Beroyde student en Bedrooge dronkkaart, of Dronkke-mans hel (ed. Ineke Grootegoed, Arjan van Leuvensteijn en Marielle Rebel)


auteur: Jillis Noozeman


editeur: Ineke Grootegoed, J.A. van Leuvensteijn en Marielle Rebel


bron: Jillis Noozeman, Beroyde student en Bedrooge Dronkkaart, of Dronkke-Mans hel (ed. Ineke Grootegoed, Arjan van Leuvensteijn en Marielle Rebel). Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam / Nodus Publikationen, Münster 2004  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 213]

Bijlage
Taalkundige beschrijving van de Beroyde Student en de Bedrooge Dronkkaart

Legenda

BS - Beroyde Student
BD - Bedrooge Student
< > - spellingvorm
[ ] - klankvorm naar het systeem van de International Phonetic Association

1. Fonologie

1.1. Klinkervarianten in syllaben met hoofdtoon

1.1.1. [i] versus [e]

In het Hollandse dialect treffen we veelvuldig een <ie> aan voor de vanouds lange [e]. Deze [e], in de historische taalkunde aangeduid met ê, is ontstaan uit de oudgermaanse en gemeengermaanse ăĭ. Naast ie-vormen treffen we ook vele ee-vormen aan in de BS en BD, soms op korte afstand van elkaar en soms zelfs binnen een zin. Hieronder zijn deze vormen en de verzen waarin ze voorkomen, bijeengebracht.

Tabel 1. Vormen met <ie> en <ee> in de BS en de BD

[i] BS BD [e] BS BD
alrie   324      
alries 258,611        
ries 253        
biene(n)   40,42,142 been(en)   136,443
      (-)beenen   146
bliek   122      
diel   342 deel   222,344
eveliens 380        
gemien   2 gemeen 548,588  
      Gemeene   354

[p. 214]

gien 236,359,412
434,462,464
479,585,647
31,35,54,
69,99,198,270
271,284,292 492,496,502
510
geen 11,16,32,
50,57,68,
72,115,122
149,150,175
249,257,292
319,328,344
353,436,492
502,542,555
558,576,599
606(2x),639
641,649,659
92,159, 164
181,189,211
250,322,333
353,369,415
466,517,518
544,562
giest 463,468,510   (-)geesten    
hiel(e) 192,279,387
475,571,584
200,205,424
579
heel(e),
heelen
139,167,260
262,446,605
668
571,578
hiet (p.v.) 384(2x),475   heet (p.v.)   356
hiet (bv.nw.) 626   heet
(bv.nw)
650  
hieten   548      
ien (lidw.) 386(2x),387
463,468,597
598,634,635
644
30 een passim passim
den ien   152 den een   36,335
ien-loopent 292        
iens 291,388,414
587,610,665
208,308,309
556
eens 4,25,41,42
89.203,207
226,447,512
528,539,544
550,565,567
601,615
266,277,387
405,530,602
603
klieren   198,239,302      
mien(t)   223,286,550 meen(t) 176,252,527 82,279
      meenje 27,444  
miende 474   meende 486  
      meenen   177
mier 477,607   meer 35,72,249
270,415,614
616,632
77,87,124
160,193,203
321,359,475
miest 365   meest 94  
miester 197,377,610        
stien 468   steenen 161  
(-)stien   149 (-)steen(-)   144

[p. 215]

Swiet(en)     sweet 75,527  
twie 237,359,374
467,519
  twee 13,606 81,171,303
520/521194
verlienden   511      
wieck 392        

1.1.2. [i] versus [oey]

De <ie> kon zich ontwikkelen uit de Oudgermaanse ĕŭ. De monoftongen [y] en [i] zijn beide terug te voeren op de Oudgermaanse ěŭ. In de Vlaamse, Zeeuwse en West-Brabantse dialecten heeft de ontronding gewonnen, dat wil zeggen dat men daar uitsluitend de [i] aantreft. In de BD danken we de vorm Kieken (392) dan ook aan het Brabants van Maaike.

In de meeste Hollandse dialecten verschijnt de [i] alleen vóór r. In de BD zien we daarvan één voorbeeld: vyer (341). In de overige gevallen treffen we [y] of de diftong [oey] aan. In de BS zien we als enige voorbeeld diets (562). In de BD komen meer ui-vormen voor: beduiden (589), duits (276), luy (122), Jongelui (256), lui (258, 284, 317, 539, 542), Euverlui (Flooris' ‘doodceel’195), luiden (‘betoogbrief’196).

1.1.3. [ι] versus [ε]

De [ι] en de [ε] worden in dialecten geregeld gewisseld. De voorbeelden in de BS en BD volgen hieronder.

Tabel 2. Vormen met [ι] en [ε]

[ι] BS BD [ε] BS BD
bin 248 204 ben 35,123,190
395,418,572
656
49.135,195
197,199,200
219,220,226
292,294,434
481,499,521
522,527,543
579
binje 446 33 benje 66,91,169  
bint   399 bent 355 18,198,550
him 244   hem197 passim passim
mit (vz.) 598,635 251(mitje)
316
met 55x198 59x199

[p. 216]

mit (bw) 267,273 336      
      recht(e) 367,615 479,500,550
      aan te
rechten
  392
      afgerecht 119  
      onderrecht   160

De vormen met [ε] worden in zowel de BS als de BD door alle personages gebruikt. De [ι]-vormen legt Noozeman alle in de mond van volkse types met één uitzondering: Gregorius in vs. 446: Binje daer meysje? (...)

1.1.4. [ø] versus [o]

Een frequent verschijnsel in de zeventiende-eeuwse volkstaal is het gebruik van de [ø], <eu>, voor [o] uit [ɔ] in oorspronkelijk open lettergreep. We treffen deze eu-vorm veel aan in Hollandse kluchten. Het ontstaan van de [ø] moet, aldus Schönfeld/Van Loey (1970, par.40), enerzijds als het gevolg van de werking van de i-umlaut op de Oudwestgermaanse [u], anderzijds als ‘palataliserende tendens eigen aan Ingvaeoonse dialecten’ gezien worden200. Onder invloed van het Brabants, dat de Ingweoonse201 <eu> niet kende, kwam de [o] op. Beide vormen, dus met [ø] én [o], werden in het Hollands naast elkaar gebruikt; de [o] werd in het algemeen als meer beschaafd ervaren. De [ø]- en de [ο]-vormen worden in de BS en BD naast elkaar gebruikt. Deze vormen met hun vindplaatsen volgen hieronder.

Tabel 3. Vormen met [ø] en [o] in de BS en BD

[ø] BS BD [o] BS BD
deur(-) 92,193,258
431,636
61,189,197,
464,516
door 60,97,112,
122,264,393
402,409,483
547
5.72,95,129,
304,305,376
423,432,449
473,478,485590

[p. 217]

veur 68,157,192
201,258,273
301(2X),403
444,531,546
18,52,54,
154,159,217
273,315,343
519,531,543
544,546
voor 53,79,84,
85,95,108,
122,150,171,
(2x),197,213
262,277,284,
297,303,309,
342(2x),353,
467,487,500,
514,564,583,
591,593,621,
627,628,631,
637,641,649,
668,672
r.8202,r.14,59,
64,70,116,
127,169,171
218,236,288
319,325,
326/327,
335,345,
351,366,382
386,387,390
432,438,452
483,495,
541,2x in
‘betoogbrief’
veuren 670        
Euver-lui   ‘doodceel’      
meugelijk   186,277 mogelijk   591,593
meugje   551 moogje   603
meugt   50      
meugen 20   mogen 56,544 285,432
meul(en) 324,356,596
627,664
‘doodceel’ moole(n) 57,330  
meule (-) 382        
meulenaer
(s)
325,357,563
577
80,342 mool-
naerin
73,148,154  
(braat)-
veugel(s)
129,259,661 344 vogel    
Keuning 394        
zeun/seun 252 199,235,252 Zoone   268, ‘dood-
ceel’

1.1.5. [ø] versus [e]

De <eu> komt in het Hollands voor ten gevolge van ronding van de [e] die in open lettergreep uit de korte vocaal [ε] is ontstaan (Schönfeld/Van Loey, 1970, par.44). De meeste vormen met <eu> komen al in het Middelnederlands voor; sommige pas in de zeventiende eeuw (zoals teugen en deuze). In de BS en BD komen de volgende voorbeelden voor:

Tabel 4. Vormen met [ø] en [e]

[ø] BS BD [e] BS BD
beusem (-) 277,463        
deuze   194,349 deze   r.9,r.18,72
291,303,307
364,370,534

[p. 218]

deuse 184,360,362
364,510,626
643
  dees(e)/
dese(n)
112,142,144
145,227,280
329,422,438
497,574,582
583,586,590
621
 
speul 381   speelen 15,627  
espeult 607   speelt 99  
      gespeel 211  
      speel (-) 504  
      steen (ww.) 192 215
teugen   23,47     165/166,254
veul 287,470,654 533,545 veel 49,121,123
183,435,499
547,564,626
660
r.9,83,231
388,421,446
449
zeuven (-)   290 seve 395  

1.1.6. <eu> versus <aa>/<ae>

Verder zien we wisseling van <eu> en <aa> in heur /haar (pers.vnw.en bez.vnw). De vorm heur kan worden verklaard uit de Middelnederlandse vorm here. Daarnaast bestond ook al de vorm haar, die door de Statenbijbel de officiële vorm is geworden. In de tabel hieronder zijn de vindplaatsen van heur en haar/haer uit beide kluchten bijeengebracht.

