'De relatie tussen postposities en partikels'


auteur: H.C. van Riemsdijk


bron: Henk van Riemsdijk, ‘De relatie tussen postposities en partikels.’ In: Spektator 3 (1973-1974), p. 447-462.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 447]

De relatie tussen postposities en partikels.

Henk van Riemsdijk

Dit artikel gaat over woorden die in het algemeen worden aangeduid als voorzetsels (preposities, P's). Het blijkt dat deze voorzetsels soms echter nergens vóór worden gezet (intransitieve P's), en soms ook ergens áchter (postposities). Bovendien maakt zich van veel scheidbaar samengestelde werkwoorden dikwijls een deel los dat er ook uitziet als een voorzetsel. Dit deel wordt hieronder partikel genoemd. Met name de relatie tussen deze partikels en bepaalde postposities is moeilijk vast te stellen. Een groot aantal observaties lijkt tot de konklusie te leiden dat hun relatie van transformationele aard is. In dit artikel krijgen echter de observaties veel meer ruimte toegemeten dan de uitwerking van de transformationele relatie. (Red.)

 

Sinds het verschijnen van Jackendoff (1973) is het onderzoek naar de interne struktuur van prepositiekonstituenten (PP's) weer aktueel geworden1. De onderscheiden konfiguraties die Jackendoff binnen PP's heeft aangetoond komen ook in het Nederlands voor (Van Riemsdijk 1973b). Afgezien van een aantal kleinere verschillen in het specifikator- en komplement-systeem onderscheiden Nederlandse PP's zich van Engelse in één belangrijk opzicht: onder bepaalde omstandigheden kunnen ze postpositioneel zijn.

Allereerst zullen in sektie 1 een aantal belangrijke oppervlakte-vormen van PP's opgesomd worden als voorbereiding op sektie 2, waarin meer gedetailleerd bepaalde typen van postposities aan de orde komen.

1. Enige PP-strukturen

Globaal genomen vinden we de volgende typen PP's:



illustratie

[p. 448]



illustratie

[p. 449]

Enige toelichting is hier op zijn plaats. Merk om te beginnen op dat voornaamwoorden die betrekking hebben op bezielde (+ animate) entiteiten preposities selekteren, waartegenover-animate voornaamwoorden postposities selekteren, terwijl ze zelf ook een bijzondere vorm hebben. Deze zelfde vormen kunnen voornaamwoorden zijn die voor volledige plaatsaanduidende PP's staan (VIa). We krijgen dus het volgende schema:



illustratie

Het lijkt waarschijnlijk dat de pro-PP's er, ergens, hier en daar geanalyseerd moeten vorden als intransitieve P's (I)2. In dat geval zou het verschil tussen VIa en VIb komen te vervallen.

Merk verder op dat de postposities in IIIb alle beweging uitdrukken (Gruber 1965). Het omgekeerde geldt echter niet: bewegings-P's kunnen ook prepositioneel zijn. Er lijkt een tamelijk algemene regel te zijn dat PP's van beweging niet als komplementen van P's kunnen optreden.3 De afwezigheid van klasse IIIb in de typen V en VI is eerder een gevolg van deze beperkende regel dan van de strukturele eigenschappen van klasse IIIb. Dit wordt gesteund door het feit dat een prepositionele PP van beweging (bijv. uit het huis) evenmin als komplement van een P kan optreden4. Er wordt soms gesteld dat de postposities in de klassen IIIb en VIb geen postposities zijn, maar partikels. In sektie 2 zal ik deze stelling in detail onderzoeken. Alvorens dit centrale probleem aan te pakken echter zal ik de analyse van de typen I en VIII samenvatten.

 

Intransitieve P's.

De argumentatie voor het bestaan van intransitieve P's is ontleend aan

[p. 450]

Emonds (1970, 1971) en Jackendoff (1973). De argumenten kunnen als volgt op het Nederlands worden toegepast.

