Over-Ysselsche sangen en dichten


auteur: Jacobus Revius


editeur: W.A.P. Smit


bron: Jacobus Revius, Over-Ysselsche sangen en dichten, (ed. W.A.P. Smit). 2 delen, Uitgeversmaatschappij Holland, Amsterdam 1930 en 1935  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 183]
Parodia.
 
Ἡ γαῖα χριστὸν ἆἰνεῖ,
 
καὶ γῇ ἕπονται αὖραι,
 
καὶ ἡ θάλασσα δ' αὔραις,
 
ὁ δ' ἥλιος θάλασση,
 
τῷ δ' ἡλίῳ σελήνη.
 
τί μοι μάχεσθ' ἀλιτροὶ
 
χριστὸν θέλοντι αίνεῖν;
[p. 184]

Jacobi Revij
Over-Ysselsche sangen en dichten.
Tweede boeck.

Lof Jesu Christi.

 
Ghy die Permessi vloet gaet watersuchtich lecken,1
 
En suyselende droomt van Phoebus met sijn lier,
 
Cupido met zijn booch, Dione met haer vier,3
 
Comt siet wat soeter drift tot dichten my comt wecken.
5
Mijn Phoebus is de Son die t'edel hooft ging decken5
 
Met dorenen getackt in plaets van lauwerier,
 
Mijn Pegasus dien Geest die met een snel geswier7
 
Sijn vleugelen snee-wit quam over hem wtstrecken.
 
Mijn Cyrrha is het bloet daer met hy ons genas,9
10
Sijn dobbele natuyr mijn dobbele Parnas,10
 
Sijn rietstock mijne pen, sijn adem diese drijvet.11
 
Sijn leven ende doot zijn t'ongemeten stof
 
Van mijnen soeten sanck en zijnen groten lof
 
Die hier begonnen wort en namaels eeuwich blijvet.