|
|
|
| |
| | | |
Joan Derk van der Capellen
| |
De tribuun der burgerij
Il n'y point de liberté où tout est tranquille.
montesquieu
Bij de velen, al-te-velen wier historiebeeld slechts de verflauwde
weerspiegeling is van wat de meester op school hun voorfabelde, omdat later
lust en gelegenheid ontbraken het zelf te toetsen en te boetseren, zijn vage
noties over de ‘pruikentijd’ met even vage over ‘onze patriotjes’ verbonden.
Patriotjes die ‘ergens’ in de 18de eeuw zeer larmoyant en roerig geweest
moeten zijn, zoals met name uit hun hoofdliefhebberij, het exerceren, valt
op te maken en die het vooral gemunt hadden op de brave vorst-en-vader
Willem v, welke Willem gelukkig echter een uiterst
doortastende ‘gade’ had die, terecht verontwaardigd natuurlijk over haar
aanhouding bij ‘waar-was-'t-ook-weer’, met behulp van haar broer, de koning
van Pruisen, aan al dat onwaardige gedoe een einde gemaakt heeft. Als zij
dan naarstig opgelet hebben op school, weten zij ten slotte ook nog, dat
diezelfde parmantige patriotten wat later de Fransen in het land gehaald
hebben, dat dit het begin van alle ellende geweest is - en het vonnis is
eens en voor goed geveld zowel over die onvaderlandslievende gezellen die
zich om de een of andere onnaspeurlijke reden voor de ware vaderlanders
hielden als over hun voorman, de opperdruktemaker Van der Capellen, een
baron nog wel, doch die zich nochtans verlaagde tot het schrijven van een
lasterlijk pamflet tegen onze laatste stadhouder.
En zelfs de vermoedelijk niet-velen, wier belangstelling in de vaderlandse
geschiedenis bestand gebleken is tegen de twee eerste delen van Colenbranders
Patriottentijd
, zijn in wezen niet veel verder, omdat deze schrijver, die, zoals
de volledige titel van zijn boek ook zegt, de patriotten-beweging
‘hoofdzakelijk naar buitenlandse bescheiden’ bewerkt heeft, daardoor voedsel
heeft gegeven aan de voorstelling, alsof de patriotten - evenals de
prinsgezinden trouwens - slechts marionetten in de handen van buitenlandse
kanselarijen en gezantschappen geweest zouden zijn.
De lezers van de Leidse hoogleraar kennen Van der
Capellen, het is waar, behalve als auteur van
Aan het Volk van Nederland
, ook nog als de vertaler van enkele brochures van Price en
Fletscher, als degene die als lid van de ridderschap van Overijsel tegen het
uitlenen van de Schotse brigade en vóór de erkenning der Verenigde Staten
van Noord-Amerika ageerde, die de afschaffing van de drostendiensten in zijn
gewest voorstond en op een verbond met Frankrijk aanstuurde. Maar zij hebben
tegelijk geleerd, de betekenis van de idealistische landjonker vooral niet
te overschatten. Zij zien hem als iemand die veel wilde misschien, doch
weinig vermocht en niets bereikte en die, mislukt als hij is, wel de
belichaming schijnt van de ietwat karikaturale beweging die hij meende te
leiden, maar die feitelijk buiten hem omging en | | | | die, voorzover
zij dan werkelijk politieke betekenis had, haar dragers vond niet in hem,
maar in de drie Hollandse pensionarissen Van Berckel, Zeeberg en De
Gijselaar. Geen lezer van Colenbrander zal althans, geloven wij, op de
gedachte komen, in Van der Capellen een figuur te zien die suo
jure een plaats verdient in deze galerij van drie dozijn grote
Nederlanders en dit eigen recht ontleent aan de omstandigheid, dat hij en
niemand anders de grondlegger geweest is van de moderne democratie in
Nederland.
Willen deze bladzijden derhalve een eerherstel van Van der Capellen zijn? Ja
en neen. Nee, voorzover dit reeds geschied is. Dr. M. de
Jong Hzn. heeft in zijn 1921 verschenen dissertatie over Van der
Capellen een ‘staatkundig levensbeeld’ van hem ontworpen dat aan al de eisen
van een eerherstel voldoet. Ja, voor zover - men mag het zonder de schrijver
te kort te doen aannemen - slechts weinigen dit boek zullen kennen en
slechts zeer weinigen zich de moeite getroost zullen hebben de bijna
achthonderd bladzijden door te worstelen. Doch van die zeer weinigen zal dan
ook niemand het boek dichtgeslagen hebben zonder een gevoel van minstens
respect voor deze noeste werker, wiens inzicht niet bedolven geraakt is
onder zijn materiaal-massa en die kennelijk tot het laatste toe bezield
gebleven is met die oprechte liefde voor zijn onderwerp waarzonder niets van
belang tot stand komt. En wat die onverzwakte trouw in dit geval betekent,
kunnen diegenen althans vermoeden die weten, dat alleen de indertijd door De
Beaufort uitgegeven brieven van en aan Van der Capellen meer dan
achthonderdvijftig bladzijden druks bestaan, waarbij dan nog de honderden
bladzijden nalezingen van Sillem en Van der Meulen komen, ongerekend de reeds in Van
der Capellens tijd uitgegeven krantenartikelen, memoriën, adviezen en
bescheiden waarvan alleen die van Van der Kemp
betreffende Van der Capellens admissie in de ridderschap van Overijsel een
boekdeel van tegen de tweehonderdvijftig pagina's vormen.
Ofschoon onze schets dus niets nieuws aan het werk van onze voorganger in
deze heeft toe te voegen, mag zij daarom toch niet overbodig heten. Er is
geen wetenschap die zo nauw verbonden is met het leven der mensen als die
der historie, die immers dat leven beschrijft, maar die dat dan ook alleen
kan doen, als zij van haar kant dat contact met het leven onderhoudt. Anders
dan vele historici in hun domme geleerdheid menen, is de zogenaamde
popularisering der geschiedwetenschap, wel verre van deze van haar eigenlijk
doel te vervreemden, veeleer daarvan een onmisbaar deel. Ja, door die
eigenaardige, maar onmisbare wisselwerking, tegelijk haar kroon en
postament.
