Gerardus Joannes Vossius (1577-1649)


auteur: C.S.M. Rademaker


bron: C.S.M. Rademaker, Gerardus Joannes Vossius (1577-1649). W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1967


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 41]

4. Een burcht van rechtzinnigheid

Na zijn promotie tot magister artium richtte Vossius zijn voornaamste aandacht op de studie van de theologie. Hij trof op de katheder Franciscus Junius sr. aan, die Hebreeuws doceerde, en Lucas Trelcat sr. en Franciscus Gomarus, die de zuiver theologische vakken voor hun rekening hadden genomen. Joannes Kuchlinus begeleidde op het Statencollege de studie van Vossius en zijn medetheologanten door lectiones privatae en het organiseren van disputationes.106 Er was toen in Leiden nog bijna niets merkbaar van de spanningen die enkele jaren later hogeschool, kerk en staat in beroering zouden brengen. Na de eerste tien moeilijke jaren, waarin de theologische faculteit van de nieuwe hogeschool nauwelijks van de grond kon komen, hadden curatoren en senaat enkele hoogleraren weten aan te trekken, die niet alleen als docenten van formaat de studie van de godgeleerdheid op een hoger peil brachten, maar die tevens als onverdacht orthodoxe theologen een stevige basis legden voor de kerk van de toekomst. De mannen die in kerk en hogeschool in het laatste kwart van de zestiende eeuw de toon aangaven waren voor het grootste deel gevormd op de universiteit van Heidelberg. De daar onderwezen theologie van Calvijn en Beza had in de Nederlanden tenslotte het monopolie veroverd ten opzichte van de andere richtingen in het reformatorisch christendom. Dit betekende echter geenszins, dat de orthodoxie van de Leidse theologen in deze periode dezelfde strakke trekken vertoonde, die na de moeilijkheden in het eerste kwart van de volgende eeuw karakteristiek zouden zijn voor wat toen voor rechtzinnigheid werd gehouden. De Leidse universiteit was vanaf haar ontstaan een humanistische hogeschool, waarin de theologie een belangrijke, maar nooit een overheersende plaats heeft ingenomen. De Leidse curatoren wensten op de eerste plaats het nieuwe onderwijsinstituut in dienst te stellen van de hele natie door de opleiding van humanistisch gevormde juristen, medici en theologen. Zij zijn nooit geheel gezwicht voor het kerkelijk streven naar een monopoliepositie in het universitaire milieu, ook niet na 1619, zoals met name de gebeurtenissen rond Vossius zullen aantonen. Het is overigens een netelige zaak om een duidelijk oordeel uit te spreken over de beoefening van de universitaire godgeleerdheid in de periode vóór 1600. Diepgaande syntheses, zoals wij die bezitten voor het wijsgerig onderwijs, ontbreken. Het is dan ook moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, zich een duidelijk beeld te vormen van het onderwijs in de theologie dat Vossius genoten heeft. In universitaire bibliotheken en archieven is ruim voldoende materiaal voorhanden in de vorm van boeken, theses en collegedictaten, maar al dit materiaal is nog onbruikbaar, omdat het tot nu toe nog steeds tevergeefs wacht op een theoloog-historicus die er zich voor interesseert.107

[p. 42]

Vanaf 1587 was Lucas Trelcat hoogleraar te Leiden. Hij was geboren te Erin bij Douai in 1542 en had gestudeerd te Parijs, Orleans en in Engeland. Nadat hij enige tijd klassieke talen had onderwezen in Londen, was hij predikant geweest te Rijsel, Gent, Brussel en tenslotte in Leiden. Toen hij zijn colleges begon te geven, bestond het theologisch onderricht praktisch geheel uit het commentariëren van Schriftteksten. De Series Lectionum van 1587 vermeldt, dat Saravia Hebreeuws gaf en dat Trelcat en Gallus respectievelijk Mattheus en Isaias behandelden. Er was dus geen sprake van systematische theologie of van dogmatiekboeken. In dit opzicht volgde het theologisch onderwijs de ontwikkeling in de wijsgerige vakken: pas tegen 1600 ging men ertoe over op meer systematische wijze de theologie te doceren en het was Trelcat, die daar in Leiden als eerste mee begon. Hij was een door de studenten zeer gewaardeerd docent, want toen hij enkele maanden als buitengewoon hoogleraar college had gegeven, stelden zijn studenten een verzoekschrift op om curatoren te vragen professor Trelcat tot gewoon hoogleraar te bevorderen. Dat gebeurde, en steunend op de sympathie die hij genoot, begon de gevierde hoogleraar het theologisch onderwijs te vernieuwen. Hij gaf een klein boekje uit, Synopsis methodi sacrae theologiae, dat 16 pagina's telde en dat de hele stof van de cursus verdeelde in 22 zeer korte, alles samenvattende capita. Dit compendium was het eerste Leidse theologieboek, dat door de hoogleraar in de collegezaal werd behandeld en door hem werd aangevuld met dictaten, waar een bredere behandeling wenselijk was. Eerst werd het onderwerp nauwkeurig bepaald, waarna het werd toegelicht met teksten uit de Schrift, de kerkvaders of de klassieke literatuur. Vervolgens werd het praktisch nut van het geloofspunt aangewezen en werden andersdenkenden, zij het op gematigde toon, bestreden. Vanzelfsprekend was alles in vlekkeloos Latijn opgesteld. De manier van redeneren, argumenteren, en het maken van distincties had een duidelijk Aristotelisch karakter: de hoogleraren in de theologie bouwden voort op de peripathetische propaedeuse, terwijl het theologie-onderricht zelf sterk onder invloed stond van de Duitse reformatorische theologie en niet minder van de neoscholastiek in het roomse kamp.108

