|
|
|
| |
| | | | | |
Gefnuikt genie
Willem Bilderdijk is, met Multatuli - en het is niet het enige punt waarin deze schijnbare
antipoden elkaar raken - wel de meest omstreden grote Nederlander. Zij die
zich als zijn aanhangers en opvolgers beschouwden, hebben de oorzaken
daarvan gezocht én in zijn overtuigd partij kiezen tegen de geest der eeuw
én in de ongekende openhartigheid waarmee hij in zijn werk en zijn brieven
zijn gehele ziel van zondig mensenkind heeft blootgelegd. Zij hebben zich
daarop gehaast overal, waar dat bloot niet het rozerood en lelieblank der
onschuld vertoonde, er een doekje om te winden, van Da
Costa af die het met veel zalving en hier en daar een heel en een
half leugentje deed tot Geerten Gossaert toe die
er een zak vol sofismen voor gebruikte. Het resultaat was, dat ze
tegenstanders, meer hún tegenstanders dan die van Bilderdijk, telkens weer
uitdaagden tot het opmaken van zijn morele balans of een bewonderaar van
zijn kunst als Kloos tot een eerherstel waarbij
de mens Bilderdijk verdwijnt achter de maker van een aantal schone vaerzen.
En dat zij het gematigd oordeel zelfs van Kollewijn, de schrijver van een degelijk gefundeerde en intelligente
biografie van Bilderdijk, afwezen, ondanks zijn neutrale toon, ja óm die
neutrale toon, omdat hij zich daarmee buiten de Bilderdijkgemeente plaatst.
Want Bilderdijk heeft het ongeluk gehad gecanoniseerd te worden. 't Is waar,
hij heeft het ernaar gemaakt, zijn leven lang heeft hij getracht zijn
medemensen van zijn volmaaktheid te overtuigen. Tot straf daarvoor is hij nu
een Groot Man, wie ‘niets menselijks vreemd’ was, en wie op dat menselijke
nader ingaat doet zich daarmee kennen als een bekrompen rationalist, die aan
die Grootheid afbreuk wil doen. Nu is het echter zo, dat al wie zich
onbevangen in het werk en de levensgeschiedenis van Bilderdijk verdiept,
niet minder sterk getroffen wordt door het uitzonderlijke van dat
‘menselijke’ als van het ‘grote’ ja geneigd zal zijn daar een polaire
verwantschap in te ontdekken - die geen ontdekking is. Het is de
verwantschap die de moderne psychologie in de woordverbinding
genie-en-waanzin heeft vastgelegd. Is het nodig op te merken, dat wij
Bilderdijk hiermee niet voor ‘gek’ hebben verklaard? Dan doen we dat bij
deze. Wij willen er slechts dit mee zeggen: het fenomeen Bilderdijk is een
treffend bewijs van de waarheid, dat het geniale een tragisch geschenk is
dat zelden ongestraft genoten wordt en vaak geboet met een vereenzaming en
vervreemding die tot een moeizame last kan worden en dat een verhoogde
begaafdheid een verhoogde kans op botsingen, conflicten, mislukkigen
betekent. Een talent kan aangekweekt, misbruikt of verdrukt worden, maar
alleen een genie kan mislukken.
Mits goed verstaan, zou men Willem Bilderdijk als zo een ‘mislukking’ kunnen
karakteriseren; let wel: een mislukt genie, maar een genie. In hoeverre
erfelijke aanleg in die genialiteit en in die mislukking een aandeel heb- | | | | ben gehad, laten we aan de erfelijkheidsdeskundigen over - zo
die er zijn. Dat de ‘lotsbestemming’ van zijn ouders in de zijne heeft
meegesproken lijkt op het eerste gezicht duidelijk: dr. Izaäk Bilderdijk,
zoon, kleinzoon en achterkleinzoon van een herbergier, als arts mislukt door
zijn orangistische agitatie, als mens versomberd in het baantje van
belastingcontroleur waarmee de Gouvernante hem had schadeloos gesteld;
Sybille Duyzenddaalders, een meisje van goeden huize wier humeur niet
opgewassen bleek tegen de maatschappelijke mislukking van haar man. Hun
oudste zoon, Willem, zag op 7 september 1756 het licht van een wereld die
hem in zijn eigen voorstelling van de aanvang af vijandig was. Reeds van de
dag na zijn geboorte schreef hij, dat men
Met een hagel kwam bestoken
Van kei en klinkers uitgebroken
Van steenplaveisel van de staat.
Het doelde op een tegen zijn vader gericht relletje van half-persoonlijke,
half-politieke vijanden. En dat de eigen lotsbestemming meer op mislukken
dan slagen scheen aan te sturen, ook dat is duidelijk. Er is één bezwaar
tegen de vele gegevens omtrent die lotsbestemming die we in Bilderdijks
eigen werk en brieven vinden; wat dat bezwaar is zal de lezer duidelijk
zijn, als we er bij voorbeeld uit aanhalen, dat hij anderhalf jaar oud ‘de
Bijbelhistorie, de Mythologie en de voornaamste feiten der Universeele
Historie’, benevens ‘natuurlijk’ de Heidelbergse Catechismus en Vader Cats onder het poezele knie tje had, verder - het
spreekt vanzelf - ook las en schreef en Frans leerde of dat hij zeker geen
twee jaar oud was, toen ‘verlost te worden uit deze wereld’ zijn ‘geduurzaam
verlangen’ was. Bij gebrek aan betrouwbare gegevens, zullen we dit moeten
vertalen in: Bilderdijk moet een vroegwijs en vroegrijp wonderkind geweest
zijn die mede dank zij het tekort aan pedagogisch inzicht van zijn ouders
met zijn pril verstand leerde de namen en begrippen van de grote menselijke
hartstochten en emoties vlot te hanteren voor hij in staat was er iets van
na te voelen. Deze vlotheid is het geweest, die de gevoelige romanticus
Bilderdijk in de ogen van een nageslacht, waarvoor ‘gevoel’ en ‘verstand’
steeds meer elkanders tegenpolen werden, tot de ‘hartstochtelijke
verstandsmens’ heeft gemaakt. Tekenend voor die onrijpe vroeg-wijsheid is
een ‘kinderlijk’ minnebriefje, naar zijn eigen zeggen op driejarige(!)
leeftijd aan een schoolvriendinnetje geschreven, waarin van haar zachte hals
en - bij de toenmalige mode beslist onzichtbare! - ‘ivoren knietjes’ sprake
is. In deze eigenaardige met begrippen gevoede droomwereld wordt de
zesjarige Willem geheel en al opgesloten door een ongelukkige verwonding aan
zijn voet die hem twaalf jaar lang tot een aan huis gebonden invalide maken.
In lange dagen van pijn en dadeloos liggen is er geen andere bezigheid dan
lezen, een eindeloze stroom van woorden, de verheven taal der klassieken, de
bombastische der pseudo-klassieke dichtgenootschappers die zijn vader, zelf
een verdienstelijk rijmelaar en in staat ‘porceleinen kommen te barsten’ te
| | | |

Willem Bilderdijk. Gravure door Matthias de Sallieth. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | declameren, hem ten overvloede toebuldert.
Dat alles en mogelijk nog veel meer, wat wij niet weten of peilen kunnen,
leidde ertoe, dat de twintigjarige jongeling die wat bleek en kwijnend, met
een slepende stap, uit de schemer van zijn ziekenkamer de wereld in trad,
met uitsluiting van vrijwel iedere andere vaardigheid in hoge potentie die
beheerser en die slaaf van het woord was die wij dichter noemen. Bij een
algemene ontwikkeling die ver boven de middenmaat en zijn jaren uitging,
miste hij niet alleen iedere vakbekwaamheid om in zijn onderhoud te
voorzien, maar ook de kennis van de simpele handgrepen van het dagelijks
leven. Bij al zijn kennis van het dadenleven van alle historische en
mythologische helden, heersers en minnaars moest hij zijn eerste vijand nog
een blauw oog slaan, zijn eerste stukje verantwoording nog aanvaarden en
zijn zinnelijke mond het eerste kusje nog veroveren. Vervuld van een
verheven ethiek van moed, plicht, liefde, trouw en offervaardigheid was hij
vreemd gebleven zelfs aan die kleine plichten van geduld en opgewektheid die
een tactvolle opvoeding het zieke kind oplegt. Op vertrouwelijke voet met de
goden en halfgoden, vorsten en edelen van zijn boekenwereld, voelde hij zich
tegelijk gedeclasseerd en schutterig in de kring der Amsterdamse burgerij waarin hij naar het lichaam thuis hoorde.
Was Willem Bilderdijk een pientere jongen geweest, hij zou in een paar jaren
die achterstand in een voorsprong hebben omgezet. Maar zijn ongeluk wilde,
dat hij niet pienter, maar geniaal was. Zijn begaafdheid en het daarin
wortelend ‘mijmerend zelfgevoel’, dat in de afzondering met de spichtige
groeikracht van een kelderplant was opgewassen, stonden hem in de weg naar
een normale beheersing van
Dat ijsselijk gevoel van minderheid en schrik!