 

1. De meeste, zo niet alle, intransitieve P's zijn fonologisch identiek aan transitieve P's.

 

(1) Jan woont {boven}{boven de winkel}

 

(2) De auto staat {achter}{achter het huis}

 

2. Pal is een specifikator die alleen in PP's optreedt, vergelijkbaar met het Engelse right, dat ook een soortgelijke betekenis heeft. Pal kan echter, in tegenstelling tot right, niet zonder meer bij alle P's optreden. Maar gewoonlijk zijn de selektiebeperkingen voor transitieve en intransitieve P's gelijk:

 

(3) pal tegen pal tegen de wind

 

(4) *pal binnen *pal binnen het huis

 

3. Intransitieve P's komen voor in typische PP-posities als [NP -]NP V X en # - PP #

 

(5) De kamer {boven}{boven de winkel} is niet verwarmd.

 

(6)

a. Terug naar de gevangenis met die boef!

b. Terug met die rommel!

 

4. Het Nederlands kent een regel die sommige PP's verplaatst naar het eind van de zin (zinskomplementen in extrapositie niet meegerekend): PP over V (Koster 1973). Deze regel is ook van toepassing op sommige intransitieve P's5

 

(7) … omdat hij niet erg op zijn gemak zit {achter de stal}{achter}{daar}

 

5. Het werkwoord leggen selekteert verplicht een direkt objekt en een lokatieve PP. Intransitieve lokatiev PP's voldoen voor dit werkwoord ook.

 

(8) Ik heb de sokken {achter het ondergoed}{achter}{hier} gelegd.

[p. 451]

Partikels.

In de vijf hierboven gegeven argumenten werd geen partikel genoemd. In feite zijn er verschillende redenen om P's en PRT's van elkaar te onderscheiden:

 

1. PP OVER V is nooit van toepassing op PRT's.

 

(9)a. omdat hij niet over het tentamen in zit.

(9)b. *omdat hij niet over het tentamen zit in.

 

Daarbij kunnen PRT's niet getopikaliseerd worden terwijl PP's dat wel kunnen:

 

(10) *Op heeft hij mij gebeld.

 

2. De enige verplaatsing die een PRT kan ondergaan is (optionele) inkorporatie in het werkwoord. Dit blijkt, wanneer het werkwoord zelf door de transformatie PR (< *predicate raising, Evers 1973) verplaatst wordt. Intransitieve P's kunnen niet in het werkwoord geïnkorporeerd worden.

 

(11)

a. omdat hij mij op heeft proberen te bellen

b. omdat hij mij heeft proberen op te bellen

 

(12)

a. omdat hij beneden heeft proberen te bellen

b. *omdat hij heeft proberen beneden te bellen

 

3. In sommige gevallen is de a-zin duidelijk homoniem, terwijl in de b-zin alleen de partikel-lezing mogelijk is.

 

(13)

a. omdat hij voor schijnt te staan

b. omdat hij schijnt voor te staan

 

(13a) kan betekenen dat hij (bij voorbeeld de vuilnisbak) aan de voorkant staat, ofwel dat hij (bij voorbeeld de speler) een hogere score heeft. Een lezing als die laatste is de enig mogelijke in (13)b:

 

(14)

a. omdat de vuilnisemmer voor schijnt te staan

omdat Ajax voor schijnt te staan

b. *omdat de vuilnisemmer schijnt voor te staan

omdat Ajax schijnt voor te staan

 

4. Een laatste verschil tussen PRT's en intransitieve P's is dat de eerste niet, en de laatste wel een specifier bij zich kunnen krijgen:

 

(15) Jan heeft de wind pal tegen

 

(16) Piet is Jan gisteren (*pal) tegen gekomen.