Tabel 5. Vindplaatsen van heur en haar/haer in de BS en BD

<eu> BS BD <aa>/<ae> BS BD
heur 3,326,350 4,5,15,19,61 haar/haer (haer) (haar)
        28,84,105
127,137,151
155,211,233
2x,305,336
407,536
r.15,r.16,r.18,
r.19,100,111
372,411,412
447,448,452
455

1.1.7. [ε] en [ι] versus [oe]

Een ander typisch dialectisch verschijnsel is de ontronding van de [oe] tot [ι] of [ε].203 De ontronde vormen zijn niet in het beschaafde Nederlands opgenomen. In de blijspelen en

[p. 219]

kluchten van Bredero en Huygens worden dergelijke vormen vooral door boeren gebruikt.

Het werkwoord zullen kent in de zeventiende eeuw de plat-Hollandse vormen zel(t) en zellen (ook sel(t), sellen). Oorspronkelijk is zel(len) Hollands en Utrechts. In Zuid-Brabant komt de vorm selen voor. In het WNT, s.v. zullen (I) en in Schönfeld/Van Loey (1970, par.146) wordt voorzichtig de verklaring gezocht in ontronding van de [oe] tot [ε]. In de BS en BD komen de volgende vormen van ontronding voor:

Tabel 6. Voorbeelden van ontronding van [oe] tot [ε] en [ι]

[oe] BS BD [ε]/[ι] BS BD
hum 239   hem204    
spul 226,510   spel 26,98,448  
stukken   276,339 stikken   28,552
sul     sel 367,370,417
431,471,489,
597,644
 
sulje/zulje 42,512 433      
zulde   Maaike 405      
sult 43,274,304 464,465,468 selt 596  
zult   329,416,417      
sulle(n) 129,134,217
229,520,629
665
506 selle(n) 294,355,363
366,378
 
      sellese 358  
zullen   139,388,
‘betoogbrief’
     

1.1.8. [כ] versus [α]

De ronding van [α] tot [כ] komt vooral in het Westen van het taalgebied voor (Schönfeld/Van Loey, par. 31). Bij brocht is de oorspronkelijke [α] verkort uit ā, bij of en borst (ww.vorm) uit vanouds korte vocaal [כ]. De volgende vormen komen voor in de BS en de BD:

Tabel 7. Ronding van [α] tot [כ]

[כ] BS BD [α] BS BD
borst (ww)   336      
brocht 159,219,599   bracht 1  
      brachte   472
gebrocht 482,539 379,445,464      
docht 282,287,538
618
293,341,349
359
     
      gedacht 328  

[p. 220]

of(-) 33,269,283
290,300,325
364,619
46,69,200
347,497
af(-) 119,299 520/521205,
139,255,270
331
      ontsprang 233  

1.1.9. [כ] versus [oe]

De [כ]en [oe] wisselen elkaar af. In de algemene omgangstaal werd de [oe] steeds meer de standaardklank. Dat de [כ]- klank in het algemeen geen onbeschaafde klank is, blijkt uit het gebruik van konnen in de ‘opdracht’ van de BD (r.17). Hieronder zijn de [כ]- en [oe]-vormen uit de BS en de BD bijeengezet.

Tabel 8. [כ]-en [oe]-vormen

[כ] BS BD [oe] BS BD
droppen   212      
drokker   340      
locke 367   geluck 388,407,537  
      luckigh 671  
      gelukkig   21,548
      onluck 667  
      ongeluk   212
ongelocke 397   ongeluckige 521  
      gelukken   133
konst/const 85,112,117   kunst 14(2x),548
638
r.1,279,403
434
konsten 395   kunsje(s) 325,420,479
551,616
 
snorckt 611        
      verburgen 486  

1.1.10. -schip/-schop versus -schap

In de BS en BD zien we de volgende varianten van het suffix -schap: BS: coomenschip/komenschip (45, 264), beterschip (251), Heerschip (198, 586), seltschip (50, 262), vrientschip (318), naast boodschap (1), geselschap (520), reeckenschap (117), vriendschap (156, 639), wetenschap(pe) (119, 400); BD: Heerschip (152), t gezelschop (29), beterschop (544), naast blijdschap (218), Swager-schap (451) en vriendtschap (97, 388, 607).

[p. 221]

1.1.11. [כ] versus [o]/[u] (verkorting en verlenging)

De [u] en de [o] worden in bepaalde gevallen verkort, zoals vóór m en in vormen van het werkwoord moeten voor een consonantcluster: most (BS: 106, 263, 354, 618; BD: 64, 91, 212, 326, 407), mostje (BS: 403; BD: 345), mosten (BD: 387), weerkomme (BD: 317). De verkorting van de [o] en de [u] is niet alleen voorbehouden aan het Hollandse dialect, maar ook in het Brabants van Maaike in de BD komen twee voorbeelden van verkorting voor: doske (385) en most (407). In de BS komt verkorting voor in banckerot (215, 425).

De [כ]-klank wordt gerekt in: koom(t) (BD: 48, 263, 271, 290, 578, 602, 610), welkoom (108); daarnaast komt 17 keer kom(t) voor. In de tekst van de BS komen geen voorbeelden van rekking van de [כ] voor.

1.2. Tweeklankvarianten in syllaben met hoofdtoon

1.2.1. <ai>/<oi> versus <ei>/<ui>

Een belangrijke klankontwikkeling betreft de diftongering van de lange monoftong [i] , gespeld als <ij>, tot [εi] en de lange monoftong [y], tot [oey], <ui>. In de spelling is het onderscheid van de oude en nieuwe [εi] door het gebruik van <ei> en <ij> gehandhaafd. Met betrekking tot de diftongering van [εi] en [oey] is zowel sprake geweest van een al autochtone ontwikkeling, als van expansie door de zuidelijke immigranten.

De al aanwezige diftongen <ei> en <ui> werden zowel door Brabanders als Hollanders in lagere sociale kringen, uitgesproken als respectievelijk ai en oi. De ai- en oi -klanken werden door verschillende taalbouwers geweerd, voornamelijk uit de schrijftaal, omdat ze als onbeschaafde klanken werden beschouwd. Men vond dan ook dat woorden met ei en ij niet op elkaar mochten rijmen. In de BD komt deze ‘fout’ slechts eenmaal voor: bereiken (451): strijken (452). In zowel de BS als in de BD komen geen voorbeelden van oi-vormen voor.Voorbeelden van ai-vormen zien we alleen in de BD bij het Brabantse personage Maaike: Tarzaike (= tarseitje: ‘taartje’) (401); Aiken (403); March-paip (403); pais (= peis: ‘denk’) (563).

1.2.2. [εi] versus [e]

De Oudgermaanse ai kon in het Middelnederlands als <ei> voorkomen. De voorkeur voor [e] of [εi] heeft vermoedelijk een dialectische oorsprong: ‘het wvl. heeft sterke voorkeur voor de ê, het limb. heeft [...] ê en een ei-achtige tweeklank. Het is niet onmogelijk, dat de voorkeur die het 17de-eeuwse Hollands voor ei heeft, oud is’ (Schönfeld/Van Loey 1970: 75).

Tabel 9. [ei] versus [e] in de BS en BD

[ei] BS BD [e] BS BD
Meyster 493   meesters   380
teiken(s)   264,349,434      
teycken 299        
teyckenaer 126        
vleis   26,51,529      

[p. 222]

vleys
vleys(-)
60,161,204,
531
414
  vleesch
(-)vlees
482 397

De vormen met <ey>/<ei> komen in de BS en de BD voornamelijk voor bij de Hollands dialectsprekende personages. De vorm vleesch komt slechts één maal voor in de BS, en wel bij de student Gregorius. Wellicht heeft dit te maken met het feit dat West-Vlaamse vormen beschaafder geacht werden dan Hollandse vormen. Dat zou beter passen bij de hogere ontwikkeling van de student. In de BD gebruikt het Brabantse personage Maaike: Kalfs-vlees (397).

1.2.3. [ou] versus [y]

De Nederlandse [y] werd soms aan het eind van een woord en vóór w gediftongeerd tot <ou>. Deze ou-vormen werden en worden nog steeds in het Nederlands niet beschaafd gevonden. In de BS en BD overheersen de <ou>-vormen.

Tabel 10. Alle vindplaatsen van [ou] en [y]-vormen in de BS en BD

[ou] BS BD [y] BS BD
nou 16,31,77
143,165,174
207,302,307
358,361,380
410,459,462
471,495,462
471,495,507
533,571,596
634,662,666
669,672
39,65,119
155,181,215
217,227,229
262,301,337
419,444,467
523,568,597
(2x),599
nu 56,59,73
81,172,421
425,449,464
566,623,669
74,107,138
304,388,464
479,483,493
515,578,610
waerschouw 415        

Ook hier zien we dat de beschaafde vorm nu hand in hand gaat met de hogere sociale status van bepaalde personages. Nikaziaan, de dokter in de BD, gebruikt uitsluitend het beschaafde nu. In de BS komen negen van de twaalf nu-vormen voor rekening van de student Gregorius, terwijl deze van de 26 nou-vormen er zeven gebruikt.

1.3. Klinkervarianten door invloed van medeklinkers

1.3.1. [ι]/[εi] versus [i] vóór n + dentaal

In sommige gevallen wordt de [i] verkort tot [ι]: vrindelijk (BD: 368), vrinde (BD: 521). Er zijn hiervan geen voorbeelden in de BS te vinden. In andere gevallen wordt de [ι] in dezelfde positie gerekt tot [i] en vervolgens gediftongeerd tot [εi]. kijnt (BS: 40, 242, 646; kynt 461); (mijn) kijnds (BD: 18), kijndt/kijnt (BD: 3, 26, 44, 200, 237, 285),

[p. 223]

Achter-kijndt (BD: ‘doodceel’), Steekijndt (BD: 53), pijntje (BD: 288), vijndt (BD: 54). Daarnaast vinden we in de BS de [ι] in: kind (88), kinder-spul (510), kint (156, 228), kints (14). De BD heeft de [ι] alleen in de pluralisvormen kindre (186), kinderen (216), kinders (454, 456).

