De 'Poeticsche werken' (ed. W. Waterschoot)


auteur: Jan van der Noot


editeur: W. Waterschoot


bron: Jan van der Noot, De ‘Poeticsche werken’ (ed. W. Waterschoot). Secretariaat van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent 1975 (3 delen)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 19]

Hoofdstuk I: De dichter en zijn werk

A. Samenstelling

§ 1. Aangroei

De volgorde waarin de vellen PW verschenen zijn, is ons niet langer onbekend dank zij de resultaten van het voorgaande bibliografisch onderzoek. Op basis van deze gegevens wordt thans de gestadige groei en mogelijke evolutie der PW nagespeurd, zowel wat betreft de inhoud der opgenomen gedichten als de opvatting van de schrijver over dit gedeelte van zijn werk.

Dit globaal overzicht omvat geen bronnenonderzoek noch samenstelling van elk individueel vel afzonderlijk. Deze beide aspecten worden immers nadien nog afzonderlijk behandeld, respectievelijk in het tweede deel van dit hoofdstuk en in de Aantekeningen bij elk vel. Wel wordt thans de nodige aandacht besteed aan de oorspronkelijke conceptie van de auteur en de latere ontwikkeling dienaangaande, aan de weerslag hiervan in de keuze der opgenomen gedichten, en aan de herneming van bepaalde stukken uit vroegere werken van Jan van der Noot zelf, welk proces duidelijk getuigt van zijn gunstig oordeel over de waarde of het belang van deze verzen.

De oudst gedrukte stukken der PW, de oden voor aartshertog Matthias (matthias 6, 88, 270) evenals die voor Charles de Croy en Filips van Egmont (croy 7, 119) zijn in de eerste plaats nog niet als onafhankelijke publikatie bedoeld. Zoals hierboven reeds uiteengezet is1, heeft Van der Noot hun oorspronkelijk de rol van liminaire bladzijden toebedeeld in exemplaren van CB/Abr en/of LvB, wat in elk van deze gevallen bevestigd wordt door het overwegend aankondigend karakter van de inhoud. In de Nederlandse opdracht aan Matthias vermeldt de dichter tevens de precieze gelegenheid, waarbij hij zijn reeds gedrukt werk aan de prins opdraagt: ‘En heb’ coomende al=hier dees Poësien veerdigh Ghemaeckt, die ick, veur een saligh nieu Iaer, Vwer hoegheydt (o Vorst) oit = moediglijck toe = schrijue' (matthias 235-237). In de verdere behandeling van de inhoud der PW zal trouwens blijken dat Van der Noot herhaaldelijk zowel aparte verzen als bundels PW heeft aangeboden bij een jaarwisseling.

Pas door het drukken van titelvel 1580-1581 naar het model van CB/Abr en LvB worden de PW door hun auteur zelf voorgesteld als een afzonderlijke entiteit, die in dit aanvangsstadium toch doorgaans deel blijft uitmaken van een convoluut, bestaande uit PW + CB/Abr + LvB2. voorwerk 1580-1581, aansluitend bij dit titelvel, omvat zowel de inleidende elegie uit Het Bosken als de nodige lof- en eerrijmen voor de auteur en zijn adellijk geslacht; van deze laatste soort gedichten ontbreken verwante uitingen evenmin in Het Bosken en LvB.

[p. 20]

Onmiddellijk na voorwerk 1580-1581 is er een geheel van twee vellen ter perse gelegd (liefvelt [1] en [2]), dat wij als het eerste volwaardige specimen der PW mogen onderkennen. De elegieën en sonnetten hierin verkondigen hoofdzakelijk de individuele lof van de toegesproken personages. Tweemaal wordt ook hier als precieze gelegenheid, naar aanleiding waarvan het gedicht in kwestie voltooid en een bundel PW overhandigd wordt, weer eens ‘dit nieu Iaer’ (liefvelt 248) vermeld.

Bij het begin van de volgende reeks PW (1581) is er - zeer logisch - allereerst gezorgd voor een waardige afsluiting van de nu als aparte bundel aanvaarde PW. Zoals in Het Bosken valt de keuze hiervoor op gedichten, hetzij met sterk religieuze inslag, hetzij gewijd aan de onsterfelijkheid van het dichterlijk oeuvre. Niet enkel de verheven conceptie van deze slot-katern maar ook twee der opgenomen gedichten stammen uit Het Bosken, terwijl het aanwenden van een ander eeuwigheidssymbool, de houtsnede met raadselobelisk op de laatste bladzijde, dan weer rechtstreeks teruggaat op CB/Abr en LvB. Ook het laatste vel van deze reeks, craenmeester, kan onmogelijk los van vroeger verschenen gedichten gedacht worden: twee van deze sonnetten hebben oorspronkelijk gefungeerd als eerrijm in een bundel van Séverin Cornet, gepubliceerd in 15813. Dit vertrekpunt is geëerbiedigd gebleven bij de keuze van het resterende gehuldigde gezelschap: van praktisch alle overige personages is ons de muzikale belangstelling uit andere bronnen overgeleverd.

De vellen uit 1582 (castro, hofmans, stevart) bevatten typische gelegenheidsstukjes, meestal ontstaan rond het tijdstip waarop de persoon in kwestie door de stad Antwerpen een gratificatie kreeg aangeboden. De elegieën in deze bladen munten niet uit door originaliteit, wat vermoedelijk te wijten valt aan de haast waarmee de dichter te werk ging om zijn verzen tegen een welbepaalde datum klaar te stomen. In stevart komen voor het eerst sinds voorwerk 1580-1581 weer lofdichten ter ere van Jan van der Noot zelf voor, en dit onder de vorm van een poëtische correspondentie tussen de Vlaming Jan Maes en diens bewonderd Brabants voorbeeld.

De PW 1583-1584 (roelandts, discovrs, maes, grammay) - ditmaal geen ononderbroken gedrukte reeks - volgen doorgaans het vastgelegde patroon der PW, en dit zowel inzake de inhoud der gedichten als aangaande de keuze van het publiek. De ‘Discovrs poetiqve’ tot de leden van de raad van financiën neemt - uitzonderlijk tot nu toe - volle vier bladzijden in beslag, maar deze omvang wijst niet op enige speciale krachtsinspanning van de auteur: daartoe heeft hij heel eenvoudig twee fragmenten van de voortgezette Olympias samengevoegd. In maes lezen wij opnieuw twee lofdichten ter ere van Jan van der Noot zelf, en elders (grammay 19-20, 42-43) wordt tweemaal ‘DIT vremdt nieu Iaer’ (42) nog maar eens vermeld als aanleiding voor het afleveren van een dichtstuk en daarbij aansluitend het overhandigen van een bundel PW.

De laatste en tevens meest uitvoerige reeks PW, gedrukt door Gillis van den Rade, die uit 1584-1585 (scholiers, gambrinus, dennetieres, poetov [H] en [H2], goossenius [I] en [I2], apologie [A] en [A2-A3], titelvel 1584- 1585, pruenen), bezit een eigenaardige samenstelling doordat het tot nu toe overheersend utilitair karakter naar het achterplan verwezen wordt: slechts een minderheid van deze vellen bevat de gewone soort huldeblijken aan het adres van kapitaalkrachtige tijdgenoten (scholiers, pruenen), waarbij de originaliteit wel eens ver te zoeken valt4! De hymne aan Gambrinus, vier

[p. 21]

bladzijden lang, kan onafhankelijk van de conceptie der PW ontstaan zijn, en dus volkomen los van de ‘Brouvvers ende Moutmakers van Antvverpen’ (gambrinus 3), aan wie dit gedicht ten slotte is opgedragen. De resterende meerderheid van deze bladen uit 1584-1585 is gevuld met verzen ter ere van Jan van der Noot zelf (dennetieres, titelvel 1584-1585) of van zijn geslacht (goossenius). Ook de poëtische briefwisselingen tussen Van der Noot en zijn bewonderaars, respectievelijk Guillaume De Poetou en Gerardus Goossenius, evenals de verdediging van de poëtische doelstellingen van onze dichter horen hier thuis (apologie). Enkele lofverzen (dennetieres) en de teksten, gewisseld tussen Van der Noot en de di minores De Poetou en Goossenius zijn weer integraal uit Het Bosken herkomstig.

In het laatst gedrukte vel van deze reeks PW 1580-1585 (pruenen) treffen wij de oudste sporen aan van een indeling der PW volgens de inhoud der gepubliceerde gedichten, en dit alles verwoord in een allegorische omkleding (pruenen 114-118). Blijkens de meer uitvoerige versie in titelvel 1589-1590 bevat deze ‘Boom-gaerdt’ - voluit ‘Le Fertile Verger de Moderee Crainte de Dieu’ - Van der Noots religieuze poëzie. In ‘den Lust-hof schoon’ of ‘Le plaisant jardin d'Amour Iuste & honneste’ worden uiteraard de kwaliteiten van Olympia bezongen. 's Dichters ‘Bosschage koen’, ‘Le Boscage Solitaire de Prudente Contemplation’, verzamelt de resterende stukken met zeer divers karakter. Deze bloeiende tuin wandelt men binnen onder ‘de Poort der Deught’ op de titelpagina sinds 1584 en ten slotte bereikt men het ‘Palleys der Eeren’ of ‘le magnifique Pallais d'eternelle Renommeé’, waar de namen der gelukkigen, die door Van der Noot vereeuwigd zijn, bewaard worden voor het nageslacht. Al deze begrippen, waarvan de noodzakelijke verduidelijking steunt op teksten uit 1589-1590, blijken in 1585 dan toch in nucleo reeds voorhanden te zijn. Deze hele allegorische inkleding betekent in feite enkel een nadere specificatie en uitwerking van een populair beeld onder de dichters van die tijd: de dichtbundel als een verzameling aparte stukjes, waarvan de diversiteit overeenstemt met de afwisseling in de natuur.

Ronsard noemt zijn Bocage aldus naar het voorbeeld van Statius5. Ook Lucas d'Heere verantwoordt de titel van Den hof en boomgaerd der poësien door te wijzen op de zeer diverse samenstelling: ‘...inhoudende menigherley soorten van Poëtijckelicke blommen: dat is diuaersche materien, gheestelicke, amoureuse, boerdighe & ç’. Met zulke voorbeelden voor ogen is het enkel logisch dat ook Van der Noot zelf aan de verzameling van zijn jeugdverzen de titel Het Bosken meegeeft. In 1584 heeft hij zich blijkbaar bezonnen over de evolutie van de inhoud der PW. De reeds gepubliceerde gedichten zijn dan over vier categorieën verdeeld, waaraan telkens namen, gesuggereerd door de initiële beeldspraak, toebedeeld zijn. Wanneer Van der Noot in datzelfde jaar een titelhoutsnede voor de PW laat snijden, dan kan de keuze van een triomfboog uiteindelijk teruggaan op diens mogelijke functie als ‘Poort der Deught’. Het ‘Palleys der Eeren’ is evenmin een originele vondst in de eigentijdse literatuur: naast Jean Lemaire de Belges en Ronsard hadden nog andere, zij het minder bekende literatoren, dergelijke bouwsels opgetrokken6.

De ingrediënten van de PW sinds 1588 blijken dus reeds enkele jaren vooraf samengelezen te zijn. Elders zijn de typografische verschillen tussen de PW 1580-1585 en

[p. 22]

1588-1595 omschreven7; één verrijking in de laatste reeks moet hier eveneens vermeld worden, en dit ter wille van een samenhang binnen het allegorisch schema. In 1585 komt enkel rond de illustraties bij de voortgezette Olympias - of Europidos (?) - een omlijsting (AUB 976A2) voor. Hetzelfde model van lijstwerk, zelfs nog ten dele bestaande uit dezelfde elementen, wordt stelselmatig aangewend in de latere PW. Nu beschikte Van der Noot sinds 1572 over de kaders van Stammbuch en Theatrum - zij komen trouwens incidenteel nog voor in de titelvellen 1588-1593 - maar de factuur van de lijsten, die voor de latere publikaties gesneden zijn, is toch heel anders. De verklaring van zulke expensieve afwijking van het voorhanden model uit 1572 kan berusten op een aanpassing aan de globale allegorische conceptie: de vorm van het latere lijstwerk verleent aan elke pagina het uitzicht van een inscriptietafel, zoals er afgebeeld staan in de Hypnerotomachie8. Dit arrangement brengt de lezer de duurzaamheid van de poëzie - aere perennius - ononderbroken onder het oog tot en met de slotpagina van elke bundel, waar dan nog de obelisk als eeuwigheidssymbool prijkt.

In de oudste vellen uit 1588 (titelvel 1588, vveerdt 1588) komen bijna uitsluitend lofdichten ter ere van Jan van der Noot zelf voor; een deel van deze verzen stamt uit vroegere PW (dennetieres) en eenmaal uit het CB/Abr. De keuze van zulke gedichten valt licht te verklaren: zij komen automatisch terecht op de plaatsen, voorbestemd voor lof- en eerrijmen in een gewoon boek. Daarop (roy) volgen obligate stukjes - van bijzonder pover allooi trouwens - aan het adres van Antwerpse vooraanstaanden. In de verdere produktie van dat jaar blijkt Van der Noots dichterlijke bezieling weer een hogere vlucht te nemen: de ode aan Amodeo van Savoye (amodeo 41), maar vooral de satyra voor de aalmoezeniers (aelmoesseniers 8) - hoewel ten dele steunend op Coornhert - en de uitvoerige elegieën, gericht tot Cornelis Grammay en Filips van Lire (grammey 9, 104), behoren onmiskenbaar tot het beste dat hij sedert geruime tijd gepleegd had. In amodeo komt tevens voor het eerst in de PW een commentaar op één bepaald gedicht voor, commentaar die daarbij nog anderstalig gesteld is9.

In 1589 laat Van der Noot vooreerst gallo drukken, het werkelijk archetype van de latere PW: het Nederlands gedicht, in casu een epithalamium voor Antonio Gallo en Johanna Coucke, wordt zeer tekstgetrouw en tegelijk zeer uitvoerig geparafraseerd in het Spaans, Italiaans en Frans. Deze commentaar beslaat meer dan twee foliobladzijden. De nog resterende plaatsruimte is verdeeld tussen twee lofdichten voor Van der Noot en een sonnet aan het adres van een mecenas; ook dit stuk wordt voorzien van een drietalige commentaar. Dit laatste element is nieuw in de PW, maar blijkens het getuigenis van titelvel 1589-1590 75-81 had Doctor Agricola, vulgo Hendrik Ackermans, dergelijke commentaar reeds geleverd voor Van der Noots niet bewaarde ‘boeken der Liefden’ (maes 7). In ieder geval blijft deze soort commentaar van nu af onafscheidelijk verbonden met de PW tot en met het laatst gedrukte vel ervan.

In de onmiddellijk aansluitende periode 1589-1590 heeft Van der Noot heel wat gepubliceerd (titelvel 1589-1590, leiua, daems, perrenot, catanio, vrouwen, tassis, voorwerk 1589-1590, balbi, weerdt 1590), maar men moet wel erkennen dat de samenstelling van perrenot en tassis hem weinig hoofdbrekens gekost heeft, aangezien zijn eigen inbreng er tot een miniem aandeel gereduceerd is10.

[p. 23]

Ook weerdt 1590 is slechts een getrouwe kopie van vveerdt 1588 inzake de keuze en plaatsing der opgenomen lofdichten. Wel brengt onze auteur nog enkele finesses aan in het allegorisch apparaat: de polyglotte commentaar wordt enkele dames in de mond gelegd, wier namen als geliefden en mogelijke inspiratrices van beroemde dichters gemeengoed zijn in de zestiende-eeuwse literatuur. In 1588 treden hiervan reeds enkelen ten tonele (grammey, amodeo) maar de lijst der geplande deelneemsters wordt in titelvel 1589-1590 aanzienlijk aangevuld, hoewel het optreden van enkele nieuwelingen in de praktijk herleid blijkt tot nihil. Als enige werkelijke aanwinst voor de Nederlandse literatuur in deze periode valt enkel de ode aan de ‘Schoone Vrouwen Weduwen ende Jonghe-dochteren van Brabant/en oock aen Olympia’ (vrouwen) te noteren. In 1590-1591 (carro, noot, sueiro, pardo, scholier, titelvel 1591, wonsel, re, claerhout, helmans) verschijnen belangrijke stukken: de oden voor twee Antwerpse abten (noot 3, 126), twee oden voor Olympia (noot 263, sueiro 6), de ode aan Verlous (pardo 215), de gedichten in scholier met de fraaie uitwisseling van sonnetten tussen Michael van der Haeghen en Van der Noot (scholier 198, 215), het zijn alle stuk voor stuk meer dan lezenswaardige verzen. In dezelfde vruchtbare periode laat Van der Noot het credo van zijn poëtisch zelfbewustzijn drukken, de overbekende ode aan Marcus van Wonsel ‘Teghen d'onvvetende vyanden der Poëteryen’ (wonsel 4).

feytens en farneze, die hierna in 1592 van de pers komen, bezitten een meer coherente samenstelling dan de overige bladen uit dezelfde tijd (j. de smidt, b. de smidt, t' shertogen, crabbe): in feytens wordt een reeks gedichten uit het slotvel 1580-1581 zonder veel noemenswaardige wijzigingen hernomen, terwijl farneze samengesteld is uit - meestal Franstalige - poëzie met illustratieve houtsneden, dit alles oorspronkelijk bedoeld voor een verslag van Farneses intrede te Antwerpen op 26 augustus 1585. In deze periode neemt Van der Noot eveneens illustraties op in de PW, die oorspronkelijk thuishoren in de voortgezette Olympias; deze houtsneden worden echter niet achtereenvolgens in één reeks afgedrukt, maar gespreid over een tweetal jaar, hoewel het duidelijk is dat zij één samenhangend geheel vormen11.

In deze en de nu volgende vellen PW 1592-1593 (titelvel 1592-1593, halmale, vergano, angoni, stuytelinck, euterpe, langhart, peeters, sweerdts, opmeer, mechelman, fuentes) vermindert het aantal ontleningen aan vroeger werk van onze dichter: in crabbe 197, 214 worden nog twee sonnetten uit de PW 1580-1585 (liefvelt) hernomen, maar dit wel omdat Van der Noot dezelfde personen bezingt. De poëtische briefwisseling met Goossenius, oorspronkelijk afkomstig uit Het Bosken, en een tweede maal afgedrukt in 1584-1585, komt voor de derde maal voor in stuytelinck - wel een bewijs dat Van der Noot zelf deze stukken geapprecieerd heeft. In peeters wordt een ode uit Het Bosken aangevuld en de beginstrofe van de ode aan de heer van Carloo (Het Bosken en goossenius) geciteerd.

Het zelfde streven naar vermijding van herhaling stelt men vast in de PW uit de laatste jaren (1593-1595) (chefs [1] en [2], titelvel 1593-1594, bejar, vveerdt 1593, etten, moneglia, deybarra, damant, georges, orco, ghysens, bentinc, inkoomste, arnesto, sterckheyt). Zoals weerdt 1590 geïnspireerd was op vveerdt 1588, zo ook is vveerdt 1593 grotendeels een getrouwe kopie van zijn onmiddellijke voorganger, wat overigens door de identieke functie van deze vellen a.h.w. automatisch vereist wordt.

[p. 24]

Nog twee houtsneden, oorspronkelijk bestemd voor de publikatie ter gelegenheid van Farneses inkomst te Antwerpen, worden gereproduceerd in moneglia en orco. In deybarra en inkoomste stoot men bij de lectuur op al te veel ontleningen, maar verantwoordelijk hiervoor is vermoedelijk wel de haast waarmee Van der Noot deze begroetingen van hooggeplaatste personages bij een bezoek aan Antwerpen afgewerkt heeft. Afgezien van korte gelegenheidsstukjes, waardoor hij een of ander verhoopt mecenas min of meer - doorgaans minder - geslaagd associeert met een volgend uitvoeriger dichtstuk, treft toch de kwaliteit van deze laatste verzen. De stukken die Van der Noot niet voor één bepaalde gelegenheid en dus niet inderhaast uit de mouw geschud heeft - en die vormen toch een respectabele meerderheid in deze laatste jaren - geven zowel blijk van zijn onmiskenbaar dichterlijk talent als van zijn constante bekommernis om zijn teksten bij te schaven.

De geleidelijke evolutie van de conceptie der PW in de geest van de auteur is onmiskenbaar: aanvankelijk figureren zij als liminaria bij uitvoeriger werken als CB/Abr en LvB, wat natuurlijk de inhoud der gedichten sterk determineert. In de onmiddellijk daaropvolgende periode blijven de PW beperkt tot loutere lof- en eerrijmen, waarvan het fragmentarisch karakter hun toevallig ontstaan voldoende illustreert. De eigenlijke wending in Van der Noots opvatting over dit gedeelte van zijn werk valt te dateren vóór de publikatie van de PW 1584-1585. Het utilitaire karakter van de bladen tot nu toe wordt op de achtergrond gedrongen dank zij de opneming van lofdichten ter ere van de dichter zelf, evenals het herdrukken van de belangrijkst geachte stukken uit Het Bosken zonder enige opdracht aan een nieuwe beschermheer. Ook het bedenken van de allegorische omlijsting der PW, dat in dezelfde periode te situeren valt, bewijst dat de inleidende, ondergeschikte rol van de PW tegenover CB/Abr en LvB ten einde loopt. Deze inkleding verheft de PW op het vlak van de even voornoemde werken, of nog eerder op het niveau van Das Buch Extasis, dat eveneens vergezeld was van een allegorische uiteenzetting, met name de Apodixe. Men voege daarbij de aanwezigheid sinds 1588 van de polyglotte commentaar, bedoeld om de intrinsieke waarde der gedichten in een helder daglicht te stellen. Deze verhoogde status is onmiddellijk speurbaar in de keuze van de opgenomen verzen: waar men in de voorgaande reeks slechts sporadisch een poëtische graankorrel oplas van een veld rijmelarij, daar kan men sinds 1584 geregeld een dergelijke oogst binnenhalen.

Na 1588 merkt men wel een scherpe scheiding in de wijze van ontstaan der afzonderlijke gedichten: het gebeurt dat een bepaald vers, soms van vrij aanzienlijke lengte, speciaal voor één bepaalde persoon of groep bij één bepaalde gelegenheid gedicht is. Daarnaast echter heeft Van der Noot nog meer gebruik gemaakt van een eenvoudiger procédé: vóór een bestaand gedicht kon hij volstaan met enkele inleidende verzen neer te pennen, waardoor hij het thans daaropvolgend gedicht aan een mecenas opdroeg. De aldus ingeleide gedichten stammen ten dele uit vroeger gepubliceerde bundels; niets belet ons dan ook te veronderstellen dat een aantal van deze verzen mede afkomstig is uit niet bewaarde verzamelingen, zoals de ‘boeken der Liefden’ (maes 7) en de ‘Ecclesiastices’ (OE, [28]). Van der Noot moet op een bepaald ogenblik ingezien hebben dat de PW de meest geschikte - of enig resterende - publikatiemogelijkheid van zijn poëtisch oeuvre was. Dan is het ook normaal dat hij het beste van zijn werk, dat tot dan toe in portefeuille gebleven was, in deze bladen opnam. Dit is alvast geschied met de illustra-

[p. 25]

ties voor de Olympias12 en voor het verslag van Farneses triomftocht doorheen Antwerpen.

Met uitzondering van het Epitalameon uit 1583 bevatten de PW het hele gepubliceerde werk van Jan van der Noot uit de periode 1580-1595. Deze relatief lange periode rechtvaardigt reeds voor een deel de variëteit van de inhoud, terwijl de gewijzigde conceptie sinds 1584 zowel de stijging van het gehalte der opgenomen stukken als de mogelijke aanwezigheid van verzen uit nooit gedrukte bundels verklaart.

§ 2. Van der Noots eigen poëzie

De lectuur der PW laat geen hechte structuur van deze verzameling poëzie onderkennen. Bij een dergelijke collectie efemeer drukwerk is dat ook niet verbazingwekkend: de aanleiding tot het drukken van elk vel, het rekening houden met de individuele mecenen, de disparate herkomst der gepubliceerde stukken en niet het minst het aanzienlijk tijdsverloop 1580-1595, al deze - voor de PW essentiële - elementen zijn stuk voor stuk even zoveel belemmeringen voor het tot stand komen van een klare opbouw.

Nochtans heeft Van der Noot zelf de noodzaak ingezien een zekere structuur aan te brengen, en dit om een zeer geldige reden: wanneer hij zijn PW herhaaldelijk als een boek voorstelt13, dan is het evenzeer noodzakelijk dat dit imposant uitgegeven werk meer wordt dan een lappendeken van disparate stukjes poëzie. Naast deze onsamenhangendheid dient tevens de daaruit resulterende ongeprofileerdheid vermeden te worden. Beide gevaren heeft Van der Noot verholpen sinds de conceptie der PW 1584-1585, nader uitgewerkt in 1588 en omstandiger verwoord in titelvel 1589-1590: de indeling van zijn poëzie volgens haar respectieve onderwerpen in ‘Boom-gaerdt’, ‘Lust-hof’, ‘Bosschage’ en ‘Palleys der Eeren’ (pruenen 116-118) is bedoeld als structurerende afbakening binnen Van der Noots eigen gepubliceerde dichtkunst.

Zoals hierna zal blijken is ook het stelselmatig aanbrengen van lofverzen, citaten en - vooral - van commentaren eveneens geschied in functie van dat zelfde streven om de afzonderlijke vellen PW in een homogeen patroon te lassen, waarbinnen de divergerende krachten, zoals daar zijn wisselende omstandigheden, mecenen en tijdsverloop, geneutraliseerd worden door de telkens terugkerende elementen van lofdicht, citaat en commentaar.

A. ‘Le Boscage Solitaire de Prudente Contemplation’ - ‘gruen Bosschage’

Het is geen toeval dat bij de indeling der PW volgens de behandelde onderwerpen deze eerste afdeling aldus betiteld wordt in titelvel 1589-1590 92, 339. Evenals Het Bosken bevat deze verzameling een reeks gedichten met zeer divers karakter. Een mogelijk verband wordt ondanks de disparate inhoud nagestreefd door het tweede lid van de Franse benaming: deze gedichten zouden resulteren uit een ‘Prudente Contemplation’.

Deze beschouwing richt zich vóór alles op de eigentijdse werkelijkheid en daarin

[p. 26]

vervolgens op het lot van de dichter en zijn geestverwanten. De auteur ziet niet zoveel reden tot juichen, maar des te meer aanleiding voor oproepen tot inkeer, vermaledijdingen der bozen en lofprijzingen der vromen. Af en toe parafraseert hij antieke sententiën, put hij uit zijn kennis van wetenswaardigheden of overdenkt hij zijn levensloop. Sommige van deze onderwerpen zijn in de nog volgende groepen breder uitgewerkt; wanneer zij reeds tot deze afdeling gerekend worden, betekent dit dat het later meer beklemtoonde facet slechts een onderdeel van het gedicht is, naast andere, als even belangrijk beschouwde componenten.

Een eerste reeks gedichten, die tot dit ‘Bosschage’ behoren, zijn toelichtingen bij de structuur der PW of aanmaningen tot ‘den gunstighen...Leser’ (voorwerk 1580-1581 57-58) hiervan. In navolging van een eeuwenoude traditie, die reeds op Lucretius teruggaat en door Quintilianus sterk gepropageerd werd14, nodigt de dichter de lezer uit, zoals de bijen honig puren uit de bloemen, in dit boek datgene te plukken ‘dat v best en orboorlycxt sal wesen’ (voorwerk 1580-1581 8). ‘Ghelijck een schoon iongh bos’ (id. 9) biedt het werk allerlei poëtische vruchten aan, verschillend naargelang van de gemoedsgesteltenis van de auteur bij hun ontstaan, maar toch nooit ‘Venynigh, valsch en ergh’ (id. 26). De lezers die dit werk vindt, allen ‘Edel Gheesten’ (id. 63), zullen het in dank aanvaarden, ‘want eere, nut en vreughdt, Daer deur v word gegundt’ (id. 61-62). Daartegenover treft de ‘afgunstighen Leser’ (id. 58) als ‘Onaerdigh zoyelist’ (id. 66) de wens: ‘berst van nydt en haet’ (id. 65)! Mocht iemand in de tweede reeks PW gestoord zijn omdat zijn lof dreigt ten onder te gaan te midden van andere, even weinig geprononceerde aanprijzingen, dan klinkt hem sinds 1588 het vooruitziende woord tegen: ‘soo sonder hoogh eynd' de hemelen/int ronde Loopen/soo is mijn boeck ghestelt’ (roy 45-46). Zelfs de misgreep van een haastige zetter levert stof voor een elegie en een daarbij aansluitende drietalige commentaar (t'shertogen 4-109), wat een scrupulositeit tegenover de kopij verraadt, die wij in onze zestiende-eeuwse literatuur slechts zelden aantreffen - hoewel hierbij dient gezegd dat deze verantwoording door het Antwerpse stadsbestuur is gehonoreerd met twaalf gulden15!

