardbeiplant, enz.
Anloop, iemand bij den neus nemen, bedriegen. In de 17de eeuw beteekende aanloopen aanvallen, en misschien is hieruit de beteekenis van bedriegen ontstaan.
Anni, Antje.
Opmerking: Ten einde een getrouwde vrouw met juistheid aan te duiden, voegt men achter haar naam den voornaam van haar man; dus: Anni Hans, Krissi Thijs, enz. Omgekeerd voegt men ook achter den mannennaam den naam der vrouw, b.v. Willem Hessi, Pieter Engela, enz. Ook noemt men dikwijls een gekleurden bediende naar den baas, bij wien hij opgegroeid is en lang gediend heeft, b.v. Koos Theron, Isak Van Dam, enz.
Anraap (waarsch. verbasterd van aanraken), ruw pleisteren, een muur met een dunne laag kalk bedekken, zonder die glad te strijken.
Anstellings, allerlei voorwendsels, grillen; 't Plat-Hollandsche foefjes, cf. complimentjies, kriewels, krulle.
Antimacasser, gehaakt of gewerkt kleedje, dat men over den rug van leuningstoelen werpt. Anti = tegen (Macassar = soort van olie (naar een eiland van dien naam in O. Indië); dus eig. een doek, die 't stoelbekleedsel tegen haarolie beschermt. Ook in Nederland algemeen bekend, hoewel geen woordenboek 't noemt.
[p. 141]
Antrek, aankleeden. Aantrekken gebruikt men ook in Groningen en N. Brabant. O.V., I., 4.
Appelkoos, algemeene uitspraak voor abrikoos.
Appeltjies-der-liefde, naam van een struik (Licopersicum esculentum), welks talrijke en door de Afrikaners zeer gezochte vruchten 't voorkomen hebben van een taartvormig, vliezig doosje (ongeveer een kub. Eng. duim groot), waarbinnen 't eetbare besje zich bevindt. 't Woord moet een vertaling zijn van 't Fr. pomme d'amour, waarmee 't echter geen overeenkomst heeft. - De genitief in dit woord klinkt zonderling in den mond van den Afrikaner, die anders geen genitief kent.
Arikreukel, alikreukel, alikruik, een welbekende zeeslak.
Armbus. Hij wil ook 'n stuiwer in di ----- gooi = hij wil ook een duit in 't zakje gooien.
Arrie, tusschenwerpsel om be- of verwondering uit te drukken, 't Nederl. hè!
As, asch. Hij slaat sen hand in di as = zijn meisje is hem door een ander weggekaapt. Van dien ander zegt men ook ten opzichte van den eerste: hij het sen hand weggeslaan.
Asgat of askat zegt men spelend tot of van een klein kind; waarschijnlijk om 't rondkruipen op den vloer en in de asch. Bij Hooft heeft ascat denzelfden zin. Z. De Groot, enz., 4de druk, p. 46.
Asijnbottel of Asijnvat noemt men iemand, di in 't Plat-Hollandsch zuurmuil of - smoel heet.
Askoek-slaan, soort van dans der Hottentotten, waarbij zij de hielen tegen elkaar slaan, hetwelk een geluid veroorzaakt, dat doet denken aan 't tegen elkaar kloppen van koeken die in de asch gebakken zijn.
Atjar, zuur, d.i. vruchten of groenten in azijn ingelegd. Een Indisch woord, bij Nieuhof aetsjaer genoemd.
Atsjókka, artisjok, een welbekend gewas.

B

Baatji, jas, paletot; ook lijf van een tabbertji (japon). Rooibaaitjies, de gewone naam voor Engelsche soldaten. - In Holland is dit woord ook bekend, doch minder algemeen, behalve in de uitdrukking: op zijn baatje krijgen. Volgens Oud. Mag. komt dit woord van 't Mal. bâdjoe.
Baar, ongeleerd, ongeoefend (van menschen en trekdieren); een woord uit de dagen der O.I. Comp., toen de oudgedienden oorlammen (oranglami = oude personen) en de rekruten baren (orang-baru = nieuwe personen) heetten. In Indië schijnt dit woord in den zin van den studententerm groen gebruikt te worden, en zoo ook aan de Militaire Academie te Breda. Ook in de zeemanstaal beteekent het nieuweling. O.V., I, 1.
Baar, soort van zeevisch.
Babiaanbout, letterlijk: dijbeen van een baviaan, doch figuurlijk voor een ouderwetsch roer, waarvan de kolf eenigszins daarop gelijkt. Voor baviaan zegt men ook bobbiaan.
Babbiaangalop, Z. hondedraffi.
Babbiaantjies, een soort van wilde tulp, dus genoemd omdat de bollen daarvan een geliefkoosd voedsel der bavianen zijn. - Dat de baviaan hier inheemsch is, blijkt verder nog uit: Daar is 'n babbiaan, of de b----- het daar 'n kind gebreng (cf. het volksgeloof omtrent gelijke dienstvaardigheid van den ooievaar in Nederland); hou jou bek, jou babbiaan, d.i. zwijg, jij bent nog te jong om mee te praten.
Bak, komt voor in: morre bak ons koek (met Sint Juttemis, als de kalvers op 't ijs dansen, dus: nooit), waarvoor men ook zegt: morre achter di koffikan; as di perde horings krij; as di hengs veul; as di uil preek; as di katte vergad'ring hou; of kort af: morre, hôr! Hij bak en brouw soo's hij wil = hij handelt naar willekeur.
Baken, grenspaal of -teeken (als in 't Ned.), komt eigenaardig voor in:
[p. 142]
Hij het vandaag 'n - gesteek, hij is vandaag van 't paard gevallen, waarvoor men ook iets minder fijn zegt: hij het grond gevreet, en di hengs het geveul; uit welke uitdrukkingen blijkt, hoe de rijkunst hier in eere wordt ehouden.
Baker, als oppaster eener kraamvrouw door ou'memme of 't Eng. nurse vervangen, doch nog overig in: jij is kort gebakerd, of gebakend, d.i. licht geraakt.
Opmerking: Gebakend bewijst, dat de spraakmakende gemeente de etymologische beteekenis van 't woord niet meer verstaat en reeds op weg is, 't op een meer bekende leest (baken = landpaal) te schoeien.
Bakkies, bakkes, bakhuis, gezicht, ook: mombakkes. Jij moet ander bakkies ver jou opset, zegt men ten antwoord op een bedreiging van een, die een ander wil slaan. In gelijke beteekenis zegt men ook: ek is ouwer as twaalf (Z. twaalf); Jij mo(e)t banje brood vreet moet (met) die gesich.
Bakklei, 't Plat-Hollandsch bakkeleien. 't Mal. bakelahi = vechten, duelleeren (Multatuli en C.M.M.). Oud. Mag. noemt 't Mal. bakkelajoe. Bakkleislag, vechtpartij.
Balderja(n), soort van kruizemunt. Waarsch. van 't Du. Baldrian = valeriaan.
Balhoorig, eigenzinnig; dus een die bal (slecht) naar anderen hoort. 't Ned. baloorig bet. verdoofd door geraas; in een kwade, ontevreden luim.
Bali, ton, kuip; b.v. vleesbali, trapbali (bij 't wijnpersen gebruikt.) Komt dit woord uit de Sak. prov., of is 't een zeeterm, door de tot vrije burgers bevorderde matrozen en soldaten der O.I. Comp. hier ingevoerd? Janbali, scheldnaam.
Baljaar, luidruchtig spelen, ravotten, tieren. Dit woord is ook aan de Zaan (Noord-Holl.) bekend. Zie N.Z., III, 301. Volgens C.M.M. van 't Port. bailar, dansen.
Baljuw wordt nog gebruikt in den zin van: openbare aanklager, de vroegere fiskaal.
Balkrans, een jongensspel, waarbij men, in een krans (kring) staande, elkander den bal toewerpt. Wanneer daarbij de een den ander op den rug draagt, heet het spel, heel puntig en aardig, balruiter.
Ballasmandji, een mand, die ongeveer een derde mud inhoudt en in de streken nabij Den Haag en Leiden bostelmand heet. Is dit ook een scheepswoord?
Bandiet, tot harden arbeid veroordeelde misdadiger.
