Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 9


auteur: P.J. Blok en P.C. Molhuysen


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 9. A.W. Sijthoff, Leiden 1933


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Jonckbloet, Dr. Willem Jozef Andreas]

JONCKBLOET (Dr. Willem Jozef Andreas), geb. te 's Gravenhage 6 Juli 1817, overl. te Wiesbaden 19 Oct. 1885, was de zoon van Johannes Reinier Jonckbloet, hoffourier van den Koning, en Susanna Diehl.

Hij had het plan om in militairen dienst te gaan, maar heeft, toen zijn vader overleed, daarvan afgezien en was vervolgens eenige jaren leerling van het haagsche gymnasium.

Hij werd, hoewel geen eindexamen gedaan hebbend, 12 Mei 1835 als student aan de leidsche universiteit ingeschreven. Reeds als student schreef hij een uitvoerig latijnsch werk over Lodewijk van Velthem, maar hij kon geen examens doen omdat hij genoemd eindexamen niet gedaan had. Hij gaf in 1840 met Kroon de rijmkroniek van Jan van Heelu met aanteekeningen, nagelaten door van Wijn (dl. IV, kol. 1487) uit. De hoogleeraren in de letteren, die zeer met hem waren ingenomen, bezorgden hem in 1841 een doctoraat honoris causa, een groote zeldzaamheid op dien leeftijd.

In dezen tijd richtte hij met M. de Vries (dl. I, kol. 1525), Leendertz (dl. VI, kol. 914) en J. Tideman de Vereeniging ter bevordering der oud-Nederlandsche letterkunde op. Hij ging te 's Gravenhage wonen. Daar werd door hem in 1843 anoniem de Physiologie van den Haag door een Hagenaar uitgegeven, dat verscheidene pennen in beweging bracht. Hij zelf schreef nog een brochuretje tot verdediging van zijn pennevrucht.

In 1844 richtte hij de Geïllustreerde Courant op, die van 6 Juli tot 31 Dec. van dat jaar verscheen en heftig te velde trok tegen de Arnhemsche Courant, toen een radicaal blad; zijn blad was ook liberaal, maar in gematigden zin.

Hij werd 7 Juli 1847 benoemd tot hoogleeraar in de nederlandsche taal en geschiedenis aan het athenaeum te Deventer. In 1854 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de vaderlandsche geschiedenis, taal en letteren aan de groningsche universiteit. Hij gaf daar bovendien onverplicht colleges in de aesthetica.

Op 2 Aug. 1864 verkozen de kiezers in het district Winschoten hem tot lid der Tweede Kamer;

[p. 465]

in Oct. van dat jaar verhuisde hij naar 's Gravenhage. Hij heeft hier op onderwijsgebied veel gearbeid, maar bewoog zich ook op het gebied der algemeene en der koloniale staatkunde.

De eerste jaren sedert 1866 werden ingenomen door strijd tegen de conservatieven, maar sedert 1869 waren de liberalen meester. Intusschen was hun verdeeldheid, gevolg van hun onafhankelijkheidszin, reden, dat er veel minder goeds op wetgevend gebied tot stand kwam dan mogelijk geweest ware. Daaraan was Jonckbloet mede schuld. Hij was een van de 13 liberale leden, die 2 Mei 1872 stemden tegen het voorstel van minister Blussé (dl. IV, kol. 169) tot heffing van een directe belasting op het jaarlijksche zuivere inkomen, dat met 51 tegen 27 stemmen verworpen werd, en een van de 8 liberale leden, die stemden tegen het voorstel van minister Geertsema (dl. III, kol. 435) tot een zeer matige censusverlaging, dat 19 Juni 1874 met 39 tegen 32 stemmen werd afgewezen.

Hoewel men in het district Winschoten niet tevreden was over de wijze waarop hij zijn mandaat waarnam, en bij zijn periodieke aftreding in 1875 een liberaal tegenover hem candidaat werd gesteld, werd hij toch herkozen. Bij de behandeling der hooger onderwijswet heeft hij zich zeer geweerd. Hij voerde bijna over ieder artikel het woord. O.a. stelde hij een amendement voor om, evenals dat bij middelbaar en lager onderwijs het geval was, voor het toezicht op bijzondere hoogescholen, die nu toegelaten werden, inspecteurs in te stellen. Na de discussie trok hij het in, het werd nu door Lenting (dl. IV, kol. 902) opnieuw ingediend, maar met 44 tegen 21 stemmen verworpen.

Bij de organisatie der hoogescholen ingevolge genoemde wet werd J. op 10 Sept. 1877 tot hoogleeraar voor de nederlandsche letterkunde te Leiden benoemd. Hij verhuisde naar Leiden en nam ontslag als Kamerlid.

Jonckbloet's wetenschappelijk werk ging bij dat al zonder onderbreking voort; zijn belangrijke uitgaven en studies van middeleeuwsche nederlandsche en oudfransche dichtwerken, tot wier verklaring hij bijdragen leverde die ook buiten ons land waardeering vonden, hadden hem reeds een geschiedenis der middelnederlandsche letterkunde doen schrijven in zijn groningschen tijd In 1868-72 groeide daaruit zijn Geschiedenis der nederlandsche letterkunde in 2 dln., in latere drukken tot 6 dln. uitgebreid, een werk dat den grondslag legde voor de wetenschappelijke beoefening onzer letterkundige geschiedenis en hem recht geeft op een gelijke eereplaats als zijn vriend M. de Vries voor de ontwikkeling der nederlandsche taalkunde toekomt. J. is scherp en subjectief in zijn aesthetisch oordeel, daardoor vaak prikkelend tot tegenspraak en door een volgend geslacht te spoedig als verouderd ter zijde geschoven. Voor vele bijzondere onderwerpen is zijn boek, ondanks de later verschenen uitvoerige literatuurgeschiedenissen, nog met vrucht te raadplegen.