1.3.2. [ε] en [α] vóór r + consonant

In de Hollandse dialecten zijn de <e> en <a> vóór r + dentaal samengevallen tot a. In de zeventiende eeuw vinden we echter nog steeds dialectische varianten, zeer waarschijnlijk ten behoeve van differentiatiezin.206 Zo treffen we in de BS en BD hart en hert naast elkaar aan. Het gebruik van de oorspronkelijke e-vorm wordt ook wel gezien als een streven naar een literaire vorm. Er is echter niet voldoende reden om de e-vormen in de kluchten toe te schrijven aan een hogere stijl. In de BS komt slechts twee maal de vorm hert voor, gebezigd door personages die juist gedurende de klucht veel in Hollands dialect spreken, namelijk Pleuntje, de meid, (503) en Volckert, de molenaar, (594). Dit geldt ook voor Flooris (in de BD), die zelfs drie maal hert(e) (324, 509, 555) en hertig (178) bezigt. Naast nog herte-quel (BD: 95), waar waarschijnlijk wel sprake is van een hogere taal (Kniertje: Een herte-quel ik ly door 't barsze manne-plagen), vinden we in de BD nog drie voorbeelden van hert (399, 416, 473). Vormen met [α] komen echter ook geregeld voor: barmhartig(h)hey(d)t (BS: 372, 599); hart (BS: 205, 414, 471, 501, 523; BD: 93, 102, 602); hartje (BS: 234); hartseer (BS: 315); hartvang (BD: 535); onbarmhartigh (BS: 333).

Voorbeelden van de [α] vóór r + dentaal waar in het Nederlands [ε] aanvaard is, zijn: arger (BD: 286); dartien (BS: 397); harsene (BS: 393); harssebekke (BD: 28); harder (BS: 270); harrewarts (BS: 51); harwaarts (BD: 446); scharp (BS: 603) swarm (BD: 147).

In het Brabantse dialect vond al vroeg depalatalisering van [ε] tot [α] plaats (Schönfeld/Van Loey, 1970: 68; Smout, 1905: 7 e.v.). In de BD treffen we bij het personage Maaike enkele voorbeelden aan die waarschijnlijk het Brabants moeten typeren: Marvielje (verbastering van Fr. merveilleux) (392), March-paip (403), bescharm en wareldt in de door Maaike uitgesproken zin, Bescharm ons (...) de wareldt sou'er om vergaan (586). In wareldt is bovendien sprake van rekking. Interessant is nog de vorm Erts-Hartoch (417) die in het prefix palatalisatie tot [ε] en in het tweede deel depalatalisatie tot [α] toont.

1.4. Medeklinkervarianten

1.4.1. <ft> versus <cht>

Vanaf de tiende eeuw begon de overgang van de Oudgermaanse ft tot cht. In het Fries is de ft bewaard gebleven; woorden als bruiloft, deftig, wuft herinneren aan de Fries-Hollandse ft. De ft heeft zich tot in de zeventiende eeuw in het Hollands gehandhaafd (Schönfeld/Van Loey, 1970, par. 83). In de BS wordt alleen gebruik gemaakt van vormen die in het hedendaagse Nederlands voorkomen. In de BD treffen we wel enkele

[p. 224]

archaïsmen aan: after-eindt (47) naast achter-eint (168); Jan treet-saft (480) naast zacht (73); ondieft (133) (‘onbehoorlijk’) is van Friese afkomst.

1.4.2. <gn> versus <kn>

Een van oorsprong Fries en Nederlands kenmerk is het gebruik van gn in plaats van kn in de anlaut. In het huidige Nederlands komen we de anlautende gn nog tegen in bijvoorbeeld gniffelen, gnuiven. In de BS vinden we gnorren (271); in de BD gnort (36).

1.4.3. Velarisering

De nasaal in korte velare vocaal [α/כ]+ n + dentaal had in verschillende dialecten de neiging te velariseren tot [ŋ]. De opvatting dat deze vormen destijds onbeschaafd en plat gevonden werden en slechts door boeren of platsprekende Amsterdammers werden uitgesproken (Schönfeld/Van Loey, 1970, par. 84), wordt voornamelijk gestaafd door de gegevens uit de BS. In de BS is de oppositie tussen de niet-gevelariseerde en de gevelariseerde vorm namelijk duidelijk aanwezig. Dit is niet het geval in de BD, waarin we slechts drie gevallen van velarisering aantroffen. In de tabel hieronder zijn alle gevelariseerde vormen met hun niet-gevelariseerde tegenhangers uit beide kluchten opgenomen. Bij wijze van uitzondering zijn ook de personages die deze vormen uitspreken, vermeld.

Legenda    
BS: BD:  
E - Elsje D - Dieuwer  
V - Volckert KN - Kniertje  
G - Gregorius E - Eakus = L - Leander
K - Keesje F - Flooris  
P - Pleuntje M - Maaike  
L - Leendert G - Gijsbert = K - Karon
  H - Hans  
  S - Spook  
  N-Nikaziaan = R- Radamant

Tabel 11. Gevelariseerde en niet-gevelariseerde vormen in de BS en de BD

velarisering BS BD [α/כ]+n+dent. BS BD
Brangt (eigennaam) P 47   brandewijn (-) V 477,543  
Brankje
(eigennaam)
V 263        
verbrangde E 204        
gangs P 66,
V 320,379
  gan(t)s E 484
K 293,
D 526
F 142,320
545
      gansduysent G 78  

[p. 225]

      gantsche E 26  
hang(h)t P 11,
G 108
V 355
  han(d)t P 53
G 407
H 208
N 268
S 466
      naderhandt   KN 609
      handen   F 525
hangdeloos E 165   handeloos
(-)handelaer
F 45
G 92
 
      knaphandigh E 634  
hongt K 243   hon(d)t
hondje
honden
E 171
L 149
D 42
F 190
R 495
hongdert V 280   hondert P 47  
langt K 255   landt G 249 E 375,
458, F 43,
325,K359
mongt P 611   mon(d)t
monde
G 77
L 179
G 105
F 6,41
Spangje207   M402      
stong E 602   stond(t)/stont
bestond
E 486
K 245
V 277,284
G 177
D 53
stongje   D 22      
verstong   F 7      
      terston(d)t G 566,583 N 282
strongt V 394,413   stront
Stronten-(-)
K 301
G 427
 
wangt K 242
V 382
  want E 25,222
G 87,118,
137,534,566
P 377
V 270.314,
371,401,510,
543
D 88,573
E 376,379
F 12,50,
161,249,288
H 322
K 352,410
KN 63,599
M 403
N 304,593
wongder E 366   wonder L 154 F 147

[p. 226]

      wonderheit
wonderlick
V 540 H 209
K 333,354
R 332

1.4.4. Syncope

Een veel voorkomend verschijnsel in de zeventiende-eeuwse volkstaal is syncope. De oorzaak was vaak een ‘slappe articulatie’, waardoor vormen ontstonden die in ‘deftige’ kringen als minder beschaafd werden ervaren. Zo werd de d na een lange vocaal en voor sjwa in veel gevallen gesyncopeerd.

Hieronder zijn allereerst de vormen weergegeven, waarbij sprake is van samentrekking. De d is totaal gesyncopeerd met verlies van syllabe.

Tabel 12. Syncope van d met verlies van syllabe

Verlies van syllabe Standaardvorm
BS BD BS BD
-aen:     -ade:    
braen 161,531        
gebraen 482        
laen 21,195        
gelaen 430        
schaen 64        
verraen 223,572        
versaen 498        
aer208 192,197,280
387,501
  anders 15,118,512,
589
65,107,198,
319,604
      ander 98 36,169,348
      andere(n) 551 91,387
hart-aar   211 ader 233  
allegaer/-gaar 243 318,337      
beide-gaar   537      
me(n)kaer209 129,130,196
323,371,520
534,562
       
vaer/vaar 70,160 4,20,80,158
187,237,240
292,435,532
vaders
Groot-vader
  454
418
           
-ee:     -ede:    
dee 196 413,435,451 deede   7,181,456

[p. 227]

    476,577     457
Eele 670        
mee 52,124,130
305,307,362
464,532,540
628,664,672
46,88,91,
135,155,208
225,339,360
479,602
mede
meden
239,335
89
 
meelijden   555 medelyden 61  
sneen 290   gesneeden 233  
Hofstee 586        
stee-(-) 199,254 53,69,385,
578
     
tree 51        
(te)vreen 209,644,656 135,167,524
601
te vreden
vreedens
90
600
verleen 441        
vertreen   112      
weer210     weder 652 283,388
           
-oe:     -oede:    
moer(s) 123,252,373
384
16,158,527 moeder   99,146
      Schoon-moeder   571
moertje   23,442x,63
236,251,542
     
           
-ien:     -iede:    
bien 407        
geschien 389566,576
647
21,548,594 geschieden 618 63,505
vlien 503   vlieden   64
           
-oen:     -oede:    
broen 393 286      
spoen   138      
verhoen 523        
vermoen 131        
voen   254      

Een tweede verschijnsel is syncope van d met behoud van syllabe. Bij deze vormen horen we een overgangsklank j: BS: beduye (362), duyje (31), lijen (303), luye (363),

[p. 228]

snijen (529); BD: af-snyen (139), kruyen (285), moejer (601), snyer(s) (5, 194, 351, 358, 421, 536).

Een vergelijkbaar verschijnsel doet zich voor bij de overgangsklank w die de d vervangt na ou en vóór volgende sjwa. BS: gouwe (65, 129, 313, 476), houwe(n) (147, 166, 370, 520), kouwe (312), ouwe (48, 84, 319), souwe (536), wouwe (670); daarnaast houde (138), soude (213). BD: huis houwen (26), houwe(n) (52, 284, 326), onthouwen (362) ouwe (9, 42, 84, 101, 343, ‘doodceel’ 3x), schouwer (214), souwe (83), tegenover oude Schoenen (‘doodceel’), souden (475). In ons huidige taalgebruik vindt dit verschijnsel nog steeds plaats.

