|
|
|
| |
| | | | | |
De laatste middeleeuwer
Met het christendom verwierf West-Europa zich allereerst een moraal, een
ethisch ideaal van de verhouding van de mens tot God en tot zijn medemens,
dat hem voorlopig nog eeuwenlang als een veel te wijde mantel om de
schouders zou hangen. Meer dan een ééngodendom, dat nog altijd zoveel ruimte
liet voor de verheerlijking en het aanroepen van de Moeder, de Zoon en een
stoet van heiligen, markeert naar het mij voorkomt, het veld winnen van een
systematische moraal het christelijk tijdperk tegenover de heidense
voortijd.
De eerste christenen hadden in een overspannen verwachting van de nakende dag
des oordeels getracht volkomen ernst te maken met hun deugdideaal. Maar toen
het geloof aan vurigheid verloor wat het aan verbreiding won, werd het
ideaal gered door het buiten de wereld te stellen: zonder dat de
algemeengeldigheid van de christelijke moraal werd opgeheven, betekende het
ontstaan van het kloosterwezen toch de feitelijke erkenning dat een ernst
maken met de praktijk van die moraal slechts in afzondering mogelijk was.
Daarmee valt het middeleeuwse leven uiteen in een wereldlijk en een
geestelijk gebied, twee sferen, die niet afzijdig van elkaar liggen, maar
die steeds weer elkaar doordringen, ja dreigen te overwoekeren. Steeds weer
dringt de wereldse sfeer het klooster binnen, verslapt de tucht, wordt het
kloosterbezit object van de hebzucht van de adel en daarmee het geestelijk
doel ondergeschikt aan de economische eisen van het bedrijf dat
oorspronkelijk alleen bestemd was om de kloostergemeenschap in stand te
houden.
Maar omgekeerd zien wij ook, dat de kloosterhervormingen die sinds de 10de
eeuw als periodieke bewegingen optreden, een toenemende neiging vertonen om
ook in de wereld door te dringen: de jongere (bedel-) orden, de 13de-eeuwse
franciscanen en dominicanen, vestigden zich bij voorkeur in de steden en
wijdden zich aan onderwijs en prediking met het doel de geest in de wereld
te doen doordringen, maar daarmee stelden zij zich te meer aan de invloeden
van de wereld bloot. Voor de broederschappen des gemenen levens, op het
einde der 14de eeuw ontstaan, is de verwereldlijking der kloosters, ook en
zelfs in het bijzonder van de bedelorden, zo een afschrikwekkend voorbeeld,
de geestelijke nood van de leken in de verwarring van de tijd zo een
dwingend feit, dat zij zich aanvankelijk uitsluitend tot de leken richten en
de kloostergemeenschap verwerpen. Dat is zeker een van de gronden geweest
waarop de latere hervormde kerkhistorici de moderne devotie tot een
voorloper der hervorming hebben verklaard en haar stichter Geert of Gerrit Groote van Deventer
tot de Johannes de Doper van het protestantisme. Het recht daartoe kan men
hun moeilijk ontzeggen. De lijnen die zij getrokken hebben van de
middeleeuwse ketterijen, van waldenzen en katharen via het | | | |
beroep op de leken en het belang van het persoonlijk geloofsleven bij de
moderne devotie naar het individualistisch christendom van de grote
zestiende-eeuwse ketterijen is meer dan een historische constructie. Alleen
men zou verder kunnen gaan en in dat lijnenstelsel ook Sint-Franciscus
opnemen wie lang de kettermuts boven het hoofd hing en aan de andere kant
wijzen op een niet minder organische verbinding van de broederschappen met
Loyola om zo ongemerkt over te gaan op het lijnenstelsel der katholieke
kerkhistorici die met niet minder recht Geert Groote, de ketterjager,
opeisen als een gehoorzaam zoon van de voortdurend zich zelf gelijk
blijvende en zich van binnenuit regenererende moederkerk.
Een oplossing van historische tegenstellingen als deze doet gewoonlijk aan de
waarheid te kort, een verzoening ervan aan de diepzinnigheid en de waarheid
beide. Het dichtst benaderen we wel de historische werkelijkheid door met
onze overtuigingen ook onze onbevangenheid tegenover het verleden te bewaren
en het niet louter te zien als voorgeschiedenis van het ons verwante heden.
Het onmiskenbaar bestaan van Rijn, Waal en IJssel mag er ons niet toe
brengen drie soorten gletsjerijs in het Gotthardgebied te onderscheiden.
Wie onbevangen het leven poogt te overzien van de grote Deventenaar aan wie
én de reformatie én de contrareformatie ongetwijfeld veel te danken heeft,
ziet voor alles: de middeleeuwer. Daarom heeft noch de éne noch de andere
richting het recht hem bij uitsluiting als voorloper of baanbreker voor zich
op te eisen. Hij staat met zijn gezicht naar het verleden toegekeerd en in
zijn geest is niets van de kritische demonie van een Laurentius Valla of van
de consequente denkmoed van een Calvijn of een Descartes. Zijn
strijdbaarheid keert zich tegen verwording en bederf van het voor hem in
wezen onaantastbaar bestaande dat hij slechts zuiveren wil, niet verder
stuwen, want als een echte middeleeuwer kent hij het begrip ontwikkeling
niet. Wanneer niettemin zijn kortstondige activiteit later gezien kon worden
als uitgangspunt of althans belangrijke schakel in een ontwikkeling, die
zich niet tot de Nederlandse geestesgeschiedenis beperkt, dan moeten wij
daar andere oorzaken voor zoeken dan de oorspronkelijkheid van zijn ideeën.
Want in de weinige geschriften die van hem bewaard bleven - en het is wel
geen toeval dat het er zo weinig zijn - treft ons zelden of nooit een bewust
baanbrekende gedachte. Nieuw waren hoogstens de middelen die hij koos of die
zijn tijd hem oplegde ter verdediging van het oude en waarvan de kracht - en
het gevaar - pas zou blijken, toen ze in de handen van lateren zich
ontwikkelden tot de scherpste wapenen van de kerk - maar ook tegen de kerk.
Reeds door zijn afkomst scheen Geert Groote
bestemd tot verdediger van kerk en clerus. Hij werd geboren in een huis aan
de Brink te Deventer in oktober 1340 als zoon van de schepen en burgemeester
van de stad, Werner Groote. 1340 - dat wil zeggen midden in de Babylonische
ballingschap der pausen, treffend zinnebeeld van de daling van het
geestelijk gezag der kerk, overwoekerd als het was door de economische macht
- niet eens van de kerk zelf, maar van haar functionarissen.
‘Uit bisschoppen waren gewijde vorsten, uit wereldverzakende abten ge- | | | |

De oudst bekende afbeelding van Deventer, omstreeks 1550. Anonieme houtsnede. Museum De Waag, Deventer.
| | | | pantserde krijgers geworden. Vele bisschoppen hadden
het geestelijk gewaad afgelegd en verschenen gewoonlijk als landsheren in
pantser en harnas,’ zegt Grootes biograaf Karl
Grube en het is overbekend hoe de kerkelijke machtsposities en
inkomsten een voorwerp van hebzucht en intriges der heersende geslachten
waren geworden. Het grootgrondbezit der kerk met het onverbrekelijk daaraan
verbonden wereldlijk gezag, in de feodale maatschappij noodzakelijk
substraat voor haar geestelijke werkzaamheid, verliest met het veld winnen
van de geldhuishouding op het einde der middeleeuwen zijn redelijke zin en
wordt een doel in zich zelf. Het is begrijpelijk, dat het verzet tegen dit
overleefde stelsel, en in het bijzonder tegen de afdrachten die het opeiste,
het sterkst was bij de draagster van die nieuwe huishouding: de nijvere en
handeldrijvende burgerij in de groeiende steden en tot de felste conflicten
voerde daar, waar die steden in kerkelijk gebied lagen. Zulke steden waren
de Hanzecentra aan de IJssel: Deventer, Zwolle en Kampen.
Opmerkelijk nu in de voorgeschiedenis van Geert Groote is, dat zijn vader in
die strijd met overtuiging de kerkelijke partij koos: liever dan erin toe te
stemmen, dat het stadsbestuur de inkomsten van de kanunniken der
Lebuïnus-kerk aan zich trok, bedankte Werner Groote voor zijn
burgemeestersambt en kocht de verplichting af de stad verder in een
bestuursfunctie te dienen.