Onder de Amsterdamse Vossiuspapieren bevinden zich verschillende bundels met theologische aantekeningen, waarvan er enkele dateren uit Vossius' studententijd, zoals het compendium van de colleges van Trelcat, dat

[p. 43]

begint met de lijst van onderwerpen die in Trelcats Synopsis aan de orde kwamen. De 22 loei die samen de cursus vormen, hebben dezelfde volgorde als de onderwerpen in Calvijns Institutio, het grote theologische handboek, dat juist in die tijd op meerdere universiteiten de plaats ging innemen die tot dan toe Melanchtons Loci Theologici hadden bezet gehouden.109 Op het overzicht volgen dan enkele collegedictaten. Het eerste, handelend over de theologie in het algemeen, begint met een synopsis van dit onderwerp en bestaat verder uit een zevental stellingen, die een samenvatting vormen van een boek van Franciscus Junius over de theologie.110 Op dit inleidend college volgen twee zeer fundamentele onderwerpen, namelijk het Woord Gods en de volmaaktheid van de Schrift.111 Hierop volgen dan allerlei tractaten en tractaatjes over alle mogelijke onderwerpen. Het is echter niet zo gemakkelijk met zekerheid uit te maken, wat Vossius als student heeft geschreven en wat hij er later aan heeft toegevoegd. Toen hij in 1631 van Leiden naar Amsterdam verhuisde, heeft hij al zijn papieren geordend en bij die gelegenheid zijn de collegedictaten voor een deel tussen andere aantekeningen terecht gekomen.112

De twee andere hoogleraren die Vossius de eerste beginselen van de godgeleerdheid bijbrachten, waren Franciscus Gomarus en Franciscus Junius. De eerste, in Brugge geboren in 1563, had gestudeerd in verschillende plaatsen, o.a. te Heidelberg en te Neustadt, waar hij een leerling was van zijn latere collega Junius. Nadat hij enkele jaren predikant te Frankfurt was geweest, werd hij in 1594 naar Leiden beroepen als predikant en hoogleraar in de theologie.113 Franciscus Junius was in 1545 in het Franse Bourges geboren en was, na zijn studie te Genève, predikant geweest o.a. te Antwerpen en te Schönau in de Palts. Daarna werd hij hoogleraar in de theologie, eerst te Neustadt en te Heidelberg, vanaf 1592 te Leiden.114

[p. 44]

Deze twee hoogleraren verschilden in menig opzicht sterk van elkaar. Gomarus kennen wij uit de bestandstwisten als een felle kampvechter voor de orthodoxe theologie van het calvinisme, terwijl zijn iets oudere eermeester juist vóór alles verdraagzaamheid wenste. Ook in theoretische zaken namen de twee mannen vaak een verschillend standpunt in: waar Gomarus het strenge gevoelen voorstond, had Junius meestal voorkeur voor de minder harde opvatting. Het is niet ondenkbaar, dat de latere bestrijder van Arminius de eerste tien jaar van zijn professoraat nog sterk onder invloed stond van zijn leermeester. In ieder geval verliep dat eerste decennium bijzonder rustig en doceerden Junius en Gomarus zonder stoornis hetzelfde calvinisme, dat zij zich tot hun eigen overtuiging hadden gemaakt. Toen jaren later de onrust in kerk en hogeschool de boze kop opstak en de gemoederen in beroering bracht, was ook Vossius gaan twijfelen aan wat hij van zijn leermeesters had gehoord. Gomarus bezocht hem in die dagen en had met hem een lang gesprek. Toen waren de moeilijkheden verdwenen en nog in 1640 schreef de vroegere leerling aan zijn oude leermeester, dat hij in die woelige periode uiteindelijk had vastgehouden aan de predestinatie-opvatting, die hij door zijn leermeesters Junius èn Gomarus had leren kennen als de juiste.115 Bij alle verschil van opvatting gaven de hoogleraren in Leiden hun studenten dus in die jaren een stevige theologische basis, die in hun later leven kon dienen als vertrekpunt voor een vaste koers.

Toen Vossius in 1607 trouwde met Elisabeth Junius, een dochter van Franciscus Junius, ontstond er ook een familieband met Gomarus, die door zijn huwelijk met Maria L'Hermite de zwager was geworden van Junius' derde echtgenote Johanna L'Hermite.116 Tot Gomarus' dood in 1641 hielden leermeester en leerling contact met elkaar, maar het was toch de reeds in 1602 overleden schoonvader Junius die op Vossius verreweg het meeste indruk heeft gemaakt. Tot op hoge leeftijd herinnerde Vossius zijn vrienden en kennissen aan uitspraken en gebeurtenissen van en rond de vereerde leermeester. Aan James Ussher, anglicaans primaat van Ierland, beschreef hij een theologisch dispuut uit zijn studententijd, waarbij Junius een al te voortvarend opponent vriendelijk zei, niet al te zeer op de uitspraken van één theoloog te steunen. Heinsius werd eens zijdelings vermaand met een toepasselijke tekst van Junius: ‘We zullen altijd nog wel iets te leren hebben, zelfs als we een eeuw aan ons leven toevoegen’. Aan zijn eigen zoon Isaac gaf hij de raad, die Junius hem in 1599 had gegeven: ‘Werk niet te hard, maar werk zo, dat je het lang kunt volhouden.’117

[p. 45]