Op 2 november 1741 beviel Anna Elisabeth van Bassen, echtgenote van jhr.
Frederik Jacob Derk van der Capellen, ten huize van haar vader te Tiel van een vrij min kindje, een jongen, die Joan
Derk gedoopt werd. Van zijn eerste jeugd weten we niets, want eerlijk bekend
is ook de toevoeging ‘vrij min’ slechts een gevolgtrekking, zij het dan geen
willekeurige, uit de telkens herhaalde klachten van de volwassene over zijn
gezondheid: op zijn zesentwintigste jaar spreekt hij al van zijn ‘dodelijke
zwakheid’; op zijn achtendertigste noemt hij zich ‘inderdaad reeds
versleeten’ en dat hem hier niet de cri- | | | |

Joan Derk van der Capellen. Gravure door L. J. Cathelin. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | sis misleid heeft, die zoveel mannen omtrent hun veertigste
pleegt te overvallen, bewijzen de plaatsen in zijn brieven, die in telkens
andere woorden die klacht herhalen en waarvan men er drieëntwintig in vijf
jaar tijds kan tellen. En tenslotte zijn slechts acht jaar ingespannen
arbeid voldoende geweest om zijn krachten te slopen: hij stierf toen hij nog
maar tweeënveertig was.
Door die onkunde omtrent zijn jeugd ontbreekt ons de sleutel die zo vaak het
geheim van iemands later leven vermag te ontraadselen - tenzij wij dat
geheim dan juist willen zoeken in het feit, dat deze man wiens
hervormingsdrift op een nieuwe conceptie van het individu berustte en die
dan ook, ondanks zijn zakelijkheid, voortdurend van zich zelf vervuld is,
ons al of niet opzettelijk omtrent zijn jeugd onkundig heeft gelaten. Als
een soort ‘argumentum e silentio’ voor zijn prille moeilijkheden. Want de
levensgang van hervormers is wel steeds moeilijk van het begin af aan. Ja,
wie zal zeggen, hoe vaak juist de moeilijkheden van hun eigen jeugd bij dit
type de bodem bereidden voor het zaad der revolutie, dat zij in hun rijpe
leeftijd oogstten?
Het is op zichzelf zeker niet uitgesloten, dat vernieuwingsneiging ook door
het milieu gewekt kan worden. Men heeft in dit geval wel aan invloed gedacht
van de grootvader, te wiens huize Joan Derk geboren is en zijn eerste jaren
sleet. Daarvoor bestaat in zoverre grond, dat de oude heer Bassen te zijner
tijd en op zijn manier ook zo geen stuwer dan toch een aanhanger van iets
nieuws geweest was. Als burgemeester van Arnhem in
1707 was hij een fel partijganger van de ‘Nieuwe Plooi’ die na de dood van
Willem iii er tezamen met de gemeenslieden op uit was om
de regeringsreglementen van die stadhouder af te schaffen en de in
verdrukking geraakte privileges te herstellen. Hij had zelfs gewapenderhand
zijn partijgangers in Wageningen op het kussen
gebracht. Maar het had hem, bij een nieuwe omslag, ook zijn ambt gekost. In
1708 werd hij levenslang uit Arnhem gebannen, waarna hij de rest van zijn
leven, teruggetrokken in Tiel, tijd te over had om zich bij de studie der
geschiedenis zijn mislukking te herinneren en haar in die der klassieke
letteren te vergeten. Onmiddellijke invloed van grootvader Bassen op de
politieke voorstellingswereld van Van der Capellen is echter
onwaarschijnlijk, gezien het feit, dat de eerste reeds vóór 1750 gestorven
is. En wat waarschijnlijk niet van zijn grootvader gekomen is, is het zeker
niet van zijn vader en moeder. De vader toch was een ongemakkelijk heer,
waar Joan Derk later geen goed woord voor over heeft en die hij er zelfs van
verdacht zijn huwelijk tegengewerkt te hebben, alleen omdat de oude man zelf
wenste te hertrouwen en hij als excuus daarvoor het ontbreken van een
nakomelingschap kon voorwenden, doch uiteraard slechts zolang zijn zoon
ongehuwd bleef. Zijn moeder blijft een schim. Zij stierf trouwens al, toen
Van der Capellen nog maar zeventien was en hij spreekt over haar evenmin als
over zijn jeugd.
Toen hij in 1758 zijn moeder verloor, studeerde hij al in Utrecht na eerst de Latijnse school te hebben doorlopen in Den Bosch, omdat zijn ouders zich in de buurt van
Brabants hoofdstad op hun buitengoed te Appeltern
aan de Maas gevestigd hadden. Die studie werd, academisch gesproken, een
mislukking. Ofschoon hij vijf jaar college gelopen heeft - wat lang is voor
die tijd - heeft Van der Capellen nooit enig examen gedaan. Zijn vijanden
hebben | | | | ook dit, zoals gebruikelijk, later tegen hem
uitgespeeld. Voor hen bleef hij zijn leven lang de ‘gesjeesde student’.
Alsof het niet eervoller ware tot het eerste dozijn Nederlandse staatslieden
te behoren, dan een onbekend nummer in de eindeloze reeks van Nederlandse
doctoren of zelfs professoren te zijn. Ook objectief behoeft het nageslacht
er niet rouwig om te wezen, dat het met zijn studie niet vlotten wilde: een
geleerde is er stellig in Van der Capellen niet
verloren gegaan. Wat hij aan wetenschap wist, laat zich vermoedelijk wel op
twee planken bergen, waarvan we er dan nog één moeten reserveren voor de
Vaderlandsche Historie
van Wagenaar. Want overal sleepte Van
der Capellen het volumineuze evangelie van de gematigd-patriotse, maar dan
toch patriotse geschiedschrijver mee, en zeker heeft niemand ooit die
twintig delen zo grondig bestudeerd, of het moest Bilderdijk wezen die uit haat deed, wat Van der Capellen uit
liefde vermocht.