Wij mogen ook aannemen, dat het zijn vader was die de jonge Geert voor een
geleerdenleven bestemde, wat in die dagen nog vrijwel identiek was met de
geestelijke stand. Waarschijnlijk had hij, behalve in de Deventer
kapittelschool, ook reeds te Keulen en Aken onderwijs genoten, toen hij als
vijftienjarig student naar Parijs trok. Drie jaar later was hij magister artium (meester in de vrije kunsten), maar hij rekende
zijn studie daarmee niet voltooid, hij bleef te Parijs, nam deel aan de
academische disputaties, die toernooien der klerken. Ook weten wij dat hij
in deze jaren reeds ijverig boeken verzamelde, een liefhebberij die
toentertijd nog heel wat kostbaarder was dan nu en die op den duur zijn
enige weelde zou blijven: hij kocht ze van heinde en ver of liet ze voor
zich afschrijven. Toen zijn vader hem ten slotte terugriep naar Deventer,
ging zijn roep reeds voor hem uit, de roep van een grote en alzijdige
geleerdheid; en terecht, want hij beheerste behalve de beide rechten en de
theologie ook de geneeskunst en verscheidene talen, waarschijnlijk zelfs het
Hebreeuws, onderscheidde zich door grote kennis van de bijbel en de
kerkvaders die hem later in zijn preken zeer te pas zou komen en
liefhebberde in de astrologie en zelfs in de zwarte kunst. Veertien jaar
lang, van zijn twintigste tot zijn vierendertigste jaar leefde hij het leven
van een welgesteld en eerzuchtig geleerde. Behalve over zijn persoonlijk
vermogen beschikte hij als kanunnik van de St.-Maarten te Utrecht en van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Aken over twee
prebenden, die hem tweehonderd pond 's jaars opleverden. Hij doceert en
disputeert in Deventer, Aken, Utrecht en Keulen, hij bezoekt de pasgestichte
en snel tot bloei gekomen universiteit van Praag en, waarschijnlijk met een
zending van het Deventer stadsbestuur, het pauselijk hof te Avignon.
Volgens zijn latere levensbeschrijvers uit de kring der moderne devotie gaf
| | | | hij zich in deze tijd niet alleen aan de zonde der eerzucht
over, maar bewandelde hij in alle opzichten ‘de brede weg der wereld’ en
zelf heeft hij later van deze tijd getuigd met het bijbelwoord van Jeremia 2.20: ‘Onder iedere groene boom en op iedere
hoge heuvel heb ik gehoereerd.’
Bedenken we echter met welke strengheid de devoten alles wat ‘van de wereld’
was in het bijzonder in zich zelf veroordeelden, dan behoeven we ons van
Geert Grootes jeugdzonden geen al te zwart beeld te maken. Het is wellicht
ook geen toeval, dat hij zelf zijn zondig leven alleen met een bijbeltekst
van een verbolgen profeet aanduidt.
Gelijk in vele levens van grote bekeerlingen schijnen ook in zijn zondige
jaren de waarschuwingen niet ontbroken te hebben: een Praagse heremiet zou
hem hebben voorgehouden, dat hij hem in een visioen met vurige ketenen
gebonden had gezien, een Keuls boetprediker zou hem, toen hij bij het spel
toekeek verweten hebben: ‘Wat staat gij hier naar deze ijdele dingen te
zien? Gij moet een ander mens worden.’
Meer dan door deze woorden zou volgens zijn biograaf Rudolf Dier van Muiden zijn gemoed getroffen zijn door een
ernstige ziekte die hij in Deventer doormaakte. De priester die hem bezocht,
weigerde hem de genademiddelen der kerk, tenzij hij afstand deed van zekere
boeken over de zwarte kunst, die hij in zijn bezit had. Groote weigerde en
de priester vertrok, maar toen zijn eigen medisch inzicht hem het kritieke
van zijn toestand deed begrijpen, liet hij de doemwaardige geschriften op de
Brink verbranden. Hij ontving de sacramenten der stervenden - en genas.
Minder toevallig en minder legendarisch ook zijn de bekeringspogingen van
Hendrik van Calcar, de prior van het kartuizerklooster Munnikhuizen bij Arnhem. Van Calcar,
hoewel twaalf jaar ouder, had gelijk met Groote
aan de Parijse universiteit gestudeerd en van daar de herinnering behouden
aan zijn grote gaven die naar hij meende zich een waardiger doel moesten
stellen dan de roem dezer wereld. In 1374 maakte hij van een gelijktijdig
verblijf in Utrecht gebruik om Groote op te zoeken en dit onderhoud maakte
zo'n diepe indruk op de gevierde en rijke kanunnik, dat het op een volkomen
bekering uitliep. Hij keerde naar Deventer terug, nadat hij zijn Utrechtse
prebende had prijsgegeven. Ook het Akense gaf hij kort daarna op, sommigen
zeggen om Gods wil (dus ten bate der armen), anderen menen aan de paus. In
ieder geval wees hij het verzoek van vrienden af die er voor hun zoons
aanspraak op maakten, omdat hij niet anderen wilde bezwaren met wat hem zelf
niet nuttig was. Zijn huis aan de Bagijnenstraat te Deventer stond hij bij
akte van 20 september 1374 af aan arme lieden die daar een Gode welgevallig
leven wilden leiden op voorwaarde, dat hij er levenslang een paar vertrekken
van in gebruik kon houden, waar hij zich aan gebed, studie en hulpvaardige
omgang met zijn medemensen wilde wijden. Een aantal van zijn bewaard
gebleven brieven die in deze jaren gedateerd worden, bevatten uitvoerige
vertogen en rechtskundige adviezen aan lieden die zich blijkbaar tot hem om
raad gewend hadden.
In een bewaard gebleven geschriftje:
Conclusa et proposita, non vota, in nomine Domini a
magistro Gerardo edita
(Besluiten en voornemens, geen | | | | geloften, in de naam
des Heren door meester Geert opgesteld), moeten wij waarschijnlijk zijn
leefregel voor deze jaren zien in een aantal stichtelijke punten vastgelegd,
zoals dat later onder de broeders en zusters des gemenen levens algemeen
gebruikelijk werd. Voor hem voortaan geen wetenschappelijke titels en
academische disputen, weg met alles wat naar eer en bezit streeft. Een leven
van vasten en zelfverloochening houdt hij zich voor, studie van de bijbel en
de grote kerkvaders en het inzicht dat ‘de wetenschap aller wetenschappen is
te weten, dat men niets weet’. Opmerkelijk is, dat hij voor dit program
uitdrukkelijk de benaming ‘geloften’ afwijst. Zijn tot het uiterste toe
ernstig nemen van de geestelijke roeping en het beroep van geestelijke
evenzeer als zijn verontwaardiging over de wijze waarop beide voortdurend
ontwijd werden, deed hem nu en later de kloosterlijke verbintenis en
priesterlijke waardigheid nadrukkelijk afwijzen. Deze gedachte was niet
nieuw. In het middeleeuwse kerkelijke leven was het afwijzen en pas na
herhaald aandringen onder zuchten en tranen aanvaarden van een ambt een
gebruikelijke uiting van nederigheid.
De vernieuwing bij Groote steekt in zijn consequente en vooral praktische
toepassing van het beginsel. Was het twijfel aan de mogelijkheid van een
Gode gevallig leven in de wereld die er hem toe drijft in 1377 aan de poort
van Munnikhuizen te kloppen? Maar hij meldt er zich niet als novice, als
gast deelt hij bijna drie jaar lang het leven der monniken, de eenzaamheid
in de cel, de zwijgende handenarbeid, de strenge ascese van de enige orde
die, naar het algemeen getuigenis, niet door het bederf van de tijd was
aangetast. Het is hem niet genoeg: vastend en biddend brengt hij hele
nachten in geknielde of staande houding door, onder zijn pij op het blote
lijf gaat hij een ‘haren kleed, vol knoesten en knopen’ dragen, dat hij tot
zijn dood toe niet meer zou afleggen.
Het pleit voor de mensenkennis van Hendrik van Calcar en zijn monniken te
hebben begrepen, dat hier een kracht omhoog kwam, waaraan een ander doel
gesteld moest worden dan deze climax van zelfkastijding. Op hun raad liet
Groote die daartoe in zijn kloosterjaren de voorbereiding had doorgemaakt,
zich tot subdiaken wijden - de laagste geestelijke waardigheid, benodigd
voor het predikambt - en verkreeg op zijn verzoek van Floris van
Wevelinkhoven, de bisschop van Utrecht, volmacht om
‘in het gehele gebied der diocees het woord Gods en de gezonde leer der kerk
openlijk te prediken, zodat in geen dorp, vlek of stad binnen dat gebied een
pastoor of enig ander persoon hem ooit van het prediken van het woord Gods
zou kunnen afhouden, hem weren of op enigerlei wijze zich zou mogen
verstouten hem lastig te vallen’. Met andere woorden: hij kreeg dezelfde
volmacht, op grond waarvan al sinds anderhalve eeuw de bedelmonniken als
missiepredikers optraden.
Geert Groote vestigde zich nu weer in Deventer in de
Bagijnenstraat, niet echter in zijn oude huis. In een akte opgemaakt ‘op
saterdach nae sunte Margareten dach’ 1379 had hij zijn huis afgestaan als
verblijf voor een aantal jonkvrouwen die er zonder bindende gelofte, maar
tot gehoorzaamheid en kuisheid verplicht onder leiding van een jaarlijks
gekozen ‘meistersche’ zou- | | | |

Een charter uit 1384, waarin Geert Groote een huis te Zwolle overdraagt aan Florens Radewijnsz. en
Johan van der Gronde. Een der uithangende zegels is dat van Geert
Groote. Gemeentelijke Archiefdienst,
Zwolle.
| | | | den samen wonen. Zij zouden zich kleden als gewone
burgeressen zonder enige staatsie en aangezien niemand geld mocht inbrengen,
moeten leven van het werk harer handen. Verder werd haar slechts opgelegd de
sterfdag van meester Geerts ouders en grootouders van moederszijde te
gedenken en - na zijn overlijden - ook van hem zelf. Hiermee was het Meester
Geertshuis gesticht, dat het voorbeeld zou worden van een hele reeks van
zuster- en frater-huizen.
