|
|
|
| |
| | | |
| | | | | | | |
Jacobi Revij
Over-Ysselsche sangen en dichten.
Tweede boeck.
Lof Jesu Christi.
Ghy die Permessi vloet gaet watersuchtich lecken, 1
En suyselende droomt van Phoebus met sijn lier,
Cupido met zijn booch, Dione met haer vier, 3
Comt siet wat soeter drift tot dichten my comt wecken.
5
Mijn Phoebus is de Son die t'edel hooft ging decken 5
Met dorenen getackt in plaets van lauwerier,
Mijn Pegasus dien Geest die met een snel geswier 7
Sijn vleugelen snee-wit quam over hem wtstrecken.
Mijn Cyrrha is het bloet daer met hy ons genas, 9
10
Sijn dobbele natuyr mijn dobbele Parnas, 10
Sijn rietstock mijne pen, sijn adem diese drijvet. 11
Sijn leven ende doot zijn t'ongemeten stof
Van mijnen soeten sanck en zijnen groten lof
Die hier begonnen wort en namaels eeuwich blijvet.
|
1Permessi: de Permessus ontspringt op den Helicon, den berg der Muzen.
3Dione: Aphrodite (oorspronkelijk haar moeder).
5Phoebus: behalve de god van muziek en dichtkunst, ook de Zonnegod - de laurier (reg. 6) was hem gewijd.
7Pegasus: gevleugeld dichterpaard; dien Geest die enz.: cf. Matthaeus 3:16.
9Cyrrha: havenstad van Delphi, waar de bewoners van Krisa na de verwoesting van hun stad een toevlucht zochten.
10dobbele Parnas: de Parnassus, berg van Phoebus Apollo, was beroemd om zijn twee toppen.
11sijn rietstock: cf. Matthaeus 27:29.
|
|