[p. 452]

Vergelijk:

 

(17)

a. *omdat Jan de wind schijnt tegen te hebben

b. omdat Piet Jan gisteren schijnt te zijn tegen gekomen

 

Niettegenstaande deze vier verschillen, zijn er redenen om PRT's als P's te beschouwen. Ten eerste zijn de meeste PRT's fonologisch identiek aan een P. Ten tweede zijn er redenen om aan te nemen dat er in het Nederlands transitieve PRT's voorkomen; het komplement van het PRT is dan het voornaamwoord er. Er kan nooit vervangen worden door een volledig gespecificeerde NP. Het verschijnt meer naar links in de zin ten gevolge van er-PLACEMENT (zie Van Riemsdijk 1973a).

 

(18) Ze ziet er weer erg leuk uit vandaag.

 

(19) Ik geloof dat de trein er nu aan komt.

 

Het PRT zelf verschijnt in dezelfde positie als intransitieve PRT's en voldoet aan de hierboven genoemde criteria 1, 2 en 4. Het feit dat er geen gevallen van 3 te vinden zijn, kan toegeschreven worden aan het verhoudingsgewijze kleine aantal transitieve PRT's. Voorbeelden voor 1, 2 en 4 zijn:

 

(20)

a. *omdat ze weer erg leuk ziet eruit

b. omdat hij erg tevreden is ermee

 

(21) omdat ze er erg leuk schijnt uit te zien

 

(22) *omdat ze er erg leuk juist uit ziet

 

De beste, of tenminste de meest voor de hand liggende manier om PRT's als P's te analyseren, en toch de verschijnselen 1 - 4 te verantwoorden, lijkt te zijn om binnen de PP twee nivo's te onderscheiden, een voor de specifier en een voor de komplementen. Dit is precies wat Jackendoff (1973) voorstelt. We kunnen dan PRT's als P̄ analyseren, dat wil zeggen als P's waarnaast wel komplementen maar geen specifiers optreden. PP OVER V wordt gedefinieerd op P̿, waarmee (20) verklaard is. Inkorporatie in het werkwoord wordt gedefinieerd op het hoofd van een phrase (niet alleen P's maar ook kale N'en en A's, zie Van Riemsdijk 1973b).

De positie van PRT's is juist links van het werkwoord, zoals is aangegeven in de volgende (gesimplificeerde) expansie van de VP

 

(23)

 1   {PRED} 1 1 
VP → NP - PP - - P̄ -V
 0 0 {PP} 0 0 

De meest rechtse PP-positie in de VP is die van bewegings- of richtings-adverbia en indirekte objekten. De PP's van de klassen IIIb en VIb behoren bij de kategorie bewegingsadverbia. Bij afwezigheid van een PRT staan de

[p. 453]

postposities van deze kategorie dan ook direkt voor het werkwoord. Met andere woorden, in zekere zin gedragen ze zich als partikels. Inderdaad is in veel traditionele analyses aangenomen dat deze postposities partikels zijn. Hieronder zal getoond worden dat er voor zo'n aanname enige evidentie is. Zo kan een zin als (24) in essentie geanalyseerd worden als (25a) of (25b):

 

(24) omdat Jan de boom in klom

 

(25)

a. omdat Jan [[[ de boom ]NP [in]P]PP [klom]VVP

b. omdat Jan [[ de boom ]NP [in] [klom]V]VP

 

Meer schematisch voorgesteld: we moeten voor zulke konstrukties een keuze maken tussen de hypothesen A en B:



illustratie

Dit probleem zal ik in de volgende paragraaf in detail bespreken.

2. De analyse van bewegingsadverbia

De grammatikale verschijnselen die van invloed zijn op de keuze tussen A en B kunnen in twee groepen verdeeld worden. De eerste groep omvat verschijnselen die erop duiden dat A de korrekte analyse voor bewegingsadverbia weergeeft. De tweede groep omvat processen die een keuze tussen twee mogelijkheden lijken toe te staan, de ene overeenkomstig aan A en de andere aan B. Ik zal aan deze twee groepen refereren als aan eenduidige verschijnselen respektievelijk meerduidige verschijnselen.