Geert Groote zelf betrok wel een nieuwe woning in
Deventer, maar bracht de drie volgende jaren grotendeels reizend en trekkend
door. Niet alleen in de IJsselsteden Deventer,
Zwolle, Kampen en
Zutphen deed hij zich telkens horen, maar ook
in Amersfoort, Amsterdam,
Haarlem, Leiden, Delft, Gouda en Utrecht. In Utrecht waar hij voor een vergadering van
geestelijken zijn felle rede tegen de focaristae (de in
concubinaat levende geestelijken) hield, sprak hij Latijn, anders gewoonlijk
in de volkstaal. Weldra ging zijn roep voor hem uit. Wanneer een van zijn
jongeren die hem op reis vergezelden - gewoonlijk was het Johannes Brinckerinck, die ‘hem gelijk Lucas Paulus
volgde’ - door middel van aanplakbiljetten had doen weten, waar en wanneer
meester Geert zou spreken, dan stroomde de hele bevolking zonder gedachte
voor verzuimd werk of maaltijd in de kerk en op het kerkhof eromheen samen,
luisterde gespannen twee, soms drie uur achtereen naar zijn boetprediking,
ja, wanneer er een tweede preek op dezelfde dag werd aangekondigd, bleven
velen wachten om hun plaats niet te verliezen, terwijl meester Geert biddend
en mediterend tussen de graven heen en weer liep. De knappe academische
disputant bleek een niet minder bekwaam volksredenaar te zijn. Steunend op
zijn veelomvattende kennis en zijn fenomenaal geheugen dat over een
onuitputtelijke voorraad bewijsplaatsen uit evangeliën en kerkvaders
beschikte, sprak hij improviserend; zoals Thomas van
Kempen vermeldt: af en toe het hij zijn blikken over zijn gehoor
dwalen en hij richtte zijn rede in en spitste zijn vermaningen toe al naar
de indruk die hij van de luisteraars kreeg. De temperamentvolle
strijdvaardigheid die hij vroeger alleen in het spel van het twistgesprek
had botgevierd, diende hem nu in zijn worsteling met wat hij als bij uitstek
de zonden van zijn eeuw zag: de onkuisheid, de hebzucht en de
ongerechtigheid en tegen de hemeltergende incarnaties daarvan onder de
geestelijken: de focaristae en proprietarii (geestelijken die in strijd met de orderegel, particulier
bezit hadden). De indruk die zijn preken maakten, kennen wij meer uit de
getuigenissen van zijn biografen dan uit het weinige, wat ervan in schrift
bleef vastgelegd. Het is niet alleen dat ons bij het lezen daarvan de vurige
toon van het gesproken woord ontgaat en de onmiddellijke indruk van het
levend voorbeeld: de rijke en begaafde man die afgevast en vergeestelijkt,
in schamele kleren gehuld, van stad tot stad trekt om eigen en anderer
zieleheil te redden en voor geen wereldse macht of aanzien uit de weg gaat.
Het is zelfs ook nu nog zeer goed mogelijk ons de moed voor te stellen van
de man die in de kapittelzaal te Utrecht een heel gehoor van aan wereldse
belangen gebonden hoge en lage geestelijken de krasse woorden van zijn
Sermo contra focaristas
toeslingerde: ‘Het is een zware en gruwelijke zonde, een mens van
wie men weet dat hij zedelijk niets | | | | waard is, tot de hogere
waardigheden te wijden en de zielszorg toe te vertrouwen. Wanneer men een
bisschop die de fouten van zulke mensen niet tracht te beteren, eerder een
vuile hond dan een bisschop zou moeten noemen, wat moet men dan zeggen van
de bisschop of priester die hun een ambt of waardigheid in de kerk verleent
en hun de zielszorg overlaat?’
Veel moeilijker valt het echter ons in de doelstelling van zijn preken en
leven in te denken. Dat doel was: het afsterven van de wereld,
zelfkastijding, uitgedrukt in het begrip, dat het hele streven der moderne
devotie samenvatte en de titel zou worden van een van de meest gelezen
boeken der wereldliteratuur, waarin dat streven werd vastgelegd: de
Navolging van Christus
, dat op naam van een van Grootes navolgers, Thomas van Kempen staat. Onder de tegenwoordige katholieke
geleerden wordt echter wel de mening verdedigd, dat het werk van Thomas van
Kempen in zijn kern niet anders zou zijn geweest dan een ouder geschrift van
Groote, bij het verder verspreiden waarvan zijn aanhangers niet geheel
toevallig de naam van de man die zich zoveel vijanden had gemaakt,
achterwege hadden gelaten. De 20ste-eeuwse christen, onverschillig van welke
kerk, zal ongetwijfeld met enig recht kunnen betogen, dat de navolging van
Christus voor hem nog evenzeer het fundament van zijn geloofsbelijdenis is
als voor Geert Groote. Toch komt het mij voor, dat er een wezenlijk verschil
is. Groote zelf vat de inhoud van zijn prediking in een brief aan een
leerling als volgt samen: ‘Wat ik altijd vrijwel overal preek is, dat we het
lijden van onze Heer Jezus Christus voortdurend voor de geest moeten hebben
en opnieuw doorleven en dat niet alleen in die zin dat we het door
overpeinzing voor ons oproepen, maar ook meer nog, dat we door overgegeven
navolging van zijn boete, smaad en smarten het geheel verwerkelijken.’
Met andere woorden voor Groote ligt het zwaartepunt van de navolging niet in
het deemoedig aanvaarden van het lot dat ons is opgelegd, maar in het zich
zelf opleggen van boetedoeningen en penitenties, ontzeggingen en
kastijdingen. De ware middeleeuwse christen was met Paulus indachtig, dat de
huwelijksgemeenschap op zijn best een noodzakelijk kwaad was dat ten bate
van het zieleheil liever vermeden moest worden, hij sliep op een handvol
stro of op de naakte planken van zijn krib, droeg schoenen zonder zolen en
gelapte kleren en daaronder een haren kleed of zelfs een ijzeren pantser en
geselde zich zelf en bij tijden ook zijn kinderen om de zonde in hen te
doden. Uitgangspunt van dit streven is de ‘goddelijke angst’, ‘de vreze des
Heren’, met andere woorden een veel directer relatie tussen zonde en straf,
ja, een veel primitievere godsvoorstelling als een bovennatuurlijke macht,
wiens toorn verzoend moet worden.
Psychologisch en historisch merkwaardig nu is de wijze waarop Groote - en hij
niet alleen - zich redelijk boven deze angstrelatie poogt te verheffen
zonder zich eraan te onttrekken. ‘Belediging, hoon, onrecht en smart moeten
voortdurend gedragen worden, hoofdzakelijk op drie gronden. Ten eerste uit
liefde en verering tot en navolging van Jesu Christi, zonder gedachte aan
verdienste en loon, want dan worden zij juist te rijker aan verdienste en
loon, wanneer zij niet als werk-om-loon, maar naar Christus’ voorbeeld
volbracht | | | | worden, met hem en door hem deemoedig de Vader
geofferd worden, niet alsof zij uit eigen kracht begonnen, verricht en
volbracht worden, maar veeleer door de verdiensten Christi. Ten tweede zijn
ze te aanvaarden uit liefde tot de goddelijke vruchten, gewin en beloningen
die, gelijk gezegd, ons rijkelijk toevloeien. Ten derde moeten wij lijden en
straf ons leven lang in heilzame boetvaardigheid op ons nemen uit liefde en
verlangen om de goddelijke rechtvaardigheid die wij in zo vele dingen zwaar
beledigd hebben, en die geen zonde onbestraft laat, genoegdoening te geven.
En dat helpt wonderbaarlijk tot delging van straf, omdat een kleinere straf,
in het bijzonder die welke God toelaat en over ons zendt, een grote straf in
het vagevuur waar wij gedwongen moeten lijden, kan delgen. Maar zij baten
meer, wanneer ze aanvaard worden om de goddelijke gerechtigheid en de
goddelijke wil te volvoeren, dan wanneer ze louter als delging van straf
gedragen worden.’