Na dergelijke captatio benevolentiae kan Van der Noot de lezer de eerste resultaten van zijn ‘Prudente Contemplation’ voor ogen voeren. Bij zijn eerste oogopslag over het zestiende-eeuwse (slag)veld treft ons, wat reeds door prof. Zaalberg aangestipt is16, zijn mededogen om Europa als geheel: hij ziet haar ‘becladden medt den bloede’ (opmeer 5), ‘soot blyckt aen menigh landt’ (aelmoesseniers 19), niet het minst aan ‘ons schoone Vader-landen’ (grammey 16) en zelfs aan de maagd Antwerpia (bejar 110). De dichter bejammert niet enkel het ‘verwoesten en verbranden’ (grammey 17), maar hij kan zeer precies zijn: plundering (aelmoesseniers 18, grammey 31), watersnood (aelmoesseniers 19, mechelman 34) en noodgedwongen emigratie (aelmoesseniers 23) vinden vermelding, evenals de daaruit resulterende agrarische en mercantiele teruggang (id. 24-29). Na dit alles zelf geproefd te hebben ‘in dertigh iaren’ (mechelman 56) mag de dichter wel met vooraanstaande auteurs zoals Erasmus zuchten: ‘Den onuersochten dunckt d'Oorloghe suet te wesen’ (mechelman 54), waarbij hij evenwel bekennen moet dat deze plagen ons enkel toegezonden worden omdat ‘Godt...Om heur misdaden groot de menschen wil verermen’ (id. 31-32). En inderdaad, de caritas is dood, en de mensen

[p. 27]

keren zich ‘Daghelyx meer tot quaedt...om een handt-vol hooys’ (carro 297, 294), met name tot ‘grootsigheydt/en pracht’ (aelmoesseniers 38), ‘schyuen roodt’ (id. 59) of ‘oock fraey meyskens/en schoon vrouwen’ (id. 65), als objecten van ‘Eerghirigheydt’ (grammey 23), ‘Ghelt-honger’ (id. 22) en ‘Sinlijcheydt’ (id. 24)17. De bozen, met deze drie kardinale ondeugden behept, offeren dan ook respectievelijk aan de schutsheer der eergierigen, ‘Beelsebup’ (discovrs 106), ‘au fort Leuiathan’ (id. 107), de geldduivel, ‘Et les lassifs au vilain Asmodée’ (id. 108). Bijzonder pijnlijk wordt het voor de dichter, wanneer hij merkt hoe ‘les charnels’ (id. 99) geld en goed verkwisten ‘Aen Banketten/ aen grooten staet/Aen peerden/aen pluym-strijckers quaet’ (damant 17-18, aelmoesseniers 42 e.v.), terwijl zij de goeden daarentegen meedogenloos vervolgen (discovrs 22 e.v.). De scheldwoorden aan het adres van de onvermijdelijke parasieten zijn dan ook niet uit de lucht (grammey 96-97, aelmoesseniers 92-99, damant 20-24), en dit om een zeer begrijpelijke reden: in deze verdorven eeuw moet de gunsteling van Apollo zich verlagen tot concurrent van zulke potsenmakers om aandacht te vinden voor het aanschijn van de machtigen. En tot Van der Noots grote woede besteden ‘les mondains’ (discovrs 20), ‘comme crappaux’ (pruenen 148), ‘Force d'escus’ (discovrs 86) aan aardse wellust, eerder dan aan onsterfelijke verzen. Goddank zijn er nog anderen, zoals ‘les Seigneurs des Finances’ (discovrs 1-2) of Cornelis Pruenen (pruenen 177). Zij treden op als mecenas en krijgen dan ook onsterfelijke roem toegezwaaid ter wille van hun deugden18 (pruenen 36, 128, scholiers 25, aelmoesseniers 136, damant 54). Zulke ‘edel ghéesten’ (scholiers 81) moeten ‘veursichtigh vvesen En schouvven t'quaedt ghespuys’ (id. 85-86), zodat zij ‘gherust, vrolyck’ (maes 43) leven, ook ‘Eerlijck/Godtvruchtighlijck’ (crabbe 341). Zij zullen hun tijd wel besteden (sueiro 364) en steeds bedenken ‘dat hem in d'lest' moght comen suer/na soet’ (roy 88). Treft hen de ongunstige fortuin, dan zullen zij ‘CLoec sijn in wederspoetdt...Op Godt betrouwende’ (scholier 6, 11) bij de gedachte ‘t'sterft hier al hoe wys/hoe ryck/hoe sterck/hoe groot’ (roy 166) en ‘Veursightigh...des Heeren dagh’ (id. 76) verbeiden. Ondertussen hebben de slechten hun zondigheid nog verergerd door opstand tegen het wettelijk koninklijk gezag (opmeer 308, j. de smidt 339), door ketterij (opmeer 307, j. de smidt 343), ontstaan uit ‘hoogh...speculeren’ (bentinc 181), en door onderlinge verdeeldheid (scholiers 95). De rechtvaardige straf kan dan ook niet uitblijven: de wellustigen worden reeds geslagen in hun lichaam tijdens dit leven (aelmoesseniers 68, sueiro 235), maar de volle maat van de goddelijke gerechtigheid treft hen pas in het hiernamaals (roy 65, sweerdts 111), nadat zij neergedaald zijn ‘in een swert graf’ (damant 37).

De beschouwing van de werkelijkheid ontsteekt in Van der Noot tevens de lust om zijn lezers deelachtig te maken aan de schat van wetenswaardigheden, die hij door lectuur en levensloop verworven heeft. Naast een uiteenzetting over de invloed der planeten (arnesto 5 e.v.) kan de dichter ook toelichtingen leveren bij het eigentijdse maatschappelijk bestel: de functies van kanselier en raadsheer van Brabant, evenals het ambt van aalmoezenier en schepen van de lakengilde der Scheldestad bergen geen geheimen voor de oud-schepen van Antwerpen (liefvelt 7, 127, aelmoesseniers 138, t'shertogen 132). Ook de historie is hem dierbaar: hij prijst de geschiedschrijvers

[p. 28]

(grammey 156 e.v.) naast archeologische en numismatische activiteiten (grammay 78) en levert zelf een overzicht van Brechtse beroemdheden (roelandts 4 e.v.). Slechts één meer stoffelijk gegeven keurt hij zijn aandacht waardig: het goud19: voor- en nadelen, onmisbaarheid en gevaar van rijkdom worden ons niet onthouden (hofmans 125, craenmeester 71, roy 11, 122, 145). Maar van deze aardse beslommeringen haast hij zich naar het hem meer vertrouwde terrein der poëzie: een nieuwe versmaat wordt beproefd (maes 64), vreemde poëten worden voorgesteld (etten 165) en de wegen der goddelijke inspiratie worden ontsluierd (chefs 140, etten 299).

Een allegorische toelichting (euterpe 182) vormt de overgang naar een gemakkelijk te hanteren en dan ook dankbaar beoefende vorm van didactiek: het interpreteren en uitspinnen van antieke sententiën. Zo worden Vitruvius (hofmans 105), Horatius (liefvelt 182), Artistoteles (id. 255), Demades (id. 275), Cicero (moneglia 91), Isocrates (sueiro 422) en Bion (pardo 220) tot meerdere stichting aangewend.

Een aparte lofprijzing heeft de dichter nog over voor de gelukkigen, die zich met een modelechtgenote verenigd weten, zoals Jan van Asseliers met Maria van Bourgondien (liefvelt 195-196), Chrisostomus Scholier met Anna Smidts (scholier 1-2) en Diego Pardo met Maria Pels (pardo 1, 42). Dit geluk wordt nog versterkt door de schildering van het afschrikwekkend contrast, Kosmica: ‘HOoueerdigh/quaedt/straf/sot/en onkuysch van maniren’ (roy 177, pardo 18), die bovendien ‘van t'smorghens vruegh tot dat sy t snachts gaet slapen Sonder redene kyfdt teghens maerten en knapen’ (pardo 20-21), en dit in scherp contrast met het ordelijk bestuur der huishouding in handen van de modelechtgenote (id. 32-33).

Waaraan is de heterogene samenstelling van deze afdeling te wijten? De titel is zo algemeen gehouden omdat deze afdeling voorbestemd was om als verzamelbekken van allerlei gelegenheidspoëzie dienst te doen. De grote diversiteit van onderwerpen in dit genre naast de uiteenlopende maar noodzakelijke stoffering van deze gedichten zijn verantwoordelijk voor de onvermijdelijk hybridische samenstelling van deze groep. Verschillende punten zullen hernomen worden in volgende afdelingen, maar dan verwerkt in een andere, meer homogene context.

B. ‘La Pacifique Valleé de Forte Humilité’ - ‘d'ootmoedigh Dal’

De gezindheid, die in deze reeks gedichten tot uitdrukking komt, heeft ook opzettelijk de benaming ‘dal’ gekozen voor deze verzameling. Hier bestijgt de geest niet, in poëtische vervoering, de toppen van de Parnassus; evenmin bezingt hij hooggestemd Gods lof of het smetteloos beeld der ideale geliefde; integendeel, van deze verheven onderwerpen weg moet de dichter afdalen naar de aardse werkelijkheid, waar hij onmiddellijk geconfronteerd wordt met de zestiende-eeuwse situatie in het algemeen, en met zijn individueel lot in het bijzonder.

De auteur ziet het vaderland reeds jarenlang door krijg verwoest (grammey 15-17), de weerloze bevolking uitgeplunderd (id. 33) en aan tal van ontberingen prijsgegeven (id. 31-32). Deze chaotische toestand is een gulden tijd voor ‘der wereldt wyse’ (id. 54), ‘t'sot volck’ (stuytelinck 119), kortom ‘de Weereldt sot’ (orco 72). Zij laten de vrije teugel aan wellust (grammey 55) en ‘Sinlijcheydt’ (id. 24), jagen op ‘Staet/groot goedt’ (id. 55), maar de invectieven van de dichter richten zich vooral tegen hun ‘Ghelt-honger heet’ (id. 22), hun zucht naar ‘d'eerdtsche slijck D'welck als hoy moet verslenschen’

[p. 29]

(orco 84-85). Deze materialistische visie op de wereld veroorlooft hun enkel verachting te koesteren voor ‘De vrome’ (id. 88), die ‘Leuen recht deghelijck’ (grammey 82), van wie elk ‘veel deuchden verpacht’ (orco 94). Tussen deze uitverkorenen wandelt ook de dichter. De rusteloze (goossenius 374) ‘Fortune aduerse’ (id. 381) of ‘Fortune cranck’ (grammey 71) heeft hem evenmin gespaard, maar deze slagen van het noodlot hebben in hem de gezindheid ontwikkeld, die wij terugvinden in de ‘Forte Humilité’ van de titel: God heeft hem gesterkt ‘Medt Veursichtigh Gheduldt/en goey Philosophye’ (grammey 42) en heeft hem ‘Deught doen maken Vander Noot Deur een edel ghemoedt’ (scholier 218-219). In de smeekbede ‘O myn Godt! en laet my sijn verheuen: Te hooghe/noch en laet my tot gheen aermoy comen: Den middelbaren staet heb ick voor best ghenomen’ (roy 155-157) volgt hij, langs Ronsard om, een antieke zanger der aurea mediocritas. De geest van onthechting leidt hem tot kennis van zichzelf, van God en van de ware vrienden (scholier 225). Tegenover de reeds gegispte auri sacra fames predikt hij ‘d'een voudigheydt...en d'Eerbaerheydt’ (orco 266, 267). De vrome, gelouterd door tegenspoed, wordt ‘vercierdt medt Eere/Kunst' en Deught’ (scholier 228). De dichter zelf bezit nog ‘beter goedt’ (orco 280), dank zij ‘den goeden Gheest der God'lijker Poëten’ (id. 277), waardoor hij het vulgum pecus ‘Des fins ambitieux & du mocqueur vulgaire’ (dennetieres 182) op afstand houden kan.

Dit beroep op een ‘Forte Humilité’ is de begrijpelijke reactie op twee teleurstellende ervaringen in het leven van de dichter: vooreerst zijn materiële debâcle als politiek-religieus voorman, met haar nasleep van vlucht, veroordeling, confiscatie en schriele zwerfjaren. Daarna treft hem een beproeving op meer geestelijk vlak, die hij nooit te boven komt: de afwijzing van zijn dichterlijke kwaliteiten door zijn milieu in het algemeen en door de Brabantse Staten in het bijzonder.

Hiertegen pantsert hij zich met stoicijnse sententiën, die men voor het eerst hoort opklinken in zijn Duitse tijd: ‘Rebus in aduersis, animum submittere noli’ en vooral ‘Deficiet nunquam generoso in pectore virtus’20. De hier gepredikte ‘Forte Humilité’ blijft ‘Pacifique’, ‘ootmoedigh’, dank zij de christelijke inslag. ‘Godt goedt/groot/en sterck’ (grammey 38), Wiens ‘wil moet gheschiden’ (id. 52), heeft hem geleerd ‘my[te] veughen (als de vrye) Na d'weer/en na den Tydt’ (id. 43-44), waarbij nog eens de toepassingsmogelijkheid van zijn devies blijkt: Tempera te tempori.

C. ‘Le Fertile Verger de Moderee Crainte de Dieu’ - ‘Boomgard'’

De voorgaande bladzijden schetsen een maatschappelijke toestand en de daaruit resulterende levenshouding; de huidige afdeling brengt meer lering en stichting, en wordt dan ook een vruchtbare boomgaard genoemd, die, zoals het zaad in de parabel uit het evangelie, honderdvoudige vrucht voortbrengt. De vermelding der ‘Moderee Crainte de Dieu’ als conditio sine qua non voor het bevatten van deze boodschap is evenmin willekeurig, want, zoals de auteur herhaaldelijk belijdt, is de vrees des Heren het begin der wijsheid (roelandts 103-104, 125, j. de smidt 17) (Prov. 1:7a).

Niet langer wordt de rampzalige toestand van het vaderland opgeroepen; wel klaagt de dichter de ondeugden aan, die in de harten der mensen zelf grote verwoestingen te weeg brengen, bovenal ‘Eerghiricheydt...vvellust...En de Gheldt-ghirigheydt’ (roelandts 79-80). En toch, wat bereiken zij? De eergierige ‘Hem seluen slaue ma[e]ckt om ghenaemdt te siin Heere’ (id. 88); wie wellust zoekt, vindt ‘vreught die smelt als roock’

[p. 30]

(id. 92); de vrekken ‘gaen latende Godt, soo veur den Mammon nyghen’ (id. 112). Deze trias wordt achternagehold door de ons reeds bekende ‘wereldts wyse liden’ (noot 135), ‘on-gheruste dvvasen’ (scholiers 110), ‘Satans Kinders’ (j. de smidt 130) met dezelfde intensiteit waarmee zij de goeden verachten (id. 126, scholiers 108). Tegen zulke aanval van de boze trekt de rechtvaardige zich terug achter de schutswal van een onwankelbaar godsvertrouwen. ‘Med een ghebroken hert’ (slotvel 95) roept de dichter tot zijn God: ‘ghy zijt mijn toeuerlaet...Ghy sijt alleen de grondt daer mynen troost op staet’ (id. 155, 159) (Ps. 15:1-2), ‘wilt mynen gheest vercloeken’ (id. 15). Altijd en overal moet de vrome de hulp des Heren indachtig zijn (id. 17, 38, 51, 91, 107), want Hij schenkt ‘leeringhe, troost en veursichticheydt’ (roelandts 135) naast nog een hele gamma van deugden (j. de smidt 8 e.v.). Dit laat de rechtvaardige toe ‘vvel en vreed'-samigh[te]leuen...in des versoecks tempeest’ (grammay 12, 15). ‘De Vredemakers salmen noemen Kinderen Godts’ (noot 171-172), en de zachtmoedigen zullen - naar het bijbelwoord - het land bezitten (id. 173-174). Eenieder moet wel beseffen dat God ons de levenstijd toegemeten heeft ‘Om hier na zynen wil/de Deughden aen te cleuen’ (pardo 245) en ‘in goede vverken Voordts[te]treden’ (grammay 53-54). Want de Heer is een rechtvaardige Rechter, ‘D'Oordeelen Godts sijn recht’ (b. de smidt 83), en Zijn immanente justitie treft de bozen reeds in dit leven: ‘De quade/deur sijn wellust/ sneefdt’ (j. de smidt 144); God ‘verermt die vermaerdt rijck waren op geresen’ (b. de smidt 89), en evenmin bestaat er genade voor de eergierigen, die naar ‘staet rasen/Soo t'vercken loopt na dreck en slyck’ (noot 145-146). De vrome daarentegen mag zich veilig weten in zijn godsvertrouwen, ‘Al waert dat deur den windt...De weereldt gants gheschindt/Vile d'opperste ondere’ (j. de smidt 56, 58-59), ‘Want Godt helpt Vander Noot’ (id. 150). Daarna wacht hun nog de hemelse beloning: ‘Na d'leuen goedt, sou t'saligh steruen volghen’ (grammay 49); God schenkt hun ‘Sijn Eeuwigh leuen. Deur Christus verheuen’ (titelvel 1593-1594 66-67), terwijl de massa der bozen ‘Heur spoeyende...na Acherons reuire En voorts na Loetes vloedt’ (roelandts 83-84) de vromen als de arme Lazarus hiernamaals ‘in vreughdt vynden, en heur in piin’ (id. 122) met de rijke vrek in de hel.

In deze lyriek staat het godsvertrouwen centraal. Opvallend is de persoonlijke band tussen de dichter en zijn God, die zich ooit uit in een ongewoon epitheton: in een bewogen smeekgebed, een bewerking van Ps. 40, wordt het begrip ‘God onzer vaderen’ niet verwoord met de gewone term ‘God Israëls’, maar wel als ‘Godt van Brabant’ (noot 60). Het is dan ook geen toeval dat een der weinige Vulgaatcitaten ontleend is aan Ps. 124:1: ‘Qui confidit in Domino sicut mons Sion non commouebitur in aeternum’ (j. de smidt 195).

D. ‘Le plaisant jardin d'Amour Iuste & honneste’ - ‘Lust-hof’

Het onderwerp, dat in deze ‘Lust-hof’ aan bod komt, behelst niet alleen poëzie ter ere van Olympia, maar tevens epithalamea en ander soortgelijk werk. Een uniforme behandeling van de verhouding dichter-geliefde wordt bemoeilijkt door de herkomst van deze gedichten. Sommige stukken stammen uit de jeugdpoëzie van Het Bosken (peeters 2), andere daarentegen zijn ontstaan na Van der Noots terugkeer uit de ballingschap (vergano 94). Voegt men daarbij nog de aanzienlijke invloed van Ronsard in de uiteindelijke verwoording, dan kan het soms hybridisch uitzicht van deze verzameling ons niet langer verwonderen.

[p. 31]

De dichter smeekt het mededogen van Apollo af, omdat hij niet zingt ‘van pracht der grootscher Heeren fier’ (helmans 232), maar wel van Cupido, die toch ook ‘de Goden ouerwindt’ (id. 235), wat de zonnegod trouwens dank zij zijn ervaring met Cassandra (id. 10) genoegzaam bekend moet zijn. De dichter beschikt daarbij over machtige hulp, want is het niet Venus zelf ‘suet van persoone’ (vrouwen 9), die ons van ‘wt den derden troone’ (id. 8) het gehele zwakke geslacht toezendt? Tweemaal voert Van der Noot een triumphus amoris ten tonele (vrouwen 350, georges 47), doch deze stoet, met Venus op haar ‘Coets-waghen’ (georges 50), getrokken door duiven en zwanen, in het gezelschap der Gratiën, vormt slechts een pompeuze achtergrond, waarvoor het stralende beeld der geliefde Olympia geprojecteerd wordt.

Herhaaldelijk beklemtoont de dichter dat hem niet een plotse verliefdheid bezielt, maar dat de geliefden voor elkaar gepredestineerd zijn, en dit reeds vóór hun geboorte21 (angoni 244, vergano 147, re 110, noot 271). Op dat laatste tijdstip is zij rijkelijk begiftigd door Venus met haar Gratiën, door ‘Nature’, Minerva en de muzen (deybarra 169 e.v., damant 198 e.v.), zodat het resultaat niet minder dan ‘D'oprecht veurbeeldt...van de schoonste dinghen’ (vrouwen 44, 43) zijn kan. In lengte van verzen en met de hulp van Ronsard tracht de dichter Olympia's schoonheid te ontleden. Vanaf het haar ‘als gebruyneerdt goudt’ (georges 498, vrouwen 65), tot de ‘voetkens cleyn’ (vrouwen 261), al over een voorhoofd ‘Van iuoir’ (id. 81), ogen als sterren (vrouwen 119, georges 500, re 83, ghysens 128), wangen ‘wit en roodt’ (vrouwen 209, sueiro 11, georges 496-497, re 84), beneden de hals ‘Twee bollekens verheuen’ (vrouwen 252) met onvermijdelijk ‘T'wee criexkens’ (id. 254) erop, en ten slotte dijen ‘Als pilaren’ (id. 273), herkennen wij het jargon waaraan elke renaissancist tribuut betaalt bij het bezingen van zijn geliefde. De vrouwelijke Olympus schiet er zijn homerische epitheta bij in, want Olympia is blankarmig als Hera, roosvingerig als Eos, en bezit voetjes als Thetis (id. 257-262). Zij gaat het kunstenaarsvermogen van Pygmalion en Apelles te boven (id. 239, 256), en dan rept de dichter nog niet over de uitingen van zijn geliefde. Haar mond schijnt ‘Vol suykers...dau...[en] muscus’ (id. 160-161, georges 133-135), haar zang evenaart de lier van Apollo (vrouwen 183-189) of het gezang van de nachtegaal (georges 101-108). Kortom, haar uiterlijke verschijning is als Vesper aan de avondhemel (vrouwen 20), of als de zon ‘alst claer daeghdt’ (id. 31, georges 506). En nochtans is dit ‘Koninghlijc Casteel’ (vrouwen 274) slechts het stoffelijk omhulsel, waarin God een schat aan deugden heeft gedeponeerd, voornamelijk ‘Een vreedsaem eerbaer hert/een ootmoedighe Siele/Eenen Zedighen gheest/en de vreese des Heeren’ (daems 350-351). Vooral haar eenvoud, als van een viooltje tussen de doornen (daems 61 e.v.), zeer in tegenstelling tot ‘ces glorieuses Vaines sottes’ (re 24-25), dwingt de dichter tot uitvoerige loftuitingen (id. 3-62). Het samengaan van al deze deugden brengt evenwel onaangename consequenties mee voor de smachtende minnaar: ‘Rien que la Vertu belle Ne te plaist nuit & jour...Faisant languir de doeuil Ceulx qui voient ton oeil’ (deybarra 182-183, 186-187). Nochtans werd zij ‘bleeck...en weer root...Op den dagh als ick heur ghunstighlijc boedt my[n] trouwe’ (vergano 30, 32). Zijn liefde is gefundeerd op de deugd (re 158) en vermeerdert deze nog in hem (sueiro 59, scholiers 127, re 70, 162); het is dus wel degelijk Ἀντέρως die hem bezielt, ‘de liefde die tot der deucht trect’ (Smit-Vermeer, 119), reeds bezongen in Het Bosken. En toch schampen zijn zo eerbare schichten af op het pantser van haar ‘rigueur de...chasteté’ (dennetieres

[p. 32]

111), zij ‘blijft euen stuer’ (georges 152), doet haar dienaar (sueiro 50, re 135) klagen: ‘Jck meyn te steruen Als ick moet deruen Lief/de conseruen Ws aensichts soet’ (peeters 268-271), doet hem ‘viure en martyre’ (damant 217) en ten slotte ‘vergaen Deur...eerbaerheyt fier’ (sueiro 46-47). Nacht noch dag vindt hij rust (balbi 175, noot 269, bentinc 99) doordat Erato hem voortdurend Olympia's beeld voor ogen tovert. Daardoor kan hij enkel nog stamelen: ‘GHij sijt schoon Lief mijn vreughdt/en mijns herten behagen/Der Deughden borcht en slot/en der Goden casteel/Ghy syt der Eeren hof/en der vreughden prieel/Ghy syt mijns herten troost en hope/t allen daghen’ (bentinc 92-95). Zelfs tot Arcimboldeske verzen op basis van de Hypnerotomachie neemt hij ooit zijn toevlucht: ‘O Manna! Hemels-broodt/o myn sute Succade...’ (carro 67 e.v.) Zulke liefde verdient ooit beloond te worden: ‘Wilt my ooc paeyen...Medt kuskens soet’ (peeters 356, 359), aan welke kusjes nog twee epigrammen (carro 81, 86) en een sonnet (bentinc 135) gewijd zijn. Mocht Olympia hem toch ooit omhelzen zoals ‘d'Leyloof’ (angoni 153, ghysens 138) ‘den Abeelboom’ (angoni 156) of ‘den Popelier’ (ghysens 137) omstrengelt! Een middel tot het bereiken van zulk doel vormen precies zijn verzen: ‘j'aspire De vous tirer a moy, par mes beaux vers’ (re 163-164); zij worden trouwens als ex-voto voor haar beeld opgehangen (vergano 142-144), terwijl hun kwaliteit Olympia's naam overal bekend maakt (peeters 372 e.v.), ‘Soo dat Seine/Scheldt/Maes'/en Ryn/Singhen medt my t'allen termijn. Vwen lof/op mijn spel’ (vrouwen 39-41).

Wat kan de dichter haar verder aanbieden in ruil voor haar ja-woord? Wil zij zich voegen ‘na Hymeneums wetten’ (ghysens 149) en hem ‘Veur Man/en Lief aen-veerden’ (noot 298), dan belooft hij haar reeds in ‘dit ellendigh dal’ (vrouwen 399) ‘D'Olympiadis leuen’ (id. 395), ‘saincte & heureuse vie’ (dennetieres 120), waarna hun een ware apotheose wacht ‘in Helizeums dal’ (vergano 21): daar zullen de geliefden in het gezelschap der ‘God'lyke Poëten...Medt heur schoonste vrindinnen’ (angoni 225, 229) ‘stede Hebben’ (id. 236-237) om er ‘Te leuen eewighlijc’ (vrouwen 411), terwijl Kosmica verbannen wordt ‘Na Radamantoms eynden’ (id. 390).

In de zes epithalamea komen dezelfde ingrediënten herhaaldelijk ter sprake. Na een aanroeping van Erato (catanio 11, crabbe 4) wordt gewezen op de onontbeerlijke aanwezigheid der zegenrijke godheden Juno - zij vóór allen als Juno Pronuba, de beschermster van het huwelijk - Venus, gegord met de activerende coëston, de Gratiën en Hymen (catanio 63-65, sweerdts 204, crabbe 18-21, gallo 23-24). Ter stoffering van deze gelegenheidspoëzie dient meer dan eens de stijlfiguur der distinctio22 (sweerdts 204, sueiro 114, 117, crabbe 10), terwijl de dichter ter verdere opluistering de aanwezigheid van vrienden en verwanten op het heuglijke feest memoreert (catanio 47-54, sweerdts 17, crabbe 23, gallo 37). Aansluitend bij de huwelijksliturgie wordt de bruid vergeleken met een vruchtbare wijngaard (sweerdts 21, sueiro 113, gallo 30), waarna de huwenden toegewenst wordt ‘vreedsamigh...Eerlijck en rykelijck’ (crabbe 25-26, sweerdts 20) te leven tot zij zullen opgenomen worden onder de hemelingen (sweerdts 24), terwijl zij hier voortleven door hun nageslacht (id. 21, sueiro 116, crabbe 27, gallo 35) en in de onsterfelijke verzen van de dichter (catanio 21, 69, sueiro 119, gallo 36).

Een zelfde aantal gedichten is gewijd aan de lof van het huwelijk zonder dat een individuele echtverbintenis gevierd wordt. De dichter verzoekt Venus aan elke man de

[p. 33]

vrouw te geven die hem past (georges 354-359), ‘Stille by stil...Stuer by de sture’ (id. 375, 377). De goede huwelijken zijn niet gebaseerd op het geld, maar ‘vastelijck ghegrondt...op Deughdt en Eere’ (b. de smidt 6). Vooral ‘d'Eendracht/en vaste trouwe’ (scholier 298, daems 283) laten man en vrouw ‘Eendrachtighlijck ghesindt’ (scholier 307) ‘Leuen vreedsamighlijck’ (id. 308). Dan mag de echtgenoot de wijze vrouwen prijzen ‘Di de Deughdt volgen naer/En de Kosmicas schouwen’ (j. de smidt 216-217). Zulke vrouw ‘diendt tot verblijden/Tot ciraet/vreughdt/en ra[e]dt/ en tot troost t'allen syden’ (b. de smidt 12-13) en mag ten slotte geprezen worden als ‘mijn weerdtste Keyserinne...Mijn weeldigh Paradijs/Lust-hof/Lief/en Vrindinne’ (sweerdts 285, 287).

Het kan de lezer niet ontgaan dat de voorstelling der geliefde weinig uitmunt door oorspronkelijkheid. Ronsard, Patrarca23 en de Hypnerotomachie hebben de componenten geleverd van het conventionele tafereel van de smachtende minnaar, geknield voor de hardvochtige geliefde, die hem toch voorbestemd is. Slechts hoogst uitzonderlijk (peeters 2, vergano 94, 221) mogen wij de weerslag van een werkelijk beleefde en doorvoelde ervaring in deze gedichten terugvinden. In de hele PW vindt men geen enkel afscheidsgedicht aan het adres van Olympia bij Van der Noots vertrek uit Antwerpen.

Ook het merendeel der epithalamea legt getuigenis af van de gevoelsarmoede van hun maker, die zijn toevlucht neemt tot stoplappen en onbeholpen kunst- en vliegwerk (crabbe 10, sweerdts 17, 204) voor een genre dat bij zijn gewoon bourgeoisie-publiek nu eenmaal zeer in trek was24.

E. ‘le magnifique Pallais d'eternelle Renommeé’ - ‘t'schoon Palleys der Eeren’

Met de lezers der PW bereiken wij thans het einddoel van de wandeling doorheen de poëtische aanplantingen van onze dichter. Wij verlaten daarbij de vrije natuur en belanden op de drempel van een pompeus bouwsel: ‘t'schoon Palleys der Eeren,...le magnifique Pallais d'eternelle Renommeé’25 (titelvel 1589-1590 336, 96). De terminologie voor deze verzamelplaats der lofwaardigen is in hoofdzaak ontleend aan Ronsard26, maar het eerbetoon waarmee de gevierde ontvangen wordt, is door de Brabantse dichter in de loop der jaren verder uitgesponnen. Aanvankelijk voert men zijn naam in de tempel van de lof (goossenius 555), ‘Au temple de Memoire’ (stevart 55), nadien treedt hij in eigen persoon binnen ‘in de borght der Eeren’ (roy 108, moneglia 310, tassis 181), soms zelfs onder begeleiding van dichterlijk trompetgeschal (grammey 204, damant 243). Tot groter duurzaamheid wordt de gevierde naam in een wand gegraveerd (perrenot 199, chefs 268, deybarra 150, moneglia 11, helmans 200, etten 158) en in 1594 heeft aartshertog Ernst aldaar recht op ‘vn eternel trophée’ (inkoomste 49).