Doch hoe onbelangrijk voor ons nu het ‘sjezen’ van Joan Derk ook moge zijn:
voor hem zelf zal men de betekenis ervan nauwelijks kunnen overschatten. Er
is in zijn latere actie zonder twijfel een grondtoon van ressentiment, een
streven naar wat de moderne psychologie het overcompenseren van een
minderwaardigheidsgevoel noemt en het is moeilijk in te zien, waar de
oorsprong van dit gevoel bij deze adellijke jonkman die weliswaar arm was,
maar blijkens zijn later leven om rijkdom ook niet maalde, anders in gelegen
zou zijn dan in de mislukking van zijn studie. Als mislukking immers moesten
hij en zijn tijdgenoten wel zien, wat ons nu veeleer een onbegrepen protest
lijkt tegen verouderde universitaire methoden, Latijn beveelt hij later als
grondslag voor studie aan, maar Grieks was voor hem die toch in het land en
de eeuw der klassieke filologie bij uitstek leefde, al niet meer dan een
curiositeit. Eer een blijk van onafhankelijke intelligentie, dan van het
omgekeerde.
Zo moge hij dan aan de Academie heftig afgewezen hebben wat hem niet lag, wat
hem wel lag, zal hij met gretigheid hebben opgenomen. Van professor Trotz,
de onderzoeker en uitgever van onze ‘grondwetten’ als het Groot-Privilege,
de Pacificatie van Gent, de Unie van Utrecht en dergelijke heeft hij stellig
het staatsrechtelijk denken geleerd, dat hij later tot wanhoop van zijn
vijanden te pas wist te brengen. Van groter belang nog voor hem zou het
zijn, dat hij zich reeds te Utrecht naast het gebruikelijke Frans op de
studie van het Engels toelegde, wat veel zeldzamer was en het eerste teken
bij hem van de richting waarin zijn denken zich ging bewegen. De stroom van
nieuwe gedachten, we hebben het bij Hemsterhuis
en bij Betje Wolff al gezien, kwam toen uit het
westen en niet uit het zuiden. Maar het allerbelangrijkste zijn misschien
nog de beide vriendschappen met zijn medestudenten Meinhard Tydeman en Van der Capellen van de Marsch. De eerste
bleef zijn vriend en vraagbaak in de jaren, dat hij door zelfstudie het
verzuimde trachtte in te halen: met de tweede, zijn neef ook, verbond hem
een vrienden wapenbroederschap die alle politieke stormen - en dat zegt wat
bij Joan Derk! - zou doorstaan.
Maar met dat al, toen hij in 1763 met stille trom uit Utrecht vertrok: geen
examen, geen promotie, geen positie en geen geld, maar wel een vader met wie
hij in onmin leefde en wel een zenuwcrisis die hij vijf jaar later nog niet
| | | | te boven was. ‘Kunt ge wel gelooven, dat alleen het
afschrijven dier aanmerkingen en een kort briefje ... mij doodaf gemaakt
heeft, zodat ik niet meer in staat was, de eene periode met mijn gedagten
aan de andere te hegten?’ schreef hij nog in '68. En al die jaren zwierf hij
als gedulde gast op de buitenplaatsen van zijn gegoede familie rond en ook
wie niet wist, dat hij er zelf aan dacht om maar ‘naar zee’ te gaan - en dat
wilde in zijn omstandigheden zeggen: de mislukking erkennen-zou destijds
verzucht hebben, dat het met Joan Derk niets gedaan was.
Uit welke bron is de kracht gespoten die hem in staat gesteld heeft, niet
alleen om zich te herstellen, maar een, ja zelfs de hoofdfiguur te worden
van een beweging, waarvan de beginselen de eeuw die op de zijne volgde, zou
beheersen? Was het dat, waaraan men zo vaak bovenmenselijke kracht
toeschrijft, omdat het zich op een bovenmenselijk object schijnt te richten,
was het: godsgeloof? De geschiedenis van Van der Capellen is geen
bekeringsgeschiedenis. Ongelovig was hij niet, orthodox zelfs, naar eigen
overtuiging, maar tegelijk tolerant, doch ook dat weer met mate. De
predikanten vond hij een ‘genus irritabile’, doch een verbinding van de
emancipatie der dissidente doopsgezinden, katholieken en joden met de
politieke eisen der gereformeerde burgerij zou hij later toch ontraden. Was
het - andere bronwel soms van wonderen-, was het een vrouw, zijn vrouw? Van
der Capellen is inderdaad in de zomer van '66 getrouwd met freule Hildegonda
Anna Bentinck, bij wier ouders, te Wittenstein
tussen Elburg en Kampen
woonachtig, het jonge paar voorlopig zijn intrek nam. Het huwelijk was,
misschien, niet ongelukkig, maar er is niets, wat er op wijst, dat hij
gedaan heeft wat hij deed of zelfs maar begonnen is te doen om háár. Onder
alle brieven die van hem bewaard zijn gebleven, is er niet één van of aan
zijn vrouw. Laat zich dat mogelijk nog verklaren uit hun bijna voortdurend
samenzijn, méér zegt, dat ook in nauwelijks één daarvan over haar gesproken
wordt en niets wijst er dan ook op, dat hij bij haar de steun gevonden
heeft, laat staan de inspiratie die een man van zijn aard en onder zijn
omstandigheden zozeer behoeft.
Was het dan ten slotte een zaak, een ideaal waarvoor hij zijn lusteloosheid
afschudde? Hoe vreemd het klinkt bij deze man die later inderdaad het oude
‘Terar dum prosim’, het ‘moge ik verslijten, als ik maar nuttig ben’ als
devies kon nemen - het was ook dat niet. Bij zijn pogingen om tot de
ridderschap te worden toegelaten eerst van Zutphen
en, toen dat niet lukte, van Overijsel, blijkt uit niets, dat hij dit
nastreefde om de een of andere politieke overtuiging, welke ook, te doen
zegevieren. Rest zijn wil. Wat het ideaal om te slagen niet had kunnen
bewerken, bewerkte de noodzaak om zijn mislukking te wreken. Het wekte zijn
wil en stootte die op tot de waarlijk verbazingwekkende hoogte die dit korte
leven met ononderbroken actie zou vullen. ‘Wil’ zou men met een variant op
een bekende spreuk kunnen zeggen ‘en alle andere dingen zullen u toegeworpen
worden’: hoogheid van gezindheid, lust om die in daden om te zetten en de
zedelijke moed om de dader van die daden te zijn. Door zijn wil om zich zelf
te hervormen, werd Van der Capellen een hervormer van zijn land, opgetild en
gedragen door het nieuwe denkbeeld der ‘menselijke waardigheid’ dat in zijn
leeftijd van algemeen humanis- | | | | tisch ideaal tot ideologisch
fundament werd van de zich emanciperende burgerij. Wil men Van der Capellen vieren, men doe het hem als eerste
woordvoerder dier burgerij bij haar nog onzeker tasten om dat ideologisch
fundament tot grondslag van politieke actie uit te bouwen.