In deze hele uiteenzetting met zijn vele voorzichtig terugwijkende bijzinnen
zit een sterk rationeel element. In de burgerzoon uit de koopstad Deventer kiemt dezelfde zakelijk-redelijke geest die
elders, in de eerste plaats in Italië, met de opkomst der burgerij als
cultuurscheppende factor een omslag in het denken zou brengen. Maar het
blijft bij een kiem. Zijn verwerpen van het feitelijk heidense zoenoffer,
zoals hij het, mogen wij aannemen, in Munnikhuizen
tot het uiterste opgevoerd, had gebracht zonder daarin vrede te vinden,
voerde hem niet tot de stoute conclusies van een Laurentius Valla, wiens
praktische zin hem tot een regelrechte afbraak voert van alles wat hem in
dogmatiek en moraal verouderd aandoet, maar veeleer tot een vergeestelijking
van het offer. ‘Alle uiterlijke werken, als vasten, geselen, waken en veel
psalmen zingen en onze-vaders bidden,’ zegt hij elders, ‘lichamelijke
inspanning en een hard leger en een haren boetekleed, dat alles is slechts
goed en waardevol in zoverre het gerechtigheid, vrede en vreugde in de
Heilige geest geeft.’ Om de gedachte van het zoenoffer door zijn vrijwillig
aanvaard lijden als het ware te redden voor zijn eigen rationalistische
kritiek, vergeestelijkt hij het, maar ontneemt het daarmee zijn vast
omlijnde vorm, wat zich in zijn volgelingen zou wreken juist in een vaak
benepen vasthouden aan de letter van zijn voorschriften met miskenning van
de geest. Ja, ook in zijn eigen leven blijft er een onverzoende
tegenstelling tussen zijn preken van een vergeestelijkt geloof en zijn
vasthouden aan een formalistisch, zo niet fetisjistisch bezweren van de
toorn Gods. Het gaat hier niet om de gewone tegenstelling van hoog ideaal en
noodzakelijk onvolmaakte verwerkelijking, want zelden zal men met minder
recht iemand kunnen verwijten, dat hij geen praktische ernst maakte met de
zeer zware normen die hij zich zelf en anderen oplegde en het is niet
moeilijk de drift en de toorn van deze geboren polemicus met de christelijke
liefde te rijmen. Maar er is een innerlijke spanning in deze man tussen wat
wij achteraf als de middeleeuwer en de moderne mens kunnen onderscheiden en
waarbij de middeleeuwer altijd de overhand houdt, waarbij het
formalistisch-irrationele geloof, geworteld in de vrees Gods, in de angst
voor de helse verschrikkingen waarvoor hij niet aflaat zijn gehoor te doen
sidderen, het rationalisme tot zijn dienst dwingt. In zoverre kunnen de
jezuïeten in hem met meer recht hun voorganger zien dan de hervormers.
| | | |
Een stadsrekening van de Deventer ‘cameraar’ Johan Haderslief uit
het jaar 1366, waarin een bedrag van zeven stuivers verantwoord wordt
voor het bezorgen van een brief aan Geert Groote, die dan te Avignon
verblijft. Gemeentelijke Archiefdienst,
Deventer.
| | | |
Middeleeuwer is Geert Groote in zijn neiging tot symbolisch vastleggen van de
deugd - die voor het moderne begrip zo vaak de deugd opheft. Theoretisch had
hij dat ingezien van zelfkastijding en boetedoening. Hij was bovendien een
veel te reëel psycholoog om niet te weten, dat de één op dit punt veel
minder verdroeg dan de ander zonder daarmee een verwerpelijk mens te zijn.
Vandaar zijn menskundige brieven aan de twijfelende novice die hem
herhaaldelijk om raad vroeg: ‘Slaap goed - zeven à acht uur. Eet genoeg.
Overspan je niet. Keur je fouten af zonder je erdoor te laten beangstigen.
Verdiep je niet in de duivelse fantasieën die zich aan je opdringen. Tracht
niet ze te ontleden om ze aan je biechtvader te kunnen omschrijven, biecht
ze dan maar liever niet. Wie met pek omgaat wordt ermee besmet.’
Hij predikt de soberheid van leken en geestelijken, maar in de eerste plaats
voor hen die immers de gelofte van apostolische armoede hebben afgelegd. Van
hen is ieder bezit in zijn ogen: ‘een steen des aanstoots en een rots der
ergernis, een openbare duivelarij, overal voorkomend en zeer
verschrikkelijk’. Fel en grimmig vervolgt hij de proprietarii, de geestelijken die persoonlijk bezit hebben, de
kloosters die toelaten, dat de zoons en dochters der welgestelden die
nergens anders onderdak kunnen, worden ingekocht in hun gemeenschap en er
als heren en dames voortleven. Dreigend en in plastische taal houdt hij de
proprietarii de helse straffen voor en het vreselijk
lot van de monnik Justus die op zijn sterfbed bekende drie goudguldens te
bezitten; men liet hem zonder geestelijke hulp in eenzaamheid sterven en
wierp zijn lijk met zijn goudguldens in een kuil in de mesthoop met de
sombere kreet: uw geld ga met u ten verderve! In zijn verhalen zowel als in
zijn leven kon hij geen afstand doen van deze krasse symbolen: hij liep rond
in een gelapte pels ‘waar een boer zich voor zou schamen’, hij at niet
alleen eenvoudig door hem zelf gekookt eten, maar ook aangebrande,
beschimmelde en bedorven of met as bestrooide spijzen. In een mandje dat
onder aan zijn tafel hing, vond hij meestal met een greep voldoende om zijn
honger te stillen. Zijn kookkunst beperkte zich tot erwten met een haring
erin, zijn tafelservies tot een bordje dat hij ééns per week waste, voor
tussentijdse reiniging zorgde - de kat. Ook zijn strenge eisen van kuisheid
en deemoed hechtten zich vast aan het symbool: hij duldde geen vrouw in zijn
nabijheid. Wanneer de vrouwen uit het Meester-Geertshuis hem iets moesten
overreiken, gebeurde dat door middel van een kleprad, moesten zij iets met
hem bepraten, dan werd het aan weerszijden van een gesloten en met gordijnen
behangen venster - beschreeuwd. En tegen een vriend die dat wat overdreven
leek, zei hij: ‘Als het mogelijk was zou ik ook nog mijn oren dichtstoppen
om haar stem niet te horen.’ In gezelschap van vrienden gaat hij op de grond
zitten: ‘Ik ben niet waardig met jullie op de bank te zitten, daar ik meer
dan allen gezondigd en God beledigd heb.’ En in een van zijn brieven
omschrijft hij de ware deemoed als volgt: ‘zonder dank, onbekend, zonder
hoop op vergelding de naaste weldoen; tegen vijand en vervolger in geen
enkel opzicht zelfs in geen gebaar of woord zich wraakgierig tonen, verder
als men iets kan, de schijn aannemen van het niet te kunnen, alle smart,
straf en zwakheid zonder klacht, zonder er blijk van te geven, zonder morren
te dragen, zijn goede daden te | | | | verbergen, zijn fouten openlijk
te bekennen, zich onwetend en gering te achten ook in die dingen waarin men
voor den dag kan komen.’
Wij zullen verderop zien, dat Geert Groote
gelukkig in de korte jaren van zijn strijdbare daadwerkelijkheid zich door
dit wat verwrongen deugdideaal er niet van heeft laten afhouden zijn
vijanden in het nauw te drijven met al de kennis en het zelfvertrouwen,
waarover hij beschikte. Maar in de serene sfeer der boekafschrijvende
broeder- en zusterhuizen en in de daaruit voortgekomen kloosters der Windesheimer congregatie moest deze leer wel
verstarren in zijn symboliek, de beoefening der deugd, al te nauw gekoppeld
als ze was aan hemelse beloning en straf, uitlopen op een enghartige
naijver, bedilzucht en zelfkwelling, de deemoed op een geperverteerde
eerzucht, de kuisheid in een verdoeming van de natuur in zich zelf en een
ziekelijke, zo niet belachelijke schuwheid voor het andere geslacht, een op
de spits drijven van de echt middeleeuwse - alweer uit vrees geboren -
vrouwenhaat. De treffendste staaltjes daarvan zijn ons als ‘goede exempelen’
opgetekend: de zusters en broeders streefden elkaar voorbij in ‘versmaadheid
en verkleining’, legden zich toe op het ‘stelen van ootmoedige werken’
(heimelijk elkanders vuile werk doen) of het verrichten van zware arbeid met
ondeugdelijk gereedschap. Zij lieten hun kleren en schoenen opzettelijk zo
lomp en grof mogelijk maken en droegen bij voorkeur ‘snode kleren’, waarom
men hen op straat nawees of voor dwaas hield; aan tafel streed men om de
slechtste brokken, ja, er waren er die bij voorkeur afval aten; bij wijze
van oefening werden opzettelijk onrechtvaardige straffen opgelegd; men ging
alleen uit noodzaak de straat op en dan steeds met neergeslagen ogen; de
geestelijken die met de zielszorg der zusters belast waren, verrichtten hun
diensten met de rug naar haar toegekeerd, ja men verhaalt van een prior die
de broeders verbood bagijnenkoekjes (een soort hoestballetjes) van de
zusters te ontvangen en ze onder zijn voeten vertrapte, omdat naam en
herkomst ervan verdacht waren!