De onvergankelijkheid van deze dichterlijke lofzangen contrasteert fel met het lot van aardse verwezenlijkingen. Het vanitas-motief wordt hernomen27: ‘De Tijdt verwindt het al’ (goossenius 116), met name ‘Der grooter grootsigheydt en statighlijc bedryf’

[p. 34]

(moneglia 21), zoals dit zich heeft gemanifesteerd in ‘casteelen...Pyramiden’ (peeters 78, 79), ‘Colomnen...oblisken’ (goossenius 120, 122). Het streven van de enkeling is evenmin een blijvend lot beschoren: ‘tout ce qu'on faict au monde Soit du beau, soit du grand, s'en va cacher soubs l'onde’ (sterckheyt 211-212. ghysens 170). Het ons reeds bekende resultaat van wellust, eerzucht en geldgierigheid wordt nog herhaaldelijk gememoreerd (daems 4 e.v., euterpe 13 e.v., ghysens 171-172, etten 25 e.v., langhart 12 e.v.). Ja, zelfs het goede op deze wereld vergaat: ‘ALle vrindtschap en deughdt diemen doedt ander menschen Smelten saen sonder lof/als bloemen die verslen[s]chen’ (crabbe 112-113). ‘Alleen' de Musen schoone’ verwerven voor de mensen ‘Den Tijdt te spijt'...Eewighen lof’ (goossenius 125, 128, 129). Voor de eeuwigheidswaarde van zijn verzen toont de dichter zich polyglot: ‘Atque tuas nostro referemus carmine laudes, Fama tua vt nullo sit peritura die’ (goossenius 45-46) en ‘de leurs amis & le los, & le nom...viuent en leurs [der dichters] vers d'vn eternel renom’ (deybarra 147-148). Verzen schenken immers een eeuwig leven (sueiro 215, carro 117), onsterfelijke lof (gallo 451, carro 118, peeters 155), altijddurende eer (feytens 97) en eeuwige vreugde (balbi 74). Zulk pand der onsterfelijkheid kunnen enkel zij verkrijgen ‘die deel/geesten eer'bewijsen’ (daems 12, crabbe 116-117) als ‘Amis des vertueux’ (moneglia 312). Deze vriendschap, ontstaan ‘de quelque semblance Et vnion d'esprit’ (goossenius 356-357), vindt een passende beleving in het mecenaat, de ‘deughdt die men doedt gunstighlijk/den Poëten’ (crabbe 114). Zulk ‘recht vrindt...Der Godlijcker reyn kunst deser Poeteryen’ (wonsel 5, 6, 16-17) heet terecht ‘Der vromer troost’ (carro 101), ‘Want hy draeghdt ionste groot Tot uwen Vander Noot’ (etten 77-78).

Wie krijgt nu, na deze preliminaire voorzorgsmaatregelen, toegang tot ‘t'schoon Palleys der Eeren’? Allereerst, gezien de tijdsomstandigheden, een flink contingent militairen, aanvankelijk van Staatse zijde, na 1585 uit het Spaanse kamp gerecruteerd. Tot de eerste groep behoren Charles de Croy (croy 1), Filips van Egmont (id. 113) en William Stewart (stevart 1), hoewel geen enkele precieze militaire prestatie van dit drietal door Van der Noot herdacht wordt. Dan levert de krijgskunst van Farnese - ‘Parme c'est autre Mars’ (tassis 62) - toch meer stof voor heroïsche poëzie (catanio 81, tassis 16)! Spaanse bevelhebbers ontvangen felicitaties, daar zij hun geboortegrond verlaten hebben ‘Om te bestryden cloec/den Vyandt/vol bedroch’ (leiua 25, deybarra 68) en de vice-admiraal wordt gelijkgesteld met ‘Le Tipis de Iason’ (mechelman 129), maar voor het overige krioelen deze verzen van stereotiepe wendingen: Van der Noot bezingt steeds - doorgaans zonder precisering - ‘Les valereux faicts d'armes’ (catanio 88, fuentes 128, tassis 169, bentinc 50) van krijgslieden, allen ‘tant vaillant, hardi & courageux’ (fuentes 194, bentinc 48, 126), maar tevens ‘Tant sage & tant prudent, humain & gratieux’ (fuentes 195, tassis 159, bentinc 21). De welkomstgroet voor aartshertog Ernst stemt zelfs woordelijk overeen met de begroeting van Farnese na de val van Antwerpen (farneze 104, 7). Nooit vergeten wordt na 1585 een eresaluut aan koning Filips. ‘Ons Cooningh/groot en goedt’ (opmeer 30), ‘Le grand Ducq de Brabant’ (moneglia 236). Enkele juristen verdienen vermelding om hun plichtsbetrachting (damant 103, opmeer 19, 238), evenals enige medici om hun kunde (goossenius 482, helmans 137). Naast een ambassadeur (castro 4) en een humanistisch gevormd thesaurier (pruenen 5) ontmoeten wij de model-groothandelaar (hofmans 9), echter ook een orgelvirtuoos (maes 48), en een parfumbereider (craenmeester 22).

Aanzienlijke afstamming kan eveneens toegang verlenen tot ‘t'schoon Palleys’ van de Antwerpse patricius. Stamt hijzelf trouwens niet ‘Van een eel gheslacht vry...Die in

[p. 35]

alder maniren In de Brabantsche pleynen Heerlijck hebben gheboudt’ (goossenius 277, 298-300)? Dit zelfde argument geldt natuurlijk evenzeer voor familieleden (grammay 62). Goede bekenden mogen rekenen op een opsomming van hun voorgeslacht (castro 123, craenmeester 38, 107) en eens op een pseudo-heraldische toelichting (roy 80). Indien mogelijk, wordt nadrukkelijk gewezen op een inspirerende vaderfiguur (croy 124, amodeo 55, helmans 140, crabbe 352, sterckheyt 169), en tegenover minder vertrouwde edelen kan hij zich steeds beroepen ‘de vostre bon Lignage’ (castro 88), ‘yssus d'vn noble stronc ancien’ (balbi 9), eenmaal ‘Van Coninghlijcken stamme groot’ (damant 154). Vereeuwiging geschiedt eenmaal langs een chronogram om (feytens 4), en slechts driemaal door een epitaaf (perrenot 255, b. de smidt 162, angoni 391). Hierin predikt de dichter onderworpenheid aan Gods raadsbesluiten (b. de smidt 178, angoni 401), prijst hij de huidige hemelse gelukzaligheid van de overledene (perrenot 332, b. de smidt 166, angoni 406) en verzekert hem ‘deur Fama’ (b. de smidt 174) de onsterfelijkheid, om ‘d'werck dat ic/veur hem nu heb beschreuen’ (b. de smidt 173, angoni 423, perrenot 328).

Tot nu toe zijn al deze voorbijdefilerende personages voor Van der Noot individuen geweest, voor wie hij een persoonlijke aanleiding tot het schenken van verzen paraat heeft. Wat te doen echter, wanneer zijn verzen bedoeld zijn als eerste kennismaking of als louter gelegenheidswerk? Dan bezint de dichter zich, dat de lezer slechts toegang krijgt tot zijn werk via ‘de Poort der Deught’ (pruenen 118, titelvel 1589-1590 98, 313, 334-335), wat leidt tot het beklemtonen van het belang der deugd als verworvenheid van het individu door neiging en training28 en als dusdanig onmisbaar voor vereeuwiging29.

Het eigen karakter van de deugd beantwoordt nog steeds aan de Aristotelische begripsbepaling: ‘Het is de deugd, die de mens zelf goed maakt en zijn werken op het goede richt’30.

Deze opvatting laat de dichter toe om de deugd voor te stellen als ‘une Déesse...Dicte Arete, ou bien alme Vertu’ (discovrs 41, 43), naar wier moeilijk toegankelijke woonstede ‘Dans vn palais sus vn rocher pointu’ (id. 42) hij in de PW pelgrimeert zoals in CB, 324 e.v., en dit in navolging van Ronsard. Talloze malen bezweert de dichter zijn lezers zich ‘ter Deught [te]keeren’ (roy 24, helmans 135), te ‘begheuen’ (scholiers 122, roy 115, stuytelinck 4, damant 169, etten 312), zelfs te spoeden (damant 179), om haar te zoeken (t'shertogen 12, j. de smidt 76, orco 237, euterpe 42), te volgen (j. de smidt 6, 126, 216, pardo 31, ghysens 53, damant 51, langhart 179) en zich ‘ter Deughdt [te] veughen’ (sueiro 258). ‘Arete de Deughdt’ (weerdt 1590 150, damant 260) is deze belangstelling overwaard als ‘moeder...der kunsten/en der Deughden En oock der Edelheydt’ (roy 106-107) evenals van ‘Leeringhe...Nut/en...Vreughdt’ (titelvel 1589-1590 333). Zij wordt in één adem genoemd met de eer (scholiers 119, scholier 228, ghysens 48, 57, carro 100, sueiro 60, peeters 28), geleerdheid (scholiers 7, bentinc 172, damant 45), rede (opmeer 314, leiua 271), waarheid (opmeer 314) en vrede (carro 219), en zij vertoeft daarbij in Gods bestendige aanwezigheid (scholiers 119, leiua 268, angoni 323, ghysens 33, damant 45, b. de smidt 248, etten 312). Haar loon bestaat uit ‘onsterffelijck' eere’ (ghysens 160, langhart

[p. 36]

4), die zij schenkt aan hen, die mogen binnentreden ‘Deur de poorte heurs hofs...in de borght der Eeren’ (roy 108), tot wanhoop van de tegenstanders der deugd, ‘d'weereldts volck’ (crabbe 221), en ‘dinaers van t'quaedt’ (roelandts 94), meer bepaald de bekende trias der eergierigen, ‘di t'Vleesch suken meest...[en]Gheldt-ghirighe verblindt’ (etten 25, 32), naast ‘d'ondancbaere coudt’ (grammey 215), maar bovenal ‘Calomniateurs’ (titelvel 1593-1594 169) en ‘zoyelist[en]’ (voorwerk 1580-1581 66) onder begeleiding van Ate en Belzebub (titelvel 1593-1594 179).

In elk individu kan de deugd, als persoonlijke verworvenheid, optreden samen met verstand (leiua 18, georges 512, daems 71, crabbe 118, gallo 449, damant 66, peeters 151), ‘schoonheyt/en goey maniren’ (vergano 107, daems 70, bentinc 101, scholiers 59), ‘eerbaer zedigh wesen’ (daems 71, sueiro 227, peeters 151, scholiers 65), wijsheid (carro 298, bentinc 97) en trouw (carro 298, angoni 139).

Voor de verdere splitsing van de deugd naargelang van de verschillende levensgebieden die zij beheerst, eerbiedigt de dichter de reeds antieke31 onderverdeling in vier hoofd- of kardinale deugden: prudentia, ‘Veursichtigheyt’ (sterckheyt 76, halmale 8, j. de smidt 12, b. de smidt 232, vrouwen 288), justitia, ‘Rechtueerdigheyt’ (sterckheyt 76, halmale 13, j. de smidt 21), temperantia ‘Gematigheyt’ (sterckheyt 74, halmale 11, j. de smidt 22, vrouwen 290) en fortitudo, ‘Sterckheyt’ (sterckheyt 57, halmale 10, j. de smidt 20, vrouwen 289). Hun voortreffelijkheid en samenhorigheid heeft Van der Noot evenmin uit het oog verloren; sinds 1590 paraderen zij, voorzien van hun attributen, op de houtsnede van het slotvel in het gezelschap van Arete, Apollo en de muzen; ‘Veursichtigheyt’ en ‘Sterckheyt’ zijn later nog apart bezongen (resp. halmale 8 en sterckheyt 57). De overige deugden scharen zich als satellieten om dit, viertal, volgens een schema zoals wij dit ook bij Patricius terugvinden32: ‘Huic enim virtuti[prudentiae]inest ratio, intellectus, circunspectio, prouidentia, docilitas & cautio...’33. Hiervan ontmoeten wij enkel prouidentia als ‘DE veursightigheyt Godts’ (liefvelt 215), naast cautio, die in de huidige onzekere tijdsomstandigheden met genoegen gevonden wordt in ieder welbedacht iemand (arnesto 7, roy 139, langhart 93, roelandts 71). ‘A iustitia manat innocentia, amicitia, concordia, pietas, gratitudo, humanitas, facilitas’34. Innocentia, ‘oprecht ghemoedt’ (pardo 5), facilitas, ‘Sutigheydt’ (vrouwen 292), gratitudo, ‘mildigheydt’ (bejar 98, sueiro 2, vrouwen 294) zijn spaarzaam gememoreerd; meer vermelding valt de pietas te beurt door de adjectieven ‘Godt-vruchtigh’ (arnesto 8), ‘eerlyck’ (roy 26, ghysens 116) en ‘vroom’ (sueiro 2, ghysens 116, langhart 93, roy 26), maar de volle nadruk valt op de humanitas, ‘Beleefdtheyt’35, die niet alleen herhaaldelijk vermeld wordt (grammay 25, craenmeester 124, roelandts 71, roy 2, arnesto 16, carro 200, vrouwen 295) maar daarbij tweemaal gespecifieerd wordt in haar drievoudige werking (grammay 25, carro 200).

‘Temperantiam sequitur modestia, verecundia, abstinentia, castitas, honestas, parcitas, sobrietas...’36. Slechts modestia, ‘ootmoedigheydt’ (b. de smidt 232, noot 275) of

[p. 37]

Saechtmoedigheydt’ (j. de smidt 14), honestas, ‘eerbaerheydt’ (b. de smidt 231, daems 350) en castitas, ‘sebaerheydt’ (b. de smidt 233), ‘zedigheydt’ (vrouwen 293, noot 276) of ‘Reynigheydt’ (j. de smidt 20) worden onderscheiden.

‘Praestat enim fortitudo magnanimitatem, fiduciam, securitatem, magnificentiam, constantiam, tolerantiam, firmitatem...’37. Tot de securitas, ‘vredsaem leuen’ (j. de smidt 13) mag ook, als oorzaak hiervan, de ‘vreese des Heeren’ (roy 172, daems 351, j. de smidt 17) geteld worden; ‘statigh’ (arnesto 7) kan een uiting van magnificentia voorstellen, parallel met ‘cloec-moedigh’ (id. 9) voor firmitas. Constantia, met wie de dichter op vertrouwelijke voet staat gezien zijn levensloop, heet afwisselend ‘cloecheydt’ (b. de smidt 232, scholier 6) en ‘Ghestadigheydt’ (vrouwen 287).

De interactie en het verband tussen de kardinale deugden, waarop herhaaldelijk gewezen wordt (sterckheyt 75-76, halmale 9, j. de smidt 20-21, vrouwen 282, 288-290), staat ook bij de Italiaan: ‘Hae quatuor inter se sorores mutuis nexibus colligatae (vt de Gratiis poëtae fabulantur) nunquam separantur, vna enim sine aliis perfecta esse non potest, sed mancia omnino & inchoata esse videtur. [in margine] Virtutum cardinalium non citius vnam quam simul omnes assequarius’38. Daarentegen worden de goddelijke deugden geloof (roy 172) en liefde (roy 172, bejar 98), die elders dikwijls aan de kardinale deugden toegevoegd zijn, door Van der Noot slechts zelden vermeld.

Uit het voorgaande moge blijken dat het herhaalde appelleren van de dichter aan de echte of vermeende deugden van zijn publiek geen stoplap is, zoals de verveelde moderne lezer licht denken kan. Integendeel, Van der Noot heeft de sinds lang gevestigde indeling van kardinale en ondergeschikte deugden uiteraard gekend, hun hiërarchie geëerbiedigd en hun aanwezigheid onontbeerlijk geacht bij wie toegang verlangt tot ‘t'schoon Palleys der Eeren’.

§ 3. Lofdichten

In zijn apologie meent Ackermans toch te moeten wijzen op het feit ‘datter veel vande beste gheesten syn vvt alderhande Nacien, die hem [=Van der Noot] heerlijc, ende hoogelijc hoe vvel niet te vollen, aensiende de sunderlinghe schoone gratien, deugden, ende kunsten, daer hem de Hemelen soo rijckelijck mede verçiert hebben, louen ende prysen’ (apologie 271-275). Enkele jaren later laat Van der Noot door dezelfde Doctor Agricola nog eens vaststellen: ‘...plusieurs des meillieurs & doctes de diuerses nations, ont donnéz doctement en diuers languages, leurs attestations de ses vertus rares, & graces excellentes: desquelles recommendations auons icy aucunes adioustées, venants à propos’ (titelvel 1589-1590 113-118). De begrijpelijke renaissancistische pronkzucht der liminaria ontaardt bij de oudere Van der Noot tot een noodzaak, en dit om welbegrepen redenen. Een kloeke foliant, produkt van een autoriteit op wetenschappelijk gebied, spendeert slechts enkele bladzijden om aan deze mode te voldoen, in de rustige zekerheid dat de degelijke inhoud het beste reclamemiddel is. Ook het CB/Abr heeft slechts zeven bladzijden liminaria. Bij de latere PW ligt de zaak heel anders: het gebruik van te bundelen planobladen voor de verspreiding van een aristocratisch be-

[p. 38]

doelde literatuur39 is volkomen nieuw. En men begrijpt best dat het wantrouwend publiek - een aanzienlijk deel van de verhoopte kopers drijft groothandel - enige waarborg wenst voor de fiducie van deze ephemera. Van der Noot is graag bereid, en zelfs in staat, hun deze zekerheid te verschaffen onder de vorm van aanprijzingen, die dan ook zelden op enig blad der PW ontbreken: een dichter, die door zoveel tongen in zoveel talen bezongen wordt, kan toch geen zwendelaar zijn?

Naast deze ideële, ja apologetische bestaansreden, verliest de dichter een meer stoffelijk aspect van deze loftuitingen niet uit het oog: om niet door de actualiteit achterhaald te worden40 moet de dichter soms binnen een zéér kleine tijdsspanne zijn tekst persklaar hebben gemaakt. Wat te doen in zulk geval, wanneer de inspiratie weerbarstig blijft, of zo er geen folio-vullend dichtstuk voorhanden is? Geen nood, want in dit geval vormen de pasklare lofgedichten een ideale bladvulling: zulk vreemd vers verhoogt niet alleen het prestige van de erin gevierde Van der Noot, maar fungeert tevens als waardige afsluiting. Sommige lofdichten ontmoeten wij meer dan eens, doch hun frequentie spruit niet altijd voort uit de poëtische kracht van zulke bijdragen, maar wel uit de harde noodzaak, een vel, hoe dan ook, te vullen41.

Dit functioneel procédé heeft Van der Noot verleid tot - althans in onze visie - minder oorbare praktijken. Reeds ‘Nicolaes Peeters van homerdonck’ (Smit-Hellinga, 32) dicht wat àl te vloeiende verzen, beheerst wat àl te gemakkelijk het poëtisch jargon van Van der Noot, indien hij blijkens archivalia een Waals koperwerker of Kempens brouwer zou zijn (Smit-Hellinga, XIII). C. Kruyskamp vermoedt dan ook - m.i. terecht - dat deze verzen uit Van der Noots eigen pen kunnen stammen42. Wel is onze auteur heel handig te werk gegaan: van de twee lofdichten in het Epitalameon is de ode van Walraven van Vlierdonck (Smit-Hellinga, 24) inderdaad niet van de Antwerpse jonker afkomstig - daarvoor zijn de twee slotverzen te stuntelig - dit in tegenstelling tot de verzen van ‘Nicolaes Peeters’, die hun kundige factuur niet kunnen loochenen. Ook prof. Zaalberg heeft voor twee lofdichten in Das Buch Extasis, respectievelijk toegeschreven aan ‘Pauwels de Schone’ en ‘Aelbrecht van den Velde’ - door hem betekenisvol ‘onbekende grootheden’ (DBE, 214) genoemd - de mogelijkheid opengelaten dat ze van Jan van der Noot zelf stammen (DBE, 215). In het geval van ‘Pauwels de Schone’ is dit vermoeden in de PW zekerheid geworden: zijn lofdicht duikt jaren later weer op, in de vorm van een dialoog, als ‘Prologhe oft Veurredene’ (titelvel 1593-1594 109) zonder enige toeschrijving aan vreemde hand.

Dergelijke apokriefe figuren mogen wij dan ook a fortiori in de PW verwachten, gezien de onmisbaarheid van lof- en eerrijmen hierin, meer nog dan in de vroegere werken. En inderdaad ‘Thomas Gheuardt’ (helmans 82), licentiaat in de theologie, en ‘Philippe de Rinsard Licentié es Droicts’ (euterpe 297) zijn hoegenaamd niet de auteur van de verzen die onder hun naam circuleren; in werkelijkheid zijn deze lofdichten vervaardigd respectievelijk door Guillaume des Autels voor Pontus de Tyard en door Balthasar Chavasse voor Jacques Mondot43. Een persoon, die eveneens in aanmerking

[p. 39]

komt voor verwijzing naar het schimmenrijk is ene ‘Baptista de Rotonde’ (titelvel 1593-1594 105), auteur van welgeteld zes disticha (titelvel 1593-1594 107, 226, vveerdt 1593 53-56, 102-105), die telkens als inleiding op andere gedichten fungeren. Over hem zijn geen biografische gegevens aan het licht gekomen, evenmin als over ‘VValrauen van Schoenueldt’ (crabbe 166). Deze laatste, van wiens poëtische activiteit slechts één sonnet getuigt, plaatst net dezelfde accenten als zijn idool bij het beoordelen der rijmelaars (id. 169-172, vgl. apologie 352, liefvelt 58); ook de manier waarop hij de eeuwigheidswaarde der poëzie verwoordt, klinkt zeer vertrouwd. Gezien Van der Noots antecedenten tellen wij ‘VValrauen van Schoenueldt’ dan ook tot zijn alibi's. Dat Van der Noots handelwijze in dezen niet uniek is in het zestiende-eeuwse literaire bedrijf, bewijst de proloog van Cervantes in zijn Don Quichot44.

Het polyglotte karakter der PW blijft gehandhaafd in de lof- en eerrijmen: Grieks, Latijn, Nederlands, Frans, Italiaans, Spaans en Duits garanderen een zo wijd mogelijke spreiding over het Westeuropese vasteland. Elk van deze talen is natuurlijk niet even overvloedig vertegenwoordigd: zo zijn alle Griekse en ook de Spaanse bijdragen telkens het werk van één man, respectievelijk Winandus Catharinus. Palaeopolitanus (dennetieres 79, goossenius 60) en Luiz Franco (goossenius 82, titelvel 1588 90). Als enig aandeel van het Duitse taalgebied blijft onveranderlijk sinds Das Buch Extasis de ode van Godfrid Upherten fungeren. Het leeuwenaandeel der - meestal Antwerpse - bewonderaars geeft trouwens ook de voorkeur aan het tijdeloze Latijn om Brabants dichter te bezingen. De man, bij wie ons dit renaissancistisch trekje wel het meest verwondert, is niemand anders dan Van der Noots apologeet. Ackermans, die blijkens zijn apologie een kleurrijk Nederlands weet te hanteren (apologie 70, 134), ontpopt zich in zijn eerrijmen tot Doctor Henricus Agricola: alle zijn ze in het Latijn opgesteld (titelvel 1584-1585 19, 72, apologie 317, sueiro 193, claerhout 150).

Ook de enige Parijse dichter met naam, van wie Jan van der Noot enkele verzen mag ontvangen, Jean Dorat, meldt zich aan als ‘Iohannes Avratvs, poeta regivs apud Gallos’ (goossenius 47-48) en laat daarop een Latijns epigram volgen, gedateerd ‘Lutetiis Parisiorum Idibus Iulij. An. 1578’ (id. 58). Merkwaardiger zijn de bijdragen van de jeugdige Franciscus Sweertius (helmans 206, stuytelinck 341), die een oprechte bewondering voor de ‘optime Vates’ (stuytelinck 351) schijnen te betuigen, en van Nicolaas de Meyere (dennetieres 53, vrouwen 412), bij wie de lectuur van CB/Abr sporen nagelaten heeft. Caspar Barlaeus Senior (maes 119), de jurist I. VValrans (langhart 67) en Willem Sweertius (titelvel 1592 12), broer van Franciscus, leggen eveneens getuigenis af van hun onverholen bewondering voor Van der Noots poëtische prestaties. De namen van Guilhelmus Ghevardus45 (noot 443) en Joannes Gigas Secundus (amodeo 99) hebben langer stand gehouden dan de faam van de auteurs, want deze di minores schijnen een prooi van de Lethe geworden te zijn. Van der Noot is er niet voor teruggeschrokken om, bij afwezigheid van de auteurs, op eigen initiatief wijzigingen in hun tekst aan te brengen46 of zelfs in één geval de bestemming ervan te veranderen: de kerkelijke goedkeuring voor CB/Abr, uitgereikt door Walter van der Steghen in 1579, duikt jaren later weer op, niet meer als approbatie, maar intentioneel opgenomen na een reeks lofdichten voor de PW, en dit tot tweemaal toe (helmans 97,

[p. 40]

titelvel 1593-1594 91). Soms heeft Van der Noot zijn zangers hun materiaal voorgeschoteld: de Griekse verzen van Palaeopolitanus (goossenius 60, titelvel 1588 12) worden door Jacob Roelandts Junior in het Latijn overgezet (goossenius 67, titelvel 1588 25) en het Latijnse epigram van Adriaan Damman (titelvel 1584-1585 9) in het Nederlands vertaald door een andere Gentse bekende van onze dichter, jonker Jacob van der Mast (goossenius 558). Van der Noots vertrouwde medestanders in poeticis, doctor Gerardus Goossenius en jonker Michael van der Haeghen, treden in zijn polyglotte voetstappen: hun Latijnse oden (goossenius 1, sterckheyt 140) hebben zij - op aandringen van de geëerde? - in een Nederlandse ode (goossenius 387) en dito sonnet (scholier 197) omgezet.

Deze bijdragen in de moedertaal confronteren ons al dadelijk met de vraag naar Van der Noots poëtische inwerking: indien zijn oproep tot een nieuwe, op Franse leest geschoeide poëzie en zijn eigen lichtend voorbeeld vrucht dragen wil, dan mag men dit toch wel vooreerst verwachten in verzen van bewonderaars te zijner ere. En inderdaad: waar Van der Noot in 1580 nog een typisch rederijkersprodukt als de twee strofen van Peter Custodis (Baltens) in zijn LvB geduld heeft47, komt niets dergelijks meer voor onder de lofdichten in de PW. Stuk voor stuk beantwoorden deze sonnetten, oden en epigrammen aan de nieuwe metrische vereisten, zoals die in de Apologie bepaald worden (apologie 27-38) voor ‘Heerlijcke, Ghemeyne, ende Lyricksche veerschen’ (id. 28). Alexandrijnen en ‘vers communs’ genieten de voorkeur; enkel Goossenius hanteert octosyllaben; de alternantie van mannelijke en vrouwelijke rijmen blijkt niet onbekend. De kwaliteit van deze verzen is weliswaar nooit adembenemend, maar toch kan men ze niet als schuchtere probeersels afwijzen. De conclusie dringt zich op dat de schrijvers ervan inderdaad nog meer gedichten in deze trant moeten gepleegd hebben48, vooraleer het louter technisch niveau te bereiken dat zij ter ere van de Antwerpse patriciër ten toon spreiden. Allen erkennen Van der Noot als Brabants voornaamste dichter, maar dit impliceert volstrekt nog niet dat zij uitsluitend bij hem in de leer gegaan zijn. Zo is er b.v. de tot nu toe onbekend gebleven Van der Mast, twee jaar ouder dan Van der Noot, en stammend uit de Gentse aristocratie. Hij is reeds vermeld als vertaler uit het Latijn (goossenius 558), blijkt de auteur te zijn van een Frans sonnet (farneze 52) en van Nederlandse epigrammen (halmale 237, gallo 518, noot 458), en kent de Italiaanse literatuur: aan hem dankt Van der Noot zijn enige notitie over Dante evenals het ‘Sonnetto a Dante’ van Gabriello Simeoni (catanio 180). Een andere Vlaamse bewonderaar, Jan (de) Maes, heeft blijkens zijn Franse verzen in de poëzie van Ronsard gegrasduind. Van hem weten wij enkel, zoals hij zelf meedeelt (stevart 60), dat hij in 1579 fungeert als secretaris van de Schotse kolonel William Stewart. In dat jaar schijnt hij op vertrouwelijker voet met Van der Noot geleefd te hebben dan het gros der bekenden, want hij is de enige die in een Nederlands en Frans epigram zinspelingen op de afstammingsmythe van onze dichter maken kan (voorwerk 1580-1581 138, 147). Deze Vlaming is verder nog de auteur van één Nederlands sonnet (crabbe 150) tegenover twee uitvoerige oden (stevart 59, 148) en twee49 sonnetten (dennetieres 122, sweerdts 334) in het Frans. Deze frequentie is wel te wijten aan het gemak

[p. 41]

waarmee de bewonderde voorbeelden zich in hun eigen taal laten imiteren. De rij van twee- of meertalige dichters wordt afgesloten door Thomas Anraet, die het in onze ogen prozaïsch ambt uitoefent van ontvanger der Staten van Brabant. Dit belet hem niet op 8 oktober 1592 een Frans sonnet naast de Nederlandse versie, eveneens in sonnetvorm, aan de ‘Prince des Poëtes Belgiens’ op te dragen, beide met afwisselend vrouwelijk en mannelijk rijm en onberispelijke cesuur (sweerdts 155, 173).

Naast deze humanistische polyglotte dichter-vrienden staat een groep die exclusief Nederlands schrijft. Doorgaans zijn het lieden met een lagere sociale status, van wie wij dan ook zelden enig spoor in de officiële bescheiden aantreffen. Meester Jan van den Perre, griffier in de Brabantse kanselarij, en de Brusselse graveur Adriaan de Weerdt, beiden auteur van een epigram (resp. crabbe 100 en vveerdt 1588 1) bezitten nog het meest profiel. Ook de handige Gabriël Roelandts, die Van der Noots onsterfelijkheidsbelofte slechts met even welklinkende munt betaalt (maes 84), hebben wij elders ontmoet. Maar meester Clement Vidtsendonck, auteur van een keurig sonnet ter ere van Van der Noots werkzaamheid (voorwerk 1580-1581 69), meester Pauwels Verbraken (stuytelinck 359), meester Jan Putmans (langhart 250), meester Peter Standart (orco 249), doctor Albrecht van den Velde (titelvel 1588 72), ons reeds bekend uit Das Buch Extasis, en Q.G.H. (gallo 426), die elk een epigram bijdragen, blijven ons nog steeds onbekend. Afgezien van de bijdragen van Vidtsendonck, Van den Velde en Standart, staan deze gedichten ook nooit op enige geprofileerde plaats in de PW, maar onveranderlijk dienen zij elders om een bladzijde vol te proppen. De bekoring is dan ook groot om zulke wazige figuren, als produkten van jonker Jans behulpzame fantasie, definitief naar het schimmenrijk te verbannen zoals de voorgaande reeks fictieve dichters, over wie op dit punt zekerheid bestaat.