1.5. Overige fonologische eigenaardigheden in werkwoorden

1.5.1. hebben

De vorm het van het werkwoord hebben komen we al in de zeventiende eeuw tegen als product van noordelijke volkse spreektaal. In de BS en BD zijn het juist de personages met een lagere sociale status die deze vorm bezigen. In de BS zijn dat Pleuntje (47), Volckert (316, hetse; 382, het'et; 458 ,473; 519, hat211; 560), Leendert (625) en Elsje (362, 485). In de BD zijn het Dieuwer (4,5), Kniertje (464) en Flooris (540).

In beide kluchten komt heeft, geheel in stijl met de personages, bijna exclusief voor bij de studenten en de dokter. BD: heeft (114, 323, 331, 372, 381, 420, 422(2x), 447, 459, 483 ,560, 593); BS: heeft (56, 124, 141, 292, 322, 623, 631).

1.5.2. kunnen

De vorm kost kwam in het Hollandse dialect voor als preteritum enk. van konnen. Kost is door assimilatie ontstaan uit het Middelnederlandse conde, dat conste geworden is naar analogie van wiste, moeste, dorste. Door uitval van n en apocope van de -e werd het cost. In de BS treffen we deze vorm alleen aan bij personages met lage status: Keesje (242, 246), Volckert (398 kostj'er) en Leendert (613). In de BD komt deze vorm in bredere lagen voor: Leander (105), Flooris (168), Karon (=Gijsbert) (353), Dieuwer, Maaike (408, 529). Verder zien we het presens meervoud konnen in de ‘opdracht’ van de BD’: haar neus-wijs-heidt wijst ieder de wegen die zy zelfs niet vinden konnen (r.15).

1.5.3. houden

In de vormen hil (BS: 260,280) en hiel (BD: 136,501) is sprake van apocope van -d, waarbij in hil ook nog verkorting van de [i] voorkomt.

1.5.4. worden

Naast worden komt de oorspronkelijke vorm werden voor. De wisseling van [ε] en [כ] had te maken met de invloed van de w. In de zestiende eeuw werden beide vormen (dus

[p. 229]

werden en worden) in Vlaanderen, Brabant en Holland gebruikt.212 In het Hollandse dialect kwam aan het eind van de zestiende eeuw werden veel minder vaak voor dan worden. Noozeman gebruikt in de BS en BD beide vormen nog door elkaar.

Schematisch voorgesteld worden de werkwoordsvormen van worden en werden in beide kluchten als volgt gebruikt:

Tabel 13. worden

in/bij Presens Pret. enk. Pret. mv.
BS:      
Elsje word/t (26,44,183, 192)    
Elsje worden (191,494,522)    
Gregorius word/t (136,144)    
  worde, aanv. wijs (548)    
  worden (114,    
Pleuntje wort (663)      
  worden (198)    
Volckert wort (312,539)   wiert (283)  
  worden (373)    
       
BD:      
‘opdracht’ wordt (r. 4)    
  worden (r.10,17)    
       
Leander wordt (112)    
Eakus   wierd(380), wierden (429)
    wierdt (496)  
       
Nikaziaan te worden (116)    
Radamant   wierdt (490)  
Flooris 'k wordt (189)    
‘doodceel’ worden,    
  Werd' (na 320)    
Karon te worden (357) wierdt (445)  
Maaike worden (391)    
toneelaanw. word (na 520)    
Dieuwer worden (530)      
Kniertje wordt (576)      
Spook   werd (474),  
    werdt (400)  

De vorm wiert komt in de BS alleen een keer bij Volckert voor. Het voorbeeld staat in een verhalend fragment. De ie-vormen in de BD worden door Eakus, Radamant en

[p. 230]

Karon in de ‘Hel’-passage gebruikt. Volgens De Vriendt (1965) duidt het ie-vocalisme in preteritumvormen op het West-Vlaams. Noozeman wilde wellicht in dit fragment door middel van Vlaamse vormen de sprekers een hogere status geven. Geheel consequent was Noozeman niet, want Karon gebruikt toch tussendoor nog een keer worden (357).

1.5.5zijn

Van zijn zijn vormvarianten bekend, die vooral in Hollandse zeventiende-eeuwse kluchten en blijspelen voorkomen. In BS: bin (248), Binje (446), sint (32, 60, 292), sinje (68), sinne (487), zinje (342, 364) In de BD vinden we: bennen (539) bin (204), binje (33), bint (399), zinje (194), zint (229).

2. Morfologie

2.1. Werkwoord

2.1.1. Gebruik van uitgang -ten en -den in plaats van -te en -de in de verleden tijd

Opvallend vaak komt het gebruik van -ten en -den voor als uitgang van de persoonsvorm in de verleden tijd in de eerste en derde persoon enkelvoud. Gevolgd door ick/ik vinden we in de BD: kuyerden ik (155), raakten ik (583) versus kuyerde ick (BS: 252). Andere gevallen waarbij de derde persoon enkelvoud met de uitgang -den/-ten gevolgd wordt door een klinker, zijn in de BS: duwden in (9), grauwden als (243), pluyshaerden? och jae (307), klaerden 't (617); in de BD: Beurden 't (57), vraagden ofze (337), antwoorden 'er een (356), roerden, of (430), hoorden ooit (494). Hierbij sluiten de Brabantse vormen aan dat gy ... eens pruefden (BD, 405) en da gy u bedruefden (BD, 406), waarin de uitgang

-et vervangen is door -en.

We treffen de -den en -ten uitgang ook veelvuldig aan voor een medeklinker. In de BS: toonden hy (241), Hy praeten soo (251), beloofden sulcken (251), En setten hem (268), 'k hoorden niet (268), klopten vast (284), 'k vraeghden de vrou (329), ick schreyden soo (499), Dat geschieden soo (618); in de BD: dat de deugt in heur huis-vesten? (15), als sy mijn noch datelijk vertelden; (112), die dansten moeder-naakt (146), die gelijk een Schoorstien dampten, (149), men dansten, men kansten, (153), dat ik mijn verbrasten? (207), daar je voor maalden, mostje (...) (345), Dat ik u Kokin op Pluto maakten, (389), daardoor een ander leerden. (432), denkt of jou nou een jonker leiden. (467), dat ik soo de pijpen stelden. (503), het geschieden niet meer. (505), hy daar ... verdienden? (512), die ... in 't leven stelden. (587), om of jou de nadorst quelden. (588).

Gevolgd door een klinker, valt de -n te verklaren als ingevoegde klank die twee vocalen van elkaar scheidt, zoals in: Doen ik 't (BD, 36), maar het gebruik van de -n voor een medeklinker is moeilijker te verklaren. De Vooys (1947: 116), schrijft over dit probleem: ‘Het breidt zich dan ook voornamelijk uit in de volkstaal, bij Bredero [...], en

[p. 231]

in de kluchten.’ Bij de persoonsvormen die aan het eind van de versregel voorkomen, doet zich geregeld rijm met een infinitief op -en voor.

2.1.2. Imperatief

Een ander verschil met het tegenwoordige Nederlands is het -t suffix bij imperatieven voor het enkelvoud. In de zeventiende eeuw stond deze -t heel sterk, terwijl in het moderne Nederlands de -t deletie bij imperatieven praktisch een feit is. Hermkens heeft onderzoek gedaan naar de imperatief in zeventiende eeuwse teksten213, waarbij hij zich voornamelijk richtte op Hollandse en Antwerpse teksten bij Huygens. Huygens hanteerde, naar Hermkens meent, een vrij regelmatig systeem, waarin onder bepaalde omstandigheden -t deletie werd toegepast. Bij Amsterdamse auteurs van Hollandse kluchten blijkt echter volgens Hermkens een ‘chaotische toestand’ te heersen, ‘waaruit geen systeem te distilleren valt’. Uit Hermkens' onderzoek komt verder naar voren dat in kluchten uit het begin van de zeventiende eeuw (Hoofts Warenar, Brederoo's Klucht van de koe, Klucht van de Meulenaar) de vormen met -t suffix overheersen. Interessant is echter het voorbeeld, dat Hermkens geeft, van een klucht uit het midden van de zeventiende eeuw, Tengnagels Klucht van Frik in 't Veur-huys uit 1642, waarin de t-vormen juist veel schaarser zijn. Dit is ook het geval bij de BS en de BD, waar respectievelijk de verhouding tussen imperatieven met -t en zonder -t, 31 versus 52 en 39 versus 80 is.214

-t deletie vindt voornamelijk in de volgende categorieën plaats215

a. adhortatieve interjecties

BS: hoor (295), kom (95, 226, 358, 426, 429, 451, 612, 664, Kom nou: 666), segh (431, 550) Sie (203, 411, sie toe: 415, 462, 587), swijgh (209, 419), versus Hout (279), siet (143), siet eens (610), swijght (143);

BD: hoor (8, 81, 90, 239, 247, 309, 365), kom/koom (kom hier: 197, 214, 308, 351, kom herwaarts: 365, 413, 482, 515, 602, 610), kijk (42, 194, 236, 469), zeg (527, 577), Sie / zie (13, 35, 70, 190, 241, 244, 355, 409, 545, 558, 568).

b. vaste uitdrukkingen

BS: hoor hier (598), hou vast (165), Stae op (338), swijgh stil (379), versus Gaet voort (583);

BD: ga voort (442), ga heen (462), Pas op (165), sta mijn by (521) Swijg stil (401), Vaar wel (187). Wees welkom (108), versus Gaat heen (40), Houdt op (488).

c. bij werkwoorden waarvan de stam op een klinker of tweeklank eindigt

BS: bruy (76), Gae (170,295, 304), Hou (413, hou vast: 165), Stae op (338);

[p. 232]

BD: doe (187, 233, 309), ga (92, 327, 411, 440, 463, 602), Hou (30), sta mijn by (521), tree ( 229, 330, 442), verschei (462), versus beziet (266), doet (94, 497), gaat (251, 323), houdt (546), onthoudt (159), Siet (551), slaat (517), verslaat (256), vertrout (5).