Nee, niet in zijn leer, die trouwens geen nieuwe leer was, maar een
welsprekende formulering van de verhouding van de mens tot God en de duivel,
zoals de middeleeuwer die zag, ligt het zwaartepunt van Grootes
werkzaamheid. Nieuw was het rationalisme in de methode, volgens welke hij
die leer in praktijk bracht en verdedigde en het is geen toeval dat juist
die methode hem in conflict bracht met de bestaande kerkelijke instellingen.
Er bestond - we wezen er al eerder op - in Grootes tijd een latente, en
telkens uitbarstende, tegenstelling tussen de kerk en de burgerlijke
bevolking der steden, waarvan we de oorsprong moeten zoeken in de
verouderde, feodale huishouding van de kerk. Uit de vroege middeleeuwen,
toen er weinig geld in omloop was, dateerde het gebruik ambten en diensten
te belonen met de opbrengst - in geld of in natura - van landerijen,
bedrijven of andere rendabele instellingen. Dat werd ook ten aanzien van
kerkelijke functies toegepast: de geestelijken leefden van de opbrengsten
van de zogenaamde prebenden. Met de eigenaardige starheid van het
middeleeuwse leven hechtten deze prebenden zich aan bepaalde ambten die
echter vaak de daadwerkelijke inhoud die een beloning rechtvaardigde,
verloren of vaak ook nooit bezeten hadden. Het werden vette kluifjes ter
verdeling aan gunstelingen. En met de toenemende wel- | | | | vaart in de
opkomende handelssteden werden die kluifjes er niet magerder op, maar de
burgers die zich niet ten onrechte de dragers en werkdadige inbrengers van
die welvaart voelden, zagen met lede ogen hoeveel daarvan in de zakken der
geestelijkheid vloeide. Vandaar de conflicten waarin, gelijk hierboven
vermeld, Grootes vader betrokken was en die een van de vele
verschijningsvormen waren waaronder dezelfde tegenstelling overal in
West-Europa in de late middeleeuwen zich deed gelden. En zoals gewoonlijk in
zulke conflicten beperkte de strijd zich niet tot een zakelijk geschil over
bepaalde inkomsten, maar viel samen met morele kritiek op het leven der
geestelijken en ook wel met principiële afwijkingen van de leer der kerk,
die mét haar dienaren aan gezag verloren had. Geert Groote nu, voor wie de
onaantastbare kerkleer boven alles heilig was - niet voor niets geniet hij
een reputatie als ‘ketterhamer’ - sloeg met zijn tactiek de mokkende
burgerij de wapens uit de hand: zijn frater- en zusterhuizen met hun
werkdadigheid, hun afkeer van de feodaal getinte plechtige gelofte en het
geestelijk gewaad zijn geheel op de meer rationele moraal der burgerij
gebouwd.
En een soortgelijke rationalisering, een praktisch-zakelijke toon valt er
ondanks zijn volkomen orthodox standpunt in zijn polemieken te beluisteren.
Groote had jarenlang deelgenomen aan de geleerde twistgesprekken die in de
middeleeuwen het hoogtepunt van het universitaire leven vormden,
woordtoernooien, waarbij de bewijsplaatsen lans en zwaard en schild
vervingen, maar die met dezelfde hartstocht als de gewapende, met de
hartstocht van het spel werden uitgevochten. Groote is een veel te reële
geest om, wanneer hij na zijn bekering zich vol walging van deze kermis der
ijdelheid afwendt, ook afstand te doen van het arsenaal van argumenten dat
deze scholing hem verschaft had, maar dezelfde praktische instelling leert
hem, dat hij daarmee niet kan volstaan. Zoals in de Guldensporenslag de
burgers van Gent met knotsen gewapend de geharnaste
ridders te lijf gingen - en versloegen, zo grijpt de burgerlijke geest in
zijn strijd tegen de door de spelregels bepaalde wapenen der scholastiek
naar het oud-nieuwe verweer van het gezond verstand.
Welnu, ook deze goedendag zwaait Groote tegen zijn vijanden. Welke vijanden?
In de eerste plaats de grote ‘Viant’ zelf, de duivel die hij overal op de
loer ziet om de zielen ten verderve te voeren. Daartegen helpt - het moet
alweer zijn praktische zin geweest zijn die het hem ingaf - irrationele
vrees meer dan rationele redenering. Steeds weer verdiept hij zich met zijn
hoorders in de schrille gruwelen van dood en hel. Tekenend in dat opzicht is
het verhaal van zijn bezoek aan de grote prior van Groenendaal (bij Brussel) Johannes Ruusbroec die hij hogelijk bewonderde,
maar wiens bespiegelend leven toch een gevaarlijke trek leek in de ogen van
de man voor wie het voor alles ‘heylich is van den handen te leven’. Zelfs
aan Ruusbroec meent hij in drastische taal de verschrikkingen der hel te
moeten voorhouden, maar de blijmoedige mysticus antwoordt hem rustig:
‘Meester Geert, weet voorzeker, ik word alsnog door geen vrees bekommerd;
maar zie, ik ben volkomen bereid alles te ondergaan, wat de Heer besloten
heeft dat met mij geschieden moet, hetzij bij mijn leven, hetzij na mijn
dood.’
| | | |
Een kopie - circa anderhalve eeuw na de stichting geschreven - van
de ‘ordonnancien van meister Geerds des Groten huys’. Gemeentelijke Archiefdienst, Deventer.
| | | |
Maar toch ook een praktisch verweermiddel tegen de aanvechtingen van de boze
zag hij in een redelijke, zakelijke, soms al te zakelijke argumentatie. We
zagen het uit zijn brieven aan de twijfelende novice. We zien het uit zijn
betoog - in briefvorm alweer -
De locatione Ecclesiarum
(over het verpachten der pastoorsplaatsen), dat hij als zware
simonie, als ongeloof, ketterij, ja zelfs afgoderij, als de grootste
verachting van God en de heilige sacramenten brandmerkt. Niet zijn elders
genoegzaam gebleken grote kennis van het kerkrecht is hier zijn sterkste
wapen, maar een uitleg van het wezen en een beroep op de hoogheid van het
priesterschap. We zien het uit zijn traktaat over de nadelen van het
huwelijk, waarschijnlijk een brief aan een man van middelbare leeftijd die
besloten had zijn aan God gewijd leven voor een huwelijk op te geven.
Natuurlijk beroept hij zich op Paulus en anderen om de man te betogen, welke
grote waarden in het hiernamaals hij ter wille van deze aardse gebondenheid
dreigt te verliezen, maar Catsiaans nuchter rekent hij hem ook zijn schrale
kansen op geluk in deze wereld voor of ondermijnt hij de voordelen die de
ander mogelijk ziet: ‘Als je het je plicht acht kinderen tot goede
christenen op te voeden, neem er dan een paar aan, er zijn genoeg
verwaarloosde wezen van de ondergang te redden.’
Als rondtrekkend boetprediker die steunend op zijn groot intellectueel en
moreel gezag in alle steden van de diocese de zonde én de zondaars zonder
aanzien des persoons aanviel en hen tot bekering maande, ontbrak het hem ook
niet aan menselijke vijanden - en de meeste daarvan waren machtsdragers der
kerk die hij zo vurig verdedigde! Wel was hij erop bedacht het persoonlijke
element zoveel mogelijk uit zijn boeteprediking te weren. Aan een priester
die zich door persoonlijke aanvallen vijanden gemaakt had, raadt hij zijn
gedachten liever in aanhalingen uit de bijbel en de kerkvaders in te kleden.
‘Dat doe ik ook, omdat ik geloof, dat mij nog wel eens hetzelfde zal
gebeuren als jou.’ Niet minder praktisch is zijn raad aan zich zelf en
anderen: ‘Houdt steeds de vrucht van de terechtwijzing als doel voor ogen.’
Maar dit wijze inzicht kon het felle temperament van de Rechtvaardige
evenmin onderdrukken als zijn oefeningen in zelftucht en ascese dat hadden
gedaan. En bovendien, hoe diplomatiek ook ingekleed, aan de zin van de
woorden die hij tegenover vergaderingen van leken en geestelijken in de mond
nam viel niet te twijfelen. Wie de schoen paste, trok hem aan - en schopte
ermee. Groote maakte zich geen illusies en
wapende zich. Wij kennen zijn boekenhartstocht al uit zijn Parijse tijd.
Sinds zijn bekering verwierp hij dit werelds en hebzuchtig streven - in
theorie. In een brief aan Ruusbroec noemt hij zich zelf: ‘een nietsnut,
altijd praatziek, altijd hebzuchtig en steeds begerig naar boeken’. Maar
gelukkig vindt ook het nauwlettendste geweten de middelen om zijn
hartstochten te kanaliseren en ze daarmee te rechtvaardigen. Groote bleef
boeken verzamelen, ja men mag wel zeggen jacht maken op boeken. In zijn
briefwisseling vinden wij al de trekken van de verwoede verzamelaar: links
en rechts geeft hij opdrachten tot aankoop en afschrijven, hij is bovenmatig
royaal tegenover de man die voor hem de hand heeft kunnen leggen op een
zeldzaam exemplaar en betaalt boven de gevraagde prijs, maar hij wordt
rechtuit venijnig, wanneer iemand hem de boeken en perkamenten niet te- | | | | rugbezorgt die hij zich verplicht acht ter wille van de goede
zaak, maar ik zou bijna zeggen tegen zijn natuur in, aan ieder ter lezing of
afschrijving uit te lenen.