In de historie, niet van de geest, maar in die van alledag werkte dit zich
intussen uit als een proces waarbij de geschiedschrijver meer van
onmenselijkheid en althans van onwaardigheid dan van menselijke waardigheid
moet vertellen, wil hij aan zijn eerste plicht, die van de waarheid te
zeggen, niet te kort doen. Zijn loon is dan, dat zijn verhaal er te
boeiender om wordt, zoals ook de historie van Van der Capellen, menen we,
opnieuw zal leren.
De onwaardigheid begint al aanstonds bij de ‘historie zijner admissie’ tot de
Overijselse ridderschap en dat wel eigenlijk nog meer door Van der Capellen
zelf dan door zijn tegenstanders. Wie deze historie naleest in het boek dat
Van der Kemp, de doopsgezinde predikant uit
Leiden en een van zijn heftigste partijgangers,
er in 1785 aan gewijd heeft, zal daar niets van bespeuren. Uit die
bladzijden rijst slechts het beeld der vermoorde onschuld op. Maar de latere
geschiedvorsing heeft een ander beeld geschetst. Zij ziet Van der Capellen
in 1769 de havezate de Breedenhorst in Salland van de oude juffrouw Muntz
kopen, maar zij weet, dat dit een schijnkoop was om te voldoen aan de
wettelijke eis van het bezit van een onbezwaard riddergoed ter waarde van
minstens ƒ20000. Want de verkoopster verstrekte niet alleen zelf de koopsom
als lening, maar zij behield bovendien het recht zowel om er te blijven
wonen, als ook om de koop elk ogenblik weer ongedaan te maken.
De latere geschiedvorsing heeft ook meer begrip getoond voor het verzet der
Overijselse ridderschap tegen het toelaten van deze buitenstaander én
vanwege haar standsbesef en ‘esprit de corps’ én omdat ook zij wel weten of
althans vermoeden kon, dat het met de verwerving van zijn riddermatig goed
weinig ridderlijk was toegegaan. Ten overvloede weten wij nu ook, dank zij
die moderne vorsing, dat Van der Capellen er in die jaren allerminst voor
teruggeschrokken is om voor zijn toelating de hulp van Den
Haag in te roepen. Zijn neef Alexander Philips, kamerheer van de
prins, zette hij onbekommerd aan het werk zonder hem opening van zaken te
doen. In maart '72, toen succes nog altijd uitbleef, vertoefde hij zelf
veertien dagen in de hofstad om bij Van Bleiswijk, de raadpensionaris, zijn
zaak te bepleiten en één van zijn argumenten daarbij is een aanval op zijn
toekomstige collega's waarvan velen volgens hem onrechtmatige bezitters
waren, - omdat hun bezittingen verhypothekeerd zouden zijn. En nog zou hij
niet zijn toegelaten, wanneer 5 juni '72 de ridderschap niet mokkend
gezwicht was voor het overwicht van de stadhouder die, toen, in de
gunsteling een mogelijk instrument zag voor de versterking van zijn eigen
politiek in het altijd weerbarstige gewest. Pas in '75 ging ook formeel de
Breedenhorst weer over aan haar feitelijke bezitster en kocht Van der
Capellen van de drost van Haxbergen het buiten aan de Reest: De Pol, vanwaar
de naam stamt ‘tot den Pol’, waaronder de geschiedenis hem kent.
Triomfant was de intocht van Joan Derk in de politiek bepaald niet. De eerste
beraadslagingen die hij in de Staten moest aanhoren, betroffen een reg- | | | | lementswijziging, welke beoogde het achterdeurtje te grendelen
waardoor hij binnengeglipt was. Maar weldra verplaatste hij zelf de strijd
naar breder terrein. Hij bleek toch geen eerzuchteling van dertien in het
dozijn. Zijn eerste actie gold verzet tegen de ‘augmentatie’
(legerversterking) en aandrang op ‘equipage’ (vermeerdering van de vloot):
merkwaardig genoeg voor een edelman uit een der landprovinciën en een
bewijs, dat Van der Capellen, hij moge dan al zonder program de Staten
binnengekomen zijn, er zich toch spoedig een begon te vormen. Een program
zelfs van nationale politiek, wel niet democratisch nog, maar toch reeds
voldoende scherp omlijnd. Het eerste Britse wereldrijk, op dat moment na de
Zevenjarige oorlog en vóór de afval van de Noordamerikaanse koloniën op het
toppunt van zijn macht, was voor hem dé vijand die zowel Hollands handel als
zijn koloniaal bezit bedreigde. Vandaar dat een betere vloot eerste eis ener
nationale politiek was. En met die vijand was sinds het huwelijk van Willem
ii het Huis van Oranje door dynastieke banden
verbonden, zodat het zelfs zijns ondanks gedoemd was om een a- zo niet een
anti-nationale politiek te voeren. Verzet tegen die politiek betekende
tegelijk verzet tegen de legerversterking, want het leger was het instrument
dat uiteindelijk de exorbitante rechten van de toenmalige stadhouder
schraagde, wiens positie met name in de gewesten met een regeringsreglement
die van een absoluut monarch nabijkwam.