Op 21 Sept. 1883 werd hem wegens den staat zijner gezondheid met ingang van 1 Oct. d.a.v op zijn verzoek eervol ontslag als hoogleeraar verleend. Hij is toen te Wiesbaden gaan wonen; in Mei 1885 keerde hij, meenende hersteld te zijn, te 's Gravenhage terug, maar in Sept. moest hij weder naar Wiesbaden vertrekken, waar de dood hem nog heeft overvallen.

Hij werd in 1841 lid van de Maatschappij der nederlandsche letterkunde te Leiden en 24 Mrt. 1855 van de Academie van wetenschappen, afdeeling letterkunde. Verder was hij lid van vele binnen- en buitenlandsche letterkundige vereenigingen.

[p. 466]

Hij was in 1869 voorzitter van het 10de nederlandsche taal- en letterkundig congres.

Hij huwde Maria Jeannette Henriëtte Schik, geb. 6 Mrt. 1824. Het huwelijk was kinderloos.

Het belangrijkste dat van hem verscheen is: Letteren geschiedkundige aanteekeningen op de rijmkroniek van Jacobvan Heelu, nagelaten door H. van Wijn, met A.W. Kroon (Leiden 1840); Specimen e literis neerlandicis, exhibens Ludovici de Velthem chronici, quod inscribitur speculum historiale, librum III (Haag 1840); Constantijn Huygens, Cluyswerck (Haag 1841); Beatrijs, eene sproke uit de 13e eeuw, met woordenlijst, 2 dln. (Haag 1841); Die dietsce doctrinale, leerdicht van 1345 (Haag 1842); Physiologie van den Haag (anoniem) (Haag 1843); Karel de Groote en zijne 12 pairs (d.i. Lorreinen) (Leiden 1844); Die dietsce Catoen (Leiden 1845); Penninc ǝn Pieter Vostaert, Roman van Walewein, 2 dln. (Leiden 1846-48); Roman van Lancelot, 2 dln. (Haag 1846-1849); Over de wetenschappelijke beoefening der Nederlandsche taal, inaugurale rede, gehouden 16 Febr. 1848 (Deventer 1848); Over midden-nederlandschen epischen versbouw (Amst. 1849); Geschiedenis der midden-nederlandsche dichtkunst (Amst. 1849); Nalezing op den Spiegel historiael van Jacob van Maerlant, 4e deel (Dev. 1849); Le roman de la charrette d'après Gauthier Map et Chrestien de Troies (Paris 1850); Theokratie en grondwet, eene reeks van historisch-politische voorlezingen (Dev. 1851); Geschiedenis der middennederlandsche dichtkunst, 3 dln. (Amst. 1851-55); Guillaume d' Orange, Chansons de geste des 11me et 12me siècles, 2 dln., (La Haye 1854); Over de beoefening van de geschiedenis des vaderlands in wezen en strekking, inaugurale rede gehouden 30 Mrt. 1854 (Gron. 1854); Van den Vos Reinaerde (Gron. 1856); Beatrijs en Carel ende Elegast, uitgegeven en toegelicht (Amst. 1859); Etude sur le roman de Renart (Gron. 1863); Het verleden onze roem, de toekomst onze hoop, feestrede ter viering van het 250-jarig bestaan der groningsche hoogeschool (Gron. 1864); Gedenkboek der hoogeschool te Groningen ter gelegenheid van haar 5e halve-eeuwfeest (Gron. 1864); Het koloniale vraagstuk in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, een studie (Amst. 1865); De schoolwet agitatie, een studie (Amst. 1866); Guillaume d' Orange, le marquis au court nez, chanson de geste du 12e siècle (Amst. 1867); Feestrede ter gelegenheid van den 300en verjaardag van den slag bij Heiligerlee en den heldendood van graaf Adolf van Nassau, gehouden 23 Mei 1868 (Winsch. 1868); Het kabinet van Zuylen, een woord aan het nederlandsche volk (Haag 1868); Geschiedenis der nederlandsche letterkunde, 2 dln. (1868-72); hiervan verscheen de 2e druk 1873, de 3e in 5 dln. 1881-85, de 4e bijgewerkt door C. Honig 1888-92; door Lina Schneider in het Duitsch vertaald; Oprechtheid, een woord over den heer J.W. Brouwers (1869); Parlementaire portretten, door Sagittarius (anoniem) (Haag 1869); La liquidation entre le royaume des Pays-Bas et le grand-duché de Luxembourg (la Haye 1871); Beknopte geschiedenis der nederlandsche letterkunde (Gron. 1872; 2e druk hiervan Gron. 1880); Het professoraat in de nederlandsche taal- en letterkunde, inaugurale rede, te Leiden, gehouden 1877 (Gron. 1877); Nieuwe refereinen van Anna Bijns, met W.K. van Helten (Gron. 1880); Vertaling van het treurspel Selim, door den turkschen gezant te 's Gravenhage Murad Effendi (Leiden 1880); Vertaling van het treurspel Marino Faliero, door denzelfde (Leiden 1881); Levensschets van Dr. E. Verwijs in Jaarboek K. Ak. v. Wet. 1881; Cor-

[p. 467]

respondance et oeuvres musicales de Constantin Huygens, met J.P.N. Land (Leiden 1882); en een posthuum werk, Nieuwe refereinen van Anna Bijns benevens enkele andere rederijkersgedichten uit de 16e eeuw, met van Helten (Gent 1886).

Zijn portret bestaat als houtsnede door Tilly.

Zie: H.E. Moltzer (dl. VIII, kol. 1164) in Jaarboek Kon. Akad. v. Wet. 1886, 1.

Ramaer