Van minderheid bij hen wier leêge nietigheden
Mijn ziel doorzag, verachtte en peilde met één blik!
Deze in een zwakkere vorm zo algemene vermenging van zelf- en
minderheids-besef die wij minderwaardigheidscomplex hebben leren noemen, was
bij Bilderdijk zo sterk, dat het hem iedere mogelijkheid tot een natuurlijke
compensatie die in de wedijver met en het triomferen over anderen ligt,
afsloot. Waar hij zich nog aan die wedijver waagde, zoals in het meedingen
in een literaire prijsvraag die hem met de bekroning zijn eerste roem
bezorgde, deed hij dat anoniem: in plaats van het gebruikelijke naamkaartje
sloot hij een berichtje in, dat hij zich bekend zou maken, als het bericht
van de bekroning van zijn werk gepubliceerd werd.
Voor het overige trok hij zich terug op het terrein waar hij zeker was van
zijn macht: dat van het woord. In het woord vond hij zijn eigen normen die
hem ontsloegen van de tegelijk gevreesde en geminachte normen der anderen.
Een dichter spreekt alsof hij 't ziet
| | | |
Bilderdijk heeft zich zelf herhaaldelijk een
‘vreemdeling’ genoemd, een vreemdeling in het buitenland, waar hij als
balling rondzwierf, een vreemdeling in zijn vaderland na zijn terugkeer, een
vreemdeling ‘op den mesthoop... Dien het mensdom Waereld heet’. En hij was
dat inderdaad in zoverre hij niet of slechts zeer voorbijgaand gepoogd heeft
zich een plaats te veroveren in de ‘normale’ werkelijkheidswereld, maar met
onverzettelijke overtuigingskracht die wereld zijn norm van het woord heeft
trachten op te leggen, een norm die voor hem met die van het Woord, dat was
in de beginne, samenviel.
De macht van het woord ontsloeg hem van de verplichting zich thuis te voelen
te midden van de fatsoenlijke burgermanszonen die wereldwijzer waren dan hij
en verleende hem het blazoen van Teisterbant, het woord legitimeerde zijn
onwettige liefdesbetrekkingen, het woord stond hem, ontheven van de lagere
trouw der normaliteit, toe om Oranje, Lodewijk, Napoleon en dan weer Oranje
te dienen, het woord veroorloofde hem zijn kinderen lief te hebben en de
zorg voor hen aan anderen over te laten, zijn vrouw te vereren en tot zijn
slavin te maken, bij zijn omvangrijke kennis ook nog die wetenschappen te
beheersen, die hij niét beheerste, die talen te spreken, die hij niet sprak,
die deugden te bezitten, die hij niet bezat. De macht van het woord
bewerkte, dat hij de zogenaamde Keltische liederen van de bard Ossian uit
het - niet bestaande - oorspronkelijk vertaalde in plaats van uit de
‘vertaling’ van Macpherson en dat een kleinzoon van hem nog in 1906 kon
neerschrijven, dat zijn grootouders overhuis bij voorkeur Engels, Italiaans
of... Perzisch spraken.
Het ligt voor de hand Bilderdijk op grond van deze en tientallen soortgelijke
feiten onder de pathologische leugenaars te rekenen, maar dat zou toch een
povere poging tot karakteristiek van zijn persoonlijkheid zijn. Bilderdijk
was geen leugenaar, maar een dichter. De ‘leugens’ waar wij hem voortdurend
op kunnen betrappen, zijn niet de lapmiddelen om in de wereld der
normaliteit iets meer te lijken en fouten en tekorten te bedekken, maar de
uitdagende manifestaties van iemand die radicaal met die normale wereld
gebroken had, die, zoals hij zelf zegt ‘zich bewoog in een wereld,
gescheiden van de dagelijksche en gewone door een klove’, zijn eigen wereld
van het woord waarover hij onbeperkte macht had. Niets lijkt me zo tekenend
voor deze houding als het briefje, waarmee hij in 1821 in de tijd toen mr.
Lodewijk Luzac het beheer over zijn financiën voor hem voerde, zijn huisbaas
antwoordde, die zich in zijn onnozelheid tot hem zelf wendde met een beleefd
verzoek tot betaling van de huur:
‘Hoog welgeboren Heer!
Daar ik mij nooit met geldzaken bemoeid heb noch meen te
bemoeien, weet ik niets van huurpenningen of lasten of wat dergelijke is. Ik
verschoon voor het overige, volgens uw verzoek, uw vrijpostigheid, als van
een onbekende jegens een onbekende, schoon het - inderdaad - dezelve wat
verre gedreven is, iemand in zijn studiën met zoodanige kleinigheden te
storen. Ik teeken mij dus, met alle betamelijke hoogachting, enz.’
| | | |
In de wereld waarin Bilderdijk leeft is het woord, dat wil zeggen het
dichterschap primair: ‘Zouden wij zonder de poëzie wel zooveel belang in
Christendom en waarheid stellen of daartoe geraakt zijn?’ schrijft hij aan
Da Costa die, als zijn kritische zin niet zo
louter tegen de ‘geest der eeuw’ gericht was geweest, daar toch wel een
beetje van had moeten schrikken. Zeker van de macht van het woord waarmee
hem alles bereikbaar is, wijst hij de daadwerkelijkheid waarin hij vreest te
struikelen principieel af: iedere daadwerkelijke functie of ambt staat hem
tegen en gaat hij uit de weg. Hoezeer ook ernaar hakende zijn ideeën op
anderen over te dragen, weigert hij toch ieder actief leiderschap; ook zijn
hevige ergernis over de staat der hervormde kerk na de restauratie kan hem
er niet toe brengen het initiatief te nemen tot een ver zetsactie. De enige
functie die hij met toewijding vervuld heeft, was er een van het woord: het
advocaatschap, de enige die hij begeerd heeft, het professoraat, eveneens en
zelfs deze vurige begeerte werd mogelijk het best geschat door Anton Reinhard Falck die het onverantwoordelijk
noemde, dat men Bilderdijk niet professor had gelaten, zo lang zijn
wispelturigheid het veroorloofde.
Zomin als zijn christendom is zijn politieke houding denkbaar los van zijn
dichterschap. Opgevoed in afkeer van de heerserskliek der regenten waaraan
zijn vader zijn maatschappelijk wansucces toeschreef, moest met het
bewustzijn van zijn talenten zijn verzet tegen hun gemakkelijk verworven
sociale meerderheid groeien. Maar zijn ziekelijk egocentrische geest kon dat
verzet niet uitvieren in de broederschap van het patriottendom en lang voor
hij uit zijn ziekenkamer naar buiten kwam, had het woord hem een andere
compensatie geboden in ‘de genealogie, die ik met veel zorg heb opgemaakt,
toen ik 14 à 16 jaar oud was’ en die zijn afstamming van het huis van
Heusden en Teisterbant, zijn verwantschap hogerop met de Nassau's vastlegde.
In deze wereld paste geen volkssoevereiniteit, maar een krachtig centraal
wereldlijk gezag, het gezag van de daad, dat tot taak had het gezag van de
Geest dat hij zelf in zo hoge potentie vertegenwoordigde, te ondersteunen en
aan de wereld der normaliteit op te leggen. Zo gezien wordt het
begrijpelijk, dat Bilderdijk die men nóch een weerhaan nóch een baatzuchtig
mens kan noemen, achtereenvolgens zo vele heren kon dienen én verguizen en
dat deze uiterst eergevoelige mens bijna zijn leven lang aanspraak maakte op
giften en pensioenen van beschermers voor het onderhoud van zich en zijn
gezin.
Een korte karakterschets van een zo gecompliceerd en overgevoelig wezen als
Bilderdijk moet noodzakelijk niet alleen in volheid van tegenstrijdige
details, maar ook in dynamiek te kort schieten. Bilderdijk was niet, hij
werd. In zijn overgevoeligheid sterk aangegrepen door zijn zeer bewogen
levenslot is hij allerminst dat type van de conservatief die uit gebrek aan
vitaliteit, uit levensangst of onvatbaarheid voor indrukken zich aan een
onwrikbaar wereldbeeld vastklemt, maar diezelfde overgevoeligheid dreef hem
bij iedere botsing met de werkelijkheid meer en meer terug in de wereld van
de droom waarin hij zijn kinderjaren doorleefd had, en meer en meer
verschanste hij zich in de fictie, dat zijn innigst verlangen nooit naar een
andere dan die wereld was uitgegaan.
| | | |
En toch kan men in zijn ontwikkeling tussen omstreeks zijn twintigste en
veertigste jaar, tussen de anonieme bekroning van zijn werk door het Leidse
dichtgenootschap en het begin van zijn ballingschap in 1795, een langdurige
poging zien om zich in de ‘normale’ wereld in te leven, of misschien moeten
we het zo zeggen: om zijn droomidealen aan de overzijde van de ‘klove’ te
verwezenlijken.