A. Eenduidige verschijnselen

1. Ambiguïteit

Hierboven is al opgemerkt (zie (13)) dat zinnen ambigu kunnen zijn tussen een intransitieve P-lezing en een PRT-lezing. Evenzo kunnen er ambiguïteiten ontstaan tussen echte PRT-konstrukties die zonder twijfel struktuur B hebben en konstrukties met bewegingsadverbia. Bij voorbeeld:

 

(26) omdat Jan de vrachtwagen in reed

[p. 454]

(26) heeft een PRT-lezing als (27a) en een bewegingsadverbium-lezing als (27b).

 

(27)

a omdat Jan de vrachtwagen aan het in rijden was.

b omdat Jan de vrachtwagen in gereden was.

 

Het analyseren van het bewegingsadverbium als B zou betekenen: het opgeven van een voor de hand liggend middel om de twee lezingen struktu-reel te onderscheiden.

 

2. Subkategorisering

Bewegingswerkwoorden zijn gewoonlijk gesubkategoriseerd voor bewegingsadverbia. Neem de volgende zinnen:

 

(28)

a omdat hij naar het station loopt

b omdat hij het bos in loopt

c omdat hij onder de brug door loopt

d omdat hij door loopt

 

In (28a) en (28d) hebben we ongetwijfeld te maken met resp. een PP en een PRT. In (28b) en (28c) hebben we postpositionele bewegingsadverbia. Als deze gevallen geanalyseerd zouden worden als B, dan zou een werkwoord als lopen de volgende subkategorisering moeten krijgen:

 

(29)



illustratie

Dit zou eventueel kunnen worden afgekort tot (30).

 

(30)



illustratie

Maar (31) is niet mogelijk:

 

(31)



illustratie

aangezien lopen niet met alleen een NP kan voorkomen. Indien we echter van analyse A uitgaan, dan zou de subkategorisering heel eenvoudig worden:

 

(32) lopen [+V, + (PP) - (P̄)-]

[p. 455]

De meeste bewegingsadverbia hebben een soortgelijke subkategorisering. De B-analyse zou dan ook tot een aanzienlijke komplikatie en tot het verlies van generaliseringen in het lexikon leiden.

 

3. Postpositie + partikel.

(32) voorspelt dat een werkwoord een postpositioneel bewegingsadverbium kan krijgen en tegelijkertijd een partikel. Volgens analyse B is dit niet mogelijk, omdat er blijkens (23) maar één partikel gegenereerd kan worden in de dieptestruktuur. Maar in feite zijn er wel degelijk zulke gevallen:

 

(33) ? omdat hij absoluut de berg af {wilde mee rijden}{wilde mee rijden}

 

Het feit dat (33) niet helemaal akseptabel is kan gevoeglijk aan perceptuele faktoren worden toegeschreven, aangezien toepassing van PP OVER V de zin volledig grammatikaal maakt:

 

(34) omdat hij absoluut {mee wilde rijden}{wilde mee rijden} de berg af.

 

4. PP OVER V.

Alleen al het feit dat PP OVER V op postpositionele bewegingsadverbia kan worden toegepast, is een duidelijke aanwijzing voor de juistheid van A. PP OVER V is niet op echte partikel-konstrukties van toepassing:

 

(35)

a omdat Jan Piet op belt

b *omdat Jan belt Piet op

 

Indien bewegingsadverbia als B zouden worden geanalyseerd, dan zou een nieuwe regel nodig zijn om zinnen zoals (34) te verantwoorden. Bovendien zou deze regel erg onplausibel zijn, omdat hij een niet-konstituent zou moeten verplaatsen.