Opmerking: Daar vooral in dorpen en binnenlandsche steden deze harde arbeid hoofdzakelijk in het onderhouden van straten en wegen bestaat, is de uitdrukking: harde pad krij (krijgen) synoniem geworden met: tot tuchthuisstraf veroordeeld worden. In de Holl. vertaling van Peter Kolbe komt dit woord reeds in denzelfden zin voor; doch vanwaar 't als zoodanig is ingevoerd, is mij onbekend.
Bándom, 't Holl. lakenbont, van een rund gezegd, dat als 't ware een wit laken (band) om 't lijf heeft. Naar de hoofdkleur noemt men zulke dieren ook wel: rooilap, swartlap, enz. Bándom heet ook een geweerkogel, waarom een groef loopt.
Opmerking: Dit woord, als vele andere, toont, hoe 't K.H. niettegenstaande zijn hyper-analytischen aard, toch nog de gemakkelijkheid van het Hollandsch bezit - zoo 't dit hierin zelfs niet overtreft - tot 't vormen van samenstellingen. cf. bildruk, binnenaad-veldskoen, moederskep-oppies, staatmaker, enz., enz.
Banje, bajang, baing, veel, zeer. Dit is waarsch. 't Indische banjak (veel) en niet 't Fransche bien, door de Hugenoten nagelaten, zooals ik vroeger meende. - Men vindt hier nog een aantal Indische woorden, doch bijna geen spoor meer van 't Fransch. Zie ook C.M.M. Banja wordt ook als bvnw. gebruikt in den zin van fluks,
[p. 143]
flink, degelijk, bv. 'n banja perd, 'n banja kerel.
Bank, steile oever eener rivier, waar 't zand is weggeslagen. Ook zandbank. In de eerste beteekenis moet 't van 't Eng. bank (oever) afkomen. In 't Oud-Hollandsch is 't mij althans niet bekend.
Banketji, suikerwerk, naar gelang der grootte enigszins beantwoordende aan de Holl. muisjes of bruidsuikers. 't Ned. banket bet. gebak of gastmaal en komt door 't Fr. banquet van 't It. banchetto; dit laatste van banco ('t bij elkaar zitten op banken, een smulpartij houden), hetwelk op zijn beurt weer afgeleid is van 't Oud-Du. banc, ons bank. Dit woord heeft dus een soortgelijke geschiedenis als 't Eng. dish (gerecht), verwant aan ons disch (tafel).
Basaar of besaar, openbare uitstalling en verkooping, meestal in de vrije lucht, van alle mogelijke voorwerpen, die tot een liefdadig doel zijn bijééngebracht.
Basboom, struikgewas, welks bast tot looien gebruikt wordt. Voor hetzelfde doel gebruikt men ook de wortels van sommige wilde planten (elandswortel, enz.).
Basi (eig. baasje), naam dien de kleurlingen den oudsten zoon des huizes geven, of ook wel beleefdheidshalve aan elken blanke, dien zij groeten. Een gelijk gebruik maakt men in Noordbrab. van baaske. Z. Hoeufft.
Batavische of Bosmanssteenen noemt men de groote roode of blauwe vloertegels die men nog hier en daar in huizen en op stoepen vindt.
Be. Dit voorvoegsel wordt, evenals ge, bij 't zingen van psalmen en gezangen alleronstichtelijkst uitgerekt tot beee, inzonderheid in de kerken der kleurlingen. Vindt men ergens in Nederland hetzelfde, of is 't hier door invloed der Duitsche zendelingen ontstaan?
Bedle'r of bedle'nd, bedlegerig, bedliggend.
Bedra(g)en, bedrag. Waarschijnlijk door verwarring met ten bedrage ontstaan. Z. Changuion.
Been. Ik sel jou net nou beene maak, sterke bedreiging voor: ik zal je fijn, of dood, slaan.
Bees(t), uitsluitend voor rund gebruikt. Beestevleesch. Z. vee.
Begeerlik, begeerig. Ook Kiliaan maakt geen onderscheid tusschen begeerig en begeerlijk.
Beginsel, begin. Zoo ook bij Kiliaan. Ook bij Oudemans komt in een aanhaling uit Hugo de Groot beginsel = begin voor.
Begos(t), begon. Nog door oude menschen gebruikt. Zie N.B. op was.
Begraafniskoek, bizondere soort van koek.
Begraafnisrijs, met 't eene of andere gele poeder toebereide rijst.
Opmerking: Beide woorden dagteekenen uit den tijd, toen men nog begrafenismaaltijden had, die thans in de meer bevolkte streken zijn afgeschaft.
Behaai, drukte, lawaai. Waarschijnlijk hetzelfde als boha of boeha en dus van 't Mal. bohea = Kaaiman.
N.B. - Door het geroep van ‘Bohea! Bohea!’ waarschuwen de Javanen hen, die zich op de modderbank van Batavia willen baden, waar niet zelden Kaaimans gevonden worden. V.D.
Beker, algemeene benaming voor kan, b.v. melkbeker, enz.
Bek-lek in: hij beklek en stertwaai, maar dis verniet, zegt men van iemand die vergeefsche moeite doet om iets (soms ook een meisje) te verkrijgen. Deze uitdrukking is natuurlijk aan den hond ontleend.
Beknop(t), soms verkeerdelijk voor bekrompen gebruikt. Beknopt bet. in een klein bestek (ruimte) samengevat.
Bekwaam, geschikt; ook eetbaar, rijp. Di kool is nog ni ----- ni: de kool is nog niet goed, uitgegroeid, volwassen. Een soortgelijken zin schijnt 't in de Ned. Bet. te hebben. O.V., II, 2.
[p. 144]
Bel, verkeerdelijk ook gebruikt voor lel, een belvormig verlengsel van de huid aan den hals der geiten. In 't spreekwoord: Hij het di klok hoor lui, en hij weet ni waar di bel hang ni, gebruikt men verkeerdelijk bel voor klepel, een bewijs dat men 't laatste woord niet meer kent en van 't eerste slechts een onjuist begrip heeft.
Bename, voornamelijk. Ook in de Saks. prov. bekend. Z. Hoeufft en O.V., I, 2.
Bêrre, bergen; ook bewaren, inzonderheid ook van spijzen (b.v. voor iemand die niet bij 't maal kan tegenwoordig zijn).
Besigheid, zaak, affaire. Waarsch. door 't Eng. business.
Bestakel, iets wonderlijks, zonderlings, enz.: verbastering van spectakel, schouwspel.
Bestroentji, dun overjurkje, of alles bedekkend schortje voor kleine jongens. Waarschijnlijk van boezeroen (matrozenkiel). Dit boezeroen schijnt verwant aan buis (jasje of baatje).
Betaal, in: 't betaal ni, enz. ('t loont de moeite niet), een al te dikwijls gebezigde uitdrukking voor alles wat geen onmiddellijk voordeel oplevert. 't Eng. it does not pay.
Betakel wordt evenals takel in den zin van 't Ned. toetakelen (afranselen, enz.) gebruikt. Beide zijn echter zeemanstermen.
Betrek, 't wild bekruipen; fig. iemand bedriegen. Ook in de laatste beteekenis, helaas! van algemeen gebruik. Synoniemen voor de tweede beteekenis zijn: vastrek, toetrek, verneuk, kul, fop, in di nek kijk.
Beu'l, beugel, b.v. stiebeu'l (stijgbeugel). Beul, scherprechter, is hier niet bekend. Z. Laksman.
Beur komt alleen voor in opebeur, b.v. 'n deur (een deur met geweld openen), en hij beur om los te kom (wringt en worstelt om los te komen). Voor opbeuren, oprapen gebruikt men alleen optel. Heeft beuren ergens in Nederland eerstgenoemden zin?
Bewertjies, bevertjes, een soort van trilgras.
Bid, ironisch voor vloeken gebruikt, b.v. hij kan goed bid. Zoo ook zegt men: ek sel jou see'n (zegenen); ek sel jou prijs; ek sel ver jou ook 'n klip uit di pad rol, terwijl men 't omgekeerde bedoelt.
Biebies (in de kindertaal), ongedierte op 't hoofd.