De Invloed der Dichtkunst op het Staatsbestuur
had de opgegeven titel van zijn bekroonde dichtstuk geluid en het
was wel geen toeval dat juist dit onderwerp hem trok en hij in de aanhef
zijn dichtvuur met de moed van een kloek strijdros vergeleek. Het
zelfbewustzijn dat deze openlijke erkenning van zijn macht over het woord,
met zijn benoeming tot lid van het Leids genootschap en een tweede bekroning
in het volgend jaar (waar hij opnieuw anoniem naar gedongen had), hem
verleende, zette hem tijdelijk over zijn verlegenheid en schuwheid in de
omgang met zijn medemensen heen. Hij kwam in schriftelijk en persoonlijk
verkeer met de grote geesten van zijn tijd, met zijn mededingster in de
tweede prijsvraag barones De Lannoy en met Rhijnvis Feith die zijn vriend werd tot de
politieke tegenstellingen én de tegenstelling tussen de ‘onbegrijpelijke’ en
de ‘al te begrijpelijke’ (zoals ze elkaar karakteriseerden) hen van elkaar
verwijderden. Zijn vader belastte hem met de boekhouding op zijn kantoor met
de bedoeling hem op den duur in zijn ambt te laten opschuiven. Nu hij daar
niet langer een lastpost, maar een persoon van gewicht was, viel het hem ook
gemakkelijker opgewekt deel te nemen aan het huiselijk leven in de
familie-kring. In 1779 behaalde hij nog weer eens een prijsvraag-laurier,
ditmaal van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde voor een
verhandeling
Over de betekenis van Dichtkunst en Welsprekendheid voor de
Wijsbegeerte
en op geen mindere mededinger dan de procureur-generaal bij de Hove
Provinciaal te Utrecht mr. Hieronymus van Alphen. Van nog andere betrekkingen en van
verhoogd zelfbewustzijn getuigde een klein bundeltje erotische poëzie, Mijn Verlustiging, gedeeltelijk vertalingen
naar het Grieks en Latijn, in hetzelfde jaar verschenen en dat zich
onderscheidde door een hartstochtelijkheid waaraan alle schuchterheid vreemd
was.
Al heeft Bilderdijk naar het wel schijnt zonder al te grote weerzin het hem
door zijn vader opgelegde ambt vervuld, het strookte toch te weinig met zijn
eerzucht en talenten dan dat hij het niet, zodra de kans zich voordeed, op
een jongere broer afschoof en bij zijn vader een tweejarige studietijd in
Leiden bedong. Bij zijn reeds verworven ruime kennis, grote intelligentie en
studiezin en bezield door een eerzuchtige ijver gelukte het hem niet alleen
binnen die termijn de meesterstitel te behalen, maar ook nog heel wat uren
te besteden aan de vele andere wetenschappen die zijn belangstelling hadden:
taalstudie, natuur- en sterrenkunde en medicijnen, zonder zich geheel van
het gezellig verkeer met zijn medestudenten af te zonderen: uit zijn
studentenjaren dateert onder andere zijn levenslange vriendschap met de
democraat Jan Valckenaer.
Als beroemd en niet meer jeugdig student had Bilderdijk zich een mate van
zelfstandigheid verworven, die een terugkeer in het ouderlijk huis, afgezien
van het weinig plezante humeur van zijn ouders, niet aantrekkelijk voor | | | | hem maakte: hij wist zijn vader dan ook te overreden hem
financieel te steunen tot hij zich in Den Haag een
praktijk als advocaat had weten te veroveren.
Naar zijn eigen zeggen was Bilderdijk het liefst
militair geworden. Waar zijn gestel hem uitsloot van wat zijn boeken hem als
het ridderlijkste beroep hadden leren verheerlijken, vond hij vergoeding in
de rol van die andere verdediger der onschuld, die:
De Wet herstelt in 't Godlijk Rechtsgezag;
Verdrukten redt, verdrukkers dwingt te sidderen.
Waar hij heur stem ter vierschaar dondren doet,
En, evenbeeld der Vaderlijke ridderen,
Rechtschapen deugd voor laffe schenders hoedt!
Van huis uit orangist en in Den Haag weldra een der steunpilaren van de
prinsgezinde partij en raadgever van Willem v, vond hij
die deugd vooral bij zijn door de ‘kezen’ verdrukte partijgenoten - beroemd
en berucht werd zijn verdediging in 1785 van Kaat Mossel, de befaamde
Rotterdamse visvrouw en orangistische gangmaakster - maar zijn
ridderlijkheid was niet zo partijdig, dat zij hem weerhield na de omslag van
1787 niet gelijke welsprekendheid voor ontrechte patriotten op te komen.
Een tijd lang kon het schijnen of de dichter Bilderdijk vrede gesloten had
met de wereld der normaliteit en zijn woord dat zo ridderlijk-strijdvaardig
over de balie klonk, in haar dienst had gesteld. In geen tijd van zijn leven
heeft hij zo weinig gedicht als in zijn studententijd en Haagse jaren. Het
kon zo lijken, zolang de normen der ‘gewone’ wereld hem in geen enkel
opzicht te kort deden, maar zodra dat niet langer het geval was, trok hij
zich op zijn eigen normen aan de andere zijde van de ‘klove’ terug. Een tijd
lang kon hij erin slagen de felle impulsen van zijn individualistisch gemoed
terug te dringen in de gangbare vormen van een geordend sociaal verkeer,
maar niet zonder dat er iets wrong en dat te meer, waar die impulsen met
zijn eigen redelijke bezinning in conflict kwamen. Bilderdijk was als meer
overgevoelige mensen zeer zinnelijk van aard en wel van een bijna
uitsluitend seksueel gerichte zinnelijkheid. Alle andere begerigheid was hem
vreemd en hoe kostbaar zijn royale hand zijn levenswijs ook kon maken, zijn
persoonlijke eisen waren zo sober, dat zijn vrienden zich soms bezwaard
voelden door het vorstelijk onthaal, dat hij zich zelf verplicht meende te
zijn hun te bieden. De onverbloemde hartstochtelijkheid van de gedichtjes
uit Mijn Verlustiging, al waren het dan ‘vertalingen’,
deed niet alleen vele lezers meesmuilen, maar liet ook de dichter niet
geheel met rust die immers juist nog in zijn bekroonde verhandeling de
wulpse poëten gekapitteld had. Gelukkig was de verhandeling nog niet gedrukt
en kon hij een passage inlassen, waarin... het minnelied nadrukkelijk van
die wulpsheid werd vrijgesproken en ook elders vond hij gelegenheid nog eens
te betogen, dat het de taak is van ‘reden, wijsheid en deugd heel het
samenstel onzer dierlijke en zedelijke driften onder haren scepter te
vereenigen’.
| | | |
‘Illuminatie en vreugdebedrijf gehouden door Kaat Mossel in de
gevangenis met de meit en naaister van den cipier op zondag den 28
november 1784.’ Ets door J. Hulstkamp. Atlas Van Stolk,
Rotterdam.
| | | |
Wij gaan op deze in zich zelf niet zo belangrijke episode uitvoerig in, omdat
ons inziens hier zo al niet het feitelijke dan toch het symbolische
uitgangspunt ligt van de romanticus Bilderdijk en wij in die romanticus wel
in de eerste plaats onze ‘erflater’ zien. Na deze enkele poging om de
felheid van zijn driften onder te drukken in de vlak kabbelende
verstandelijkheid waartoe de diepe redelijkheid der grote 18de-eeuwse
denkers in de zelfvoldane genootschapssfeer was afgevloeid, zou hij in zijn
persoonlijk leven en in zijn dichtkunst waarin dat leven zich bijna van dag
tot dag spiegelde, het gevoel en de intuïtie tot levende norm verheffen
boven het verachtelijk en struikelend mensenverstand en heel zijn scherpe
intelligentie en zijn macht over het woord gebruiken om dat... redelijk te
verantwoorden.
Wanneer Bilderdijk als een innerlijk vrij mens de wereld was ingetreden, dan
had hier ook het uitgangspunt gelegen tot zijn ontwikkeling naar een groot
en machtig en oorspronkelijk dichterschap. Maar Bilderdijk was, zoals we
gezien hebben, een aan alle kanten geremd man, een man zonder opperhuid en
dat zou zich wreken op ieder terrein waarop zijn veelzijdige en rusteloze
geest zich bewoog. Want hoe onweerstaanbaar de gevoelens ook waren die hem
steeds weer dreven tegen de normaliteit te zondigen, zijn remmingen lieten
hem niet toe om gelijk dat andere, daardoor alleen al zoveel hoger
uitgegroeide recalcitrante dichtergenie, Shelley, naar zijn eigen normen te
leven en die als nieuw en soeverein te stellen.