Over Junius' kwaliteiten als theoloog en wetenschapsman werd verschillend geoordeeld. Hij was zeker geen origineel denker, al ging hij, met name in zijn exegetische werken, wel eigen, oorspronkelijke wegen. Toen hij en de grote Scaliger verschil van mening kregen over een chronologische kwestie, had Junius voor Scaliger afgedaan. Het verheven lijkdicht van Scaliger op zijn overleden collega doet niets af aan het feit, dat Junius' werken uit Scaligers bibliotheek in de marge worden ontsierd door onvriendelijke epitheta als ‘domkop’ en ‘ezel’, terwijl de brieven van Scaliger menige venijnige opmerking aan Junius' adres bevatten, die in de oudste editie van de brieven liefdevol vervangen zijn door een asteriscus. In 1627 heeft Vossius zijn schoonvader nog moeten verdedigen tegen het oprakelen van deze onfrisse historie door de Franse historicus De Thou.118 Mag het dan al waar zijn, dat Junius geen opvallend groot theoloog was, over één punt zijn allen het altijd eens geweest: hij was een man die vóór alles verdraagzaamheid preekte, zoals blijkt uit zijn Paysible Chrestien, een boek dat het misnoegen wekte van de grote Beza, omdat de schrijver de kerk van Rome nog altijd beschouwde als een deel van de kerke Christi. Vooral hierin was Vossius een goede leerling van zijn schoonvader. Midden onder de bestandstwisten schreef hij aan zijn promotor Molinaeus: ‘We hebben verdraagzame geesten nodig als Bucer, Junius en U’. Toen Vossius tijdens die twisten belasterd werd, omdat hij een poging deed de eenheid in de kerk te bewaren, herinnerde hij zich de uitspraak van Junius, die in zijn Paysible Chrestien ook gewezen had op de laster, die zij die de eenheid willen bewaren hebben te verduren. Vooral over verdraagzaamheid en eenheid bewaarde Vossius talrijke uitspraken van zijn schoonvader, waarvan hij later tegenover zijn zoon Isaac getuigde: ‘Ik heb veel uit zijn mond vernomen, waarvan ik pas jaren later het nut heb leren inzien.’ Het inzicht werd in praktijk gebracht, want wat Vossius op het einde van zijn leven aan Joannes Goccejus schreef, was geen grootspraak: ‘Waren de kerkdienaren maar minder onbescheiden en volgden zij Junius' voorbeeld maar. Hij heeft heel zijn leven de christelijke mildheid aangeprezen. Daarom heb ik altijd mijn best gedaan om mij niet schuldig te maken aan de wellust van de verkettering, die pest van de kerken. Ik zou, als ik fouten gemaakt mocht hebben, liever willen, dat de geschriften waarin ik zondigde, werden vernietigd, dan dat ze zouden blijven bestaan tot mijn schande en tot schade van het nageslacht.’ Vossius overdreef niet, toen hij schreef: ‘Wij, dat wil zeggen Junius, ik en mijn zonen, hebben

[p. 46]

elkaar nu al bijna 80 jaar de fakkel doorgegeven, waarmee wij kerk, staat en republiek der letteren dienen.’119

Johannes Kuchlinus, de regent van het Statencollege, paste goed bij het orthodoxe driemanschap, dat op de universiteit de theologische toon aangaf. Oak hij was een overtuigd aanhanger van Calvijns leer en op het college begeleidde hij de bursalen met zijn lectiones privatae en disputen in de geest van Trelcat, Gomarus en Junius.120 Onder zijn leiding heeft Vossius viermaal een aantal theses moeten verdedigen, die, zoals toen gebruikelijk was, door de universiteitsdrukker werden uitgegeven en die ons, samen met de vele andere bewaarde stellingen, een indruk kunnen geven van het theologisch bedrijf op het Statencollege. Deze stellingen, door Vossius verdedigd, maakten deel uit van een reeks van 126 disputaties, waarin Kuchlinus zijn leerlingen de Heidelbergse Catechismus liet bestuderen en commentariëren en die hij later bundelde in zijn Syntagma Catecheticarum.121 Dit grootse werk werd aangepakt, toen in 1598 een aantal bursalen, waaronder Vossius, naar de mensa der theologanten verhuisde. Nog in 1598 werden Vossius en zes medestudenten belast met het samenstellen van een Explicatio primae quaestionis in Catechesi, de grondvraag van het christelijk leven: Wat is uw enige troost in leven en sterven?122

[p. 47]

Kort daarop moest Vossius zijn eerste eigen theologische theses verdedigen, de Theses Theologicae de Agnitione Miseriae, een uitwerking van de derde, vierde en vijfde vraag van de catechismus. Dit eerste theologische werkstukje droeg de aankomende theoloog trots op aan de stedelijke regering en de predikanten van Dordrecht. Het boekje bevat 29 stellingen en een appendix. De gedachtengang is eenvoudig en overzichtelijk. Het geheel handelt over de erkenning van de menselijke zondigheid na de val van het menselijk geslacht in Adam, een toestand, die men het best kan omschrijven als leven in vijandschap met God. Onze ellende blijkt duidelijk uit het pijnlijke feit, dat wij de Wet Gods niet kunnen onderhouden. Die wet is door Christus samengevat in het dubbele gebod van de liefde tot God en de medemens. Het grootste deel van de stellingen gaat dan ook over de godsliefde, de naastenliefde en de menselijke neiging tot wat daar mee in strijd is, terwijl tenslotte in het corollarium wordt vastgesteld, dat alleen in de kerk de erkenning van onze zondige onmacht de nodige kans krijgt tot volle, heilzame ontplooiing te komen.123