Bieki (gew.), bietji, beetje. Dit woord moet uit de Sak. prov. stammen.
Biesroei, een op helm gelijkend gewas.
Biessiespol, een woord dat men van of tot een schoon meisje bezigt. Op gelijke wijze zegt men ook: doringlat (doorntak), takselat (voce), koeliejou-ghon (ghon is knikker; doch wat beteekent de rest?), mieliblaar. De zin dier woorden is moeielijk te verstaan. Biessies beteekent letterlijk een pol (zode) biezen of gras, doch pol is ook een ontuchtig persoon. Wat is hier de ware afleiding?
Bietje, beetje, een weinig. (N.B. ee wordt door Engelschen invloed in vele woorden als ie uitgesproken, of 't komt uit 't Brabantsch. Z. Hoeufft). Men gebruikt 't ook in den zin van 't Hollandsch even met de beteekenis van asjeblieft! Roep 'n bietji ver hom (roep hem even, asjeblieft). Z. wach'nbietji.
Bietji - bietji, bij beetjes, een weinig te gelijk, zooals 't Fransche petit à petit. N.B. De verdubbeling van een woord komt hier, evenals in 't Javaansch, dikwijls voor (b.v. in Multatuli's Max Havelaar). Ze dient om een woord meer kracht of levendigheid bij te zetten en is dus een kinderlijke poging om, bij een beperkten woordenschat, de bijw. van graad en andere bijw. te vervangen. Zoo heeft men nog loop - loop (loop snel), gou - gou (zeer snel), tok-tokki, in een kinderspelletje, waarbij men op de deur kloppende zegt: tottokki! wie is daar? - Antji di toowenaar!
Bij di huis bezigt men voor: te huis, of t'huis.
[p. 145]
Bijkom, vinden, krijgen, 't iemand betaald zetten: ek sel ver jou bijkom (ik zal jou krijgen). Volgens Van Dale ook in Ned. gebruikelijk, doch zeker alleen gewestelijk.
Bijwerk (soms bijwerg uitgesproken), maagdenwas (Eng. propolis), noemt men de pikachtige stof die door de bijen gebruikt wordt om openingen in hun korf of verblijfplaats geheel of gedeeltelijk dicht te maken en zoo tegen 't weder en ongedierte te beschermen. De kinderen spelen of doen er kattekwaad mee.
Bildruk, bijzondere wijze van spitten (voornamelijk van den wingerd). Men onderscheidt: bildruk, spitten, waarbij men met de dij (bil) de graaf (spa) in den grond drukt; voettrap, waarbij dit met den voet geschiedt, zooals in Ned.; en kapspit, waarbij men niet drukt, maar met een bovesanse (eigenlijk bovenshandsche - Van Dale geeft dit woord niet) beweging de graaf in den grond kapt of steekt.
Binnemeid, kamer- huis- of tweede meid.
Binnenaadveldskoen, een voor veldarbeid bestemde schoen van ruw, sterk leder, waarvan de naad niet, zooals bij den gewonen veldskoen, buiten maar binnen zit.
Blaasbalk voor blaasbalg; ook gewestelijk Hollandsch.
Blaasóp, zeer juiste benaming van een eigenaardig zeevischje, de diodon antennatus, waarvan eene belangrijke beschrijving gegeven wordt in Darwin's ‘Voyage of the Beagle.’
Blaker komt voor in: blaker hom weg = schiet hem (den knikker) weg. Waarschijnlijk van blakeren = afvuren, schieten.
Blas, geelbleek, kleur van iemand van gemengd bloed, doch nagenoeg blank. In Overijsel bet. blas bleek.
Blatjang, dikke saus of toekruid bij vleeschspijzen, samengesteld uit rissies (Spaansche peper), gedroogde abrikozen, enz., alles in azijn.
Blatsak, schouder(blad)zak, waarin men op de jacht de noodige mondbehoeften meedraagt.
Blesmol, naam van een kruidenetenden mol, tot de order der knaagdieren behoorende en dus genoemd naar de witte vlek voor op den kop. Een soortgelijk dier, de Tucutuco of Ctenomys Brasiliensis vindt men ook in Zuid-Amerika; doch ik heb nooit gehoord, dat de Zuid-Afr. blesmol eenig geluid maakt, zooals de laatste. Cf. Kolmol.
Blij', blijven, wonen. Cf. Fr. rester, demeurer, en 't Eng. to stay. Laat maar blij, laat maar rusten, staan; 't hoeft niet meer.
Blik, in de spreektaal voor geld gebruikt, zooals ook pitjies en geelvinke (b.v. hij waai geelvinke). Voor: hij is rijk, hoort men ook: sen sak is diep.
Blikhuis, huis van gegalvanizeerd ijzer, vooral op de Velden (Diamant- en Goudvelden) algemeen.
Bliknêrs, blikaars, blikgat.
Opmerking: Dit laatste woord wordt niet alleen hier nooit gebruikt, maar heeft zelfs voor Kaapsche ooren een klank gelijkstaande met dien van 't woord aars voor een niet al te grof Ned. oor, terwijl men in bliknêrs niets stuitends schijnt te vinden. Naast nêrs bestaan hier nog de gewijzigde vorm maars (m', me of mijn aars?) en 't oorspronkelijke aars. In fatsoenlijk gezelschap worden deze woorden echter evenmin gebruikt als in Ned. Blik in bliknêrs is verwant aan 't Eng. black, zwart.
Blikoor, bijnaam van den Transvaler, dien men ook Vaalpens, Riemlander, of Woltoon noemt. Dit laatste van 't intrappen van de schapenwol in baalzakken.
Blindemol, een soort van insektenetenden mol, veel gelijkende op den Ned. - Blindemolletji, een kinderspel; eigenaardige wijziging van de Ned. benaming blindemannetje, zinspelende op den bovengenoemden blindemol.
[p. 146]
Blits, bliksem. N. Brab. blitsem (O.V., I. 4); Du. Blitz.
Bloedlaat, aderlaten.
Opmerking: Dit is een van die woorden die op den eersten blik uit 't Eng. vertaald schijnen, doch die werkelijk Oud-Hollandsch zijn en hier in dezen uithoek bewaard bleven, terwijl ze in Ned. zelf geheel of gedeeltelijk in vergetelheid geraakten. In 't O.H. vindt men bloet laeten of ook bloetlaten.
Bloedweinig, zeer weinig.
Blom, bloem. Ook Amst. en gewest. Holl. O.V., II. 2. Blommetji, blomkool, enz.
Bloo(t)sperd, zonder zaal te paard.
Opmerking: Terwijl de eind-s van dit woord met alle herinnering aan, of begrip van, een genitief is verloren gegaan, is de s in 't midden bewaard gebleven, waar zij meer als verbindingsletter dient; gelijk zij waarschijnlijk om dezelfde reden en op grond van valsche analogie in 't midden van andere woorden is ingeschoven. Zoo zegt men: dikswel voor dikwijls, veelsgeluk voor veel geluks, tee'nswoordig voor tegenwoordig (ook in Holland), verjaarsdag voor verjaardag, werksman voor werkman, enz. Op dezelfde leest heeft men ook geschoeid
Bloo(t)svoet, blootsvoets.
Bloubaard, een soort van hagedis.
Blouboontjies, geweerkogels. Blauwe boon voor kogel hoort men ook in Ned.
Blus, in: sijn blus was amper uit (hij was bijna dood). Wel heeft men in 't Ned. blut en blutsch met de beteekenis van alles verloren hebbende, doch geen oud of nieuw Woordenboek, mij bekend, geeft eenige opheldering voor dit zonderling gebruik van 't woord. 't Is ook niet waarschijnlijk, dat 't uit 't Engelsch bliss = geluk (i = u) ontstaan zou zijn.
Boch, ruigte, biezen en alles wat men in een kraal of hok gebruiken kan om daarop 't vee te laten slapen en om tevens mest te verkrijgen. Ook schertsend of scheldend van of tot een persoon gebezigd, wiens handen tot het een of ander verkeerd staan. In Holland wordt 't in dezen zin wel collectief, maar niet persoonlijk gebruikt. In 't Ned. Bet. bet. bocht onkruid. O.V., II. 2.
