|
|
|
| |
| | | |
| |

Programma van een toneelvoorstelling te Zwolle
Gemeentearchief Amsterdam
| | | |
| |
Een schandelijk boek
Klaasje Zevenster en opvattingen over prostitutie in de negentiende eeuw*
Karen Peters
Klaasje Zevenster werd in de jaren zestig van de vorige eeuw een publieke figuur. Ze was heldin en slachtoffer tegelijk. Zij kreeg brieven van mensen die haar om hulp en wijze raad vroegen, maar zij werd ook verguisd: velen vonden dat haar levensverhaal nooit opgetekend had mogen worden. Haar lotgevallen, vooral haar verblijf in een bordeel, leidden tot een brochurestrijd van geleerde heren. Toch was Klaasje een fictief personage.
De vijfdelige roman De lotgevallen van Klaasje Zevenster verscheen in de jaren 1865-1866 en werd snel razend populair. Maar het boek wekte ook grote opschudding omdat de heldin, een keurig, lieftallig meisje, een huis van ontucht betreedt. De schrijver, Jacob van Lennep (1802-1868), was een invloedrijk man in het literaire en maatschappelijke leven en een geliefd auteur van historische romans. Er was met ongeduld uitgekeken naar deze roman, waar men vijftien jaar op had moeten wachten.1 Ditmaal presenteerde hij geen historisch verhaal, maar een zedenroman waarin de noodlottige levensloop van een onschuldige vondelinge in de jaren twintig tot veertig van zijn eigen eeuw beschreven werd.
De populariteit van de roman blijkt uit de snelle verkoop van de eerste druk2 en uit de vele herdrukken die er in de loop der jaren verschenen.3 Het enthousiasme ten tijde van het verschijnen blijkt echter nog het meest uit de ‘Klaasje Zevenstermanie’ die toen losbarstte.
Binnen een jaar na het uitkomen van het laatste deel van Van Lenneps roman brachten drie grote toneelgezelschappen het verhaal op de planken, elk in een eigen bewerking.4 De vele extra voorstellingen en de tournees door het hele land,
| | | |

Omslag van Klaasje Zevenster - galop voor piano door H.J. Broedelet Wz.
Gemeentearchief Amsterdam
| | | |
ook naar de kleine provinciesteden,5 geven de indruk dat ook deze toneelbewerkingen in de smaak vielen. Er verschenen vervolgromans van critici en bewonderaars. Een van deze boeken, Klaasje Zevenster is niet dood kwam ook in bewerkte vorm op het toneel.6 Een andere uiting van enthousiasme vormen de muziekstukken die verschenen: H.J. Broedelet schreef een vrolijk deuntje voor piano: De Klaasje Zevenster-galop. De toen bekende Johan Coenen, dirigent van het orkest van het Paleis voor Volksvlijt, componeerde een humoristische potpourri met als titel De harmonie der sfeeren naar de roman van J. van Lennep. En dan was er nog een melodieus salonstukje voor piano: Herinneringen aan Klaasje Zevenster, elegie van Madeleine door Maurits (de romantiek van deze twee namen zal hierna nog verklaard worden). Een sterk voorbeeld van de cultus rond Klaasje leverde het Nieuw gezelschapsspel Klaasje Zevenster, een spel in den trant van een ganzenbord. Busken Huet maakt ten slotte in een brief van 20 juli 1867 melding van een vuurwerk-manifestatie:
‘Indien het heden avond droog blijft, gaan wij welligt op Velzerent het vuurwerk van uwen Van Leeuwen zien afsteken, in de hoop, alsdan de aangekondigde traan op het graf van Klaasje Zevenster - de bekende kreatie van uwen Van Lennep te zullen zien vallen. Dat schouwspel zal ongetwijfeld op waardige wijze mijne vakantie besluiten.’7
Behalve liedjes, toneelstukken en souvenirs regende het ook brochures. Gezaghebbende literaire critici en gelegenheidsschrijvers bespraken de literaire en morele aspecten van de roman. Het zijn vooral deze brochures, waarvan er in de jaren 1866 en 1867 zo'n twintig verschenen, die een indruk geven van de wijze waarop De Lotgevallen van Klaasje Zevenster werd ontvangen en, meer specifiek, hoe er over de bordeelscènes werd gedacht.8
| | | |
De ruime belangstelling die een nieuwe roman van Van Lennep altijd al kreeg, werd versterkt door het onverwachte element van de bordeelscènes. Toch was prostitutie geen nieuw onderwerp in de romankunst. De opschudding rond het boek is dus niet alleen met een verwijzing naar dit aspect van het verhaal te verklaren. Waarom juist Van Lenneps boek zoveel ophef veroorzaakte, is dan ook een vraag die hier beantwoord moet worden.
In de geschiedschrijving van negentiende-eeuwse opvattingen over seksualiteit wordt het midden van de eeuw veelal afgeschilderd als een tijdperk waarin preutse opvattingen de burgerlijke samenleving geheel domineerden. Alles wat met seksualiteit te maken had, zou verzwegen worden.9 In deze zelfde periode waren literatoren verwikkeld in een discussie over de morele taak van de romanschrijver.10 Contemporaine discussies over romans met een gewaagd thema zijn in de hedendaagse geschiedschrijving zelden terug te vinden, terwijl juist dergelijke discussies een rijke bron vormen voor opvattingen over zedelijkheid en seksualiteit. Literaire bronnen worden door historici doorgaans met argwaan bekeken.11
Ik zal trachten aannemelijk te maken dat receptieonderzoek de mogelijkheid biedt om de literatuurgeschiedenis te gebruiken voor vernieuwend historisch onderzoek. De kunst van het vertellen nam in de negentiende eeuw een grote vlucht met de opkomst van de roman: een cultuurhistorische bron die niet onbenut moet blijven. Met een bespreking van de argumenten van vóór- en tegenstanders van Klaasje Zevenster wil ik de rijkdom van dit materiaal laten zien. Wat werd
| | | |
er naar aanleiding van deze roman over prostitutie gezegd en wat betekende dit voor vrouwen? De discussie over Klaasje Zevenster kan inzicht geven in het burgerlijke denken over zedelijkheid.
| |
Het verhaal
Klaasje Zevenster dankt haar naam aan de avond waarop zij door zeven studenten van een Leids dispuut, ‘de dorstige pleiaden’,12 wordt geadopteerd. Het is Sinterklaasavond in het jaar ‘182-’. Een doos die aan de deur afgeleverd wordt, bevat niet de verwachte banketletter maar een meisje van een paar dagen oud. Dit vondelingetje wordt na lang beraad door de zeven studenten gezamenlijk geadopteerd. Het is een onderlinge afspraak, die verder binnenskamers blijft. De heren studenten verplichten zich zorg te dragen voor onderhoud en opvoeding van het kind. De eerste stap die wordt ondernomen, is het zoeken van een min.
In enkele hoofdstukken verhaalt Van Lennep over Klaasjes jeugd bij het Leidse gezin Lammertsz, de verhuizing met haar pleeggezin naar Amsterdam en de verdere voltooiing van haar opleiding op een kostschool voor jongedames. Het eigenlijke verhaal begint pas als Klaasje, inmiddels ook wel Nicolette genoemd, deze school op haar achttiende verlaat: dan moet besloten worden hoe zij haar verdere leven aan de kost komt. Terwijl haar pleegvaders zich beraden over een geschikt emplooi, logeert Nicolette bij een van hen: de predikant Bol. Deze woont in het Gelderse Hardenstein. Daar woont tevens een van haar meer welgestelde pleegvaders, de graaf van Eylar. Voor de inwoners van Hardenstein (en de lezers) wordt duidelijk dat het meisje een bijzonder lieflijk en onbedorven karakter bezit. Zij wordt opgenomen in de hoogste maatschappelijke kringen en alom bewonderd. Ondanks kleine intriges rond haar persoon, beleeft zij een heel gelukkige tijd. Er komt een eind aan dit vrijwel zorgeloze bestaan als de jonge graaf Maurits, een halfbroer van haar pleegvader Eylar, verliefd wordt op Klaasje en haar ten huwelijk vraagt. De gevoelens blijken wederkerig te zijn, maar toch weigert zij het aanbod. Zij weet dat een huwelijk tussen graaf en vondelinge maatschappelijk onacceptabel is en niets dan ongeluk zal brengen. Kort daarop gaat zij in op het aanbod om bij een andere pleegvader, de heer van Zirik, als gouvernante in dienst te treden. In het kille Haagse huishouden van Van Zirik krijgt Nicolette een onduidelijke positie als ‘bonne’ van de kinderen. Ze krijgt problemen met de jaloerse en overspelige vrouw des huizes en heeft last van de hinderlijke avances van een vriend van de Van Ziriks, baron van Tilbury.
Als Klaasje op straat lastig gevallen wordt door Van Tilbury, wordt zij terzijde gestaan door een toevallig passerende kennis, Madame Mont-Athos. Deze heeft zij tijdens de reis naar haar nieuwe betrekking in Den Haag in de postkoets ontmoet. Zij weet niet dat deze ‘Madame’ een bordeelhoudster is. Als Mevrouw van Zirik van de baron van Tilbury hoort dat Klaasje gezien is met een hoerenmadam, heeft zij een wapen in handen om haar te ontslaan. Op instigatie van Van Tilbury laat zij haar kinderjuffrouw uit huis weghalen door een politieman. Deze agent,
| | | |

Van Galjart redt Klaasje uit de handen van Van Tilbury
Fotogravure naar een tekening van W. de Famars Testas, uit een te Leiden verschenen, ongedateerde uitgave van Klaasje Zevenster
| | | |
Pedaal, is door Van Tilbury omgekocht. Klaasje, die geheel in de war is en niet door heeft welke intriges er gesponnen worden, laat zich door de diender afleveren bij de enige kennis die zij in Den Haag heeft: diezelfde Mont-Athos. Aanvankelijk verkeert Nicolette/Klaasje in de veronderstelling dat zij in een meisjespensionaat logeert. Door de hevige emoties over het geheel onbegrijpelijke feit dat ze weggestuurd is uit het huis van Van Zirik wordt Klaasje ernstig ziek. Het duurt enkele weken voordat zij merkt wat zich in het huis van Madame Mont-Athos afspeelt. Als zij eenmaal hersteld is wordt zij lastig gevallen door haar eerste klant... baron van Tilbury. Zijn aandringen heeft geen effect, waarop hij haar aanrandt. Een van de andere aanzienlijke gasten in het bordeel blijkt de wat verlopen Galjart te zijn: een van Klaasjes pleegvaders. Hij redt haar uit de klauwen van Van Tilbury maar is te dronken om naar haar te luisteren en haar verder te helpen. Diezelfde avond ontsnapt Klaasje uit het huis, waar zij zich inmiddels gevangen gehouden weet, en vlucht naar Amsterdam.
