|
|
|
| |
| | | |
Gijsbert Karel van Hogendorp
| |
Lof der eerzucht
Ook regenten hebben hun was, en dus ook hun vuile was. In de regel wasten zij
binnenshuis, maar op die regel zijn uitzonderingen en de opvallendste
daaronder is wel de familietwist tussen Onno Zwier van
Haren, de latere dichter der Geuzen, en zijn beide schoonzoons, de heren Van Sandick
en mr. Willem van Hogendorp. Deze toch is, van weerszijden door verdere
familieleden en zelfs door advocaten gesteund, ‘op straat’ uitgevochten. Het
ging daarbij - vreemd genoeg - om een wel zeer kiese vraag die bij ons weten
noch tevoren noch sindsdien het onderwerp van een publieke pennestrijd
geweest is. Deze vraag namelijk of de schoonvader zich vóór het huwelijk van
zijn dochters tegenover haar handelingen veroorloofd had die de
tegenwoordige pers alleen met het nummer van de desbetreffende paragraaf uit
het Wetboek van Strafrecht pleegt aan te duiden. De schoonzoons stonden door
een in duplo getekende bekentenis van de vader uit het jaar 1760 en de
daarop gevolgde afstand van zijn openbare functies schijnbaar heel sterk,
maar een jaar later herriep de vader zijn verklaring onder aanvoering, dat
zij hem afgeperst was, en probeerde zelfs zijn ambt weer op te nemen.
Verbitterd over zoveel onbeschaamdheid brachten de schoonzoons nu het
eenmaal getekende stuk ter kennis van de overheid en dwongen daarmee hun
schoonvader zich ‘ter purge’ te stellen voor het Hof van Friesland. Dit
weigerde weliswaar de tegen Onno Zwier geëiste straf, maar tevens de door
deze gevraagde zuivering uit te spreken.
Heel duidelijk is de zaak derhalve niet. Niet alleen in die zin, dat de
schuldvraag zelf steeds onopgelost is gebleven, maar vooral ook blijft het
ietwat duister, wat de schoonzoons bewogen kan hebben deze pijnlijke
geschiedenis aan te snijden, en helemaal duister, wat hen ertoe gebracht
heeft haar openbaar te maken, want met hun gelijk viel toch de goede naam
hunner echtgenoten die omgekeerd alleen gered kon worden door hun ongelijk.
En dit alles moet voor beide partijen te erger geweest zijn, omdat het hier
niet twee willekeurige families betrof, maar zodanige die tot de eerste in
den lande behoorden.
Onno Zwier en zijn broer Willem waren Friese edelen die vóór deze catastrofe
een eerste viool aan het hof van de stadhouder speelden. De ene had
bovendien reeds naam als dichter gemaakt en de ander zou het doen. Onno was
bovendien grietman van Stellingwerf-Westeinde en gedeputeerde van Friesland
ter Generaliteit. En ofschoon het geslacht der Van Hogendorpen noch adellijk
was, noch tot dusver op cultureel gebied had uitgeblonken, men kan het toch
- en met recht - tot de leidende regentenfamilies rekenen. De
wetenschappelijke genealogie voert het geslacht weliswaar niet meer tot de
14de eeuw terug, maar zij weet wel met zekerheid, dat zekere Gijsbert van
| | | | Hogendorp die als stamvader te beschouwen is, een der
militairen was die na Maurits' dood in Zweedse dienst zijn overgegaan. Het
was dezelfde die als treurspeldichter zich een bescheiden plaatsje in de
geschiedenis der Nederlandse letteren verwierf. Vast staat voorts, dat mr.
Daniël van Hogendorp in het midden van de 17de eeuw lid van de Rotterdamse
vroedschap geweest is en dat in 1748 een mr. Dirk van Hogendorp behoord
heeft tot de regenten die tengevolge van de troebelen in dat jaar door
Willem iv uit de vroedschap verwijderd zijn.
Deze Dirk is de grootvader van Gijsbert Karel.
Diens vader, mr. Willem, werd in 1762 lid van de vroedschap en in 1769 kwam
zelfs zijn benoeming tot lid van Gecommitteerde Raden af, waardoor hij deel
kreeg aan het dagelijks bestuur van het gewest van zijn inwoning. We hebben
die vader reeds leren kennen en nu niet bepaald van de aangenaamste zijde.
Verregaand gebrek aan kiesheid pleegt echter zelden op zich zelf te staan.
Mr. Willem had, kan men kort zeggen, alle gebreken die zich in de 18de eeuw
in de praktisch erfelijke regentenstand meer en meer ontwikkelden. Als kind
verwend, leefde hij eerst als jongeling, daarna als man op grote, zelfs op
te grote voet, met alle gevolgen van dien, als daar zijn: schulden maken en
het aangrijpen van alle mogelijke gelegenheden om geld te ‘verdienen’ ten
einde die schulden de baas te blijven - de materiële basis van zijn morele
onkiesheid. Maar de eerlijkheid gebiedt erbij te vertellen, dat in de
beproeving toch ook de aloude deugden van die stand bij hem boven kwamen.
Toen hij in de beurscrisis van 1773 heel zijn bezit door verkeerde
speculaties verloor, zat hij niet bij de pakken neer, maar wist hij, vooral
door de gunst waarin zijn vrouw bij de Prinses stond, een winstgevende post
bij de oic te verwerven en vertrok de verwende tot
herstel van zijn fortuin alleen naar het verre Indië - om niet weer te
keren. Van het schip waarmee hij in 1785 de terugreis aanvaardde, heeft
niemand ooit meer iets gehoord.
Onverbrekelijk is de schande die zijn grootvader en de smaad die zijn vader
het gezin hebben aangedaan, met het lot van Gijsbert Karel verbonden
gebleven. Dezelfde woensdag, 27 oktober 1762, dat het Hof van Friesland zijn
non-liquet uitsprak in de zaak Onno Zwier van Haren, beviel te Rotterdam diens dochter Caroline Wilhelmina van haar
tweede zoon die Gijsbert Karel gedoopt werd. Het is altijd hachelijk, om uit
de duizend-en-één factoren die - aangeboren en aangewend - vormen wat wij
het karakter noemen, er één uit te lichten en daarvan te zeggen: zie, dat is
nu wat dit leven maakte tot wat het geworden is. Wie zal zeggen wat er in
Gijsbert Karels stijlvol leven teruggaat op zijn treurspelschrijvende
voorouders? Wie zal afwegen, hoeveel invloed op zijn trotse terughoudendheid
uitging van de regent-grootvader die in '48 een ambteloos leven verkoos
boven het bukken voor de hernieuwde macht der Oranjes? Wie zal uitmaken of
zijn ‘bedaarde spoed’ - de term is van hem zelf en kenmerkt hem geheel -
zijn eigenlijke aard weerspiegelt dan wel juist de vrucht is van een
misschien niet bewuste, maar daarom vooral niet minder dwingende wens om
níet tuchteloos te worden, zoals zijn grootvader en vader, ieder op zijn
wijze, geweest waren en, zoals weer op zijn manier, ook zijn één jaar oudere
broer Dirk was?
| | | |
Gijsbert Karel van Hogendorp. Gravure door Willem van Senus. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | |
Een kind kiest zich vaak, het is bekend, een positief ideaal ter navolging.
Het is minder bekend, maar ik houd het voor even gewoon, dat het zich een
negatief voorbeeld ter vermijding kiest. Menig geheelonthouder is de zoon
van een dronkaard. Doch hoe dit zij en hoe zeer alle inzicht hier meer op
gissen dan op weten mag berusten, bij Gijsbert Karel is één eigenschap zó
opvallend, dat men wel niet anders kan dan haar op zeer beslissende
jeugdin-drukken terugvoeren, die dan weer moeilijk anders kunnen zijn, dan
die welke samenhangen met de dubbele smaad van zijn familie: het gerucht om
grootvader Van Haren, dat de rust van zijn barende moeder verstoorde,
gevolgd door het gerucht om het failliet van zijn vader, dat de oren van de
elfjarige trof. Het is waar, hij zinspeelde later op deze gebeurtenissen
zelfs niet, maar dat kan in dit geval slechts betekenen, dat hij ze
verdrongen heeft, en dat ze daar in de diepte van deze gevoelige ziel te
eerder de bouwstoffen geleverd hebben voor die ene overheersende eigenschap
van hem die men gewoonlijk zijn eerzucht noemt.
Eerzucht als eerherstel. Maar wie wist dat? Allen, die hem kennen, klagen
over die eerzucht waarvan zij de wortel niet begrepen, achter zijn rug.
Prinses Willemien alleen schreef het hem eens ronduit. Zij had de Van
Hogendorps die naar Den Haag verhuisd waren, toen
de vader lid van Gecommiteerde Raden was geworden, leren kennen door Hemsterhuis' vriendin prinses Gallitzin, Duitse van
afkomst als zij zelf. En zij had een genegenheid opgevat voor Caroline en
haar kinderen. Maar als bij zoveel, als bij de meeste van onze
psychologische begrippen, is men er met het woord niet af. Immers, pas het
geheel der eigenschappen bepaalt wat in elk bijzonder geval een bepaalde
eigenschap betekent, zoals we ook pas weten wat hol is, wanneer we weten wat
vlak en wat bol is. Zijn eerzucht heeft in elk geval gemaakt, dat we van
niemand van onze grote mannen zoveel weten als juist van Gijsbert Karel. De
nieuwe conceptie van het individu als microkosmos, die ook bij hem, evenals
bij Hemsterhuis en Van der Capellen, tot
zelfbelangstelling en zelfontleding leidde, gaf zijn eerzucht als het ware
het voorwendsel om alles wat hem betrof, belangrijk te vinden en op te
tekenen. Zo gauw hij schrijven kon, bij wijzen van spreken, begon hij een
dagboek bij te houden.