Boebooti, fijn gehakt vleesch met kerriepoeder toebereid en gebraden. Van 't Mal. boemboe = toebereid kerriepoeder. C.M.M.
Boecho, een wild kruid, waaraan geneeskundige eigenschappen worden toegeschreven. P.K. kende 't reeds als buchu.
Boeglam, doodmoe, zeer vermoeid. Oudemans verklaart 't, onder boech, als borst van een paard, en dus zou boeglam, zooveel als borstlam, d.i. ademloos, beteekenen, tenzij er (Z. Chang.) een oud woord boeg = schouder (Duitsch Bug) bestaan hebbe, zoodat 't dan schouderlam beteekent.
Boer. Het woord boer bet. aan de Kaap niet juist 'tzelfde als in Ned. Ofschoon ook in Ned. de weldenkende den boerenstand even hoog schat als elke andere maatschappelijke betrekking, hecht men toch over 't algemeen aan 't begrip van boer 't denkbeeld van mindere beschaving en fijnheid van manieren, en is er ook in 't uiterlijke steeds iets dat in dit opzicht terstond den boer doet kennen. Ditzelfde geldt niet van de Kaapsche boeren, althans niet van 't gros, zooals ik ze ken. Voor de meesten zou de naam heereboer dan ook beter passen. Er is nl. in 't wezen, 't voorkomen en de manieren van de meesten iets vrijs, onbevangens, gemakkelijks, iets dat den meester aantoont, en men kan terstond zien, dat de boeren hier onder een helderder hemel en vrijer omstandigheden zijn opgegroeid dan in Nederland.
Boereboontjies, groote, platte of Roomsche boonen, ook platte Peters genoemd.
[p. 147]
Opmerking verdient in 't K.H. 't veelvuldig gebruik van verkleinwoorden. Cf. kanijntji, mossi, enz.
Boesman, gewone benaming voor, en verbastering van Boschjesman.
Boeta, ook boeti, boetji of boetjan, naam dien de leden van een gezin aan den oudsten en soms ook aan den geliefkoosden zoon des huizes geven, waarsch. verbasterd uit broertje, gelijk sussi, zooals de oudste dochter heet, uit zusje.
Boetebossi, of pinoti-bossi, eigenlijk de Xanthium spinosum of kliskruid, welke laatste naam weinig gebruikt wordt. Den eersten naam heeft men dit gewas heel aardig gegeven wegens de boete, die op de nietuitroeiing van dit voor de wolzuiveringmachines zoo nadeelige kruid gesteld is.
Boetse, schoenen, van 't Eng. boots (alleen in de Oostelijke Provincie gebruikelijk).
Bof, tw., bij een kinderspel gebruikt, dat degene uitroept die de anderen naloopen (krijgen) moet, zoodra hij er een raakt. 't Holl. jij ben 'em! Boffen bet. slaan, dus bof slag. 't Spel zelf heet ook bof, of boffi speul. Ook de afgemerkte plaats, waar men voor den bof van den nalooper veilig is, heet bof (in Holl. honk). In de laatste beteekenis hangt 't woord misschien samen met bocht, een afgesloten ruimte. Voor dit bof hoort men ook vrijplaa(t)s.
Bok, gemeenslachtige benaming voor de diersoort geit. Men spreekt dus van bokke- en niet geitemelk (!). Bok is ook de algemeene naam der antilopen, als: bles-, -duiker-, gems-, grijs-, klip-, springbok, enz.
Bokkebaard, evenals in 't Plat-Hollandsch, de verbastering van bakkebaard, doch met dit onderscheid gebruikt, dat de't kind bij zijn waren naam noemende Afrikaner, geen reden ziende waarom een wangbaard bokkebaard zou heeten, 't alleen bezigt voor een kinbaard, zooals ook de bokken dragen, dus overeenstemmende met 't Hollandsch sik of sikkebaard (sik = Du. Ziege = geit).
Bok(ke)veld, een deel van het barre hoogland, de Karroo, en misschien daarom gebezigd in de uitdrukking: Hij was amper Bokveld toe (hij was bijna dood). Zie voor dergelijke euphemistische uitdrukkingen voor sterven op de woorden: blus, door, dood, klaar, kop, stertriem, touw, enz.
Bokki, bok, schraag.
Bokmakieri, klanknabootsende naam van een zeer nuttigen, insektenetenden vogel, die bovendien nog een der weinige Kaapsche zangvogels is en daarom meer tegen de schietzucht van baldadige knapen behoorde beschermd te worden.
Bokooi, schertsende benaming voor bok- of tochtwagen. Misschien is 't eig. bok-kooi en ligt er een gelijk begrip bij ten grondslag als bij ramhok (voce).
Bokskijn of bokskeen, een sterke broekstof, eig. 't Eng. buckskin (bokkevel).
Bokspoor, duivel. Cf. 't Ned. bokspoot = sater. Z. broesa.
Boldermakiesi, kopje-buitelen. Vanwaar dit woord? Bollen beteekende oudtijds draaien, wentelen, en, ons à la Becanus met dit ééne gegeven tevreden stellende, zouden we licht tot de verklaring komen: bolder (buitel) - ma(maar)-kiesi (keesje); doch Becanus is dood en dus blijft dit vraagstuk voorloopig onbeslist.
Bont, in 't rond, in de uitdrukking: Di hoeners lê hulle eiers somerso bont. 't Bet. ook verward.
Boo', boven, ook 't Bovenland (de streek waarin de Kaapstad ligt, en vanwaar de blanke bevolking van Z.A. zich over 't geheele land heeft uitgebreid), in tegenstelling van Onder, Onner of Oener ('t Binnenland, dat wegens zijn hoogere ligging eig. 't Bovenland moest heeten).
Boomsingertji, soort van boomkrekel (Z.Z.A. Tijdschrift, Feb. 1879).
Boomskraapsel, 't laatste en dikwijls 't beste dat men heeft, in den zin van 't
[p. 148]
Hollandsch: bij gebrek aan brood eet men korstjes van pastei.
Boontjiessop, in: hij kook daar - van = hij beschouwt dat als niets. In gelijken zin zegt men: hij maak daar kerrikos van, of: dis maar 'n breakfast ver hom.
Boo'rd, boomgaard, waarvan 't door den Holl. en Noord-Brab. tusschenvorm boogerd afstamt. Z. bôôgert, O.V. I, 4.
Boren(d)st(e)vol, boordevol. Borendevol hoort men ook in Holland, doch niet in den overtreffenden trap. Men zegt ook: gelijk-, prop-, strijkvol en oo'rentoo'r (voce).
Borri, een geel poeder, waarmee men somtijds de rijst kleurt.
Borsi, voor- of halfhemdje.
Borslappi, slabbetje.
Borstrok, korset, keurslijf. Den Holl. borstrok kent men hier niet. Wat de mannen dragen, heet frok (Eng. frock).
Bort, huiduitslag, die snel opkomt en verdwijnt. V.D. verklaart 't als ziekte door overmaat van gal. Waar wordt dit woord in Nederland gebruikt?
Bos, struik, heester. Hij het di ander om di ----- geloop: A. heeft B. een vlieg afgevangen (inzonderheid, waar 't een meisje geldt). Hiervoor zegt men ook: Hij het hom koud gelei (Z. koud), en hij het hom droog geset (Z. dood). Hij loop moet mij om di bossi, hij leidt mij om den tuin, bedriegt mij.
Bossiesstroop, een stroop verkregen door 't laten verkoken van den honinghoudenden dauw, dien men 's morgens vroeg uit de bloemkelken der suikerbossies (een der vele proteasoorten) schudt.
Boste, meervoud van bos(si). Meer nog dan in 't Hollandsch dient in 't Kaapsch de t tot dissimilatie, d.i. om woorden waarin een opvolging van sisklanken of enkele sisklanken vóór klinkers zouden voorkomen, meer stevigheid te geven. 't Fransch met zijn afkeer voor verbindingen van de s met een consonant heeft dus hierin weinig invloed uitgeoefend. Cf. frister (frisscher), grafte (graven), astrant (assurant), stroop (siroop), kamaste (voce), enz.
Bottel, algemeene naam voor flesch. Voce.
Botter, boter. Ook in de Saks. prov. gebruikelijk. Cf. skottel. Di botter sel braai! je zult er van lusten; je krijgt straf.