PP OVER V is nog in een ander opzicht interessant. Indien de bewegingsadverbia van klasse VIb als B geanalyseerd ozuden worden, d.w.z. als PP - P̄ - V, dan zou men verwachten, dat PP OVER V op de PP kan worden toegepast. Maar dit is niet het geval:

 

(36)

a omdat hij bij de tandarts vandaan opgebeld had

*omdat hij vandaan opgebeld had bij de tandarts

 

Bij een A-analyse zou dit volgen uit het A over A principe (vgl. Van Riemsdijk 1973a). Nochtans kan PP OVER V hier op de hele PP worden toegepast:

 

(37) omdat hij opgebeld had bij de tandarts vandaan

[p. 456]

5. Pronominalisering

Zoals boven reeds is vermeld worden niet-bezielde NP's verschillend gepronominaliseerd wanneer ze in een PP zijn ingebed. Klasse IIIa bevat een aantal voorbeelden. De hypotheses A en B maken verschillende claims met betrekking tot pronominalisering: onder hypothese A verwachten we pro-nominaliseringen van het PP-type, onder hypothese B verwachten we pro-nominaliseringen van het NP-type. De volgende zinnen laten zien dat we alleen PP-pronominaliseringen krijgen:

 

(38) Jan liep het huis in terwijl Piet {er}{*het} uit rende

 

(39) Skylab blijft de aarde rond draaien maar Kohoutek zal {er}{*haar} langs gaan.

 

6. Kontrastief niet en wel

Partikels kunnen nooit van het werkwoord gescheiden worden, behalve door andere werkwoorden, als een gevolg van PR en wanneer er geen inkorporatie heeft plaatsgevonden. Kontrastief niet en wel kunnen zowel aan de PP's die ze tegenover elkaar stellen voorafgaan als er op volgen. Als hypothese A juist zou zijn zouden we verwachten dat dit ook het geval is met postpositionele bewegingsadverbia. De postpositie wordt dan door niet of wel van het werkwoord gescheiden. Dit is inderdaad het geval.

 

(40)

a omdat hij de berg op wel maar de helling af niet wilde mee rijden

b omdat hij wel de berg op maar niet de helling af wilde mee rijden

c ? *omdat hij de berg wel op maar de helling niet af wilde mee rijden

 

(41)

a omdat hij bij zijn zuster vandaan niet maar bij de buren vandaan wel durfde op te bellen

b omdat hij niet bij zijn zuster vandaan maar wel bij de buren vandaan durfde op te bellen

c *omdat hij bij zijn zuster niet vandaan maar bij de buren wel vandaan durfde op te bellen

 

Partikels, hoe moeilijk ook in nevenschikkingen, kunnen in soortgelijke konstrukties voorkomen, maar niet en wel dienen er aan vooraf te gaan:

 

(42)

a *omdat Nederland varkens in wel maar koeien uit niet voert

b *omdat Nederland wel varkens in maar geen koeien uit voert

c ? omdat Nederland varkens wel in maar koeien niet uit voert

 

7. Inbedding in een NP.

PP's kunnen voorkomen in NP's (zoals in: de aankomst van de trein., de Chinese restaurants in Amsterdam enz.). Onder hypothese A verwachten

[p. 457]

we dat ook bewegingsadverbia voorkomen in NP's. En het is ook niet moeilijk hiervan voorbeelden te vinden.

 

(43)

a De weg de stad in was moeilijk te vinden.

b Die tippel de berg op was erg vermoeiend.

 

(44)

a Een telefoontje bij de tandarts vandaan bracht ons op de hoogte.

b Een schot dwars door de muur heen bracht de stand op 5-0.

 

Het is moeilijk voorstelbaar hoe een dergelijke konstruktie er met een partikel uit zou zien. Maar gevallen als de volgende zijn allemaal erg on-grammatikaal.

 

(45)

a *Dat gebel mij op moet nu maar eens afgelopen zijn.

b *Het rijden nieuwe auto's in is geen gemakkelijke zaak.

