Kritisch en verhalend proza (Verzameld werk II)


auteur: Martinus Nijhoff


bron: Martinus Nijhoff, Kritisch en verhalend proza (Verzameld werk II) (ed. Gerrit Borgers en Gerrit Kamphuis). Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 760]

Henriëtte Roland Holst
‘Herman Gorter’

Het is goed dat dit boek is verschenen, van Henriëtte Roland Holst over Gorter. Het heeft de betekenis van een document, het heeft tevens de bekoring van een gedenkschrift. Dit wat betreft de ‘Biografische aanteekeningen’, het eerste, het onvervangbare gedeelte van dit boek, een als een heerlijke jeugdherinnering zo tintelend geschreven terugblik op een twintigjarige vriendschap. Dan geeft het, in het tweede gedeelte, een inleiding tot Herman Gorters poëzie die vermoedelijk niet spoedig zal worden overtroffen. En ten slotte kan het geen kwaad, dat het breedvoerige, maar in de grond Gorter geen dienst bewijzende, werk van Dr. Van Ravesteyn, door dit kleine boek wordt achterhaald.

Henriëtte Roland Holst en Gorter waren vrienden van 1893 tot 1912. Onnodig te vermelden, in hoeveel opzichten, als schrijvers en als strijdgenoten, deze namen verbonden zijn geweest, vóór dit op het omslag van dit boekje het geval was. Zulk een vriendschap, juist wanneer zij, zoals Henriëtte Roland Holst het uitdrukt, niet alle sferen van het gevoelsleven omvat, kan zich rechtstreeks tot de kern daarvan betrekken. Er zijn gevaren, er zijn geen doodsgevaren. Ook toen, na 1912, de gelijkgestemdheid een einde had genomen en de omgang langzaamaan minder regelmatig en vertrouwelijk werd, - ook toen bleef elke ontmoeting de dag waarop zij plaatsgreep gelukkig maken. Ik vraag mij af, of de teleurstellingen wegens het verloop der Russische revolutie, teleurstellingen, die op beider gemoedsleven zulk een grote uitwerking hebben gehad, niet daarom zoveel moeilijker te dragen zijn geweest dan die van 1903 en 1905, omdat men, na de verwijdering, in elkaar geen vrijwaring meer vond voor de allerdiepste verslagenheid. Eén enkel mens kan voor een ander mens volstaan, om betreffende de gehele wereld in zekerheid te verkeren. Toen Henriëtte Roland Holst en Gorter elkaar ontmoetten, was deze, na zijn sensitivis-

[p. 761]

tische periode, op een dood punt gekomen. Het is misschien teveel gezegd, dat haar bespiegelende sonnetten, die Verwey hem in 1893 in handschrift liet lezen, Gorter tot de conceptie brachten van zijn wijsgerige gedichten. Het moet althans een aanmoediging geweest zijn, en een wenk, hoe over het dode punt heen te geraken. Natuurlijk rept Henriëtte Roland Holst hier niet van in dit boekje; wat zij echter wel onomwonden verklaart, is de grote betekenis van Gorters ‘Eerste Pan’ op het samenstellen van ‘ De vrouw in het woud’, in 1912. Zo staat er bij het begin en bij het eind dezer vriendschap in beider werk een mijlsteen opgericht.

Er zullen nog vaak studies over Gorter geschreven worden. Daarin zal men dan kunnen lezen van zijn Friese afkomst, zijn ouders, zijn opleiding, en al die voor zijn persoonlijkheid zo belangrijke feiten waarvan in dit boekje niet gewaagd wordt. Deze ‘biografische aanteekeningen’ geven niets daaromtrent, niets ook betreffende zijn overig leven, dan wat van waarde is voor het verloop dezer vriendschap. Een gave herinnering is zonder moeite gaaf neergeschreven, vrolijk zelfs, onbezorgd, met veel luchthartige bijzonderheden over het zeilen bij Loosdrecht, het wonen in de naburige villaatjes te 's-Graveland, het logeren op de ‘Buissche heide’. En onder dat al door, voelen we, grijpen grote veranderingen plaats, wereldgebeurtenissen, wier invloed telkens na te gaan is in de gevoelige spanning dezer fijn-afgestelde vriendschap, wijzigingen, schommelingen, en, ondanks zijn uiterlijke activiteit en onverslagen durf, zien we de grote dichter van ‘ Mei’ in de grond ten prooi aan de eenzaamste aller kwellingen, aan dat wat Henriëtte Roland Holst zo treffend noemt, de beproeving der onvruchtbaarheid.

De vreemdste tegenstellingen zijn in Gorter verenigd. Een scholasticus van het socialisme, een monnik zonder God en meester, een dogmatisch realist, een sportsman, een eenzelvige. Er is een deel zelfportret in de blinde Balder van ‘Mei’ en in de Homerische arbeider van het ‘ Klein heldendicht’ en ‘ Pan’. Dit alles heeft Henriëtte Roland Holst met liefelijk te noemen omtrekken uitgebeeld in haar onvergetelijk boekje.