Bout heeft als voor- of achtervierendeel van een rund, schaap of bok, 't meerv. boude of boure.
Boutjies, billen, van kinderen gebezigd. De kleurlingen noemen 't ook stêrtji.
Braaf heeft, evenals in de Holl. spreektaal, naast den zin van deugdzaam, oprecht, ook dien van zeer, erg.
Braak bet. niet, als in 't Ned., onbebouwd, maar pas ontgonnen, d.i. voor de eerste maal ruw omgeploegd veld, dat men een jaar laat liggen om 't dan te bebouwen (cf. rusland). Een land ombraak is: een stuk veld dat ongebruikt was door omploegen voor bebouwing geschikt maken. 't K. braakland stemt dus overeen met Broake, 't gebroken land, door Dr. Galleé in O.V., I, 2 aangegeven.
Brandsolder, een met baksteenen en een dikke kleilaag bedekte zolder, die deels den brand, zoo deze (wat gewoonlijk 't geval is) bij 't licht ontvlambare rieten dak begint, tot 't bovenste deel van 't huis bepaalt, deels ook dient om in den heeten zomer de benedenkamers koel te houden.
Brannekel, brandnetel. Cf. brannettel (O.V., I, 2.) De spraakmakende gemeente, die de oorspronkelijke beteekenis van netel heeft vergeten, tracht weer zin in 't woord te brengen door 't platte, doch niet onjuiste branneukel (de plant die de (k)neukels brandt), dat men soms hoort.
Bredi, groente met vleesch dooreengestoofd. Is dit woord Indisch?
Breek, remtoestel, bestaande in een dwarsbalk, die achteraan een wagen bevestigd is en tegen de achterwielen kan worden aangeschroefd. Dit toe-
[p. 149]
stel, door de Engelschen ingevoerd, wordt dus (cf. Eng. break) genoemd in tegenstelling met den ouden remschoen en remketting, die bijna geheel in onbruik geraakt zijn.
Brei, bereiden van vellen (huiden), waarin vooral de inboorlingen zeer bedreven zijn.
Broeisch, broedsch (van pluimvee), doch ook zwanger (van vrouwen). Zoover ik weet, alleen onder de kleurlingen in gebruik.
Broek. Iemand di ----- warm maak! in 't nauw brengen, doorhalen.
Broek-en-baaitji, naam eener wilde bloem, waarin men eenige gelijkenis met bedoelde kleedingstukken meent te vinden.
Broekskeur, broekscheuren, komt voor in: 't was net so broekskeur = Eng. it was a narrow escape = ternauwernood 't gevaar ontsnapt. In gelijken zin zegt men: op di nerf na deurkom, en 't was net so hittetê. Dit laatste vooral, wanneer een op 't punt was, een pak slaag te krijgen. Hangt dit woord met 't Eng. to hit (slaan) te zamen, of is 't klanknabootsend?
Broekskijt, bang, bevreesd zijn. Omschreven, doch niet in synthetischen vorm, ook in Holland bekend. In 't volgende rijmpje, elliptisch als 't is, komt de zin duidelijk uit: Grootpraat, Broekskijt, Is niemand sij maat.
Broer komt met ou' (oude) verbónden voor in ou'broer, gekscherend vertrouwelijk voor 't Hol. ouwe vrind, ouwe heer; en in Broer-Jakhals, onder welken naam de jakhals (vos) in Afrikaansche vertellingen als wijlen Reinaart optreedt, en waardoor men zooveel als eene onwillekeurige genegenheid voor den bekenden ouden schelm wil uitdrukken. Zoo ook zegt men Broer-Wolf.
Broesa, Z. bokspoor.
Bromgras (voor brongras), waterkers. Bron wordt hier niet meer verstaan; men gebruikt daarvoor fontein of oog.
Bromko(r)s, een soort van watersla. Ko(r)s is een verb. van kost.
Brons, bronstig, tochtig, algemeen van dieren gebezigd. 't Woord is verwant aan branden.
Brood. Krummels wil ook ----- wor: hij wil ook al mee praten, Cf. armbus.
Brooddronkend, brooddronken. Cf. oo'nd.
Bros, borstel; van 't Eng. brush (Oostelijke Provincie).
Brulparra, soort van waterkikvorsch. Z. paddak.
Brulvoo'l, soort van roerdomp of butoor (Eng. bittern). De beide laatste, van 't Lat. Bos taurus of boatus taurinus, beteekenen dus 't zelfde als brulvoo'l (Richardson's Eng. Dict.).
Buikvol komt voor in de minder fijne uitdrukking: ek is glad buikvol, ik heb er genoeg van.
Buks komt voor in ou' buks en windbuks, een malle vent.
Bul, de eenige gangbare naam voor stier.
Bulos, een os, die eerst eenigen tijd als stier is gebruikt geworden. Cf. ramhammel.
Bulsak, bultzak, stroozak of matras, algemeener dan in Ned. gebruikt. 't Woord komt reeds bij Kiliaan voor als bulte en moet verwant zijn aan bult (buil, bochel), bol, bal, enz., en dus een opgevulden zak beteekenen.
Bult, heuvel, geringe hoogte. Waarsch. van 't Geld. woord belt, heuvel. O.V., I, 2.
Bultong, stuk gedroogd vleesch uit den bul of bil (bout) van een os of bok gesneden, en waarsch. om den vorm (dien van een ossetong) dus genoemd.
Burg, gesneden beer. Noord-Brab. börcht (O.V., I,) 4.
Burmót-kresán, eene peersoort, waarschijnlijk van bergamotte chrétien(ne). De klemtonen wijzen op Fransche afkomst.

C

Cham, of Kam, minachtende naam voor de kleurlingen, inzonderheid de Maleiers. Ook zegt men zelfs tot één persoon, Kamsgeslach.
[p. 150]
Chempies, soort van kant of randje aan een kleed. Eng. hem = zoom.
Complimentjies, Z. anstellings.
Crediet heeft naast den gewonen zin (vertrouwen) ook nog den Eng. zin in: ek gee(f) jou daar wel crediet voor = ik acht jou (u) daar wel toe in staat.
Crethi en plethi, Jan Rap en zijn maat, Jan en alle man, waarvoor men ook 't vreemde woord rappatjoepa bezigt. De Crethi en de Plethi vormden Koning Davids lijfwacht. Deze namen beteekenden respectievelijk scherprechters (laksmans) en loopers (renboden), of volgens anderen waren 't eigennamen van Philistijnsche stammen, uit welke de lijfwacht genomen werd. Z. Kurts, Gew. Gesch.

D

Daar wordt niet alleen voor daar, maar ook voor ginds gebruikt, doch krijgt dan een buitengewoon sterken nadruk en wordt zeer gerekt uitgesproken; dááár; of men voegt er boo' of onder bij.
Opmerking: 't Veelvuldig gebruik der twee laatste woorden, gelijk ook 't luide spreken der boeren in 't algemeen, is m.i. deels 't gevolg van de uitgestrektheid en 't bergachtige van 't land en de boerenplaatsen (boerderijen zegt men hier niet), deels vloeit 't hieruit voort, dat een boer hier bijna niets aan zijn volk kan overlaten, maar steeds op allen en alles opzicht moet houden en naar rechts en links, soms op verren afstand, bevelen geven.
Daarom heeft naast de beteekenis van: om die reden, enz. ook die van toch, niettegenstaande dat, en wordt soms met toch tegelijk gebruikt, b.v. jij is een geleerde mens, maar in die dinge is jij daarom toch banje stom. Denzelfden zin had dit woord in 't Amst. der 17e eeuw. Z. Hooft's Warenar.
Daarri of dari, die, gene, gindsche.
Opmerking: Het K.H. mist, evenals 't Fransch, verschillende vormen voor 't aanwijzend voornaamwoord om den betrekkelijken afstand aan te wijzen. Evenals 't Fransch, moet 't dus, om in dit gebrek te voorzien, van de aanwijzende bijwoorden gebruik maken, doch plaatst 't bijwoord vóór 't aanwijzend voornaamwoord, en uit daar-die ontstond door assimilatie daarri of dari, evenals hierri of hieri uit hier-die.