 

Overige gevallen van -t deletie versus -t suffix zijn in de BS: bedenck (530), bewaer (170), breeck (89), Geef (494), heb (414), helpme (664), Krijch (490), krijchse (442), loop (442), maeck (434), Moey (443), neem (89, 159), open (156), Speul (381), tap (374), toover (410), vertrou (209), volgh (76, 634), volghme (358), Wees (209, 325), wiech (451) versus begeckt (33), brenght (628), Denckt (558, 606), Doet (502), doetet (530), gaet (6, 224, 590, 591 2x), Haelt (224), Komt uyt (575), krijght (492), luystert (449), neemt (438), Proeft (512), reeckent (122), slacht (21), sluyt (74), springht (272), Stijght (582), studeert (388), Vertreckt (590), wilt (225, 583).

In de BD: bescherm (r. 13 ‘opdracht’), Bescharm (586), breek (552), drink (520), Geef (35, 467, 569), geloof (367), lees (435, 468), Lees op (371), lieg (588), maak (26, 555), schep moed (217), snoer (41), steek (208), steen (215), vertrek (441), vlieg (251), volg (187), wil (40), zeg/seg (327, 517), versus brengt (411, 439), Dekt (186), denkt (10, 63, 229, 467), draagt 'er (249), haalt (282, 542), Juzjeert (472), maakt (278), neemt (311), Ontfangt (r.18 ‘opdracht’), reikt (227, 268), schikt (47), schrijft 'er (311), spiegelt (556), stookt (440), verschoontme (607), voert (351), wilt (500)

Concluderend kunnen we stellen dat de positie van de -t suffix in beide kluchten al behoorlijk verzwakt is.

2.1.3. Participia

Participia met ge-, e-, of zonder prefix zijn verspreid over verschillende dialecten. Vormen met het prefix ge- zijn van oorsprong afkomstig uit Brabant, Limburg en Utrecht. Via de cultuurtaal zijn deze vormen geïmporteerd in Vlaanderen en Zuid-Holland (Schönfeld/Van Loey (1970), par.136). In Gelderland, Overijssel, een deel van de Zaanstreek en Zuid-West-Vlaanderen komen vormen met het prefix [ə]-, <e>-, voor. Vormen zonder prefix treffen we aan in het noorden van Noord-Holland en in Friesland, Groningen en Drente. In de BS en BD heeft het merendeel van de participia het ge-prefix. Het prefix e- zien we in de BS bij Elsje: espeult (607), Gregorius: etapt (107), Pleuntje: eset (47), Volckert: ehadt (417), etrouwt (371); zonder prefix, bij Leendert: dragen (207).

In de BD komt het prefix e- voor bij Flooris: evoert (141), eneepen (151), emaakt (175), ekalt (182) en bij Hans: ezien (193).

2.2 Substantief

2.2.1. Genitief

De voorgeplaatste genitief treffen we een aantal malen aan in zowel de BS als de BD.

In de BS met -s: sijn duyvels ton (123), de reeckenaers wet-boeck (128), miesters naers (197), mijn moers seun (252), een doof-mans deur (284), 't varckens steert (290), paters vaetje (374), een slaep- droncks praetje (375), habons caracter-boeck (439), verleen jaers nae-jaer (441), Moye Gerrit-ooms grepen (460), een brandewijns-kroeg (477), een

[p. 233]

huys-mans hen (506), het drommels eete (529), Heyntjemans eygen eete (557), sijn vrous handel (577), slapens lust (595), de etens-lust (608), een cuypers vyertjen (614); met e(n): Peet Neel Miesen doodt (48), Heere wetenschappe (400), aller boeven vaertje (508).

In de BD met -s: Dronkke-mans Hel (‘titel’), heelders aart (‘opdracht’ r.12), mijn kijnds deugdelijke zoolen (18), tot hulpers raadt (87), Om Buur-wijfs hulp (137); met -ens (een dubbele genitief: -en + -s): op vreedens gronden (600); met -e(n): zonder hun vrouwe weten (= ‘zonder de kennis van hun vrouwen’) (164), 's Heeren straten (167). In het laatste voorbeeld is de buigings-n nog een restant van de zwakke of oude flexie II216. Achtergeplaatste bepalingen vinden we in de BS: vriend des Keysers (616); in de BD: de cermony des Werelts (476), op 't endt der Dieve-dagen (508).

De genitief -s is in een aantal gevallen afhankelijk van een voornaamwoord (veel, niet, wat); BS: soo veel soens (183), so veul nieuws (470), wat nieus (613); in de BD: niet quaats (610).

2.2.2. Datief

In enkele voorzetselgroepen kunnen we nog een datiefvorm herkennen. Het betrof vaak vaste uitdrukkingen en relicten. In de BS: by waerden (56), ten buyle gaen (22), ter wimpel (281), te deuren uyt (281), ten oogsten uyt (372), ten dienst (423), op den hals (491), uyt den hoop (267); in de BD: ter kerke (‘opdracht’ r. 16), ten Buile (‘naar de geldbuidel’) (29), Ten huise (76). In de datiefvorm te deuren uit (34) zien we een buigings-n die nog herinnert aan de oude flexie II.

2.2.3. Meervoudsvormen

Het meervoud kan met de uitgang -s of -en gevormd worden zoals in het huidige Nederlands, maar we vinden soms meervouden op -s, waar we nu -en of -eren gebruiken. In de BS: knechts (555); in de BD: guits (374), kinders (456), Mans (361, 381), versus Mannen (249, 500), kinderen (216). Omgekeerd zien we meervouden op -en, waar we nu -s gebruiken. In de BS: luyeren (228). In meysjens (210) zien we waarschijnlijk analogie naar jongens. In de BD vinden we dochteren (463) versus Dochters (80, 373).

Soms ontbreekt de meervoudsuitgang. In de BS: quelling (191), dingh (251); in de BD: kennis (533).

Daarnaast zien we enkele meervouden met de uitgang -e, die overigens over het algemeen in de vroege Middeleeuwen vervangen werd door -en. Waarschijnlijk werd deze -en als sjwa gerealiseerd, waardoor de -n in het schrift ontbreekt. In de BS: boone (66), gaste (93), sause (101), itimme (121), knoope (121), neskebolle (128), vriende (136), saecke (198), woorde (203), vrouwe (210), boere (289), vuyste (r. 296), oore ( 359), sinne (392), harsene (393), duysent-pocke (396), ambachte (397), ongelocke (397), wetenschappe (400), calise (401), lappe (401), studente (405), pijpe (416), gecke

[p. 234]

(465), schoene (501), and're (558), mensche (562), dinge (640), mensche (644), vriende (649), oore (667);

in de BD: Goochel-tasse (144), blanke (171), biene (213), pijne (238), Harnasse (338), Henne (353), spijze (412), sinne (471), vrinde (521), vroome (539).

2.3. Lidwoorden, voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden

2.3.1. Genus-n

In het zeventiende-eeuws verschijnt bij adnominale woorden in een aantal dialecten een extra -n in de nominatief singularis masculinum, type den boer in plaats van de boer. Deze noemt men de genus-n. Dit verschijnsel doet zich vooral in zuidelijke dialecten voor, maar resten ervan treffen we nog wel in Hollandse dialecten aan. Vooral in zwakbetoonde lettergrepen verdwijnt deze n in noordelijke dialecten gemakkelijk. De genus-n staat het sterkst als hij gevolgd wordt door een woord beginnend met een vocaal, h (die in zuidelijke dialecten niet gesproken werd), d, t, b of r. De onzekerheid rond het wel of niet schrijven van deze-n leidde in de praktijk tot verwarring, waardoor we een genus-n soms aantreffen in fonetische omstandigheden die bepaald ongunstig voor het uitspreken van deze -n zijn. De onderstaande voorbeelden, alle woordgroepen in nominatiefomstandigheid, laten het gebruik van de genus-n zien.

In de BS: den hospes (99), den elft (272), den Baljuw (288), den armen duyvel (555), onse lieven heer (65), De deftigen Seneca (82, hier had men Den kunnen verwachten), lieven heer (uitroep, 308). In de BD: den (al-te vrypostigen) gast (‘opdracht’ r.6), den tijdt (92), den Docter (107, 603), den Huis-voogt (161), den hoop (332), den Erts-Hartoch (417), eerbaren Raadt (‘Betoogbrief’).

In de volgende woordgroepen ontbreekt de gunstige fonetische omstandigheid, terwijl er wel eens een genus-n is geschreven. In de BS: den plompert (‘spreeckwoordt’), den verkeerder (97), den soliciteur (112); in de BD: (den) al-te vrypostigen gast (‘opdracht’ r.6), den Medicus (109), den Marquis (394), den kleinen Koning (418).

2.3.2. -n uit een

We treffen de -n uit een aan in woordgroepen met dusk, zo of zulk. In de BS: van dusken tijng (11), sulcken konst (117), sulcken kennis (201), sulcken beterschip (251), sulcken klop (273), om duscken krabbel-vuysje (319), sulcken vetje (488), soo menigen dach (511), dusken onbijten (546), in sulcken last (599), voor sulcken gelt (639), sulcken brockje (661); in de BD: dusken leven (5), zulken weeldigen paart (54), zoo meenigen slag (257), zulken dikken wolk (334), zulken delikaten karminade (390), zulken emprialen Kokinneke (408). In de citaten uit 54, 334, 390 en 408 is tweemaal een -n uit een aanwijsbaar.