Bilderdijk had een te sterke persoonlijkheid om niet onder alle
omstandigheden zich zelf te zijn en zijn persoonlijke ingeving te volgen,
maar ook een te grote geremdheid en kwetsbaarheid om niet steeds te leven
onder de dwang tot rechtvaardiging van die persoonlijke ingevingen. Doet hij
dat aanvankelijk nog met een goedpratend advocatentrucje, zoals ten aanzien
van zijn uit de band gesprongen Verlustiging, wanneer het leven hem in ernstiger
conflicten trekt, kan zijn zelfgevoel daar niet mee volstaan. Voor de man
die geen enkele corrigerende autoriteit verdraagt is er maar één weg: door
middel van de onbeperkte macht van het woord waarover hij beschikt, alle
bestaande autoriteit voor zich en zijn ingevingen op te eisen: de autoriteit
der traditie, de autoriteit van het dogma, de autoriteit van de waarheid, de
autoriteit van het recht, de autoriteit van God. Hier liggen de wortels van
zijn groeiend conservatisme én van zijn mislukkingen in zijn persoonlijk
leven, zijn dichterschap, zijn historisch en wetenschappelijk werk.
In zijn persoonlijk leven kwam het eerste grote conflict uit zijn al te vurig
temperament voort. Een paar jaar na zijn vestiging in Den
Haag en de verloofde van Anne Luzac te Leiden, liet hij zich meeslepen in een minnarij met de beeldschone
Catharina Rebecca Woesthoven die in het voorjaar van 1785 tot een overhaast
huwelijk noodzaakte. Hoewel hij mogelijk toen al wel beseft heeft, hoe
weinig louter de gevoelens waren die hem aan Catharina Rebecca ketenden,
heeft hij er blijkbaar niet aan gedacht zich te onttrekken aan wat hij in
deze zijn plicht achtte, maar wat hij onherroepelijk afwees was het oordeel
van de wereld over zijn ‘misstap’. In zijn brieven aan zijn aanstaande vrouw
maakte hij de waarheid, Gods engelen en God zelf tot zijn bondgenoten en
toen hem twee maanden na zijn huwelijk een dochtertje ge- | | | | boren
werd, zong hij het toe, met een uitdagende blik over de wieg heen naar de
Haagse klappeien:
Wichtjen, 't was op mijn gebeên.
't Is aan geen onkuische lusten,
Die uw ouders dartel bluschten,
Dat gij 't schuldig zijt, o neen!
In enkele jaren had Bilderdijk zich in Den Haag een bloeiende praktijk
verworven en een goede naam als rechtskundig raadsman der orangistische
partij. Toen Willem v in 1787 op die onzalige gedachte
kwam de binnenlandse geschillen door buitenlandse inmenging op te lossen en
de Pruisen te hulp riep, zond hij dan ook Bilderdijk als raadsman in
bestuurlijke zaken naar de hertog van Brunswijk, de aanvoerder van het
binnenvallende leger. Het tekent Bilderdijks eigenaardig legalisme, dat hij
niet alleen geen bezwaar maakte tegen deze rol, die zijn politieke
tegenstanders landverraad noemden, maar dat hij zich meer dan op zijn
juridische adviezen liet voorstaan op de militaire bekwaamheid, die hij bij
deze gelegenheid getoond zou hebben en waarvoor Brunswijk hem na de
bezetting van zijn vaderstad met een ‘Tout cela n'est dû qu'à vous,
monsieur’ beloond zou hebben.
De ambten die hem na de triomf der Oranjepartij werden aangeboden, wees hij
af, half uit afkeer van ambtelijke gebondenheid die hij zijn leven lang zou
tonen, half omdat ze ver bleven beneden het loon dat hij zich al in de droom
had toegedacht. Hij bleef advocaat en pleitte, gelijk gezegd, nu
herhaaldelijk voor vervolgde patriotten, totdat de politieke weegschaal
opnieuw omsloeg, Willem v in januari 1795 naar Engeland
uitweek, de Staten van Holland ontbonden werden en de Provisionele
Representanten van het Volk van Holland de regering in handen namen. Als
advocaat van den Hove van Holland werd ook Bilderdijk uitgenodigd de door
deze voorlopige regering uitgevaardigde verklaring van de rechten van de
mens en de burger met een eed te bevestigen. Hij weigerde niet alleen, maar
vroeg vrijstelling ervan in een rekwest zo vol minachting tegenover de
nieuwe gezaghebbers, dat de uitwerking hem weinig verbaasd kan hebben: de
regering verzocht hem binnen tweeënveertig uur Den Haag en binnen acht dagen
de provincie te verlaten.
Willem Bilderdijk is wel zijn leven lang een
recalcitrant, maar nooit een opstandeling geweest en de ware motieven van
zijn gedrag in 1795 liggen dan ook nu weer achter het woord, ditmaal het
woord van recht en trouw aan Oranje, dat het al te menselijke in hem moest
dekken: zijn rijke praktijk had de man die in alles zijn grote allure trouw
bleef en zich bij voorbeeld in zijn Haagse jaren een bibliotheek van
zesduizend delen had aangeschaft, niet bewaard voor een steeds benauwender
schuldenlast en niet minder drukkend was hem zijn jammerlijk mislukt
huwelijk geworden, de vernedering van de vleselijke gebondenheid aan een
vrouw die hem vijf kinderen schonk waarvan er slechts twee in leven bleven,
en wier koel en kribbig ka- | | | | rakter haar weinig geschikt maakte
voor de rol van slavin en engel van zijn veeleisende liefde: kortom zijn
ballingschap was trouw ja aan Oranje, maar tegelijk een vlucht. Via Amsterdam en Groningen trok
hij naar Hamburg en vandaar op het eind van 1795 naar Londen, waar hij zo
goed en zo kwaad als het ging in zijn onderhoud voorzag met het geven van
rechtskundige adviezen en lessen in de vele vakken, die hij beheerste en ook
wel eens meende te beheersen en het tekenen van pastel-portretten.
In een van zijn leerlingen, de twintigjarige dochter van de Hollands-Duitse
schilder Schweickhardt, ontmoette hij daar het geluk van zijn leven: een
vrouw, die liefdevol en intelligent de onderdanige beschermengel werd van de
moeilijke man en in haar onuitputtelijke liefde en bewondering voor haar
dichter de kracht vond om in een leven vol zorg en smart gelukkig te zijn
met zijn aanhankelijke dankbaarheid. Maar in de wereld der normaliteit ziet
dit vinden van het geluk er zo uit: een berooid en met schulden beladen
banneling, echtgenoot en vader van twee kinderen, misbruikt het vertrouwen
van een beschermer door zijn dochter te verleiden en er is reden aan te
nemen dat Schweickhardt het geval inderdaad zo ‘normaal’ zag en dat de
dichter niet verzweeg. Ook hier kon hij alleen uit een voor zijn zelfgevoel
ondraaglijke positie bevrijd worden door het woord, dat twintig jaar
dichterschap hem met onbeperkte virtuositeit, twintig jaar strijd tegen de
normale wereld met onbeperkte innerlijke overtuigingskracht hadden leren
hanteren. Kan hij geen goud en juwelen aan de voeten van zijn geliefde
leggen, welnu hij grijpt naar de pen en verleent haar adeldom, naar de
tekenstift en ze beschikt over een al-oud familiewapen. Kan hij haar geen
verzekerd bestaan als zijn wettige echtgenote bieden, zou iemand het wagen
zijn daad naar de maat der normaliteit te meten, het woord maakt God tot
zijn bondgenoot en Gods soevereiniteit stelt hem boven iedere verdenking:
Wat leggen Priesterlijke handen
Bij andren, menschelijke banden
ô De onzen zijn door God gelegd.
Hij die ons voor elkaar bestemde,
Voor eeuwig hart aan harte klemde,
Hij is het zegel onzer Echt.
En in het bewustzijn daarvan vervangt hij de huwelijksakte door een
aantekening in zijn bijbel in uitdagend plechtig Latijn: ‘Anno 1797, op de
18de mei te Londen nam ik mij tot vrouw de zeer edele maagd Catharina,
Wilhelmina Schweickhardt, die de Almachtige God mij onverlet moge behoeden.’
Men zou Bilderdijks verwikkeld wezen alweer onrecht doen, wanneer men hierin
een soort advocatentrucje zag om zich aan iedere ethische verantwoording te
onttrekken. Het ontroerende ‘Gebed’ dat hij in deze dagen schreef, is een
onmiskenbaar getuigenis van een zware innerlijke strijd:
Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd.
Gij ziet me een prooi van mijn bedwelmde zinnen:
| | | |
Gij weet alleen hetgeen uw kind behoeft,
En mint het meer dan 't ooit zichzelf kan minnen.
Geef, Vader! geef aan uw onwetend kroost,
Hetgeen het zelf niet durft, niet weet te vragen!
Ik buig me neêr; ik smeek noch kruis noch troost;
Gij, doe naar uw ontfermend welbehagen!