Dagga, een wilde plant, die de inboorlingen in 't Onderland (voce) als tabak bezigen. Zij maken daartoe een soort van kunstmatigen, hollen molshoop, vullen dien met dagga, steken die in brand, slechts een klein gaatje openlatende, waardoor zij (plat voorover op den grond uitgestrekt) den rook opzuigen. De uitwerking is bedwelmend en verzwakkend.
Dak beteekent bij uitsluiting stroodak, zoodat een dakhuis een met stroo of riet gedekt huis beteekent: anders zegt men ijster- of leidak. In Gron. bet. dak rogge- of tarwestroo tot dekking. O.V., I, 3. Daar is dak op huis: Daar zijn ratten, of pannen, op 't dak, d.i. ongenoodigde (kleine) luisteraars. Ook zegt men in gelijken zin: kleine muise het groote oore. 't Meerv. dakke komt ook bij Hooft en nog in 't N. Brab. voor. (Zie ook de verhandeling over 't Amst. in O.V. II, 2.)
Dalk, samengetrokken uit dadelijk, evenals dalkies uit dadelijkjes (cf. eventjes). Beide beteekenen straks of zooeven, maar ook wellicht, misschien, evenals aanst en 't Holl. straks als bijwoorden van tijden en mogelijkheid worden gebezigd.
Dam heeft nevens de Holl. beteekenis ook en voornamelijk den zin van opgedamd water = vijver, waterkom. In vele streken is gedurende de lange zomermaanden 't damwater 't eenig verkrijgbare water voor tuin en huis, mensch en dier. (Cf. vangdam en ree'ndam). Dammetjies soek of maak: uit vrijen gaan (Z. akkelpienies). Deze uitdrukking wordt gebruikt, òf als voorwendsel ter verberging van
[p. 151]
het ware doel (cf. bokkies soek) òf - wat mij echter voor den praktischen Afrikaner te poëtisch voorkomt - als beeldspraak, waarbij de gezochte dam het hart voorstelt, dat den liefdedorst zal laven, of de gemaakte dam 't hart, waarin de liefdestroom zal vloeien.
Danebol, dennebol of dennenappel. Spreekt men in de Saks. prov. ook van dane, of is dit woord uit 't Plat-Duitsch herwaarts gekomen? Weigand noemt danne en dan als Oud- en Middelnederduitsch. Men zegt ook daneboom.
Dan en wan, nu en dan. 't Du. dann und wann.
Danig, zeer, erg, in goeden en kwaden zin. Ook gew. Hollandsch.
Danki, dank je of dank u, tot een samengesteld woord geworden, waarin niemand meer de kracht van i = je gevoelt. Evenals de Engelschen zegt men ja-danki voor asjeblieft en nee-danki voor dank-je(u) alleen. Danki, mij hartji! een uitdrukking, die men, na geniesd te hebben, tot zich zelf bezigt. Volgens 't volksgeloof is n.l. 't niezen een teeken, dat iemands beminde aan hem (haar) denkt, en dat is wel een danki waard.
Darra, verbastering van dageraad; naam van een zeevisch.
Dassi, dasje, een klein zoogdier dat alleen in de spleten en holen van hooge rotsen gevonden wordt.
David. Hij weet waar ----- di eerste wortel gegrawe het: Hij weet waar Abraham den mosterd haalde.
Dekadensi, verval, trapsgewijze vermindering. Door 't Holl. decadentie van 't Fr. décadence.
Dekent, eig. deken (cf. oo'nd), witte sprei. Spreítji heet alleen een gekleurde dekent. Zie kombêrs. 't Meerv. van dit woord is dekents, terwijl dat van oo'nd oo'nde is. Vandaar dat ik dit woord met een slot-t schrijf.
Derm, darm, meerv. derms.
Opmerking: In strijd met den genius der Ned. taal hebben ettelijke eenlettergrepige woorden, door Zeeuwschen of vreemden invloed, hier den meervoudsuitgang s gekregen. Cf. spreuw, wurm, enz. Ook in Zeeland zegt men: erms, derms, (h)aans, enz.
Deseemde, dezelfde. Verbastering van 't Eng. the same.
Deur, door.
Opmerking: In dit woord, evenals in geut, heuning, meule, neut, seun, seuwe (7), speul, steur (storen), hoort men steeds de Geldersche (Saks) ö = eu, zooals ook boter en schotel hier steeds botter en skottel luiden evenals in Geld. Ook de a vóór de r ondergaat veelal een klankwijziging (Umlaut) b.v. derm, hêrd (haard), pêrd, skeer (schaar), enz. Uit O.V. II, 2 blijkt echter, dat bijna al deze woorden ook te Amsterdam dezelfde uitspraak hebben.
Deurloop, slaan, iemand een pak ransel geven. In soortgelijke beteekenis hoort men nog: hij het hom gevél, op zijn bas(t) (of bakkies, of duiwel, of oo'e) gespeul. Di duiwel sel jou rij (haal), en jij sel jou moêr ver 'n eendvoo'l ansien sluiten beide een bedreiging van slaag in. Z. verder op streepsuiker.
Deurmekaar, verward, ook ijlhoofdig en krankzinnig.
Deurslachtig, bvnw. Zie boven.
Deurslag, een natte, zachte plek in den weg, veroorzaakt door welwater.
Di, de, den, het; bepalend lidw. voor alle geslachten, getallen en naamvallen. Wel eenvoudig!
Die, aanwijzend vnw., onderscheiden van di. Die vervangt ook 't onzijdig dat. Die weet ik toch ni: dat weet ik niet.
Opmerking: 't K.H. kent geene verbuiging, behalve in: ik - mij (n) of me; jij - jou (je); hij - hom (um, 'm) en sij - haar. 't Meervoud ons dient voor alle naamvallen en zoo ook julle (jullie) en hulle (hullie) of haa(r)li. 't Adjectief, attributief gebruikt, krijgt altijd een e, ook in 't Onz. b.v. 'n mooie perd. 't Zelfstandig naamw.
[p. 152]
krijgt in 't meerv. e, s of es, en 't voornaamw. eene (in navolging van 't Eng. one, b.v. 'n mooie eene = een mooi paard, of wat dan ook; cf. a good one) dient tot vervanging van 't substantief na een adjectief.
Dielandse, eig. die (dit) land sijne, d.i. dat wat tot dit land (Z. Afrika) behoort, dus: inheemsch, vaderlandsch. In de N. Bet. heeft men in gelijken zin hierlandsch (O.V. II, 2), dat ook bij Nieuhof voorkomt.
Diener, diender, agent van politie. Men zegt ook polies of poelies.
Opmerking: 't K.H. verwerpt de ingelaschte d van 't Holl. in diener, dunner, hoener, enz. cf. onner of oener.
Diep, soort van gemetselde put, waarin de schapen gewasschen worden ('t Eng. dip). Vooral in de Oost. Prov. gebruikelijk, waar de Eng. invloed 't sterkst is.
Diessolk, diesvolk of duusvolk, door de kleurlingen voor blanke of vreemdeling gebezigd; verbast. van Dietsch of Duitsch, den ouden naam van 't Nederl. De Kaffers hebben nog een dergelijk woord: (ama) jermaan, dat een verb. lijkt van Germaan; maar hoe zij daaraan konden komen, is mij niet duidelijk.
Different, verscheiden, verschillend, N.B. Uit den klemtoon, die op de laatste lettergreep valt, blijkt, dat dit een der weinige overgebleven Fr. woorden is.
Dikswel, soms gebruikt voor dikwijls. Z. blootsperd. Algemeen zegt men, als in gew. Ned., dikkels.
Dis, dit is, dat is, of het is.
Dispens, of verkort spens, proviziekast of -kamer. Van 't Eng. to dispense = uitdeelen.
Dochter, vrouwelijk kind, ook meissies-kind genaamd (N.B. Men spreekt ook van een jongetjieskind), beteekent ook dokter, vooral onder de kleurlingen.
Doe-doe, de aanvangswoorden van een wiegelied.
Doesman of duisman, Z. diessolk.
Dokdoks (speul), een op een andere en grootere geplaatste klip (steen) door middel van kleinere steentjes afwerpen.