2.3.3. Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden

In een Hollandse klucht ligt het voor de hand dat in de aanspreekvormen de j-vormen overheersen. Wanneer de gij-vorm wordt gebruikt, dan kunnen we in veel gevallen bijzondere omstandigheden aanwijzen, zoals Brabants dialect of de aanwezigheid van vooraanstaande personages. Beide kluchten zijn in dit opzicht bijzonder illustratief. Om

[p. 235]

de voorbeelden meer inhoud te geven, zijn, wanneer het relevant is, de personages en de situaties erbij vermeld.

Je, jy, jou

De enclitische j-vorm overheerst in de Beroyde Student en de Bedrooge Dronkkaart. In de eerstgenoemde klucht komt deze vorm 83 keer voor versus 22 keer het niet-enclitische je. In de BD is de verhouding 95 versus 11.

De vormen jij en jou, respectievelijk de subject- en objectvorm van de tweede persoon, krijgen meer nadruk dan het enclitische en niet-enclitische je. Jij en jou zijn de ‘normale’ aanspreekvormen in de (Noord)-Hollandse spreektaal. In de BS wordt jy 56 keer gebruikt en jou (niet in bezittelijk gebruik) 50 keer. In de BD zien we 58 keer de vorm jij en 63 maal de jou-vorm.

In enkele gevallen blijkt uit de context dat jou ook als meervoudsvorm kan dienen. Waar jy als meervoudsvorm optreedt, is meestal lui of luy toegevoegd. In de BS: jy past als harme en sijn fluyt dee op menkaer (196), Dat jy luy studente wel plegt een toover-werckje te legge (405), Waer op gae jy luy daer van de schult leggen (552); in de BD: dan zel jy luy vragen (122), Ey Jonge-lui, verslaat jou zoo niet (256), wat of jy lui al kalt (258).

In enkele gevallen komen jy en jou voor als vocatief voorafgaand aan een scheldwoord. In de BS: jou pis te bed (63), jou verbrangde stucke vleys (204), Jou wijve-beul (414), jy vleys-dief (r. 414), Jy vrouwe-verdriet (r. 416), jou schelmpje (r. 663). Ditzelfde verschijnsel treedt overigens ook op na het formelere ghy: ghy schen-tong (r. 23), ghy krijchs-man (r. 304); in de BD: Jou nachtraaf (3), Jy wantrou (18), jy zotte meer (38), jou diefze Snipluis (355), jou ongaleke vent (523).

Ghy

In beide stukken gebruiken personages de formele subjectvorm gij (gespeld als gy) en de objectvorm u. Regelmatig wordt overgeschakeld van de jij-vorm naar de gij-vorm en vice versa.

Om een volledig beeld te krijgen van dit wisselende formele en informele aanspreekgebruik zijn hieronder de voornaamwoorden waarmee de personages elkaar aanspreken, weergegeven. De aangesproken personages zijn horizontaal gerangschikt naar hun sociale status in de kluchten. Hoe meer zij naar rechts staan, hoe hoger de ontwikkeling van de personages is. Aangezien in volkstaal j-vormen ‘normaal’ zijn, staat telkens het aantal keren vermeld. Van meer afwijkende ghy- en u-vormen zijn de vindplaatsen vermeld. In de verticale balk staan degenen die aanspreken.

Tabel 14. Overzicht van de voornaamwoorden waarmee de personages in de BS elkaar aanspreken.

Keesje Pleuntje Volckert Elsje Leendert Gregorius
K     jy (3x)
jou (1x)
     

[p. 236]

P       (-)je (4x)
je (3x)
jy (5x)
ghy (32)
  (-)je (2x)
jy (4x)
jou (3x)
V (-)je(1x)
jy (5x)
jou (3x)
ghy
(289,292
304)
(-)je (2x)
jy (2x)
jou (1x)
  (-)je (5x)
je (1x)
jy (3x)
jou (9x)
  (-)je (26x)
je (8x)
jy (10x)
jou (10x)
E   (-)je (5x)
je (5x)
jy (6x)
jou (12x)
jouw (27)
ghy
(29,42,43)
(-)je (10x)
je (2x)
jy (416)
jou (4x)
  (-)je (3x)
je (2x)
jy (3x)
jou (2x)
u
(157,225,
226,227)
(-)je (8x)
je (1x)
jy (3x)
jou (4x)
L   jou (2x)
ghy (207)
u
(6,207,208)
  (-)je (1x)
jou (1x)
ghy
(181,182)
u (158,178,
179,181,
181,182,
185)
  (-)je (3x)
jou (1x)
ghy (617,617,
619)
u (617)
G   (-)je (6x)
jou (6x)
ghy
(481,492,
652)
(-)je (5x)
je (1x)
jou (1x)
ghy (332,
436,563,
563,588,
589)
u (383,569)
uwen (385)
(-)je (1x)
jy (1x)
jou (1x)
ghy (60,64)
u (57,64,76,
572,572,
573)
(-)je (2x)
jou (1x)
u
(574,576,577)
 

Tabel 15 en 16 bevatten gegevens uit de tekst van de BD. Tabel 15 geeft een overzicht van de aanspreekvormen van de personages die ‘zichzelf’ zijn en tabel 16 geeft de

[p. 237]

aanspreekvormen weer uit het deel dat zich in de ‘Hel’ (vss. 327-520) afspeelt. Sommige personages hebben daarin een andere rol. Ze worden hieronder nog even genoemd.:

Eakus (Leander) Hans  
Radamant (Nikaziaan)   Maaike
Karon (Gijsbert) Kniertje  
Spook (assistent van Nikaziaan) Flooris  

Tabel 15. Overzicht van de aanspreekvormen in de BD (vss.1-326 en vss. 521-610)

Kniertje Dieuwer Flooris Gijs-bert Hans Maaike Leander Nikazi-aan
K   (-)je (5x)
jou (1x)
(-)je (13x)
(-)je (1x)
jy (7x
jou (9x)
    (-)je (2x)
jou (1x)
(-)je (1x)
jy (1x)
gy (94,
102)
u
(94,608)
 
D
(-)je (8x)
(-)je (1x)
jy (3x)
jou (4x)
  (-)je(6x)
je (2x)
jy (5x)
jou (6x)
      (-)je (2x)
jy (1x)
jou (1x)
je
(1x)
F (-)je (12x)
je (2x)
jy (3x)
jou (6x)
je (1x)
jy (1x)
  jy (1x)
jou (1x)
(-)je
(6x)
jy (1x)
jou (1x)
(-)je (1x)
jy (1x)
(-)je
(2x)
jy (1x)
jou (3x)
G     (-)je (4x)
je (1x)
jy (4x)
jou (3x)
         
H (-)je (1x)   (-)je (5x)
je (4x)
jy (4x)
jou (5x)
      jy (1x)  
M     gy (585)          
L
(-)je (2x)
gy (97)
u (75,75,
97,99)
(-)je (2x)
je (91)
jou (3x)
(-)je (1x)
jy (4x)
jou (1x)
        (-)je
(3x)
                 
N     (-)je(5x)
jy (1x)
jou (5x)
gy (594)
      gy
(279)
 

[p. 238]

      u (269,
594)
         

Tabel 16. Een weergave van de aanspreekvormen die door de personages in de ‘Hel’ zijn gebruikt

Kniertje Flooris Maaike Spook Eakus Radamant
Kn.       gy (468)    
F           (-)je (2x)
jy (1x)
jou (1x)
M       gy (401,
415,415)
gy (384,
384)
u (384)
gy (405,406,407)
u (406)
Spook (-)je (2x)
jy (1x)
jou (1x)
gy (470,
473,474)
u (470,476,
476,478)
(-)je (1x) (-)je (1x)
jy (2x)
     
Hans         (-)je (2x)
jy (1x)
 
Karon jou (1x) jy (1x)
jou (1x)
(-)je
(1x)
    jou (1x)
Rada. gy (446,464,
465)
u (465)
jy (2x)
jou (2x)
gy (388,
389)
u (369,
388,389,
389)
     

2.4 Woordvorming

2.4.1. Samenstellingen

Uit de verschillende schrijfwijzen blijkt dat men in de zeventiende eeuw nog twijfelt of er sprake is van een woordgroep of samenstelling c.q. samenkoppeling. In de BS bijvoorbeeld: de Noorde wind (59), reken-konst (85), wet-boeck (128); in de BD: zoo kunje jou lijden niet over zien (22), dat ik 'er mee over stijg (360), Die 'er Man ook dus op-trok (58), hier valt geen tegen-zeggen (369).

Samenstellingen die persoonsnamen aanduiden, komen veelvuldig in kluchten en blijspelen voor. In Schönfeld/Van Loey (1970: 187 e.v.) worden deze samenstellingen beschreven als appositionele samenstellingen, dat wil zeggen

[p. 239]

samenstellingen waarvan het eerste lid de appositie (bijstelling) is en het tweede lid de soort aanduidt. BS: een Geyn-boer (267), fijn-man (270). BD: Buur-mens (81), Maike-Buur ( 118), Buur-man (169), Buur-wijfs (hulp) (137), Floris-Buur (195, 287), Kniertje-Buur (203). In kluchten komen ook vaak eigennamen voor in de vorm van samenstellingen die een ironische of spottende gevoelswaarde hebben. BS: Moy Niesjes (233), Scheele-Stijn-aris (422), Mary-kraberus (423), Johan Stronten-burgens (427), Moye Gerrit-ooms (grepen) (460), Vryster Jans (492); BD: Langhals (in lijst van ‘vertoonders’), Klaartje-Zever-beks (148), Poesten-bry (312), Horren-scheef (313), Schokke-bak

(314), Fobert met de Wratten (313), Lobbes met zijn Kraag (315), Schonkje met zijn Veur-neus (315). Samenstellingen die in negatieve zin personen aanduiden, zijn: BS: lijf-uyt (359), woudt-aep (367), wijve-beul (414), vleys-dief (414), vrouwe-verdriet (416), dring-oor (491), frater flicke-pottis (424), smeer-borstus (428), bier-sack (428); BD: nacht-raaf (3), bulle-bak (40), kaal-gat (66), Hane-veer (82), Wijve-smijters (128), Henne-tasters (163). Opvallend is dat veel negatieve aanduidingen in de samenstelling een dier als lid hebben. Zie de scheldwoorden in de BD: nacht-vinkken (377), braat-veugels (344), venster-aap (419), wambas-kat (442), tafel-uil (442), wout-aap (444). De samenstelling (Jan) treet-saft (480) wordt in Schönfeld/Van Loey (1970) geschaard onder de zinwoorden die verwant zijn aan bovengenoemde samenstellingen, aangezien ze ook spottend bedoelde bijnamen aanduiden. Het zijn vaak imperatieve samenstellingen.