 

Sommige mensen vinden zinnen als (43) en (44) niet zo goed als overeenkomstige zinnen met preposities. Dit is waarschijnlijk een gevolg van een algemeen principe voorgesteld in Zwarts (1973). Dit principe komt er op neer dat de hoofden van komplementen van een phrase (afhankelijke hoofden) de neiging hebben zich zo te rangschikken dat ze zo dicht mogelijk bij het hoofd van de phrase (onafhankelijk hoofd). Met andere woorden: afhankelijke hoofden neigen ertoe zich rond het onafhankelijk hoofd te rangschikken.

 

8. De PP-PP konstruktie.

De PP-PP konstruktie, die hierboven al werd gebruikt als argument voor het bestaan van intransitieve preposities, kan ook dienen als test voor de PP-status van bewegingsadverbia met een postpositie. De volgende voorbeelden laten zien dat het resultaat van de test positief is:

 

(46)

a De gevangenis in met die boef!

b Het huis uit met die rommel!

c En nu achter de TV langs met die antenne!

 

Soortgelijke zinnen met een partikel kunnen niet gekonstrueerd worden.

B. Meerduidige verschijnselen.

1. Inkorporatie.

Het is al gezegd dat partikels geinkorporeerd kunnen worden in het werkwoord, hetgeen aangetoond kan worden in gevallen waarin PR is toegepast. Een tweede test is de transformatie Deelwoord-Verplaatsing, die toegepast is in de b-zinnen hieronder. De volgende voorbeelden laten zien dat bewe-

[p. 458]

gingspostposities zich in dit opzicht net zo gedragen als partikels6:

 

(47)

a omdat hij de tandarts {probeerde op te bellen}{op probeerde te bellen}

b omdat hij de tandarts {heeft op gebeld}{op heeft gebeld}

 

(48)

a omdat hij de boom {probeert in te klimmen}{in probeert te klimmen}

b omdat hij de boom {is in geklommen}{in is geklommen}

 

(49)

a omdat hij naar het verkeerde adres {scheen toe te gaan}{toe scheen te gaan}

b omdat hij naar het verkeerde adres {is toe gegaan}{toe is gegaan}

 

Het is duidelijk dat men, in de gevallen waarin de postpositie niet met het werkwoord mee is verplaatst, niet kan zien of hij in postpositie staat dan wel in de positie van een partikel.

 

2. Relativisatie.

De observatie dat pronomina die staan voor NP's met het kenmerk [-Ani-mate], er anders uitzien als ze van een PP deel uitmaken, gaat ook op voor betrekkelijke voornaamwoorden. Er zijn twee kategorieën betrekkelijke voornaamwoorden: d-woorden en w-woorden. De d-woorden staan voor onafhankelijke NP's (subjekten, objekten, indirekte objekten), terwijl de w-woorden staan voor NP's die ingebed zijn in een PP. NP's die staan in een adverbium met een postpositie, kunnen gerelativiseerd worden met behulp van zowel d-woorden als w-woorden:

 

(50) Dat is de boom {waar}{die} hij altijd in klimt

 

(51) De brug {waar}{die} ik altijd over rijd is ingestort.

 

Dat w-woorden hier mogelijk zijn pleit voor hypothese A, de mogelijkheid d-woorden te gebruiken voor hypothese B, aangezien de NP's in NP + PRT-konstrukties alleen gerelativiseerd kunnen worden met d-woorden:

 

(52) Het kadootje {dat}{*waar} hij in pakte had drie gulden gekost.

 

3. NP gescheiden van de postpositie.

PP's uit de klasse IIIb kunnen uit elkaar worden geplaatst. Adverbia kun-

[p. 459]

nen de NP scheiden van de postpositie, bv.

 

(53)

a omdat zij de boom op blote voeten in klommen.

b omdat zij op blote voeten de boom in klommen.

 

(54)

a omdat zij het huis na een grote ruzie uit ging.

b omdat zij na een grote ruzie het huis uit ging.