De vele verwikkelingen die zich hierna afspelen en tot de uiteindelijk ontknoping van het verhaal leiden, moeten de lezer hier onthouden blijven. Het einde van het verhaal, waar alles op zijn pootjes terecht lijkt te komen, is wel van belang. Onze heldin blijkt van goede afkomst te zijn (zij wordt herenigd met haar adellijke moeder en haar zeer rijke grootvader van vaderszijde) en wordt van elke blaam over haar verblijf in het bordeel gezuiverd. Graaf Maurits heeft al die tijd op Klaasje, die eigenlijk Madeleine blijkt te heten, gewacht en wil met haar in het huwelijk treden. Zij kan het verleden echter niet van zich afzetten. Ondanks de tegenspraak van haar eigen omgeving blijft zij ervan overtuigd, dat de maand die zij in het bordeel doorgebracht heeft, haar in aller ogen tot een onfatsoenlijke vrouw maakt. Gesloopt door haar schokkende ervaringen komt Klaasje een ziekte niet meer te boven: ze sterft aan de tering.
| |
Van Lennep en de prostitutie
In Klaasje Zevenster worden kennis van en opvattingen over prostitutie en zedelijkheid tentoongespreid die een nadere analyse behoeven. Eerst ga ik echter na waarop Van Lennep zich mogelijkerwijs heeft gebaseerd. Wat was er in die periode bekend over de prostitutie? Bestaat er verband tussen elementen van Van Lenneps biografie en De lotgevallen van Klaasje Zevenster?
Van betekenis voor de wijze waarop zijn roman werd ontvangen is dat hij het boek schreef aan het eind van zijn leven. Hij had toen onder andere als dichter, letterkundige, historicus, toneel- en romanschrijver een grote reputatie verworven.13 Daarnaast was hij ook in het maatschappelijk leven een bekend figuur.14
| | | |
Naar eigen zeggen had Van Lennep vijftien jaar aan Klaasje Zevenster gewerkt; jaren die in de eerste plaats besteed werden aan de verzorging van een complete Vondeluitgave.15 Een eerste gedachte in de richting van een eigentijdse historie ontstond al in 1833. Van Lennep schreef toen aan een vriend dat hij de liefdesavonturen van Gerrit van de Linde (beter bekend als de Schoolmeester) wilde gebruiken voor een verhaal.16 Van de Linde, theologiestudent en vriend van Van Lennep, was in 1833 naar Engeland gevlucht voor zijn schuldeisers. Hij liet toen de Leidse muzikantendochter Leentje Jaspers zwanger achter.17 Welke elementen Van Lennep uit de hem zeer goed bekende verwikkelingen rond Van de Linde's vlucht in Klaasje Zevenster precies verwerkte is echter niet te achterhalen.18
Voor de ontstaansgeschiedenis van Klaasje Zevenster is ongetwijfeld van belang dat Van Lennep zelf een onwettige dochter had. Een achtergrond die evenals de perikelen rond Van de Linde niet of slechts in zeer beperkte kring bekend was. Een nicht van Van Lennep meende dat Klaasje geschapen was naar deze dochter, die in 1822 in Amsterdam was geboren.19 Vooral de omstandigheden waaronder Klaasje als jong meisje opgroeide, vertonen overeenkomsten met de ervaringen van de dochter van Van Lennep. In de wijze waarop de roman ontvangen werd, speelt het autobiografische karakter nauwelijks een rol; er werden slechts een enkele keer insinuerende opmerkingen gemaakt over Van Lenneps jongere jaren. Het kuise karakter van De lotgevallen van Klaasje Zevenster krijgt tegen deze achtergronden echter wel een andere dimensie. In het verhaal worden buitenechtelijke verhoudingen afgekeurd en de ontrouwe echtelieden worden niet alleen onplezierig afgebeeld, zij krijgen ook hun verdiende loon. Toch lijkt het niet waarschijnlijk dat Van Lennep zijn eigen gedrag en dat van zijn vrienden met zulke normen heeft beoordeeld.20
| | | |

Klaasje ontsnapt uit het bordeel
Fotogravure naar een tekening van W. de Famars Testas (zie p. 32)
| | | |
In Van Lenneps beschrijving van de gebeurtenissen rond Klaasjes komst en verblijf in het bordeel, komt een aantal aspecten van het negentiende-eeuwse prostitutie-bedrijf aan bod. Van Lennep kan zich hierbij hebben gebaseerd op wetenschappelijke literatuur over prostitutie en op de geschriften van de toen nog kleine anti-prostitutiebeweging. Zeker is dat hij het grote werk van Parent-Duchatelet kende.21 Diens De la prostitution dans la ville de Paris (1836) was de neerslag van een uitgebreide studie naar het leven van ruim 5000 Parijse prostituées.22 In Nederland verscheen in 1859 een eerste serieuze publikatie over dit onderwerp van de hand van Otto Heldring. In zijn brochure Is er nog slavernij in Nederland? besprak deze de gevolgen van de reglementering. De tijdens de Franse overheersing in Nederland ingestelde reglementering had als doel de verspreiding van geslachtsziekten tegen te gaan, door de instelling van een verplichte medische controle van vrouwen die als ‘publieke vrouw’ geregistreerd stonden. Volgens Heldring bewerkstelligde de reglementering dat bordeelhouders samen met de politie konden verhinderen dat hoeren uit ‘het leven’ stapten.23
Voordat de brochure van Heldring verscheen, was in 1846 in Amsterdam de Vereeniging tot opbeuring van boetvaardige gevallen vrouwen in het leven geroepen. In de jaren vijftig kwamen er in verschillende steden gelijknamige comités bij. Ook waren er comités die trachtten te voorkomen dat jonge meisjes in de prostitutie terecht zouden komen, zoals de Dames comités tot ontvangst van dienstbodes, die op haar uitgaansdag geen goed tehuis hebben.24 Deze veelal uit het Reveil afkomstige initiatieven ontstonden vooral als reactie op de in de jaren vijftig opnieuw ingevoerde reglementering. Pas in de jaren tachtig zou de anti-prostitutiebeweging echt gewicht krijgen en daarmee een politiek debat over de prostitutie afdwingen.25
Van Lennep veronderstelde geen kennis over deze zaken bij zijn lezer(essen). Het hoofdstuk waarin Klaasjes aftocht naar het bordeel wordt beschreven, heeft als titel Een contract van koop en verkoop waar 't wetboek niet van spreekt en bevat uitleg over de corruptie bij de politie. Het volgende citaat over de wijze waarop bordeelhoudsters prostituées aan zich bonden, illustreert Van Lenneps wijze van uitleg.
‘Wel was Nicolette niet bekend met de gewone theorie, waardoor vrouwen van den stempel als mad. Mont-Athos de ongelukkigen, die zij bij zich aan huis gelokt hebben, eerst, door het leenen van geld, kleederen en voeding, aan zich weten te verplichten, en ze dan dwingen de gemaakte schuld met
| | | |
persoonsdiensten - niet af te lossen; want dat geschiedt nimmer, dewijl dagelijks nieuwe schuld de oude komt vermeerderen, maar, te vergelden (...)’ (III, 258).26
Bij twee gelegenheden laat de schrijver ons iets van zijn eigen opvattingen over prostitutie zien. In de eerste plaats is de rol die hij Rosalie toebedeelt van belang. Zij is de enige hoer die in het boek voorkomt en degene die Klaasje vertelt in wat voor huis zij verblijft. Zelf met handen en voeten gebonden, verklaart zij dat er voor Klaasje weinig hoop is:
‘zoo 't al gebeurde, dat er iets eerlijks hier binnenkwam, hou u maar voor verzekerd, dat het er niet uitkomt dan bedorven’ (III, 252).
En passant vermeldt Rosalie dat zij in het verleden in Brussel in de gevangenis heeft gezeten. Hoewel Van Lennep daar verder geen commentaar aan toevoegt en wij verder ook niets meer over Rosalie te weten komen, heeft een van zijn recensenten de waarde van deze opmerking waarschijnlijk goed ingeschat. In de brochure Nog iets over Klaasje Zevenster. Een woord van verzet tegen de kritiek van Busken Huet, gepubliceerd onder de naam Henri van Meerbeke, wordt opgemerkt:
‘Het is niet zonder bedoeling dat van Lennep haar doet aanvangen met de meededeeling dat zij vroeger te Brussel in het verbeterhuis heeft gezeten, en dus een misdadigster is geweest, die het haar eigen wangedrag te wijten heeft, dat zij in deze poel is afgegleden, waar wij haar aantreffen.’27
Het tweede verhaalelement dat zicht geeft op Van Lenneps visie op de prostitutie, is Klaasjes dood. Klaasje was een deugdzame vrouw, die buiten haar schuld in het bordeel terecht komt. Zij is geen gevallen vrouw, maar de wereld ziet haar wel zo. Sterven moet ze, om helder de kracht te tonen van haar maatschappelijke veroordeling. Van Lennep kreeg kritiek op dit einde. Hij had het onrecht niet mogen laten zegevieren, maar Klaasje de kracht moeten geven om het hoofd te bieden aan alle lasterlijke praatjes.28 Dat Klaasjes dood een verdergaande betekenis had dan die van een tragisch (en realistisch) einde van het verhaal valt op te maken uit een ingezonden brief die Van Lennep schreef voor de Allgemeine Zeitung van 19 september 1867. Hierin reageerde hij op de ongeautoriseerde Duitse vertaling Hänschen Siebenstern, waarin de vertaler het einde van het verhaal had veranderd door Nicolette te laten trouwen met Maurits van Eylar. Van Lennep schrijft:
‘Dat aandoenlijke sterfbed van het onschuldige meisje dat voortdurend voelt hoe die smet onuitwisbaar op haar blijft kleven en eindelijk aan haar
| | | |
zielskwaal bezwijkt, is juist datgene wat velen hier te lande met de strekking van mijn boek verzoend heeft. Het nieuwe slot voldoet misschien aan de onnadenkende massa, maar geenszins aan de aesthetiek.’29
Vervolgens merkt hij op dat hij liever had gehad dat zijn werk niet vertaald was, dan dat ‘de zedelijke strekking’ van zijn boek miskend werd en er aan ‘de daarin gegeven les’ werd voorbijgegaan.30
Die les houdt in dat er aan de gevolgen van de prostitutie niet te ontkomen valt: wie eenmaal ten val is gebracht, door eigen schuld zoals Rosalie of door toedoen van anderen zoals Klaasje, is verloren. Van Lennep stelt in zijn boek dat het nodig is meisjes en vrouwen te waarschuwen voor het kwaad. Die waarschuwing lijkt de belangrijkste boodschap van zijn boek.