Zijn opname, in 1773 nog, te zamen met zijn broer Dirk op de kadettenschool
van Frederik de Grote te Berlijn, gaf reeds de elfjarige gelegenheid om
wekelijks aan zijn moeder te schrijven, en hij hield het vol zolang zij
leefde. Maar die brieven zijn van zijn dagboekbladen alleen formeel te
onderscheiden, want het enige onderwerp waarover zij feitelijk handelen, is
steeds weer: Gijsbert Karel; de gevoelens van Gijsbert Karel, de gedachten
van Gijsbert Karel, de vorderingen van Gijsbert Karel, de successen van
Gijsbert Karel en vooral Gijsbert Karels toekomst. Het besef, nog niet
zozeer van iets bijzonders te zijn, als wel van iets bijzonders te moeten
worden, doortrekt dit hele leven met de opdringerigheid van een
waandenkbeeld. Heel zijn streven is gericht op het uitwissen van de smet
door de schuld van zijn naaste verwanten op zijn familie en dus op hem
geworpen. Het is of die uiterlijke smet zich bij hem naar binnen gekeerd
heeft en tot een knagend zelfverwijt is geworden waarvan alleen de grote, de
heel grote prestatie hem verlossen kan. | | | | Een gedroomde
prestatie, zó groot, dat alle werkelijke beneden de verwachting, ook, ja
vooral van hem zelf, blijven. Als de eerzucht mateloos is, is haar
bevrediging onmogelijk en het gevoel van mislukking onvermijdelijk.
Maar als dit dan de bodem van zijn eerzucht is, zegt men met dit woord héél
wat meer, dan men er gewoonlijk onder verstaat. Zóveel meer, dat men wel een
ander woord zou willen kiezen, indien het er maar was. Een woord waarin met
behoud van het negatieve toch tegelijk de positieve kant tot uitdrukking
gebracht is. Geseculariseerd zondebesef komt er misschien nog het dichtste
bij, want die eerzucht, zó opgevat als het moet om het leven van Gijsbert
Karel te begrijpen, is op een bepaalde manier van alle zelfzucht, die er
oppervlakkig zo onafscheidelijk van lijkt, ontdaan. In de plaats van het
nemen treedt, eigenaardigerwijze, juist het geven, in de plaats van het
naarzich-toe-halen komt juist het offer, in de plaats van het genot de
tucht. Gijsbert Karels leven is een offer aan de eerzucht, een offer van
alles wat het leven vreugde geeft.
Nooit heeft Gijsbert Karel zich laten gaan. Altijd wist Gijsbert Karel wat
Gijsbert Karel deed. Gijsbert Karel is een somber kind, het sombere kind
werd een somber man en de sombere man een somber grijsaard, want de
prestatie was in zijn eigen ogen nooit groot genoeg en kon nooit groot
genoeg zijn om de smetten die zijn familie aankleefden, uit te wissen. Was
hij in de 13de eeuw geboren, hij zou monnik geworden zijn en zijn dagen en
nachten in zelfkastijding hebben doorgebracht, maar nu hij in de 18de eeuw
geboren is, vervult zijn zelfcanonisatie de rol der zelfkastijding. ‘Ik zou
liever slecht dan lichtzinnig zijn,’ schreef hij, zeventien jaar oud, aan
zijn moeder die hem bedektelijk te verstaan gegeven had, dat hij zich wat
meer in de wereld moest bewegen. Hoe weinig begreep zij haar kind. Ook
Carolina Wilhelmina kende de eerzucht, maar haar dreef deze op de gewone
paden van nuttige connecties en vorstengunst, waarin zij ook haar zoon had
willen zien wandelen.
De zoon echter bewandelde schaduwwegen die haar omwegen moesten toeschijnen.
Eerbetoon wil hij niet als zodanig, maar slechts als bewijs, dat hij in
staat is er steeds meer van te krijgen. Daarom werkt hij voortdurend aan
zich zelf, maar kan tegelijk nooit nalaten, ieder die ernaar luisteren wil,
van zijn vorderingen op de hoogte te brengen. Men stelle zich voor, wat het
voor deze knaap - en voor deze moeder - betekende, dat hem in 1776, dus toen
hij nog pas veertien was, de eer te beurt viel voor grootvorst Paul van
Rusland de menuet te mogen dansen en de hoge bezoeker zelfs bij een bezoek
aan zijn school voor het front van de troep te mogen toespreken! Hoe één
schenen moeder en zoon in de glorie. Maar ook hoezeer blijkt dat slechts
schijn, wanneer we hem in een brief van nog enkele weken eerder zelfs zien
schrijven, dat hij na drie jaar afwezigheid, wel wat voelt voor een bezoek
aan zijn moeder zoals zijn broertje gevraagd had, maar dat hij ‘zijn
vaderland met veel meer eer zou terugzien, wanneer hij - over een paar jaar
- officier zal zijn en tonen kan, dat de moeite, die men aan zijn opvoeding
ten koste gelegd heeft niet tevergeefs besteed is.’
Deze verwaandheid komt méér voor, zal men misschien zeggen, bij de jeugd,
wanneer de prestaties nog noodwendig kleiner zijn dan de potenties. | | | | Maar deze kinderlijke woorden zijn even typerend voor de
latere man. Jaren nadien, jaren toch van hoeveel revoluties en oorlogen voor
zijn land, van hoeveel roem en vernedering voor hem zelf, zou hij nog die
zelfde ietwat spreukachtige taal voeren. Het was toen Van der Duijn hem
namens de Koning kwam polsen om op zijn ontslagaanvrage terug te komen en
hij antwoordde, dat ‘de sluier gescheurd en de illusie verstoord’ was. Het
woord uit de jeugd en dat uit de ouderdom, beide schijnbaar vol van vals
pathos, zijn in werkelijkheid beide natuurlijk, omdat zij passen bij het
meer dan levensgrote zelfportret dat hij als kind al in zijn ziel had
opgericht en dat er zijn leven lang is blijven staan. Gijsbert Karel leefde
nooit voor het heden, maar altijd voor de toekomst.
Wanneer in 1778 de Oostenrijks-Pruisische oorlog om Neder-Beieren op het punt
van uitbreken staat, draagt hij de hertog van Brunswijk zijn verlangen voor
om aan de campagne te mogen deelnemen. Wanneer deze de nog niet
zestienjarige afwijst als te jong en te zwak, antwoordde hij hem ‘dat de
grootste legeraanvoerders op die leeftijd begonnen zijn’. Niemand minder dan
Turenne komt eraan te pas en hij schroomt zelfs niet de hertog zelf als
voorbeeld aan te halen. Ten slotte kreeg hij toch nog een plaatsje in het
leger van prins Heinrich, waar hij ervaren kon, dat de raad van de hertog
van Brunswijk nog zo slecht niet geweest was, want hij heeft nooit meer een
veldtocht meegemaakt.
Toen het leger in Dresden de winterkwartieren betrok, werd hij page bij zijn
voormalige bevelhebber, maar we weten nu genoeg van hem om te begrijpen, dat
ook dit geen kolfje naar zijn hand was. Gijsbert Karel in een kleurig
pagepakje en een hoed met pluim, opvliegen als er gebeld werd en
complimentjes afsteken tegen de dames, Gijsbert Karel, die in 1776 al bij
zijn bevordering tot onderofficier aan zijn moeder geschreven had ‘tot
dusver werd ik gecommandeerd, nu commandeer ik’, het klinkt als ironie. En
we zien hem dan ook al zijn vrije tijd voor de studie gebruiken waarin de
‘Aufklärer’ J.E. Biester, destijds secretaris van minister von Zedlitz, hem
inleidde. Het werd tussen beiden een van die sentimentele vriendschappen die
toen in de mode kwamen. Maar ook hier is het weer niet de inwijding in de
wereld der klassieken of in die der ‘filosofen’ als zodanig die hem boeide,
veeleer het besef, dat de kennis van het Latijn en Grieks en van de nieuwste
denkbeelden hem verder brengen kon. Caesar is zijn held. Hij verzuimt niet,
zijn moeder te laten weten, dat hij in drie uur ‘al’ vier bladzijden
Xenophon gelezen heeft en toen, in 1780, zijn moeder een nieuw portret van
hem bestelde, liet hij zich konterfeiten met de Cyropaedie
in zijn hand. ‘Bekijk ook het boek,’ schreef hij erbij, ‘er staat op: Cyropaedie van Xenophon, Boek iii,
zover zal ik zijn als U het zien zult.’ Maman vond het maar niets en liet de
Griekse letters overschilderen.
Even typerend voor zijn eerzucht als deze ijdelheid, is het complement ervan,
zijn planmatigheid, vandaag dit, 's morgens dat, 's avonds dit lezen, morgen
dat en over een maand met dit onderdeel klaar. Hier vloeide zijn eigen
streven - het is hem nog slechts één keer gebeurd, in 1813 - harmonisch
samen met het tijdsideaal dat niet alleen de kenbaarheid van het nieuw
ont- | | | |

De door Van Hogendorp geschreven circulaire tot het
bijeenroepen der oudregenten op 18 november 1813. Algemeen Rijksarchief, Den Haag.
| | | | dekte individu, maar bijgevolg ook zijn opvoedbaarheid
poneerde. Planmatigheid, die Gijsbert Karel ook niet verlaten zou in de
jaren toen hij allang opgevoed was. Talloos zijn de blaadjes met ontwerpen,
schetsen, plannen en punten in de tientallen portefeuilles, waaruit zijn
schriftelijke nalatenschap bestaat en het lijkt soms wel of Gijsbert Karel
alleen geboren werd en geleefd heeft om zich zelf in staat te stellen die
éne schets te maken die, hoe ook tot onherkenbaar wordens toe gewijzigd,
toch de grondwet van het herstelde Koninkrijk worden zou. Met die
planmatigheid is zijn voortdurend wisselen van beroep schijnbaar in strijd.
