Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4. A.W. Sijthoff, Leiden 1918


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Enschede, Johannes (3)]

ENSCHEDE (Johannes) (3), oudste zoon van den voorg. en Johanna Elisabeth Swaving, werd 7 Mrt. 1785 te Haarlem geb. en overl. ald. 8 Oct. 1866. Na bij Ds. Wigeri te Beverwijk voor de academische lessen bekwaamd te zijn, studeerde hij te Leiden in de rechten (ingeschr. 1801) en promoveerde in 1805, op Theses. Nauwelijks 20 jaar oud, keerde hij van de hoogeschool (waar hij bij prof. Siegenbeek gehuisvest was geweest) naar zijn geboortestad terug, om hier de leiding der typographische inrichting op zich te nemen, welker mede-eigenaar hij op zoo jeugdigen leeftijd geworden was. Meer in 't bijzonder werd hij met de leiding van het blad der firma, de Opregte Haarlemsche Courant, belast, hierin bijgestaan door den Waalschen predikant Teissèdre l'Ange. Veel gelezen en van grooten invloed, als dit blad toen was, werd het in 1811 door Napoleon als nieuwsblad ‘gesupprimeerd’ en veranderd in een advertentieblad. Nov. 1813 werkte Mr. Joh. Enschedé krachtig mee tot afwerping van het Fransche juk. Van dit jaar af tot 1828, dus bijna 15 jaren, heeft Joh. E. zijn courant, die toen driemaal in de week verscheen, geheel alleen geredigeerd. Tot 1865 is hij er vervolgens als hoofdredacteur aan verbonden gebleven, zoodat hij in 't geheel ruim 50 jaren zijn lievelingsblad verzorgd heeft. Na 1847 verscheen de courant zes maal per week; 8 Jan. 1856 werd haar tweede eeuwfeest gevierd. Dat zij 22 Sept. 1866 en vervolgens in vergroot formaat en met uitvoeriger handelsberichten verschijnen zou, strookte aanvankelijk weinig met 's mans inzichten, werd later echter door hem gebillijkt.

Mr. Joh. Enschedé nam zijn leven lang een zeer werkzaam aandeel in de behartiging der belangen van 't openbare leven. Van 1814 tot 1850 was hij lid van den stedelijken Raad van Haarlem, van 1827 tot 57 hoofdingeland van Rijnland, van 1840-50 lid van de Tweede kamer der Stat.-Gen. In de politiek dier dagen schaarde hij zich aan de zijde der conservatieven. Voorts bekleedde hij verschillende rechterlijke betrekkingen (van 1827 tot zijn dood die van auditeur-militair), had zitting in het College der zeewering van de Hondsbossche, was lid van de haarlemsche Weeskamer, regent van het Proveniers- en Oudemannenhuis, curator der Latijnsche school en lid van verschillende geleerde genootschappen. Veelzijdig ontwikkeld, werd hij geroemd als een voortreffelijk rechtsgeleerde en nauwgezet staatsman. Niet alleen in geschiedenis en letteren, maar ook in de technische wetenschappen was hij zeer bedreven. De typographie vond in hem een beoefenaar als in weinigen.

Tot het einde van zijn leven wijdde hij zich in de eerste plaats aan de belangen der Opregte Haarl. Courant. Zelfs toen hij in Nov. 1865 het ongeluk had zijn rechter dijbeen te breken en maanden lang bedlegerig was, bleef de zorg voor dit blad hem een aangename afleiding in zijn gedwongen rust.

Van 1810 tot 1845 was Mr. Joh. E. gehuwd geweest met Catharina Hillegonda van Walré, dochter van den bekenden vriend van

[p. 574]

Mr. W. Bilderdijk. Tien kinderen waren uit dat huwelijk geboren: vijf zoons en vijf dochters.

Zie: Levensber. Letterk. 1867, 57; A.C. Kruseman, Jacobus Enschedé en Mr. Johannes Enschedé in Adresb. Ned. Boekh. 1867; L.D. Petit, De firma Joh. Enschedé en zonen te Haarlem in Nieuwsblad Boekh. 1871, 19 en 26; Bogeng in Zeitschr. f. Bücherfreunde 1911, 237. Voorts Ned. Patriciaat 1912, 88 e.v.

Zuidema