Hoe stond Van Lennep tegenover de abolitionisten, de bestrijders van de prostitutie? Hij kende hun werken en was als jurist ongetwijfeld ingevoerd in de discussie over de reglementering die in beperkte kring plaatsvond. In het Van Lennep-archief bevindt zich een aantal brieven die hij na het verschijnen van zijn boek ontving van bestrijders van de prostitutie, maar er zijn geen aanwijzingen dat hij zich op enigerlei wijze aansloot bij deze oppositie.31 Zoals gezegd legt hij in zijn roman alle nadruk op de noodzaak vrouwen voor te lichten over het kwaad. Er spreekt een zeker paternalisme uit een brief die hij in 1866 schreef in antwoord op een kritisch artikel in de Nieuwe Utrechtse Courant:
‘En nu vraag ik u: is het noodig of niet, dat zulke gruwelen wereldkundig gemaakt worde? (...) dat die dames die zooveel belang stellen in de gevallen vrouwen, de kaart van het land beter leeren kennen dan zij over 't algemeen doen.’32
Hoewel Van Lennep in Klaasje Zevenster en in de zojuist aangehaalde brief ook benadrukt dat de gruwelen van de ‘slavernij in blanke meisjes’ en ‘het gekonkel van politie-beambten en waardinnen’ wereldkundig gemaakt moeten worden, neemt hij geen duidelijk standpunt in ten aanzien van de reglementering. Van Lennep stond bekend als een daadkrachtige persoonlijkheid, die zich met enorme energie wijdde aan zaken die eenmaal zijn aandacht hadden.33 Deelname aan georganiseer- | | | | de oppositie was hem echter vreemd. Die zou wellicht niet hebben gestrookt met zijn aristocratische levenshouding.34 Bovendien lijkt het aannemelijk dat hij prostitutie als een noodzakelijk kwaad zag. De waarschuwende werking van zijn boek was voor meisjes en vrouwen bedoeld; jonge heren worden nergens aangesproken. De hoerenlopers die in het boek voorkomen zijn weliswaar zwakke of onhebbelijke figuren, maar aan hun bordeelbezoek wordt weinig aandacht geschonken.
| |
Klaasje te midden van tijdgenoten
Hoewel Van Lenneps boek veel romantische kenmerken bevat (veel toevallige ontmoetingen en onvoorziene wendingen in het verhaal), past het ook in de realistische stroming die vanaf het midden van de vorige eeuw aan invloed wint.35 Bij Van Lennep krijgt het realisme vorm in de nauwkeurige beschrijvingen van interieurs, landschappen en de uiterlijke kenmerken van de karakters die een flinke portie van de vijf delen vullen. De bordeelscènes werden, voor zover de recensent niet tegen de onderwerpkeuze was, positief ontvangen vanwege de realistische beschrijving.
Idealistisch is Klaasje Zevenster vooral door de vorm waarin het verhaal verteld wordt.36 Het boek heeft een auctoriale, dat wil zeggen alwetende en overal aanwezige, verteller. Hij is de organiserende instantie die het verloop van het verhaal beheerst. Tevens introduceert hij de personages. Maar zijn belangrijkste rol is het leveren van algemeen moraliserend commentaar. Aan het begin van het boek introduceert de verteller zichzelf als de auteur. Deze vorm van vereenzelviging van auteur met verteller (de impliciete auteur) is kenmerkend voor idealistische romans: hij geeft de auteur de mogelijkheid om op zeer directe wijze met de lezer te debatteren over morele aspecten van het verhaal.
| | | |
Klaasje Zevensterrebeelden door Jan Potlood.
(Eerste groep.)

[Links] De auteur is bezig met het bewerken van Klaasje Zevenster. [Rechts] Mevr. van R. - Wat nieuws, Anne-Mie? Anne-Mie. - Nog al, tante, en iets dat u zeer interesseeren zal. De schrijver van de Roos het 'n nieuwe Roman onderhanden van vijf dikke deelen. Zoo'n grooooten! Mevr. van R. - Wat je zeit, nicht! Heusch waar? En hoe zal ie hieten? A. - Ja, de titel is me ontschoten, maar het moet briljant zijn en het moet spelen in Leiden, en daar moeten studenten in komen, die laten zich in met een meisje dat dadelijk na haar geboorte verleid werd. Mevr. van R. - Hoe is dat mogelijk, mal schaap! Nou, daar ben ik benieuwd naar. - Je wilt me het boek immers wel leenen als jij 't gekocht hebt?

[Links] Klaasje is klaar, en de drie uitgevers komen den auteur hun diensten aanbieden. [Rechts] Een pessimistisch boekverkooper slaat, op het bericht der verschijning van Klaasje, de oogen ten hemel en de handen ineen. Hij kan niet begrijpen hoe het mogelijk is dat in zulk een tijd iemand den moed heeft een Roooman van vijf dikke delen te onderneemen.

[Links] Een optimistisch boekverkooper, die met Klaasje heel mooie zaken denkt te doen en dol in zijn schik is met zoo'n [...]. [Rechts] Het handschrift van Klaasje wordt naar het spoor gebracht.
| | | |
Klaasje Zevenster verscheen in een voor de literatuur woelige periode. In het Franse proza uit deze periode wordt het principe van een moraliserende verteller regelmatig verlaten. Madame Bovary van Flaubert (1857) is hier een bekend voorbeeld van.37 In Nederland zou in 1868 Lidewyde van Busken Huet veel deining veroorzaken, omdat de auteur hier voor het eerst geen morele boodschap bracht: hij beschreef het overspelige gedrag van zijn hoofdpersoon zonder een oordeel uit te spreken. Naast het bovengenoemde aspect van de morele taak van de auteur stonden ook de vormen die het realisme aannam, sterk ter discussie.38 Mocht alles beschreven worden en mocht dat zonder rekening te houden met het esthetisch gevoel van de lezer? Het zijn vragen die in boekbesprekingen veelvuldig aan de orde kwamen.
Van Lennep loopt in het boek zelf vooruit op de discussie die hij ziet aankomen over de bordeelscènes, en verdedigt zijn realisme met de opmerking dat hij de lezer slechts kennis wil laten nemen van de zeden en gewoonten van zijn personages. Hij distantieert zich, in een tussenhoofdstuk dat voorafgaat aan Klaasjes verblijf in het bordeel,39 van auteurs die maatschappijkritische romans hebben geschreven:
‘Wat ik afkeur, dat zijn werken als de Mystères de Paris en de Misérables, niet omdat er dieven en publieke vrouwen in voorkomen, maar omdat de bekwame schrijvers al het vernuft, al het betooverend vermogen van hun stijl hebben doen dienen, om zoodanige personen belangwekkend te maken, ze te verontschuldigen, te verheffen, te idealiseeren, (...) Dat veroordeel ik: want daardoor wekt men in jeugdige verstanden, (...), valsche denkbeelden op: men leert hun roof en zedeloosheid als verschoonbare zaken beschouwen, en, wat niet minder erg is, (...) ondermijnt men de grondslagen, waar een welgeordende maatschapij op rusten moet.’ (III, 151-153)
Zijn eigen positie is dubbelzinnig: hij wil op geen enkele wijze de ‘grondslagen waar een welgeordende maatschappij op rusten moet’ aantasten, maar geeft tevens aan dat die maatschappij slecht functioneert. Onschuldige meisjes zijn daar het slachtoffer van.
De romans die Van Lennep noemt, zijn van buitenlandse auteurs: Les mystères de Paris, een ‘zedenkundige roman’ van Eugène Sue over allerlei types uit de Parijse onderwereld, verscheen in 1842-1843 als feuilleton. Nog in 1843 werd het vertaald onder de titel De verborgenheden van Parijs. De vertaler, J. de Vries, publiceerde een jaar later De verborgenheden van Amsterdam, een roman waarin hij veel aan- | | | | dacht besteedde aan de achtergronden van misdaad en prostitutie. Sue en De Vries waren waarschijnlijk de meest gelezen auteurs in Nederland rond het midden van de vorige eeuw.40 Les misérables (1862) van Victor Hugo verscheen ook zeer vlot in vertaling: De ellendigen werd in 1863 gepubliceerd. Ook Hugo was populair in Nederland. Om met nog één voorbeeld te illustreren dat Van Lennep geen uitzondering vormde met zijn aandacht voor de prostitutie: in 1840 verscheen Oliver Twist of het leven van een weesjongen van Charles Dickens in vertaling, waarin de gevallen vrouw Nancy een belangrijke rol speelt.41
Hiermee is meteen aangegeven dat prostitutie als thema populair was in romans en dat Klaasje Zevenster wat dit betreft niets nieuws bood. Het boek onderscheidt zich wellicht nog het meest van de andere genoemde romans door de auteur: geen broodschrijver met een dubieuze reputatie als De Vries en geen buitenlander, maar een auteur van eigen bodem van wie men gewend was in huiselijke kring historische romans te lezen.
| |
Ongehuwde dames
Van Lenneps realisme beperkte zich uiteraard niet alleen tot zijn beschrijvingen van het bordeel. Treffend is de wijze waarop Van Lennep de moeilijke positie van een alleenstaand meisje wist weer te geven. Romantiek en eigentijds realisme gingen hier samen. Wellicht vormt dit aspect van het verhaal een even belangrijke verklaring voor de populariteit ervan, en voor de cultus rond de figuur van Klaasje.
Een brochure uit 1867 werd opgedragen aan Klaasje Zevenster omdat zij als geen ander wist hoe het was om alleen in het leven te staan en geen goede arbeidsmogelijkheden te hebben.42 In de periode waarin Van Lenneps roman verscheen, begon het dilemma waar ongehuwde vrouwen uit de (minder gegoede) burgerij mee te maken kregen zich steeds duidelijker af te tekenen: buitenshuis werken werd als onfatsoenlijk beschouwd, maar in eigen onderhoud voorzien door naaiwerk of ander (beschaafd) thuiswerk was nauwelijks mogelijk.43 Voor ongehuwde vrouwen was indiensttreden bij een familie als kindermeisje of gouvernante een van de weinige als fatsoenlijk beschouwde mogelijkheden, maar evenals bij dienstbodes het geval was, bracht hun betrekking een grote afhankelijkheid met zich mee. De posi- | | | |
Klaasje Zevensterrebeelden door Jan Potlood.
(Tweede groep.)

[Links] Juffrouw Dorbeen bij het eerste Deel van Klaasje
[Midden] Juffrouw Dorbeen bij het zoogenaamd ondeugende Deel van Klaasje
[Rechts] Juffrouw Dorbeen bij het laatste Deel van Klaasje

[Links] Een recensent die Klaasje heel lelijk vindt en zijn inktkoker over het boek heeft gesmeten. [Midden] Klaasje wordt verslonden. [Rechts] Een recensent die Klaasje heel mooi vindt en een lauwerkrans voor den auteur heeft gewonden.