Onder de Franstaligen merken wij vooreerst enkele oude bekenden uit Het Bosken: Guillaume De Poetou, ‘Poët Betunois’ (poetov 312) en Pierre d'Ennetières, ‘gentilhomme Tournisien’ (dennetieres 1). Hun bijdragen zijn met geringe wijzigingen uit de vroegere bundel overgenomen. Onder de Waalse ingezetenen te Antwerpen, die Van der Noot na zijn terugkeer uit de ballingschap heeft gefrequenteerd, wordt de eerste plaats bekleed door Etienne De Walcourt. Deze bekende grammaticus kent niet alleen het werk van zijn stadsgenoot, maar heeft daarbij belangstelling voor metrische problemen: aan hem is het enige gedicht opgedragen waarin Van der Noot experimenteert met een cesuur na de zesde syllabe in een decasyllabisch vers (maes 63). Uit de tekst ervan blijkt dat beiden deze ‘nieu manire goedt, van veerschen reyne’ (id. 76) vooraf bediscussieerd hebben. De Walcourt vertaalt het Nederlands sonnet van Vidtsendonck (voorwerk 1580-1581 87), verraadt in een tweede sonnet zijn belangstelling voor Van der Noots prestaties ‘Tant en Liriques sons, qu'en heroiques vers’ (titelvel 1588 48) en is de enige lofdichter, die in een epigram (perrenot 143) op de hoogte blijkt van de manier waarop Van der Noot zijn PW aan de man weet te brengen. Uit ditzelfde Franstalig milieu stammen ook de enige eerrijmen, die onze dichter van verwanten mag plukken: G. de Quarré stuurt een sonnet aan Van der Noot, ‘son bon ami et covsin’ (amodeo 109), die eveneens verzen ontvangt van Maximiliaan en Pieter van Hambroeck (orco 137, daems 486). Deze laatste - indien hij inderdaad zijn medewerking verleend heeft50 - maakt het zich wel gemakkelijk, want hij pleegt welgeteld vier verzen ter inleiding van een citaat uit Claude Turrin. Dezelfde kunstgreep past de verder onbe-

[p. 42]

kende François d'Herp toe, die een ode van Tahureau laat voorafgaan door een strofe van eigen maaksel (tassis 184). Even obscuur blijft Jacques Verduyn, die zich beperkt tot het citeren van Turrin, maar met aanpassing van de namen der wereldse schonen ‘Kosmica, ou Camille’ (daems 270). Meer belang bezitten de waarderende appreciaties uit Frankrijk zelf. De auteurs hiervan heeft Van der Noot leren kennen tijdens de laatste etappe van zijn terugkeer naar Antwerpen. Dit blijkt ten overvloede uit de dateringen: het reeds vermelde epigram van Dorat is ontstaan te Parijs in juli 1578 (goossenius 58), nadat Louis Poppard, ‘prievr de Sorde’, reeds een sonnet gedagtekend heeft ‘A. Prouuin le 10. de May. l'An 1578.’ (dennetieres 35, 52). Te Antwerpen zelf heeft onze dichter dan weer kennis gemaakt met Hugues Cabisset, ‘gentilhomme Prouensal’ (inkoomste 72), aan wie hij misschien zijn kennis van de Provençaalse dichtkunst dankt, die elders gedebiteerd wordt (etten 262). In 1564 wijdt Cabisset aan zijn standgenoot een sonnet en begeleidend epigram (dennetieres 163, 196), en in een sonnet, voor het eerst gepubliceerd in 1592, overheersen dezelfde superlatieven (farneze 68).

Naast de voertaal van de humanistische wereld en de twee landstalen van Brabant is er slechts een miniem plaatsje gereserveerd voor lofdichten in andere Europese idiomen. Voor Italiaanse bijdragen kan Van der Noot een beroep doen op de leden der Italiaanse naties te Antwerpen, en inderdaad, de Genuees Pietro Benedetti (orco 47) en een onbekende Nicolo Artusino (halmale 284) dragen verzen bij. Het citaat uit een hymne van Paolo Alberto (apologie 176) stamt reeds uit de Apod (OE, [30]). Uit Het Bosken wordt het Spaans sonnet van Franco overgenomen (goossenius 82), van wie wij een nieuw sonnet aantreffen in 1588 (titelvel 1588 90), terwijl de Duitse aanbreng nog steeds bestaat uit de eenzame ‘Knittelverse’ van Godfrid Upherten (dennetieres 140), ons reeds bekend sinds de Apod (OE, [31]).

Men kan zich tot slot van dit overzicht er terecht over verbazen dat Van der Noots verblijf in Engeland geen sporen schijnt te hebben nagelaten. Ook de noordelijke Nederlanden blijven opvallend zwijgzaam. In dit verband heeft prof. Forster gewezen op Van der Noots terugkeer tot het katholicisme als hinderpaal voor een mogelijke appreciatie door de Haarlemse groep rond Carel van Mander51. Ik meen dat men ook de omgekeerde reactie niet mag buiten beschouwing laten: de kerkelijke censuur kan mogelijk niet gedoogd hebben dat bijdragen van notoire ketters in de PW zouden worden opgenomen. Een analoog avontuur is Lipsius overkomen. Bij de samenstelling van de kopij voor de editie der Epistolae (1601) veroorlooft Balthasar Moretus zich op 11 december 1598 tegenover Lipsius de volgende bedenking te opperen:

Novum in Epistolis tolli, absurdum plurimis videatur, asterisco aut alia quadam nota signari magis deceat et caussam not/a/e cum gratia aliqui Censor in ipsa approbatione explicet; doctrina et probitate illustres viros esse sed ver/a/e fidei lumen tantum deesse; quod ipsis ex animo precari se testetur et adeo precibus expostulare, quo et sibi et alijs doctrina sua magis prosit ad salutem. sed h/a/ec temere nunc a me scribuntur qui meliora a vobis pr/a/ecogitata fuisse scio52.

Nadien meent hij dit probleem van Lipsius' niet-katholieke correspondenten op te lossen door ze in te delen in ketters en heresiarchen, welke laatste categorie in geen

[p. 43]

geval zou worden vermeld:

Pr/a/ecogitabam ipse cum de ea appingenda scriberem censoriam notam ingratam ipsis fore; sed notanda potius nomina quam tollenda credebam: etsi neutrum facto opus esse existimarem: quid enim nomina ipsorum cognosci et legi prohibeat cum et scripta eorumdem publice et libere legantur. Scaligerum puto, Vivianum, Vulcanium, et alios dum nihil fidei Catholic/a/e Romanae contrarium libris suis inspergunt. Nam Heresiarch/a/e et ij quibus libido est Catholicos lacessere in hoc profecto numero haud ponendi53.

Deze zorgvuldigheid had ook Plantin na 1585 beoefend. Op 20 september 1586 raadt hij Christoffel Vladeraccus aan, de naam van Erasmus in de toekomst maar liever weg te laten:

Interea si conjectura mea valet suspicor minori cum invidia futurum si suppresso illius maximi Erasmi nomine postremo in tua epistola scriptam inscriptionem retineas54.

Overschouwt men dan ook de lijst van lofdichters in de PW, dan vallen na 1588 wel prominente katholieken op, zoals de gebroeders Sweertius, maar geen reformatorische figuren. Enige uitzondering hierop vormt Goossenius, wiens verzen nog in 1592 geciteerd worden (stuytelinck 167), maar wiens activiteit in Engeland (Smit-Vermeer, 360-362) hier bezwaarlijk bekend kan zijn. Van der Noot heeft daarbij nog elke mogelijke aanwijzing uitgevlakt: vóór 1585 is Goossenius' ode gedagtekend ‘VVt Londen...’ (goossenius 463), maar wanneer dezelfde tekst nogmaals opgenomen wordt, zoals gezegd in 1592, dan ontbreekt dit verdachte adres!

Ondanks deze mogelijke beperking straalt de aureool rond 's dichters hoofd, geschapen dank zij de bemoeiingen van de toch nog aanzienlijke groep lofdichters, met niet minder glans. Zij kunnen onbezwaard kwistig omspringen met hun lof om een voor de hand liggende reden: is Van der Noot niet, naar het woord van Van den Perre, ‘Vorst onser Poëten’ (crabbe 107)? Ook Anraet en Maes richten zich reeds in de titel van hun dichten tot de ‘Prince des Poëtes Belgiens’ (sweerdts 155, halmale 267). In dit opzicht vindt Cabisset wel zeer bloemrijke epitheta: ‘Toy...le Belgicque Harpeur...docte Coriphée, & Cigne Brabançon’ (farneze 74, 80). Dit wordt beaamd door Walrans: ‘Cedit Belgarum tota caterua tibi’ (langhart 74), terwijl Ennetières meer expansieve termen kiest: ‘des Germains l'ornement’ (dennetieres 12). Goossenius gaat zelfs een hele stap verder: ‘Tanto etenim superas, quos nunc fert terra Poëtas, Rythmis, Sol quanto sydera clara poli’ (goossenius 11-12), en dit in het gezelschap van Franciscus Sweertius: ‘QVis te mirandum ignorat Nothaee Poëtam, AEternos Vates qui superare vales?’ (stuytelinck 343-344). Ook Caspar Barlaeus schrikt voor een Vergiliaanse reminiscentie niet terug: ‘NOthaee idcirco es fama super aethera notus’ (maes 121). Als logisch gevolg hiervan mag Van der Noot in de hiërarchie der dichters zijn plaats innemen onder de allergrootsten uit het antieke verleden: meer dan één aanprijzer noemt hem in één adem met Homerus en Vergilius (apologie 192-193, dennetieres 144, 148, goossenius 61, 63) of met één van beiden (helmans 207, farneze 60). Ackermans, De Walcourt, Putmans en Franco verrijken deze krasse vergelijking met een nieuw distin-

[p. 44]

guo: de vergelijking met Homerus en Vergilius is in feite enkel zinvol op het gebied van de epiek; daarnaast evenaart Van der Noots lyrische produktie die van Pindarus en Horatius (titelvel 1584-1585 68-71, titelvel 1588 38, 101, perrenot 143, langhart 250). Agricola, die zijn voorkeur voor Horatius boven de Mantuaan beslist uitspreekt, stelt ‘Noteus’ met eerstgenoemde op één lijn (titelvel 1584-1585 20, amodeo 127). Deze appreciatie verbaast niet langer, wanneer men de enthousiaste De Poetou aan Van der Noot hoort verzekeren: ‘Que l'Empyreen pere Commanda d'heur' prospere Le tien esprit rauir Par ses neuf chastes filles Et Charitez humiles’ (poetov 54-58).

Waarop baseren zich de auteurs van al deze loftuitingen? Een argument dat sinds Du Bellay's Deffence et illustration zeer actueel klinkt, wordt door Ackermans verwoord in de apologie: ‘T'en is geen minder deugt het Vaderlant te vereeren ende syns moeders sprake te ver-ryken, te ver-çiren ende van alle barbare, groue ende onaerdige redenen ende vvoorden te reynigen, dan het en is met den svveerde de palen des Vader-lants te vermeerderen ende de boosdoenders daer vvt te verdryuen’ (apologie 51-55). Reeds vroeger hebben Vidtsendonck en Maes Van der Noot geroemd ‘Om dat ghy hebt vercierdt soo wel ws Moeders Talen’ (voorwerk 1580-1581 81, 112), een lof die hem ook van Franstalige zijde te beurt valt, ‘Illustrant richement ta langue Brabançonne’ (dennetieres 17), naast zijn meertaligheid, door Dorat gewaardeerd (goossenius 47). Deze illustratio geschiedt uitdrukkelijk door een oriëntatie naar de grote voorbeelden: ‘Tu as tout le premier de Rome ramené, Et Petrarque & Horace tant heureusement né’ (dennetieres 15-16) en ‘Inspice rem enimuero modo Princeps vt ex humili potens Deduxit ad Italos modos Ille [=Horatius] AEölum carmen, hic [=Van der Noot] ita Graiûm & Italum ad Brabanticos’ (sueiro 204-208). Menigeen prijst zich dan ook gelukkig om het persoonlijk inspirerend contact; Sweertius vervalt in Goethe-und-Eckermann-stijl: ‘O me felicem, cui contigit optime Vates, Ore tuo totis, colloquioq́ue frui’ (stuytelinck 351-352). Ook Goossenius en Maes verheugen zich om Van der Noots loutere nabijheid (goossenius 399, sweerdts 347).

Interessanter is de reactie van deze overtuigde voorstanders ener nieuwe poëzie op de afzonderlijke publikaties van onze dichter. Vooral het CB/Abr schijnt, als iets totaal nieuws in onze literatuur, in deze beperkte kring - terecht - sensatie verwekt te hebben. Reeds op 10 juni 1579 schrijft Maes enthousiast ‘...l'Olympiade Que tant viuement nous depeind Ta Muse (ò vander Noot) d'un taint Non dissemblable à l'Iliade’ (stevart 113-116). Ackermans brengt een summiere poging tot allegorese van dit werk: ‘Et sunt Olympiados libri, Vt Canticorum Cantica, Multisque Dia sensibus’ (titelvel 1584-1585 52-54) en hoopt in 1584-1585 nog steeds dat dit ‘cort begryp’ zal uitgewerkt worden: ‘Credite Romani scriptores cedite Graii Nescio quid maius nascitur Iliade’ (apologie 327-328). Daartegenover wordt opvallend weinig ophef gemaakt van de LvB. Maes vermeldt hem slechts in één adem met CB/Abr: ‘...honeste tu veux ta Maistresse honorer: Vertueux ton Brabant t'efforces decorer’ (dennetieres 133-134), en Vidtsendonck spendeert er één vers aan: ‘Om dat ghy...daer toe Brabandts lof soo heerlijck hebt ghesonghen’ (voorwerk 1580-1581 82), zoals men merkt telkens zonder dat de naam van deze hymne uitdrukkelijk vermeld wordt. Van der Noots relatie tot Olympia vindt ook belangstellenden. Ackermans vermeldt enkel vaag ‘Discatur affectus & amor Diuinus, humanus bonus’ (titelvel 1584-1585 60-61); maar ‘Thomas Gheuardt’ looft de ongenoemde55 ‘tam docta Pucella’ (helmans 87) om haar menigvuldige kwaliteiten

[p. 45]

en vooral om de reine ‘sanctus amor’ (id. 95) tussen haarzelf en haar bewonderaar. Heel andere accenten plaatst Nicolaas de Meyere; zijn carmen phaleucium (vrouwen 414) bezingt met hoorbaar welbehagen Olympia's fysische schoonheid zonder enig ideëel franje. Dit gedicht sluit in feite, met zijn ietwat libertijnse liefdeshonger, veel dichter aan bij de sensuele gloed van de jonge Ronsard dan Van der Noots eigen liefdespoëzie.

Meer vertrouwd klinken ons de uitlatingen over het lot der deugdzamen in het algemeen en over de beklagenswaardige Van der Noot in het bijzonder toe. Reeds Poppard weet dat hij ‘curieux de voir En tout cest vniuers, les choses d'excellence Recherche les Esprits qui sont plus genereux’ (dennetieres 47-49). Dit is trouwens de reden, aldus Sweertius, waarom de Antwerpse dichter het vaderland verlaten heeft (helmans 211). De deugden die hij in anderen zoekt, weet Van der Mast, kleven hemzelf overvloedig aan (noot 461). De Poetou (poetov 183) en Willem Sweerdts (titelvel 1591 13) doen nog een poging enige aparte deugden op het voorplan te schuiven, maar Gigas besluit lapidair: ‘Is quicquid tentat, virtutum spirat honores’ (amodeo 105). Unaniem klaagt het vriendenkoor dat zulk uitzonderlijk iemand als Van der Noot in dergelijke povere omstandigheden leven moet, terwijl men de slechten ziet bevoordelen (orco 138, 250, sweerdts 155, goossenius 82). Zij troosten hem echter met de bedenking van Barlaeus, ‘Rebus in aduersis etenim Constantia sola Nobilitat fortes magnanimosillustratieue viros’ (maes 123-124), of, in de versie van Van der Haeghen: ‘FOrtune en verkeert het eel gheslachte niet’ (scholier 199). Dit beroep op zijn adellijke afstamming schijnt Van der Noot niet ongaarne te horen. Zo mag Maes de heldendaden van een mythische voorvader uit Karel de Grotes tijd even memoreren (voorwerk 1580-1581 138), terwijl De Poetou eveneens eerbiedig opblikt naar ‘la tresinsigne Der-Nootsienne enseigne’ (poetov 142-143). Damman (titelvel 1584-1585 14) en Gigas (amodeo 103) vergeten evenmin zijn hoge geboorte te vermelden.

Maakt men de som van al deze voortreffelijkheden, dan moet men onvermijdelijk de stad gelukkig prijzen, die dergelijke dichter binnen haar muren herbergt. De uitroep ‘bella Anuersa, beata’ (apologie 177), ‘Godi Anuersa’ (titelvel 1588 115), ‘VVilt v/Antwerpen/nu/ (Schoonste Nymphe) verblijden’ (halmale 239) om deze ‘Decus...Patriae gloria magna’ (stuytelinck 348) is dan ook nooit uit de lucht. Maar hoe behandelt Antwerpen deze grote zoon? Onze Dante-kenner Van der Mast trekt de parallel met het hardvochtige Florence ten aanzien van zijn geniale balling (catanio 180). Dezelfde bewonderaar vermaant de Antwerpse magistraat rechtstreeks: ‘Dus wilt tot hemwaert ghy/v nu dancbaerder toonen Dan Athenen [tegenover Homerus]/en gaet ghunstighlijc zijn deughdt loonen’ (halmale 245-246). Van den Perre en Putmans opperen dergelijke bedenking niet tegen de officiële instanties, maar dringen bij particuliere mecenen klaar en duidelijk aan: ‘Dus en laet nv aen hem/v ghunsten oock niet falen’ (langhart 258, crabbe 108). Hun argumentatie hiervoor is reeds gemeengoed voor Van der Noots auditorium: God heeft onze dichter zó begenadigd (stuytelinck 366, gallo 524), dat zijn verzen eeuwig zullen duren (stuytelinck 365, gallo 526) en dientengevolge eveneens de lof die hij uitgelezen stervelingen toezwaait (stuytelinck 363, gallo 525, crabbe 106). Ten slotte worden zij verondersteld het geloof van hun leidsman in zijn apotheose te delen, zoals dit verwoord wordt door ‘Philippe de Rinsard’56: ‘Ne dois tu Vander Noot! ores esperer mieux Qui grimpez dans les cieux d'vn vol’ plus glorieux Chantant tez diuins vers par le sentier estrange? Les Seurs, d'vn

[p. 46]

verd Laurier cresperont tes cheueux: Et noz Neueux diront Vander Noot est heureux Au ciel vit son esprit, en terre sa louange’ (euterpe 305-310).

Welk belang bezitten nu deze lof- en eerrijmen werkelijk? Voor Van der Noot zelf fungeren zij als balsem op het gekwetste dichterlijk gemoed en - meer prozaïsch - als dankbaar benutte bladvulling. Voor ons betekenen zij meer: hun dichterlijke waarde is doorgaans gering, maar de technische afwerking - soms door Van der Noot zelf ietwat gefatsoeneerd57 - is nooit onbeholpen. Deze stukjes getuigen van een individuele appreciatie door literair geïnteresseerde figuren ten opzichte van het moderne in onze toenmalige literatuur. Het enthousiasme der ingewijden voor het CB/Abr, het geloof in de leidsman van onze nieuwe poëzie, het beamen van zijn dichterlijke en maatschappelijke aspiraties, het meevoelen met zijn financiële tegenslagen, dit alles ligt er in besloten. De auteurs behoren zelden tot de groten uit het rijk van kunst of wetenschap, maar het noodzakelijk cosmopolitisme van de gedwongen zwerver verheft het geheel tot meer dan een gewestelijk onderonsje: zijn bekenden huizen zowel in Valencia (goossenius 99) als in Spiers (dennetieres 162). Aan Jan van der Noot danken deze versjes de omstandigheid dat zij gedrukt zijn in plaats van, zoals het merendeel van dergelijke literatuur, enkel in handschrift te circuleren. Deze voorzorg heeft hen behoed voor totale vergetelheid en zelfs voor het louter materiële vergaan. Het is wel niet zo dat hun niet voorhanden zijn een zwaar verlies zou betekenen voor onze literatuur, maar deze rari nantes doorbreken toch enigermate de anonimiteit, die zich, bij gebrek aan eigentijdse gedrukte reacties, gelegd heeft over ontstaan en appreciatie van onze oudste renaissanceliteratuur.

§ 4. Commentaren

In 1588 verschijnt een nieuw element in de PW, dat vanaf dat ogenblik inherent blijft aan dit werk, en in belangrijke mate bijdraagt tot het heel eigen karakter van deze produktie: de polyglotte commentaar.

In feite vormt hij slechts een onderdeel van een ambitieuzer geheel. Tweemaal heeft Van der Noot de manier uiteengezet waarop het publiek zijn PW zou moeten lezen (titelvel 1589-1590 125, titelvel 1593-1594 100, 244). Zijn gedichten zijn bestemd om voorgedragen te worden, en tweemaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat zulke voordracht plaats gevonden heeft (farneze 275, bejar 172)58. Dit schept de mogelijkheid om de PW ‘Commedies ghewyse/te lesen/te singhen oft te spelen’ (titelvel 1593-1594 101), waarbij Van der Noot de rollen zo verdeelt, dat Poesis de gedichten voordraagt, waarna doctor Agricola deze verzen toelicht op verzoek en ten behoeve van Cassandre, Laura en Marfira, die hij elk in hun eigen taal te woord staat. Soms behoren Olympia of Rosina eveneens tot dit weetgierig gezelschap. Ten gerieve van de eventuele acteurs voorziet de dichter zelfs in aanwijzingen voor hun costumering: ‘Olympia op d'Brabandts: Penelope ende Corinna op d'Antycx: Laura op d'Jtaliaens: Marfira op t' Spaens: Cassandra op t'Francoys: Rosina op t'hoogh Duyts: Poesis ende Leeraer heerlijc ende eerweerdighlijck nae heuren staet/ghecleedt’ (titelvel 1593-1594 102-104). Naast de genoemde geliefden van Ronsard, Petrarca, Boscan en Melissus kondigen Penelope als

[p. 47]

muze van Homerus en Corinna, inspiratiebron van Ovidius, weliswaar hun verschijnen aan (titelvel 1589-1590 241, 268), maar zij treden nadien niet meer voor het voetlicht. Zij zijn trouwens niet de enigen die verstek laten gaan: naast Poesis heeft de dichter oorspronkelijk nog gehoopt op de aanwezigheid van Sophia, Musica en Pictura (titelvel 1589-1590 63). Hoewel Musica niet optreedt in de PW mogen wij haar toch niet als onbestaande beschouwen: sommige gedichten van Van der Noot zijn inderdaad op muziek gezet (maes 8, halmale 301) en gezongen (farneze 276), en deze stukken mogen wij wel Musica in de mond leggen. De medewerking van Pictura kan slaan op de houtsneden, die in de PW opgenomen zijn59. Ook het getal der inspiratieve schonen was oorspronkelijk imposanter: Anna en Bersabea (titelvel 1589-1590 64-65) zouden ongetwijfeld ingestaan hebben voor een Hebreeuwse commentaar. De aanwezigheid van Anna, de moeder van Samuel, is onduidelijk - tenzij zij om chronologische redenen met Mozes wordt in verband gebracht60 - maar Bersabea dankt de haar toebedachte rol zonder twijfel aan haar koninklijke geliefde: zoals Cassandre cum suis opgenomen worden ter wille van de poëtische verdiensten van hun aanbidders zo ook zou Van der Noot Bersabea aan het woord laten ter wille van koning David, de psalmendichter bij uitnemendheid. Naast Penelope zou de Griekse literatuur nog vertegenwoordigd worden door Sappho (id. 65) als muze van Alcaeus (langhart 77).

Deze rolverdeling is pas uiteengezet in de titelvellen 1589-1590 en 1593-1594, maar de conceptie bestond reeds voordien: in de vellen uit 1588 converseren Laura (amodeo 70), Olympia en Poesis (grammey 3, 8) reeds met doctor Agricola. Daarmee is deze laatste niet aan zijn proefstuk, want hij schijnt commentaren bij de niet gepubliceerde ‘boeken der Liefden’ (maes 7) vervaardigd te hebben (titelvel 1589-1590 75).

Maar toch dient de vraag gesteld naar Ackermans' werkelijk aandeel in het opstellen van deze commentaren. Dat hij een bewonderaar van Van der Noot was, staat vast (titelvel 1584-1585 19, 72, apologie 317); dat hij de Apologie grotendeels zelf in elkaar gezet heeft, is niet onmogelijk61; maar dat zijn bijdrage in deze commentaren hoogst gering is, schijnt mij evenmin aan twijfel onderhevig. De eerste - opnieuw ideale - bedoeling is natuurlijk wel geweest: de dichter pleegt een vers, en laat het aan de commentator geworden, desnoods met de nodige aanwijzingen in welke richting de commentaar dient ontwikkeld. Ik ben dan ook bereid om Ackermans het auteurschap van de enige twee korte bijdragen van Penelope in het Grieks (titelvel 1589-1590 241) en Corinna in het Latijn (id. 268) toe te kennen, eerder dan aan Van der Noot, van wie wij wel Latijnse verzen kennen (goossenius 35, matthias 6), maar geen Griekse.

Tegen een verdere coöperatie laat ik echter de volgende argumenten gelden:

- Primo: de snelheid waarmee meer dan één vel in elkaar geflanst is. Meer nog dan de soms copieus aanwezige drukfouten62 getuigen de commentaren van deze haast: hun lengte is dikwijls omgekeerd evenredig met de voorhanden dichterlijke kopij. Zo bevat farneze naast een zeer uitvoerige slotcommentaar (118-306) slechts drie sonnetten en een korte ode van Jan van der Noot zelf. daems telt slechts twee sonnetten en twee korte oden; de lezer kan gevoeglijk raden waarmee het vel voor de rest gevuld is. In schril contrast hiermee staan die gevallen waar, door het opnemen van gedichten van langere

[p. 48]

adem, de commentaar gereduceerd wordt tot een loutere bindschakel tussen twee verzen in (sueiro 73, catanio 71, 204, wonsel 329, peeters 85). Deze snel op maat gesneden toelichtingen kan men bezwaarlijk als apart geleverde bijdrage van doctor Agricola beschouwen, maar zij passen heel goed bij onze vindingrijke jonker.

- Secundo: baseerde het eerste argument zich op de vorm, ook de inhoud wijst op een conditionering door de auteur zelf. Meermaals (carro 331, balbi 110, noot 345, euterpe 75, 256) is de commentariëring van het eigenlijke gedicht ten einde vooraleer de beschikbare plaatsruimte volzet is. In al deze gevallen ontwikkelt zich daarop een zouteloze dialoog tussen de doctor en de desbetreffende muze, doorgaans gewijd aan de voortreffelijkheid der dichters. Het omgekeerde komt ook wel eens voor, dat de inhoudsopgaaf van een gedicht abrupt eindigt omdat het de pas afgesneden wordt door de grens van de pagina (scholier 324, noot 91, peeters 49) of door een nieuw gedicht (j. de smidt 160, langhart 40).

- Tertio: deze soevereiniteit mondt uit in een eigenmachtigheid, die zich een hulpzaam, zelfs enthousiast commentator toch bezwaarlijk zou laten welgevallen. Meermaals worden ons in de commentaren verzen, meestal ter ere van Jan van der Noot zelf, beloofd, die de lezer dan vruchteloos in het vel in kwestie opzoekt (gallo 473, noot 207, claerhout 97). Wegens een overvloed aan eigen kopij heeft Van der Noot deze gedichten stilzwijgend achtergehouden zonder een iota ter verontschuldiging, ja zelfs zonder de belofte, in de commentaar uitgesproken, te schrappen, zodat de eventuele auteur hiervan voor schut zou staan. Een ander geval van dergelijke nalatigheid vindt men in verband met de ode aan Michiel Verlous (pardo 213), oorspronkelijk gericht tot Michiel Boot, want diens naam staat als bestemmeling in de drievoudige commentaar (id. 263, 300, 338). Op het laatste nippertje, tussen het drukken van buiten- en binnenvorm63, is Van der Noot overgestapt naar een hopelijk guller mecenas en heeft hij vergeten de commentaar te wijzigen. Elders last hij een drietal toepasselijke verzen van Palingenius in, ‘schijnt’64 zich echter niet meer te herinneren wie de auteur ervan wel mag zijn, en laat ze in de commentaar dan ook enkel afkomstig zijn van een ongenoemde ‘el P.[oeta]’ (fuentes 221). Onder een vierstrofige ode wordt verwezen naar de ‘couplets 5.6.7.8.9. & 10. de l'Ode precedente’ (j. de smidt 304), waarbij men het raden heeft of misschien een twee bladzijden vroeger voorkomende ode met negen strofen bedoeld is. Een eigenaardige verschuiving is in crabbe uitgevoerd: de volgorde der drie sonnetten die op f2r na elkaar voorkomen is niet meer de oorspronkelijke. De Franse en Italiaanse commentaar verklaren, tegen alle normale verwachtingen in, eerst het derde sonnet ter ere van Maria van Bourgondien (crabbe 229), daarna het eerste voor Jan van Asseliers (id. 195) en ten slotte het tweede aan Lansloot Boote (id. 212). De Spaanse commentaar echter luidt: ‘En el primero descriue las virtudes y las alabanças de la Signora Maria de Borgonna. En el 2. aquellas d'el Sr. Iuan van Assseliers. Y en el 3. aquellos d'el Sr. Lanslot Boot’ (id. 249-254). De niet bewaarde schikking, zoals in deze laatste versie voorgesteld, blijkt de oorspronkelijk bedoelde geweest te zijn. Zijn de drie sonnetten - waarvan er twee reeds voordien gedrukt waren - op drie aparte blaadjes ter zetterij beland, zodat de authentieke volgorde daar niet in acht genomen is? Feit is, dat de aldus ontstane contradictie met een lapmiddel verholpen is; in de Franse en Italiaanse commentaar heeft Van der Noot, ditmaal inderdaad ‘Makende vander Noot een deughdt’

[p. 49]

enkel de woorden ‘premier...dernier’ (id. 273, 271), ‘primo...vltimo’ (id. 260, 262) van plaats laten verwisselen, zonder aan de rest van het zetsel te tornen. Vandaar de ongewone volgorde in de Franse en Italiaanse tekst naast de afwijkende Spaanse versie. Al deze feiten wijzen duidelijk op een ingrijpen vanwege de dichter, dat een te grote bemoeienis zou betekenen tegenover andermans werk.

