Cryptogram


auteur: Adriaan Morriën


bron: Adriaan Morriën, Cryptogram. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1968


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

6

Vijftigste verjaardag van de schilder M. Ontvangst in een van de bovenzaaltjes van het S. hotel. Bij de ingang worden wij opgewacht door G.v.O. en L.v.d.L., die als ceremoniemeesters optreden, en langs een felicitatieregister naar het echtpaar geleid, dat binnen de kortst mogelijke tijd het grootste aantal kussen in ontvangst neemt. M. is een van de weinige mensen die men een huldiging vergeeft, een van de weinigen ook die er raad mee weten. Hij geniet ervan, terwijl anderen er alleen maar trots, gestreeld of beschaamd over zijn. Vandaar dat er een voor een huldiging ongewone stemming heerst. Het lijkt eerder een zilveren bruiloftsfeest, waaraan slechts de kinderen met hun uit het hoofd geleerde gedichtjes en samenspraken, ontbreken. In plaats daarvan is de vroegere vrouw van M. aanwezig. Dat schijnt bij huldigingen toch wel gebruikelijk te zijn. Een vroegere vrouw krijgt, in het gezelschap van haar vroegere man en zijn nieuwe vrouw, iets van een buitenechtelijke dochter of een ongehuwde moeder. Men vraagt zich af of men wel hartelijk genoeg voor haar is.

Na het feliciteren worden wij uitgenodigd aan een van de tafeltjes plaats te nemen. Omdat wij een beetje laat zijn moeten wij de hele zaal door. G.K.v.h.R., die altijd overal op tijd is, zit aan een van de voorste tafeltjes in een keurig donkerblauw pak, dat de indruk wekt zich vooral in een klerenkast op te houden. Geoefend door vorige huldigingen

[p. 21]

berusten wij er in gewone kennissen slechts toe te knikken, op zoek naar kennissen die al bijna vrienden zijn geworden. Doordat de meesten reeds zitten zien wij vooral hoofden, enkele blote schouders en blote armen die ik onwillekeurig met elkaar vergelijk. Sommige vluchtige kennissen, die ik in geen jaren heb gezien, zijn al weer vreemden geworden, als planten die niet willen groeien. Wij zouden de vroegere toevallige begroetingen en korte gesprekken over moeten doen om opnieuw vluchtige kennissen van ze te maken. Een echtpaar, waarvan de man en de vrouw elkaar geen blik waardig keuren, zelfs zonder dat zij het elkaar laten merken. De man kijkt hooghartig en beteuterd als iemand die naar de w.c. moet, nadat hij pas onder de douche is geweest. De vrouw is al iets minder mooi dan bij een vorige ontmoeting. Haar gezicht lijkt heel ver weg, alsof zij nadenkt, over niets. Plotseling een gezicht waarvan je voelt dat iedereen het lief vindt. Het is ook lief, denk je, en je legt je bij de algemene opinie neer.

De eigenaar van het hotel, een zondagsschilder voor wie het blijkens de in zijn etablissement opgehangen schilderijen alle dagen zondag is, staat achterin het vertrek en overziet het gedrang met een droefgeestige uitdrukking op zijn zachtmoedige gezicht. De bedrijvigheid van de kelners krijgt, onder zijn blik, iets van de opgewektheid van stoeiende kinderen. De hoteleigenaar is waarschijnlijk te eenvoudig en goedhartig om bij deze huldiging afgunst te voelen. Afgunst is bovendien meestal de schuld van de mensen die haar opwekken en ook wat dat betreft gaat M. vrijuit. Gisteravond, toen M. met zijn vrouw nog even het café kwamen binnenwippen, misschien om buitenshuis te voelen wat het betekent bijna vijftig jaar te zijn, trad op klokslag twaalfde eigenaar met een fles champagne en drie glazen in de hand op hen toe, teneinde de eerste te zijn om hun geluk te wensen. Zij kregen gezelschap van de dichter J.C.B., die een scherpe neus voor fijne dranken bezit.

Een zittende receptie, waarbij de tafeltjes een ordenende functie krijgen en een sociale regel bevestigen. Eenmaal gezeten staat men niet zo gemakkelijk meer op, teneinde zich te vervreemden van de mensen met wie men een vroegere conversatie voortzet. De toestand in Frankrijk verplicht ons er enkele ogenblikken over te spreken. Er zijn mensen die 's nachts aan hun radio blijven zitten om het laatste nieuws op te vangen, zoals men dat in de oorlog deed. M. zegt: Frankrijk is tot iedere opoffering bereid om zichzelf te gronde te richten. Het kan nog alleen gered worden door het feit dat volken blijven voortleven,

[p. 22]

terwijl enkelingen tenminste kunnen doodgaan. - Tenslotte heeft men over Frankrijk geen mening meer. Op den duur wordt iedere tragedie alleen nog maar laatste nieuws.

G.v.O. leest een toespraak voor, daarbij voor het eerst in het openbaar van een leesbril gebruik makend, een late verintellektualisering van deze elementaire en toch zo gecompliceerde verschijning. Journalisten dringen naar voren om de vijf of zes woorden op te vangen die zij voor hun verslagje nodig hebben. Er wordt gelachen om wat achterin de zaal niet meer verstaanbaar is. Men vertelt dat M. jarenlang voor deze verjaardag heeft gespaard. De dranken zijn dan ook vrij, met het gevolg dat er na afloop van de gezelligheid nog volle glazen op de tafeltjes overblijven, waarnaar men later op de avond thuis machteloos verlangt. Er wordt gefilmd, meer voor de eeuwigheid dan voor het filmjournaal. Vriendinnen gaan rond met een fototoestel, voorzien van blitzlicht. Terwijl men zijn vierde glas sherry drinkt, overlegt men dromerig dat de foto's nog deze week ontwikkeld en afgedrukt kunnen zijn. De schilder N.W. is er in geslaagd door attentie en volhouden zijn baard hoe langer hoe indrukwekkender te maken, vooral nu die boven zo'n mooi rood-en-zwart gestreept vest hangt. Tenslotte ruist er een onuitgesproken vriendelijk ‘opdonderen’ door de lucht, waaraan ieder, ineens gehaast, gehoor geeft. Men vraagt elkaar nog wie er blijven eten. Het is een van de eerste mooie avonden van het jaar. Het R. plein, met zijn naieve bloeiende rhododendrons, ziet er uit als de bloementuin van een boerenerf. Naar huis wandelend hoort men dat de Duitsers zijn teruggekomen. Het lijkt alsof zij eindelijk hebben geleerd dat er voor vreemdelingenverkeer geen mystieke aanleiding behoeft te zijn. Het is een volk dat snel vergeet, in tegenstelling tot de Fransen die door hun goede geheugen gekweld worden.

 

De dichter A.d.B. bereidt een bloemlezing van debutantenpoëzie voor. Men zegt dat hij 399 inzendingen heeft ontvangen. Met zijn vriendelijke gewoonte om iedereen van bemoediging te voorzien, omdat men nooit weet wie later de grote dichters zullen zijn, heeft hij zich een last op de hals gehaald die hem bovendien nog wordt benijd door de groep jonge dichters uit R. Zij erkennen zijn gezag niet en proberen de jonge dichters uit U. en andere wereldsteden over te halen de bloemlezing te saboteren, waarvan de lezer in zijn onschuld later verwonderd de omvang zal vaststellen.