[Links] Geweldige bestorming der Leesbibliotheken. [Rechts] De drie uitgevers zijn uitverkocht.
| | | | tie waar Klaasje zich in bevond, was allesbehalve uniek. Haar gang, rechtstreeks na haar ontslag, naar het bordeel is symbolisch te noemen. Hoeveel ontslagen dienstmeisjes (al of niet zwanger) moesten het hoofd boven water zien te houden door zich te prostitueren? In de jaren zestig legde de Rotterdamse afdeling van de Vereniging tot opbeuring van boetvaardige gevallen vrouwen het verband tussen de afhankelijke positie waar dienstboden zich in bevonden en het grote aantal gewezen dienstboden in de prostitutie. Deze afdeling richtte in 1860 en 1866 een adres aan de minister van financiën om de personele belasting op vrouwelijke dienstboden van achttien jaar en ouder af te schaffen, omdat deze belasting tot gevolg had dat
‘duizenden van vrouwelijke dienstboden, in 't voor de zedelijkheid allergevaarlijkste tijdperk uit haar dienst worden ontslagen, en voor langer of korter tijd buiten betrekking, aan vele verzoekingen tot ontucht worden bloot gesteld en veelal zedelijk verloren gaan, alzoo aan de uitbreiding der ontucht in hooge mate bevoordelijk is.’44
Deze aandacht voor ontslagen dienstbodes die prostituëe werden, geeft aan dat men zich zo langzamerhand ging bekommeren om de positie van alleenstaande meisjes en vrouwen. Klaasje was weliswaar geen dienstbode maar een kindermeisje. Haar onbekende afkomst en de vage status die zij als kinderjuffrouw bij de Van Ziriks had, plaatsen haar min of meer tussen de klassen. Juist dit element is van groot belang, daar Klaasje uiteindelijk toch van burgerlijke afkomst blijkt. Was dit het schokkende van het boek: dat prostitutie op deze wijze dichtbij de burgerij gebracht werd?
| |
‘Het schandaal schijnt groot te zijn’45
Hoe Klaasje Zevenster ontvangen werd
Een van de eerste besprekingen van Van Lenneps roman verscheen onder de titel Ernst of kortswijl? Naar aanleiding der ‘Lotgevallen van Klaasje Zevenster’ in het katholieke ‘tijdschrift voor letterkunde en geestesleven’ de Dietsche Warande. Deze recensie, die ook als brochure zou verschijnen, was geschreven door de bekende literatuurcriticus Conrad Busken Huet.46 Die liet weinig heel van het boek. In zijn bespreking rekende hij af met de trekken die Van Lennep zo eigen waren: zijn gezapige stijl, zijn moraliserende aanwezigheid in het verhaal en vooral zijn verheerlij- | | | | king van het patricisch geslacht.47 Deze bespreking had vooral tot gevolg dat anderen de pen grepen om Van Lennep geestdriftig te verdedigen tegen Huets kritiek.
Ik onderscheid vier aspecten aan de ontvangst van Klaasje Zevenster die betrekking hebben op de bordeelscènes en opvattingen over zedelijkheid. Ten eerste ontstond er een discussie over de esthetiek van de bordeelscènes. Vooral de beroepsrecensenten die in literaire tijdschriften publiceerden, bekeken de zaak van deze kant. Veel meer echter ging de aandacht uit naar de de ethische, oftewel de zedelijke aspecten. In de woordenstrijd hierover stond de ‘onkiesheid’ waarvan sommigen Van Lennep beschuldigden tegenover de ‘preutsheid’ en huichelarij waar deze tegenstanders zelf van beticht werden. Van Lennep zwengelde deze discussie al aan in het boek, waar hij al bij voorbaat zijn toekomstige tegenstanders preutsheid verweet.48 Een derde element in de besprekingen vormen de argumenten die naar voren worden gebracht om Van Lenneps realisme te onderschrijven dan wel aan te vallen. Ten slotte wil ik bespreken hoe Van Lenneps bedoelingen met de bordeelscènes werden geïnterpreteerd.
| |
Een zonde tegen de esthetiek
Huet besteedt in zijn bespreking weinig aandacht aan de bordeelscènes. Evenals een aantal andere literaire recensenten verdedigt hij de moderne opvatting dat literatuur geen zedelijke invloed heeft en daarom ook niet op haar zedelijke strekking beoordeeld hoeft te worden. De bordeelscènes worden noch door hem, noch door Gids-recensent H.J. Schimmel en evenmin door Flanor (pseudoniem van Carel Vosmaer) in De Nederlandsche Spectator als ‘vergrijp tegen de zedelijkheid’, maar als een ‘zonde tegen de esthetiek’ beschouwd.49 Busken Huet had eerder in boekbesprekingen aangegeven dat hij het moderne negentiende-eeuwse realisme vaak in strijd vond met de ‘goede smaak’.50 Nu is ‘goede smaak’ een vrij dubbelzinnige uitdrukking voor wie zegt geen moreel oordeel te vellen. Jammer genoeg gaat Huet niet nader in op het smakeloze van Van Lenneps bordeelscènes. Schimmel doet dat wel en uit zijn woorden blijkt duidelijk dat hij niet alleen de woordkeus of stijl aanstootgevend vindt, maar ook het onderwerp:
‘Hoe anders den misstap te verklaren, zoo als weinigen voor hem begingen (...), om het allergemeenste niet alleen te ‘beschrijven’, maar ‘voor te stellen’, om het afschuwelijke in beeld te brengen? Is het nachtelijke tafereel in het huisgezin van Lammers reeds onkiesch, dat woord is gewis te zacht, om de beestelijkheden te stigmatiseeren van de plastische voorstelling in het bordeel van Mad. Mont-Athos.’51
| | | |
Schimmel is overigens positiever over het boek dan Busken Huet. Hij heeft naast kritiek ook veel bewondering voor deze ‘boeiende schets van de zeden en gebruiken onzes volks in deze eeuw’. Esthetiek krijgt in Schimmels bespreking een zeer brede, zo niet dubbelzinnige betekenis. De esthetische bezwaren tegen Van Lenneps derde deel geven ons weinig houvast: werd de beschrijving van het bordeel nu echt lelijk gevonden of ging het deze recensenten toch om het onbetamelijke van het onderwerp?
| |
Het zedelijk doel van de bordeelscènes52
Huet en Schimmel plaatsen de literatuur buiten de ethiek en willen om die reden niet ingaan op de morele waarde van Van Lenneps boek. De ethiek als maatstaf voor kwaliteit van de literatuur was echter wel algemeen aanvaard en voor- en tegenstanders van de roman beriepen zich op morele argumenten. De discussie laat zien dat er in de burgerij geen overeenstemming was over de te hanteren maatstaven. Een bespreking van de argumenten voor en tegen het boek maakt duidelijk waar verschillende recensenten de grenzen van het toelaatbare stelden.
J.A. Alberdingk Thijm, hoofdredacteur van het katholiek cultureel blad Dietsche Warande, besteedde uitgebreid aandacht aan Klaasje Zevenster. In zijn rubriek in briefvorm gaf hij commentaar op actuele zaken. Hij reageerde daar ook op Schimmels bespreking in De Gids om diens esthetische norm te verwerpen. De ethiek als maatstaf blijkt echter evenmin tot een eenvoudige conclusie te leiden. Enerzijds stelt Thijm:
‘Het boek is, naar zijn hoofdinhoud geoordeeld, moreel (...)’
Anderzijds:
‘Ik veroordeel de mening, dat het boek geschikt zou wezen (...) voor de jonge meisjes, (...) Ik wensch dat er andere middelen gevonden worden, om jonge meisjes voor lotgevallen als die van Nicolette te bewaren, andere dan ze, bij voorraad, reeds in den geest verblijven te doen bezoeken, wier bestaan zij in 't algemeen niet behoeven te leeren kennen.’53
Thijm is mild in zijn beoordeling. Hij gaat serieus in op die passages in het boek waar Van Lennep zich ten opzichte van zijn lezers verantwoordt, om de auteur uiteindelijk toch te verwijten dat hij zich over zijn gewetensbezwaren heeft heengezet. Daarbij merkt hij raak op dat Van Lennep zich het wat makkelijk maakt als hij meent ‘alles goed te maken met onze kieschheid preutschheid te noemen’.54
Veel feller was de veroordeling van Visscher, die onder het pseudoniem Van Brussel de brochure Een schandelijk boek. Bestraffend woord aan Mr. J. van Lennep over de zedelooze strekking van Klaasje Zevenster publiceerde:
| | | |

Dante, Inferno, V, 138: Quel giorno piu non vi leggemmo avante (En dien dag lazen wij niet verder) Uit: De Hollandse Spectator, 1866, nr. 10
‘Van Lennep heeft een boek geschreven verderfelijker dan de zedelooste roman, welke ons immer te hand kwam (...) en dat derde deel is een leerschool voor de laagste onzedelijkheid, een handleiding tot de kennis van het bordeel-wezen en de dierlijkste impudiciteit (...).’55
Bij Visscher moeten we ons echter afvragen of een persoonlijke vete met Van Lennep, en het karakter van het tijdschrift waar hij hoofdredacteur van was, niet de belangrijkste grond vormden voor zijn scherpe veroordeling. Visscher richtte zich met zijn brochure ongetwijfeld op de lezers van het satirisch volksblad Asmodee, waarin ook regelmatig schimpende stukken over de Klaasje Zevenstermanie en over Van Lennep stonden.56 Daarbij was Visscher als advocaat meermalen door rijksadvocaat Van Lennep voor de Raad van Discipline geroepen, zodat hij dus nog wel een appeltje met hem te schillen had.57
Tot de tegenstanders van het boek behoort ook de anonieme schrijver van de
| | | |
brochure Waarom heeft Klaasje Zevenster zulk een opgang gemaakt? Benevens een kritiek der voornaamste recensies. Deze recensent moet tot de rechtzinnige school van de protestanten hebben behoord.58 Hij weerspreekt, evenals Alberdingk Thijm, de idee dat een roman geen zedelijke strekking behoeft te hebben en komt daarbij tot een duidelijke afwijzing: ‘over het geheel boezemde Klaasje ons afkeer in; het boek wekte walging’.59
Tegenover deze aanvallen op Van Lenneps gevoel voor kiesheid staat het werk van verschillende brochureschrijvers die zijn nette taalgebruik en goede bedoelingen benadrukken. Niet onbelangrijk zijn de vergelijkingen met andere romans. Zo vergelijkt Van Meerbeke, in zijn eerder genoemde brochure, de hoer Rosalie nogal nadrukkelijk met Fantine (uit Les misérables). De rol van Rosalie kwam reeds ter sprake; Fantine wordt in de ogen van Van Meerbeke door Hugo verheerlijkt omdat zij ‘met de zelfverloochening der moederliefde’ zich in de prostitutie werpt om haar kind te onderhouden, maar: ‘zulke pogingen tot vergulding van het slijk heeft van Lennep zelfs niet beproeft’.60
Van Lennep werd ook verdedigd met aanvallen op zijn tegenstanders. Hen werd niet alleen preutsheid maar ook schijnheiligheid verweten. Duidelijk zijn de woorden van een anonieme schrijver:
‘En nu de zedeloosheid! Welk eene armzalige femelarij! Het bestaan van publieke huizen is in Nederland toch geen geheim! Wat een publiek huis is, weet een ieder - dat weten ook onze dochters, hoewel wij er nooit met hen over spreken en op onze wandelingen er voorbij stappen alsof zij niet bestonden.’61
In de enige door een vrouw geschreven brochure wordt de huichelarij van een tegenstander van het boek eveneens flink aangepakt. Sietske Abrahamsz was 24 jaar toen zij haar brochure Eene Dames-theevisite en Klaasje Zevenster schreef.62 Zij was, in 1864, onder invloed van haar oom Eduard Douwes Dekker, als eerste vrouw lid geworden van de Dageraad en hield in dat jaar voor de radicale vrijdenkers enkele voordrachten over vrouwenemancipatie.63 Later werd zij onderwijzeres en ging zij als huislerares naar Nederlands Indië.64 Haar brochure uit 1866 is de weergave van
| | | |
een van die saaie theekransjes die tot de sociale verplichtingen van meisjes uit de burgerij behoorden en waar gewoonlijk niets dan vervelend gekeuvel over verlovingen en dergelijke gepleegd werd. De bijeenkomst die in de brochure beschreven wordt, vindt plaats bij de schrijfster thuis. Het gesprek krijgt een levendige wending wanneer de vertelster Klaasje Zevenster ter sprake brengt. Henriette is van mening:
‘'t hindert, alles bij den naam te noemen, en ik zie volstrekt geen nut, in het openbaren van de geheime zonden der menschen. 't Is akelig genoeg, dat zulke voorvallen uit het leven kunnen genomen worden, en hoe onwetender men daaromtrent blijft hoe beter. (...) men wil niet alles zoo open behandeld zien, 't stuit ons schoonheidsgevoel (...) Er had ten minste bij moeten gezegd worden, dat 't niet voor dames geschikt is.’