Voor God kon hij zich verdeemoedigen, maar voor de mensen nooit. ‘Of ik wel
of kwalijk gehandeld heb,’ schreef hij aan zijn wettige vrouw op een reeks
verwijten die hij met evenveel beschuldigingen beantwoordde, ‘is tusschen
God en mij.’ God stond met hem en met hem alleen buiten de wereld der
normaliteit en het valt niet te ontkennen, dat waar hij zich tegen die
wereld keert, zijn zich één voelen met God tot een bijna identificatie
voert, waaruit meer de ‘God in 't diepst van mijn gedachten’ van zijn
niet-toevallige bewonderaar Kloos dan de deemoed spreekt. Zó, waar hij
herhaaldelijk de geest der eeuw dreigde met het ‘verterend vuur’ waarin de
‘langgetergde wreker’ het ál op de laatste dag zou doen opgaan; zó, waar hij
in een grafschrift op zijn levenslange, hulpvaardige vriend Valckenaer, deze
vrijdenkende democraat van zijn zonden ontsloeg, waar hij vertoornd, wanneer
Willem i zich het recht aanmatigde - net als hij! -
adeldom te verlenen, dit ‘aan God verzaken’ noemde, of hij in een gedicht
uit het begin van zijn ballingschap de gastvrije vreemdeling aansprak:
'k Ben Bilderdijk - Ge ontzet? Nu kent ge heel mijn
lot.
Die naam is nergens vreemd, waar de eerbied woont voor
In juli 1797 dreef een opdracht van de prins, de verwachting van de kans op
een professoraat aan een van de Westduitse universiteiten of zijn eigen
onrust en een conflict met Schweickhardt of mogelijk ook dit alles bij
elkaar hem naar Brunswijk, waarheen Catharina Wilhelmina hem volgde om er
naar ridderlijke trant als ‘mevrouw van Heusden’ het lot van Herr Von
Teisterbant te delen. Een lot dat niet licht was: een jaargeldje van de
ex-stadhouder en een van de hertog konden hem niet bewaren voor eindeloos
les geven en nooit aflatende geldzorgen. Voortdurend sukkelend aan echte of
ingebeelde kwalen, meende hij steeds het einde nabij te zijn en begroette
het in zijn verzen met sombere opluchting. Buiten staat door een royale
bekentenis van zijn echtbreuk met zijn eerste vrouw te breken, droeg hij nog
jaren lang de last van een onwaardige dubbele rol, waaraan Catharina Rebecca
in 1802 door een eis tot echtscheiding een eind maakte. Opmerkelijk, dat de
traditionalist Bilderdijk zich ook daarna niet geroepen voelde zijn tweede
huwelijk te wettigen en waar dat pas gaf de echtbreuk als een van de
gruwelen zijner zondige eeuw geselde. Inmiddels had zijn tweede vrouw hem
een aantal hartelijk welkom geheten kinderen geschonken, maar ook hierin
vervolgde hem het lot: van hun negen kinderen heeft alleen de laatstgeborene
zijn ouders overleefd.
| | | |
In het begin van 1806 waren de politieke verhoudingen in het vaderland
zodanig verschoven, dat Bilderdijk meende op de
uitnodiging van enige vrienden te kunnen ingaan om naar de Republiek terug
te keren. Hij was er nauwelijks aangekomen of de republiek was een
koninkrijk geworden, niet echter het koninkrijk der Oranjes waar hij van
gedroomd had, maar onder de broer en het creatuur van de ‘onmens’ Napoleon.
Doch geen wereldlijk gezagvoerder zou beter in de droom van de romantische
dichter passen dan de romantische Lodewijk die zich Koning droomde. In die
koningsdroom vervulde de Dichter een onmisbare functie en het was die
onmisbaarheid vooral, waar de nu vijftigjarige banneling zo lang naar
gehaakt had, meer dan naar het koninklijk jaargeld van ƒ6000 dat hem, gezien
zijn aard, evenmin uit de geldzorgen hielp als 's konings gunst en
opdrachten uit zijn vervreemdingswaan. Immers na tien jaar haken naar een
geïdealiseerd vaderland, kon de werkelijkheid van het klimaat en de
huisvesting af tot de heersende geest toe hem alleen maar reddeloos
ontgoochelen. Slechts één vernieuwing benaderde zijn ideaal: de monarchie,
zij het dan zonder Oranjevorst. Tomeloos in zijn gevoelens, maar vooral in
zijn woorden-zegt hij zelf niet ergens dat de dichter onwillig en onwetend
woorden gebruikt ‘die verder loopen dan zijn eigen oordeel ze goedkeuren
zou’ - was hij bereid in brallende verzen niet alleen Lodewijk te
verheerlijken, maar ook het gezag dat achter zijn gezag stond en het weldra
opzij zou schuiven: de nog kort tevoren gesmade en vervloekte Napoleon.
Waarmee hij intussen, zoals in het vlak der normaliteit te verwachten was,
niet de bewondering en de gunst van de veroveraar voor de onverstaanbare
dichter van een verachtelijk miniatuurstaatje verwierf, maar wel de ergernis
en de verontwaardiging van zijn landgenoten die als in '87 alleen het
‘verraad’ zagen. Van zijn positie als hofdichter bleef onder het keizerrijk
weinig over, slechts door bemiddeling van oude vrienden kreeg hij een
opdracht tot medewerking aan de vertaling van... de Code Napoléon!
Gaan we uit zijn gedichten zijn stemming na, dan blijkt, dat hij zich in de
vier jaren hofgunst onder Lodewijk nauwelijks minder ongelukkig voelde dan
in de vier jaren van vergetelheid onder Napoleon of in de schijn van
satisfactie die het koningschap van Willem i hem bracht.
Men kan dat aan zijn vele persoonlijke tegenslagen wijten, zijn
lichaamskwalen en die van de geliefde vrouw, het verlies van zijn kinderen,
de eeuwige geldnood, de teleurstelling, dat hij onder geen bewind geroepen
werd tot het professoraat, waarin hij meer en meer zijn roeping én het hem
toekomend ereambt zag. Men kan het wijten aan ‘de geest der eeuw’, waartegen
hij zo rusteloos getoornd heeft, maar behalve dat hij daarbij, zoals we
straks nog zullen zien, wel zeer verschillende geesten in één spookgestalte
liet samenvloeien, men zou daarbij toch ook van een redelijke logica
uitgaan, die wordt gelogenstraft door het bestaan van tal van gelijkmoedige
pechvogels en minder wrevelige wereldhervormers én die weinig strookt met de
door Bilderdijk zelf tot beginsel verheven romantische antiredelijkheid.
Daarom begint, wie hier naar een redelijke verklaring uit de omstandigheden
zoekt, aan de verkeerde kant. In
De Kunst der Poëzy
, dat Bilderdijk in 1809 in ‘Felix Meritis’ te Amsterdam voordroeg en waarin hij afrekende met de knutselende
verzensmeden, de met | | | |

Een door Bilderdijk eigenhandig getekende kaart van de ‘Eerste
Wareld’. Bilderdijkmuseum, Amsterdam.
| | | | ‘liksteen, schaaf en vijl’ uitgeruste kunstrechters en de
betogende filosofen, en voor de soevereiniteit van het gevoel opkwam, zegt
hij:
'k Bleef in mij-zelf bepaald, doorzocht mijn eigen
ziel,
En vond de waarheid daar, die zich verscholen hiel.
'k Zag alles opgelost in 't eenig zelfgevoelen;
Dit, grondslag van mijn zijn, bewustzijn, en
bedoelen.
Dit zelfgevoelen was het dat hem tot een rusteloze zwerver van land tot land,
van stad tot stad, van huis tot huis maakte, tot de eeuwig ontevredene, de
‘Grote Ongenietbare’ zoals Huizinga hem gedoopt
heeft, tot de niets-genietende tegelijk, de sobere-uit-begerigheid, de
versmader uit verlangen. Dat zelfgevoel toch verbood hem steeds weer met
welke aardse onvolkomenheid ook genoegen te nemen, omdat dat afbreuk deed
aan de hoogheid van de droom, waarin hij zijn norm had gesteld.
Niet alleen de kunst der poëzie diende hem om van dat gevoel als laatste
waarheid te getuigen. Toen er aan het Atheneum te Amsterdam in 1815 een
hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde benoemd zou worden, meende
Bilderdijk daarop te mogen rekenen, én omdat hij zonder twijfel de
bekwaamste gegadigde was, én ook omdat hij, zij het uit de tweede hand,
reeds een toezegging in die richting van Willem i had
gekregen. Toen hij echter voor de onbenullige Van
Capelle werd gepasseerd, begon het ‘voddige Amsterdam’ waarheen
hij in 1809 na een kort verblijf in Den Haag en
Leiden met het hof van Lodewijk mee verhuisd
was, hem tegen te staan en hij verhuisde naar Leiden. De ‘woordbreuk’ van de
koning was de genadestoot aan het ideaal dat hij zich van het herstel van
het huis van Oranje gemaakt had, het verwerkelijkte en daarom niet meer te
idealiseren ideaal, dat slechts verworpen kon worden en dat zich in zijn
vroege ouderdom door geen nieuw meer liet vervangen. Van dat ogenblik af
verviel hij meer en meer tot een wrokkend cultuurpessimisme dat zich van het
aardse afwendde in een groeiende zekerheid van de spoedige wederkomst des
Heren en van een mystiek verkeer met de overzijde van het graf. Juist dat
cultuurpessimisme moet aantrekkelijk geweest zijn voor de jongelingschap van
omstreeks 1820, die krachtig genoeg was om in verzet te komen tegen het
lamzalig optimisme van de restauratie. In Leiden zag Bilderdijk de student
Da Costa weer, die hem al in Amsterdam als
vijftienjarige knaap met zijn eerste dichtproeven tegen het kloppend hart
gedrukt was komen opzoeken en zeer welwillend ontvangen. Spoedig werden ook
Da Costa's vrienden onder anderen Capadose en de
beide zoons van Van Hogendorp in de kring
opgenomen en nu rees het plan dat Bilderdijk voor deze jongelieden uit de
volheid van zijn kennis en de gloed van zijn overtuiging een privatissimum
over de vaderlandse geschiedenis zou houden. Hij zelf wilde niets liever en
begon reeds in het najaar van 1817 met de lessen die de grondslag zouden
worden niet alleen van zijn
Geschiedenis des Vaderlands
, maar ook van zijn diepgaande invloed op de jonge generatie.