- Quarto: wie anders, tenzij Jan van der Noot zelf, zou de volgende subtiliteiten kunnen inschuiven:

a)Na de elegie aan ‘Jan Damant/Riddere/Amptman der loffelijcker Stadt van Antwerpen’ (t'shertogen 238) wordt in de Spaanse (id. 276) en Italiaanse (id. 293) commentaar zijn naam correct gespeld ‘Damant’, maar in de Franse versie prijkt ‘le...noble Sr. Iean d'Amant’ (id. 310), door welke afsplitsing de adellijke herkomst van de geëerde beklemtoond wordt. Hetzelfde procédé vindt men reeds vroeger in de PW gehuldigd, en ditmaal niet in een commentaar, maar in de tekst: Cornelis Pruenen wordt in een Franse ode steevast als ‘De Pruenen’ toegesproken (pruenen 132, 139, 177).
b)Van der Noots naamgenoot en familielid krijgt nog in 1590-1591 een ode toegestuurd, gericht tot ‘den Eerweerdighen...Heer Jan Vander Noot/Abt van S. Bernaerts’ (noot 1-2), hoewel hij reeds jaren geleden, in 1585, afstand heeft moeten doen van deze waardigheid65. In de Franse (id. 117) en Italiaanse (id. 100) commentaar heet hij nog steeds respectievelijk ‘Abbé de St. Bernart’, ‘Abbate di So. Bernardo’, maar in de Spaanse versie vinden wij zijn correcte functie op dat ogenblik: ‘Administrador de San Bernardo’ (id. 84). Door deze kleine handigheid respecteert onze dichter meer dan één gevoeligheid: abt Van der Noot was geïnstalleerd met de steun van de Nederlandse adel, zodat Laevinus Torrentius in 1585 verplicht was hem behoedzaam aan te pakken. Voor deze inheemse edelen was natuurlijk de Nederlandse ode en de Franse commentaar bedoeld, en zij zullen zeker geen aanstoot aan deze titulatuur genomen hebben, wel integendeel. De enige groep waaruit protest kon oprijzen, was de Spaanse, en voor hen gold dan ook de administratief correcte versie!
c)De indeling van de PW volgens de hiervoor samengevatte onderwerpen wordt het meest uitvoerig in een commentaar uiteengezet. Het lijkt weinig aannemelijk dat Van der Noot dergelijk belangrijk overzicht aan een commentator zou overlaten.

Indien wij Van der Noots auteurschap voor deze commentaren aanvaarden, dan stelt zich een bijkomende vraag: mogen wij inderdaad de Italiaanse en Spaanse parafrasen naast de Franse tekst aan hem toekennen? Hij spreekt en schrijft immers de voornaamste Europese talen (OE, [25]). Voor zijn auteurschap gelden de volgende aanwijzingen:

- Primo: altijd vertonen deze drie teksten onderling kleine wijzigingen in de woordvolgorde of de plaats van adjectieven. Dit streven naar variatie is de reactie van een enkele auteur binnen zijn ononderbroken werkzaamheid66. Voegen wij daarbij dat het Italiaans en Spaans zich nooit als één groep slaafs bij de Franse versie aansluiten en er evenmin gezamenlijk van afwijken. Men vergelijke ‘las miserias y vicios’ (carro 306), ‘le miserie & y vitij’ (id. 344), ‘les abus & miseres’ (id. 381) tegenover, even verder, ‘oluidados y sepultados debaxo...’ (id. 333), ‘portati, & finalmente insepuliti & desmenticati dessotti...’ (id. 370), ‘portez & finalement enceuelis & oubliez es...’ (id. 410); in

[p. 50]

de eerste rij citaten stemmen het Spaans en Italiaans overeen in woordvolgorde, in de tweede reeks houden Italiaans en Frans het bij dezelfde woordkeuze.

- Secundo: ook bij afwezigheid van een Franse parafrase blijkt een goede kennis van de Franse literatuur: wanneer de Franse tekst ontbreekt vindt men in de Spaanse en Italiaanse kolommen juiste bronnenreferenties ter inleiding van Franse citaten (moneglia 136, 216, 354, 423, balbi 154, sweerdts 59).

- Tertio: de volgorde waarin de parafrasen ontstaan zijn. Zij zijn achtereenvolgens neergepend naar mate van de bekendheid die Van der Noot ermee bezat. Na zijn moedertaal was het Frans hem het meest vertrouwd; de Franse tekst van de commentaar is dan ook als eerste neergeschreven, tevens als richtsnoer voor de beide volgende versies67. Op één plaats wordt dit expliciet toegegeven, want Marfira en Laura beginnen hun tekst met de respectieve vraag: ‘Que dize la Sa. Cassandra?’, ‘Che dice Ma. Cassandra?’ (perrenot 206, 218). Indien Cassandre eerst aan het woord komt, dan moet haar tekst, als materiële basis hiervan, ook als eerste persklaar zijn gemaakt. In één concreet geval weten wij dat de Italiaanse tekst als laatste, na de Franse en Spaanse versies, ontstaan is. In een epitaaf ter ere van een thesaurier heet deze ‘wylen Francoys Pelgherom’ (b. de smidt 161), een naam die overgenomen wordt in de Franse en Spaanse teksten: ‘François Pelgerom’ (id. 193), ‘Francisco Pelgrom’ (id. 215). Daarentegen luidt de Italiaanse versie: ‘Henrico Pelgerom’ (id. 204). Deze raadselachtige tweespalt wordt slechts opgelost in een volgend vel; daar ziet de verveelde dichter zich genoodzaakt een lijstje errata te publiceren, waarvan het eerste luidt: ‘Den rechten naem is Heyndrick Pelgherom’ (angoni 383). Van der Noot, gehaast, blijkt de voornamen der Pelgheroms verward te hebben; pas op het einde, bij het schrijven van zijn laatste commentaar, de Italiaanse, heeft hij de fout hersteld. Hoogstwaarschijnlijk bleef hem geen tijd over om al de andere vermeldingen na te zien, zodat hij zich dan later heeft trachten te redden met dit erratum.

- Quarto: ook in de Spaanse en Italiaanse teksten zijn drukfouten verbeterd; deze correctie is wel het werk van Van der Noot: men ziet hem bezwaarlijk eerst zijn eigen gedichten verbeteren en vervolgens de drukproef eerst naar een Spaanse en daarna naar een Italiaanse vertaler sturen.

- Ten slotte nog een negatief argument: de verschillen tussen de drie commentaren zijn nooit van die aard, dat men moet besluiten dat de auteur van de Italiaanse of Spaanse tekst zijn Franstalige collega niet begrepen of verkeerd gelezen heeft. Integendeel, in titelvel 1589-1590 58, 128, 180 en 237 wordt een Nederlands spreekwoord verkeerd opgevat door een Nederlandstalige zelf68, en dientengevolge foutief vertaald in alle commentaren. In amodeo 91 sluit de Italiaanse commentaar zich nauwer aan bij de originele Franse bron dan bij Van der Noots gecommentarieerde gedicht zelf. Al deze elementen wijzen op een gemeenschappelijke auteur.

 

Het aarzelend begin van de commentaren verschijnt onder een nog erg vertrouwde vorm, in de gedaante van marginalia (grammey 170, 217, 224, 229, 233). Maar tegelijk wordt er toch een korte dialoog tussen ‘Leeraer’, ‘Olympia’ en ‘Poesis’ opgenomen, die als proza-inleiding voor de eigenlijke elegie over de hele breedte van de pagina gezet is

[p. 51]

(grammey 3-8). In een vel van dezelfde groep, hoewel gedrukt vóór grammey, is de praktijk der marginalia reeds opgegeven ten gunste van de commentaar in dialoogvorm vlak na het toe te lichten gedicht (amodeo 70-98). Tot hiertoe mogen wij niet spreken van een polyglotte commentaar: in deze oudste vellen wordt doelbewust enkel een beroep gedaan op de taal van de bestemmeling, Brabants voor Cornelis Grammay cum suis, Italiaans voor Amodeo de Savoye.

Dit eerste stadium wordt overwonnen in gallo, waar voor het eerst zowel het gebruik van Spaans, Italiaans en Frans - in deze volgorde - voorkomt, als de schikking in drie kolommen. De keuze van deze drie talen verwondert ons niet, gezien Van der Noots honger naar publiek, maar waarom deze schikking? Zij is veel overzichtelijker bij een tekst van zekere lengte en breekt de monotonie waartoe dit formaat van letterkorps op foliobladzijde licht aanleiding kan geven. Daarnaast geldt nog een praktische beweegreden: aangezien deze kolommen toch in de eerste plaats slechts een hulpmiddel vormen bij de lectuur, moeten zij, als elementen van secundair belang, steeds wijken voor de verzen van de auteur. Van der Noot bepaalt steeds eerst welke gedichten uit zijn produktie hij in dit vel zal publiceren. Wanneer hij daarna de drietalige commentaar in kolomvorm vóór zich ziet, is het heel eenvoudig de drie versies tegelijk aan te vullen of af te knippen naargelang van een teveel of tekort aan beschikbare plaatsruimte. Zelfs de lengte van de drie kolommen onderling kan nauwkeurig geconditioneerd worden: indien de beknopte zegging zou verhinderen dat alle commentaren ongeveer dezelfde lengte zouden bezitten, last de auteur nog gauw een paar woorden in, zodat dit evenwicht toch bereikt wordt (aanvullingen in Italiaans: leiua 433-435, angoni 102, t'shertogen 193-196, sweerdts 138, langhart 218-220; in Italiaans en Spaans: sueiro 294-298, 325-327, pardo 103, 153-154; in Spaans: vergano 86, daems 520; beperking in Spaans: bentinc 156, sweerdts 222).

Zodra dit handelbare systeem op punt gesteld is, wordt het dan ook in het merendeel der PW toegepast. Doorbladert men een willekeurige bundel PW, dan is het opvallend hoezeer de gestadige terugkeer van de drie kolommen na een Nederlands gedicht, en dit alles steeds in gelijksoortig lettertype gezet, het gemeenschappelijk verbindingselement tussen deze afzonderlijk gedrukte vellen uitmaakt. Nochtans wordt Van der Noot geenszins de slaaf van deze uniformiteit: in vier vellen is de drietalige commentaar niet meer in kolommen gezet, maar, zoals in het eerste stadium, over de hele breedte van de pagina, zodat het Nederlands gedicht nu gevolgd wordt door drie horizontaal gelede prozateksten. In twee van deze gevallen (ghysens 34, 72, damant 73) is er geen reden voor deze wijziging zichtbaar. Elders (mechelman 156) kan men haast en plaatsgebrek verantwoordelijk achten: de Nederlandse tekst telt vier regels (id. 156-159), de Spaanse nog drie (id. 160-162) en de Italiaanse, die het vel afsluit, amper twee (id. 163-164). Ook in het vierde geval (arnesto 29) kan de auteur zijn commentaar in allerijl geschreven hebben, zodat er geen tijd overgebleven is om de drie teksten af te meten. Zoals in het voorgaande vel neemt de lengte van de commentaren af naarmate de grens van de foliohelft nadert: de Duitse tekst telt tweeëntwintig regels (id. 29-50), de daaropvolgende Italiaanse achttien (id. 51-68) en de afsluitende Spaanse versie zeventien (id. 69-85). Ook in de slotvellen sinds 1588 wordt aan de horizontale geleding de voorkeur gegeven, maar dit zijn geen commentaren stricto sensu, wel echter toelichtingen die dezelfde waarde bezitten als de verzen van de auteur. In de gevallen waar een gedicht slechts gecommentarieerd wordt in twee talen komt de verticale en horizontale schikking willekeurig voor (verticaal: balbi 87, mechelman 62; horizontaal: balbi

[p. 52]

189, feytens 42, fuentes 180, bentinc 61, ghysens 153, damant 267, deybarra 153, orco 120). Laatstgenoemd procédé is natuurlijk het enig zinvolle wanneer de parafrase slechts in één taal geschiedt (feytens 42, 88, 130, 177, fuentes 19, 140, 210, euterpe 226, bejar 206, ghysens 184, damant 130, 232, deybarra 77, orco 38, 241).

Telkens als slechts twee talen in plaats van de verwachte trias voorkomen, is de eliminatie oordeelkundig uitgevoerd. De Franse commentaar is de meest onontbeerlijke; hij wordt enkel weggelaten indien het behandelde gedicht zelf in het Frans gesteld is, of ten minste enkele Franse verzen ter inleiding voorafgaan (balbi 87, etten 318, feytens 88, 177, mechelman 62, bentinc 61, 106, 150, 210, moneglia 39, 97, 321, sterckheyt 194, 229). Voorts schijnt de keuze uiteindelijk bepaald door de nationaliteit van de geëerde mecenas; dit verklaart waarom het te Antwerpen pas onlangs ingeplante Spaans als eerste taal verdwijnt: na gedichten ter ere van Jean Vincenti Fossa uit Cremona (vergano 272), Hieronymo Mainardi (orco 120) en de Italiaanse naties te Antwerpen (id. 189), of van Brabantse edellieden als Joris van Schooten (ghysens 153), Arnoud de Almeyde (bentinc 210) en de Duitser Karl Ludwig, ‘Graue zu Zults’ (damant 267), verder na een ode ter ere van Jan Manart ‘Deken van den ouden Voetboghe/tot Antwerpen’ (crabbe 120) ontbreekt de Spaanse versie ten enenmale. Het Italiaans, voor het handeldrijvende Antwerpen een noodzaak, geniet een steviger bestaansrecht: slechts in één enkel vel worden Cassandre en Marfira ten tonele gevoerd zonder het gezelschap van Laura (stuytelinck 52, 129). In dit unieke geval geldt weer een goede reden: de lotgevallen van Gabriël Stuytelinck als ‘peiswiller’ in 1584 kunnen vóór alles eerder de belangstelling en het medeleven van Spaanse zijde wekken. Italiaans en Spaans wijken gezamenlijk voor een korte Nederlandse en Franse commentaar bij een ode, opgedragen aan de hanzeatische koopman Hans Ghoeserie (angoni 251).

Soms wordt de onontbeerlijk geachte commentaar tot één taal beperkt; in dat geval gelden twee criteria bij de keuze hiervan: vooreerst de bestemmeling, een factor waarmee steeds naar behoren rekening gehouden is. Daarom is in catanio, exclusief aan Italianen opgedragen, de commentaar eveneens integraal Italiaans. fuentes, bevolkt door Spanjaarden, wordt dan ook gevuld met Franse verzen en Spaanse commentaar - afgezien van twee onooglijke regels Nederlands en Italiaans. bejar, in zijn geheel opgedragen aan ‘mijn Heeren de Borghemeesters Schepenen ende Raedt der lofweerdigher Stede van Antwerpen’ (bejar 2-3), is uitsluitend Nederlands. Als tweede criterium bij eliminatie geldt de voor de hand liggende saamhorigheid tussen gedicht en commentaar: indien na een Nederlands gedicht slechts plaats voor één commentaar overblijft, dan is de Franse versie meest aangewezen (euterpe 226, ghysens 180, damant 130). Eveneens normaal is het, wanneer een Nederlands gedicht en de daaropvolgende Franse ode gezamenlijk gecommentarieerd worden in het Italiaans (damant 232).

Thans stelt zich ook de vraag naar de bestaansreden van sommige Nederlandse commentaren. In titelvel 1589-1590 verschijnt een Nederlandse toelichting over de evenwaardigheid van alle vellen der PW, in welke volgorde zij ook in boekvorm verschijnen, ‘aenghesien dat dese boeken vore, achter, inde middel ende ouer al, euen heerlijck, stichtelijc ende liuelijck sijn’ (titelvel 1589-1590 320-321). Niet minder noodzakelijk blijken, ook voor Nederlandstalige lezers, bepaalde ophelderingen inzake Van der Noots cryptische naamgeving: het omdopen van de lelie tot ‘Olympiette’ (sueiro 101), van twee beken te Brecht tot ‘Noot’ en ‘Olympia’ (mechelman 156), en van september en oktober tot ‘Carolus’ en ‘Philippus’ (pardo 386, bejar 214). Slechts

[p. 53]

hoogst uitzonderlijk gaan de ‘Leeraer’ en Olympia nader in op de inhoud van een Nederlands gedicht (peeters 380, angoni 251). Wel worden volgende Nederlandse (crabbe 130, etten 162) of Latijnse teksten (helmans 77) wel eens in het Nederlands ingeleid. Zeer normaal vraagt en krijgt Olympia op haar beurt uitleg in haar moedertaal bij een Frans gedicht (fuentes 180, moneglia 137, 356, sterckheyt 229). Ten slotte, wanneer de dichter zich een enkele maal gedwongen ziet tot het aanbrengen van corrigenda inzake schrijfwijze van namen en titulatuur (angoni 382), zal hij, zeer bescheiden, enkel zijn Nederlandstalige lezers daarvan in kennis stellen.

Onderaan de zes houtsneden, voorstellende Apollo en vijf muzen (vergano 314, helmans 101, claerhout 254, t'shertogen 221, etten 138, langhart 77) staan enkel korte commentaren in het Nederlands en Frans. Deze keuze stoelt op de herkomst van de platen: zoals in vijf gevallen uitdrukkelijk vastgesteld wordt, stammen zij uit de tweetalige Olympias (vergano 321, claerhout 260, t'shertogen 228, etten 145, langhart 82).

Ten slotte zijn er nog vellen zonder commentaar. Tweemaal neemt één (chefs) of meerdere (re) Franse gedichten een volledig vel in beslag; in evenzoveel gevallen wordt een overigens eentalig Nederlands (vrouwen) en Frans (tassis) vel besloten door een Latijns (vrouwen 412), respectievelijk Grieks (tassis 300) lofdicht ter ere van Van der Noot. Deze welbewuste eentaligheid wijst ons wel de reden aan waarom geen commentaar is opgenomen: telkenmale heeft de dichter één specifiek beperkt auditorium in het oog gehad, waardoor de noodzaak van de polyglotte commentaar ipso facto is opgeheven.

Wat de inhoud van deze commentaren betreft, mogen wij in de eerste plaats verwachten dat zij ons een getrouwe vertaling brengen van het behandelde gedicht. Zulk ideaal oogmerk blijkt echter zelden verwezenlijkt: de commentator is bij de aanvang van zijn werkzaamheid met de beste intenties bezield, zodat in drie vellen uit de periode 1588-1590 gewetensvol en uitdrukkelijk strofe na strofe verklaard wordt (amodeo 75, gallo 324, leiua 165, 441). Gebrek aan tijd en plaats, eerder dan een verflauwende ijver, verleiden hem nadien bij de commentaar van uitvoeriger gedichten tot een haastige vermelding van enkele strofennummers (balbi 95, j. de smidt 304). Slechts uitzonderlijk wordt in de latere produktie het oorspronkelijk schema nog ten volle aangetroffen (opmeer 190).

De commentaar heeft in de eerste plaats een parafraserend karakter, wat niet wegneemt dat er plaatsruimte overblijft voor nadere inlichtingen aangaande de gevierde mecenas of de publiciteit zoekende dichter. Dit procédé ontwikkelt zich al vroeg, en wel bij gedichten die daartoe de beste aanleiding bieden: epithalamea. Bij zulke gelegenheid past het uitstekend nadere inlichtingen over her- (gallo 310, sweerdts 66) en afkomst (sweerdts 62) van het bruidspaar te memoreren. Van der Noot ontziet zich ook niet zijn vertrouwdheid met de gevierden publiek te maken door het opdissen van anekdoten van, naar moderne smaak, soms twijfelachtig allooi: Arnoud Crabbe krijgt, tegelijk met het verhaal van zijn schipbreuk, het bewijs van zijn solvabiliteit (crabbe 87-92). Minder geruststellend schijnt het succes van Johanna Coucke, de bruid van Antonio Gallo (gallo 357-361); blijkens de context is dit evenwel bedoeld als flatteus complimentje.

Belangstelling voor genealogie en kennis van de familievertakkingen zijner standgenoten zijn Van der Noot nooit vreemd geweest. Dit is bij hem meer dan een gewone adellijke liefhebberij, maar eerder een noodzaak bij de verspreiding van zijn werk, en dit

[p. 54]

reeds sinds 156869. Als noodzakelijk gevolg brengt de commentaar dan ook toelichtingen over de geëerde personages, in de eerste plaats over hun herkomst (grammey 170, b. de smidt 194, ghysens 187, georges 232, daems 200). Wie zich kan beroemen op een martiale vader (amodeo 81) of grootvader (leiua 42), vindt diens nagedachtenis vermeld. Voorts vergeet de galante dichter evenmin een bescheiden echtgenote in de commentaar te betrekken, indien zij nog niet in de poëzie of de opdracht gehuldigd werd (fuentes 150, 217, peeters 383). Indien mogelijk komen nog meer persoonlijke details ter sprake: Fuentes wordt gefeliciteerd wegens zijn militaire successen in Portugal ‘contra los Ingleses enimigos’ (fuentes 31), terwijl onze dichter elders Gabriël Stuytelinck en ‘abt’ Van der Noot uitdrukkelijk gedenkt als zijn lotgenoten in deze droevige tijdsomstandigheden (stuytelinck 56, noot 122). Hier speelt onze auteur wel grof spel: samen met Stuytelinck laat hij zich doorgaan voor een deerniswekkend slachtoffer van calvinistische drijverijen, maar ook zijn Staatsgezinde naamgenoot is, evenals de dichter, ten offer gevallen aan ‘les malitieux’ (noot 122), wie dat in dit laatste geval ook moge zijn! Deze wazige formulering wordt wel verontschuldigd door een mogelijke censoriale kittelorigheid. De commentator begeeft zich op minder glad ijs wanneer hij in Leonardo Rotulo Carillo een ‘Poëta tan sentencioso, sublimo, dolce y graue’ (deybarra 82-83) begroet, of het eerbaar ambt aanhaalt van Michiel Coignet en Melchior Bloemmart, ‘Wynroeiers der Stadt van Antwerpen’ (grammey 231-232). Daarnaast brengt de commentaar de onmisbare auctoritates bij bepaalde stelregels, verkondigd in de gedichten (scholier 155, pardo 355, vergano 287, halmale 67, 74, georges 475). Andere toelichtingen situeren een tafereeltje in de Ilias (balbi 105) of handelen over Italiaanse (daems 237, etten 258) en Provençaalse (etten 262) literatoren. Ten slotte zijn er meer technische inlichtingen: aan een niet-Antwerps publiek wordt duidelijk gemaakt welke instelling met de ‘Halle’ bedoeld wordt (t'shertogen 206); voorts wordt driemaal het ontstaan van bepaalde gelegenheidswerken verklaard, telkens bij een plechtige intrede te Antwerpen, achtereenvolgens van Alexander Farnese (moneglia 262, orco 212) en later van Ernst van Oostenrijk (damant 272).

Wanneer de gelegenheid tot aanvulling zich voordoet, aarzelt de auteur niet om bepaalde topoi telkens weer extra ter sprake te brengen, dus los van de eigenlijke inhoud van het gecommentarieerde gedicht. Als eerste geldt natuurlijk de onontbeerlijkheid der poëten als schenkers van onsterfelijkheid, met als logisch gevolg de noodzaak hen te onderhouden (gallo 409, moneglia 170, carro 405, balbi 110, farneze 289, fuentes 35, 152, euterpe 252). Van der Noot ziet zich - tweede constant gegeven - helaas genoodzaakt aan deze morele plicht van de beschaafde wereld te appelleren te zijnen eigen behoeve (stuytelinck 138, farneze 272) wegens ‘les emulations, calomnies, detractions & torts que les peruers luy ont faict pour ne se vouloir emploier à choses iniques’ (stuytelinck 68-70). Een laatste topos wekt bij de huidige lezer een licht onbehagen: de loyauteitsverklaringen na 1585 van de gewezen politieke voorman. Wij kennen ze reeds uit zijn verzen zelf, en zij worden ons ook in de commentaar niet bespaard, de hoofse buigingen in de richting van ‘el Rey Catolico, Don Philipo’ (fuentes 23, amodeo 83, leiua 246).

De betekenis van deze commentaren wortelt niet alleen in hun inhoud, maar reeds in hun loutere verschijningsvorm. Deze polyglotte omlijsting is uniek in onze zestiende-eeuwse Nederlandstalige literatuur. De samenstelling ervan is hoogst revelerend voor de

[p. 55]

werkwijze van de auteur: wij merken de prioriteit, verleend aan de onsterfelijke verzen boven de parafrase; wij ontdekken de haast waarmee deze PW soms bij een of andere gunstige gelegenheid in elkaar getimmerd zijn; ten slotte beseffen wij de zeer grote handigheid van Jan van der Noot, bij wie elke afwijking van het eenmaal vastgelegd schema toch zinvol blijkt, gezien deze bepaalde omstandigheid of gene verhoopte mecenas. De inhoud omvat dikwijls meer dan de beloofde parafrasen: toelichtingen over vermelde personages en feiten of over de auteur zelf wisselen elkaar af. Tevens vormen de commentaren het natuurlijk milieu der ingelaste citaten van andere literaire grootheden, die er telkens met de nodige aandacht ingeleid worden.

In Van der Noots visie zijn deze commentaren weliswaar secundair tegenover zijn verzen, maar toch onmisbaar; slechts hoogst uitzonderlijk, en dan nog telkens gerechtvaardigd, wordt aan hun polyglot karakter afbreuk gedaan of verdwijnen zij zelfs geheel. Binnen het reeds zo efemere genre der PW zijn zij het laatst ontstane en dan nog het meest gemanipuleerde element, zodat de ingrijpende hand van de auteur zelden duidelijker dan hier aangevoeld wordt.

§ 5. Citaten

Met het inlassen van citaten bereikt de vormgeving der PW haar klassiek patroon. In titelvel 1589-1590, waar de dichter de definitieve conceptie van dit werk laat verkondigen (id. 90-125), treffen wij weliswaar de indeling van zijn verzen volgens hun onderwerpen (id. 92-97) aan, naast de zingeving van lofdichten (id. 113-118) en commentaren (id. 118-125), maar over vreemde aanhalingen wordt geen woord gerept. Zeer terecht trouwens, want pas in vellen, geconcipieerd na dit titelvel, komen andermans verzen in relatief groten getale voor. Van der Noot heeft namelijk ingezien dat een nu eens meer, dan weer minder kwistig omspringen met de staaltjes van zijn belezenheid de standing van zijn eigen werk enkel kan ten goede komen.

De oorspronkelijke bedoeling van deze handelwijze ligt voor de hand: de stemmingen of stellingen van de Brabantse dichter blijken gerugsteund door vreemde, ja zeer geziene poëten, aan wie geen zestiende-eeuwse lezer achteloos kan of mag voorbijgaan. Hun auctoritas wordt nadruk verleend door de typografische profilering: alle citaten zijn telkens netjes gescheiden van de hen omringende commentaar door het nodige wit en door het gebruik van een ander lettertype. Dit functionele citeren is eveneens verantwoordelijk voor de frequentie waarmee sommige regels terugkeren: zo wordt een blijkbaar in Van der Noots smaak gevallen citaat uit Patricius liefst driemaal in de PW herhaald (arnesto 86, farneze 307, bejar 225).

De verdere evolutie van zulke citering verloopt parallel met de ontwikkeling van de commentaren: oorspronkelijk fungeren de citaten eveneens als welkome steun voor Van der Noot of als verduidelijking van zijn wensen en klachten. Weldra echter evolueren zij tot een zeer handig hulpmiddel om de afwezigheid van Nederlandstalige kopij te verdoezelen. In deze functie blijken de citaten nog heel wat meer handelbaar dan de commentaren, waar Van der Noot toch doorgaans aan de parallelle opbouw in drie gelijke kolommen vastgekluisterd ligt. Aanhalingen daarentegen kunnen ingekort of verlengd worden naargelang van de wensen van de auteur of de noodwendigheden van het samen te stellen vel PW. Bij de toepassing van dit procédé schemert nog een bedenking op de achtergrond, die de huidige lezer liever aan de haast waarmee gedrukt

[p. 56]

diende te worden, dan aan de werklust van Jan van der Noot wil wijten: het ineenzetten van drie parafrasen in het Italiaans, Spaans en Frans vereist van de auteur zelf nog enige geestelijke inspanning, evenals de noodzakelijke tijd hiervoor; bij het inlassen van vreemde aanhalingen echter kan Van der Noot volstaan met de voorhanden editie van zijn geciteerde zegsman onder het oog van de zetter te schuiven70 of desnoods deze tekst met ten hoogste enkele minieme aanpassingen te kopiëren. Deze vrij enge visie schijnt helaas bewaarheid in enkele gevallen, waar zich achter een vrij opzichtige opmaak een kale leegte verschuilt. Zo moet hij in catanio, bij gebrek aan eigen verzen, een ‘Sonnetto a Dante’ uit de pen van Gabriello Simeoni over de hele helft van de laatste bladzijde laten zetten, een sonnet dat Van der Noot daarbij niet kent uit eigen lectuur, maar dank zij Jacob van der Mast. In balbi is de oplossing niet veel gelukkiger: de kopij van de binnenvorm blijkt eerder schraal, zodat een sonnet van Claude Turrin kwistig ruimte toebedeeld krijgt. Zulke ontmaskering lukt de aandachtige toeschouwer slechts incidenteel, omdat Van der Noots toch langzamerhand bekende handigheid hem doorgaans wel behoedt voor dergelijke misstappen. Zijn inderdaad aanzienlijke - en daarbij intensieve - belezenheid, de polyglotte diversiteit der stukjes en hun praktische toepassing, dit alles draagt bijna steeds bij tot een nog fleuriger uitzicht der PW. En Van der Noots prachtlievend publiek koestert uiteraard meer belangstelling voor de resulterende fraaie compositie dan voor de stellage, die dit bouwsel overeind houdt.

In het merendeel der gevallen laat Van der Noot zijn collega's optreden als verdedigers van de dichterlijke naam en faam in het algemeen. Naast een korte verduidelijking van Olivier de Magny, A Nicolas Compain, 49-60 inzake de voortreffelijkheid der dichters (angoni 368), krijgt toch eerder de eeuwigheidswaarde van de poëzie het volle pond dank zij Horatius en Ronsard. Van de antieke woordvoerder leest men De arte poetica, 333-334 (langhart 217, pardo 355, etten 283), 343 (etten 284), 391-407 (etten 350), Carmina, II, xx, 1-4 (wonsel 350), Carmina, IV, viii, 25-29 (sterckheyt 248 in de vertaling van Mondot), Carmina, IV, ix, 25-28 (t'shertogen 217, moneglia 82). Van Ronsard wordt in dit verband geciteerd A Jan d'Orat, 1-8 (etten 367), A mes Dames, 71-73, 76-85 (fuentes 157) en Hymne du treschrestien roy de France Henry II, 731-736 (opmeer 229). Onder de di minores tellen wij Bion, Idyllia (ed. Brvgis Flandror., 1565, 42-43) (pardo 372), Pontus de Tyard, Chant en faveur de quelques excellens Poëtes de ce Temps, 23-33 (farneze 40) en Magny, L'ombre de Salel, 131-134, 157-160 (fuentes 172, 176). De onvergankelijkheid van poëtische lof tegenover de teleurgang van aardse pracht trekt een koor aan van zowel antieke als moderne zangers: Horatius, Carmina, IV, viii, 13-22 (fuentes 42) en Propertius, Elegiae, III, ii, 19-26 (peeters 162) naast Petrarca, Il canzoniere. Sonetto CIV, 9-14 (catanio 75), Epistolae Familiares, VII, xv (peeters 145) naast Ronsard, Au Roy, 107-112, 115-147 (fuentes 52) en Joachim du Bellay, Discours au Roy sur la poësie, 61-76 (leiua 183).