Haar opponent Annie stelt daartegenover:
‘Ik vind onkiesch, om ongepast vuile zaken te behandelen, doch waar 't noodig is de dingen bij den naam te noemen, en zaken te schilderen die bestaan, dit mag niemand ergeren (...) die “ergernis” daarover vind ik ongepast en preutsch.’65
Henriette blijkt het boek - ondanks haar hoogstaande principes dat zulke boeken niet door vrouwen gelezen zouden moeten worden - wel degelijk in handen te hebben gehad. Zij is de enige die een afkeurende houding aanneemt. De algemene stemming onder de dames is enthousiast. Aan het eind van de avond stelt de schrijfster van de brochure haar vijf ‘vriendinnen’ voor om het boek gezamenlijk te gaan lezen en hun bevindingen in een brochure te publiceren.
| |
De werkelijkheid getrouw?
Sietske Abrahamsz laat Annie in haar brochure voorzichtig te berde brengen dat ‘wat er in (het boek) beschreven is, ware gebeurtenissen zijn, dingen welke dagelijks voorvallen, naar ik hoor (...)’.66 Andere auteurs zijn stelliger in hun mening en prijzen Van Lenneps weergave als realistisch. Er is één uitzondering: in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 16 januari 1867 wordt beweerd dat de corruptie en intriges waar Klaasje het slachtoffer van is de werkelijkheid niet weerspiegelen:
‘Zoolang men het tegendeel niet bewijst, kan veilig beweerd worden, dat pensionaten als de hier bedoelde bevolkt worden door ‘vrijwillige’ toetreding; niet door strafbare manoevers, niet door lammeren zoo onnozel als Klaasje Zevenster wordt geschetst.’
De recensent stelt dat van Klaasje een Klaas gemaakt moet worden. Dan kan er op het toneel getoond worden
‘hoe hij door de pensionaten in “alle” opzichten ten gronde wordt gerigt; “dan” zou de voorstelling, hoe afzigtelijk en walgelijk ook, eenig nut kunnen stichten, thans daarentegen rust de geheele handeling op eene tot regel misvormde exeptie.’
| | | |
Niet de ‘witte slavinnenhandel’ maar de verleiding van jonge mannen is een maatschappelijk kwaad van gewicht. Dit artikel is het enige dat Van Lenneps weergave van de werkelijkheid zonder meer ontkent.
Wel komt er van meer kanten kritiek op de onnozelheid van Klaasje, die vooral ongeloofwaardig wordt gevonden omdat zij in een Amsterdamse volksbuurt is opgegroeid. Ook een grote bewonderaar van Van Lennep als H.J. Polak, die het merendeel van zijn zeventig pagina's tellende brochure aan een verdediging van Van Lenneps roman wijdt, merkt zijdelings op:
‘Klaasje moest, hoe onervaren ook, toch door dat onbedriegelijke vrouwelijke instinct gewaarschuwd zijn.’67
| |
Een waarschuwend boek
In een bevlogen brief aan de redacteur van De Tijdspiegel spreekt ene Q.N.N. zijn oprechte bewondering uit voor Van Lenneps werk: ‘Ik eer de moed van den man, die de windselen durfde losrukken en der maatschappij den spiegel voorhield.’68 Dit enthousiasme voor het realisme in Van Lenneps werk komt meer voor; zo ook de overtuiging dat zijn boek meer effect zal hebben dan alle tot dan toe geschreven traktaten tegen de prostitutie. Toch zijn er nauwelijks brochureschrijvers die Klaasje Zevenster zonder meer als een anti-prostitutieroman zien. Busken Huet beweert in zijn bespreking: ‘Ernstige mannen, waaronder godsdienstleeraars, (zien) in Klaasje Zevenster (...) eene oorlogsverklaring aan de prostitutie’,69 maar deze opmerking was cynisch bedoeld. Huet was dan ook een van degenen die Van Lenneps werk niet serieus wensten te nemen en die de auteur verweten zijn lezers voor de gek te houden.70 De meeste recensenten gingen echter niet in op Van Lenneps mogelijke motieven voor het schrijven van deze roman.
Van Lennep heeft na het verschijnen van het boek nauwelijks op de kritieken gereageerd. In het blad De Navorscher is hij nog wel ingegaan op vragen naar de identiteit van zijn romanpersonages, om op te merken dat hij niemand in het bijzonder heeft gebruikt voor het verhaal.71 Veel gelegenheid had hij overigens niet meer om te reageren, hij stierf vrij plotseling in 1868. Er is al opgemerkt dat Van Lennep zelf beweerde met de bordeelscènes te willen waarschuwen: een wens die door verschillende brochureschrijvers werd overgenomen. Abrahamsz valt hem in haar brochure bij:
‘Dergelijke gebeurtenissen moeten aan het licht gebracht worden, opdat men wete hoe er zich voor te vrijwaren. De onnoozelheid van Klaasje was haar ongeluk, en als je de meeste van nabij kent, aan wie iets dergelijks overkwam, heeft 't vaak dezelfde oorzaak, zoo is mij verteld.’72
| | | |
Alberdingk Thijm gaat ook impliciet uit van een dergelijke bedoeling bij Van Lennep, maar komt tot de conclusie dat voor hem het doel het middel niet heiligt: jonge meisjes dienen niet over zulke zaken te lezen.
De rijkdom aan opvattingen over De lotgevallen van Klaasje Zevenster toont ons een samenleving die gewend is in brede kring te debatteren over de grenzen van het toelaatbare. Een esthetische maatstaf voor romans is in Nederland nog nieuw. Dat verklaart misschien waarom de bordeelscènes op zo'n dubbelzinnige manier afgewezen worden. Minder dubbelzinnig is het verschil van mening over de vraag in hoeverre het onderwerp prostitutie onkies was. De voor- en tegenstanders zijn in de brochures en kranteartikelen over Klaasje Zevenster min of meer evenredig vertegenwoordigd. De morele bezwaren tegen het boek komen vooral uit religieuze hoek. De voorstanders geven de indruk tot de liberale burgerij te behoren.73
De verwijten van schijnheiligheid en huichelarij aan het adres van de tegenstanders van het boek suggereren dat een deel van de burgerij meer openheid over prostitutie voorstond. Ook blijkt prostitutie geen verborgen verschijnsel, waarvan vrouwen uit de burgerij niets wisten. Van Lenneps boek had ongetwijfeld een nog veel groter opschudding veroorzaakt als prostitutie inderdaad een geheel nieuwe zaak was geweest voor zijn lezeressen.
| |
Conclusies
Wat waren de maatschappelijke achtergronden van de pennestrijd rond Klaasje Zevenster? Van Lennep beroerde met zijn boek twee belangrijke maatschappelijke problemen: prostitutie en de moeilijke positie van alleenstaande vrouwen. Beide werden nog niet als ‘kwesties’ beschouwd; dat zou echter binnen enkele jaren wel het geval zijn. Toen Klaasje Zevenster verscheen begon het verzet tegen de reglementering van de prostitutie juist vaste vorm te krijgen. De emancipatie van de vrouw werd in de jaren zestig slechts zelden expliciet aan de orde gesteld. Pas in het volgend decennium vonden de eerste initiatieven in die richting plaats, gericht op het scheppen van arbeids- en opleidingsmogelijkheden, vooral voor ongehuwde vrouwen uit de burgerij. Dat Van Lennep op treffende wijze de afhankelijkheid van alleenstaande vrouwen uit de burgerij wist weer te geven, is opvallend. Niets wijst er echter op dat hij een bepaald doel voor ogen had met het beschrijven van
| | | |
Klaasje Zevensterrebeelden door Jan Potlood.
(Derde groep.)

[Links] [..]ester, die een pas de Nicolette heeft uitgevonden. [Midden] Een koekebakker, die op den vernuftigen inval is gekomen, om Klaasjemoppen te verkoopen. [Rechts] Het eerste glas ‘dorstige Pleiadelikeur....’ Fijn!