Het was ten dele zeker Grootes boekenliefde die de hoofdwerkzaamheid der
latere fraterhuizen bepaalde en de bewoners tot de broeders van de penne
(met de door hun muts gestoken pen) maakte. De vaak arme jongelieden die aan
de Deventer kapittelschool voor de lagere
kerkelijke ambten werden opgeleid, liet hij een duitje verdienen met
afschrijven, eerst voor hem zelf, toen ook op bestelling van anderen en voor
de handel. Hij toonde daarbij een zorg voor de eenvoudige en onversierde
zuiverheid van schrift en tekst die ons aan Erasmus' latere hartstocht op dit punt doet denken, maar hij zou
Geert Groote niet geweest zijn, als hij deze betrekkingen met de jonge
klerken niet nog op andere wijze benut had. Hij liet hen het werk in kleine
porties afleveren om vaak gelegenheid te hebben tot een stichtelijk gesprek
en zo ontstond geleidelijk een band waaruit de eerste fratergemeenschap
geboren zou worden. De stoot daartoe gaf Florens
Radewijnsz., een welgesteld en geleerd man die om in Grootes
nabijheid te leven zijn prebende als kanunnik van Sint-Pieter te Utrecht had opgegeven om vicaris van de Deventer kerk
te worden. Hij zou een keer bij Groote gekomen zijn met de woorden: ‘Lieve
meester, wat zou het schaden, zo ik en deze schrijvende klerken van goeden
wille datgene wat wij wekelijks hebben te verteren, bijeenlegden, en er met
elkander van leefden?’ ‘Met elkander, met elkander,’ antwoordde Groote, ‘dat
zullen de bedelmonniken volstrekt niet verdragen, maar zij zullen het uit al
hun kracht trachten tegen te gaan.’ Maar toen Florens volhield: ‘Wat zou het
evenwel schaden, als wij het eens begonnen? Misschien zou God het ons wel
doen gelukken,’ antwoordde de meester na enig denken: ‘In naam van God
begint. Ik zal uw trouwe verdediger en beschermer zijn tegen allen die
zullen trachten tegen u op te staan en u in uw voornemen te verhinderen.’
Het voortdurend bedacht zijn op verweer dat uit die laatste woorden spreekt,
rechtvaardigde Grootes bibliotheekbezit niet minder dan de werkverschaffing
aan de Deventer klerken. ‘Ofschoon de boeken weinig bijdragen tot een goed
leven, moet ik ze tot onderricht van anderen en tot verdediging van de
waarheid bij me hebben, opdat zij die mij mogelijk niet geloven, zich zullen
neerleggen bij de autoriteit der heiligen,’ schrijft hij in een van zijn
brieven. Men moet daarbij bedenken, dat het boek in de middeleeuwen niet
alleen het gezag van zijn zeldzaamheidswaarde had, maar dat ook de magische
waarde van het woord en zeker van het woord van een heilig of beroemd man,
zoveel groter was in een tijd, waarin het betoog niet op waarneming en
innerlijke logica, maar vóór alles op bewijsplaatsen werd gebouwd. Vandaar
dat een praktische kop als Geert Groote, ondanks zijn afkeer van de
academische scholastiek en zijn geneigdheid om een beroep op gezond verstand
en persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel te doen, toch, juist alweer uit
nuchter-doelmatige overweging, zich een waar arsenaal van schrifturen
aanlegde. Hij bracht dat alles in zijn huis te Deventer bijeen, niet alleen
om erin te lezen, om er zijn preken uit samen te stellen, of om daaruit zijn
gasten | | | | in de vorm van een collatie een kleine vergoeding aan te
bieden voor het al te schamele maal dat hij hun voorzette. Maar hij nam ook
altijd als hij ter prediking uittrok, een zorgvuldig gekozen boekenvoorraad
in een zak, soms ook in een mand of vat, mee op reis om tegen alle aanvallen
de bewijsstukken bij de hand te hebben. En ook de kopieën van zijn brieven
en de schetsen van de preken, die hij improviserend voordroeg, had hij
steeds bij zich, terwijl hij bovendien een notarius
aantekeningen liet maken van het gesprokene die weer door getuigen werden
bevestigd. Waartoe al deze voorzorgen? zal men zeggen. Omdat Groote wist,
dat hij zich vele en gevaarlijke vijanden had gemaakt, maar vooral omdat in
zijn tijd ieder meningsverschil, iedere afwijking van wat als aangenomen
waarheid of ingeworteld gebruik gold - naar de mutsaard rook en als zodanig
bejegend werd.
Zijn kritiek op misstanden in de kerk zowel als in de wereld, zijn poging tot
verdieping en zuivering van het geloofsleven, hoe angstvallig orthodox ook
in zijn doelstelling, hoe volkomen in overeenstemming ook met christelijke
moraal en kerkleer, moesten bijna automatisch tot beschuldigingen van
ketterij voeren en dat te meer, waar hij zelf zijn tegenstanders die
beschuldigingen niet spaarde en met ware wellust de verkondigers van
ketterse leerstellingen achtervolgde.
In het korte tijdperk van zijn predikerswerkzaamheid - niet meer dan de jaren
1379-1383 - vraagt de strijd tegen de ketters steeds meer van zijn aandacht
en krachten. En het zijn de vijanden in die strijd gemaakt, die hem het
zwijgen zullen opleggen, een smadelijk vonnis dat de dood drie jaar later
zal bevestigen, vóór zijn tactische ijver en de tussenkomst van zijn
vrienden het hebben kunnen doen herroepen.
Dat deze ketterjager slachtoffer werd van de beschuldigingen van ketterij
door... de vervolgde ketters gelanceerd - men kan er een tragische speling
van het lot of een bovennatuurlijke gerechtigheid in zien, maar de feiten,
hoe schijnbaar tegenstrijdig ook, onttrekken zich niet geheel aan een
natuurlijke verklaring. In de vervallen en ontaarde laat-middeleeuwse kerk
was alleen hij geheel veilig voor de beschuldigingen van ketterij die de
zaak liet zoals zij was en zich nergens druk over maakte. Ketters-verdacht
was al wat het door de praktijk ondergraven status quo van kerk- en
zedenleer aan het wankelen bracht. Vandaar dat een ijveraar vóór de kerk als
Geert Groote en zoveel eerder al Franciscus
een zelfde risico liep als de ijveraar tegen de kerk of de lakse en
onverschillige bedelmonnik, die, afhankelijk van de wereldlijke overheid
zich voor diens antiklerikale politiek liet gebruiken. Wij mogen nu geneigd
zijn de scheidingslijn tussen de ijveraars aan de éne, de laksen aan de
andere kant te trekken, voor Grootes angst Gods, zijn middeleeuwse
fetisjistische vrees het onaantastbare aan te tasten, was alles wat de
kerkleer op enig punt losliet zo gelijkelijk doodzondig, dat wij onmogelijk
uit zijn geschriften en die van zijn volgelingen een ook maar enigszins
gedifferentieerde voorstelling van zijn tegenstanders kunnen krijgen. ‘Geen
zwaarder zonde dan het privaatbezit van een monnik,’ zegt hij in zijn preek
voor Palmzondag over de armoede, ‘behalve natuurlijk de ketterij, want deze
is de allerzwaarste.’ Ketterij was ketterij, van de ketters kon men alles
geloven en hij predikte openlijk | | | |

De Cecialiakapel te Deventer, het
enige gebouw uit Geert Grootes tijd dat de eeuwen overleefd heeft.
Gemeentelijke Archiefdienst, Deventer. Foto W.J.
Hasselaar.
| | | | hun vernietiging. Ja, wanneer er een als de lollard Mattheus
die te Gouda de messias van een ketterse sekte was,
toevallig een natuurlijke dood stierf, rustte hij niet voor zijn gebeente
was opgegraven en aan het vuur prijsgegeven. En niets getuigt mogelijk meer
van zijn eerbied voor Ruusbroec en van het
algemeen gezag dat de grote mysticus genoot, dan Grootes stilzwijgende
wijzigingen in de vertaling van diens werken, waar hij die weliswaar zuiver
naar de geest maar ketters naar de letter oordeelde. Grootes vijanden, het
bleek al uit zijn waarschuwende woorden tegen Florens
Radewijnsz., moeten we vooral onder de bedelmonniken zoeken.