De creatie in dat zelfde jaar '72 - het jaar nog wel van de herdenking der in
1572 verworven vrijheid - van een zestigtal generaals en ook de hinderlijke
militaire jurisdictie die recht sprak ook over vrouwen van soldaten en zelfs
wel over burgers die het met soldaten aan de stok gekregen hadden, stijfden
Van der Capellen bovendien in zijn anti-leger-politiek waarbij het in wezen
ging om een verzet tegen een staand leger dat zowel in de hogere als lagere
rangen krioelde van vreemdelingen. Wat er op het oorlogsbudget - na de
versterking van de vloot - aan geld overbleef wilde hij - eerste
democratisch geluid - besteed zien aan verbetering van de gages van
Nederlandse onderofficieren en manschappen. Nationalisering en betere
betaling van het leger zou het tegelijk tot een minder bruikbaar instrument
voor de insluipende monarchie maken. ‘De vrijheid,’ zei hij, ‘heeft steeds
openlijke en bedekte vijanden, zowel als onbedachtzame vrienden en hierom is
zij met geen mogelijkheid te behouden, dan door een allerwaakzaamste
jaloezie van de kant van het volk.’ En vooral van een volk dat als het
Nederlandse voorrechten te verdedigen had, te weten, de vrijheid om ‘zijn
gedachten over staatszaken onbelemmerd aan elkaar mee te delen’ en het
‘inklevend recht van de mens’, waarmee Van der Capellen dezelfde ‘rechten
van de mens’ bedoelde, die vier jaar later in de onvergetelijke
Onafhankelijkheidsverklaring der Verenigde Staten van Noord-Amerika zouden
worden vastgelegd: ‘wij houden deze waarheden voor vanzelfsprekend: dat alle
mensen gelijk geschapen zijn; dat zij door hun Schepper bedeeld zijn met
onvervreemdbare rechten; dat tot deze rechten behoren: leven, vrijheid en
het streven naar geluk; dat, ter verzekering dezer rechten onder de mensen
regeringen zijn ingesteld, die hun rechtmatige macht aan de toestemming der
geregeerden ontlenen; dat, wanneer enige regeringsvorm deze doeleinden
dreigt te vernietigen, het het recht | | | |

De readmissie van Van der Capellen in de vergadering van
ridderschap en steden van Overijsel op 1 november 1782. Anonieme
ets. Rijksprentenkabinet, Amsterdam.
| | | | van het volk is, hem te veranderen of af te schaffen en een
nieuwe regering in te stellen, die haar fundament heeft in zodanige
beginselen, en haar gezag organiseert in zodanige vorm, als hun het meest
geschikt zullen lijken om veiligheid en geluk te waarborgen.’
Hoe nieuw, ja revolutionair deze gedachten in werkelijkheid ook waren, men
zou zich vergissen, wanneer men dacht, dat Van der
Capellen ze ook als zodanig beschouwde. Veeleer was het
omgekeerde het geval. Wat Huizinga eens opgemerkt
heeft omtrent het revolutionaire streven vóór de Franse revolutie - en
gedeeltelijk geldt het ook nog voor haar - namelijk dat het veel meer uit
was op herstel van een (vermeende) oude ideaal-toestand, dan op het scheppen
van een nieuwe, geldt ongetwijfeld voor Van der Capellen. Toen hij in 1774
de brochure van de Engelsman Andrew Fletscher uit 1698 -
Staatkundige Verhandeling over de noodzaekelikheid eener
welingerichte Burger-Land-Militie
- vertaalde, viel deze eis voor zijn bewustzijn samen met een
vertraagde uitvoering van artikel viii der Unie van
Utrecht, krachtens hetwelk alle mannelijke inwoners tussen achttien en
zestig jaar voor de landsverdediging konden worden opgeroepen. Het was
echter, behalve in enkele noodjaren, altijd een dode letter gebleven.
Nu, als later, was ‘Grondwettig herstel’ zijn ideaal. Hij heeft zelfs niet
bemerkt, hoe deze burgermilitie die volgens het genoemde artikel als
achterban bedoeld was, bij hem werd tot wat men een contraban zou kunnen
noemen waarin de kiem van burgeroorlog besloten lag. Hetzelfde geldt voor
zijn latere oppositie tegen Willem v, terwijl hij toch
het stadhouderschap als zodanig niet afwees. Ofschoon hij het aan de ene
kant als een anomalie beschouwde naast de soevereiniteit der Staten, wat het
sinds 1581 inderdaad ook was, wilde hij het aan de andere kant met een
beroep op 1672 en 1747 als een uiting van de voor hem soevereine volkswil
zien, in feite echter behouden, omdat hem vaag iets als een constitutioneel
koningschap voorzweefde. Zo deed hij steeds nieuwe wijn in oude zakken. En
men kan hem dat niet eens verwijten, want de last der traditie drukte
loodzwaar, zowel op hem als op de Republiek. Die loodzware last schiep de
behoefte aan verjonging, maar betekende tegelijk dat men er niet onderuit
kon. Vandaar de halfslachtigheid in Van der Capellens politiek en nog meer
in die der patriotten in het algemeen. Het is deze halfslachtigheid welke
wij niet ontkennen, maar als onvermijdelijk erkennen, die Colenbrander en anderen tot hun wanbegrip omtrent
de patriottenbeweging verleid heeft.
Uit de bovenomschreven algemeen politieke instelling van Van der Capellen
vloeide zijn houding in de vraagstukken der praktische politiek vanzelf
voort. Toen de Engelse gezant Yorke in 1775 namens zijn koning de zogenaamde
Schotse Brigade ‘te leen’ vroeg om haar te gebruiken tegen de Amerikaanse
opstandelingen en ook de Staten van Overijsel daarover te adviseren kregen,
bracht Van der Capellen op het einde van dat jaar een rapport uit dat de
uitlening ontried. Zijn advies betekende tegelijk een sympathiebetuiging
voor de Amerikaanse vrijheidshelden. Tegen hen zag hij liever janitsaren dan
troepen van een vrije staat gebruiken. ‘Haatelijk is die onnatuurlijke
broederkrijg daar zelfs de wilden [Indianen] zig niet in willen mengen...
| | | | haatelijker zou het zijn, dit een Volk te zien doen [het
Nederlandse], dat zelf slaaf is geweest: den naam van rebellen ook gedragen,
en zig eindelijk vrij gevochten heeft; maar allerhaatelijkst moet dit den
ondergeteekenden voorkomen, die de Americaanen eens ieders achting weerdig
oordeelt, en hen aanmerkt als braave lieden, die de regten, die zij als
menschen niet van de Wetgevende Magt in Engeland, maar van God zelven hebben
ontfangen, op eene bezadigde, manmoedige, godvrugtige wijze verdedigen’ -
en, met duidelijke toespeling op het eigen land - ‘op een wijze, die hij
hoopt, dat allen volken, die in hunne voorregten mochten verkort en tevens
nog zo gelukkig zijn, van tot derzelver behoud of herwinning eenige
poogingen te kunnen aanwenden, tot een opwekkend voorbeeld zal strekken.’