[Links] Leonard, coiffeur de Paris, heeft zich zelf overtroffen in het uitvinden van Zevensterkapsel dat in den aanstaanden zomer algemeen gedragen zal worden. aux Dames! [Rechts] Een componist van een Klaasje Zevenster-wals in geestvervoering. De Klaasje Zevensterrebeelden van Jan Potlood werden afgedrukt in, De Hollandsche Illustratie, 1866/1867, nr. 24 (zie ook pp. 40 en 43)
| | | |
de problemen die Klaasje als vrouw ontmoette. Het was zeker niet Van Lenneps bedoeling om een emanciperende roman te schrijven. Toch geeft de Open brief aan Klaasje Zevenster van Eilerts de Haan aan hoe belangrijk het emancipatieaspect van het boek is geweest. Ook de vele verwijzingen naar Van Lenneps boek in de loop der tijd, onder andere in werk van Johanna Naber, Ina Boudier-Bakker en Annie Romein-Verschoor,74 wijzen op het belang van deze kant van het verhaal. In hoeverre Klaasjes problemen door hun herkenbaarheid het boek populair maakten valt echter moeilijk na te gaan.
Een bijzonder element in het verhaal is de onbekende afkomst van Klaasje: een vast literair thema. In het geval van Klaasje bracht het niet alleen spanning in het verhaal en bood het de mogelijkheid tot een romantische ontknoping, het plaatste haar ook tussen de klassen. Dat krijgt vooral betekenis in verband met de bordeelscènes. Doordat zij een vondeling is wordt de suggestie gewekt dat ze van lage afkomst is. Het feit dat zij niet toegeeft aan de verleiding om geld aan te nemen van de baron van Tilbury laat daarentegen op subtiele wijze zien dat zij toch van betere komaf moet zijn. Om de ontvangst van het boek in een ander licht te plaatsen is het wellicht goed de vraag te stellen of het boek wel zo'n deining zou hebben veroorzaakt als Klaasje een meisje uit de arbeidersklasse was geweest. Van Lennep schreef voor de burgerij en het lijkt niet toevallig dat hij Klaasje als geadopteerd kind aanvankelijk tussen de klassen laat staan om haar later, door haar herkomst, geheel in de burgerlijke samenleving te plaatsen. Door een onschuldig meisje in de rol van gevallen vrouw te brengen èn deze vrouw, tegen de schijn in, van burgerlijke afkomst te laten zijn, confronteerde hij de burgerij op een onverwachte wijze met de prostitutie. De meeste recensenten gingen overigens geheel voorbij aan de klasse-elementen in het verhaal.
Of Van Lennep met zijn boek een bijdrage wilde leveren aan de strijd tegen de reglementering is niet te zeggen. Sommige tijdgenoten zagen het wel zo, maar de brochureschrijvers waren doorgaans neutraler in hun weergave van Van Lenneps bedoelingen en benadrukten evenals de auteur vooral de voorlichtende waarde van het boek. Van Lenneps eigen ervaringen lijken een even interessante als raadselachtige achtergrond te vormen, waardoor het slechts mogelijk is te wijzen op een aantal verbanden. Van Lennep wist uit eigen ervaring dat ook de burgerij haar buitenechtelijke kinderen had en dat hun maatschappelijke status uiterst onzeker was. Hij heeft bij het schrijven van Klaasje Zevenster kennelijk de behoefte gehad uit die eigen ervaringen te putten. Een buitenechtelijk kind als heldin van een roman zou echter te schokkend zijn geweest. Ook was het ondenkbaar dat een heldin werkelijk in de prostitutie terecht kwam. Van Lennep werd onzedelijkheid verweten
| | | |
maar hij hield wel degelijk rekening met de grenzen van het fatsoen. Hij had in principe de mogelijkheid te wijzen op verschillende tegenstrijdigheden in het normenstelsel van de burgerij, maar hij richtte zich in feite alleen op de onwetendheid van meisjes; de dubbele moraal, die mannen toestond hoeren te bezoeken, bleef buiten schot.
Voor onze kennis over zedelijkheidsnormen zijn niet alleen de reacties op de schokkende aspecten van het boek belangrijk. De ideeën over de wijze waarop fatsoensnormen gehandhaafd moesten worden is van even groot belang. Uit de besprekingen van het boek blijkt hoe belangrijk men het zedig karakter van Klaasje vond. Ze bezit lieftalligheid en heeft de kracht om tegenover verleidingen stand te houden: zij is zo kies om het huwelijksaanzoek van Maurits tot twee keer toe af te slaan; zij weerstaat de avances van de baron van Tilbury; heel belangrijk is dat zij in staat is uit het bordeel te ontsnappen. Tegenover de kuisheid van Klaasje staat het onzedelijk gedrag van andere vrouwen: Rosalie verdient geen mededogen en het overspel van Mevrouw van Zirik wordt zonder meer veroordeeld.
De bevestiging van het grote belang van de kuisheid van vrouwen wordt aangevuld met een nieuw idee: burgerlijke vrouwen hoeven niet langer ‘onnozel’ te zijn op seksueel gebied, integendeel, zij dienen de wereld te kennen om zich beter te kunnen verdedigen tegen ‘onzedelijkheid’. Weldra zouden Nederlandse vrouwen zich actief mengen in het debat over zedelijkheid. Dat de vertelkunst van Van Lennep het spreken en schrijven over deze schokkende zaken door vrouwen zelf heeft gestimuleerd valt uiteraard niet te bewijzen. Dat Klaasje Zevenster in romans en geschriften van spraakmakende vrouwen als Johanna Naber, Ina Boudier-Bakker en Annie Romein-Verschoor steeds opnieuw als voorbeeld dient zegt echter wel iets.
|
*Dit artikel is gebaseerd op mijn doctoraalscriptie ‘Een schandelijk boek’. Klaasje Zevenster en opvattingen over zedelijkheid in de negentiende eeuw. Historisch Seminarium, Universiteit van Amsterdam 1989.
1Zijn vorige roman, Elisabeth Musch, verscheen in 1851.
2Dit vermeldt Asmodee in nr. 22, 31 mei 1866, en de brochure Ernst of kortswijl? Eene vraag, beantwoord door een Leydsch student van 1824 tot 1828. 's-Hertogenbosch 1866, p. 1.
3Er verschenen elf drukken, waarvan de laatste in 1903. Eerdere drukken verschenen onder meer in de verschillende uitvoeringen van de serie Romantische Werken van Van Lennep. Zie bijv. M.F. van Lennep, Het leven van Mr. Jacob van Lennep. Amsterdam 1909, pp. 355-356.
4De grootste gezelschappen van het land, de ‘toneelisten’ van de Amsterdamse Stadsschouwburg, het Rotterdamse gezelschap van Van Lier en de ‘Koninklijke toneelisten’ uit Den Haag, gingen met elkaar in de slag om het stuk als eerste op het toneel te krijgen. De gegevens over de bewerkingen zijn fragmentarisch. Er zijn, blijkens aankondigingen in kranten, zeker drie (en mogelijk vijf) verschillende versies op het toneel gebracht in 1867. Een bespreking van de drie genoemde toneelgezelschappen is te vinden in de brochure De lotgevallen van Klaasje Zevenster, als drama, verdedigd tegen de kritiek der NRC. Utrecht 1867.
5Er bevinden zich enkele tientallen knipsels van aankondigingen van toneelvoorstellingen in het Van Lennep-archief. Zie ook S. Koster, Komedie in Gelderland. Grote en kleine momenten uit driehonderd jaar theaterleven. Zutphen 1979, pp. 127-131. Het gezelschap van de nog jonge Louis Bouwmeester (die de grootste acteur van de negentiende eeuw zou worden) deed o.a. Zwolle en Doesburg aan met De lotgevallen van Klaasje Zevenster.
6Verwijzingen in kranten (bijv. Algemeen Handelsblad, 4 maart 1867) wezen me op het bestaan van dit toneelstuk. Het stuk zelf heb ik niet in handen gehad. A. Wijnstok, Klaasje Zevenster is niet dood. Geschreven naar het anonieme werk Klaasje Zevenster is niet dood. Supplement op een groot werk; door een der pleiaden. Dordrecht 1867. Andere romans waren: Johanna Desideria Courtmans geb. Berchmans, Nicolette. Lotgevallen eener vondeling, den Heere J. van Lennep opgedragen. Tiel 1868, en Wezenlijke lotgevallen van Klaasje Zevenster, naar aanleiding van den beroemde roman van Mr. J. van Lennep. 's-Gravenhage 1867. In het Van Lennep-archief ook een kranteaankondiging (11 september 1867) van een klucht: De reis van Klaasje Zevenster van Delfshaven naar Schiedam, die in Amsterdam in het Plantage zomertheater werd opgevoerd.
7Brief aan Potgieter in: Jacob Smit, E.J. Potgieter en C. Busken Huet. De volledige briefwisseling. Z.p., z.j., p. 379.
8Twee negentiende-eeuwse bewonderaars, P. Knoll en A. Th. Harskamp legden collecties aan van alles wat met Van Lennep te maken had: zo ook een uitgebreide verzameling rond zijn laatste boek. Beide collecties zijn opgenomen in het Van Lennep-archief (VLA) in het Gemeentearchief van Amsterdam. Alle genoemde brochures, brieven en veel ander materiaal waar in de tekst naar verwezen wordt, zijn terug te vinden in dit archief.
9Dit beeld wordt ook wel weersproken, o.a in Peter Gay, The bourgeois experience. Victoria to Freud. 2 delen, I: Education of the senses. Oxford 1984. II: The tender passion. Oxford 1986. De geschiedschrijving in Nederland is sterk beïnvloed door J.M.W. van Ussel, Geschiedenis van het seksuele probleem. Meppel 1968, die uitgaat van een verregaande verdringing van alle lichamelijkheid. Deze studie over seksuele opvattingen van de oudheid tot de jaren zestig van deze eeuw heeft dankzij het uitblijven van enig ander omvattend werk het beeld van de negentiende eeuw in Nederland sterk beïnvloed. Opvallend is het aantal niet-historici (m.n. medici) die over de geschiedenis van de seksualiteit hebben geschreven en Van Ussels uitgangspunten delen. Recentelijk o.a. Johan P. Nater, Vigelerende vrouwen, gedienstige meiden. Seksualiteit in Nederland in de negentiende eeuw. Rotterdam 1986. Een ander recent voorbeeld van het domineren van het beeld van Nederland als ‘preutse natie’: Hans Righart, ‘Moraliseringsoffensief in Nederland in de periode 1850-1880’, in: Ton Brandenbarg e.a. (ed.), Vijf eeuwen gezinsleven. Nijmegen 1988. In twee recente bundels wordt het preutse karakter van het midden van de negentiende eeuw wel enigzins geproblematiseerd. Zie ‘Seksualiteit en moraal in Nederland 1800-1850’, in: De negentiende eeuw 10 (dec. 1986) nr. 4, en Gert Hekma en Herman Roodenburg (red.), Soete minnen en helsche boosheit. Seksuele voorstellingen in Nederland 1300-1850. Nijmegen 1988. Zie ook H.Q. Röling, De tragedie van het geslachtsleven. Dr. J. Rutgers (1850-1924) en de Nieuw-Malthusiaanse Bond. (Opgericht in 1881). Amsterdam 1987.