Ondanks niet aflatende kwalen en zorgen en een toenemende zwakte van hoofd
door het regelmatig gebruik van opium als slaapmiddel | | | | liet hij
zich toch half door de jeugdige ijver van zijn gevolgschap half door zijn
groeiende afkeer tegen iedere vernieuwing meeslepen in een reeks van
polemieken, zoals tegen de Siegenbeekspelling, de koepokinenting, het
‘vrijheidsspook dezes Tijds’, culminerend in de grote pennestrijd over Da
Costa's reactionaire geloofsbelijdenis:
Bezwaren tegen den Geest der Eeuw
.
In 1826 dwong zijn gezondheidstoestand hem zijn colleges te staken. Hij
verhuisde nog weer eens naar Haarlem, waar hij -
zelf vergeleek hij, die eens zijn dichtvuur als een briesend strijdros had
voorgesteld, zich in zijn ouderdom bij een oude baker, die het dodeinen niet
meer laten kon -bijna tot het laatst toe voortging zijn gevoelens en
gedachten in verzen te laten uitstromen. Hij stierf er in het laatst van
1831, nadat de trouwe Catharina Wilhelmina hem een jaar eerder was
voorgegaan.
Dit omtrent een leven, dat ondanks zijn bewogenheid zijn betekenis voor het
nageslacht uitsluitend ontleent aan het werk waar het zich in spiegelde.
Dat werk bestaat in de eerste plaats uit ruim tweeduizend grote en kleine
gedichten of wel geteld meer dan driehonderdduizend versregels. De voor de
hand liggende opmerking, dat er veel kaf onder dit koren zit, is in zekere
zin niets anders dan een bevestiging van zijn waarachtig dichterschap, in
die zin namelijk, dat voor deze zwijgzame man die naar zijn eigen zeggen in
proza nooit kon zeggen wat hij wilde en zoals hij het wilde, het vers de
natuurlijke uitingsvorm was van al zijn gevoelens, ook de meest banale: ‘een
onvermoeibaar versifex, de bezinger van het onbezingbare’, met de woorden
van Huet. Wanneer we ons echter afvragen waarom
deze geboren dichter, die nog bovendien het - overigens in vele opzichten
twijfelachtig - voorrecht geniet door een grote politiek-religieuze groep
van de natie als profeet te zijn gemonopoliseerd, vrijwel niet meer gelezen
wordt, dan kunnen we dat niet aan dat ‘kaf’ alleen wijten. Waar is de grote
dichter wiens werk zich als een totaliteit handhaaft? Het gaat er niet om,
dat ook de goede Bilderdijk wel eens geslapen heeft, maar dat het praktisch
onmogelijk is een bloemlezing van zuivere juwelen uit dit omvangrijke oeuvre
bijeen te zoeken, omdat vrijwel ieder stuk van zijn hand uitdrukking is van
zijn geniale, maar geboeide, geremde, gehavende persoonlijkheid, omdat dit
werk vol leven, intuïtie, hartstocht en temperament bijna nergens gaaf en
ongedwongen is uitgegroeid. Terecht heeft Van
Vloten in zijn bloemlezing uit Bilderdijks werk ernaar gestreefd een
representatieve, niet een keurcollectie te geven en Kloos die dat laatste wel poogde te doen, gaf een weinig boeiend
geheel. Wat wij in de dichter, de geleerde, de denker, de mens Bilderdijk
bewonderen is altijd weer het fragment, de inval, die óf door gebrek aan
zelfbeheersing ontspoort óf bij gebrek aan soeverein zelfbesef overpraat
wordt. Zijn natuurlijke ontwikkeling als dichter van gereglementeerd
classicistisch dichtgenootschapper naar individualistisch romanticus is
daardoor beknot. Want hoe fel hij ook op-toornde tegen de ‘waanwijze’
Abderieten die ‘de vrije vlucht der geestdrift’ wilden inkorten, toch kon
hij geen afstand doen van het gezag der classicistische retoriek, van die
pronk van rollende woorden en holle beelden die hij met zijn fenomenale
beheersing der versificatie zo indrukwekkend hanteerde. Hij kon dat te
minder, waar zijn verkommerende jeugd, zijn zwak ontwikkelde | | | |
zintuigen, heel zijn binnenkamers lichamelijk en geestelijk gestel hem
afgesloten had van die diepe bron van inspiratie, eenvoud en
beeldvernieuwing, waar andere romantici zo rijkelijk uit geput hebben: het
contact met de natuur.
Het vermogen om zich te ‘vermeien in het groen’ miste hij volkomen. Wanneer
de goedige Lodewijk Napoleon of welmenende vrienden hem een weldaad dachten
te bewijzen door hem een rustig zomerverblijf aan te bieden, vluchtte hij er
na een paar dagen ‘doodziek’ weg of zijn brave vrouw moest om erger te
voorkomen op het laatste nippertje de uitnodiging met een tactvol briefje
afwijzen. De natuur kende hij eigenlijk slechts als decor van het speels
vermaak der klassieke godenwereld en het is opmerkelijk, dat in het werk van
deze al-bezinger de natuurpoëzie zeer schaars is en wat er nog is zelden
doorleefd aandoet. Ja, bij het lezen van zijn gedichten rijst vaak de
gedachte - waarvan wij de verklaring en uitwerking gaarne aan de psychologie
overlaten -of alle ‘vermeien’ hem niet vreemd was. Dat voert ons nog even
terug op wat wij hierboven van zijn soberheid zeiden. Tafelgenot kende hij
niet, muziek, spel en dans zijn hem vreemd en zijn erotische poëzie is
eigenlijk niet erotisch maar puur seksueel, het erotisch spel ontbreekt
erin, is uiterst zwak of doet zich in een wonderlijk geperverteerde vorm
voor als in de ballade van Jonkheer Brand van Wijk. Zijn erotiek kent maar
één vorm: de ‘omhelzing’, maar één symbool: de ‘echtkoets’, maar één,
puur-mannelijk gericht, verlangen: de onderwerping. Ook daarin was hij een
ridder, dat zijn vrouwenverering naar de weinig verfijnde trant der
ridderpoëzie al te gauw uitloopt op de eis van het ‘sine wille doen’.
Aan zijn jeugd terugdenkend schreef hij in 1818:
Toen reeds zong ik zonder beven
Moedig en rechtschapen Bard,
Boven lof en smaad verheven,
Met een vrij en open hart.
Wie aan de waarheid van deze woorden twijfelt, maakt Bilderdijk daarmee nog niet tot een uitzonderingsfiguur: geen
dichter zingt uit openhartigheid. De dichter staat altijd aan de kant van de
verbeelding en tegenover de werkelijkheid - binnen en buiten hem -
onverschillig of zijn verbeelding een vlucht uit, een verbloemen of een
ontkennen van, een spotten met of een protest tegen die werkelijkheid is.
Bilderdijk die het dichterschap in al deze aspecten gekend heeft, vat in een
van zijn schoonste fragmenten, waarmee de onvoltooide
Ondergang der eerste wareld
afbreekt, al zijn verschijningsvormen in de grote Troosteres samen:
Gij Dichtkunst, reine Geest des Hemels, mij bij 't
leven
Tot zalfster aller weën, geleide en schuts gegeven;
En trouwe gezellin door ballingschap en plagen
Mijn wellust tot aan 't eind der mij bestemde dagen!
| | | |
Om echter ook voor anderen dan de dichter zelf zo een reine Geest des Hemels
en zuivere Troosteres te kunnen zijn moet de verbeelding voor alles haar
afstand met de werkelijkheid handhaven, dat wil zeggen niet irreëel worden,
maar zich los maken van de kleine persoonlijke werkelijkheid van de dichter
zelf. Niet in een aantal al of niet gedrukte platte aardigheden of onkiese
toespelingen of in de starheid van zijn overtuiging, maar in dit
dooreen-halen van verbeelding en werkelijkheid ligt mijns inziens het
‘ongenietbare’ in de dichter die Vondels opvolger
had kunnen zijn en zijn meerdere in menselijke veelzijdigheid was. In zijn
in aanleg grootse verbeelding, voortdurend geremd door de kleine
prikkelingen die zijn ziel zonder opperhuid van de werkelijkheid ervaart, in
het werkelijke leven er voortdurend op bedacht de held van zijn verbeelding
te zijn en als zodanig erkend te worden, leeft hij als een gefnuikte arend
in de hoenderhof.