Zoal niet uit het geheel, dan kan men uit deze laatste zin al wel opmaken,
dat Van der Capellen, toen hij dit advies opstelde, zich daarbij als forum
niet zijn knikkebollende medeleden, maar het publiek voorgesteld heeft, die
duizenden buiten de aristocratische regering gehouden burgers, kooplieden,
industriëlen en leden der vrije beroepen die er óf net zo over dachten als
hij óf waarvan hij toch hoopte, dat zij er zo over zouden gaan denken. En
het nieuwe is dan ook (en het was niet minder dan een schandaal) dat dit
advies zijn weg vond in de nog jonge patriottische pers. Dat er uit een
vergadering van een regentencollege iets uitlekte, en dat zelfs vóór het
besluit gevallen was, was inderdaad destijds iets zó ongehoords, dat Van der
Capellen zijn figuur met een foefje moest proberen te redden. De eerste
publikatie was, heette het, buiten zijn wil en weten geschied én slechts
omdat die onvolledig en onjuist was, was hij zelf tot openbaarmaking van het
oorspronkelijke stuk overgegaan. Maar van het nut van een beroep op de
publieke opinie was Van der Capellen eens en voorgoed overtuigd, want dat
Yorke ten slotte zijn verzoek introk en de natie daardoor de schande
bespaard bleef beulsdiensten verricht te hebben bij de worging van een
pasgeboren vrije staat, schreef hij, zeker niet geheel ten onrechte, meer
nog dan aan zijn advies op zich zelf aan de publikatie daarvan toe.
Die was de eerste les die Van der Capellen uit zijn staatkundige ervaring
putte. De tweede was, dat er op de prins niet viel te bouwen. Het was op
diens aandrang namelijk, dat zijn eerst genotuleerd advies uit de notulen
gelicht werd, een diskwalificatie die hij niet alleen nooit vergeten, maar
ook nimmer vergeven zou. Het kwaad zat blijkbaar dieper - en hoger in de
staat waarmee hij zijn eigen lot steeds meer ging identificeren. Dit inzicht
verruimde zijn horizon. Door zijn belangstelling voor de zaak der Amerikanen
gedreven, begon hij Engelse kranten en publikaties te lezen en hij stuitte
daarbij op de Observations on civil liberty, van de
reverend Richard Price, de kampioen van de vrijheid der Amerikaanse
kolonisten in het moederland, dat daar destijds (1776) grote opgang maakte.
Na één maand kwam reeds de vijfde druk van de pers en de vertaling die Van
der Capellen er nog in hetzelfde jaar onder de titel
Aanmerkingen over den aart der burgerlijke vrijheid
van gaf, was naar de elfde bewerkt.
Volgens sommiger mening heeft Prices boekje de Onafhankelijkheidsverklaring
van 4 juli zo niet veroorzaakt, dan toch verhaast. In hoeverre dat | | | | waar is, moeten wij hier in het midden laten. Maar
waarschijnlijk is het, dat Van der Capellens vertaling er het hare toe
bijgedragen heeft de stemming hier te lande ten gunste van de opstandelingen
te keren. En zeker dat Joan Derks patriottisch hart van trots zwol, wanneer
hij in die Verklaring onder andere las ‘dat een vorst, wiens karakter van
dien aard is, dat al zijn daden als die van een tiran beschouwd mogen
worden, ongeschikt is om over een vrij volk te heersen’ en hij daarbij aan
de Verlatinge van 1581 dacht en met name aan de zin daaruit ‘dat
d'ondersaten niet en zyn van Godt geschapen tot behoef van den Prince...
maar de Prince om d'ondersaten wille.’ Hij was trouwens de enige niet wiens
gedachten bij de wereldhistorische gebeurtenissen dier dagen in het verre
Amerika naar het eigen verleden teruggingen. Ook Pieter
Paulus vergeleek de ‘Articles of Confederation’ van 4 oktober
1776 met de Unie van Utrecht en Willem v zelf die
duizenden door hun ‘landsvaders’ aan Engeland als soldaten verkochte
Duitsers had doorgelaten ter verscheping naar Amerika, kon zich slechts uit
de pijnlijke vergelijking redden door de Onafhankelijkheidsverklaring een
parodie van de Afzwering te noemen.
Van 1776 af voerde Van der Capellen één strijd op twee fronten, waarbij de
grootsheid van het ene hem voor ondergang in de kleinheid van het tweede
behoedde: in de buitenlandse politiek voor de erkenning der Verenigde
Staten, dat wilde zeggen vóór Frankrijk en tegen Engeland en in de
binnenlandse, op gewestelijke schaal nog: voor de afschaffing van de
drostendiensten in Overijsel.
Wat deze laatste waren, is moeilijk met een enkel woord te zeggen. Maar het
staat, na de onderzoekingen van de eerder genoemde dr. De Jong wel vast, dat het méér was dan een rest van feodaliteit
zonder praktisch belang die een bepaald soort geschiedschrijving erin heeft
willen zien, om de betekenis van Van der Capellens strijd ertegen te
verkleinen.