Waarom juist daar? De bedelmonniken staan in de laat-middeleeuwse
geschiedenis in een slechte roep. Al te vaak zijn zij te herkennen in de
satirieke afbeeldingen van in monnikspij gestoken ezels, vossen en zwijnen
en ook in de literatuur hebben zij een roep zowel van ontaarding als van
ketterij. Grube, Grootes katholieke biograaf,
laat niet na erop te wijzen, dat ook Luther, gelijk Grootes ergste vijand
Barthelomeus te Kampen, een augustijner monnik was en het is bekend, dat in de jaren
der Hervorming heel wat bedelmonniken tot zelfs een vicaris-generaal der
kapucijnen met een grote aanhang naar het nieuwe geloof overgingen. Voor de
katholieke schrijvers was dit samengaan van zedelijk verval en ketterij uit
de aard der zaak geen probleem. Maar waar verscheidene ketters meer het
boetpredikertype van Groote vertonen dan dat van pater Goedleven, is het
duidelijk, dat de verklaring dieper ligt. Misschien moet die gezocht worden
in hun nauwer contact met de wereld en met de stedelijke bevolking in het
bijzonder. Daardoor stonden zij meer aan verleiding bloot, zagen zij zich
ook meer genoopt bij de machten waarvan ze zich afhankelijk voelden, zij het
de stedelijke overheid, zij het de volksgunst, in het gevlij te komen. Maar
daardoor ook waren zij er nader aan toe tot dragers van de tijdgeest te
worden en de zedelijke eisen der burgers te formuleren.
Van de leerstellige afdwalingen van Barthelomeus de augustijn weten wij
weinig en dat weinige alleen door zijn tegenstanders: hij verachtte de
kerkelijke boete en ascese en noemde Jezus een bonus
socius, een goed gezel, uit wiens voorbeeld hij de vrijmoedigheid putte
het gebruik van de wijnkroes en de goede maaltijden die hij gaarne in
gezelschap van voorname lieden in de taveernen genoot, niet te versmaden.
Waar of onwaar, het is duidelijk, dat deze geruchten ernaar waren de toorn
van meester Geert te wekken: de termen waarmee hij ‘dat ongeleerde vosje,
dat leugenachtige beest, wanstaltig door veelvormige schandelijkheid’
aanduidt, vertellen ons meer omtrent die toorn dan over de inhoud van 's
mans ketterijen. Een beter begrip van de felheid en de haat die uit deze en
andere woorden spreekt, leert enige kennis van de strijd der partijen in
onze eigen tijd ons zeker niet minder dan de schaarse en sterk gekleurde
berichten die wij over Grootes geschiedenis bezitten. Alleen door
vergelijking, komt het mij voor, kunnen we ons een voorstelling maken van
het samenstelsel van principiële, overgeleverde en persoonlijke
tegenstellingen van waarheid en waan waardoor die wederzijdse haat gevoed
werd. Want niet alleen in Grootes tijd zijn hervormers voor bedervers der
jeugd uitgekreten en priesters van de goden der eeuw als profeten geëerd.
| | | |
Grootes voorspelling werd bewaarheid. De bedelmonniken lieten niet af de
mening te verkondigen, dat Radewijnsz.’ gemeenschap verwant was aan de door
de pauselijke stoel verworpen sekten van begarden en lollarden. Meester
Geert deed zijn woord gestand om voor de bedreigde broeders op de bres te
komen; van de Deventer kansel viel hij de
mendicanten met al de wapens van zijn geleerdheid en welsprekendheid aan:
zij moesten liever op de ergerlijke gebreken van hun verbasterde orde letten
dan de eenvoudige schaapkens van Christus aan te vallen. Hij bereikte
inderdaad, dat men de broederschap met rust liet, maar hij was niet van plan
zich tot het defensief te bepalen. Uit Kampen komen
berichten over de ketterse preken van broeder Barthelomeus en Groote doet alles om de Kamper pastoor tegen hem
in het geweer te brengen. Blijkbaar is hij er ook zelf heen getrokken: in
een van zijn brieven, die op 27 december 1382 gedateerd moet worden, klaagt
hij: ‘Och, och, daar zit ik, arme, nu alweer bijna een maand ten einde raad
in Kampen.’ Heeft hij er tegen Barthelomeus gepreekt? Of het plan volvoerd
waarover hij de pastoor schreef: ‘Ook zou ik graag heimelijk met een
notarius komen luisteren naar zijn preek. Dan vingen wij hem met list in
zijn dwalingen en zouden hem van de kansel uitsluiten, opdat de satan niet
door hem verheerlijkt worde.’
Zo hoog loopt de strijd, dat hij zich geroepen voelt zijn vrienden in Amsterdam gerust te stellen over de gevaren die hem
bedreigen: ‘Schrikt niet, als het gerucht tot u doordringt, hoe de
Kampenaars tegen mij optreden.’ Maar hij laat niet af, ook niet nadat
Barthelomeus zich door ‘valse verklaringen’ voor de bisschop gezuiverd
heeft. Hij schrijft aan de bisschop, schrijft aan de vicaris-generaal,
dringt aan op de benoeming van een commissarius voor de overzijde van de
IJssel om de zaak te onderzoeken en de woorden waarmee hij dat doet, wijzen
uit dat hier nog altijd de strijd tussen Werner Groote en zijn ambtgenoten
voortwoedt: ‘Opdat het geloof, door de valse profeet overwonnen, niet
verslagen zal liggen en de aanmatiging der leken tegen de als het ware
onderdrukte clerus niet nog zal toenemen en de hele kerkelijke orde er
schade door zal lijden.’
Zijn vriend, Johannes Cele, rector te Zwolle, blijkbaar een man des vredes die zich aan
deze roerige zaak tracht te onttrekken door een retraite op Munnikhuizen,
slingert hij een brief als een banbliksem naar het hoofd: Blind gezwets
noemt hij zijn verontschuldigingen, een verzinsel en zonder twijfel een
listige inblazing van de duivel. Geen getuige tegen Barthelomeus is ons zo
nodig als gij. Waarom juist nu die retraite? ‘Is u van de hemel een dag
aangezegd waarop ge van uw kwalen genezen zult? Kunt ge van die tijd geen
seconde missen? Zullen anders de geestelijke heelmeesters op de vlucht of de
medicijnman verloren gaan? Kom, gij kunt wachten, wij niet! Uw vrienden
hebben u nodig, het recht schrijft voor, het geloof gebiedt. Wanneer ge u
hieraan onttrekt, handelt ge tegen de liefde en gehoorzaamt de boze.’ Ten
slotte schroomt hij niet in dreigementen te vervallen: Als ge niet
vrijwillig komt, zal ik u door een commissarius laten ontbieden.
De bisschop die hij evenmin met rust laat, roept Barthelomeus nogmaals voor
zich; hij reist vóór de gestelde termijn, vergezeld van enige Kamper
| | | | raadsheren naar Utrecht om Grootes
aanwezigheid bij zijn verhoor te ontgaan. Maar de dag tevoren dringt het
bericht in Deventer door, meester Geert haast zich naar Utrecht, jaagt in de
nacht de Veluwe over en komt tijdig om Barthelomeus tot een bekentenis te dwingen. Wanneer hij die
onmiddellijk weer herroept, wordt hij als boeteling naar Kampen
teruggestuurd.
Op Grootes aanhangers in Kampen nam men openlijk wraak: zij werden uit de
stad verdreven; de vrouwen die tegen Barthelomeus getuigd hadden, voor het
gerecht gedaagd. Tegen de meester zelf koos men listiger middelen en het
bleek niet moeilijk die te vinden, waar het een man gold, die zich niet
alleen bij de leken en in de orden, maar ook onder de clerus veel vijanden
had gemaakt door zijn strijd tegen de simonie, zijn uitdagende preek tegen
de focaristae. In woord en geschrift bleven zijn vijanden
hem vervolgen, waarbij zij vooral de nieuwe vorm van godsdienstig leven die
zijn werk was, de broederschappen, als ketters brandmerkten. Plotseling in
oktober 1383 kwam een bisschoppelijk besluit af dat alle bijzondere
preekvergunningen introk en te bitterder viel Groote dit vonnis, toen binnen
korte tijd het preekverbod voor alle niet tot priester gewijde predikers in
de diocees successievelijk weer werd opgeheven, maar niet voor hem, waaruit
ten overvloede de bedoeling van het verbod bleek. Hij deed wat van hem te
verwachten was: hij gehoorzaamde, maar berustte niet. In een
Publica Protestatio
(Openlijk Getuigenis) beleed hij zijn orthodoxie, zijn trouw en
onderwerping aan de allerheiligste roomse kerk. Persoonlijk en door
bemiddeling van invloedrijke vrienden, in het bijzonder de pauselijke
nuntius Willem de Salvarvilla, bleef hij bij de bisschop, als ook bij
Urbanus vi op opheffing van het verbod aandringen.
Zozeer drukte hem het opgelegde zwijgen, dat hij er zelfs over gedacht
schijnt te hebben zich tot priester te laten wijden, ondanks zijn vroegere
verklaringen, dat hij niet ‘voor zijn hoed vol goudguldens’ de
verantwoordelijkheid van dat ambt zou willen aanvaarden.