Het hoge aanzien en de materiële welstand, die de dichter vanwege zijn medeburgers zouden moeten te beurt vallen vinden twee eerbiedwaardige verdedigers: Plinius Secundus Minor, Epistulae, III, 21 (apologie 118) en Franciscus Patricius, De institutione, II, vi (arnesto 86). Een anonieme Franstalige voorstander van het belonen der poëten blijkt Pontus de Tyard te zijn, in diens reeds vermelde Chant..., 67-75 (perrenot 241), naast Ronsard, Au reverendissime Cardinal du Bellai (farneze 318, ghysens 99). Maar helaas, welke slechte tijd voor deugdzamen in het algemeen en dichters in het bijzonder!

[p. 57]

Aldus zuchten zowel Ovidius, Ars amatoria, II, 147-149 (orco 281), Horatius, Satirae, I, iii, 55-62 (j. de smidt 175), Carmina, III, iii, 1-8 (j. de smidt 186), en zijn bewerker Cornelis van Ghistele, Satyrae oft sermones, 14v (j. de smidt 388) unisono met de Italianen Simeoni, Sonnetto a Dante (catanio 190) en - anoniem - Palingenius, Zodiacus vitae, II, 543-544, 549-551 (fuentes 222) naast de Franse grootheden Ronsard, Au pais de Vandomois, 65-68 (euterpe 154), A Gaspar d'Auvergne, 47-56 (sterckheyt 100), Hymne de l'autonne, 65-68 (stuytelinck 161), Magny, A Nicolas Compain, 37-48, 61-72 (sweerdts 78), Etienne Jodelle, A tresillustre princesse Marguerite de France, 57-66 (moneglia 426, via Ronsard) en Claude Turrin, Livre des sonets amovrevx. Sonet 57 (balbi 157). Tegen zoveel ongerechtigheid troost Van der Noot zichzelf en ook zijn lezers eenmaal met Boëthius, De Consolatione philosophiae, I, Metrum vii, 20-31 (j. de smidt 315), maar meer nog met de bijbel, steeds in Latijnse versie: Ps. 31:11 (j. de smidt 194), Ps. 117:17 (weerdt 1590 f 2v sprekende regel), Ps. 124:1 (j. de smidt 195), Prov. 11:20 (sterckheyt 113), Matth. 5:4 (orco 284), Luc. 16:8 (halmale 67), Jer. 4:22 (halmale 76). In deze laatste passage herinnert Van der Noot zich niet meer uit welk bijbelboek dit citaat stamt. Hij verschuilt zich dan ook maar achter de Vulgaat: ‘Donc S. Hierome dict, à bon droict...’ (halmale 74-75). Een totaal andere reeks bronnen is zeer leerzaam. In zes gevallen geeft Van der Noot in zijn commentaar een lijstje van een twee- of drietal Latijnse en Griekse dichters, die - evenals Ronsard - hetzelfde onderwerp als wat hij thans behandelt, in hun poëzie hebben neergelegd. In ruil voor deze geleerde toelichtingen verwacht hij van de lezer het nodige ontzag tegenover zulke eruditie. De handelwijze van onze Brabantse dichter zou aldus te vergelijken zijn met de bemoeiingen van Ronsard, die in zijn Bocage (1554) trots wijst op zijn Griekse bronnen71. In Van der Noots geval moet de gestadige terugkeer van Ronsards naam onder deze dichters de opmerkzame lezer tot nadenken stemmen. Niet ten onrechte, want op weinige uitzonderingen na heeft onze auteur zijn wijsheid gepuurd uit de commentaar van Marc-Antoine de Muret en Remi Belleau, respectievelijk bij Le Premier en Le Second livre des Amours van Ronsard. Het citaat uit Marullus, Epigrammaton, II, xliv, 1-2 (sueiro 97) stamt dan ook uit de commentaar van Belleau. De toelichting, hoe zich te gedragen na een nachtmerrie, is Van der Noot evenmin bij Apollonius, Argonautica, IV, 662-664 gaan naslaan, maar wel bij Muret (bejar 207). De verwijzing in één adem (vergano 287) naar ‘le commentaire sur Theocrit’ (=Idyllae, VII, 63-70), Anacreon (ed. Preisendanz, nr. XLIII, 1-3) en Tibullus (=Elegiae, III, vi, 5-7) dankt Van der Noot eveneens aan Belleau. Aan Muret dan weer zijn Martialis, Epigrammata, VI, xi, 10 en Bion (=Moschus, Bucolicae, II, 8) ontleend (peeters 381). In deze laatste passage treffen wij tevens een blijk van Van der Noots verdere belezenheid aan: op eigen initiatief heeft hij Ovidius, Ars amatoria, II, 107 aan dit rijtje toegevoegd. Naar aanleiding van Ronsard, A elle mesme, herinnert zijn leerling zich de voor de hand liggende reminiscentie aan Vergilius, Aeneis, VI, 660-662 (angoni 265). Bij een Chanson van Ronsard weet Belleau enkel mee de delen: ‘Imitation d'vne des chansons de Petrarque’, terwijl Van der Noot erin slaagt ons de juiste (georges 200) referentie te geven - wij weten reeds sinds Het Bosken en Het Theatre dat Petrarca voor hem geen onbekende is. In pardo 372 slaagt hij er zelfs in de Griekse dichter Bion als bron van Ronsard aan te wijzen, een inzicht waartoe geen enkele der vroegere Franse commentatoren gekomen was.

[p. 58]

Bij het overlopen van deze uitvoerige lijst van geraadpleegde voorgangers en tijdgenoten zou men kunnen denken dat Van der Noot zich wel zeer schatplichtig moet voelen tegenover hen, en dientengevolge het werk van zijn illustere bentgenoten ongerept zou overnemen in zijn PW. Dit blijkt echter niet het geval te zijn, welke handelwijze kan gestimuleerd zijn door het principe der imitatio: simile, non idem72. Begin en einde van vele citaten worden aangepast aan de noden van de voorafgaande of volgende commentaar. Zo wordt Horatius, De arte poetica, 333, ‘Aut prodesse volunt aut delectare poetae’ tot ‘Natura impellimur vt prodesse & delectare volimus’ (etten 383, pardo 355). Waar Tahureau een strofe besluit als volgt: ‘Ou bien autrement qu'il [=de dichter] s'asseure N'estre qu'vn singe contrefait’, blijkt Van der Noot deze boutade slechts matig te appreciëren; zijn versie luidt dan ook: ‘Comme les Dieux ont a grand cure Faict estre Vander Noot, parfaict’ (tassis 298-299). Pontus de Tyard prijst de sterveling gelukkig, die vermeld wordt in ‘des doctes vers Qui le font luisant, & beau, Mort vivre par L'Univers’. Van der Noot verbetert: ‘Qui le font luisant, & beau, Reuiure par l'Vniuers’ (farneze 49-50). Ook Du Bellay ontsnapt niet aan Van der Noots lust tot adaptatie: het beginvers van het citaat in leuia 183 zou te abrupt klinken ‘Aydé le genre humain, pour sacrer leur memoire’; bij Van der Noot luidt dit vers ‘Quelques Princes puissans pour sacrer...’, maar dit blijkt dan toch geen volslagen eigen vinding, want vier verzen daarvoor begint zijn Franse bron met de woorden ‘C'est pourquoy ces grands Roys, et magnanimes Princes...’. Zelfs de grote Ronsard moet zich vanwege zijn Brabantse volgeling zulke behandeling laten welgevallen, zo in etten 371, ‘Par leurs douceurs nous abatent’, waar Ronsard, in de edities 1567-1587 heeft: ‘douceurs qui abatent’; zo in fuentes 160-161, waar twee verzen van Ronsard vervangen worden door een eigen inval!

Van der Noot voelt zich hiertoe gerechtigd, omdat hij zich reeds in 1584-1585 door Ackermans op voet van gelijkheid heeft laten stellen met Homerus, Vergilius en Petrarca (apologie 335-347). Hij beschouwt zijn wijzigingen dus niet als impertinenties, maar enkel als ‘gelukkiger’ evenwaardige varianten.

Tussen de citaten verdienen eveneens de deviezen een plaatsje. Telkens Van der Noot de leus van een mecenas kent, laat hij niet na deze te vermelden, zo ‘Nec me qviescere sinit’ bij Amodeo van Savoye (amodeo 37). Ook de eerbetuigingen aan Christoforo de Mondragon worden besloten met ‘Vigilate virtvti. De Montdragon’ (fuentes 184). Prelaat Dionys Feytens is de houder van een sprekende leus: ‘Schovt qvade feyten’ (feytens 41). Daarnaast komen herhaaldelijk sententiën voor, die als devies van Jan van der Noot zelf fungeren. Zo de spreuk, die reeds op de voet van de titelplaat in Das Buch Extasis en onder de obelisk in CB/Abr prijkt: ‘Deficiet nunquam generoso in pectore virtus’ (titelvel 1588 f 2v, titelvel 1589-1590 f 1r, titelvel 1592-1593 f 2v, titelvel 1593-1594 f 2v slotvel [1] f 2v, sueiro 209, perrenot 155, sterckheyt 156). Vergilius, Aeneis, V, 344 ‘Gratior et pulchro veniens in corpore virtus’ wordt, mits enige wijzigingen, ‘Gratior est pulchro veniens ex corpore virtus’ (amodeo 126, aelmoesseniers 195, daems 275, balbi 222, b. de smidt 237, sterckheyt 201). In de korte gezegden ‘Tempera te tempori. Post tenebras sperans lvcem, post nebvla Phoebvs’ (titelvel 1588 f 2v, titelvel 1589-1590 f 2r, titelvel 1591 f 2v, titelvel 1592-1593 f 2v) en ‘Tempera te tempori, labore et indvstria, amore et prvdentia’ (ibidem) komen antieke spreekwoorden voor. Dezelfde idee vindt men nog elders uitgedrukt: ‘A[s]per

[p. 59]

aspera querit. Tempera te tempori. Amore & Prudentia’ (gallo 528). Aan de raadselobelisk van CB/Abr is ontleend ‘Dilige virtvtem remanet post fvnera virtvs’ (feytens 138, fuentes 121), waarvan het laatste stuk wel meer voorkomt als spreekwoord. Al deze deviezen worden door Van der Noot zonder vast systeem aangewend als sluitstukken in zijn PW. Slechts twee leuzen hebben een vaste plaats: ‘Magnanimos fortesqve beat sine crimine virtvs’ komt enkel voor in titelvellen (titelvel 1588 f 1r, titelvel 1589-1590 f 2r, titelvel 1591 f 2v) en ‘Phoenici similis vivit post fvnera virtvs’ blijft constant onder de slotillustratie sinds 1590 (weerdt 1590 f 2v, vveerdt 1593 f 2v). Eenmaal wordt een lofzang ter ere van Antwerpen passend afgesloten met de spreuk ‘Vrbs Antve[r]piae Evropae decvs’ (halmale 331), waarvan het tweede lid ons reeds vertrouwd is sinds de Apod, § 15 (OE, [12]) en nog meer sedert LvB, XV. Merkwaardig is wel het sterk epigrafisch karakter van deze deviezen: met uitzondering van sterckheyt 156 staan zij steeds in romeinse kapitalen gedrukt. Hierdoor beantwoorden zij volkomen aan de allegorische voorstelling der PW, waarbij de lijsten rond de pagina's het aanschijn krijgen van een onvergankelijk bedoelde inscriptietafel, waarvoor uiteraard dit kapitaalschrift het meest passende is73.

Zowel de keuze van de citaten als het gebruik ervan binnen de PW zijn verhelderend voor de werkwijze van Jan van der Noot; de geciteerde auteurs zullen wij grotendeels terug ontmoeten in de behandeling van de bronnen, terwijl het aanwenden van hun verzen in meer dan een opzicht leerzaam blijkt.

Hun aanwezigheid stoelt op het argument der auctoritas: met merkbaar zelfbehagen kan Van der Noot zijn publiek parallelle vindplaatsen uit het werk van andere auteurs voorschotelen, waaruit de juistheid, redelijkheid en algemeengeldigheid van zijn zienswijze blijkt. Dit laatstgenoemde aspect is dan ook uiteindelijk verantwoordelijk voor de bonte samenlezing van het gezagvolle gezelschap, waardoor Horatius, de psalmen en Boëthius in eenzelfde vel kunnen voorkomen (j. de smidt 175, 194, 315). Het beoogde doel van het gebruik der citaten is tweeërlei: zoals reeds gezegd, wil Van der Noot hiermee zijn publiek imponeren, maar daarnaast geldt nog een ander, meer persoonlijk streven voor hemzelf: het is een symptoom van zijn drang naar solidarisering, van zijn hang naar geborgenheid, van zijn strijd om erkenning. Elders wordt uiteengezet hoe de Antwerpse dichter deze eis tegenover zijn publiek stoffelijk tracht te realiseren74; hier echter vordert Van der Noot zijn erkenning in poeticis, doordat hij andere dichters - en niet van de minsten - als spreekbuis van zijn bewogenheid laat aanrukken. Op deze essentieel ondersteunende functie leggen de begeleidende zinnen telkens nadruk: ‘Comme Horace dict aussi...Cornelis van Ghistel/in d'ouersettinghe der Satyren Horatij, dienende tot desen proposte’ (j. de smidt 172, 398).

De opmerkzame lezer kan misschien een element van tegenspraak vermoeden tussen deze rol van de citaten als toch wel belangrijke morele steun voor Jan van der Noot, en de stelling, voordien geopperd, dat zij te baat genomen worden als zeer goedkope opvulling bij gebrek aan eigen verzen en commentaren. Deze contradictie is echter slechts schijn. De enigszins denigrerende zienswijze slaat niet op de inhoud van de verzen van Horatius of Ronsard, noch op het principe van hun aanwending door Van der Noot, maar wel op de materiële verschijningsvorm hiervan. Naast de reeds vermelde voorbeelden van uitspreiding over een meer dan voldoende oppervlakte van een blad-

[p. 60]

zijde, mag men zich ook de vraag stellen of het wel nodig is in één adem achtendertig verzen van Ronsard (fuentes 52-89) of vierentwintig van Magny (sweerdts 78-101) te reciteren, louter ter illustratio.

Dat Van der Noot andermans verzen niet als onaantastbare relieken beschouwt, blijkt ook uit zijn manipulaties ermee. Nieuw is dit procédé voor hem alleszins niet, want reeds in de Apodixe, die toch onder zijn zeer substantiële supervisie ontstaan is, komen zulke eigenzinnige ingrepen voor, meer bepaald in de verzen van Lucretius, Mantuanus en - via Polydorus Vergilius - van Lucanus (DBE, 187-189). Hierbij moet men zich wel hoeden voor een mogelijk misverstand: er dient onderscheid gemaakt te worden tussen de wijzigingen, die Van der Noot op eigen initiatief aanbrengt, en de varianten, die de oorspronkelijke auteur in de opeenvolgende drukken kan toevoegen. Vooral in het geval van Ronsard is waakzaamheid geboden, want deze perfectionist heeft zijn bundels gedurende een periode van dertig jaar telkens herzien en aangepast, zodat er van zijn vroegste werken acht tot negen uitgaven onder supervisie van de auteur bestaan75. Dank zij de orthografische bijzonderheden der citaten is het meermaals gelukt met vrij grote waarschijnlijkheid de editie te bepalen, die Van der Noot in handen gehad heeft. Gezien de zeer belangrijke consequenties inzake de precieze invloed van de auteur in kwestie op Jan van der Noot, die deze beperking automatisch met zich meebrengt, wordt de mogelijke bepaling van de geraadpleegde uitgaven verschoven naar de afdeling Bronnen.

De interactie van deze vier essentiële bestanddelen, met name Van der Noots eigen poëzie, commentaren, lofdichten en citaten, bepaalt de structuur der PW. Ontstaan als opdrachtverzen bij CB/Abr en LvB, nadien evoluerend tot een reeks huldeadressen in 1581-1583, worden de PW uiteindelijk Van der Noots meest omvangrijke publikatie. Naarmate dit geheel aangroeit, neemt ook de noodzaak tot structurering toe: de gedichten worden verdeeld over de vijf besproken rubrieken, en er wordt een methodisch beroep gedaan op lofdichten, commentaren en citaten. Aanvankelijk is de rol van deze omkaderende elementen secundair: in de produktie van 1588 is hun voorkomen wisselvallig, als afhankelijk van de weerklank die Van der Noot wenst voor sommige gedichten. Sinds gallo echter maken zij een coherent deel der PW uit; waar zij voordien opgenomen werden wanneer de inhoud van sommige gedichten dit toeliet of vereiste, daar is van nu af aan hun ontbreken een uitzondering, waarvoor dan ook telkens een reden in de overige samenstelling van dit individuele vel voorhanden is: uitvoerige tekst (chefs), eentalig publiek (bejar) of haastige compositie (tassis).

Is de afwezigheid van commentaren, lofdichten en citaten gering, dan is hun verschijningsvorm toch zeer veranderlijk, en in hoge mate afhankelijk van Van der Noots voorhanden poëtische produktie. Bij de samenstelling van elk vel verzamelt de dichter allereerst het aantal gedichten uit zijn eigen pen, dat hij thans wil publiceren. De resterende plaats vult hij dan systematisch op met begeleidende teksten, waarvan de lengte dan ook bijzonder ongelijk kan zijn. Toch verleent de methodische gebruikmaking van al deze elementen aan de bundels PW een constante structuur, dank zij het klassieke patroon Nederlands gedicht-polyglotte commentaar, indien mogelijk nog opgeluisterd door toepasselijke vreemde verzen. De inhoud van al deze aanvullingen is steeds sterk op het te commentariëren stuk gericht, waardoor de samenhang van al deze onderscheiden elementen uiteraard slechts verstevigd worden kan. Vertaling en verdui-

[p. 61]

delijking in de commentaren, loftuitingen aan Van der Noots adres in de eerrijmen en verheerlijking van het dichterschap in de citaten vervullen elk voor zich hun onderscheiden opdracht binnen de structuur der PW: het opwekken van appreciatie voor het behandelde gedicht en het afdwingen van respect voor de dichter die dit vertoon van kennis waardig is.

B. Bronnen

De heterogene samenstelling van de PW verklaart de diversiteit van de achterhaalde bronnen. Deze eigenheid verantwoordt dan ook de bestudering van deze literatuur volgens dalende gebruiksfrequentie, eerder dan een ordening op chronologische basis. Binnen het kader der PW betekent dit, dat allereerst de Franse literatuur aan bod komt, gevolgd door de bijbel, de klassieken, emblematische, ethische en historische werken, de eigen Nederlandse letterkunde, en ten slotte ontleningen uit Van der Noots vroeger werk.

§ 1. Romaanse invloed

Wat het aantal citaten in de PW uit het werk van Ronsard reeds laat vermoeden, wordt door de volgende lijst ontleningen duidelijk bevestigd: zowel de figuur als het werk van Pierre de Ronsard hebben op Jan van der Noot een overweldigende indruk gemaakt en als model gestaan voor zijn eigen dichterlijke activiteit.

Gezien de massa der ontleningen komen die het best tot hun recht wanneer deze gegevens in een lijst gerangschikt worden.

Men vindt dan ook achtereenvolgens (a) de verkorte titel van de bundel met het jaartal waarin die voor het eerst gepubliceerd is, (b) het nummer van het gedicht volgens de editie Laumonier (STFM), of, bij gebrek hieraan, de verkorte titel van Ronsards gedicht, (c) de vindplaats in de PW, (d) het jaar waarin dit laatste vel gedrukt is. Nadere cijfers aangaande het aantal ontleende verzen zoeke men in de rubriek Bronnen bij de Verklarende aantekeningen van elk vel PW.

Les quatre premiers livres des odes (1550) I, Ode III (STFM, I, 72) liefvelt (1580-1581)
  goossenius (1584-1585)
  I, Ode IV (STFM, I, 79) matthias (1580)
  I, Ode V (STFM, I, 82) croy (1580)
  goossenius (1584-1585)
  I, Ode VIII  
  (STFM, I, 100) goossenius (1584-1585)
  I, Ode IX (STFM, I, 108) liefvelt (1580-1581)
  I, Ode XI (STFM, I, 126) etten (1593-1594)
  I, Ode XVIII  
  (STFM, I, 154) goossenius (1584-1585)
  I, Ode XIX  
  (STFM, I, 160) farneze (1592)

[p. 62]

  II, Ode IV (STFM, I, 183) crabbe (1592)
  II, Ode XXV  
  (STFM, I, 248) angoni (1592-1593)
  III, Ode XIV  
  (STFM, II, 35) farneze (1592)
  IV, Ode IV (STFM, II, 91) scholiers (1584-1585)
  euterpe (1592-1593)
  IV, Ode XI  
  (STFM, II, 120) ghysens (1593-1594)
  IV, Ode XVII  
  (STFM, II, 148) gallo (1589)
Le Bocage (1550) V (STFM, II, 169) bentinc (1593-1594)
  sterckheyt (1595)
  XIII (STFM, II, 192) pruenen (1584-1585)
Le cinquiesme livre des odes (1552) III (STFM, III, 98) liefvelt (1580-1581)
  VIII (STFM, III, 118) matthias (1580)
  chefs (1593)
Les Bacchanales ou le...voyage d'Hercueil (1552) (STFM, III, 184) vergano (1592-1593)
Les Amours (1552) XXXVI (STFM, IV, 39) helmans (1591)
  LXXXIII (STFM, IV, 83) peeters (1592-1593)
  CII (STFM, IV, 101) liefvelt (1580-1581)
  CXIII (STFM, IV, 111) bejar (1593-1594)
  CXV (STFM, IV, 113) wonsel (1591)
  CLXXI (STFM, IV, 162) peeters (1592-1593)
  damant (1593-1594)
Traduction de quelques epigrammes grecz (1553) XII (STFM, V, 87) roy (1588)
  XVII (STFM, V, 91) roy (1588)
Les Amours (15532) XCVIII (STFM, V, 133) balbi (1589-1590)
  CVII (STFM, V, 138) helmans (1591)
  CVIII (STFM, V, 139) sueiro (1590-1591)
  Ode sur les miseres (STFM, V, 192) perrenot (1589-1590)
  Ode (STFM, V, 196) peeters (1592-1593)
Le cinquiesme livre des odes (15532) La Harangue  
  (STFM, V, 203) grammey (1588)
  Elegie (STFM, V, 224) perrenot (1589-1590)
Le Boccage (1554) Le Narssis  
  (STFM, VI, 73) tassis (1589-1590)
  Ode (STFM, VI, 113) pardo (1590-1591)
  Odelette (STFM, VI, 115) liefvelt (1580-1581)
Les Meslanges (1555) Elegie (STFM, VI, 152) daems (1589-1590)
  vrouwen (1589-1590)
  Odelette (STFM, VI, 174) vergano (1592-1593)
  L'Hinne (STFM, VI, 176) gambrinus (1584-1585)

[p. 63]

Les quatre premiers livres des odes (15553) III, Ode I leiua (1589-1590)
  (STFM, VII, 24) fuentes (1592-1593)
  III, Ode VI (STFM, VII, 75) fuentes (1592-1593)
Continuation des Amours (1555) XIII (STFM, VII, 130) vergano (1592-1593)
  LIII (STFM, VII, 169) grammey (1588)
Nouvelle continuation des Amours (1556) Elegie (STFM, VII, 225) voorwerk (1580-1581)
  Chanson (STFM, VII, 251) sueiro (1590-1591)
Les Hymnes (1555) Hymne (STFM, VIII, 5) opmeer (1592-1593)
  Hymne (STFM, VIII, 47) liefvelt (1580-1581)
  sueiro (1590-1591)
  mechelman (1592-1593)
  Priere (STFM, VIII, 103) perrenot (1589-1590)
  tassis (1589-1590)
  Les Daimons (STFM, VIII, 115) mechelman (1592-1593)
  H. de l'Or (STFM, VIII, 179) hofmans (1582)
  gambrinus (1584-1585)
  aelmoesseniers (1588)
  opmeer (1592-1593)
Le second livre des Hymnes (1556) A Marguerite (STFM, VIII, 241) apologie (1584-1585)
  Epistre (STFM, VIII, 328) liefvelt (1580-1581)
  peeters (1592-1593)
  Elegie (STFM, VIII, 351) carro (1590-1591)
L'Hymne de Charles cardinal de Lorraine (1559) (STFM, IX, 29) tassis (1589-1590)
  sueiro (1590-1591)
Chant pastoral (1559) (STFM, IX, 75) gallo (1589)
Le second livre des Meslanges (1559) A.M. du Thier (STFM, X, 38) castro (1582)
  liefvelt (1580-1581)
  Sonnet IV (STFM, X, 69) castro (1582)
  Sonnet XVII (STFM, X, 82) bentinc (1593-1594)
  Sonnet XIX (STFM, X, 84) liefvelt (1580-1581)
  Elegie (STFM, X, 101) apologie (1584-1585)
Les OEuvres (1560) Elegie (STFM, X, 202) maes (1583-1584)
  Le voiage (STFM, X, 214) sueiro (1590-1591)
  Elegie (STFM, X, 300) t'shertogen (1592)
  angoni (1592-1593)
  La vertu (STFM, X, 337) discovrs (1583-1584)
  sterckheyt (1595)
  Elegie (STFM, X, 348) bejar (1593-1594)

[p. 64]

Continuation du Discours des Miseres (1562) (STFM, XI, 35) bejar (1593-1594)
Responce aux injures (1563) (STFM, XI, 111) t'shertogen (1592)
Les trois livres (1564) Epistre (STFM, XII, 3) liefvelt (1580-1581)
  Hymne de l'autonne (STFM, XII, 46) wonsel (1591)
  stuytelinck (1592-1593)
  Hymne de l'hyver gambrinus (1584-1585)
  (STFM, XII, 68) perrenot (1589-1590)
  Chanson (STFM, XII, 163) georges (1593-1594)
  Compleinte (STFM, XII, 172) matthias (1580)
  discovrs (1583-1584)
  chefs (1593)
  bejar (1593-1594)
  Elegie (STFM, XII, 215) peeters (1592-1593)
Le proces (1565) (STFM, XIII, 17) pruenen (1584-1585)
  perrenot (1589-1590)
Elegies, Mascarades et Bergerie (1565) Elegie (STFM, XIII, 39) sweerdts (1592-1593)
  Elegie (STFM, XIII, 63) croy (1580)
  Elegie (STFM, XIII, 150) grammey (1588)
  Elegie (STFM, XIII, 170) re (1591)
  Sonnet (STFM, XIII, 242) sterckheyt (1595)
  Ode (STFM, XIII, 256) castro (1582)
  gallo (1589)
Abbregé de l'art poëtique François (1565) (STFM, XIV, 3) voorwerk (1580-1581)
  apologie (1584-1585)
Les OEuvres (15672) Kwatrijn (STFM, XIV, 42) titelvel (1593-1594)
  Elegie (STFM, XIV, 81) amodeo (1588)
Le septiesme livre des poëmes (1569) A Cassandre (STFM, XV, 191) vergano (1592-1593)
La Franciade (1572) Livre II (STFM, XVI, 93) mechelman (1592-1593)
Les Estoilles (1575) Responce (STFM, XVII, 50) craenmeester (1581-1582)
Les OEuvres (1578) Prière (STFM, XVII, 401) wonsel (1591)
Livre de Meslanges (1560) Préface (STFM, XVIII, 480) liefvelt (1580-1581)
  chefs (1593)

Onmiddellijk valt de niet-verslappende aandacht op, waarmee Van der Noot het hem bereikbare werk van zijn Frans voorbeeld heeft doorgelezen: uit de thuisgebrachte verzen kan men geen speciale voorkeur voor een of andere bundel afleiden, maar wel de

[p. 65]

nauwlettende en bestendige zorg, waarmee Ronsards oeuvre geëxcerpeerd is. Nochtans wordt deze zo aanzienlijke invloed van Ronsard op zijn Brabantse adept gedeeltelijk begrensd door een zeer materiële omstandigheid: de precieze uitgave(n) van Ronsard, die Van der Noot in zijn latere levensjaren ter beschikking had. Dank zij Laumoniers kritische editie (STFM) kan men, aan de hand van de varianten in Van der Noots citaten en woordelijke vertalingen, door eliminatie de uitgaven achterhalen, die hij geraadpleegd heeft in de bewuste periode 1580-1595. Men kan immers de tijdruimte; waarbinnen bepaalde varianten bij Ronsard voorkomen - en die Van der Noot overgenomen heeft - steeds meer inperken, en wel als volgt:

1555-1587: STFM, I, 184; II, 94.
1557-1587:   VII, 130.
1560-1587:   VII, 78.
1567-1587:   I, 126; VII, 32; XII, 182.
vóór 1587:   XVI, 125.
1553-1584:   III, 146.
1560-1584:   III, 138.
1555-1578:   I, 248, 250; II, 121.
vóór 1578:   II, 172; IV, 84, 111; VII, 30, 131; VIII, 44; IX, 64; XII, 165, 179.
1560-1573:   II, 121, 172.
1567-1573:   VIII, 332.
1569-1578:   XV, 191.
1571-1573:   II, 172.

Van der Noot heeft in deze jaren gebruik gemaakt van Ronsards derde (1571) of vierde (1573) ‘édition collective’, beide uitgegeven door Gabriel Buon te Parijs onder de titel Les oevvres (telkens zes delen 8o).

Wanneer uit al deze vindplaatsen blijkt dat in de PW geciteerd wordt naar een van deze twee edities, dan houdt deze vaststelling toch geen exclusiviteit in: Van der Noots bekendheid met Ronsards poëzie dateert natuurlijk uit een tijd die ligt vóór de samenstelling der PW en zelfs vóór het verschijnen van de twee voormelde verzameluitgaven: reeds in Het Bosken, gedrukt ca. 1570-1571, is de invloed van Ronsards bundels uit 1550-1553 merkbaar. Nog als welstellend patriciërszoon te Antwerpen zal Van der Noot zich Ronsards vroege poëzie in afzonderlijke bundels hebben aangeschaft. Het is evenmin onmogelijk dat hij precies tijdens zijn verblijf te Parijs in 1578 zijn kennis en boekenbezit inzake Ronsard en andere Franse dichters aangevuld heeft. Feit is echter dat in de PW een naam voorkomt, ‘Arion’ (chefs 193), die, indien ontleend aan Ronsard en niet aan enig poëtisch traktaat, enkel kan stammen uit het Livre de Meslanges (1560, 15722), waarvan de inleiding door Ronsard niet opgenomen is in enige ‘édition collective’. Daarnaast is er in de PW nog één citaat dat kan afkomstig zijn uit een vroegere editie dan die van 1571: ‘Huiez, siflez, moquez, des peuples ont estè’ (stuytelinck 163). Voor het eerste woord luidt Ronsards tekst in 1571 ‘Huez’, in 1564 ‘Huiez’. De bewijskracht van deze ene letter is toch niet overgroot: ‘Huiez’ is de meer ouderwetse vorm, en daarom misschien meer vertrouwd aan Van der Noot - of de Antwerpse zetter - die zich in het voorgaande vers reeds de wijziging ‘Diuins’ gepermitteerd heeft tegenover ‘Devins’ in alle uitgaven van Ronsard. Uit het werk van deze laatste, gepubliceerd na 1572, stammen mogelijk een drietal ontleningen. Hun voorkomen kan

[p. 66]

een aanwijzing betekenen dat Van der Noot ook deze latere produktie van Ronsard heeft bijgehouden, maar het geringe aantal van deze vindplaatsen kan tevens impliceren dat hij de betreffende Franse bundels niet permanent te zijner beschikking had.