Dokkies (gee), iemand bij 't knikkeren tegen de knokkels schieten. Van 't oude docken, dat Kiliaan verklaart als pugnos dare: vuistslagen geven.
Dollos of dollossi, bikkel, schapekootje, tot een soortgelijk spel als de bikkel in Holland gebruikt. Afleiding? Men noemt 't ook klipsalade, telati, klip-op-hand of moertji-en-kinders.
Dolwe (of door assim. dolle), delven.
Opmerking: Hier, evenals in verloor, verliezen, wordt de klinker van den verl. tijd ook in de onbepaalde wijs en den tegenw. tijd gehoord. Cf. de opgeschoven verl. tijden - ik zal, kan, mag der Ned. ww. zullen, kunnen en mogen.
N.B. Dolwe (le) heeft evenals begrawe en skrijwe nog een infinitiefsuitgang behouden.
Dom-astrant, brutaal, zeer vrijpostig. Astrant is ook Holl. Z. boste.
Dominee, predikant, wordt hier zelden gebruikt. De predikant heet Meneer, par excellence.
Dôn. Dat was amper dôn moet hom: hij was er bijna geweest. (Eng. done).
Donderpadde, een oploopend mensch, snoever, blaaskaak, windbuil, enz., waarvoor men ook zegt: uil op een kluit; hottentotsgod op een warme klip, enz.
Dont. Dit dont mij niks: 't raakt mij niets (Eng. don't?)
Dood, ww., sterven; b.v. al di vee doodt op (Namaqualand).
Dood, bvnw., in samenstelling met sit = iemand de baas zijn, te glad af zijn; ook: iemand bij een meisje den loef afsnijden. Zoo zegt een leerling van een onderwijzer die hem bij een examen met geen vraag heeft kunnen vangen: ek het hom doodgesit, of ook wel drooggesit (van waar?). Ook zegt de leerling omgekeerd, dat de onderwijzer hem heeft doodgesit, wanneer deze hem vragen gedaan heeft, welke hij niet kon beantwoorden. Dood
[p. 153]
samengesteld met spring = bedriegen. Dood blaas of dood maak = een licht uitblazen, uitblusschen.
Dood, znw. Hij het bij di dood omgedraai: hij was bijna gestorven.
Dooielijk, pleon. voor lijk gebruikt.
Dooiemansweer, zoo noemt men (met name de kleurlingen) een regenachtigen, buierigen dag, die tegen den avond opklaart. Dit heeft, zoo zegt men, plaats, zoodra het lijk van di dooie mens ter aarde besteld is. N.B. Dat de volksfantazie aan zulk een dag zoo'n uitleg geeft, bewijst wel, dat zulke dagen hier tot de zeldzaamheden behooren.
Dooierig, lusteloos, levenloos, zielloos; van iemand gezegd die weinig of geen opgewektheid of geestdrift aan den dag legt.
Opmerking: 't K.H. heeft een groote voorliefde voor den uitgang erig, waarmede het ongunstige eigenschappen uitdrukt. Cf. galserig, greinerig, oo'rig, ree'nrig, enz.
Doowe, leeg, uitgewischt, b.v. 'n doowe neut, een leege noot; 'n doowe paadji, waarvan 't spoor gedeeltelijk uitgewischt is. Saks. prov. O.V., I, 2.
Dop, wijnglas, eig. blikken beker, waarin arbeiders bij de wijnboeren dagelijks eenige malen hun wijnrantsoen krijgen. Een dop steek, een glas wijn drinken.
Opmerking. Zonderling is de verwisseling van beteekenis die er bij de woorden beker, kan en kruik heeft plaats gevonden. Terwijl 't woord beker nog in zijn gewone bet. van drink - of schepnap gebruikt wordt, gebruikt men 't ook voor kan (Z. beker); dit laatste (of de verkleinvorm kannetji) gebruikt men voor wat in 't Ned. kruik heet, terwijl dit woord weder in geen anderen zin gebruikt wordt dan van koelkruik.
Dopper, iemand behoorende tot een bijzondere Protestantsche sekte, overeenstemmende met de Afgescheidenen in Ned., en door eigenaardige kleederdracht en manieren van de overige Kolonisten onderscheiden. De naam komt, naar men zegt, van de wijze waarop die lieden hun haar snijden, namelijk langs den rand van een op 't hoofd geplaatsten dop of kom.
Doring, doorn; fig. in: hij is een doring bij di meissies, d.i. staat goed bij de dames aangeschreven.
Dot, schertsenderwijze voor hoofd. De Holl. dot, die men zuigelingen geeft, heet hier poppi.
Dotji, slappe, lage manshoed met kleinen rand. Ook kadót genoemd.
Dowwelsteen, dobbelsteen. Ook een der vele namen voor de merkteekenen, die men in de ooren der schapen maakt. Zoo onderscheidt men naar de wijze, waarop 't oor in- of afgesneden is: - Stompoor, swaa'lstêrt (zwaluwstaart), skuinsoor (voce), half-maantji, winkelhaak (de beide laatste nog onderscheiden in voor- of achter-), slippi, gaatji, sneetji, leli, jukskeekerf (Z. juk-skee), enz.
Draabok, soort van wilde garst, een onkruid.
Draadwerk. Hij het allerhande ----- in sij kop, zegt men van iemand die erg wispelturig is en wel vele plannen vormt, maar niets uitvoert.
Draai, verkeerdelijk, in plaats van stoven, gebruikt in: iemand 'n kool draai, d.i. bedriegen.
Drachi (eig. drachtje), takkebos.
Dreig of drei', aarzelen, op 't punt staan; b.v. ek het al lang gedrei' om ver jou te kom sien. 't Beteekent ook: een bedoeling (ten kwade) door woorden of gebaren te kennen geven.
Drel (ou'). Z. skorrimorri.
Dres, kleed, en 't ww. kleeden. Een van die bespottelijke naäapsels van 't Engelsch, waardoor velen meenen iets meer te zeggen (of te zijn) dan door goede Kaapsche woorden, als tawwertji, antrek, enz. te bezigen.
Dreshoring, een beestenhoorn, waarin men 't een of ander smeersel tot zuivering der schapen doet. Van 't Eng. to dress = reinigen, zuiveren.
Opmerking: De gemakzucht der Afrikaners komt vooral uit in de
[p. 154]
namen van zaken, die zij na 1806 van of door de Engelschen hebben leeren kennen. In plaats van voor zulke dingen zelf een goed woord te maken - wat zij zeer goed kunnen - nemen zij gemakshalve den Eng. naam, al of niet gewijzigd, over.
Dries zegt men van grond, die voor de eerste maal is omgeploegd. Cf. driesch = weide, weiland, bij Van Dale.
Driewel, zacht schieten (met albasters). Cf. stronk. Driewel is een verzachting van dribbelen, en dit een frequentatief van (voort) drijven.
Drif, voort (Eng. ford), doorwaadbare plaats in een rivier.
Drijfsand, fijn, wit zand, dat door de rivieren wordt afgevoerd en om zijn voortdurende beweging terecht dus genoemd wordt. Cf. wilsand.
Droef, droes (paardeziekte). Van waar deze zonderlinge overgang van s tot f?
Droog-mij-keel-bessi, een wilde bezie, welker naam zich zelf verklaart.
Opmerking: Een woord als dit bewijst, dat de Afrikaner niet noodig heeft, vreemde woorden na te praten.
Droom komt eigenaardig voor in 't spreekwoord: as jij van mij droom, draai jou kussen tweemaal om.
Dronk, dronken. Dat de dronkenschap ook hier, helaas! geen zeldzaamheid is, blijkt uit de vele verbloemde uitdrukkingen, die men daarvoor hoort; b.v. hij is pijpstop (d.i. vol, stomdronken); tusse di kinders (in een staat, die de aandacht van de jeugd ook aan de Kaap niet ontgaat); met di non, of warm, half dronken, aangeschoten. (Hoe komt men aan die non?); jaag ganse (op den waggelenden gang doelende); is nat geree'n (geregend); deur di wind (nog een overgebleven zeemansterm, zooveel als: van den koers); het Kaatji gesoen (Kaatji of Sara = bottel); hij is 19 of 19 1/2 of 29; die heele pad is sijn; hij het gethee (Z. theewater); hij was in di oog (voce); hij is stukkend (Cf. brooddronkend, dekent, oo'nd); hij het 'n tie'r geskiet, of tie'rmelk gedrink (waarsch. uit den eersten tijd der kolonie, toen er volgens Nieuhof een premium op 't dooden van een tie'r (tijger) stond en men zich waarsch. voor het dus verkregen geld wel eens wat te buiten ging); hij het di hoogte van Pisga; hij is 'n beetji angeklam (waarsch. van den zeeterm aanklampen, op zijde schieten); hij het lekkerlijf (cf. lekker); hij is top-swaar; hij is banje moeg; enz.