Hij is achtereenvolgens militair, reiziger, jurist, journalist, ambtenaar,
koopman, kolonisator, rentenier, minister, frondeur en politiek pamflettist
geweest. Maar, typerend genoeg, voor zijn belangrijkste functie die hem tot
‘erflater van onze beschaving’ stempelt, zijn daad in november 1813, bestaat
geen naam. Schíjnbaar in strijd, zeiden we, want achter al die ongelijke
beroepen staat in wezen steeds dezelfde roeping: met dit tegelijk als
mislukt en als geslaagd gevoeld bestaan iets zó groots te doen, dat zijn
naam in de historie zal voortleven.
In 1781 riep zijn moeder hem uit Duitsland terug, mogelijk in de verwachting,
dat de kort tevoren uitgebroken vierde Engelse oorlog hem hier in het zadel
tillen zou. Hij werd, op voorspraak alweer van de prinses die de
Hogendorpjes ook het plaatsje in Berlijn bezorgd had, vaandrig met de rang
van luitenant bij 's prinsen garde. De gelegenheid om zich te onderscheiden
bood die jammerlijke oorlog waarin bovendien alleen ter zee gevochten werd,
hem echter niet. Zou een reis naar Amerika het doen? Niet zonder moeite
kreeg de amper nog meerderjarige in 1783 een plaatsje aan boord van de
‘Erfprins’, een der schepen van de kleine vloot die neef Van Berckel als
gezant naar de Verenigde Staten begeleidde. Maar als ter beloning van die
moeite kreeg hij stapels aanbevelingsbrieven mee, één zelfs van Benjamin
Franklin, eigenhandig gepend, en bestemd voor niemand minder dan George
Washington. Verberne, die zijn deugdelijke maar
al te uitvoerige dissertatie aan
Gijsbert Karel's leerjaren
gewijd heeft, wil er een symbool in zien: Gijsbert Karel aan boord
van de ‘Erfprins’ op weg naar de Nieuwe Wereld. Men kan het doen, maar
betrekke dan in het symbool ook de schipbreuk vóór de haven. Negen bange
weken dobberde het onzeewaardige schip rond, voordat de kans op hulp kwam
opdagen. Gijsbert Karel die op het wrak van geen nut kon zijn, werd met het
halen van die hulp belast. Net op tijd - voor hem dan - want het schip, dat
na zijn aankomst op de wal ter assistentie uitgezonden werd, heeft nog
slechts veertig van de driehonderdvijftig opvarenden kunnen redden.
Hoewel zijn verblijf in de Nieuwe Wereld verkort werd, doordat de dienst hem
reeds het volgend jaar terugriep, toen de strubbelingen met Jozef ii, de heer der Zuidelijke Nederlanden, het oorlogsgevaar
opnieuw nabij brachten, is het voor zijn vorming als politiek denker toch
van eminent belang geweest. Zijn afkomst, opvoeding en omgeving hadden hem
tot een onvoorwaardelijke aanhanger van het Huis van Oranje gestempeld, en
hebben bewerkt, dat hij de reactie die in 1787 de springvloed van het
patriottendom verving, uit volle overtuiging gediend heeft, zodat hij er
zelfs geen been in zag de Pruisen | | | | tot Wezel tegemoet te
trekken en hun hier de weg te wijzen. Maar zijn onaf-hankerijkheidszin, de
lessen in ‘verlichting’ van Biester, zijn waardering voor Kant van wie hij
zich in die dagen een warm aanhanger bekende, en vooral deze reis naar
Amerika en zijn ontmoetingen met Jefferson, Hamilton en Washington zijn de
oorzaak geweest, dat hij zijn partij toch niet blindelings gevolgd heeft. De
Unie in Amerika was voor de jeugdige generatie van toen, wat de Sovjetunie
voor die van 1917 geweest is: een nieuwe maatschappij in opkomst die
radicaal met het oude gebroken had en waar de Europese problemen hun
oplossing leken gevonden te hebben. We hebben het uit Van der Capellens geestdrift voor wat daar gewrocht werd, al
gezien, maar nog sterker bewijs misschien voor de indruk die de Nieuwe
Wereld toen op de Oude maakte, is de belangstelling van een Van Hogendorp,
die zoals wij zagen, door zijn hele verleden toch feitelijk aan de andere
kant van de ‘barricade’ stond. Hij is zich die indruk ook zeer wel bewust
geweest. Toen in het begin van zijn huwelijk, in 1789, zijn vrouw hem eens
vroeg, hoe hij er toch toe gekomen was om aan de politieke loopbaan de
voorkeur te geven boven de militaire, en hij zijn antwoord, natuurlijk, weer
op schrift moest stellen, schreef hij onder andere-wij vertalen evenals de
citaten uit zijn brieven uit het Frans, dat hij zijn leven lang naast het
Nederlands is blijven gebruiken: ‘Daar ontstond een regering, daar bevond
zich een maatschappij in haar kindsheid en alle kunsten met haar. Daar
scheen men bovendien in vrede de grote kwestie beslist te hebben van het
gezag tegenover de volksbeginselen, die mijn vaderland begon te beroeren en
die sindsdien zoveel stormen in Europa gewekt heeft.’
Wel verwaaiden de hoopvolle verwachtingen in de wind der reactie, wel
verbleekten voor hem, als voor zo velen van zijn generatie, de kleuren van
het vaandel der volkssoevereiniteit in de mist van de Europese ontreddering,
maar het hervormingsstreven ging bij hem toch niet resteloos teloor. Er
bleef bij hem zelfs heel wat meer van hangen dan bij een Van de Spiegel die vóór zijn raadpensionarissenschap in de
contrarevolutionaire periode van 1787-'95 de denkbeelden van de patriotten
dichter genaderd was dan ooit hij. De Franse Revolutie wees hij af, zelfs
nog vóór zij in het stadium der terreur getreden was die met zijn ‘bedaarde
spoed’ helemaal niet strookte, maar hij deed het, als alles, op zijne wijs.
In een politieke beschouwing uit 1791 stelde hij zeer duidelijk de
beginselen der reactie met haar leuze van ‘staat en kerk’ tegenover die der
‘revolutie’ met haar ‘democratie’. Hij zag derhalve, anders dan de echte
reactionairen, zeer wel, waarom het in wezen ging. En wanneer hij zijn
verwerping in de praktijk van de democratie betoogt door erop te wijzen, dat
zij zomin in Amerika als in Frankrijk in waarheid heerste, omdat zowel hier
als ginds ten slotte de bezitters, de rijken, de natie besturen, dan getuigt
dat enerzijds weliswaar van dat niet ongewone vertoon van radicalisme,
waarachter zo velen te allen tijde hun gebrek aan henvormingsmoed plegen te
verbergen, maar anderzijds toch wel degelijk ook van een inzicht in de
werkelijke aard van de Amerikaanse en Franse revoluties, die dat van de
meesten zijner tijdgenoten verre te boven ging. Het is geen toeval, dat zich
onder zijn nagelaten papieren vertalingen en bewerkingen van die eerste | | | | theoreticus van het conservatisme, van Burke bevinden, maar
evenmin, dat hij ze niet uitgegeven, noch zelfs voltooid heeft. Al zijn
zelfvertrouwen en planmatigheid heeft er hem niet voor kunnen behoeden bij
de grote worsteling van die dagen de koers kwijt te raken. Dat bewijst,
ongetwijfeld, dat hij dit probleem bij uitstek destijds niet de baas was,
maar niet minder, dat hij het probleem zag en dat het hem ernst was, omdat
hij het als probleem zag. Die twijfel doet iemand van zijn ontwikkeling op
zich zelf reeds eer aan.
Hij doet het vooral, waar het hier een man geldt die zijn opleiding niet
alleen, maar ook zijn positie aan de vrouw van Willem v
te danken had. Daaraan doet het feit niet af, dat hij zijn benoeming op het
einde van 1787 aanvankelijk tot tweede en kort daarop tot eerste pensionaris
van de stad Rotterdam in zijn hart maar een matige beloning vond voor de
diensten in dat jaar der reactie aan het Hof bewezen. Was hij diepzinniger
geweest, mogelijk zou hij reeds toen de onvermijdelijkheid van het nieuwe
begrepen en de overgang erheen hebben helpen voltrekken, maar was hij
oppervlakkiger geweest, dan zou hij toen geweten hebben, waar hij staan
moest, maar dan ten koste van elke invloed op de toekomst. Dat hij echter
noch diepzinnig, noch oppervlakkig was, maakte, dat hij weifelde en die
weifeling wekte in zijn plannenmakend brein denkbeelden die hem nog meer eer
aandeden.
Onder het opschrift
Politieke gedagten
schreef hij 17 mei 1792 een beschouwing die zijn opvatting zo goed
weergeeft, dat wij menen niet beter te kunnen doen dan ze hier af te
schrijven: ‘Nieuwe Wetgevers! maakt eerst de menschen voor Uwe hervorming
vatbaar, onderwijst de kinderen van den gemeenen man, begint met de
opvoeding en gaat dan over tot het staatsbestel. Wij zien in Frankrijk, wat
de kwalijk begrepen vrijheid in handen van dom en slegt volk voor
rampspoeden voortbrengt. Zoo hebben de Amerikanen de vrijheid nooit
misbruikt. Wagt dan, dat het ongelukkig, verzuimd en veragt gedeelte des
volks in Europa zig verheffe tot den zedelijken moed van het geringste volk
in Noord-Amerika; werkt daartoe mede en laat dan die zaaden gerustelijk
opschieten, zij zullen zonder iemands toedoen, tot vrije Regeringen
opschieten. Of in de eerste honderd jaren, weet ik niet.’
