Voorrede.
Door allerlei omstandigheden is dit tweede (en laatste) deel van mijn Revius-uitgave langer uitgebleven dan ik oorspronkelijk verwacht had. Meer dan vier jaren zijn er sinds de verschijning van ‘Het epos der Godsgeschiedenis’ verloopen. Een drukke leeraarstaak in Bandoeng bleef daarop natuurlijk niet zonder invloed. Maar evenzeer deed zich het feit gelden, dat de verzen uit dit laatste deel veelal historisch zijn, zoodat de annoteering daarvan juist in Indië groote moeilijkheden opleverde.
Dat ik deze moeilijkheden meestal - hoewel niet altijd - heb kunnen overwinnen, dank ik aan de hulp van zeer velen, zoowel uit Nederland als uit Indië, die mij op de meest voorkomende wijze de hun gevraagde mededeelingen en inlichtingen hebben verstrekt. Hen allen hier te noemen is ondoenlijk - zooals het ook niet steeds mogelijk was in de noten zelf hun naam te vermelden. Zij mogen zich echter zonder uitzondering verzekerd houden van mijn dankbaarheid voor hun steun, zonder welke de bewerking van deze uitgave in Indië niet mogelijk ware geweest.
Een uitzondering wil ik echter maken voor een viertal onder hen, dat aan mijn werk vele jaren lang zijn trouwe medewerking heeft verleend en voor mij als het ware de brug vormde met de vaderlandsche wetenschap. Ik heb er behoefte aan, dit hier openlijk te erkennen en er mijn oprechte erkentelijkheid voor uit te spreken. Het zijn Prof. Dr. J.W. Muller te Oestgeest, Dr. J.C. de Pater te 's Gravenhage, Dr. J. van Ham te Leiden en Mr. B. van 't Hoff, archivaris van Deventer en bibliothecaris der Athenaeum-bibliotheek aldaar.
Over mijn methode bij het rangschikken, herdrukken en annoteeren der verzen behoef ik hier niet uit te weiden; daarvoor kan ik verwijzen naar de voorrede van het eerste deel.1)