Het jaar daarop verdedigde Vossius, waarschijnlijk kort na elkaar, twee series stellingen over de apostolische geloofsbelijdenis en over de Drievuldigheid, die respectievelijk een uitwerking zijn van de vragen 22, 23, 24 en 25 van de catechismus. In de opdracht van deze theses zit een zekere parallellie: de eerste serie werd door de defendens opgedragen aan Marcellus en Rekenarius, rector en conrector van de Latijnse School in Dordrecht, waarna de tweede reeks een eerbiedige hulde vormde voor de regent en de subregent van het Statencollege. Na de theses over het symbolum apostolicum geplaatst te hebben in het grote geheel van de reeks disputaties die op het college werden gehouden, behandelt Vossius achtereenvolgens de drie volgende kwesties: wat is het symbolum apostolicum, waarom is het overgeleverd en wat is het gezag ervan? Vooral het antwoord op de eerste vraag is interessant. Vossius rekent hier al af met de oude, in zijn tijd nog door velen aanvaarde opvatting, dat iedere apostel één van de twaalf artikelen geschreven zou hebben. Het oudste symbolum wordt apostolicon genoemd, omdat het is samengesteld door de apostelen of door degenen die hun prediking hebben aanhoord, maar ook en vooral, omdat het de leer van de apostelen volledig en kort samenvat. Vossius laat hier nog wat ruimte voor het auteurschap van de apostelen zelf, maar hij laat toch ook heel duidelijk de mogelijkheid open voor een andere uitleg. In zijn later werk over de drie symbola zal hij definitief breken met de opvatting, dat de apostelen zelf het oudste symbolum hebben opgesteld.124 De theses over de Drieëenheid vormen een weinig origineel compendium van

[p. 48]

de triniteitstheologie, waarbij alleen opvalt, dat de samensteller naast schriftteksten en patristische teksten ook af en toe het werk van Aristoteles en andere heidense auteurs uit het klassieke tijdperk citeert.125

Kort voor zijn vertrek uit Leiden moest Vossius een laatste proeve van bekwaamheid afleggen door een aantal theses te verdedigen over misschien wel het moeilijkste onderwerp van de reformatorische theologie, de predestinatie. Het werk van Calvijn en Beza had op dit punt een beweging op gang gebracht, die nog heel lang zou doorwerken en die nu eens minder en dan weer wat meer de gemoederen in opschudding zou blijven brengen. Aan de storm van de bestandstwisten ging in Vossius' studententijd een stilte vooraf, die echter reeds duidelijk verborgen spanningen deed vermoeden. Na jaren van strijd was in de oude kerk de conditionele predestinatie een algemeen aanvaard leerstuk geworden: God heeft van eeuwigheid alle mensen voorbestemd om deel te hebben aan het goddelijk leven en God heeft alleen diegenen tot de eeuwige straf veroordeeld die zich door hun zondigheid van dat goddelijk leven beroven. Calvijn ging uit van de absolute souvereiniteit Gods en de totaal bedorven menselijke natuur, waaruit hij met ijzeren logica de conclusie trok van de onvoorwaardelijke voorbeschikking: God heeft van eeuwigheid, zonder rekening te houden met verdiensten of zonden, een aantal mensen willen redden uit hun zondigheid, terwijl hij de anderen in hun zondigheid laat. Verscheidene hervormde theologen volgden Calvijn tot het uiterste en leerden, dat God zijn besluit genomen heeft zonder zelfs rekening te houden met de val van het menselijk geslacht in Adam: zij noemden zich supralapsariërs of bovenvaldrijvers. Hun tegenstanders kwamen niet klaar met de vraag, of God dan oorzaak van de zonde zou zijn, en zij leerden, dat God zijn huiveringwekkend besluit heeft genomen in het vooruitzicht van Adams val: de infralapsariërs of benedenvaldrijvers.126

De theologen, die in Leiden de toon aangaven, toen Vossius daar studeerde, behoorden in meerderheid tot de supralapsariërs. Gomarus heeft tot het einde van zijn leven het strengste gevoelen inzake de predestinatie voorgestaan. Trelcat volgde in zijn colleges de leer van Beza en leerde, dat het decretum horribile niet de minste rekening houdt met welke oorzaken van heil of verwerping ook. Van de drie Leidse theologieprofessoren nam Junius nog het mildste standpunt in. Op de eerste plaats was hij van mening, dat men best binnen eenzelfde kerk van mening kon verschillen over de predestinatie en hij stelde supra- en infralapsarisme gelijk. Toen Arminius in 1596 bij zijn studie over dit moeilijke onderwerp voor onop-

[p. 49]

losbare vragen kwam te staan, behandelde hij mondeling en daarna per brief de kwestie met Junius, die echter niet genegen was de leer van de onvoorwaardelijke predestinatie te vervangen door die van de conditionele voorbeschikking. Kuchlinus echter was in die jaren nog een overtuigd supralapsariër. Pas in 1605, toen het begin 1604 begonnen grote dispuut al in volle gang was te Leiden, kwam hij er toe om samen met zijn schoonzoon Bertius zijn supralapsarische opvatting prijs te geven voor de infralapsarische.127