Dat de revolutie met behulp van een onopgevoede massa noodzakelijke
voorwaarde voor haar opvoeding was, ontging Van
Hogendorp blijkens zijn aangehaalde woorden, maar dat het
achttien de-eeuwse postulaat van opvoedbaarheid van het volk hem heilige
ernst was, blijkt er evenzeer uit. En dat hij de opvoeding en verheffing van
de massa niet alleen voor wenselijk en mogelijk, maar tevens voor
onvermijdelijk hield, blijkt uit deze waarschuwing aan de reactie, die hij
op die aan de revolutie onmiddellijk liet volgen: ‘Dog al was het later,
slaapt daarom niet. Ook gij regenten van Europa, en verzet U niet tegen de
naderende volksregering, zoals gij nu doet. Het is uw zaak mede te werken
tot de opvoeding en het onderwijs des volks, gij moet hetzelve meer deel in
het bestuur geeven, naarmaate het, door meer verligting, bekwaamer daartoe
wordt. Handelt gij anders, wilt gij de algemeene hervorming ophouden, zoals
de philosophen die willen overhaasten, dan zal uit Uw beider dwaaze
worsteling, overal die verwarring geboren worden, die men in Frankrijk
ondervindt, en in plaats van geruste en zagte vorderingen tot | | | |
het gemeene welzijn, zal de maatschappij eene crisis ondergaan, in welke zij
mogelijk het leven, dog vast haare beste kragten verliezen moet.’
Door een middenpositie te kiezen - wij willen het woord gebruiken, al
verstaan wij er geen volstrekt vrije keuze onder - onthief hij zich van de
verantwoordelijkheid zowel voor de misslagen der reactie als voor die der
revolutie, dus voor het heden, maar om die van de toekomst op zich te nemen.
In hetzelfde stuk formuleerde hij, aanknopend aan een citaat van Payne, het
uiterste ideaal van het negentiende-eeuwse liberalisme, daar waar het in
zijn schijnbaar tegendeel, het anarchisme, omslaat: ‘Kende nu het geheele
volk zijn waar belang in alle gevallen, zoo zou er geheel geen rekening,
zelfs geen volksregering, noodig zijn, en elkeen zou tot de goede orde
meewerken, zonder gebod noch straf.’
Evenals Van Hogendorp in dit stuk van 1792 zijn ook wij op de gebeurtenissen
vooruit gelopen. Na zijn Amerikaanse reis die deze toekomstgedachten in hem
gewekt had, keerde hij via Londen waar hij het eerste optreden van de jonge
Pitt in het Parlement meemaakte, - alweer een onvergetelijk voorbeeld - naar
de Nederlandse werkelijkheid terug, en wij met hem. Hij was de man niet om
achter zich de bruggen te verbranden en zo verbond hij zijn oude ambt van
officier nog enige tijd met zijn nieuw verlangen naar een politieke
loopbaan, zijn oude liefde voor Caesar of Turenne met zijn nieuwe voor
Jefferson of Pitt, het deed er niet precies toe, als het maar iets groots
was, waarop hij zijn oog kon richten. Zo zien we hem in die overgangstijd in
Breda waar hij in garnizoen lag, naar het Corpus Juris vragen aan een knappe winkeljuffrouw, die op
heel andere verzoeken van de zijde der heren garde-officieren was
voorbereid. De verlegenheid die uit dit misverstand voortsproot, was echter
geheel aan de zijde van de leergierige luitenant. Het werd nochtans het
begin van de reeds zo lang begeerde studie in de rechten. Zo promoveerde
hij, in uniform 30 september '86, te Leiden bij
Pestel op een niet zeer belangrijk proefschrift
De aequabili descriptione subsidiorum inter gentes
foederatas
(Over een billijke omslag van de lasten bij gefedereerde volken),
evenals de opdracht aan de erfprins Willem Frederik, tegelijk een
demonstratie van zijn oranjegezindheid op een tijdstip dat het patriottisme
in Holland hoogtij vierde. Hogendorps eerzucht had formaat. 1787 was in 1786
niet te voorzien.
Toch kwam 1787 en we kennen reeds zijn grieven uit dat jaar en weten al, dat
de beloning hem niet meeviel. Hij deed nochtans een eerlijke poging tot
tevredenheid. In 1789, het jaar van zijn huwelijk met Hester Clifford,
dochter van een rijk Amsterdams koopman en stiefdochter van admiraal Van
Kinsbergen, die hem tien kinderen zou schenken, waarvan er twee jong
stierven schreef hij: ‘Gelukkig in mijn gezin, heb ik de Tempel van de roem
verlaten en hoewel nog gevoelig voor het genot van gunsten te verwerven snel
ik haar niet meer tegemoet en voel ik mij niet meer geneigd tot het minste
offer, dat zij zou kunnen eisen.’ Gijsbert Karel ‘bourgeois satisfait’?
‘Bourgeois’ ja, maar het ‘satisfait’ was maar zelfbegoocheling. Hoe zou hij
voldaan hebben kunnen zijn met een baantje waarin hij, toen in 1793 zijn
commissie vernieuwd moest worden, tot de heren onder andere het volgende
zei: ‘Ik | | | | meen, dat ik best aan mijn pligt voldoen zal, met de
resolutiën van deeze Vergadering, zonder ingenomenheid met eigen
denkbeelden, uit te brengen, met nooit vooruit te loopen met mijn oordeel
over zaaken, met het onbeschroomd en bescheiden te zeggen, als het gevraagd
wordt, en met het ten spoedigste te vergeeten, wanneer het geen ingang
vindt’ en meer van die valse nederigheid.
Geen wonder, dat we hem nog in hetzelfde jaar, toen Van der Hoop stierf, zien
dingen naar diens post van tresorier-generaal. Wanneer hem deze ontgaat,
doordat hij op zijn best gewaardeerd, maar juist vanwege zijn eerzucht nooit
geliefd is, zoals de prinses hem ook voorzichtig, maar toch duidelijk te
verstaan geeft, wil hij secretaris van de Raad van State worden. Maar ook
dit mislukt. En daarmee vervliegt hét ideaal, de post van Oldenbarnevelt, van Jan de
Witt, het ‘ampt aller ampten’, het raadpensionarisschap. Hij ziet
zijn fout wel, maar tegelijk, dat zij onverbeterlijk is. Wanneer hij de
prinses op haar gemoedelijke waarschuwing antwoordt, schrijft hij: ‘Mijn
ijdelheid is altijd losgebarsten en altijd tot mijn gevoelige schade,
wanneer ik veronderstelde, dat men mij onbillijk beoordeelde, zoals ik toen
inderdaad geloofd heb.’
De laatste post in dat deel van zijn leven - deelde hij zich zelf uit. Het
was in 1793. Dumouriez en Daendels naderden. Hoe het gevaar te keren, dat
reeds toen onafwendbaar scheen? ‘Daartoe wordt zekerlijk vereist een Man van
vertrouwen en die er zich aan waagen wil. Ik durf mij te waagen, indien men
vertrouwen in mij stelt. Anders gebruike men een ander, en dan zal ik mij
verheugen, dat er meer Hollanders zijn, die voor de gemeene zaak opstaan en
het land helpen redden,’ schreef hij 7 maart 1793. Nog geen twee jaar later
was het zover. Van Hogendorp deed zijn plicht, -
maar zijn gewone, niet zijn buitengewone. Hij voerde de opdracht van zijn
lastgevers uit om te zorgen, dat er nergens weerstand aan de Fransen zou
worden geboden. De inval en de revolutie ontsloegen hem uit zijn ambt. Doch
het zeer zat diep, heel diep. Achttien jaar lang heeft hij het gekoesterd,
tot met het uur der vergelding tegelijk dat van zijn bevredigde eerzucht
sloeg. Veertien dagen lang. Een heel leven voor twee weken. Een zwaar en
waar offer...
Hoe nauw in de acht jaar der restauratie, van 1787-'95 zijn betrekking met
het hof ook geweest mogen zijn, hoveling is hij toen noch immer geworden. De
prins noemde hij ‘zwak en koppig, ten prooi aan vleiers’, het hof was er
een, dat ‘van beuzelingen hoofdzaak maakt’ en hij dacht er dan ook niet over
het in 1795 in de verbanning te volgen. Hij onderhield er jarenlang zelfs
geen betrekkingen mee. Ook in 1799, toen met de Engelsen en Russen de
erfprins landde, verroerde hij geen vin. Evenmin echter trok hij zich in de
Bataafse tijd mokkend terug, gelijk het merendeel der oud-regenten. Hij wist
dat de Franse inmenging op een of andere manier een blijvend karakter zou
dragen en lang zou duren. ‘Wel eens een twintig jaar’ antwoordde hij eens op
een desbetreffende vraag. 't Is twee jaar meegevallen, maar meer toch niet.
Zo zat er wilde hij niet op non-actief blijven, niets anders op dan zijn rol
naar een ander toneel te verplaatsen, nu de stroom des tijds hem van het
staatstoneel had afgespoeld.
Met dezelfde drift van altijd om zich te onderscheiden stortte hij zich in
| | | |

De aanvaarding van het hoog bewind in naam van de prins van
Oranje. Midden, zittend, Gijsbert Karel van Hogendorp. Schilderij
door J.W. Pieneman. Rijksmuseum,
Amsterdam.
| | | | het handelsleven, daartoe toevalligerwijs door de dood van
zijn schoonmoeder in staat gesteld. Het Amsterdamse handelshuis Jacob
Schues, waarin zij participante geweest was, zette hij te zamen met zijn
jongere broer Willem, die als secretaris van Haarlem ook ontslagen was, voort onder de nieuwe firmanaam G.K. van
Hogendorp & Co. Is het nodig te zeggen, dat ook de commercie deze
Faust-geest niet bevredigde, te minder sinds door de oorlog de
goederenhandel stilstond en het ‘vak’ zich tot fonds- en geldtransacties
beperkt zag? Een zakenreis naar Duitsland was dan ook een verademing. Nieuwe
klanken leverde zij nauwelijks op: wel wekte zij oude herinneringen, toen
hij Klopstock en Biester nog eens bezocht. Zijn innerlijk was echter te
onrustig om in zich zelf vrede te vinden. ‘Ik weet niet,’ schreef hij enkele
jaren later, ‘welke demon mij zoo ongedurig maakt, zoowel in mijn studiën
als in de betrekkingen, die ik bekleed heb.’ Wij weten het wel, menen
althans het te weten. De demon der eerzucht, de demon van het
plaatsvervangend zondebesef dreef hem voort.