Het moet die romantisch-individualistische overgevoeligheid geweest zijn, die
hem tot zielsverwant maakte van een man, wiens ideeën hij zo weinig deelde:
Rousseau, wiens Confessions hij vertaalde, hoewel hij in
hem ‘een geesel des menschdoms, erger dan Attilla’ zag.
Wanneer wij Bilderdijk niet meer lezen en wij lezen hem niet meer - het feit
alleen al dat het hem in 1906 gewijde gedenkboek een partijboek en enkel een
partijboek was, bewijst dat - dan is het doordat zijn geremdheid als mens
hem belette als dichter afstand te doen van het gezag van het imponerende
woord en hem dwong zijn reële zelf telkens meer dan levensgroot voor zijn
verbeelding te dringen. Zelfs zijn meest geïnspireerde gedichten, als
Afscheid
doen dat - in de titel al - in zo'n mate, dat een onrechtvaardig
strenge vergetelheid van een van de mooiste strofen slechts de laatste helft
spaarde.
't Hangt niet aan een los geval
In het nu wat worden zal.
En hoe velen van die het citeren kennen de herkomst ervan?
In zijn wetenschappelijk werk moest dit dooreenhalen van droom en
werkelijkheid zich nog meer wreken. Bij de veelzijdigheid van dat werk
kunnen we daarvoor slechts op enkele terreinen bewijzen aanvoeren.
Bilderdijks taalen letterkundige studiën die niet minder dan dertig delen
omvatten, zullen ook door hen die zich nu nog als dragers van zijn ideeën
beschouwen, niet meer worden geraadpleegd. Men zou dit misschien ten dele
kunnen toeschrijven aan het normale verouderen van alle wetenschappelijke
arbeid, ja het sneller verouderen zelfs juist van die revolutionerende
gedachtenvondsten die ook volgende generaties tot verhoogde activiteit
prikkelen. Maar dan toch zeer ten dele, en wel omdat ten eerste de
vruchtdragende gedachte in Bilderdijks taalkundige geschriften, de gedachte
namelijk van het orga- | | | | nisch karakter van de taal, zowel in de
taalbouw als in het taalgebruik geen persoonlijke vinding van hem is, maar
een punt van de organische opvatting der geesteswetenschappen van de
romantiek waarvan Bilderdijk, hoe oorspronkelijk-soeverein hij zich zelf ook
zag, ja hoe wezenlijk oorspronkelijk zijn romantiek ook was in het Nederland
van omstreeks 1800, ten slotte toch de Hollandse vertegenwoordiger was. In
de tweede plaats zou de huidige taalwetenschap zeker nog in staat zijn de
grootheid van de gedachten van een voorganger te erkennen, indien zij daarop
voortbouwend, er geheel of gedeeltelijk bovenuit gegroeid was, gelijk zij
met eerbied het werk van Lambert ten Kate of
Jacob Grimm herdenkt. Maar een grote liefde voor de taal, een aangeboren en
voortdurend geoefend taalgevoel, een vindingrijke scherpzinnigheid en een
rusteloze belangstelling en ijver hebben Bilderdijk er niet van kunnen
weerhouden ook in de wetenschap de droom tot norm te nemen en die aan de
werkelijkheid op te leggen met het gevolg dat er in zijn taalkundige nog
minder dan in zijn dichterlijke nalatenschap één gaaf stuk te ontdekken
valt. Het is altijd weer de vrees om te kort te schieten door de bekentenis
van zijn onwetendheid, die er hem toe drijft zich alwetend te voelen en voor
te doen op al die terreinen waar zelfs zijn veelomvattende geest niet meer
dan toevallige noties kon bezitten en die noties tot pijlers van zijn
intuïtieve systematiek maken. Buiten staat het evenwicht te vinden tussen
wegwijzende inspiratie en controlerend onderzoek, verklaart hij zijn
invallen voor onfeilbaar en maakt het ‘bewijs’ tot hun slavin. En ook hier
weer behoeft die onfeilbaarheid de steun van een onaantastbare autoriteit.
In 1823 schreef hij aan Da Costa: ‘Ja, mijn lieve
Vriend, het is één der weldaden (der uitstekendste misschien) van de
Voorzienigheid aan deze onze leeftijd, een nieuw licht daarover te
verspreiden [over de taalwetenschap namelijk], en een weg ter erkentenis van
Jezus Christus, van val en verderf, en terug-brenging. En zonderling is het
bestuur geweest dat mij, van zeer vroeg af, daar zulk een belang in deed
stellen en zoo aan verknochtte, en tevens zoo buiten de invloeden van
schrijvers en meeningen hield, en (ik mag het U zeggen, geen ander) telkens
als een bliksemslag een nieuw en verder inzicht gaf dat mij telkens
verbaasde en wegsleepte in dankgevoel en verheuging. Ja, mijn lieve Vriend,
de kennis is van ons niet. Zij ligt in ons opgesloten, verduisterd; en het
is niet dan door inspiratie dat er 't licht op flikkert
waardoor wij ze ontwaren en zij als ontluikt. Mocht men dit wel begrijpen!
Men zou zien en gevoelen; niet wroeten om steentjes voor goud op te delven,
waar alle schat is begraven, maar niet gevonden wordt zonder fakkel, die wij
onszelven niet kunnen ontsteken, en die door haar licht beschenen ons
onwederstanelijk tegenflonkert en treft: De waarachtige αυτοδίδακτος is θϵοδίδακτος en de ανθρωποδιδασκαλία is niet of valsch [dat is ongeveer:
zelfontwikkeling is ontwikkeling door God, maar de mensengeleerdheid is
nietig of valsch] en -maar gij verstaat mij.’
Dit lange citaat moet niet slechts dienen om aannemelijk te maken, wat alleen
met vele bladzijden voorbeelden aan te tonen zou zijn, dat de meeste van de
zesduizend etymologieën die Bilderdijk in de loop van zijn leven optekende,
dat zijn inzichten over het letterschrift en de geslachten van de
zelfstandige | | | |

Willem Bilderdijk. Schilderij door C. Hodges. Rijksmuseum, Amsterdam.
| | | | naamwoorden, over het Nederlands als ‘Oostersche taal’ en over
de wijze van ontstaan van alle talen uit één grondtaal en de vormen daarvan
die zijn ‘inspiratie’ hem onthulde niet alleen waardeloos zijn geworden,
maar dat altijd zijn geweest.
Dit citaat kan ook - juist waar het uit een brief aan zijn uitverkoren
discipel is - duidelijk maken, dat zijn historische belangstelling voor de
taalmonumenten, waarvan zijn uitgaven van het werk van Maerlant, Hooft, Huygens en Van der Goes, zijn
bestuderen en afschrijven van middeleeuwse handschriften getuigen, een
invloed hebben gehad op de volgende generaties, waardoor zijn inspiratie op
meer gedisciplineerde en minder geremde geesten vruchtbaarder heeft gewerkt
dan op hem zelf.
En in de derde plaats doet dit citaat ons beseffen, hoezeer de eenling
Bilderdijk exponent was van de grote Europese cultuurstroming der romantiek,
naar zijn vorm, zijn inhoud, ja zelfs naar zo een individualiserende
terugwijzing van de werkelijkheid als in dat tussenzinnetje: ‘en tevens zoo
buiten de invloeden van schrijvers en meeningen hield.’ Zulke terugwijzingen
zijn bij een geest als Bilderdijk als vingerwijzing niet te verwaarlozen. Er
blijft genoeg in Bilderdijk te bewonderen zonder hem voor een
bovennatuurlijk wonder te houden, dat zich buiten iedere invloed van buiten
af ontwikkelde en er zou meer in hem te bewonderen zijn, wanneer hij zonder
vrees voor verlies van zijn oorspronkelijkheid zich voor die invloeden had
kunnen openstellen en zonder vrees voor verlies aan autoriteit ze had kunnen
erkennen. Die invloeden en Bilderdijks reactie erop na te speuren zou een
studie op zich zelf zijn, een staaltje ervan vinden we in zijn omgang met
Jacob Grimm waarin de grootste taalgeleerde zich verreweg de bescheidenste
toont: ‘Seine Ansichten scheinen mir oft einseitig und unhaltbar, immer aber
scharfsinnig und erregend. Ich lerne, wenn ich ihn lese, wenn schon nicht
das, was er lehrt,’ schreef Grimm. In 1819 zond hij aan Bilderdijk het
eerste deel van zijn Deutsche Grammatik, Bilderdijk
antwoordde niet, maar toen hij in 1826 zijn
Nederlandsche Spraakleer
uitgaf, bleek tot schade van zijn naam maar al te duidelijk, dat
hij - de formulering lijkt ons niet gewaagd - Grimms boek niet had durven
uitlezen. Niet had durven uitlezen, uit vrees er gedachten in tegen te komen
die, aan de zijne verwant, hij dan niet meer voor zijn eigen zou kunnen doen
doorgaan.