Op het Statencollege werd het geloofspunt der voorbeschikking dan ook benaderd vanuit het standpunt der bovenvaldrijvers. Het ligt dus voor de hand, dat Vossius' theses over dit onderwerp, theses gemaakt en verdedigd onder leiding van Kuchlinus, hetzelfde standpunt innemen. In de reeks disputen over de Heidelbergse Catechismus sluit Vossius' studie aan bij een dispuut over vraag 54 van de catechismus, die spreekt over de kerk als verzameling van Gods uitverkorenen. Vossius moet nu de begrippen uitverkiezing en verwerping, waarover de catechismus niet expliciet spreekt, nader uitwerken. Een niet gemakkelijke opgave, gezien de vele theologische voetangels en klemmen, die zich op dit gevaarlijke terrein bevinden, maar ook een eervolle opgave, omdat juist hij is uitgekozen om dit moeilijke onderwerp te behandelen.128 In de eerste stellingen worden de begrippen voorkennis, voorbeschikking, uitverkiezing en verwerping scherp omschreven. Dan geeft stelling 11 de volgende definitie van het begrip voorbeschikking in theologische zin: ‘De voorbeschikking is dat deel van de goddelijke voorzienigheid, waardoor God van eeuwigheid besloten heeft, krachtens het totaal vrije welbehagen van zijn wil, bepaalde mensen met zijn genade en met de eeuwige glorie te begiftigen, maar de anderen aan hun lot over te laten, in hun bedorven natuur te laten blijven en tot de eeuwige verwerping te veroordelen. Zo zal hij tot zijn eer in de eersten zijn goedheid en ontferming openbaren en in de anderen zijn zeer rechtvaardig oordeel.’129 In deze definitie valt de volle nadruk op het vrije welbehagen Gods en er is geen sprake van welke zonde ook als oorzaak van verwerping. De gegeven omschrijving wordt vervolgens toegelicht in de daarop volgende theses met termen, die zijn ontleend aan de Aristotelische

[p. 50]

oorzakelijkheidsleer. Bij het bespreken van de werkende oorzaak van de verwerping maakt Vossius onderscheid tussen veroordelen en niet-uitverkiezen. In de laatste betekenis gaat de verwerping geheel terug op de vrije wilsdaad van God, maar de verwerping als veroordeling is een goddelijke daad, die volgt op Gods voorkennis van de zonde. De laatste stelling behandelt het nut en de noodzaak van de kennis van dit moeilijke geloofspunt en daarin volgt Vossius Calvijn, waar deze zegt, dat men geen gehoor moet geven aan degenen die blind zijn voor de vruchten van dit heilzame geloofspunt en die de behandeling van dit leerstuk willen overlaten aan de geleerden. Niet zo heel veel later zal de enthousiaste student van 1600 daar heel anders over denken.130

 

Onder al die theologische bedrijvigheid ging het leven op het Statencollege intussen zijn gewone gang. Vossius en zijn medetheologanten behoorden nu tot de tweede mensa. Kort nadat hij als magister artium aan zijn theologiestudie was begonnen, werd hij echter ziek. Begin mei 1598 schreef hij aan de Dordtse conrector, dat hij zojuist was hersteld van een twee weken durende ziekte. Zes maanden later liet hij zijn vriend Leonard Casembroot weten, dat hij het goed maakte, maar dat hij nog altijd sukkelde met zijn gezondheid. Had hij, ondanks de waarschuwingen van Junius en Kuchlinus, toch te hard gewerkt? In elk geval moest hij het werken aan zijn Theses de fide, die hij zou verdedigen na de stellingen over de erkenning van de menselijke zondigheid, staken en pas in 1599 verdedigde hij kort achter elkaar twee series stellingen. Ook het plan om op de universiteit te gaan doceren werd uitgesteld tot het najaar van 1599.131 Het is niet ondenkbaar, dat de strenge Kuchlinus door dit ziekzijn van zijn veelbelovende pupil gemakkelijker genegen was om positief te reageren op een tweetal verzoekschriften van de bursalen, waarin gevraagd werd op enkele punten het reglement wat te verzachten. Nog in het voorjaar van 1598 boden de studenten van de tweede mensa met Vossius als eerste ondertekenaar een petitie aan, waarin zij vroegen wat meer te mogen uitgaan en samen te musiceren. Het uitgaan werd toegestaan, als men maar geen lessen of predikaties verzuimde. Het musiceren was eigenlijk tegen de statuten, maar bij wijze van experiment mochten de bursalen op speeldagen 's middags samen muziek maken, als zij zich maar onthielden van ‘oneerlycke liedekens, dansen ende andere lichtvaerdicheyt.’132 Enkele

[p. 51]

maanden later kwam er een tweede verzoekschrift binnen, nu ondertekend door alle bursalen, waarin zij vroegen de lessen op het college in de warme augustusmaand te laten uitvallen; men kon desnoods de oktobervakantie voor die lessen besteden. Kuchlinus vond het uitstekend, temeer daar ook de professoren van de universiteit dat al meermalen hadden voorgesteld.133

De namen van de ondertekenaars van beide petities, aangevuld door een zeer onvolledige lijst met de namen van de bursalen van het college en door de gegevens van het Leidse Album Studiosorum, laten ons zien wie Vossius' medestudenten waren op het Statencollege.134 Het opvallende is, dat Vossius onder zijn medestudenten geen enkele geestverwant getroffen schijnt te hebben, met wie hij in zijn later leven hechte vriendschapsbanden heeft onderhouden. Men leefde in het college dicht op elkaar en deelde lief en leed, zodat blijvende relaties op zijn minst voor de hand liggend zouden zijn geweest. De enige, met wie Vossius lang bevriend is geweest en met wie hij in dezelfde tijd te Leiden studeerde, was Hugo de Groot, die echter geen bursaal was, maar die Vossius mogelijk ontmoet heeft bij professor Junius thuis, waar Grotius toen in de kost was. Het is echter geenszins ondenkbaar, dat de twee vrienden elkaar pas later hebben leren kennen, want het drukke schriftelijk contact tussen de twee geestverwanten is pas begonnen lang nadat beiden de universiteit hadden verlaten.135 Slechts met enkele medebursalen heeft Vossius in zijn verdere leven nog enig contact gehad. Op de eerste plaats moet dan wel Joannes Lydius genoemd worden, zoon van professor Martinus Lydius uit Franeker, die aan Vossius een brief schreef om hem te vragen de vriendschap met zijn zoon te bestendigen, hem te helpen bij zijn studie en hem aan te sporen zijn geestelijk leven de nodige aandacht te schenken.136 Na het verlaten van het college werd Lydius predikant, eerst te Aarlanderveen en spoedig daarop tot zijn dood in 1643 te Oudewater. Er zijn verschillende brieven bewaard, die Lydius aan Vossius schreef en waaruit blijkt, dat de twee mannen elkaar van tijd tot tijd schreven. Het aanblijven van deze relatie kan echter ook worden verklaard uit het huwelijk van Joannes' broer Balthasar met Anna van der Myle, de dochter van Vossius' stiefmoeder Barbara, en uit het contact dat Vossius als rector te Dordrecht