Het bloed kroop, waar het niet gaan kon. Hield het lot hem verder buiten de
politiek - de kunst van het volkswelzijn, dan zou hij zich op de economie
werpen - de wetenschap der volkswelvaart. Hij wierp zich weldra op het toen
nijpende werklozenvraagstuk. Zijn belangstelling daarvoor was echt. De
handelsvrijheid - hij was in 1796 door de lectuur van Adam Smiths beroemde
Wealth of Nations een aanhanger van de toen moderne,
nu klassiek geheten economische school geworden - zag hij als de ene
reddingsgordel, een moderne armenzorg als de andere, om de bedeelden en
behoeftigen van de sociale verdrinkingsdood te redden. Voor de eerste
pleitte hij reeds in 1801 in zijn
Verhandeling over den O.I. handel
die met die vrijheid een bron van welvaart, rijkdom en herstel van
de Staat zou kunnen worden. Toen de regering van het Staatsbewind tijdelijk
met die denkbeelden van hem en zijn broer Dirk meeging, was hij, ondanks
alles wat zij tegen hem en hij tegen haar had, eerlijk genoeg om haar
daarvoor te danken.
Maar nog groter aandacht besteedde hij aan het armenvraagstuk. In 1805
verscheen zijn
Missive over het Armenwezen
, reeds in 1794 op schrift gesteld, in de jaren 1799-1801
voorafgegaan door een zestal brochures onder de gemeenschappelijke titel
Iets voor de Armen
. Hoever is deze geest, die toch waarlijk geen socialist was,
verwijderd van het larmoyante gejammer over de armoede van zoveel andere
bourgeois-auteurs, dat slechts uit hun kwade geweten over eigen zatte
tevredenheid voortkwam. Zeker, ook bij hem is de basis van zijn
belangstelling de vrees, dat wanneer de armoede niet gestuit wordt,
‘degeenen aan welken wij nu milddaadigheid bewijzen, dan onze eigendommen in
gevaar brengen’, maar hij houdt toch nooit op in deze sociale
schipbreukelingen mensen te zien. ‘Maar menschen,’ zegt hij - en hij doelt
hier op de behoeftigen die hij van de bedeelden, op de arbeiders derhalve,
die hij van de paupers streng onderscheidt - ‘menschen, wanneer zij
onophoudelijk zwoegen moeten, verliezen eindelijk den zin tot goede en
menschelijke vermaaken, zij verwilderen. Zien wij niet, in alle onze steden,
dog vooral in de rijksten en volkrijksten, eene onbesuisde Menigte, het
Graauw, onvatbaar voor zedelijke en godsdienstige indrukken, als redelooze
dieren voortleeven?’
| | | |
Waartoe dit leidde, leerden, volgens hem - hij schreef dit in de dagen der
terreur - de gebeurtenissen in Frankrijk. Robespierre is ook voor een Van
Hogendorp een booswicht. Maar toch hoeveel geest van de Franse revolutie
huisde er in deze, haar eerlijke tegenstander! Het geloof aan de
opvoedbaarheid der massa verlaat hem dan ook niet, wanneer hij zijn oog op
de bedeelden richt, die inderdaad toen geen andere keuze hadden dan
voortvegeteren of sterven. Als eerste stap stelde hij een bekwaam
Armenbestuur voor, dat door centralisatie van kerkelijke en stedelijke
instellingen tot landelijke de middelen zou vinden tot het subsidiëren en
zelfs stichten van enkele fabrieken die als een soort modelbedrijven het
werkvolk beter zouden bekwamen, zodat men daarmee tegelijk de moordende
Engelse concurrentie het hoofd zou kunnen bieden. Wat hem voorzweeft is niet
ongelijk aan de latere, mislukte ‘Ateliers Sociaux’ van Louis Blanc!
Dat de uitvoering van dit grootse plan op moeilijkheden zou stuiten, ontkende
hij niet, maar hij zou niet in de achttiende eeuw geboren hebben moeten zijn
om desondanks geen optimist te blijven. ‘Misschien lukt het niet met het
levend geslacht dan toch wel met het volgende.’ Ziekten en grote gezinnen,
betoogde hij, zijn naast de duurte der nooddruft, de voornaamste oorzaken
van de werkloosheid. De ziekten zouden afnemen bij betere hygiëne, een
kwestie alweer van opvoeding. De kwaal der grote gezinnen kon, meende hij,
genezen worden doordat het gereorganiseerde Armbestuur de kinderen boven een
zeker aantal overnam en uitbesteedde bij de ouders, een kindertoeslag
derhalve. En wat de duurte betrof, daarvoor meende hij een panacee gevonden
te hebben in Rumfords in 1799 te Genève verschenen Essais
Politiques, Economiques et Philosophiques die hij in de
bovengenoemde brochures populariseerde en waarvan hij de vertaling in het
Nederlands bepleitte met een vuur en begroette met een vreugde, waartoe men
de in zijn diepste verlangens teleurgestelde man niet meer in staat geacht
zou hebben. Naïevelijk meende hij, dat als Rumfords recepten maar gevolgd
werden, het eten tweemaal zo goedkoop zou worden en wanneer zijn
aanwijzingen omtrent een kachelconstructie maar uitgevoerd werden, de brand
zelfs tienmaal zo goedkoop zou komen. Wat er met deze middelen niet te
helpen was, moest naar het werkhuis, zoals dat te Brunswijk door Meerman beschreven,
dat hem als het ideaal voor ogen stond.
Tot die pogingen tot opheffing van de vervallen natie, waarvan hij de
toestand te zwarter, of beter te reëler zag, naarmate het politiek regime
hem door de groeiende afhankelijkheid van Frankrijk meer en meer tegen de
borst stuitte, behoorde ook zijn plan tot kolonisatie op grote schaal aan de
Kaap. Hij verloor er geld, meer dan een ton gouds, en zijn moed mee. Het
verlies van beide deed hem zich terugtrekken op het buitengoed Adrichem bij
Beverwijk, eens in bezit van de Trips, waarvan
hij door dezelfde erfenis die hem de Amsterdamse onderneming had ingebracht,
eigenaar geworden was. Dat was in 1806. Het werd stil in Gijsbert Karel.
Stil óm hem was het in 1801 al geworden, toen de verzoenende staatsregeling
van dat jaar de vooraanstaanden uit alle partijen weer om de regering
geschaard had, ook die van de Oranje-partij, door de brief van de prins uit
| | | | Oraniënstein tot medewerking zelfs uitdrukkelijk
gemachtigd. Gijsbert Karel had niet meegedaan - aan zijn weigeringen kent
men de politicus - maar door zijn Verklaring aan het
Staatsbewind over de Staatsregeling, 27 oktober, op
zijn negenendertigste verjaardag opgesteld, had hij althans nog zijn eigen
stem gehoord. En zij had hem zo luid en dapper geklonken, toen hij, ik stel
me zo voor, hardop voor zich zelf die woorden gelezen had: ‘Ik keur veel
meer alle Constitutiën af, welke niet het Huis van Oranje met de erflijke
waardigheid van Hoofd van den Staat bekleeden.’ Zo luid, omdat hij meende,
dat hij niet de enige was, die deze les uit de geschiedenis der Republiek
getrokken had. ‘Indien dit mijn gevoelen alleen was, zoude ik er minder aan
gehegt zijn, maar het is mij gebleken het gevoelen van de overgroote
meerderheid der Natie uit te maken en in zoverre oordeel ik, dat het alle
aandacht verdien.’ Zo dapper ook: ‘Heb ik mijn gevoelen,’ zo luidde het
slot, ‘met zoveel openhartigheid als bescheidenheid voorgedragen, zo kan ik
niet denken, dat er eenig gevaar voor mijn persoon daarin gelegen zoude zijn
... maar al was er een groot gevaar aan gehegt, hoe zou dit in staat kunnen
zijn om mij tot stilzwijgen te noodzaken, wanneer het aankomt op de openbare
rust, op de algemeene welvaart, en wanneer de groote Mogendheeden ... ons
oproepen, teneinde het Nationaal gevoelen te leeren kennen?’ Van Hogendorp
bracht het stuk persoonlijk naar Den Haag. De heren
van het Staatsbewind legden het ad acta. De prins
beantwoordde de toezending met frases, de erf-prins die bezig was met het
opstellen van de schadevergoedingseis die hij de Republiek wilde aanbieden,
antwoordde helemaal niet. En voor een actio popularis,
zoals Van der Capellen misschien ontketend zou
hebben om die zwijgende meerderheid stem te geven, was Gijsbert Karel de man
niet...
In '06 werd het ook ín hem stil. Meer dan het staatsbewind, en meer ook dan
de raadpensionaris Schimmelpenninck, dienden allen Koning Lodewijk die hem
in dat jaar verving. Maar Gijsbert Karels eerzucht was zo groot, daardoor zó
wondbaar, dat zij de vorm van bescheidenheid aannam. Had de eerste koning
van Holland hem zijn diensten gevraagd, hij zou ze geleverd hebben. Ondanks
de Verklaring van 1801 was hij tot capitulatie bereid.