10Deze discussie ging vooral over de relatie kunst-werkelijkheid, waarbij een geïdealiseerde werkelijk-heidsuitbeelding, met een verheffend doel, in die tijd de dominante opvatting was. Zie: Margaretha H. Schenkeveld, ‘Vormen van realisme’, in: W. van den Berg en Peter van Zonneveld (ed.), Nederlandse literatuur van de negentiende eeuw. Utrecht 1986, pp. 245-254, hier pp. 230-231, en Cd. Busken Huet, Lidewyde. Ingeleid en van aantekeningen voorzien door Dr. M.H. Schenkeveld. Den Haag 1981, pp. 4-9.
11Historici staan veelal bijzonder sceptisch tegenover literaire bronnen, hetgeen alleen al blijkt uit de titel van een recent artikel: J.W. Oerlemans, ‘Verdachte bronnen. Enkele notities over geschiedenis en literatuur’, in: Taal en geschiedenis. Over de relatie tussen taal en werkelijkheid in de geschiedbeoefening, Groniek, 89/90, 1984, pp. 194-200. De sociologie kent een rijker debat over de (on)bruikbaarheid van literatuuronderzoek. Zie bijv. Joan Rockwell, Fact in fiction. The use of literature in the systematic study of society. Londen 1974, en R. Vervliet, ‘Literatuur en lezerspubliek. Receptiesociologie als bijdrage tot de sociale geschiedenis’, in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis 35 10 (1984), pp. 315-338.
12Pleiaden: de zeven dochters van Atlas, als sterrenbeeld aan de hemel geplaatst (Zevengesternte).
13De lijst van tijdschriften, almanakken e.d. waaraan Van Lennep bijdragen leverde, bevat 90 titels. De chronologische opsomming van zijn dicht- en prozawerk beslaat vierendertig bladzijden. Onder het hoofd ‘benoemingen en onderscheidingen’ staan tweeënzestig instanties en verenigingen genoemd waar hij een functie bekleedde of waarvan hij (ere)lid was. Zie M.F. van Lennep, a.w., pp. 321-324, pp. 324-358 en p. 320.
14Na zijn promotie in de rechten (1824) vestigde hij zich als advocaat. Hij zou spoedig in Amsterdam tot rijksadvocaat benoemd worden, welke post hij behield tot zijn overlijden. Als lid van commissies op zeer uiteenlopende terreinen was hij bijzonder actief. Met de landspolitiek heeft hij zich echter slechts kort ingelaten: van 1854 tot 1856 was hij lid van de Tweede Kamer.
15M.F. van Lennep, a.w., p. 230. De werken van Vondel in verband gebracht met zijn leven. Voorzien van verklaring en aanteekeningen door J. van Lennep. Amsterdam 1855-1869, 12 dln.
16Marita Mathijsen, De brieven van De Schoolmeester. Documentair-kritische uitgave. 1: Brieven en documenten. 2: Toelichtingen. Amsterdam 1987, deel 1, p. 426.
17Marita Mathijsen e.a., Schandaal in Leiden. Amsterdam 1987.
18Een verwijzing ernaar zit wel in de grap die Van Lennep met de naam Jaspers uithaalt. Een woordspeling die overigens aan alle recensenten voorbijging, en pas in 1961 ‘ontdekt’ werd. Als Klaasjes pleegvaders zich beraden over de geboorteaangiften verspreekt een van de pleegvaders zich telkens, waarbij hij in plaats van Lammertz, de naam van de man van de min, het over Jaspers heeft. Zie E.K.H. Kossmann, ‘Divertimento over begin en einde van de historische belangstelling’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde, Leiden 1961-1962, pp. 3-12.
19Vóór zijn huwelijk, in 1824, had Van Lennep een liaison gehad met een oudere vrouw uit de betere kringen, wier identiteit nooit is achterhaald. Van Lennep heeft, na eerst zijn dochter uit het oog te hebben verloren, vanaf haar negende jaar wel zorg voor haar gedragen. In 1855 erkende hij Geertruijda Elisabeth Tulle als zijn wettige dochter. Zijn familie en de buitenwereld hebben hier echter nooit iets van geweten. Zie R. Chamuleau, ‘Het verborgen leven van Mr. Jacob van Lennep’, in: Maatstaf 24 (1981), nr. 4, pp. 71-75.
20Van Lennep onderhield ook verhoudingen nadat hij in 1824 getrouwd was. In 1834 probeerde hij naar Engeland te vluchten met zijn geliefde Johanna Dorothea Ringeling, een buurvrouw van het buitenverblijf van de Van Lenneps. De vluchtpoging werd verijdeld: het paar werd bij de stoomboot in Rotterdam ingehaald door Van Lenneps vader en zwager. Zie R. Chamuleau, a.w., p. 74, en R. Chamuleau, ‘Hoe Kootje en Doortje achterhaald werden en hoe hun doldrieste plan om naar Engeland te vluchten de grond werd ingeboord’, in: De Schans 24, Nijmegen 1980. Ook is bekend dat hij tijdens zijn verblijf in Den Haag als parlementslid, in de jaren 1854-1856, een minnares had, Zwaantje Cornelia (van) Ockenburg (1830-1865), bij wie hij twee keer, in 1857 en 1865, een kind verwekte. Zie Mathijsen, De brieven van De Schoolmeester, deel 2, p. 306.
21Dit blijkt uit een brief die hij schreef aan de student J.N. van Hall, opgenomen in: M.F. van Lennep, a.w., pp. 235-237.
22Carla Rieter-Michelotti, ‘Over “ligtvaardige vrouwspersonen en hoererije”. Enige aspecten van prostitutie in het negentiende-eeuwse Nijmegen’, in: Jaarboek voor vrouwengeschiedenis 3. Nijmegen 1982, pp. 129-160, hier p. 150.
23An Huitzing, Betaalde liefde. Prostituées in Nederland 1850-1900. Bergen (N.H.) 1983, p. 10.
25Zie o.a. Diet Sijmons, ‘Een noodzakelijk kwaad, maar voor wie? Prostitutie in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw’, in: Jaarboek voor vrouwengeschiedenis 1. Nijmegen 1980, pp. 65-111.
26Verantwoording van gedeeltes uit Klaasje Zevenster plaats ik in de tekst met romeinse cijfers om de band aan te geven, gevolgd door de paginaverwijzing, waarbij ik verwijs naar een vrij luxe uitgave, gebonden in vijf blauwe banden met gouden versiering. De meeste drukken vermelden geen jaar van uitgave. Het gaat hier vermoedelijk om een van de uitgaven uit de jaren zeventig van de vorige eeuw.
27Henri van Meerbeke (pseudoniem van W.M. van de Aa), Nog iets over Klaasje Zevenster. Een woord van verzet tegen de kritiek van den Heer Cd. Busken Huet. Amsterdam 1866, pp. 16-17.
28A.F. Eilerts de Haan, Open brief aan Klaasje Zevenster. Ten voordele van de te Noordwolde op te rigten Werk- en Industrieschool. Amsterdam 1867, pp. 6-7. In de inleiding van deze brochure wordt de uitgave toegejuicht van het boek Klaasje Zevenster is niet dood. Supplement op een groot werk; door een der pleiaden. Dordrecht 1866. De anonieme auteur daarvan verwijt Van Lennep een onwaar einde aan zijn verhaal te hebben gebreid: Klaasje leeft nog en zoals de Haan het formuleert: ‘zij levert het bewijs, dat de magt des vooroordeels kan gebroken worden, dat de laster kan ontmaskerd worden, dat de deugd kan zegepralen’.
29Hänschen Siebenstern, dem Holländischen des J. van Lennep nacherzählt von Adolf Glaser. Braunschweig 1867. De brief wordt aangehaald in: M.F. van Lennep, a.w., p. 251.
30Susan Sontags ( Illness as metaphor. New York/Londen 1978) analyse van tuberculose als beeldspraak voor allerlei romantische ideeën in de negentiende-eeuwse literatuur lijkt te zijn geschreven met de dood van Klaasje voor ogen: een romantische ziekte die het leven ontnam aan jonge helden en een zuiverende en zaligmakende uitstraling had op haar lijders; daarbij een ziekte die het gevolg was van berusting en van zelfverloochening. Van Lennep noemt de ziekte waar Klaasje aan lijdt, zoals gebruikelijk was, niet bij name. Het ziektebeeld dat hij geeft komt overeen met de bekende beschrijvingen van de tering, zoals die ook zijn terug te vinden bij Sontag.
31Onder meer een brief van dank van de directie van Steenbeek, een opvangtehuis voor ‘gevallen vrouwen’ en een exemplaar van een adres aan de minister van financiën, afkomstig van de Rotterdamse afdeling van de Vereniging tot opbeuring van boetvaardige gevallen vrouwen, met het verzoek aan Van Lennep adhesie te betuigen door eveneens protest aan te tekenen bij de minister. Zie noot 44.
32Brief aan J.N. van Hall; zie noot 21.
33Waaronder de aanleg van duinwaterleidingen voor Amsterdam, die zijn aandacht vroeg in verband met de bestrijding van de cholera, en de aanleg van het Noordzeekanaal.
34Aristocratisch in de zin dat hij zich boven de maatschappij plaatste en regelmatig liet blijken zich niets aan te trekken van maatschappelijke (burgerlijke) opvattingen. Dit uitte zich in zijn vrijgevochten gedrag dat zowel zijn privé-leven als een aantal van zijn minder serieuze publikaties kenmerkt. Zo schreef hij in 1854 een wat oneerbiedig boekje, Taferelen uit de geschiedenis des vaderlands, de rel rond de verschijning ervan maakte een einde aan zijn kamerlidmaatschap. Van Lennep was op diverse wijzen actief voor de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en geloofde zeker in de noodzaak de levensstandaard van de arbeidersklasse te verbeteren. Stands- en sekseverschillen hoorden echter tot een noodzakelijke hiërarchie.
35Van Lennep wordt gerekend tot diegenen die romantiek en realisme samenbrachten. Een idealistisch realisme: realisme in dienst van een ideaal, dat vooral moet leiden tot zedelijke verheffing van het volk en uitzicht moet bieden op een betere wereld. Zie o.a. Marita Mathijsen, ‘Realisme in de Nederlandse letterkunde (1840-1880)’, in: G.J. van Bork en N. Laan (red.), Twee eeuwen literatuurgeschiedenis. Poëticale opvattingen in de Nederlandse literatuur. Groningen 1986, pp. 85-90.