[p. 52]

had met deze predikant.137 Rafael Allendorp, Vossius' medeleerling te Dordrecht en medebursaal te Leiden, bleef langer dan hij op het college, maar werd niet lang na het verlaten van Leiden Vossius' conrector te Dordrecht.138 Tenslotte moet Joannes Narsius nog even genoemd worden. Hij kwam anderhalf jaar later dan Vossius op het Statencollege. In 1602 heeft hij misschien enige tijd bij Vossius in huis gewoond, getuige een brief aan hem gericht. Hij werd predikant te Grave en daarna te Zaltbommel, waar hij als gevolg van de bestandstwisten uit zijn ambt werd gezet. Als zovelen van zijn lotgenoten hing hij de toga aan de kapstok om, na enkele jaren studeren, lijfarts en geschiedschrijver van de Zweedse koning Gustaaf Adolf te worden. Hij stierf in 1639 als geneesheer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te Java. Gedurende heel zijn bewogen leven bleef deze oud-medebursaal met Vossius corresponderen.139

Enkele maanden na zijn promotie schreef Vossius aan een vriend: ‘Mijn voornaamste bezigheid is op het ogenblik de studie van het Hebreeuws en van de Heilige Theologie, maar de hulpwetenschappen filologie en filosofie schenk ik van tijd tot tijd toch nog enige aandacht, bijna bij wijze van ontspanning.’140 Een voorbeeld van filologische recreatie is het lofdicht, dat hij op zijn leermeester Bertius maakte en dat bestemd was voor diens Tabularum Geographicarum libri quatuor, die voor het eerst in 1600 het licht zagen.141 Van meer ernstige aard was Vossius' filosofische activiteit. In 1598 had professor Molinaeus Leiden verlaten om naar Parijs te gaan. Hij had laten weten, dat hij zijn gepromoveerde leerling een zeer geschikte candidaat achtte om hem op te volgen als hoogleraar in de wijsgerige fysica. Ook regent Kuchlinus had graag gezien, dat zijn begaafde beschermeling op de universiteit zou gaan doceren. Het zou echter nog even duren, voor het zover was. Mogelijk heeft de ziekte van de docent in spe dit uitstel veroorzaakt. In elk geval werd Scaligers candidaat Aelius Everard Vorstius benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de fysica. Toen deze docent echter al in 1599 benoemd werd tot hoogleraar in de medische faculteit, kwam er weer een plaats vrij voor Vossius. Op 29 september van dat jaar kreeg deze verlof om in het openbaar college in de fysica te

[p. 53]

geven. Enige tijd later kregen Reinier de Bondt en de Schot John Murdison dezelfde toestemming. Het gaf natuurlijk wel wat moeilijkheden, dat nu drie docenten hetzelfde vak gaven. Begin november moesten de curatoren dan ook tussenbeide komen, omdat Vossius en De Bondt allebei begonnen waren, waar hun voorganger was opgehouden. De rector magnificus en de secretaris van curatoren kregen opdracht naar middelen te zoeken om de colleges beter te verdelen.142

Over de privatissima in de retorica die Vossius in diezelfde tijd heeft gegeven, is weinig te zeggen. We weten alleen, dat hij Aristoteles' werk over de welsprekendheid commentarieerde.143 Over zijn fysicacolleges zijn we echter bijzonder goed ingelicht, omdat de collegedictaten, door hem zelf geschreven, volledig zijn bewaard.144 Zij vormen een bundel van 19 katernen met elk vier vellen, geheel of gedeeltelijk beschreven, die telkens de stof van één college bevatten. De tekst van Aristoteles wordt eerst in het Grieks en dan in het Latijn gegeven, waarna de uitleg volgt, aangevuld door aantekeningen in de marge. Na een korte inleiding handelen de eerste twee colleges over de inwendige zintuigen fantasie en geheugen. Het derde college springt dan ineens over op een ander onderwerp, namelijk de beweging. In de maanden oktober, november en december gaf Vossius uitgebreid commentaar op het vijfde boek van Aristoteles' Φυσιиη 'Αиρоаσις, waarin allerlei begrippen als motus en quietudo, velocitas en tarditas, contiguum en continuum, punctum, interjectum, copulatio en unitas in den brede worden uitgelegd. We kunnen in de tekst telkens lezen, welk hoofdstuk of welke verzen behandeld zijn of, Deo iuvante lectione proxima, aan de orde zullen komen. Op het college van 15 december 1599, waarschijnlijk het laatste college vóór de kerstvakantie, wordt de uitleg van het vijfde boek besloten met de belofte de volgende colleges te zullen besteden aan Aristoteles' Μετεωρολογιиа. In de laatste vier colleges, die Vossius gaf in het theologisch auditorium om 8 uur 's morgens,145 wordt echter het onderwerp van de eerste twee colleges weer ter hand genomen en behandelt de lector Aristoteles';Περι μνημης иαι 'αναμνησεως, waarin weer de inwendige zintuigen worden besproken. De tekst van het