Maar de koning vroeg niets. Een particuliere audiëntie in 1807, formeel om
zijn eis tot schadevergoeding voor zijn Kaapse verliezen te bepleiten, maar
reëel wel met veel verdergaande wensen, bracht de grote teleurstelling.
Niets. Geen schadevergoeding en geen ambt. Gijsbert Karel bleef op Adrichem,
zonder taak, behalve dan de zelf-opgelegde
Gedagten over 's lands finantien
, alleen met zijn gezin, zonder vrienden. Telkens ziek ook, podagra.
‘Ik kan niet steeds in de eenzaamheid met acht kinderen leven.’ Zijn vrouw
noemde hij niet. Had zij geen plaats in zijn hart? In elk geval geen grote
naar het lijkt. Zomin als zijn vrienden. Naturen als Gijsbert Karel hebben
goede kennissen en dan nog alleen, als ze succes hebben, vrienden zelden of
nooit. De uitzondering die de regel bevestigt, is zijn broer Dirk, speel- en
minziek, schuldenmaker, ‘soldat de fortune’, maar natuurlijk, écht, kortom
in alles het tegendeel van Gijsbert Karel, alleen in begaafdheid zijn
evenknie en met hem verbonden door het bloed en de eerzucht die beiden
verteerde. Maar deze dreef zijn grenzeloze bewondering voor ‘le plus grand
Héros que l'Univers ait ja- | | | | mais produit’, voor Napoleon, in die
jaren van het ene eind van Europa naar het andere.
Wat hij zich in '07 al had voorgenomen, om weer naar een stad te trekken,
volvoerde Gijsbert Karel twee jaar later. In '09 vestigde hij zich in Den Haag op de Kneuterdijk, nu nummer 8. Naar hij
zelf meende alleen ter wille van de opvoeding van de kinderen, maar in
werkelijkheid, zij het nog ongewild en ongeweten, om van dat huis het
historische huis van 1813 te maken, de bakermat van 's lands herstel.
Wanneer het waar is, wat ik meen, dat men het genie erkennen kan aan één
centrale gedachte waarheen alle andere convergeren, waarop al zijn
inspanning gericht is en waarvoor het bereid is, alles te offeren en die,
omgekeerd, door de daarin verzamelde energie de springbron wordt van de
kracht waaruit hij zijn werken schept, dan kan men Hogendorp althans iéts
geniaals niet ontzeggen. De centrale gedachte waartoe zijn irrationele
eerzucht zich rationaliseerde, was die van de beste staatsvorm voor het
Nederlandse volk. ‘De sfeer van de grote bestuursideeën is eigenlijk die,
welke mijn geest past en waarin deze zich in zijn element bevindt,’ schreef
hij in 1807. Zo lang hij zelf nog een ambt in de oude Republiek bekleedde,
moest die gedachte noodzakelijkerwijze vaag blijven, omdat destijds, hoezeer
hij in beginsel van het nut van een hervorming overtuigd geweest moge zijn,
het behoud van het bestaande ook bij hem vooropstond. Zijn medewerking
destijds aan de oprichting van de oranjesociëteiten tegenover die der
patriotten getuigt van beide: zij dienden zeker het behoud, maar deden het
met nieuwe mensen in nieuwe vormen, afgekeken van de revolutionairen, ergo:
met begrip van hun streven.
Nauwelijks was hij dan ook door de Revolutie ambteloos geworden, of hij begon
zich te bezinnen op de taak, die de historie een kleine twintig jaar later
op zijn schouders zou leggen: de twintig jaar die hij zelf bij de komst der
Fransen als duur van hun verblijf voorspeld had. In een memorie uit de zomer
van 1795 hield hij zich bezig met de vraag, welke gebreken uit de oude
constitutie verwijderd zouden moeten worden, wilde zij weer functioneren,
nadat de Revolutie verebd zou zijn. Hij erkende, met de Revolutie, twee
beginselen: ten eerste de noodzakelijkheid van een krachtiger centraal gezag
dat zich echter in zijn voorstelling meer naar buiten dan naar binnen zou
doen gelden, en ten tweede was hij bedacht op een welomschreven positie van
de eerste minister die, als een soort kanselier, meer naast dan onder de
vorst zou staan en we weten van de drager dezer denkbeelden nu voldoende om
te raden, wie die titularis in het nieuwe staatsbestel zou wezen.
In 1799, toen door de inval der Engelsen en Russen in Noord-Holland het getij
een ogenblik leek te keren, stelde de plannenmaker enkele wijzigingen in de
Unie van Utrecht op die ervan getuigen, dat de gebeurtenissen niet spoorloos
aan hem waren voorbijgegaan. Zij zijn in centraliserende geest. Hij zelf
tekende hierbij aan: ‘Daarmede heb ik het groote werk (der Grondwet)
eigenlijk begonnen.’ In de reeds genoemde Verklaring van
1801 weer hetzelfde: zij eiste herstel van het Oranjehuis, maar met een
grondwet, te geven weliswaar door de regenten, maar van die aard, dat prins,
regenten en volk er evenzeer door zouden gebonden zijn. Zijn historische
studiën, neergelegd in | | | | zijn
Discours sur l'histoire de la Patrie
, schijnbaar als tijdverdrijf opgezet, dienden al mede hetzelfde
doel. In 1812 schreef hij de beroemde
Schets
, in 1813 verbeterd, die de grondslag geworden is voor de grondwet
van '14, de eerste van het koninkrijk. Voorzichtigheidshalve zette de
steller er ‘Copy 1806’ boven, alsof zij voor koning Lodewijk bestemd geweest
was. Men kon toen nooit weten...
Het negenentwintigste legerbulletin van december '12, dat de nederlaag van
Napoleon in Rusland liet raden, stelde Hogendorps zaak op de agenda van de
praktische politiek. Hij begon toen ‘met zich tegen eenige vrienden te
uiten’. Het zijn bekende en minder bekende namen: Van Limburg Stirum, Van
der Duijn van Maasdam, Changuion en F.C. de
Jonge: hetzelfde comité dat 17 november 1813 de regenten op zou roepen,
dezelfden ook, die hij zich, met zich zelf als premier, als de kern van het
toekomstige ministerie gedacht had. Hogendorp was
gereed. De legerbulletins moesten nu verder de toekomstige geschiedenis van
Nederland schrijven, want zolang de strijd in Europa onbeslist was, viel aan
geen opstand te denken en was voor Van Hogendorp het gevaar, dat hij te
vroeg zou uitbreken, groter, dan dat hij het niet zou doen. Een eventueel
herstel der Bataafse Republiek, hoe onwaarschijnlijk ook, omdat de meeste
van haar voormannen nu de keizer dienden, zou er het gevolg van kunnen zijn
en dit herstel zou voor hem, die de oude republiek herstellen wilde, het
grootste gevaar zijn.
De oude republiek herstellen! Krabbe onder anderen
heeft het Van Hogendorp verweten, maar Colenbrander zijn argumenten terecht stuk voor stuk ontzenuwd. Het
meningsverschil lijkt terug te voeren tot het verschil in blik van de jurist
en de historicus. De eerste ziet uit de aard van zijn vak de dingen meer
formeel en statisch, de tweede uit dezelfde oorzaak, meer dynamisch en meer
naar de inhoud. Hogendorp wil de oud-regenten van vóór 1795 bijeenroepen,
zegt de jurist; zeker, geeft de historicus toe, maar hij wilde ze zich laten
constitueren niet als de oude staten der gewesten, maar als Staten-Generaal,
terwijl de gewestelijke staten door commissarissen-provinciaal zouden worden
vervangen. Bovendien was het er hem slechts om te doen, een begin te maken.
De nieuwe Staten-Generaal zouden hun vergadering aanstonds openstellen voor
alle de verdere notabele ingezetenen, ‘zonder eenig onderscheid, hoe ook
genaamd’.
Niet alleen door het onderscheid tussen de oude partijschappen, maar zelfs
door dat van geloofsbelijdenis heeft Van Hogendorp een streep gehaald. Hij
wilde, gaat de jurist door, de raadpensionaris herstellen; zeker, zegt de
historicus, maar als rijkskanselier, dat is als ambtenaar van de Kroon en
niet als dienaar van de staten. De burgemeesters komen terug - ja, maar als
plaatselijke autoriteiten; de prins ten slotte komt terug - inderdaad, maar
als koning, als constitutioneel koning. Zo kan men niet anders zeggen, dan
dat Hogendorp, dank zij zijn eigen ontwikkelingsgang en zijn instinct van
politiek denker dat evenwicht tussen verleden en toekomst gevonden heeft,
dat noch een laf compromis noch een buiten de werkelijkheid staand ideaal
was en derhalve precies dat evenwicht, dat het moment in november 1813
vereiste.
Het moment, zijn moment, dat nog niet aanbrak tijdens de boerenopstand | | | |

Adam François Jules Armand graaf van der Duyn van Maasdam.