Ten aanzien van de geraadpleegde Ronsard-editie uit 1571 of 1572-1573 echter moet men een bijzonder indringende lectuur constateren. Het rendement van deze exhaustieve leesmethode is immers onmiskenbaar, ook numeriek: de vertrouwdheid met en het - doorgaans stilzwijgend - beroep op Ronsards verzen blijkt een constant element te blijven bij de samenstelling der PW. Zowel in de oudste vellen uit 1580 (matthias) als in de laatst gedrukte exemplaren in 1595 (sterckheyt) is de invloed van de Fransman onmiskenbaar aan te wijzen.

 

Na Ronsard is Van der Noots geprefereerde Franse auteur niet wie men normaal zou verwachten, Joachim du Bellay, maar wel Olivier de Magny (oca. 1529 † 1561).

Van deze vrij jong gestorven dichter heeft Van der Noot heelwat het vertalen waardig gekeurd of zelfs meer rechtstreeks overgenomen, zoals blijkt uit de volgende opsomming:

A Monseignevr d'Avanson (ed. Blanchemain, 3) carro
A Madame Soeur du Roy 9 opmeer
A...Charles de Lorraine 27 amodeo
A...Alexandre Farnese 35 balbi
L'ombre de Salel 62 fuentes
A Iean Bertrand 109 deybarra
A Nicolas Compain 115 angoni, sweerdts, damant, grammey
A Honnore Castellan 132 helmans
Les lovenges dv iardin d'Ennet 181 angoni
Svr la prise de Calays 198 tassis
A François Pesloe 244 angoni

Het merendeel van deze gedichten is zeer getrouw vertaald, met als typische specimina de bewerkingen in angoni, balbi en opmeer. Tweemaal heeft Van der Noot Magny's verzen, voorzien van zeer minieme aanpassingen, voor zijn produktie laten doorgaan (tassis, angoni). Tegenover deze navolging van Ronsard en Magny, die men tot de creatieve imitatio mag rekenen, zijn de hierna volgende Franse dichters met minder omzichtigheid behandeld. In al deze gevallen heeft Van der Noot Franse verzen gecomponeerd aan de hand van reeds bestaande Franse gedichten van meer of minder bekende auteurs. Zij volgen hierna in volgorde van gebruik door hun Brabantse lezer.

 

Claude Turrin (o ca. 1540 † 1566) is jong gestorven. Zijn werk is postuum uitgegeven in 1572; het is dan ook deze editie, die Van der Noot geraadpleegd heeft.

Elegie 3 (ed. 1572, 9r) dennetieres
Les Charites 30v pruenen, chefs, moneglia, wonsel
Sonet 18 52v daems
Sonet 57 65v balbi
Sonet 68 69v daems

[p. 67]

Uit de bundel Les poesies, Paris, 1574, van Jacques Tahureau (o1527 †1555) heeft Van der Noot niet enkel enige gedichten ontleend, maar zelfs een paragraaf uit het voorbericht en een Latijns lofdicht.

Advertissement avx Lectevrs (ed. 1574, A3v) titelvel 1589-1590
Lofdicht van Jean Taron A4v noot
A...Loys de Lorraine 11v perrenot
A monsievr Tiercelin 20v perrenot
A Jacques de Coyttie 42r tassis
A Gilles L'Hvyllier 49v deybarra
A Hierosme de la Vayrie 55r tassis

Pas nu verdient Joachim du Bellay (o1522 †1560) enige vermelding. Dit is wel opmerkenswaardig, niet enkel om de prominente rol van deze auteur in de Franse literatuur en zijn overeenkomstige waardeschatting, maar ook wel omdat Du Bellay toch reeds een oude bekende van onze dichter is: reeds in Het Theatre zijn elf sonnetten naar de Songe vertaald. Zijn de ontleningen aan Du Bellay schaars, dan zijn zij toch uit diverse bundels samengelezen, wat dan weer op een vrij grote vertrouwdheid met diens oeuvre wijst.

Ad Ianvm Avansonivm (ed. Courbet, I, 468) titelvel 1588
La deffence et illustration (ed. Chamard, 75) matthias
  132 perrenot
Les regrets 7 (ed. Jolliffe-Screech, 64) farneze
Les regrets 145 220 dennetieres
Les regrets 166 242 mechelman
Elegie amoureuse (ed. Courbet, II, 375) re
Inscriptions II, 453 arnesto

Van Pontus de Tyard (o1521 †1605) kende Van der Noot alvast de Trois livres (1573). Afgezien van de citaten, hiervoor vermeld, werd slechts in één Frans gedicht gebruik gemaakt van zijn verzen.

Second livre. Sonnet VI (ed. Lapp, 87) re

Als laatste bundel in deze reeks Franse bronnen moet een Horatius-vertaling genoemd worden, Les cinq livres des odes de Q. Horace, Flacce. Tradvits dv latin en vers françois par I. Mondot Velavnois, Paris, 1579. Deze versie wordt hier vermeld, en niet tot de klassieke bronnen gerekend, omdat Van der Noot in de eerste plaats gebruik gemaakt heeft van de Franse verzen uit deze bundel en van enig allegorisch bijwerk.

Lofdicht van Baltazar Chavasse (ed. 1579, ā 8v) euterpe
Odes II, xx 53v wonsel
Lofdicht van G. Boyer 56v halmale
Odes IV, viii 104v sterckheyt
Emblematische slotprent S3v weerdt 1590

In de PW blijkt geen beïnvloeding door Belleau of Baïf. Mellin de Saint-Gelais is geraadpleegd door Hugues Cabisset (dennetieres 203).

[p. 68]

Petrarca was reeds vroeger geen onbekende voor Van der Noot gebleken, getuige de twee sonnetten in Het Bosken, die uiteindelijk op de Italiaanse dichter teruggaan (Smit-Vermeer, 23)76, en de zes epigrammen in Het Theatre, ontleend aan Petrarca's Canzone 24 (Smit-Vermeer, 43). In de PW komt daarbij nog het sextet van sonnet 104 (ed. Rigutini-Scherillo), dat reeds geciteerd is in een rekwest, behandeld door de Antwerpse schepenen op 19 juni 1586 (catanio 75). Bij dit gedicht sluit ook het zinnetje aan uit de Epistolae Familiares, VII, xv (peeters 145), waarnaar vermoedelijk verwezen werd in de commentaar bij het voorgaande sonnet77. Verdere vertrouwdheid met Petrarca blijkt uit georges 272: in zijn commentaar op Ronsard vermeldt Belleau enkel dat de leider der Pléiade Petrarca navolgt in een gedicht, dat naderhand door Van der Noot bewerkt is. Belleau zelf geeft geen verdere specificatie, maar Van der Noot blijkt in staat te zijn de juiste bron van Ronsard te citeren, nl. Canzone 15 (ed. Rigutini - Scherillo). De schildering van de ontmoeting tussen Petrarca en Laura (daems 176) zou, volgens mej. C. Ypes, gesteund zijn op de Petrarca-commentaar van Alessandro Velutello78. Volledigheidshalve zij hieraan toegevoegd dat mej. S. Witstein voor Het Theatre de invloed van twee andere dergelijke commentatoren, Andrea Gesualdo en Pietro Bembo, niet wil uitsluiten79.

Verzen met betrekking tot Dante, met name een lofdicht van Gabriello Simeoni, en het grafschrift door Giovanni dal Virgilio (catanio 180), kent Van der Noot niet uit rechtstreekse lectuur, maar via zijn Gentse vriend Van der Mast.

Naast de hierboven vermelde Canzone 15 van Petrarca is in georges ook een fragment opgenomen van een Spaans gedicht door ‘Señor Salusque Lusitano’ (georges 249), mogelijk (?) identiek met Damian Salucio del Poyo. Hoe Van der Noot deze dichter kent, is mij een raadsel; misschien heeft zijn enige Spaansschrijvende lofdichter, Luiz Franco, hem met dit gedicht in kennis gebracht.

Hoewel Marfira als muze van Juan Boscàn in de Spaanse commentaar aan het woord komt, blijken er toch geen ontleningen aan het werk van deze Spaanse dichter in de PW voor te komen80.

§ 2. Bijbel

Sporen van bijbellectuur kunnen geen verbazing opwekken, wanneer men Van der Noots vorige publikaties en vroegere levensloop bedenkt. Doorgaans beperkt hij zich tot het verwerken van vrij bekende bijbelse gegevens in zijn poëzie of commentaar. In tegenstelling tot de marginalia in Het Theatre vindt men in de PW enkel uitzonderlijk (weerdt 1590 f 2v sprekende regel) het bijbelboek vermeld, waaruit het geciteerde of geparafraseerde vers stamt. Wel wordt ooit vagelijk verwezen naar ‘S. Hierome’

[p. 69]

(halmale 74), wat betekent dat hiervoor de Vulgaat gebruikt is81. Aangezien in de PW geen sprake meer is van enig consequent ‘schriftuurlijk’ (Smit-Vermeer, 49) betoog, moet men deze bijbelverwijzingen beschouwen als deel uitmakend van Van der Noots parate bijbelkennis, en niet zozeer als de neerslag van doelbewuste lectuur in functie van het neer te schrijven gedicht. De verwerkte gegevens behoren dan ook tot de gebruikelijke en verspreide beelden (Ps. 89: 5-6 voor de vgl. tussen het mensenleven en het vlug verdorde gras), personages (David, Samson) en voorstellingen uit de bijbel, meer dan tot de zuiver leerstellige gedeelten ervan. In tegenstelling tot de verzen, die als losse sententiën of waarschuwende vermaningen in elk betoog kunnen gebruikt worden, is er slechts eenmaal in de PW een uitvoerige bijbelpassus verwerkt, en wel Ps. 40. Voor deze bewerking heeft Van der Noot een beroep gedaan op de meest uitvoerige apparatuur: hij maakt achtereenvolgens gebruik van de Franse vertaling door Théodore de Bèze, van de berijmingen door Petrus Datheen, Jan Utenhove en Marnix, en van de Vulgaat. Tegenover dit verzamelen der bereikbare hulpbronnen verstevigt het zoëven vermelde verwerken van losse bijbelverzen de indruk dat Van der Noot in deze periode teert op zijn eenmaal verworven kennis van de Schrift, aangezien de inhoud der PW hem niet noopt tot verdieping hiervan door intensieve lectuur of tot het hanteren van concordanties.

Onder de hierna opgesomde bijbelplaatsen valt geen uitgesproken voorkeur ten opzichte van het een of ander bijbelboek te noteren, tenzij een relatief frequent gebruik van het deuterocanonieke boek Tobias voor epithalamea.

Gen. 1:26 (b. de smidt); 2:24 (peeters)

Deut. 7:9 (j. de smidt)

Iud. 16:16-17 (sterckheyt)

I Reg. 17:49 (sterckheyt)

II Reg. 11:2 (sterckheyt)

Tob. 3:2 (scholier, b. de smidt), 8 (discovrs)

Ps. 31:11 (j. de smidt); 40 (noot); 67:3 (b. de smidt); 84:11(sterckheyt); 89:5-6 (orco); 101:4 (angoni); 112:2-3 (vrouwen); 117:17 (weerdt 1590); 124:1 (j. de smidt); 126:1 (sterckheyt); 144:16 (pruenen)

Prov. 11:20 (sterckheyt); 21:9, 19 (pardo); 31:10 (b. de smidt)

Cant. 2:2 (j. de smidt)

Is. 23:8 (moneglia); 40:6-8 (orco)

Ier. 4:4 (sueiro), 22 (halmale)

Matth. 5:4 (noot, orco), 9 (noot); 6:19 (fuentes), 24 (orco), 25 (j. de smidt); 7:6 (orco); 13:8, 44-46 (grammey, j. de smidt); 15:8 (aelmoesseniers); 16:25-26 (orco); 24:42-44 (roy); 25:1-12 (j. de smidt), 31-46 (aelmoesseniers)

Luc. 16:8 (halmale)

Ioan. 3:20 (j. de smidt)

I Cor. 3:16 (re); 6:19 (re)

Phil. 3:19 (damant)

I Petr. 2:13, 17 (opmeer)

I Ioan. 2:16 (roelandts)

Apoc. 20:1-3 (titelvel 1593-1594), 14 (roy)

[p. 70]

§ 3. Klassieken

Onder de antieke auteurs dienen vooreerst Horatius en Ovidius vermeld. Reeds het grote aantal citaten uit het werk van Horatius kan als garantie voor deze bekendheid gelden. Uit de varianten binnen de Horatius-citaten blijkt verder dat Van der Noot over meer dan één editie beschikt heeft. Ook de aanschaffing van de Franse Horatius-vertaling door Mondot is wel in de eerste plaats geschied tot beter begrip van het Latijnse origineel.

Aan Horatius ontleend zijn:

Carmina, I, xxii, 10, 23; II, v, 16 (vergano)
  II, xx, 1-4 (wonsel)
  III, iii, 1-8 (liefvelt, j. de smidt); het citaat in j. de smidt stamt uit Mondot.
  III, xxx, 12-14 (sueiro)
  IV, viii, 13-22 (fuentes); citaat volgens ed. Cruquius.
  25-29 (sterckheyt) in vertaling van Mondot.
  IV, ix, 25-26 (moneglia)
  25-28 (t'shertogen); citaat volgens Mondot.

Satirae, I, iii, 55-62 (j. de smidt); citaat volgens ed. Cruquius.

De arte poetica, 333 (pardo, etten)
  334 (langhart)
  343 (etten)
  391-407 (etten); citaat volgens nog een andere editie dan de twee vorige.

Uit eigen lectuur kent Van der Noot ook wel Ovidius, Ars amatoria, II, 107 (peeters), 147-149 (orco); III, 451-452 (titelvel 1593-1594). Het zeer bekende slotfragment van Metamorphoses, XV, 871-879 wordt in een gelijkaardige context verwerkt (slotvel), en ook Heroides, XXI, 156 wordt aangehaald (georges). De Nederlandse vertaling van dit laatste werk komt hierna nog ter sprake.

 

Daartegenover is de inbreng van Vergilius gering: enkel blijkt enige bekendheid met Aeneis, VI, 656-665 (angoni), terwijl een motto met enige aanpassing ontleend is aan Aeneis, V, 344 (amodeo). Meer inspirerend heeft Donatus, Vita Vergilii gewerkt (farneze), en ook in de apologie komt Romes nationaal dichter meer ter sprake.

 

Van Propertius wordt tweemaal hetzelfde citaat, bedoeld, Elegiae, III, ii, 19-26 (peeters, grammey), en ook Juvenalis is met een aangepast vers uit Satyrae, VIII, 19 (roy) vertegenwoordigd.

 

Uit Plutarchus, Vita Artaxerxis, kan - al dan niet via de Franse vertaling van Amyot - geput zijn voor bejar. Een anekdote over Artaxerxes (moneglia) gaat terug op de Apophtegmata.

 

Afgezien van het citaat in pardo (ed. Brvgis Flandror., 1565, 42-43) wordt de Griekse dichter Bion verder niet meer vermeld.

 

Chronologisch dient deze reeks afgesloten met Boëthius, De Consolatione philosop-

[p. 71]

hiae, I, Metrum vii, 20-31. Naast dit citaat in j. de smidt kan de prosopopee in bejar onder Boëthius' invloed gecomponeerd zijn. Daarbij moet men bedenken dat enige vertrouwdheid met dit werk blijkt uit de Apod, § 25 (OE, [239]-[240]) en uit het woord vooraf van het Stammbuch (SB, 60).

 

Van der Noots bekendheid met tal van andere antieke auteurs zal wel enkel middellijk geweest zijn, en dit via zestiende-eeuwse florilegia. Aanleiding tot deze zienswijze geeft niet enkel de anekdotische, fragmentaire inhoud van de geciteerde exempla, maar ook hun geringe frequentie per auteur: slechts uitzonderlijk wordt dergelijke autoriteit meermaals aangehaald. Dit is wel het geval met Plato, van wie drie dialogen onrechtstreekse invloed hebben uitgeoefend: de Phaedrus (chefs, leiua, crabbe, angoni, vergano, re), Protagoras (ghysens) en Meno (grammay, carro). De verwijzing in verband met dit laatste werk bewijst voldoende dat er geen directe lectuur van de oorspronkelijke tekst heeft plaats gehad: daarvoor is de versie bij Van der Noot te gesystematiseerd82.

Na Plato blijken Aristoteles en Cicero nog het meest geconsulteerd te zijn - via anderen: Cicero levert morele gedragsregels uit Laelius (castro) en De officiis (moneglia), terwijl de Stagiriet soortgelijke waarschuwingen ten beste geeft uit de Ethica (liefvelt), naast een anekdote over Simonides (craenmeester) uit de Rhetorica. Het in één adem vermelden van Seneca, Plautus en Pompeius als woordvoerders der standvastigheid (scholier 155) stamt uit verspreide antieke gegevens, respectievelijk Seneca, De remediis fortuitorum liber, IX, Plautus, Trinummus, II, ii, 3-13 en Plutarchus, Vita Pompeii, LXXV, maar deze gegevens komen hier vermoedelijk uit eenzelfde meer recente - doch niet achterhaalde - bron.

Ook het meermaals herhaalde citaat uit Plinius Secundus Minor, Epistulae, III, xxi (apologie, vveerdt 1588, angoni) is wel ontleend aan een actueler lof van het dichterschap83. Eenmaal worden enkele verzen uit de pythagorische Aurea carmina geparafraseerd (langhart), terwijl de bedenkingen van Artaxerxes (moneglia) - reeds vermeld bij Plutarchus - ook bij Pierre Habert, Le miroir de vertv et chemin de bien viure, Paris, 1581, 5r, en die van Isocrates (sueiro) bij Joachim Camerarius, Praecepta vitae pverilis, Basileae, 1536, 23, vermeld staan.

Ook Erasmus' Adagia kunnen als bron gefungeerd hebben voor enkele gezegden (opmeer, mechelman).

§ 4. Didactische literatuur

De volgende werken hebben, naast hun didactisch-wijsgerige inhoud, nog een toevallige omstandigheid gemeen: zij worden door Van der Noot - in tegenstelling tot de voorgaande auctoritates - grotendeels in volstrekte anonimiteit gehouden, hoewel een deel van deze literatuur reeds in Het Bosken zijn sporen nagelaten heeft.

De huidige rubriek omvat Van der Noots emblematische bronnen naast werken met morele en/of didactische inslag, evenals politieke literatuur in de trant der oude vorstenspiegels.

[p. 72]

De invloed van de Hypnerotomachie in de PW betreft dezelfde aspecten als in Das Buch Extasis, d.w.z. zowel het illustratieve gedeelte als de eigenlijke tekst. De afbeeldingen in Hypnerotomachie, 13v, 46r hebben model gestaan voor de titelhoutsnede sinds 1584-1585 en de emblematische voorstelling op weerdt 1590. Ook de omlijstingen in Hypnerotomachie, 88r, 90r, 95v kunnen nagevolgd zijn in de kaders voor de tweede reeks PW. Daarbij moet men ook de inbreng van de Hypnerotomachie vermelden via CB/Abr, waarvan de slotplaat niet enkel overgenomen wordt in LvB, maar ook in de PW (slotvel).

Uit de tekst der Hypnerotomachie zijn enkele deviezen ontleend, ten dele samenhangend met de emblematische voorstellingen (10v, 45v en 46r, respectievelijk benut in vveerdt 1588 en weerdt 1590). Tweemaal zijn reminiscenties aan ditzelfde werk vastgesteld (voorwerk, angoni) en eenmaal is de tekst zeer manifest nagevolgd (carro).

Uitvoeriger is er gebruik gemaakt van Andreas Alciati's Emblemata in een editie met commentaar van Claude Mignault. Weliswaar zijn de eigenlijke emblematische voorstellingen slechts in een minderheid van de gevallen door Van der Noot als bron verwerkt (Embl. 34 in weerdt 1590, embl. 36 in scholier, embl. 76 in leiua, embl. 151 in carro), de begeleidende commentaar echter des te meer (ed. 1591, 18 (pruenen), 21 (grammay), 155 (euterpe), 278 (liefvelt, farneze), 296 (leiua), 319 (titelvel 1593-1594), 394 (noot), 460 (titelvel 1593-1594), 461 (discovrs), 566 (sueiro), 645, 705 (vergano, noot), 706 (orco)).

Uit de verdere emblematische literatuur is lectuur van Sambucus waarschijnlijk (sueiro, titelvel 1593-1594), en die van Simeoni mogelijk (titelvel 1580-1581, farneze).

Van der Noots meer theoretische bronnen over het wezen van het dichterschap heb ik slechts ten dele kunnen terugvinden. Afgezien van het aandeel van Ronsard in dezen heeft Van der Noot een beroep gedaan op Boccaccio84 en op de commentaar van Jodocus Badius, getiteld Familiaria in Terentium prenotamenta, vooraan in zijn Terentius-uitgave. De gegevens van Boccaccio en Badius inzake dichter en dichterschap zijn verwerkt in de apologie en in het aanhangsel erbij, maar enkele realia uit Badius vindt men ook elders (angoni, helmans).

Daarnaast heeft Van der Noot nog beschikt over een werk (werken?) waarin bekende dichters, zowel Hebreeuwse als klassieke en moderne, met hun geliefden ter sprake kwamen (titelvel 1589-1590), evenals over een overzicht van de Provençaalse poëzie (etten).

 

Werken met historische inslag zijn in ruime mate vertegenwoordigd. Het mythologisch handboek van Boccaccio, Genealogie deorum gentilium libri is met de nodige aandacht doorgenomen, althans wat de kapittels betreft, gewijd aan de dichters (chefs). Ook het werk van Joannes Aventinus (Turmair), Annalivm Boiorvm libri septem, is blijkens een drietal mogelijke verwerkingen (gambrinus, j. de smidt, mechelman) in zijn beginbladzijden geraadpleegd. Deze auteur wordt expliciet vermeld in een uiteenzetting over koning Gambrinus, uitvinder van het bierbrouwen (gambrinus 36), in welk verband ook de desbetreffende gegevens bij Marcus van Vaernewijck verwerkt worden. In ditzelfde stuk treft men eveneens sporen aan van de lectuur van Burkard Waldis en

[p. 73]

Jean Lemaire de Belges. Deze laatste auteur - die trouwens vermeld wordt in matthias 140 en chefs 40 - is ook wel de uiteindelijke bron, waarop de naam van markgraaf ‘Ancelbertus’ uit De vrijagie in Het Bosken (Smit-Vermeer, 62) teruggaat85.

Eenmaal kan in een numismatische uiteenzetting een dergelijk werk van Hubertus Goltzius, C. Ivlius Caesar, ter hulp geroepen zijn (grammay).

Aan de Theuerdank worden in loco opportuno vier verzen besteed (inkoomste), waaruit men wel tot enige bekendheid met het bestaan van dit werk, maar niet tot indringende lectuur ervan mag concluderen.

Onder de politieke werken met moreel-didactische inslag komt de eerste plaats toe aan de Italiaanse bisschop en politicus Franciscus Patricius (o1413 †1492). Zijn werk De Regno & Regis institutione kan eenmaal geraadpleegd zijn (apologie), maar de invloed van De institutione Reipublicae is onmiskenbaar - net als bij Lucas d'Heere trouwens86 Afgezien van enkele uitvoerige uiteenzettingen over de deugd en het dichterschap87 - uit welke laatste passage door Van der Noot zelf een veelgeciteerd stukje samengesteld is - worden vooral realia verwerkt (ed. Parisiis, 1585, 1-3v, 7r-v (liefvelt), 34v (hofmans), 59v-60r (bejar, farneze, arnesto), 60r (claerhout), 66r (scholiers), 153v (leuia), 154v-155v (halmale, sterckheyt), 177v (goossenius), 182r (titelvel 1580-1581), 185r (perrenot), 291r (vveerdt 1588)). Zoals men ziet stammen deze gegevens uit geen bepaalde sectie van het werk, welke verspreide herkomst wijst op intensieve lectuur ervan door de ontlener.

Eenmaal heeft Van der Noot een fragment bewerkt van Antonio de Guevara (o1480 †1545), Spaans franciscaan, hofprediker en particulier geschiedschrijver van Karel V. Uit het meest bekende onderdeel van diens fictieve Marcus Aurelius-biografie Libro llamado Reloj de Príncipes, en el cual va encorporado el muy famoso libro de Marco Aurelio, nl. El villano del Danubio, heeft Van der Noot een passage bewerkt, die reeds door Jan Baptist Houwaert in het derde deel van zijn Milenus clachte, getiteld ‘d'Antijcke Tafereelen’ vertaald was. Onze dichter heeft echter niet Houwaert nagevolgd, maar wel een anderstalige versie (opmeer).

Een anoniem citaat (fuentes), afkomstig uit een uitgebreider fragment in het rekwest aan de Antwerpse schepenen (1586), blijkt ontleend te zijn aan Palingenius, Zodiacus vitae, II, 543-544, 549-551. Deze Marcellus Palingenius Stellatus (Pier Angelo Marzolli) (oca 1500 † ca. 1543) werd reeds vermeld door Grenerus in de Apodixe, daar echter met name maar zonder enig citaat (DBE, 189-190; OE, [26]).

§ 5. Nederlandse auteurs

De bestaande Nederlandse literatuur wordt door Van der Noot enkel beschouwd als mogelijke bron voor realia en als pakhuis voor poëtische rekwisieten.

De meest diverse details - en tevens de meest verspreide - zijn ontleend aan Lucas d'Heere, Den hof en boomgaerd der poësien, Ghendt, 1565, wat wijst op een ijverige lectuur van deze bundel, niet sub specie poesis, maar als verzameling wetenswaardighe-

[p. 74]

den. Reeds in Het Theatre - trouwens ingeleid door een lofdicht van de Gentse schilder-dichter - zijn enkele uitvallen tegen de gierigheid ontleend aan een refrein van D'Heere op de stok ‘Zot is hi die aerm leeft om rijcke te steruene’ (Smit-Vermeer, 239, 241, 242 = D'Heere, nr. LXXVI, 5, 37, 4). In de PW ontmoet men tweemaal een dichterlijk beeld dat stamt uit Den hof en boomgaerd (ghysens 133 = D'Heere, nr. V, 230-231; b. de smidt 90, roy 129 = D'Heere, nr. LXXVI, 39-40), viermaal zijn de attributen der muzen overgenomen uit eenzelfde gedicht, ‘Het Ghendsche Helicon en Parnassus’ (vergano, claerhout, t'shertogen, langhart), en ten slotte vallen nog een paar meer technische ontleningen te noteren: het rijmpaar ‘weldaden’ - ‘ghenaden’ (peeters 368-369) komt uit D'Heere, nr. VII, 51, en ‘stout bestaen’ (wonsel 83) leest men ook in D'Heere, nr. VII, 14.

Van twee andere teksten is een meer homogeen gebruik gemaakt: het spel van zinne van de Antwerpse rederijkerskamer De Goudbloem voor het landjuweel van 1561 is terdege geplunderd voor hofmans en de Nederlandse teksten van Dirck Volkertsz. Coornhert, Recht Ghebruyck Ende Misbruyck/van tydlycke Have, Leyden, 1585, vindt men verwerkt in aelmoesseniers. In deze beide gevallen heeft Van der Noot de bestaande teksten zoveel mogelijk met behoud van de originele zegging en de originele rijmwoorden overgeplant tussen verzen van hemzelf om een door hem ontworpen betoog de nodige kracht bij te zetten.

Beide teksten zijn met alle discretie overgenomen. De enige Nederlandse literator, die in de PW met name vermeld staat, is Cornelis van Ghistele88, maar dan ook enkel als vertaler van Horatius: Van Ghistele geniet inderdaad de eer enkele verzen van zijn bewerking der ‘Satyren Horatij’ geciteerd te zien onder zijn naam in j. de smidt.

Ook de meest typische rederijkersliteratuur heeft Van der Noot niet versmaad - die was hem trouwens uit zijn (poëtische) jeugd niet onbekend; men zie slechts het ‘Rondeel’ en het ‘Liedeken’ in Het Bosken (Smit-Vermeer, 78).

Een refrein op de stok ‘Ay steruen steruen is een hart ghelach’, opgenomen in de - gedrukte - bundel van Jan van Doesborch, wordt ten dele herwerkt in roy. Een ander item op de stok ‘Noyt lieflic lief en ha lief so lief’, voorkomend in dezelfde bundel, is tot epithalamium omgevormd in sweerdts. Een derde geraadpleegd refrein (roy) op de stok ‘Soe mach ick wel wenen voer myn misdaet’ komt weliswaar niet voor in Van Doesborchs verzamelbundel, maar het was desondanks zeer verspreid: het is opgenomen in de verzameling van Jan van Stijevoort89 en in die van Jan Michiels90.

Eenmaal (claerhout) is een verwijzing naar een refrein van Anthonis de Roovere op de stok ‘Wel hem die wel gheboren sy’91 niet onmogelijk, en zelfs een populair rijmpje, dat elders louter toevallig bewaard bleef, vindt men verwerkt in titelvel 1593-1594.

Ten slotte moeten binnen dit bestek de ontleningen aan Van der Noots eigen vroeger gepubliceerd werk vermeld worden.

Uit Het Bosken kon een ganse reeks gedichten evenals aparte verzen ontleend worden: Smit-Vermeer, 53 (pruenen), 55 (voorwerk 1580-1581), 63 (catanio), 67 (poetov), 81 (peeters), 84 (carro), 86 (vrouwen), 94 (dennetieres), 97 (goossenius), 105-110

[p. 75]

(goossenius), 111 (pardo, sueiro), 115 (roy), 122 (slotvel), 130 (slotvel), 174 (hofmans).

De heftige inhoud van het anti-katholieke Theatre maakt het natuurlijk weinig geschikt als mogelijke bron na Van der Noots terugkeer tot de moederkerk. Men vindt dan ook slechts spaarzame relicten uit dit boek in de latere PW: Smit-Vermeer, 187 (titelvel 1589-1590), 191 (roelandts), 209 (helmans), 234 (aelmoesseniers).

Uit het Duitse Theatrum kon zonder bezwaar een lofdicht overgenomen worden (amodeo).