2.4.2. Afleidingen

Prefixen

on- kan voor substantieven en adjectieven staan en heeft meestal een ontkennende betekenis, die vaak gepaard gaat met een negatieve waardering. Inde BS: onweer (52), ongeduldt (83), onrustige (129), onseecker (133), onbeschroomt (173), onbarmhartigh (333), onnoosel (352), ongalijck (361), ongelocke (397), Onsichb're (451), onnosel (496), ongeluckige (500), onluck (667); in de BD: ondieren (‘opdracht’ r. 14), ongalijke (vent) (‘beroerde kerel’) (523), onbeschofte (318), onraat (522). Soms heeft on- een versterkende (augmentatieve) betekenis, zoals in Dat's dubbelt ondieft (133). De betekenis is hier, mede door het versterkende dubbelt, ‘heel mooi’.

ont- geeft aan werkwoorden de betekenis van nadering of verwijdering (zie WNT, s.v. ont-). In de BS: ontbrack (5), ontsiet (149), onthale (153), ontsprang (233), ontseggen (318), ontzien (422) ontstelt (572); in de BD: ontstellen (23, 24), ontmannen (135), ontboodt (265, 565), onthaalden (418), ontgelden (504), ontstaat (589.

Het prefix wan- geeft net als on- een ongunstige betekenis aan het grondwoord, BD: wantrou (18). Dat geldt ook voor het in betekenis verwante mis-: misdaadt (161, 329, 513). Er zijn geen voorbeelden in de BS aanwezig.

ge- betekent oorspronkelijk ‘samen’. Als voorvoegsel van participia is deze betekenis later verzwakt en kreeg het langzamerhand de functie om de voltooiing van de handeling uit te drukken. In de BS: gevalt (‘is in overeenstemming met’, ‘gaat samen met iemands wens’) (17), gesel (55), gespeel (211), gesel (256), gemuyt (280), gelach (300),

[p. 240]

gesel (369), Geluck (383), geselschap (520), gemeen (548), gelach (559), gelegentheyt (618); in de BD: 't gemien (2), en als adjectief in de Gemeene man (354), gevalt (129), gebuur (187, 566, 585), gebuuren (564), 't gezelschop (29), gelievekens (368). In een aantal woorden is ge- afgevallen. In de BS: (ick) loof (ww.) 52,187,194,324,462,569 versus geloof ick (560), gelooft (608), onluck (667), luckigh (671); in de BD: Buuren (88), buuren (tussen vs. 117 en 118), Nabuur (samentrekking uit nagebuur) (172), Beurden (57), naast Gebeurden (387), lach-loopers (‘klaplopers’) (378), lukt (134, 258), lukken (275), naast gelukken (387), (Maar jy hebt het gedroomt) loof ik (549). Schönfeld/Van Loey neemt aan dat het om woorden van Fries-Hollandse afkomst gaat, vergelijk het ontbreken van ge-prefix of gereduceerde [ə] voor participia in 2.1.3. Een enkele keer ontbreekt het prefix be-: Dat loof ik u (98), en zoo hoorenze (...) te leven (318).

Suffixen

Bij de verkleinwoorden zien we een duidelijk onderscheid in Hollands en Brabants dialect. In de Zuidnederlands dialecten is de Middelnederlandse diminutiefsuffix -ekijn nog als -kin, -ken of -ke overgeleverd. In het meervoud zien we -kens of -kes. Soms treffen we in het Middelnederlands naast de uitgang -kijn nog -lijn aan, zoals nog in de naam Iakelijn (BD: ‘dood-ceel’). In de BS is het Zuid-Nederlandse dialect nagenoeg afwezig en vinden we slechts hanneken (51) en neskebolle (128). In de tekst van de BD waar Maaike sprekend wordt opgevoerd, komen we de volgende verkleinwoorden tegen: gelievekens (368), doske (385), billekens (386), lijsterkens (393), Spreekens (393), Leewarkskes (393), Duifkens (394), goeike (398), diefken (401), Tarzaike (401), Vlaaike (402), Pastaaike (402), Nonnekens (404), Krijme-frittekens (404), Wafelkens (405), Kokinneke (407), Lakker-tongske (408), vroomeken (409), Peerdeken (417), Knierken (563).

Daarnaast gebruikt Maaike de Hollandse verkleiningsvorm in Hoeren dretjes (404), maar dat kan te maken hebben met het feit dat dret (‘uitwerpselen’) op een t eindigt; Schönfeld/Van Loey (1970) merkt op dat de ontwikkeling van het suffix -kîn tot -tje bevorderd werd, als de uitgang volgde op t (zie par.186). Vanuit Holland breidde zich in de Middeleeuwen de uitgang -(t)je en -etje uit. Enkele voorbeelden in de BS: katje (2), vroutjes (55), pintje (105), schuympje (107), krijtje (126), paetje (146), uurtjes (213), liefje (213,233), nachje (217), soetjes (218), beetje (230,406,410), flusjes (231), quinckertje (663), schelmpje (663), goetje (664), avontuurtje (666), vrientjes (672).

In de BD: tuiltje (7), rijmpjes (71), haakje (86), bolletje (164), zeeltjes (317), borsje (550), [enz.]. Verder hebben veel namen het verkleiningssuffix. BD: Kniertje, Trijntje (199), Keesje (313), Roeltje (314), Leentje (314), Schonkje (315).

Naast de diminutiefuitgang -tje verschijnt de uitgang -tjen. In de BS: Aeltjen (4), kreuckjen (44), vrouwtjen (65),. schabbetjen (141), Niesjen (212, 233), backisjen (239), vingertjen (336), beetjen (459), kroosjen (475), vyertjen (614), ducaetjen (620); inde BD: dit drankjen (282), Dat Rokjen (141).

Het Nederlandse suffix -heid wordt gebruikt om abstracte woorden te vormen. Het kwam vaak achter een minder zwaar beklemtoonde lettergreep te staan, zoals achter adjectieven die op -ig eindigen. Daardoor werden weer nieuwe woorden gevormd met

[p. 241]

het suffix -igheid (Schönfeld/Van Loey, 1970: par.166 e.). Woorden met dit suffix drukken meestal knusheid, gemeenzaamheid uit, zie in de BS: mallighey(d)t (15, 184, 381), swaerighey(d)t (216, 323, 353, 503), vuyligheyd (349), barmhartighey(d)t (372, 599), stilligheyt (389, 390), soetigheyt (648), groenigheydt (657); in de BD: stoutigheidt (‘opdracht’ r. 4), swarigheidt (‘opdracht’ r. 4, vs 179, 602), stilligheidt (324).

Met het suffix -(e)ling zijn in de zeventiende eeuw veel woorden gevormd. De betekenis hangt soms samen met afstamming in combinatie met verkleining: Zusterling (‘kind van mijn zuster’) (BD: ‘Doodceel’ , vs. 399); schellingh (BS: 13), quelling (BS: 191); beuling (‘worst’) (BS: 442), Juriaan Potje-Beuling (BD: ‘doodceel’) van het Middelnederlandse bolinc is ontstaan uit bodeling; door assimilatie is boling (later beuling) ontstaan. Een andere eigennaam met -ling, is Leberlingen (BD: ‘doodceel’).

In de BD treffen we veel afleidingen met suffixen aan, die aan het Frans ontleend zijn. Met -aadje uit het Franse -age vinden we Kozijnnaadje (‘neefschap’) (‘doodceel’), lastaadje (‘gewicht’) (385) en boelaadje (‘vrijage’) (386). Het Franse suffix -ie vinden we terug als -ery, -y, -i en -is. In de BS: studiosi (79), conscientsy (101), conditsy (137), burgery (241), gracy (326), dievery (328), schelmery (394), Negromancy (409), Amici (428), toovery (556); in de BD: consciency (243, 376, 425), ordenanci (315), consciencis (354), Hoerery (366, 455), Dievery (378, 421, 437), schelmery (382), spookery (tussen 520 en 521), devotie (472), cortosie (473), cermony (476).

Met het Franse -esse vinden we in de BD op één versregel: grandesse (476), diskourse (476) en dikrese (476). Al deze naar het Frans gevormde afleidingen komen in een betrekkelijk afgeronde episode voor. Er is duidelijk gestreefd naar het bereiken van een komisch effect.

3. Syntaxis

3.1. Verbale hendiadys

In plaats van het type woordgroep staan te + infinitief vinden we in het zeventiende-eeuws het type van de nevengeschikte woordgroep dat een eenheid vormt. Voorbeelden van de verbale hendiadys in de BS zijn:

Hier staen ick vast en klipper-tant (139); Goe naevont Leendert lief, ick sat u vast en wachten (157); Daer stondt ick doe en klopten vast voor een doof-mans deur (284); Pleuntje, siet iens of jou miester al leyt en ronckt (610); Stille mens, hoe staet hier dit mens dus een mens en bruyt? (642)

We treffen in de BD twee voorbeelden van een verbale hendiadys aan: Ik zou meenen dat 'er een geest hier by mijn stont en sprak. (177) en Kanje dan niet te vreen wesen, en zitten daar en ronkken? (524).