Litho door J.B. van der Hulst. Atlas Van Stolk,
Rotterdam.
| | | | in april die de Fransen nog gemakkelijk konden onderdrukken,
ook niet bij het gemor in de zomer van de aanzienlijken om de lichting van
de ‘eregardes’ onder hun zonen (ofschoon daaronder zijn eigen zoon was, die
zijn lijdelijk verzet met gevankelijke wegvoering moest boeten), maar dat
daagde, toen de ‘grande armée’ in oktober bij Leipzig verslagen was, de
bondgenoten naar de Rijn oprukten en Napoleon nog geen kans had gezien zich
te herstellen. Het moment van de drukkende stilte die aan de storm
voorafgaat, toen ten onzent de Franse heerschappij ten gevolge van die
gebeurtenissen al begon te wankelen, maar de Russen de grens nog net niet
overschreden hadden. De voorbereiding tot de omwenteling was nu het stadium
van enkel inlichtingen geven en inwinnen te boven. De ernst werd zich bewust
dat het bloedige ernst kon worden. Het is, natuurlijk, niet precies zo
gegaan als de leiders het zich gedacht hadden. De 9de november al haalde Van
Stirum bij Van Hogendorp de proclamatie, die de
17de pas dienst gedaan heeft en die aanvangt met het bekende ‘Oranje Boven,
Holland is vrij’ en eindigt met het niet minder bekende: ‘De oude tijden
komen weerom, Oranje Boven!’ De 14de ontbood Van Hogendorp Job May uit Amsterdam, de leider van de van ouds prinsgezinde
‘Bijltjes’; de volgende dag brandden weliswaar de douanehuisjes in de
hoofdstad, maar een bewind dat mét de macht ook de wettelijkheid achter zich
had, bestond nog altijd niet. Het bestond ook de 17de, een woensdag, nog
niet, de dag toch die men bij uitstek als die van de opstand beschouwt, toen
heel Den Haag zich op voorgaan van Van Stirum, die
gouverneur van Den Haag gemaakt was, met oranje tooide. En het bestond ook
de 18de nog niet, de dag van de vergadering der oud-regenten, die op een
jammerlijke mislukking uitliep.
Ook dit heeft men, zo De Bosch Kemper en Jorissen indertijd, aan Van Hogendorp geweten, en
men heeft het hem verweten. Het is dezelfde beschuldiging van reactionarisme
als zoëven, doch nu niet, als bij de
Schets
in zijn theoretische, maar in zijn praktische gedaante. De
bedoeling is nochtans duidelijk: Hogendorp had alleen de oud-regenten
opgeroepen, niet omdat hij ook maar één ogenblik van plan is geweest, de
andere partijen van de regering uit te sluiten, maar om een vergadering te
krijgen die, zo enige, hem het lichtst volgen zou op het punt, waarop het
voor hem het meest aankwam, het uitroepen van Oranje tot Hoge Overheid. Dan,
de misrekening was even duidelijk als de bedoeling, zó duidelijk, dat hij op
die vergadering zelfs zijn ontwerp-grondwet niet ter tafel heeft durven
brengen en het alleen, achteraf, aan de oud-patriot Falck, de vertegenwoordiger van de hoofdstad, getoond heeft.
Een Voorlopig Bestuur bestond formeel zelfs nog niet de 20ste tegen welke dag
opnieuw een vergadering ten huize van Gijsbert Karel was uitgeschreven,
ditmaal van oud-regenten én oud-patriotten. Ondanks het feit, dat daaronder
mannen waren als Elout, Kemper en Fannius Scholten, werd deze
bijeenkomst zo mogelijk een nog groter fiasco. Zij verliep, alsof het een
Nutslezing was waarop de spreker zijn slot niet kon vinden en het publiek
bang was, dat thuis de soep koud werd. ‘De een na de ander droop af,’
schreef Hogendorp zelf. Pas zondag, de 21ste, is het zover, wanneer
Hogendorp het mo- | | | | tief - en het laatste stootje - tot openlijk
optreden, dat hij van de beide vergaderingen niet had kunnen verkrijgen, van
een delegatie van Haagse officieren onder leiding van Van Stirum ontvangt.
Hij aanvaardde, mede in naam van Van der Duijn, die zich op dat ogenblik in
Amsterdam bevond, het Algemeen Bestuur, tot de prins van Oranje in het land
zou zijn. Vlak daarop werd de reeds gereed liggende
Eerste Publicatie
daarvan afgelezen. Het nieuwe bewind was gevestigd.
Bravo! Maar dat hier iets waarlijk groots gebeurd zou zijn, wil er toch niet
helemaal in. Iets hapert er. Iets staat er tussen ons en onze gulle
bewondering in, en het blijft er staan, ook als men probeert het te
verdrijven. Immers, het is waar: toen waren de bondgenoten Utrecht al voorbij en was er in Holland van de Fransen geen
spoor meer te bekennen! Men ontkomt bij dit alles niet aan de indruk van een
zeker dilettantisme, ook al houdt men er rekening mee, dat de bronnen ons in
dit geval in staat stellen de gebeurtenissen bijna van uur tot uur te
volgen, zodat er geen misslag, geen halfheid, geen weifeling zelfs aan ons
oog ontsnapt, terwijl we soortgelijke historische dagen in het buitenland op
groter afstand en in een minder onbarmhartig licht plegen te zien. Wanneer
het niettemin meer dan een indruk, en dat dilettantisme een feit is, dan is
dat echter, menen wij, niet zozeer veroorzaakt door de onbekwaamheid van de
leiders noch door de onwil van de massa om het vreemde juk af te schudden,
als wel door het ontbreken van een band tussen beide. Gijsbert Karel was als
regent geboren, als regent heeft hij geleefd, en als regent is hij
gestorven, ook al heeft hij maar veertien dagen geregeerd. Hetzelfde geldt
voor zijn naaste medewerkers en de enkele draden die van dit centrum naar
het volk liepen - Falck, Kemper, Scholten en May - zijn maar o zo dun. In
een
Berigt
aan de Soevereine Vorst somde Van Hogendorp later allen op die zich
bij de Omwenteling verdienstelijk hadden gemaakt. Het zijn er een veertig,
maar veruit de meesten hunner met deftige namen. Curieuze volksopstand
waarvan alle helden op één lijstje kunnen en de geforceerdheid van de poging
al om contact met het volk te krijgen blijkt uit de korte slagzinnetjes en
de telkens nieuwe regeltjes in de proclamatie van 17 november die wat al te
duidelijk en wat al te opzettelijk afdalen tot het peil van ‘het volk’, dat
een ‘vrolijke dag op gemeene kosten’ beloofd wordt. En toch is dit een der
glorieuze feiten uit de Nederlandse geschiedenis. Geen wonder, dat het
gewoonlijk wat opgepoetst wordt. Uit zich zelf is het wat dof, wat erg
vroeg-19de-eeuws. Het podagra, dat Gijsbert Karel juist in die dagen aan
zijn kamer bond, hééft iets symbolisch.
Niemand belichaamt zozeer als Gijsbert Karel de tegenstelling tussen de oude
republiek en het nieuwe koninkrijk. Zelf beide in zich te hebben heeft hem
tot dé man van 1813 gemaakt. En dat hij de man van '13 geweest is, verzekert
hem de plaats in de rij van erflaters onzer beschaving. Maar geen zege
zonder offer, want dit betekende tegelijk, dat zijn triomf maar kort geduurd
heeft. Op 17 november had hij, praktisch, het voorlopig bewind op zich
genomen. Het was de eerste dag van zijn eindelijk bevredigde eerzucht.
Indien hij 30 november in de toekomst had kunnen lezen, zou hij geweten
hebben, dat deze er de laatste van was. En misschien heeft hij het vermoed,
| | | | toen hij hoorde, dat de die dag te Scheveningen gelande erfprins zich slechts op herhaalde aandrang
van Van Stirum naar het huis van Gijsbert Karel begeven had die door zijn
kwaal verhinderd was geweest zijn opwachting bij de nieuwe soeverein te
maken. Hij had een hand verwacht, temeer omdat deze nieuwbakken vorst, die
hij bovendien als erfprins toch al persoonlijk gekend had, als vorst zíjn
schepping was.
Hij begreep niet, dat hij juist dáárom in plaats van een warme hand een
blikken koker toegestoken kreeg met 's vorsten eerste proclamatie.
Dankbaarheid is nu eenmaal een woord dat de politiek niet kent. Beiden waren
trots, maar beider trots verschilde. Willem i begreep de
nieuwe tijd misschien niet beter, maar in elk geval anders dan Gijsbert
Karel en ontwikkelde zich al spoedig tot de ‘verlichte despoot’ zoals Goslinga hem terecht genoemd heeft. Hij oogstte nu
de vruchten van zijn geveinsde nederigheid in de voorbije jaren. Van Hogendorp daarentegen bleef de regent; en kon
daarom niet tegelijk de ambtenaar der Kroon en dienaar, om niet te zeggen
agent van de vorst worden, die deze uit dit stugge hout had willen snijden.
Het wreekte zich nu, dat Hogendorps regententrots hem verboden had de
leerschool der Bataafse en Franse magistratuur te doorlopen.
O, niet uiterlijk en in de aanvang. Integendeel: eer en ambten gewerden hem
in overvloed. Nog in '13 werd hij voorzitter van de commissie, die de nieuwe
grondwet op grondslag van zijn
Schets
ontwerpen moest. In hetzelfde jaar volgde zijn benoeming tot
minister van Buitenlandse Zaken of secretaris van staat, zoals het destijds
naar Angelsaksisch voorbeeld heette. Hij bleef het tot april van het volgend
jaar, en werd daarop vice-president van de nieuwe Raad van State waarvan de
toen koning geworden soevereine vorst president was. Enkele maanden later
werd hem de graventitel verleend met de bijzondere onderscheiding van het
jaartal 1813 in zijn wapen. Tevens behoorde hij tot de eerste ministers van
Staat, de nieuw ingestelde functie die betekende, dat hij tot de
kabinetsraad geroepen kon worden. En toen in 1815 door de vereniging met
België een herziening der grondwet nodig werd, was het weer Van Hogendorp
die het voorzitterschap der daartoe benoemde commissie bekleedde.
Maar in dat zelfde jaar ook al begon de onvermijdelijke dwaling. Terwijl hij
van de Staten-Generaal van 1814 voorzitter was geweest, was hij van die van
1815 alleen nog maar lid. De verlening van het grootkruis in de Orde van de
Nederlandse Leeuw was het laatste eerbewijs en dat zal hem in zijn
omstandigheden en met zijn antecedenten meer geprikt dan gestreeld hebben.