Dronkgras, een soort van gras, waarvan het vee bedwelmd wordt.
Dros, drossen, zich heimelijk uit de voeten maken (Ook wel in Nederl. bekend). Drossert, weggeloopen bediende (vroeger: slaaf).
Druipstert, druipstaartend, wordt bijwoordelijk gebruikt in den zin: hij het - weggeloop. Ook als bvnw. wordt 't soms gebezigd in de bet. van bang, laf; neerslachtig (?)
Druiwe, druilen.
Opmerking: De tweeklank ui zweemt in de uitspraak naar de eu, zoodat b.v. kuiken bijna klinkt als keuken, en een Nederlander, die dit laatste woord - aan de Kaap kent men alleen kombuis - gebruikt, bij ongeletterden soms een zonderling misverstand kan veroorzaken.
Druk, eigenaardig gebruikt in samenstellingen als afdruk (afschieten Van Dale noemt 't als een verouderd woord) en opdruk (de paarden aansporen of aanzweepen, of ook een schuldenaar tot betaling dwingen).
Drumpel, drempel, dorpel. Ook gew. Holl.
Drupkeller, druipkelder. Dezen niet onaardigen naam heb ik hooren bezigen voor de welbekende Oudtshoornsche druipsteengrotten in 't district George.
Dui wordt in sommige streken voor dij(en), uitzetten, zwellen, gebruikt.
Duiskoom, gewone tarwe, dus genoemd in onderscheiding van Kafferkoorn, dat meer op boekweit gelijkt, doch veel langer en forscher stengsels heeft
[p. 155]
en eigenlijk meer een rietsoort is. Cf. diessolk.
Duister, Duitscher. Cf. boste.
Duit, een ronde looden schijf of groote klip (keisteen), bij een jongensspel gebruikt. Ook nog overig in: geen duit wêrd (niets waard).
Duiwel, duivel; fig. (plat) iemand die in 't een of ander zeer bedreven is. Zoo zegt men zelfs: hij is 'n duivel om te bid, d.i. hij kan zeer goed voorgaan in 't gebed. Duiwelskerwel = dolle kervel. Hij lieg duiwels dood en kleintjies groot (gezegd van iemand die erg liegt). Praat jij van di -----, dan trap jij op sen stert (Een welbekend spreekwoord, in gewijzigden vorm). Der -----! uitroept van verbazing, enz., waarsch. niets anders dan 't Du. der Teufel!
Durf, den moed tot iets hebben, en verkeerdelijk ook mogen ('t Du. dürfen). In de Oost. Prov. van Ned. wordt 't in dien zin ook wel gebruikt. O.V., I, 2.
Duskant, herwaarts, aan deze zijde. Dus = deuze = deze. N. Brab. dees = herwaarts (O.V., I, 4). cf. achterkant.
Duwweldoring, een eigenaardig gewas, met een dubbele rij dorens omgeven en veel gelijkende op een heel groote spinnekop.
Duwweltje, dubbeltje, thans een denkbeeldige munt, ter waarde van 3/4d = 3 3/4 ct (Ned. geld).
Opmerking: 't Is opmerkelijk dat, hoewel sedert 1825 de Eng. munt de eenige wettig gangbare is, de meeste oude Hollandsche muntnamen nog algemeen in zwang zijn. Opmerkelijk is 't ook, dat al die denkbeeldige munten een geringere waarde vertegenwoordigen dan zij vroeger bezaten. De oorzaak hiervan ligt hierin, dat 't papieren geld, hetwelk gedurende de laatste jaren van 't bestuur der O.I. Comp. en gedurende 't eerste kwartaal dezer eeuw onder 't Nederl. en Eng. bestuur in omloop was gebracht, door verschillende omstandigheden langzamerhand zóó zeer in waarde gedaald was, dat een rijksdaalder, aanvankelijk vier shillings geldende, in 1825 niet meer dan één shilling en vijf pence waard was. Dat de andere munten daarmee gelijken tred hadden gehouden, spreekt vanzelf. (Zie Theal's S.A. Hist. etc. en Z.A.T., Febr. 1879.)
De waarde van den riksdaler bedraagt sedert 1825 1/6 = ƒ0.90 Ned. courant; die van een gulde 6d.; die van een kwartji 4 1/2d = ƒ0,225; van een skelling 2 1/4d. = ƒ0,1125; van een duwweltji 3/4d. = ƒ0,0 375; van eer stuiwer 1/2d. = ƒ0.025 en van een oortji 1/4d. = ƒ0.0125. Nog zij opgemerkt, dat twee duwweltjies (1 1/2d) en vier skelling (9d., dus een halve riksdaler), mede als een vaste maat staf gelden. Oudere menschen herinneren zich ook nog den dukketon (ducaton), ter waarde van 1 riksdaler en 4 skelling of 2 sh. en 3d. = ƒ1,35. De vroegere waarde daarvan bedroeg ƒ3.15 = 5 sh. en 3d.
Dwarstrek, een verkeerde kant uittrekken. 't Zelfde als dwarsdrijven; ook figuurlijk.
Opmerking: Dit woord beschouw ik als van echt Afrikaanschen oorsprong en als een zeer gelukkigen plaatsvervanger van dwarsdrijven of dwarsboomen, welke laatste in een land zonder bevaarbare rivieren of kanalen voor de groote massa geen beteekenis hebben, terwijl dwarstrek aan den ossenwagen, een echt Afrikaansch voertuig, ontleend is.

E

E (de scherp lange) klinkt in 't Bovenland (Z. boo') in vele woorden als ie; waarschijnlijk door Eng. invloed, want anders als 't van een Ned. dialekt afstamde, waarin b.v. been als bien, twee als twie, enz., klinkt - zou die uitspraak zich hier niet tot een zekere streek bepalen. In veler mond heeft bij 't zingen de scherplange ee, vooral vóór r, een onaan-
[p. 156]
genaam draaienden klank, die naar zweemt.
Een wordt als vnw. ter vervanging van 't znw. na een bvnw. gebruikt, evenals in 't Friesch en 't Eng., b.v. das 'n mooie eene (iene).
Eenders, eender, gelijk, 'tzelfde. Hoort men die slot-s ook ergens in Ned.?
Eenig wordt, in navolging van 't Eng. any, voor elk gebruikt in: eenig mensch kan dat doen, d.i. ieder of elk mensch (iedereen) kan dat doen. Ook heeft 't, evenals in 't Eng., soms den zin van een of ander, b.v. noem eenig dorp, waarin enz. = noem 't een of ander dorp, waarin enz.
Eers staat voor eens, eenmaal, in: hij is nie eers siek ni, of ek was ni eers daar ni.
Eet-en-drink (plat), bakhuis, bakkes, bek.
Eetmaal, gastmaal, feestmaal, díner.
Eider, gew. voor ieder, elk.
Eier wordt als enk. van eiers gebruikt, evenals hoener van hoeners. Ei en hoen verstaat men zelfs niet, d.w.z. de ongeletterden. De uitdrukking: 't van eieren maken (door Chang. opgegeven) is hier niet bekend, althans tegenwoordig niet meer.
Eierkokertji, zandglas.
Eina of enna, uitroep van pijn.
Ei'ntlijk, eigenlijk, door 't wegvallen van den keelklank uit eigenlijk ontstaan, of eenvoudig met eindelijk verward, zooals in 't N. Bet. O.V. II, 2.
Ellendeling, verkeerdelijk voor ellendige gebruikt. Ook bij den Vlaamschen dichter Th. van Rijswijk, in zijne &lsquo