36Kenmerkend voor het idealisme in de romankunst zijn de edele hoofdpersonen, de vele opzienbarende en ontroerende gebeurtenissen, een auctoriale verteller (die het idealistisch karakter van het verhaal benadrukt door een duidelijke scheiding aan te brengen tussen de edele en onedele personages) èn een opbeurend slot, waarin het goede wordt beloond en het kwade bestraft. Klaasje Zevenster bezit bijna al deze kenmerken. Zie Ton Anbeek en J.J. Kloek, Literatuur in verandering. Voorbeelden van de vernieuwing in het proza tussen 1879 en 1887. Den Haag 1981, pp. 3-5, en Ton Anbeek, De naturalistische roman in Nederland. Amsterdam 1982, pp. 11-14.
37In het jaar van verschijning, 1856, werd er om Madame Bovary een proces gevoerd wegens de aantasting van goede zeden. Flaubert werd vrijgesproken.
38Zie o.a. Busken Huet, a.w., pp. 8-15.
39In het derde deel, voorafgaande aan Klaasjes gang naar het bordeel, is een hoofdstuk ingelast ‘zijnde een gesprek, door den schrijver op den spoorwagen gevoerd met Mevrouw x, en alzoo een tusschen-hoofdstuk, dat tot het verhaal zelf niets afdoet, en waarvan wij des-niet-te-min de lezing uitdrukkelijk aanbevelen, vooral aan de personen, in de eerste regels der eerste bladzijde van het eerste deel genoemd’. Van Lennep heeft in de eerste regels van zijn werk beweerd dat er niets in de roman zou voorkomen dat men niet aan jonge meisjes kon voorlezen. Mevrouw x verwijt hem de lezers te hebben bedrogen vanwege de onzedelijke taferelen bij Klaasjes min thuis en vanwege de weergave van een onfatsoenlijk gesprek tussen twee heren. Er volgt een uitgebreid betoog van ‘den schrijver’ over de noodzaak het maatschappelijk leven in overeenkomst met de werkelijkheid te schilderen.
40Zie Bernt Luger, ‘Misdaad tussen feit en fictie’, in: Criminaliteit in de negentiende eeuw, Hollandse studiën 22 (1989), pp. 141-149, S.Sr. Coronel, Middelburg voorheen en thans. Bijdrage tot de kennis van den voormaligen en tegenwoordigen toestand van het armenwezen aldaar. Middelburg 1859, p. 227, en Mathijssen, Realisme in de Nederlandse letterkunde, pp. 85-86.
41Jaap Harskamp, Hoeren en heren in de negentiende-eeuwse literatuur. Utrecht 1988, p. 50. Bernt Luger, ‘Dickens' populariteit in Nederland in de negentiende eeuw’, in: H.J.S. Lokin en R.M. Munniksma (ed.), The Dutch Dickensian, vol. IX, dec. 1987, nr. 18, pp. 55-77.
42Eilerts de Haan, Open brief aan Klaasje Zevenster (zie noot 28). Deze brochure was geschreven om geld in te zamelen voor een industrieschool voor de armste lagen van de bevolking. Een van degenen bij wie de intekenlijst voor bijdragen aan dit plan kon worden ingeleverd, was A.M Storm-van der Chijs (zie noot 43).
43De Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging Arbeid Adelt, de eerste vereniging in Nederland gericht op ruimere arbeidsmogelijkheden voor vrouwen, zou pas in 1871 worden opgericht.
44Adres aan Z.Exc. den Minister van Financien, van de Bestuurders van de Vereeniging tot Behoud van Boetvaardige, Gevallene vrouwen te Rotterdam. 1866. Deze belasting werd in 1869 opgeheven. Zie verder Van den Bergh, a.w., p. 66; Huitzing, a.w., pp. 21-22; Rieter-Michelotti, a.w., p. 149.
45‘Hebt Gij het derde Deel van Klaasje Zevenster gelezen? Mij is het nog niet ter hand gekomen, maar het schandaal schijnt groot te zijn, - men wordt ingewijd in de geheimen der woning van Mevrouw Monr Athos!!!’ Dit schreef Potgieter, die verderop in de brief refereert aan Van Lenneps jeugdige capriolen, aan zijn vriend Busken Huet (13 februari 1866). Zie Jacob Smit, a.w., pp. 261-262.
46In de Dietsche Warande 7 (1866), pp. 469-491. Later als brochure: Ernst of Kortswijl? Naar aanleiding der ‘Lotgevallen van Klaasje Zevenster’. Vierde druk, Amsterdam 1866. De bespreking omvat vijfentwintig pagina's. Verschillende besprekingen die eerst in een tijdschrift werden gepubliceerd kwamen later als brochure uit.
47Huet zag in Klaasjes patricische afkomst de sleutel tot de roman: haar edel karakter hing samen met haar afkomst en zij had alleen daardoor alle verleidingen kunnen weerstaan. Huet was overigens de enige recensent die deze boodschap in het boek zag.
48In het reeds genoemde tussenhoofdstuk. Zie noot 41.
49Flanor in zijn rubriek ‘de Vlugmaren’ in De Nederlandsche Spectator van 3 maart 1866. Aangehaald in N. Maas, De Nederlandsche Spectator. Schetsen uit het letterkundig leven van de tweede helft van de negentiende eeuw. Utrecht 1986, pp. 95-98.
50Busken Huet, Lidewyde, pp. 12-13.
51H.J. Schimmel, ‘Een Nederlandsche zedenroman’, in: De Gids, juli 1866, p. 525.
52In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 16 januari 1867 staat een bespreking van de brochure De Lotgevallen van Klaasje Zevenster, als drama verdedigd tegen de kritiek der NRC (1867). De recensent schrijft, nu de discussie opnieuw opgelaaid is door de opvoering van de toneelstukken: ‘We zoeken nu vruchteloos naar een zedelijk doel, dat de opvoering ten toonele van scènes, gelijk die welke in het huis van Mont-Athos voorvallen, kunnen wettigen.’
53In de Dietsche Warande, 1 oktober 1866, p. 598.
55A. van Brussel, Een schandelijk boek. Bestraffend woord aan Mr. J. van Lennep over de zedelooze strekking van Klaasje Zevenster. Amsterdam 1866, p. 6.
56Zie o.a. Asmodee van 31 mei 1866, 16 aug. 1866, 10, 17 en 24 jan. 1867, en 7 feb. 1867.
57Zie R. Chamuleau, Het verborgen leven, pp. 70-71. Zie ook J. Giele, ‘De oppositie der “Volksmannen” 1850-1869’, in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis 2 (1975), pp. 171-218, hier pp. 181 en 190.
58In deze brochure worden de gevaren van de ‘Moderne theorie’ (van het geloof in de autonomie van de menselijke geest) uiteengezet.
59Waarom heeft Klaasje Zevenster zulk een opgang gemaakt? Benevens een kritiek der voornaamste recensies. Utrecht 1866, p. 26. Van dezelfde anonymus verscheen een brochure met een zelfde strekking: Cd. Busken Huet, Mr. J. van Lennep en Klaasje Zevenster. Arnhem 1866.
60Van Meerbeke, a.w., p. 17.
61Ernst of kortswijl? Eene vraag beantwoord door een Leydsch student van 1824 tot 1828. 's-Hertogenbosch 1866, p. 6. Zoals de titel van deze brochure al aangeeft wilde de auteur met zijn geschrift in de eerste plaats Huet van repliek dienen.
62Eene Dames-theevisite en Klaasje Zevenster, door S...A...z. Amsterdam 1866. In het VLA bevindt zich een exemplaar van deze brochure met daarin een brief aan Van Lennep, ondertekend door Sietske Abrahamsz.
63De Volledige Werken van Multatuli, deel XI. Amsterdam 1977, pp. 371, 393 en 786.
64Sietske Abrahamsz schreef in 1910 haar Multatuli-herinneringen ( Maandblad Nederland, 1910, pp. 73-94). Over haar brochure of andere publikaties vermeldt zij niets. Ook de (Multatuli-)literatuur noemt deze uitgave niet. Het enige dat verder over haar bekend is, is dat zij naar Indië reisde om als gouvernante te werken en daar vervolgens, in 1870, trouwde. Zie: De Volledige Werken van Multatuli, deel X. Amsterdam 1960, p. 735.
65Abrahamsz, a.w., pp. 11 en 12.
67Henri J. Polak, De heer Cd Busken Huet en Klaasje Zevenster. Leiden 1866, p. 64.
68De Tijdspiegel, 1 maart 1866, p. 396.
69Busken Huet, Ernst of kortswijl?, p. 7.
70Zie bijv. de Friesche Courant, 9 aug. 1866: ‘Van Lennep is eenmaal te oud geworden, om niet te weten wat hij deed, toen hij zijn Klaasje Zevenster uitgaf; hij zal met zekere pret in de handen wrijven, als hij opmerkt hoe de pruiken onzer dagen zich in bogten wringen, ons het boek een klad te kunnen nageven - en toch het regtaf niet durven!’
71De Navorscher 1867, pp. 134 en 305-306.
72Abrahamsz, a.w., p. 11.
73Ik ga hierbij uit van de brochures en de wat langere artikelen in het Van Lennep-archief. Van de reacties op het boek en op het toneelstuk zijn er negen ronduit negatief over de morele uitwerking ervan, terwijl er ook negen duidelijk positief zijn. Een viertal stukken is niet zo gemakkelijk in een van beide kampen te plaatsen, bijvoorbeeld omdat de veroordeling van de bordeelscènes met op morele maar op esthetische gronden plaatsvond. Naast de reeds genoemde brochures bevat deze verzameling ook artikelen die naar aanleiding van de toneelopvoeringen van Klaasje Zevenster verschenen, in m.n. de Amsterdamsche Courant, het Algemeen Dagblad, de Nieuw Rotterdamsche Courant en het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad. Er is in deze verzameling wellicht sprake van een oververtegenwoordiging van liberalen: De Gids, De Tijdstroom, De Nederlandsche Spectator waren liberale tijdschriften. Verschillende brochureschrijvers publiceerden anoniem waardoor ik ze slechts op basis van de teneur van hun stukken ‘liberaal’ kan noemen.
74Bij Johanna W.A. Naber, Wat heeft het feminisme der Nederlandsche vrouw gebracht? Wat mag het daarom van deze verwachten. Z.p. 1934, pp. 10 en 12, dient Klaasje Zevenster als illustratie voor de veranderingen in de discussie over het prostitutievraagstuk. Naber wijst in dit verband op de extreem lage lonen van dienstbodes in Van Lenneps tijd. In de historische roman van Ina Boudier-Bakker, De klop op de deur. Amsterdamsche familie-roman. Amsterdam 1930, pp. 63, 78 en 89, spreken een aantal hoofdpersonen over het boek, waarmee Boudier-Bakker haar personages meteen typeert. Annie Romein-Verschoor, Zedelijkheid en schijnheiligheid. 's-Gravenhage 1962, pp. 83 en 86, wijst op de dubbele moraal die uit Van Lenneps boek spreekt.
|
|