Zijn rusteloze geest, zijn hartstochtelijk verlangen zijn medemensen ten heil
te voeren, zijn vast geloof ook in de zegen van de arbeid, dreven hem naar
een nieuwe taak. De verinniging van het geloof in de kringen der moderne
devotie deed de behoefte ontstaan aan ook voor leken verstaanbare
liturgische teksten. Ter wille van zijn vele bekeerlingen zette Groote zich
er nu toe een aantal ‘devotie-boekskens’, zoals de getijden van
Onze-Lieve-Vrouwe, de getijden der eeuwige wijsheid, de zeven boetpsalmen en
andere in de landstaal over te brengen. Het was een treffend getuigenis van
zijn moed en de innerlijke zekerheid waarmee hij zijn weg ging. Het gebruik
immers van vertalingen der overgeleverde Latijnse kerkelijke teksten stond
algemeen in een reuk van ketterij en, gezien hoe het op Luthers
bijbelvertaling uitliep, niet ten onrechte. Er school in deze ketterjacht
ongetwijfeld een sterk fetisjistisch element - gelijk in de afkeer van vele
van onze tijdgenoten voor een bijbeltekst in nieuwe spelling - maar het
vervolg zou uitwijzen, dat het geloof van de massa die fetisjistische inslag
nog lang niet ontberen kon en dat de bijbel in de landstaal, hoe letterlijk
ook vertaald, een andere bijbel werd. Men zou Groote en zijn tegenstanders
beiden overschatten door te menen, dat zij deze ontwikkeling hadden kunnen
voorzien. De behoudend kerkelijken dreef een | | | |

Het eigenhandig door Thomas à Kempis
geschreven exemplaar van De Imitatione
Christi. Koninklijke Bibliotheek,
Brussel.
| | | | magische eerbied voor het onaantastbare én de gemakzucht van
hen voor wie de bestaande toestand niet de slechtste was. Het is alweer zijn
praktische zin, zijn reëel begrip voor de geestelijke behoeften van de
nieuwe mens, van de burgerij die Geert Groote, in
wie die magische eerbied toch allerminst ontbrak, de nieuwe en gevaarlijke
weg opdrijft.
Het is ons niet bekend in hoeverre hij met deze nieuwe werkzaamheid nieuw
verzet heeft gewekt. Wel dat zijn vertalingen, eerst in afschriften, in de
15de eeuw in wiegedrukken zeer verspreid raakten onder zijn aanhangers. Ook
dat, toen omstreeks tien jaar na Grootes dood de inquisiteur Eylard
Schoneveld een proces begon tegen een aantal ‘Gerardinen’ te Utrecht, één
van de beschuldigingen luidde, dat zij bij hun gemeenschappelijke maaltijden
in de landstaal plachten te bidden en te danken en stichtelijke teksten te
lezen, ja, dat bij de viering van de voetwassing des Heren op Witte
Donderdag een zuster de afscheidsrede van Jezus naar het evangelie van
Johannes, geheel in de volkstaal had voorgelezen.
Het is, gelijk wij al eerder opmerkten, een punt van meningsverschil tussen
de deskundigen of Geert Groote behalve dit nederig vertaalwerk in het
laatste jaar zijns levens ook de kern geschapen heeft van het boekje dat met
de bijbel en Cervantes Don Quichote tot de meest gelezen
boeken der wereld behoort: De Imitatione
Christi, dat op naam van zijn volgeling en biograaf Thomas van Kempen staat. Zo men al mocht twijfelen
aan de door dr. Van Ginneken met vuur en kracht
van argumenten verdedigde stelling, dat boek twee en drie der Imitatio in wezen ‘Geert Grootes dagboek in de maanden zijner
schande’ zouden zijn, dan nog is die twijfel reeds een bewijs hoe krachtig
meester Geert het stempel van zijn dominerende persoonlijkheid op de hele
beweging der moderne devotie heeft gedrukt.
En ook uit het relaas dat zijn volgelingen-biografen van zijn laatste
levensdagen geven, blijkt hoe het vaderschap van meester Geert over hun
gemeenschap een dierbare traditie was geworden.
In augustus 1384, nog geen vierenveertig jaar oud, liep Geert Groote bij een
bezoek aan een door de pest aangetaste vriend zelf de gevaarlijke besmetting
op en stierf binnen enkele dagen. Ook over de vraag of nog voor dit
noodlottig einde de opheffing van het preekverbod door de paus hem zou
hebben bereikt, bestaat geen zekerheid. Maar uit de beide uiteenlopende
verhalen van Thomas van Kempen en Johannes Busch
omtrent zijn sterven is wel duidelijk, dat hij niet alleen een bedroefde,
maar ook een angstige kudde achterliet. Volgens Thomas hadden de zijnen
geklaagd: ‘Wat zullen wij nu verder doen? Gij waart onze vader en
beschermer. Thans zullen onze tegenstanders juichen. Hebben zij ons durven
uitlachen en belasteren, terwijl gij er nog waart, wat zullen zij doen, als
gij er niet meer zult zijn?’ Groote had hen daarop vermaand op God te
vertrouwen en in Florens Radewijnsz. hun vader en
rector te zien. Volgens het verhaal van Johannes Busch daarentegen zou
meester Geert zijn getrouwen ‘in de naam van God’ opgedragen hebben een
klooster te stichten volgens een door de kerk goedgekeurde orde, opdat de
broeders die zich daar zouden vestigen de anderen een steun en toevlucht
konden bieden.
| | | |
Wat ook de woorden van de stervende meester geweest mogen zijn, zeker is, dat
Florens Radewijnsz. meende in zijn geest te handelen, toen hij om het nieuwe
te redden ten dele tot het oude terugkeerde en ertoe medewerkte, dat in 1387
de eerste gebouwen van het nieuwe klooster in het dorp Windesheim bij Zwolle verrezen, ‘opdat
onder zijn schaduw alle devote duiven een veilige schuilplaats tegen de
aanvallen der haviken mochten hebben’.
De Windesheimer-congregatie - want binnen de eerste veertig jaren van zijn
bestaan was de stichting uitgegroeid tot een kapittel, dat zevenendertig
mannen- en acht vrouwenkloosters telde - bleef voorlopig zeer nauw aan de
broederschappen des gemenen levens verbonden en Florens Radewijnsz, zelf
moest reeds in 1395 de bescherming der Windesheimers inroepen: een notariële
akte van 19 maart van dat jaar behelst een verklaring van de prior van
Windesheim, van die van Mariënborn (bij Arnhem) en van Nieuwlicht
(bij Hoorn) en nog twee Windesheimer kanunniken,
dat zij bij Florens Radewijnsz. te Deventer en
andere zonder ordesregel aldaar levende priesters en geestelijken geen enkel
blijk van ketterij, sektegeest, scheurmakerij of geheime samenkomsten hadden
gevonden. Ook bij een tweede aanval op de broeders door de dominicaner
ketterjager Mattheus Grabow werden zij door de Windesheimer prior Johannes
Vos op het concilie van Constanz (1414-'18) afdoend verdedigd.
Zo groeiden, elkander schragend, de twee stichtingen uit, die hoewel geen van
beide scheppingen van Geert Grootes hand, toch onmiskenbaar het merkteken
van zijn geest droegen. Of moeten wij niet liever zeggen: van de geest van
een tijd waarvan hij een buitengewoon sterke exponent was? Alleen zo toch is
het begrijpelijk, dat een stem die zich nauwelijks drie jaar had doen horen,
zo lang doorklonk. Welke was die geest? De geest van de opkomende burgerij
der Noordnederlandse steden, nijver, sober, praktisch en zakelijk vooral,
een beetje eng van horizon. In de rijke Italiaanse en Vlaamse steden waren
‘de geslachten’ de adel snel op zij gestreefd en gefeodaliseerd. De burgerij
in het noorden groeide langzamer, eigener en minder van die eigenheid
bewust, zonder de ruime blik, maar ook zonder de vreesloze amoraliteit van
Venetianen en Genuezen, van conquistadores en merchant-adventurers,
geestelijk nog volkomen gebonden aan het verleden dat zij met hun eigen
bedrijvigheid bezig waren te ondergraven. Wij noemden Geert Groote een
middeleeuwer. Dat was hij in al de fundamentele begrippen van zijn
geloofsleven dat heel zijn aards bestaan overwoekerde: in zijn
wereldverzaking, in zijn vreze Gods en duivelsangst, in het fetisjistische
karakter van zijn geloofspraktijk, in zijn statische denkwijze. Toch,
wanneer wij ons in zijn werk en het beslissende deel van zijn leven
verdiepen, dan vinden we daarin weinig wat aan onze voorstelling van de
middeleeuwen beantwoordt, bepaald en gekleurd als die is door de trekken van
het feodalisme: de aristocratie-gedachte, de vermenging van strijd en spel,
de ethiek die geen nut kent. In zijn hartstochtelijke en moedige strijd om
het verleden door vernieuwing te behouden doen zijn praktische geest en
fijne, psychologische tastzin hem grijpen naar de enige middelen die vat
konden hebben op zijn tijd: de rationele redenering, de magische
ontluistering van de liturgie, door ze in de volkstaal de | | | |
menigte vertrouwd te maken, de versterking van het geloofsleven door de
scheiding tussen geestelijk leven en leven in de wereld op te heffen; het
waren de middelen die de nieuwe tijd los zouden maken uit de ban der
middeleeuwse geesteswereld. Daarom hebben wij meester Geert de laatste
middeleeuwer genoemd.
|
|
|