Apodixe en Das Buch Extasis leven in tal van latere reminiscenties voort: OE, [6] (titelvel 1588, titelvel 1593-1594), [10] (grammey), [14] (grammey), [23] (peeters), [25] (vveerdt 1588), [28] - [29] (inkoomste, roy), [29] (dennetieres), [98] (mechelman), [104] - [105] (discovrs), [120] (discovrs).

Ook het CB/Abr heeft sporen nagelaten:

OE, [133] (bejar), [136] (noot), [139] (orco), [128] (vveerdt 1588), [148] (hofmans), [173] (discovrs), [174] (discovrs), [180] (angoni), [201] (discovrs), [203] (discovrs), [210] (vrouwen), [212] (vrouwen, daems), [216] (daems).

Uit de LvB komen de volgende ontleningen:

LvB, *3 (apologie), *4 (claerhout), *5 (apologie), *8 (titelvel 1593-1594), 4 (roelandts), 14 (bejar), 18 (perrenot), 29 (inkoomste), 31 (wonsel), 35 (voorwerk 1580-1581, vveerdt 1588).

Ten slotte heeft ook het Epitalameon goede diensten bewezen:

Smit-Hellinga, 6 (gallo), 10 (angoni), 11 (sueiro), 26 (gallo), 28 (pruenen), 32 (castro).

§ 6. Verwerking

De verwerking van al deze bronnen is niet volgens een uniform patroon geschied. Volgens de toentertijd geldende theorie der imitatio gold het reeds als een eerbied afdwingende prestatie, wanneer men er in slaagde voor het eerst een antiek genre of een tekst uit een ander taalgebied in het eigen idioom te vertolken92. Van der Noot heeft heelwat fraaie staaltjes van dergelijke bewerkingen geleverd, uitgaande van het werk van Ronsard (vrouwen) en Magny (balbi, angoni). Daarnaast echter heeft onze auteur ook zijn toevlucht genomen tot minder oorbare procédés - zelfs voor zijn tijd. Prof. Zaalberg heeft, aansluitend bij een onderzoek van Marcel Raymond, voor het CB/Abr aangetoond dat Van der Noot voor een drietal passages in de Franse versie een tekst van Ronsard a.h.w. ‘verknipt’ heeft ter inlassing ervan in het eigen werk (DBE, 66). Deze werkwijze, o.a. door Gustave Cohen als ‘centon’93 geïndentificeerd, wordt door Van der Noot met veel zin voor variatie in de PW toegepast, gaande van de ontlening van vershelften en zinstukken (chefs), via het inlassen van twee syllaben in een tienlettergrepig vers (angoni) tot het klakkeloos overnemen van hele verzen (pruenen), ja zelfs van prozaregels (titelvel 1589-1590).

Dergelijke werkwijze kan men daarbij niet uniek noemen in onze zestiende-eeuwse

[p. 76]

literatuur: ook een Houwaert heeft zich hieraan bezondigd94. Stelt men de vraag naar het waarom van deze praktijk bij Van der Noot, dan belandt men voor het antwoord in de buurt van de bestaansreden van een deel der citaten: de haast waarmee Van der Noot een aantal vellen PW heeft moeten componeren, heeft hem dan ook meer dan eens genoopt tot deze gemakkelijkheidsoplossing zijn toevlucht te nemen, vooral waar het Franse poëzie betrof.

Uit poetov 331 weten wij dat Van der Noot pas in 1565-1566 zijn eerste poëtische probeersels in het Frans gewaagd heeft. Deze laattijdige beoefening en anderzijds zijn toch grote belezenheid in de Franse literatuur hebben hem dan ook meermaals verleid de weg van de geringste inspanning in te slaan. Ook de toeëigening van andermans lofdichten95 vindt in de aanwending der citaten een verwante rechtvaardiging: het voorhanden zijn van deze gedichten in bundels die in Antwerpen - hopelijk - toch niet zó verspreid waren, ontsloeg Van der Noot van de verplichting zelf soortgelijke verzen te (laten) vervaardigen, en dit dank zij de welluidendheid of de geslaagde formuleringskracht der reeds bestaande verzen aan andermans adres.

Het achterhalen van de ware toedracht wordt ten dele vergemakkelijkt doordat Van der Noot een niet onaanzienlijk aantal van deze bronnen tevens als citaat aanwendt. Deze aanhalingen geschieden slechts ten dele anoniem (fuentes 221, orco 281), zodat de verstrekte namen ons doorgaans op het spoor van verdere ontleningen brengen. In dit verband rijst dan ook weer de vraag op naar de reden van zulke handelwijze: is dit louter toevallig gebeurd of heeft Van der Noot bepaalde criteria laten gelden voor mogelijke uitverkiezing? Dit laatste blijkt het geval te zijn, waardoor Van der Noot - alweer - in het kielzog van Ronsard blijft laveren: zoals de grote Franse leidsman in de Bocage (1554) trots zijn Griekse bronnen aanwees, ook wel eens de geraadpleegde Romeinse auteurs, maar nooit de Neolatijnen96, zo ook pakt Van der Noot graag uit met antieke teksten en met de moderne auteurs van grote allure als Petrarca, Ronsard, de nieuwste Franse literatuur, maar bekent hij zich nooit schatplichtig aan kennis van meer bescheiden herkomst.

Tegenover een deel der verwerkte literatuur kon Van der Noot zich reeds van meet af aan ontslagen voelen van elke vermelding, omdat deze categorie gevoeglijk kan beschouwd worden als handboeken op velerlei gebied van wetenschap. Hiertoe behoren Badius' commentaar op Terentius, de werken van Boccaccio, Guevara, Patricius, Simeoni, Alciati en de Hypnerotomachie. De laatst opgesomde titels kunnen ook verzwegen zijn omdat die zich a priori richten tot een publiek van ingewijden, dat de sleutel tot hun hermetische kennis niet nodeloos verstrekt. Daartegenover worden alle voormelde antieke en moderne uitheemse auteurs - op Palingenius na - ooit met name genoemd in de PW.

Revelerend is Van der Noots houding tegenover de eigen Nederlandse letterkunde. Slechts twee namen worden genoemd, die van Cornelis van Ghistele als vertaler van Horatius, en die van Marcus van Vaernewijck als historicus. Dat Van der Noot daarnaast nog gebruik gemaakt heeft van het werk van D'Heere en Coornhert is enkel in weerwil

[p. 77]

van onze dichter achterhaald97.

Wanneer dit reeds het lot van het groene hout is, dan kan men zich licht voorstellen wat er met het oudere, dorre, zal geschieden: de refreinen uit de bundel van Van Doesborch, een ander dat ook bij Van Stijevoort bewaard is, een mogelijke verwijzing naar De Roovere, het spel van zinne van De Goudbloem (1561), zij alle moeten het als een eer aanvoelen dat ‘de’ dichter der Nederlanden hun schamele produkten als bouwstenen voor zijn oeuvre gedoogt te gebruiken - anoniem.

Wat men Van der Noot bij deze veelheid van materiaal steeds ten goede moet houden, en waarop in dit verband steeds weer gewezen wordt, is zijn compositietalent. I.v.m. de plundering van Ronsards poëzie voor de Franse versie van CB/Abr wijst prof. Zaalberg er op, dat Van der Noot alles wel beschouwd slechts details aan de Fransman ontleend heeft, maar niet de opzet van zijn verhaal (DBE, 70). Bij de verwerking van de bronnen in Het Theatre looft mej. Witstein herhaaldelijk Van der Noots compositorisch vakmanschap98. Dergelijke waardering kunnen wij de auteur evenmin onthouden aangaande de PW.

Een eerste woord van lof verdient reeds de keuze van sommige ontleningen: dat het rouwbeklag van Magny aan François Pesloe bij het overlijden van diens zuster met bijzonder weinig aanpassingen opgedragen wordt aan Nicolas Sivori bij de dood van zijn echtgenote (angoni 391), ligt nog in de lijn der verwachtingen. Maar de manier waarop Van der Noot misbruik maakt van Magny's ode ‘Svr la prise de Calays’ is een zeldzaam staaltje van utilitarisme: de formulering van de geografische omstandigheden is getrouw overgenomen, zonder dat dit strijdig blijkt met de Nederlandse realiteit te Sluis (tassis 37). Het sonnet van Du Bellay voor de bevelhebber der Franse galeien wordt dankbaar benut voor de Nederlandse vice-admiraal (mechelman 116), ja het beeld van Du Bellay, ‘conquerir la toison’, krijgt nog meer zin bij de Nederlandse manipulator, die dit vers in verband kan brengen met het Gulden Vlies.

Deze gelukkige keuze stoelt op Van der Noots grote, en vooral sterk gedifferentieerde kennis. Waren de bronnen van Het Bosken en CB/Abr in de eerste plaats nog literair - hoewel prof. Zaalberg i.v.m. het laatste werk toch op een aanzienlijke beheersing der emblematische literatuur kon wijzen - dan moet men voor het overige werk een meer gespecialiseerde, minder voor de hand liggende instudering van technische literatuur erkennen: voor de LvB van kronieken (LvB, XVII), voor Het Theatre van ten minste twee commentaren op de Apocalyps99, voor het Stammbuch van kennis der libri gentilitii (SB, 60).

Ook in de PW ontmoeten wij deze tentoonspreiding van een ruime belezenheid op accurate plaatsen; het pleit voor Van der Noots gevoel voor compositie dat hij hierbij nooit overdadig te werk gaat: de Theuerdank wordt enkel ter sprake gebracht bij de inhuldiging van een Habsburgse aartshertog, en het pseudo-historisch werk van Jean Lemaire, hoewel zeer populair, invloedrijk en aan Van der Noot reeds bekend ca. 1563, wordt eveneens slechts eenmaal, en dan nog ongenoemd, benut.

Drie gevallen, die kenschetsend zijn voor de verwerkingswijze van de bronnen,

[p. 78]

verdienen in dit verband een aparte behandeling: de ode aan Hendrik Vool, de lofzang voor Gambrinus en de bewerking van Ps. 40.

Voor de ode aan Vool (grammay 75), een lofzang op diens numismatische belangstelling, heb ik geen allesomvattende bron kunnen terugvinden. De ode zet in met een verklaring der antieke monumenten als uiting van de eeuwigheidsdrang der opdrachtgevers. Hierin zijn reminiscenties aan de Hypnerotomachie verwerkt. Na constatering van hun vernieling volgt de lof der verzamelaars van antieke relicten, wat preludeert op Vools activiteit. Daarop spreidt Van der Noot zijn eigen kennis der materie ten toon: Nederlandse en buitenlandse numismaten worden met naam en toenaam geografisch gespecifieerd. Aansluitend volgt dan de lofspraak op Vool en het verhaal van Van der Noots nauw contact met de geëerde.

Deze ode leent zich zeer vlot tot een schematisering volgens de beginselen der rhetorica100: doel is docere (L, 140, § 257) via argumentatio (L, 190, § 348).

Deze wordt geconstrueerd aan de hand van exempla (L, 227, § 410) en wel res gestae (L, 228, § 411); wat betreft de commemoratio (L, 229, § 415) ervan is het eerste deel van deze ode (grammay 78-107) narratio (L, 229, § 415), terwijl de opsomming der numismaten gekenmerkt wordt door brevitas (L, Ibidem); deze laatste vorm is gepast (aptum, L, 507, § 1055) wegens de ‘Informationsstand des Publikums’ (L, 230, § 417) in casu een kenner der materie.

De hymne van Gambrinus bezingt leven, werkzaamheid en belang van deze legendarische uitvinder van het bierbrouwen. Voor het historisch gedeelte van deze lofzang heeft Van der Noot een beroep gedaan op de voorhanden literatuur over dit onderwerp: achtereenvolgens verwerkt hij - trouwens naar zijn eigen zeggen - de gegevens van Vaernewijck, Joannes Aventinus en Burkard Waldis. De volgorde van verwerking kan overeenstemmen met die van raadpleging. Wanneer Van der Noot enig gegeven over de vroegste geschiedenis van onze gewesten wil naslaan, dan ligt het voor de hand dat de toentertijd populaire Vaernewijck de aangewezen bron is. Raadpleging van deze auteur werd daarbij vergemakkelijkt door het voorhanden zijn van twee edities, waarin Van der Noot deze stof kon nalezen: zowel Den spieghel der nederlandscher audtheyt (1568) als Die historie van Belgis (1574) bieden een gelijkluidende versie; enkel de spelling van sommige woorden verschilt. De naam van Joannes Aventinus wordt in één adem vermeld met de volgende Duitse bron omdat Van der Noot uit het werk van de Beierse historiograaf inderdaad weinig nieuws putten kon. Aangezien Vaernewijck en Aventinus, die aan Van der Noot reeds vóór de compositie van deze hymne bekend zijn, weinig mededeelzaam blijken over Gambrinus als bierbrouwer, heeft onze auteur zich niet tevreden gesteld met deze bronnen, maar navraag gedaan naar verdere literatuur (gambrinus 37). De aangewezen zegsman hiervoor was wel Abel van der Hoeven van Delft, die immers volgens Van Manders getuigenis, ‘is een Conterfeyter van Bacchus, oft den Godt en Mensch verblijdenden Wijn/welcken hy daeghlijcx nae copieert’101. Van der Hoeven heeft aan onze dichter ‘een schrift’ ter hand gesteld - de juiste titel blijft achterwege - dat de verzen van Waldis bevat, oorspronkelijk bestemd voor Vrsprung vnd Herkummen der zwölff ersten alten König vnd Fürsten Deutscher Nation (1543), en nadien nog gepubliceerd in de Emblematvm Tyrocinia. Het aanvoeren van deze drie

[p. 79]

bronnen, waarvan de laatste op dat ogenblik de meest gespecialiseerde literatuur over het onderwerp vertegenwoordigt, is reeds kenmerkend voor de zorg, die Van der Noot aan dit samenlezen besteed heeft. Symptomatisch voor die zelfde zorg is één enkele aanvulling op basis van Jean Lemaire, aan Van der Noot reeds bekend sinds Het Bosken. Verder valt zijn vermogen tot synthese te noteren: het levensverhaal van Gambrinus wijkt af bij Vaernewijck tegenover de versie van Waldis. Van der Noot behoudt de uiteenzetting van Vaernewijck voor het begin, zolang er geen contradictie optreedt, maar schakelt daarna over op de verzen van Waldis, die, als uitvoeriger bron, hem tevens betrouwbaarder toeschijnt. Tevoren reeds had hij akte genomen van de overeenstemming tussen Aventinus en Waldis. Dit alles betreft enkel het historisch gedeelte van de hymne aan Gambrinus. De algemene structuur ervan, de opeenvolging van inleiding, historisch verhaal, dithyrambe, nawerking, is ontleend aan Ronsards Hinne de Bacus, waarvan dan ook ettelijke verzen vertaald zijn. Zoals steeds moet men hierbij nog rekening houden met het combinatorisch vermogen van de uiterst handige arrangeur Jan van der Noot, en inderdaad: naast de vele verzen uit de Hinne de Bacus, zijn nog twee zeer toepasselijke fragmenten uit twee zeer ver uit elkaar liggende hymnen van Ronsard gehaald: uit de Hymne de l'Hyver en de Hymne de l'Or.

De bewerking van Ps. 40, opgedragen aan Van der Noots naamgenoot, stoelt op de zelfde verzameling en verwerking van alle mogelijke hulpbronnen. De dichter vertaalt in de eerste plaats de Franse versie van Théodore de Bèze. Strofenbouw en rijmschema gaan dan ook op dit Frans origineel terug. Bij de vertaling merkt men in elke strofe ontleningen aan de berijmingen van Datheen en Utenhove, vooral inzake rijmwoorden; wel werden die soms onderling van plaats verwisseld (noot 42-43). Dit procédé heeft vóór Van der Noot reeds Marnix toegepast tegenover Datheen. De bewerking van de heer van Sint-Aldegonde, de meest recente bovendien, verscheen te Antwerpen in 1580 onder de titel Het Boeck der psalmen Dauids. Van der Noot heeft er eveneens enkele rijmparen en een plastisch beeld uit gepuurd. Zoals in de voormelde hymne aan Gambrinus meer dan één gedicht van Ronsard benut is, zo ook valt het einde van Ps. 40 niet samen met het slot van deze bewerking: noot 62-67 kan geïnterpreteerd worden als een samenvatting van Ps. 150. Van der Noots zin voor poëtisch zelfbehoud te midden van deze massa ontleningen blijkt tevens in de persoonlijke verwerking van een bijbels detail: waar Hieronymus schrijft: ‘Etenim homo pacis meae...magnificavit super me supplantationem’ (Ps. 40:10), wat door De Bèze beaamd wordt als ‘Mon amy...Son talon a leué’, welke vijandige voorstelling men in alle volgende Nederlandse berijmingen terugvindt, daar zwakt Van der Noot het gebeuren af: ‘mijn vrindt...Syn hilen heeft ghekeerdt’ (noot 46, 47); mogelijk ligt hieraan een persoonlijke ervaring ten grondslag: Van der Noot kan hier een gewezen vriend bedoelen, die de dichter in de steek gelaten heeft, zonder daarom noodzakelijk tot de groep der haters over te lopen. In dat geval zou de aanpassing van dit bijbelvers een typische parallel bieden met de voormelde gedichten van Magny en Du Bellay, waar bestaande Franse verzen met een zeldzame zin voor associaties praktisch zonder enige wijziging op Nederlandse feitelijkheden worden toegepast.

Onder alle werken van Jan van der Noot zijn de PW het meest dankbare studieobject inzake bronnenonderzoek, en dit om twee los van elkaar staande omstandigheden: de zeer diverse inhoud van de PW en de vrij lange tijdsduur van hun verschijnen (1580-1595). De LvB en de Olympias-epen ondergaan enkele grote, homogene invloeden, terwijl het betogende Theatre zijn argumentatie met meer hulpmiddelen versterkt. Het

[p. 80]

Bosken en de Apodixe van Grenerus - waarvoor Van der Noot de bouwstoffen geleverd heeft - bezitten de meest uitvoerige lijst van achterhaalde bronnen tot nu toe, precies dank zij hun meer gedifferentieerde inhoud. Dit zelfde aspect overheerst nog veel meer in de PW: publiek en tijdsomstandigheden zijn er essentiële factoren, waaraan de inhoud aangepast wordt. Men vindt er dus zowel een lof van de koopman (hofmans) als adellijke trots (grammay 61), een verheerlijking van de inname van Sluis (tassis) naast een bejammering van het oorlogsgeweld (mechelman), terwijl de lofprijzing van Farnese (farneze) de begroeting van zijn intieme vijanden Perrenot en Diego de Ibarra (sterckheyt 202) niet uitsluit. De bezongen onderwerpen bestrijken een even wijd terrein: men leest in de PW zowel de lof van Gambrinus als diatriben tegen de dronkaards (grammey, aelmoesseniers), epitafen en epithalamen, numismatische (grammay), emblematische (ghysens), en mythologisch-poëtische (chefs) stukken, naast een drinklied (vergano) en een psalmberijming (noot). Dat voor al deze uiteenlopende onderwerpen Van der Noot een beroep heeft moeten doen op vele gebieden van zijn uitgebreide kennis, hoeft wel geen betoog. Dit proces wordt in de hand gewerkt door de zoëven vermelde tijdsduur: de PW omvatten praktisch heel Van der Noots gepubliceerde produktie van 1580 tot 1595, afgezien van het Epitalameon. De collectie omvat daarbij zowel oudere stukken, nog uit Van der Noots jeugdperiode, als bijdragen, die door de actualiteit gedicteerd zijn. De louter materiële ophoping van al dit materiaal impliceert eveneens de verwerking van zeer diverse bronnen.

Wanneer men na identificering van de geraadpleegde auteurs enige differentiatie wenst aan te brengen, dan kan men zeer terecht een eerste grote scheidingslijn trekken tussen de invloed van Ronsard en die van alle verdere literatoren. Ronsard is Van der Noots poëtische obsessie geweest; instinctief heeft de Nederlandse navolger aangevoeld dat het Franse voorbeeld al datgene was, wat hijzelf wilde worden. Vandaar die nooit aflatende hardnekkigheid, waarmee de figuur en het werk van Ronsard nagevolgd, respectievelijk vertaald en geplunderd is.

In aansluiting bij deze eerste grote inspirator blijkt de verdere actuele Franse literatuur van eminent belang te zijn geweest voor Van der Noot. Merkwaardig is in dit verband wel dat naast Ronsard enkel Magny waarlijk nagevolgd werd door de Brabantse innovator: alleen hùn Franse teksten zijn door Van der Noot vertaald. Zijn houding tegenover de resterende Franse literatoren getuigt minder van appreciatie dan van noodwendigheid der omstandigheden: alle verdere ontleningen zijn - een bijzonder veeg teken - anoniem verwerkt in Van der Noots eigen Franse verzen ter stuwing van hun kwaliteit. Tot deze spoliatie is Van der Noot verleid, enerzijds door de tijdnood, anderzijds door de gerustheid dat weinigen onder zijn Antwerpse lezers de ware auteurs van bepaalde verzen zouden onderkennen. Niet onmogelijk speculeert hij daarbij op de manier, waarop hijzelf in contact getreden is met al deze Franse poëten van ietwat mindere rang - althans in vergelijking met de verdrukkende Ronsard: praktisch alle geassimileerde Franse dichters zijn geraadpleegd in edities uit het zevende decennium der zestiende eeuw. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Van der Noot dan ook kennis genomen van deze di minores tijdens zijn verblijf in Frankrijk en meer bepaald te Parijs in 1578. Afgezien van Ronsards laatste werken is enkel de Horatius-vertaling van Mondot (1579) ietwat later gedrukt. Daartegenover is er van Baïf, van wie in Het Bosken een Petrarca-vertaling gehonoreerd werd, in de PW geen spoor meer te bekennen. Van der Noot blijkt ook zijn langzamerhand bekende eigenwilligheid trouw gebleven te zijn in deze keuze van geapprecieerde eigentijdse Franse auteurs: gevestigde Pléiade-grootheden als Bel-

[p. 81]

leau en Jodelle schijnen hem minder bevallen te zijn dan in onze contreien onbekende dichters als Magny, Turrin en Tahureau. Wel bewijst Van der Noot door deze keuze dat hij een fijne neus voor dichterlijke kwaliteit bezit: van Turrin en vooral van Tahureau getuigt Raymond dat hun poëtisch vermogen niet gering was, ondanks hun voortijdig sterven102. Imponerend blijft alleszins Van der Noots vermogen zulke kennis van en inzicht in de eigentijdse Franse literatuur verworven te hebben. Voor een buitenlander, wiens moedertaal niet het Frans was, is dit inderdaad geen geringe prestatie.

Minder spectaculair dan men op het eerst gezicht zou aannemen blijkt Van der Noots kennis aangaande de klassieken en de ethisch-politieke en emblematische literatuur der zestiende eeuw. Onder de klassieke auteurs zijn er slechts weinigen uit eerste hand geraadpleegd en nog een minder aantal intensief gelezen, laat staan bestudeerd. Wat de moderne lezer misschien wel het meest respect inboezemt, de verwerking van emblematische gegevens, is heel wat minder buitenissig, want dergelijke bundels waren in de zestiende eeuw in de Nederlanden gemakkelijker bereikbaar dan de voormelde Franse werken. Het huidig respect voor dergelijke materie is enerzijds te wijten aan de vreemdsoortigheid ervan in onze ogen, en anderzijds aan het feit dat de studie der betrekkingen tussen emblemata en literatuur nog noodgedwongen103 in een beginstadium verkeert. In de verwerking van deze soort bronnen is Van der Noot het meest in overeenstemming met zijn tijd. De ontwikkelde lezers moeten nog de meeste appreciatie opgebracht hebben voor dit aspect van zijn werk, dat hun het meest vertrouwd moet zijn geweest.

Van der Noots behandeling van de laatste vreemde beïnvloeding, met name die door de Nederlandse letterkunde, voert ons in de buurt van zijn houding tegenover de Franse literatuur naast Ronsard: in beide gevallen gaat een grondige kennis van de materie gepaard met een onbarmhartige exploitatie hiervan. T.a.v. onze eigen letteren wordt hierbij een interessant en waardevol fenomeen gereveleerd: dat Van der Noot werk gekend heeft van D'Heere, Coornhert en Marnix is niet zo verwonderlijk, maar wel dat hij de produktie der rederijkers zo niet gehonoreerd, dan toch verwerkt heeft, een voor de continuïteit in onze literatuur zeer belangrijke factor.

In Van der Noots wijze van navolging vindt men de elementen van de toentertijd gepropageerde imitatio en aemulatio terug. Het begrip imitatio is hier niet de Aristotelische μίμησις104, maar wel de navolging van klassieke auteurs, als zodanig reeds gedefinieerd door Quintilianus105. Ter omschrijving van deze laatste betekenis verwijst men doorgaans naar het werkje van Gerhardus Vossius, De imitatione (1647)106, dat hier echter niet verder ter sprake komt wegens het voorhanden zijn van meer relevante zestiende-eeuwse literatuur.

Wat de verwerking van geleerde literatuur betreft, bezit onze dichter een gezaghebbend zegsman in de persoon van Patricius. In het eerste kapittel van De institutione Reipublicae weerlegt deze laatste het mogelijk verwijt van onoorspronkelijkheid op basis van het argument der exempla (L, 227, § 410):

[p. 82]

Sed si forte vitii mihi detur, & praesertim ab ociosis vitiligatoribus istis atque oscitantibus (qui in alienis libris ingeniosi videri volunt, & illis inuident, quibus esse pares animo desperant, quòd pleraque à Graecis scriptoribus transtulerim, & complura etiam ex Latinis acceperim, inque vsum meum conuerterim: his respondendum esse censeo, me parum admodum fidei rebus meis facturum fuisse, si solùm authoritate mea nitere, & praesertim in ciuili institutione, quae exemplis potius est persuadenda, quàm argumentis extorquenda107.
Trouwens, deze vermenging van vreemde met eigen elementen hebben alle auteurs toegepast:
Est & praeterea haec consuetudo omnium scriptorum, vt aliena suis misceant, tum vt certiora scribant, tum vt gratius iucundiúsque legantur. Et alio, qui, vt Flauius Albinus ait, fructus quidam legendi est, aemulari quae in aliis probes, & quae maximè inter aliorum dicta mireris in aliquem vsum tuum opportuna deriuatione conuertere108.
In dit verband wordt, naast de namen van Aphranius en Quintilianus109, ook een gezegde van Cicero aangehaald:
Hoc etiam sentire videtur Cicero, cùm ait: Nos quidem ea tuemur quae dicta sunt ab his quos probamus, eísque nostrum iudicium, nostrúmque scribendi ordinem adiungimus110.
Ongewoon is dit niet:
Neque hoc nouum aut inusitatum videri potest: cùm cernamus omnes authores, cùm Graecos tum Latinos, manifestè aliena in rem suam conuertere111.
Ter ondersteuning van dit procédé wordt een ganse reeks Griekse en Latijnse auteurs opgesomd, die het werk van hun voorgangers benut hebben. Wat Patricius echter wel beklemtoont, is de morele plicht om de geraadpleegde bronnen te vermelden:
Grati tamen animi esse duco, eorum nomina profiteri, quos imitamur, & à quibus accipimus. Nam ingenui pudoris est (vt ait Plinius) fateri per quos profecerimus: & haec quasi merces authori iure optimo pensitanda est, ne fures esse videamur112.
Als voorbeeld van aemulatio bij Van der Noot kan de zeer handige verwerking gelden van een sonnet door Du Bellay - reeds hiervoor vermeld - waarvan de gegevens

[p. 83]

toepasselijker aangewend blijken door Van der Noot dan in het Franse origineel. Eveneens als aemulatio moet de veel voorkomende verwerking van verschillende bronnen tot één gedicht bij Van der Noot geïnterpreteerd worden. In dezelfde zin kan men de opzoeking of uitbreiding zien van bepaalde citaten, die in de voorhanden bron onvolledig verstrekt werden, of waarop slechts gealludeerd werd (georges 246, pardo 372).

Een moeilijk probleem is de vraag waar Van der Noots navolging eindigt en eigenlijke letterdiefstal begint. Zolang hij Ronsard of Magny vertaalt bestaat er geen dubbelzinnigheid: translatio was een geëerbiedigd bedrijf. Waar hij zich beperkt tot het schrijven van een inleidende strofe bij gedichten van Turrin of Tahureau (daems 486, tassis 188) is hij nog verontschuldigd, omdat hij de naam van de oorspronkelijke auteur vermeldt (daems 489, tassis 195). Ook waar in castro 22-25 verzen tussen aanhalingstekens uit Ronsard worden overgenomen, kan men de voorafgaande aankondiging ‘ceste leçon Delfique’ (castro 21) als verwijzing naar de eigenlijke dichter opvatten. De manier echter waarop hele strofen van Magny's ode ‘Svr la prise de Calays’ (tassis 37) worden overgenomen of zijn verzen aan François Pesloe ternauwernood worden gewijzigd (angoni 391), zou ook in de ogen van Van der Noots tijdgenoten niet geoorloofd schijnen: het gaat hier niet om klassieken die iedereen kent, en waarvan de verwerking door de kundige lezer kan beschouwd worden als eerbewijs aan de geraadpleegde auteur113; integendeel, Van der Noots eigen inbreng in dergelijke gedichten is dikwijls minimaal te noemen, zodat men hier wel van doelbewuste usurpatie mag en moet spreken114. Werkelijk plagiaat115 zijn zonder twijfel de lofdichten van ‘Thomas Gheuardt’ (helmans 82), ‘Philippe de Rinsard’ (euterpe 297) en dat op naam van Jan de Maes (halmale 283). In werkelijkheid leest men hier de lofdichten van Guillaume des Autels voor Pontus de Tyard, en van Balthasar Chavasse en G. Boyer voor Mondot. In deze drie gevallen zijn de twee elementen aanwezig, die deze overneming tot plagiaat stempelen, en dit reeds in antieke zin: de teksten zijn klakkeloos overgenomen en de ontlening is doelbewust verdonkeremaand door het aanbrengen van fictieve namen van lofdichters.

In deze laatst vermelde praktijken geeft Van der Noot blijk van zijn vermogen tot zeer geraffineerde adaptatie, wat ook elders in en met behulp van zijn werk geschiedt: het Epitalameon bestaat uit weinig meer dan een herdruk van vroeger geschreven verzen met luttele aanpassingen (Smit-Hellinga, XIX). De gelukkige hand waarmee de auteur deze verwerkingen telkens opnieuw uitvoert, getuigt van zijn alerte geest. Het daarbij horende eclecticisme is de vrucht van een grote belezenheid, die dan ook in de voorgaande bladzijden slechts ten dele kon afgebakend worden, doordat Van der Noot zelf de door hem geraadpleegde literatuur uiteraard enkel sporadisch vermeld heeft.