Oppervlakkig bezien schijnen zij die de drostendiensten als een nauwelijks
voelbaar juk beschouwen, gelijk te hebben. Tweemaal 's jaars ‘eens bij hooi
en eens bij gras’ moesten de boeren uit een drostambt de drost twee dagen
hand- en wagendienst verlenen, waarbij de eerste dan nog voor 5 stuiver, de
tweede voor een gulden 's jaars afkoopbaar was gesteld. Maar op de keper
beschouwd, lag de zaak anders. Het ging Van der Capellen en zijn
geestverwant Racer die er destijds reeds een uitvoerige studie aan wijdde,
niet om de knikkers, maar om het spel. De drostendiensten bleken bij
onderzoek geen rest van horigheid - voor zover deze, op de domeinen, nog
bestond, hebben de patriotten, als goede bourgeois vol eerbied voor de
eigendom, haar onaangetast gelaten - maar een usurpatie der drosten, waarbij
deze ten eigen bate gebruik maakten van hun recht als ambtenaar om in
noodgevallen de bevolking tot ‘waken, graven en landshoede’ te pressen. En
juist die schijnbare rechtsgrond maakte het voor Van der Capellen moeilijk
om op te komen tegen wat hij in feite knevelarij wist te zijn. Want ofschoon
als de gedroomde voorganger van een ‘derde partij’ naast die van Oranje en
de regenten, in wezen revolutionair, schrikte hij, als ware hij voor dit
eigen wezen bevreesd, voor elke maatregel zonder rechtsgrond in het
bestaande terug.
| | | |
Excercitie van de Amsterdamse burgerij in tegenwoordigheid van Van
der Capellen op 1 november 1783. Ets door S. Fokke. Rijksprentenkabinet, Amsterdam.
| | | |
Onze eeuw die nauwelijks nog een land kent, waar niet te eniger tijd een
revolutie de basis voor een nieuwe regering schiep, kan zich moeilijk meer
in de bijna metafysische vrees voor wetteloos handelen verplaatsen. Maar
vóór de Franse revolutie - want de Amerikaanse telde in Europa toch maar
nauwelijks mee - lag dat anders. Men verwijte Joan Derk die vrees dan ook
niet, veeleer bewonderde men zijn politiek instinct, want het is duidelijk,
dat in de omstandigheden waaronder hij werkte, voorstellen van
revolutionaire strekking schijn noch schaduw van kans gehad zouden hebben.
Van der Capellen wist zeer wel, dat de ‘derde
partij’ waarvan hij droomde, in werkelijkheid niet of nog niet bestond. Het
nieuwe begrip der ‘menselijke waardigheid’, op grond waarvan hij reeds in
1776, toen de kwestie rees of uit de koloniën naar Nederland gevluchte
slaven aan hun meesters moesten worden teruggegeven, de slavernij bestreden
had met het argument dat alle mensen ‘door dezelfde magtige Hand geschapen,
allen onderling gelijk zijn’ kon in de zaak der drostendiensten niet
volstaan. ‘'t Is Ed. Mog. Heeren!’ voegde hij zijn mede-statenleden toe, ‘'t
is aan allen die mij met hunnen omgang vereeren, overbekend, dat het mij
steeds een vrugtbaare bron van knaagend verdriet was, op de vrije halzen van
zoveelen mijner mede-ingezetenen nog zo diepe en duurzaame tekenen van 't
prangend juk der dienstbaarheid te moeten aanschouwen en geen
middel te weeten om er hun van te verlossen.’
Maar ten slotte vond hij het toch en wel in een vergeelde en vergeten
resolutie van 1631, waarbij het jaarlijks inkomen der drosten verhoogd was
in ruil voor afschaffing der drostendiensten. Wel was het misbruik sindsdien
weer ingeslopen, waren de diensten zelf in 1717 en nog eens weer in 1776
voortdurend afkoopbaar gesteld, maar daarbij was dan ook verklaard, dat de
traktementsverbetering niet zou doorgaan, tenzij ook de diensten ophielden.
Wanneer dus wel de traktementsverbetering was doorgegaan - en hij gaf zich
eindeloze moeite om dit te bewijzen-, maar de drostendiensten nochtans waren
blijven bestaan, dan diende de afschaffing geëist én op grond van het
besluit van 1717 én op dat van 1631.
De rechtsgrond was gevonden en daarmee zowel Van der Capellens' program als
zijn tactiek. Zijn program ten eerste ‘de vrijheid van de ingezetenen des
platten lands blijve gehandhaafd. Hun worde bij Publikatie aangezegd, dat
zij te eeuwigen dage van het doen van drostendiensten ontslagen zijn’ en ten
tweede - men zie hoe gematigd hij te werk ging - ‘de nu levende drosten
krijgen een persoonlijke jaarlijkse toelage uit de provinciale kas,
evenredig aan het nadeel dat zij door de afschaffing komen te lijden.’ En
zijn tactiek: de rede, van tevoren bij Herdingh gedrukt, werd gratis onder
de boeren verspreid. Van der Capellen rekende er terecht op, dat dezen,
onkundig gelaten van de geheime besluiten zowel van 1631 als van 1717 en '76
te hoop zouden lopen op hetzelfde ogenblik dat men hun hiervan in kennis
stellen zou. Tezamen met zijn vriend Van der Kemp
uit Leiden, die over de organisatorische gaven
beschikte die hem ontbraken, ontketende hij een adresbeweging onder de
boeren. Iets ongehoords. De spanning steeg.
Maar de oppositie, onder leiding van de graaf Van Heiden Hompesch, de grove,
maar gewiekste drost van Twente, liet het er niet bij. Hij wist zeer wel,
| | | | dat het geijkte ‘fatsoen’ altijd de publieke opinie achter
zich heeft tegenover de nieuwlichter, die eo ipso ‘onfatsoenlijk’ is. In de
hitte van de strijd had Van der Capellen zich woorden als ‘onbeschaamd’,
‘strafbaar’ en ‘stout’ laten ontvallen die desgewenst wel als belediging van
de aldus betitelden konden worden opgevat. Het Hoge Adelsgericht moest maar
beslissen.
Toen schrok Joan Derk, neen niet, zoals men het wel kleinerend heeft
voorgesteld, van zijn eigen moed, maar voor de schim van zijn mislukte
jeugd. Had hij zich vermand, was hij in de politiek gegaan, en de weldoener
geworden der boeren die de ridder uit het andere kamp op de handen droegen,
om nu opnieuw, veroordeeld, voorgoed terug te zinken in het niet van
onbevredigde verlangens? Zouden, niet zijn vijanden, maar zou hij zelf het
werk weer afbreken dat hij zo juist begonnen was te bouwen? Nooit had hij,
verklaarde hij, de bedoeling tot belediging gehad, noch minder die om oproer
te wekken en in zijn declaratie van 26 oktober '78 bood hij aan om de
gewraakte aanstotelijkheden te schrappen. Het proces, schoon aangespannen,
vermeed hij daardoor, maar zijn lot ontging hij niet. De dag, volgende op
zijn declaratie, werd hem de toegang tot de ridderschapsvergadering, en
daarmee tot de Staten, ontzegd wegens zijn ‘taxatoire en ongemesureerde
expressiën en het doen drukken en divulgeren van dezelve’. En bij hun
feitelijke triomf lieten zijn vijanden het niet. Zoals alle bevoorrechten
die zich in hun voorrechten bedreigd zien, streden zij mateloos en
gewetenloos. Bij hun eigen overwinnen voegden zij de vernedering van hun
slachtoffer. In een
Publicatie
, aangeplakt aan de poorten der steden (behalve die van Zwol) en aan
alle kerken in de dorpen stond het voor iedereen te lezen, dat een der
stukken uit de strijd tegen de drostendiensten was ‘een naemloos, eerrovend
fameus libel’ en overal werd Van der Capellen door de overheid zelf
voorgesteld als een leugenaar en volksverleider. Hij was niets geweest, wat
geworden en - hij was weer niets.