[p. 54]

laatste college, gegeven op 29 januari 1600, eindigt met een Griekse tekst: Alleen aan God alle eer! Op 7 februari van dat jaar besloten de curatoren van de universiteit het onderwijs in de fysica definitief te regelen: Murdison werd hoogleraar en De Bondt bleef voorlopig nog lector, terwijl Vossius voor zijn tijdelijke colleges werd vereerd met zijn eerste universitaire honorarium van 25 gulden.146

Toen zijn bursaal al enkele maanden college had gegeven, schreef Kuchlinus een enthousiaste brief naar de vroede vaderen van Dordrecht. De toen pas benoemde docent was nog steeds student en studeerde op kosten van genoemde stad, zodat de stedelijke regering daar recht had op een stem in het kapittel als het ging over de wetenschappelijke activiteiten van hun protégé. Deze brief is van belang, omdat zij enig licht werpt op Vossius' verdere plannen en ook enigszins laat zien, hoe anderen over hem dachten. Kuchlinus heeft graag zijn toestemming gegeven voor het geven van de fysicacolleges: Vossius kan zich nu oefenen en aan iedereen laten zien, wat hij in de wetenschap bereikt heeft. Kuchlinus wenst de Dordtse magistraat geluk met hun beschermeling. Hij geeft zijn colleges met opvallend succes en hij zou dit werk nog graag anderhalf of twee jaar voortzetten, om dan daarna zijn theologiestudie te voltooien. De jongeman in kwestie is voorbestemd om grote dingen te doen en hij geeft grote verwachtingen voor de toekomst, meer dan zijn medestudenten. Hij hoopt na zijn theologiestudie eenmaal God, de kerk en zijn Dordtse beschermheren tot eer te strekken. Met deze brief ging Vossius zelf naar Dordrecht en de hoge heren gaven hem te verstaan, dat zij het met de brief en dus met regent Kuchlinus volledig eens waren.147 Men kan de vraag stellen, wat Vossius' plannen nu precies waren. Uit de brief van de regent van het college zou men kunnen afleiden, dat hij predikant wilde worden: hij wilde immers zijn theologiestudie afmaken en dan de kerk dienen. Er zijn echter aanwijzingen, dat Vossius ook zuiver wetenschappelijke ambities koesterde. In elk geval hoopte Kuchlinus vurig op een professoraat voor zijn begaafde bursaal, een professoraat, dat een uitstekende recommandatie zou zijn voor het door hem tot bloei gebrachte college. Hij moest echter rekening houden met de gevoeligheden van de Dordtse magistraat, die het in Vossius geïnvesteerde kapitaal begrijpelijkerwijze graag rente zou zien afwerpen voor de eigen stad. In de brief wordt dan ook met geen woord gerept over een mogelijk professoraat. De studie die Vossius volgde, was zo breed van opzet, dat men daarmee alle kanten uit kon. In de praktijk van die tijd was het heel normaal, dat na zo'n opleiding totaal verschillende functies werden uitgeoefend. Mensen met een meer gerichte opleiding konden ook nog alle soorten van ambten bekleden in een tijd, dat

[p. 55]

eenzijdige specialisatie nog een onbekend begrip was. Waarschijnlijk had de jonge Vossius begrepen, dat kerk en staat op allerlei posten mensen nodig hadden met een zo breed mogelijke ontwikkeling, en was hij bereid zijn diensten aan te bieden waar die ook gevraagd zouden worden. De omstandigheden zouden hem al heel spoedig de weg wijzen die voor hem bestemd was.

Begin april 1600 kreeg Kuchlinus een brief van Hendrik van den Corput, predikant en curator van de Latijnse School te Dordrecht, waarin hem gevraagd werd Vossius zo spoedig mogelijk naar Dordrecht te laten vertrekken om daar het ambt van conrector aan de genoemde school op zich te nemen. Het ging niet zo best met de school de laatste jaren. Rector Marcellus en conrector Isaac van den Corput hadden de laatste tijd aan het hoofd van de school gestaan, maar zij hadden het niet eens kunnen worden over een aantal punten, zodat zij regelmatig met elkaar in conflict kwamen. Bovendien was het huwelijk van de rector met Agneta Pelgrom, door Vossius zo lyrisch bezongen, op een mislukking uitgelopen. De echtgenote van de waarschijnlijk niet zo gemakkelijke rector woonde, van haar man gescheiden, in Amsterdam. Het ligt voor de hand, dat die moeilijkheden de school geen goed deden. De kerkeraad stelde alles in het werk om de ruzie tussen de gebrouilleerde echtelieden bij te leggen, maar tevergeefs. Meer succes hadden de curatoren van de school bij hun poging rector en conrector met elkaar te verzoenen: de moeilijkheden werden uit de weg geruimd en de herstelde vrede werd met een feestelijke maaltijd onderstreept. In het najaar overleed echter conrector Van den Corput. Omdat Marcellus ziekelijk was hadden de Latijnse onderschoolmeester Josias Heins en meester Johannes Petrus Faes de feitelijke leiding van de school, daarin bijgestaan door de predikanten Johannes Dibbetz en Hendrik van den Corput, die samen ad interim het conrectoraat waarnamen. Een gewezen dominicaan, een zekere Christianus, bood zich aan voor de vakante plaats, maar deze candidaat vond geen genade in de ogen van de curatoren. Men probeerde Nicolaas van Dam, werkzaam in Den Briel en een man met schoolervaring, naar Dordrecht te laten komen, maar deze bedankte. Toen dacht men aan de bursaal in Leiden en men besloot de zaak voor te leggen aan regent Kuchlinus. Deze begreep wel, dat noch hij, noch Vossius konden weigeren de school in nood te helpen. Bovendien legden de curatoren sterk de nadruk op het voorlopige van het te aanvaarden conrectoraat. Zij beloofden, dat de voorgenomen reis langs een aantal buitenlandse universiteiten zonder meer door zou gaan. Dat was al een oud plan, reeds gemaakt vóór Vossius naar Leiden ging, dat nu meer concrete vormen begon aan te nemen. Het doel van deze studiereis was het leren van de Franse taal en het opdoen van wat meer ervaring door het bezoeken van andere landen en volken. In het reisplan waren opgenomen de hogeschool te Genève en universiteiten in Frankrijk en Duitsland. Deze reis zou beslist niet in gevaar komen, aldus de Dordtse heren,