Wat we van Bilderdijk als taalgeleerde zeiden, geldt mutatis mutandis van
Bilderdijk als historicus, met dit verschil echter, dat waar zowel in de
taalals in de geschiedwetenschap reeds de volgende generatie zijn werk als
verouderd terugwees-zijn leerling Groen van
Prinsterer sprak van: une armure antique, objet curieux, mais inutile
dans nos luttes et qu'on transporte de l'arsenal au musée' - door de nauwere
verbinding van historie en leven zijn geschiedkundige opvattingen zowel in
wekkende als in reactionaire zin veel langer hebben doorgewerkt.
De
Geschiedenis des Vaderlands
in tijdig overleg met Bilderdijk na zijn dood door Tydeman naar
zijn collegedictaat uitgegeven, laat zich met recht karakteriseren als een
doorlopend kritisch commentaar op de
Vaderlandsche Historie
van Jan Wagenaar: de inhoud van het
laatste deel, dat van 1751- | | | | 1813 loopt en waar Wagenaar hem in
de steek liet, bewijst dat voldoende. Maar deze afhankelijkheid, niet minder
bepaald door Bilderdijks ongeschiktheid tot gezette en systematische studie
van bronnen en literatuur als door zijn afkeer en dús wetenschappelijk
afwijzen van de staatsgezinde opvattingen van zijn leidsman, had dit grote
voordeel, dat hij twijfel wekte aan tal van eeuwenlang als onwrikbaar
voorgestelde historiebeelden, die wel lang niet altijd door hem zelf door
betere werden vervangen, maar dan toch door anderen (Groen van Prinsterer, Bakhuizen van den
Brink, Fruin) op de fundamenten die
hij had blootgelegd. Aan het voorafgaande werk van Kluit - dat hij daarmee van binnen de collegemuren naar een groter
publiek bracht - ontleende hij zijn opvattingen omtrent de middeleeuwen als
niet meer iets voorlopigs, een donker tussentijdperk, maar als iets beters
waar een terugslag op volgen zou. Maar zijn kritische instelling tegenover
alle staatse tradities leidde hem ook tot geheel oorspronkelijke inzichten:
Fruin noemde hem de enige van onze geschiedschrijvers, ‘die een open oog
voor de verdiensten onzer oude landsheeren heeft en die gevoelt, hoeveel het
behoud der godsdienstige en burgerlijke vrijheid ons gekost heeft’, met
andere woorden die oog heeft gehad voor de betekenis van de
centralisatiepolitiek der Bourgondiërs. Bilderdijk was ook de eerste die,
omdat hij als legalist kritisch tegenover de Opstand stond, besefte, dat de
bevolking destijds nog in meerderheid katholiek moet zijn geweest.
Deze nieuwe inzichten in wat een onwrikbare feitenreeks had geleken,
Bilderdijks begrip voor de formele en juridische structuur der middeleeuwse
maatschappij, zijn waardering voor Filips en Alva, zijn afkeer van Oldenbarnevelt en De
Witt, zijn minachting voor De Groot mogen
al zo vele onthullingen voor zijn studenten geweest zijn, zijn
cultuurpessimisme mag als alle pessimisme iets fascinerends gehad hebben
voor hun jeugd, de kern van zijn invloed die tot ver in hun later leven
reikte en in de Leidse academische wereld ergernis en ontsteltenis wekte,
lag elders. Wat zijn studenten het meest moet hebben geboeid was, dat zijn
geschiedbeschouwing één geheel vormde met zijn wereldbeschouwing en hoe
eigengereid ook en op die zeer aparte wereld van het eigen nationaal
verleden gericht, zich toch nolens volens inschakelde in het
antirationalistisch, organisch historiebeeld der romantici met hun afkeer
van de naar zij meenden onnatuurlijke, rationalistisch uitgedachte
instellingen der Franse Revolutie.
Bilderdijks invloed reikt tot ver in de 19de eeuw en zelfs daaroverheen, maar
perkt zich meer en meer in tot die groepen van de bevolking, waarvoor wat
bij hem spontane en individuele reactie op de tijdgeest was, tot grondslag
wordt van een wereldbeschouwing en een politiek program waarvan Bilderdijk
waarschijnlijk niet voetstoots het vaderschap erkend zou hebben. Zijn
invloed toch was in wezen tweeledig: hij was de man, die coûte que coûte de
stroom van zijn tijd had willen keren, hij was ook de man die in de
zelfgenoegzame doodstromigheid van het restauratietijdperk beweging had
gebracht. In die laatste functie kon zijn invloed zeer breed zijn: Groen en
Thorbecke, Da
Costa en Potgieter konden erin delen. In
de eerste zet zijn geest zich het zuiverst voort in het Reveil, waarvan hij
terecht de grootvader is ge- | | | | noemd. Het geenszins
aristocratische genie Bilderdijk had, uit hoofde van zijn uitzonderlijkheid,
mytisch-christelijke deemoed, zij het dan uitsluitend tegenover God, en
zelfbezinning met aristocratisch zelfbesef kunnen verenigen. Maar waar hij
niet aan een Byzantijns of Russisch hof, maar in een Nederlandse burgerlijke
maatschappij leefde, kon die houding alleen tot een leer worden in een
besloten maatschappelijke kring, waar de gemeenschap het zelfbesef sterkte
en de beslotenheid de consequenties van de deemoed uitsloot. De starre
verering van zijn overtuigde volgelingen, heeft zijn vergetelheid als het
ware verhaast. Naarmate toch de kerkelijke partijen hem uitdrukkelijker als
hun profeet opeisten, neigden de andere groepen ertoe hem als partijman af
te wijzen, als partij-god neer te halen (zie de aanvallen van de enige
waarachtige Nederlandse romanticus naast hem: Douwes
Dekker). En-erger zonde zoal niet tegen zijn geest dan toch tegen
zijn grootheid-om het dogma te redden, dat deugd = behoudend christendom,
moest de arme zondaarskant van zijn wezen door zijn volgelingen of weg- of
goedgepraat worden, moest hij of als deugdheld met ‘kleine vlekjes’ of als
oud-testamentische aartsvader worden voorgesteld en het onrechtmatige van
zijn uit nood geboren aanspraken op onfeilbaarheid als het ware voor eeuwig
vastgelegd door ze al te nadrukkelijk te legaliseren.
Tot in de inspiratie van het nageslacht toe bleef hij beneden wat had kunnen
zijn. Het zaad van de romantiek dat hij met volle handen had uitgestrooid,
kiemde slechts kwijnend. De blauwe bloem deed het niet op polder-peil. Tot
Da Costa, Beets, Potgieter, Schaepman en ten Kate sprak zijn
rusteloosheid en verlangen naar het onbereikbare minder dan juist dat wat
hij niet had kunnen overwinnen: de macht van het woord en de overdaad van
zijn verzenstroom. De nadreun daarvan in hun dichtwerk en de
deugdzaam-heidsloutering van zijn postume partijgangers sloten hem af van de
bezieling van die groep van dichters die-slechts daarin zijn geestverwanten
-ernst zouden maken met het romantisch individualisme en de verhevenheid van
het dichterschap, waarvan hij hier de eerste priester was geweest. Kloos ontdekte hem niet voor hij in de ontaarding
van zijn individualisme tot een ziekelijk egocentrisme zijn geestverwant
geworden was en Verwey sprak voor alle overige
tachtigers, toen hij bij de Bilderdijkherdenking van 1906 weigerde hem als
dichter te vieren, omdat ‘wie de dichter Bilderdijk viert,
niet het leven viert, maar de dood’ en
hem ‘dit groote, maar aller-ondichterlijkste verstand’ noemde. Een uitspraak
die misschien wel representatief mag heten, maar toch meer de tachtigers dan
Bilderdijk karakteriseert.
Vier jaar later besloot Geerten Gossaert een veel
breder opgezette ‘rechtvaardiging’ dan die van Kloos met de woorden: ‘In de
letterkundige geschiedenis, eindelijk, opent hij de periode der individuele
poëzie des gemoeds, en vertoont hij zich, na een tijdperk van door
misverstand zijner werken veroorzaakte verguizing, als de vader van dien
schoonen opbloei der nederlandsche poëzie, van welken ons het geluk te beurt
valt de bewonderende toeschouwers te zijn.’ Sinds dit geschreven werd is er
meer dan zestig jaar verlopen, en daarin werd duidelijk, dat de
hartstochtelijke retoricus Gossaert voor een literair Bilderdijk-reveil
heeft aangezien wat niet meer was dan een persoon- | | | |

Willem Bilderdijk op zijn sterfbed. Gravure door P. Velyn. Foto Universiteitsbibliotheek,
Amsterdam.
| | | | lijke zielsverwantschap met de hartstochtelijke
retoricus Bilderdijk. Ook de schim van het
gefnuikt genie zijn de vleugels niet opnieuw gewassen. Zijn legende werd het
museumstuk van een partij, zijn waardering de taak van de historicus.
|
|
|