 

De a-zinnen passen duidelijk in hypothese B, terwijl de b-zinnen in dit opzicht neutraal zijn.

 

4. Focus-transformaties.

PP's kunnen worden getopikaliseerd, evenals bewegingsadverbia met een postpositie. Maar de postpositie kan ook worden achtergelaten, d.w.z. alleen de NP wordt getopikaliseerd. Dit laatste lijkt te wijzen op hypothese B. Bv.:

 

(55)

a Dat bos in gaan we al geruime tijd niet meer.

b Dat bos gaan we al geruime tijd niet meer in.

 

(56)

a Het huis uit ga ik op mijn leeftijd niet meer zo gemakkelijk.

b Het huis ga ik op mijn leeftijd niet meer zo gemakkelijk uit.

 

(57)

a Achter het huis langs kun je beter niet fietsen.

b Achter het huis kun je beter niet langs fietsen.

 

Soortgelijke feiten doen zich voor in cleft-zinnen.

C. Een oplossing

De eerste oplossing die ik onder ogen wil nemen is een basisstruktuur-oplossing. Deze zou erin bestaan zowel struktuur A als struktuur B te genereren als bron van bewegingsadverbia. Deze oplossing zou alle meerduidige verschijnselen verantwoorden. Maar ook de meeste eenduidige verschijnselen zijn ermee verenigbaar.

Er is ook enige onafhankelijke motivatie voor een basis-struktuur-benadering. Laten we eerst de gevallen van inkorporatie bekijken waarbij een echt partikel aanwezig is. In zulke gevallen kan de postpositie niet geïnkorporeerd worden:

 

(58)

a omdat hij de berg af mee wilde rijden.

b omdat hij de berg af wilde mee rijden.

c *omdat hij de berg wilde af mee rijden.

d *omdat hij de berg mee wilde af rijden.

 

Het is duidelijk dat bewegingsadverbia, als er een partikel aanwezig is in de dieptestruktuur, alleen kunnen worden gegenereerd als A, maar niet als B. Soortgelijke feiten doen zich voor bij de andere drie meerduidige verschijn-

[p. 460]

selen. Scheiding van NP en postpositie is niet mogelijk als er een partikel aanwezig is: (59). Topikalisatie van de NP is alleen mogelijk als er geen partikel aanwezig is: (60).

 

(59)

a omdat hij na veel gezeur de berg af mee reed

b * omdat hij de berg na veel gezeur af mee reed

 

(60)

a De berg op rijdt hij altijd mee.

b *De berg rijdt hij altijd op mee.

 

Bovendien is scheiding van NP en postpositie niet mogelijk in de aanwezigheid van een direkt objekt.

 

(61)

a omdat hij de fiets uiteindelijk de berg op duwde

b ? *omdat hij de fiets de berg uiteindelijk op duwde

 

Wat relativisatie betreft, zou men verwachten dat in de aanwezigheid van een partikel alleen w-woorden mogelijk zijn. Het blijkt waar dat d-woorden onmogelijk zijn, maar w-woorden zijn ook ongrammatikaal.

 

(62)

Dat is de berg {*die}{*waar} hij af mee wilde rijden.

 

Ik weet hiervoor geen verklaring.