[p. 56]

want zij bleven zoeken naar een conrector die al wat ouder was en dus meer gezag zou hebben dan een nog maar net afgestudeerde docent. Het zou ook wel prettig zijn een gehuwde conrector te hebben: men kon dan leerlingen van buiten de stad bij hem onderbrengen. Zowel Vossius als Kuchlinus maakten zich dus voorlopig weinig zorgen: de benoeming te Dordrecht zou weinig veranderen aan de gemaakte plannen en zelfs de mogelijkheid van een professoraat, waar Kuchlinus nog altijd aan dacht, was beslist niet uitgesloten.148

Men wilde in Dordrecht de zaak graag vóór het einde van de paasvakantie in orde hebben. De gebeurtenissen volgden elkaar dan ook bijzonder snel op. Op 4 april, dinsdag na Pasen, stuurde Van den Corput zijn brandbrief naar Leiden. Precies een week later was Vossius zelf in Dordrecht om de zaak met de heren te bespreken. Met een officieel verzoek, geschreven door stadssecretaris Van Eynde, kwam Vossius woensdag 12 april terug op het college. Omdat de regent zelf ziekelijk was, ging Bertius daags daarna direct naar Den Haag, want het ontslag van een bursaal tijdens de voorgeschreven studieperiode was een zaak die aan de curatoren van het Statencollege moest worden voorgelegd. Omdat president-curator Jan van Banckhem niet aanwezig was, besprak Bertius de kwestie met raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt en Cornelis de Rechtere, lid van Gecommitteerde Raden van Holland. Onder de officiële Dordtse oproep werd nu het positieve antwoord van de hoge Haagse heren geschreven. Intussen was men in Leiden al druk bezig met het klaar maken van de nodige papieren. Het getuigschrift van Kuchlinus en Bertius was al op 9 april klaargemaakt, evenals het getuigschrift van de senaat der universiteit. Het getuigschrift van de theologische faculteit moest nog op het laatste moment door Franciscus Junius worden ondertekend. ‘Dit alles alzoo gedaen zynde, is den voorsz. Vossius uyt den Collegie gescheyden den 14den Aprilis 1600.’149 Voorzien van uitstekende getuigschriften - de drie testimonia spreken zonder uitzondering vol lof over de ijver, de begaafdheid en de vroomheid van de veelbelovende jongeman - kwam Vossius dus vlak voor het einde van de vakantie in Dordrecht aan en kon hij direct aan het werk. Er was nog één punt, dat de heren in Dordrecht zorgen baarde: wat zou er gebeuren met het geld, dat bestemd was voor de ver-

[p. 57]

dere studie van Vossius? Om die zaak te regelen, zou de betrokkene zelf in augustus naar Leiden gaan, maar hij had het toen zo druk, dat Hendrik van den Corput een brief naar Kuchlinus schreef om hem te vragen de kwestie of te werken. De afloop van de affaire is mij niet bekend, maar waarschijnlijk is het geld wel terecht gekomen waar de Dordtse heren het wilden hebben. Kuchlinus en Bertius namen dit snelle vertrek echter te baat, om de curatoren van het college voor te stellen, een officiële Formula Dimissionis goed te keuren voor het geval nog meer bursalen vóór het einde van hun studie het college zouden gaan verlaten. Als argument gaven zij op, dat het een gelukkig teken was, dat steeds meer bursalen gingen vertrekken om een functie te gaan bekleden in kerk of schoo1.150

Vossius deed het intussen uitstekend in Dordrecht. Zijn broodheren waren uiterst tevreden en hebben waarschijnlijk niet zo erg veel moeite meer gedaan om een andere conrector te zoeken. Toen stierf rector Marcellus en de curatoren besloten Vossius het rectoraat aan te bieden, in de overtuiging dat zij daarmee voor de school een beslissing namen die volkomen verantwoord was en die voor de toekomst van het kwijnende onderwijsinstituut van beslissende betekenis zou zijn. De paar maanden dat de jonge conrector in Dordrecht gewerkt had, waren voldoende geweest om de instanties ervan te overtuigen, dat zij te doen hadden met een pedagoog van uitzonderlijke kwaliteiten. Vossius zelf was echter niet zo erg blij met deze overigens zeer vererende benoeming. Het reisplan was nu voorgoed van de baan. Hij nam de benoeming echter aan, zoals hijzelf schrijft in zijn autobiografie, om de kwaadwillenden alle aanleiding tot laster te ontnemen. Hij had tenslotte op kosten van de stad gestudeerd en hij meende, niet geheel ten onrechte, dat hij nu de geboden kans om zijn dankbaarheid te tonen moest aangrijpen. Er was wel erg snel een eind gekomen aan de betrekkelijk onbezorgde periode van zijn studententijd. Hij had op zijn 23e jaar een zware verantwoordelijkheid op zijn nag jonge schouders genomen. De jaren van studie moesten nu vrucht gaan dragen.151