Een half jaar later bracht hij, die van de koning vooral in zijn opvatting
omtrent de te volgen economische politiek verschilde, een advies uit,
waarover deze zó verstoord was, dat Van Hogendorp tot tweemaal toe ontslag
als secretaris van Staat en als vice-president van de Raad van State vroeg,
de tweede keer op zijn verjaardag. Op 7 november 1816 werd het hem verleend,
met toekenning van een pensioen van ƒ10000 weliswaar, maar die balsem kon
déze wonde niet helen. Drie jaar later ontsloeg de koning zelfs ongevraagd
zijn minister van Staat die voortdurend in de oppositie was. Zelfs de titel
werd hem ontnomen, terwijl hij zijnerzijds het verguldsel dat de pil | | | |

Gijsbert Karel van Hogendorp. Gravure, toegeschreven aan Willem
van Senus. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | moest verzoeten: zijn benoeming tot lid van de Eerste Kamer,
afsloeg. In de ‘ménagerie du Roi’ zoals de Belgen die kamer spottend
noemden, wilde hij zich niet laten ‘opbergen’. Zijn lidmaatschap van de
Tweede Kamer rekte hij nog tot 1825, toen hij de wens te kennen gaf niet
meer herkozen te worden. Sindsdien was hij de negen jaar tot zijn dood op 5
augustus 1834 weer even ambteloos als hij in de achttien jaar tussen 1795 en
1813 geweest was. En nog eenzamer, sinds, in '26, zijn vrouw overleden was.
Is die ambteloosheid misschien een bevrijding voor hem geweest? Men zou het
zeggen, wanneer men ziet hoe werkzaam hij en hóe hij werkzaam gebleven is
tot het einde. Het is niet het zinloze bezigheid zoeken van een afgeleefde,
dat slechts de angst voor het sterven verraadt. Veeleer zijn de bijdragen in
zijn in '30 en '31 ongeregeld verschijnend tijdschriftje van de toekomst uit
gezien zelfs belangrijker dan de tien delen
Bijdragen tot de huishouding van Staat van het Koninkrijk
der Nederlanden ten dienste van de Staten-Generaal
die grotendeels tijdens zijn ambtsperiode tussen 1818 en '29
geschreven zijn. Het is geen toeval, dat dit tijdschriftje
De Ontwikkeling
heette.
Anders dan de meeste politici is Hogendorp niet van links naar rechts, maar
van rechts naar links, in zijn geval van conservatief naar liberaal
opgeschoven. Zijn tijd vooruit. In een dier stukjes pleitte hij voor de
vrede met België die negen jaar later gekomen is; in een ander voor de
nieuwe grondwet waaraan men tien jaar later toe is; in een derde eiste hij
de ministeriële verantwoordelijkheid die pas de grondwet van '48 brengen
zou. En op het stuk van het kiesrecht is hij zelfs in '30 een Thorbecke vóór. Hij wil de stemgerechtigden tot
kiezers verheffen, dat wil zeggen het nog altijd getrapte in rechtstreeks
kiesrecht omzetten, en de mogelijkheid van uitbreiding openstellen in
verhouding tot de toenemende volksontwikkeling. De consequenties is hij zich
bewust, maar hij durft ze aan: ‘zooals het kiesregt nu gesteld is, hebben de
aanzienlijken de bovenhand daarin: en zooals het nu (door hem) voorgedragen
wordt, zal misschien de menigte een overwigt verkrijgen’. In de Eerste Kamer
ziet hij daarvoor het tegenwicht, waarvan ook hij meende, dat het niet
ontbreken kon, maar op voorwaarde, dat de leden niet meer als tot dusver
door de Kroon benoemd, maar ook zij gekozen worden.
Vanwaar die vooruitstrevendheid, moet men vragen, in een grijsaard, die als
jongeling even hardnekkig voor het behoud gestreden had? Uit oppositie tegen
de koning die niet alleen zijn eerzucht niet bevredigd, maar zelfs gekwetst
had, die hij, na hun laatste onderhoud ‘bitse valschheid’ verweet? Mede.
Onder de indruk van de tweede Franse revolutie en de radicale Engelse
hervormingsbeweging uit die jaren die zijn oude vrees voor de sociale
revolutie weer deden herleven? Mede. Doch de basis van Gijsbert Karels
liberalisme, dat wat gemaakt heeft, dat die onaanzienlijke vlugschriftjes
van een paar bladzijden druks van de uitgediende niettemin de eerste
fundamenten zijn van het gebouw, dat Thorbecke op zou trekken, ligt, zien
wij wel, toch dieper.
In '21 is hij met zijn zoon Willem in Seraing en Verviers geweest. En de zoon
schrijft naar aanleiding van dat bezoek: ‘Niemand trekt zich de groote
armoede aan; ja wij rekenen ons als individu daar volkomen onschuldig aan.
| | | | Intusschen - zoolang in onze maatschappij één huisgezin
aanwezig is, dat niet tenminste de eerste behoeften des levens in voldoende
mate geniet, zoolang kunnen wij als leden van den staat geen zegen over dien
staat noch over zijne leden wachten. In die betrekking zijn wij allen
verantwoordelijk of zullen tenminste allen de gevolgen dragen.’ Willem
overdreef met zijn ‘niemand’. Behalve hij trok tenminste ook zijn vader zich
de grote armoede aan.
Hoe hij de zaak zag, kunnen wij het best met zijn eigen woorden zeggen. ‘Ik
heb te Verviers’ - aldus een aantekening op zijn reis naar de Zuidelijke
Nederlanden in 1817 - ‘zoo als op andere fabrijkplaatsen, den rijkdom van de
hoofden en de armoede van het werkvolk opgemerkt. Als de zaken vooruitgaan,
als er machines worden ingevoerd, waardoor de waren ver beneden den
marktprijs worden vervaardigd, dan blijft het werkvolk de gewone dagloonen
genieten, terwijl het hoofd van de fabrijk duizenden wint.’ En hij voegt
eraan toe, dat er in de fabrieken ook kinderen gebruikt worden, van hun
vijfde jaar af, en noemt het zeer nadelig ‘voor de beschaving en de
zedelijkheid’.
Wij kennen zijn belangstelling in deze ook uit zijn
Missive over het Armenwezen
en andere geschriften. De industriële revolutie in Engeland had het
moderne kapitalisme gewekt, de politieke in Frankrijk had het van zijn
sociale omheiningen bevrijd; zij, die zich verantwoordelijk voelden, zagen
het in zijn afschuwelijke naaktheid. Zij zagen niet alleen de oude boeren-
en handwerkersstand, zij zagen ook de nieuwe klasse van het
fabrieksproletariaat te gronde gaan. Van het verzet dáártegen, dat destijds
de besten in Europa bezielde, dat een Shelley zijn Mask of
Anarchy deed dichten en dat een Thorbecke straks met zorg zou
vervullen, drong ook iets in de donkere kamer op de Kneuterdijk door. Hogendorps pleidooi voor handelsvrijheid, zijn
protest tegen het protectionisme, het thema van heel zijn contraminaire
economische politiek, is, zien wij wel, geboren uit zijn verzet tegen de
moderne industrie, en dat verzet uit de vrees voor de sociale revolutie die
hij, en hij niet alleen, maar alle denkende koppen in West-Europa toen
onvermijdelijk komen zagen. Maar, en dat is typisch voor de tegenstellingen,
die hem tot een nieuwe eenheid vergroeid waren, typisch ook voor de diepe
indruk die de Franse Revolutie gemaakt had op hem die haar nooit had willen
aanvaarden: die vrees, dat verzet leidden hem, anders dan in de periode der
restauratie, niet tot behoudzucht, maar tot een streven naar hervorming,
vóór het te laat zou zijn. En die hervorming, hij zag haar niet scherp in
het economische dat zijn eigen terrein niet was, maar hij zag haar duidelijk
in het politieke, als een hervorming die tot de democratie moest leiden. De
oud-anti-patriot werd de eerste liberaal in moderne zin.
Diep onderin dit leven lag de eerzucht, door de familieschandalen uit zijn
jeugd gewekt en daarom geen ijdel gebaar maar een scheppende kracht. Zij
heeft dat leven gemaakt tot wat het geworden is. En daarom kozen wij als
ondertitel: De Lof der Eerzucht. Zó moet men het zeggen,
wanneer men dit leven historisch, objectief, van buiten af beziet. Maar
beziet men het van binnen uit, subjectief, psychologisch, dan blijkt
diezelfde eerzucht tussen Gijsbert Karel en het leven te hebben gestaan. Zij
heeft hem het verantwoor- | | | | delijkheidsbesef-uit-roeping gegeven
waarvan al zijn woorden en daden doortrokken zijn. Maar ook de
onnatuurlijkheid-uit-bevangenheid die hem nimmer verliet. Gijsbert Karel
werd erdoor wat wij een ‘spiegelmens’ zouden willen noemen. Hij ziet het
leven als in spiegelbeeld en hij ziet dus steeds zich zelf in die spiegel.
Dat is geen verzinsel. Hij heeft het zelf, en dat reeds in zijn jeugd, zo
beseft, door zich te spiegelen aan zijn broer Dirk, die juist de
onbevangenheid en natuurlijkheid zelf was, en hij schreef er aan zijn moeder
die merkwaardig-inzichtige woorden over: ‘Dirk heeft een natuurlijk
voorkomen en verschilt daarin van mij, want ik studeer erop, om het te
hebben; Dirk heeft het zonder erom te denken. Maar om die laatste trek te
voltooien, Dirk beseft weer niet, dat het van mij een houding is.’ In die
luttele zinnetjes heeft de negentienjarige zelf het geheim van zijn moeilijk
leven ontdekt - een leven zó moeilijk, dat, nu wij het in zijn geheel nog
eens overdenken, wij ons afvragen of de ondertitel niet in plaats van De Lof der Eerzucht had moeten luiden: De
Tragedie der Eerzucht. Dan, het verschil is er slechts een in
schijn.
|
|
|