De basisstruktuur-oplossing, hoe aantrekkelijk ook, kan de feiten met betekking tot ambiguïteit (A1), subkategorisatie (A2), en pronominalisatie (A5), niet verantwoorden. Deze feiten schijnen alleen door een transformationale benadering te kunnen worden verantwoord. De hypothese van struktuurbehoudendheid echter, (Emonds 1970), stelt ons in staat een transformationele oplossing te formuleren, waarbij niet alleen strukturen onaangetast blijven, maar evenzeer de voordelen van de basisstruktuur-benadering. Deze oplossing bestaat erin postpositionele bewegingsadverbia te genereren als PP's (A), en vereist twee transformaties om de meerduidige gegevens te verantwoorden: een struktuur-behoudende transformatie die een bewegings-postpositie brengt naar de (adjacente) partikel-positie - op voorwaarde dat die leeg is - en een struktuurbehoudende transformatie die een NP van een postpositioneel bewegingsadverbium verplaatst naar de plaats van het direkt objekt. Deze laatste transformatie kan alleen werken als de eerste is toegepast, of, meer algemeen geformuleerd, postposities kunnen alleen echt stranden als resultaat van r-woord verplaatsingen, waarbij r-woorden zijn: NP-pronomina in PP's (er, hier, daar, ergens, waar). Voorts gaat de verplaatsing van de postpositie naar de partikel-plaats vooraf aan inkorporatie, relativisatie en topikalisatie.

[p. 461]

D. Enkele konklusies.

Ik hoop er in bovenstaande analyse van postpositionele adverbia in geslaagd te zijn aan te tonen dat in het Nederlands oppervlakte-postposities niet alleen voorkomen met ‘onbezielde’ pronomina, maar ook met volledige komplementen. Ik zou willen stellen dat het geen verrassing hoeft te zijn als men ontdekt dat een taal die ergens tussen SVO en SOV inzit, een soortgelijke instabiliteit aan de dag legt waar het PP's betreft. Het is echter de vraag of we de sterkere claim kunnen maken dat de analyse van het Nederlands als onderliggende SOV-taal (vgl. Bach 1962, Bierwisch 1963, Emonds 1970, Koster 1974, Ross 1973) ons er ook toe zou moeten brengen het Nederlands een onderliggende postpositionele taal te noemen. Dit is uiteraard een bewering die voortvloeit uit de theorie van de bar-notatie (vgl. Chomsky 1970): als in de dieptestruktuur het hoofd van een VP na de komplementen ervan komt, dan doen de hoofden van andere phrases (NP, AP, PP) dat ook. Al wat ik tot dusver heb laten zien, is dat het niet om redenen van anti-abstraktheid uitgesloten hoeft te worden geacht dat er postposities worden gegenereerd door de basiskomponent.

Bibliografie

Anderson, S. & P. Kiparsky, (1973), A Festschrift for Morris Halle. New York.
Bach, E. (1962), ‘The order of elements in a transformational grammar of German’, Language 38, 3.
Bierwisch, M. (1963), Grammatik des deutschen Verbs, Berlin, DDR.
[p. 462]
Chomsky, N. (1970), ‘Remarks on nominalization’, in: Jacobs & Rosenbaum eds. Readings in English transformational grammar, Waltham, Mass.
Chomsky, N. (1973), ‘Conditions on transformations’, in: Anderson and Kiparsky eds.
Emonds, J.E. (1970), Root and structure preserving transformations, unp. Ph.D. Diss. MIT.
Emonds, J.E. (1972), ‘Evidence that Indirect Object Movement is a structure preserving rule’, Foundations of Language 8.4.
Gruber, J. (1965), Studies in lexical relations, unp. Ph.D. Diss. MIT
Jackendoff, R.S. (1973), ‘The base rules for prepositional phrases’, in Anderson & Kiparsky eds.
Koster, J. (1973), ‘PP over V en de theorie van J. Emonds’, in: Spektator 2. 5.
Koster, J. (1974), ‘Dutch as an SOV language’, to appear in: A. Kraak (ed.) Linguistics in the Netherlands, The Hague.
Riemsdijk, H.C. van (1973a ms), ‘A propos de l'extension du principe A sur A aux syntagmes prépositionnels’
Riemsdijk, H.C. van (1973b ms), ‘Aspekten van de syntaxis van de prepositiekonstituent in het Nederlands’
Ross, J.R. (1973) ‘The Penthouse Principle and the order of constituents’ in: You take the high node and I take the low node., CLS Chicago
Zwarts, F. (1973 ms), ‘On restricting phrase structure recursion in Dutch’.