3.2. Balansschikking

Een bijzondere vorm van nevenschikking is de balansschikking. Een kenmerk van deze constructie is, althans in het moderne Nederlands, dat beide zinnen hoofdzinsvolgorde hebben. In de BD: En van mijn ziekte weet ik mijns wetens niet, of 't gaat boven mijn verstant. (201); Dat hy niet roerden, of daar bleef wat aan hangen of geschent. (430); Ja selden Maant of Week wast of sy had blauwe oogen (487).

[p. 242]

3.3. Aanspreking

Zeer veel zinnen in de BS en BD worden ingeleid door aansprekingen. Dat heeft vanzelfsprekend met het genre te maken; in dialogen is het noemen van de aangesprokene een veel voorkomend verschijnsel.

De aansprekingen komen in verschillende vormen voor. In de vorm van een eigennaam: Pleuntje (BS 628), Knier (BD 27), Leander (BD 93); een soortnaam: vrou (BS 21), Kijndt (BD 26b), Buur-man (BD 209), Swager (BD 568); een titel: Domine (BD 276), Heer (BD 384); een scheldnaam: Nou flaeterbackus (BS 16), Nou hangdeloos (BS 165), bulle-bak (BD 40), kapstok (BD 180), Wanschepsel (BD 461). Soms wordt een soortnaam als schimpwoord gebruikt, bijvoorbeeld in mijn lieve handeloos en tandelooze Best (= eig. ‘grootmoeder’, maar hier ‘oude afgeleefde vrouw’) (BD 45). Ook lieve is hier schimpend bedoeld.

Aansprekingen komen vaak in combinatie met tussenwerpsels voor. Enkele voorbeelden in de BS: Hoor vaer (70), Wel dring-oor (491); inde BD: Hoor Flooris (8), gort Besje (41), Och Moertje (63), wel vrienden (110), Maar Maaiken (388), Ey Kniertje! (552), Ja Domine (561).

De combinatie met het bez. vnw. mijn komt soms voor als er sprake is van een zekere intimiteit met de aangesprokene; vaak gaat dan aan de vocatief een adjectief vooraf: mijn suyckerde Pleuntje (BS 652), Mijn suycker-riet (BS 178), mijn deugdelijke vriendt! (BD 234), mijn kostelijke kijnt (BD 237), Mijn zuikerde Flooris (BD 253), Mijn rouwverdrijver (BD 607). Daarnaast zien we soms de combinatie met een pers. vnw. in de tweede persoon. In die gevallen wordt er juist afstand tot de aangesprokene mee uitgedrukt: Jou verbrangde stucke vleys (BS 264), ghy schen-tong, (BS 23). Jou nacht-raaf (BD 3), jy zotte meer (BD 38), gy klein diefken (BD 401), jou ongaleke (‘beroerde’) vent? (BD 523). De vorm jou (in plaats van jij) vóór een vocatief komt in het bijzonder vóór scheldwoorden voor, zie Overdiep (1935: 306 e.v.).

De plaats van aansprekingen in de zin kan bovendien een bepaalde functie hebben. Wanneer een aanspreking (vaak een eigennaam) alleen wordt gebruikt, is er soms sprake van een bevel, een opdracht of dreigement. In de volgende voorbeelden maakt het niet uit of de aanspreking vóór of achter in de zin staat; de functie van dreigement wordt in beide gevallen bewerkstelligd: Besje strak stommel ik jou en jou Dochter, t'zamen te deuren uyt. (BD 34), Zie toe Knier (BD 35b). Wanneer de aanspreking voorafgegaan wordt door een emotioneel bedoeld tussenwerpsel (o, och, ey, gort), is de functie van de aanspreking (in combinatie met het tussenwerpsel) vaak een emotionele uitroep. In veel gevallen staat deze combinatie vóór in de zin, die meestal de vorm van een imperatieve of vragende zin heeft. Enkele voorbeelden zijn: Ey moolnaerin, wilt toch een kalis nu gerijven (BD 73), Och lieve Hans! Wat raadt, maar (...) staan? (BD 210); hei Snyer zinje mal (BD 194); Ey! Mannen, recht genadig (..) (BD 500).

3.4. Ontkenning

Het ontkennende partikel en is een restant uit het Middelnederlands. Soms kwam in het Middelnederlands een versterkte negatie voor met nog een ontkennend woord in de zin.

[p. 243]

Overeenkomstig het gebruik in het Middelnederlands vinden we en telkens vlak voor de persoonsvorm.

In de BS:

(49) Dat boere coomenschip niet veel en kan beschieten,
(56) Die gelt, of niets en heeft by waerden,
(64) 't En kon u doch niet schaen dat ghy mijn binnen liet,
(75) Tot dat hy sweet; altoos en raeckt hy hier niet in.
(115) Dat isser de frayicheyt of, maer daer geen verwinnen aen en is, (...)
(130) Dat dickwils boven yser niet en valt,
(144) Op dat ghy van dees plaets noch niet verjaeght en wort.
(147/148) Noch hagel-buy, of kou, en houwe my niet van mijn Els
(172/173) jae wel het en heught Mijn nau dat ick je soo onbeschroomt omvatte
(189) Als ick jou missen moet, soo haest en kom je niet,
(242) Wangt kijnt, of meyt, en knecht en kosten hem niet stille;
(297) Of een sneetje te leggen, en sou ick niet voor te bruyloft willen gaen
(330) Hier slapen op de moole, 't welck sy niet en wou gedoogen,
(646) Hoor kijnt, als het jou sin niet en is, soo laet ick het betien.
(656) Durf ick wel? jae ick ben te vreen: maer jy en hoeft niet te dencke, Dat (...).

In de BD:

(384/385) Gy abuzeert u Heer, en weete gy van dien guit, /Die my een doske Koper in stee van Gout gag (hier vormt en alleen de negatie)
(54) Ik zou zien of men gien teugel veur zulken weeldigen paart en vijndt. (161) Want zoo den Huis-voogt de misdaadt niet en straft, hy is 'er schuldig aan,
(308) Adieu, kom zoen mijn noch iens, of ikje niet weer en zag.
(408) In Brabant was niet een lakker-tongske dat Maaiken niet en kost.

Voorbeelden van de versterkte ontkenning van het type niet een myt (‘in het geheel niet’) vinden we in de BS:

(118) In hoc casu, want anders is het niet een boobel.
(261) En als ick noch begin soo dooch ick niet een bruy;
336) Och sy is soo reyn, dat 'k haer niet een vingertjen aenraken moet over dagh,
(564) Niet een mijt, mijn dunckt niet dat ick'er veel voor sou schromen

In de BD:

(33) wat geef hem niet een duit.
(174) dat haagt mijn niet een beet.
(441) ik gun hem niet een woordt
(538) ik zeg noch zy dochten niet een beet.

3.5. Participiumconstructie

In beide teksten komen we alleen conjuncte (verbonden) constructies tegen.

[p. 244]

In de BS:

(83) In armoe gevangen: Verholen conjuncte participiumconstructie verbonden met ick (82);
162) met boter overdropen: Verholen conjuncte participiumconstructie, verbonden met Het (162);
(264) gelijck verhongert: Verholen conjuncte participiumconstructie, verbonden met wy
(430) Met puyck van eetb're kost en wijn of bier gelaen: Verholen conjuncte participiumconstructie, verbonden met Amici intimi van smeer-borstus, en bier-sack, Van vreten-burgus, en luy-lecker-landt (428 429)
(593) hem soo gelijck: Verholen conjuncte participiumconstructie, verbonden met de droes (593)

In de BD:

(‘Doodceel’) Woonende in de drie dreggen, verbonden met Flooris Koerten ... Vrouwen toekomende, verbonden met Donderdag
(483) nu flus gesturven, verbonden met Flooris Koerten (483)
(600) gebouwt op vreedens gronden, verbonden met een huis (600)
(toneelaanwijzing tussen 318 en 319) vertoonende karon, verbonden met Gijsbert.
(toneelaanwijzing tussen 326 en 327) uit-beeldende Radamant (...), verbonden met Nikaziaan

3.6. Verdubbeling van ik

Het Brabants van Maaike vertoont een syntactische bijzonderheid die niet in het Hollands van de andere personages in de BS en de BD voorkomt. Het betreft het reduplicerende ofwel repeterende ik.217 Deze eigenaardigheid werd als een kenmerkende eigenschap van het Brabants gezien. In de zinnen die door Maaike worden gesproken, treffen we zeven maal het repeterend gebruik van ik aan, naast vier maal het enkelvoudig gebruik. De niet-repeterende vormen verschijnen twee maal onbeklemtoond: 'k (367, 368) en twee maal beklemtoond: ik (398, 405).

De grammaticale positie van het repeterende ik in BD is vrij consistent. Er is in de eerste plaats telkens sprake van een hoofdzin. In de tweede plaats is de verdubbeling van ik na de persoonsvorm geplaatst, op één uitzondering na, in vs. 390: (...), o kik kan. En in de derde plaats zien we steeds een repeterende vorm, waarvan het eerste lid enclitisch is. Het zijn: Dat had kik doen (= ‘toen’) voor mijn Rinze-wijn, (...) (385), Ook ben 'k ik een Marvielje (...) (392), (...), ben 'k ik zoo baizaart (394), (...), tart 'k ik den Kok (395), met zulken deugt heb 'k ik steets (...) de kroon gespannen (409), Wel Knierken, pais 'k ik g'en hebt de Vroet-vrou noch niet van nooden, (563). De vorm van het repeterende ik verschijnt op twee manieren: kik en 'k ik.