Jaren gingen voorbij waarin Van der Capellen heen en weer geslingerd werd
tussen de begeerte om weer een rol te spelen en het verlangen naar rust die
zijn chronische ingewandsziekte hem scheen voor te schrijven; jaren van
toenemende spanning in zijn innerlijk zowel als in het vaderland waarmee hij
zich hoe langer hoe meer identificeerde. Zijn vreugde over het toenemend
verzet van de Hollandse regenten onder leiding van de Amsterdamse
burgemeester De Vrij Temminck en met steun van de Franse gezant De la
Vauguyon, werd vergald door het besef dat hij overal buiten gehouden werd.
En zijn hoop, zijn dagelijks toenemende hoop, dat een oorlog met de Engelse
erfvijand die tegelijk de eindafrekening met de binnenlandse tegenstanders
zou brengen, werd verduisterd door de vrees, dat het land die oorlog
onvoorbereid in zou gaan. Hij voelde zich en zijn vaderland verkocht en
verraden: omdat hij eenzaam was, 's winters eenzaam in Zwolle, 's zomers eenzaam op Appeltern. ‘Buiten de protectie der
wetten gesteld zijnde, heb ik geen belang meer in dit vervloekte Land, daar
het geweld op de throon zit,’ schreef hij in mei '80.
Aldus vereenzaamd zou een algehele ineenstorting misschien onvermijdelijk
geweest zijn. Maar zijn Amerikaanse betrekkingen hebben hem het ge- | | | | voel gegeven, toch nog iets voor de zaak der vrijheid te kunnen
doen. Al in 1776 had hij geprobeerd via Price met Franklin in
correspondentie te komen. Pogingen om de jonge staat aan een lening te
helpen had hij naar krachten ondersteund, er zelfs een deel van zijn
vermogen aan wagend, dat door de dood van zijn schoonmoeder en van zijn
eigen vader (1780) van enig belang geworden was. Vanuit zijn verre
eenzaamheid nam de gestalte van Washington legendarische vormen voor hem aan
en hij voorspelde, dat deze pas in al zijn klassieke grootheid zou
verschijnen, wanneer hij, na zijn vaderland bevrijd te hebben, tot het
bebouwen van zijn land zou terugkeren. De voorspelling, uitgekomen, was
tegelijk - een wens.
Een kritiekloos bewonderaar van de Amerikanen in het algemeen, waarmee hij
via zekere Erkelens contact gekregen had in de persoon van Trumbull, de
gouverneur van Connecticut, moet men intussen in hem niet zien. Hij was een
der eersten die hun onverdraagzaamheid laakte in hun houding tegenover de
negers. Hij zelf bevorderde het gezantschap van Laurens, waarvan hij ook in
zekere zin het slachtoffer zou worden. Bij de papieren die een Engels
oorlogsschip in '80 van deze gezant buitmaakte en waaruit als voornaamste
vondst de geheime overeenkomst van de Amsterdamse bankier Neufville met de
Amerikaan Lee voor den dag kwam, bevonden zich ook een tweetal brieven van
Van der Capellen aan Franklin. Doordat de Engelsen ze naar Den Haag opzonden werden ze spoedig hier bekend en ofschoon de
nachtelijke vlucht van de briefschrijver uit Appeltern naar Amsterdam misschien op rekening van zijn overspannen
zenuwen gesteld moet worden, een feit is het, dat zijn wedertoelating tot de
Staten er door verschoven werd.
In die stemming verkeerde hij in de augustusdagen van '81, toen de oorlog met
Engeland, nog in '80 uitgebroken, nederlaag op nederlaag bracht. Hij hield
de ondergang der Republiek voor onvermijdelijk, indien de Engelse factie
hier te lande ongestoord haar sabotage zou kunnen voortzetten. Hij wist, dat
aan de vooravond van de oorlog de vijand 122 van de toen grootste
linieschepen met 60 vuurmonden bezeten had, tegen zijn eigen land - 11. En
hij zette zich tot schrijven. En wat uit zijn hoofd en hart op het papier
kwam, werd een der merkwaardigste politieke geschriften, ooit in Nederland
verschenen, zowel om de inhoud als om de geheel nieuwe wijze van
verspreiding. ‘Zoals een vlam over spiritus glijdt,’ zo stak dit valselijk 3
september te Oostende gedagtekende pamflet de vlakke gemoederen der
patriotten in brand, toen het door de zorg van Van der
Kemp, weer de enige die hij in het diep geheim had ingewijd in de
éne nacht van 25 of 26 september '81 door het grootste deel van het land
verspreid werd. Ofschoon onmiddellijk na het bekend worden de verkoop en
zelfs het bezit ervan verboden werden, miste het zijn uitwerking niet.
Ondanks het verbod verschenen er in '81 en '82 vier drukken van, ongerekend
de Franse, Engelse en Duitse vertalingen. De meesten die lezen konden kenden
het en aan wie niet lezen konden, werd het in daarvoor gevormde
leesgezelschappen voorgelezen. En later speelde het een nog grotere rol,
want de beroemde brief van Mirabeau Aux Bataves sur le
Stadhoudérat gaat grotendeels op dit manifest terug.
Als politiek testament bedoeld, werd
Aan het volk van Nederland
een pro- | | | |

De aanhouding van prinses Wilhelmina te Goejanverwellesluis op
28 juni 1787. Gravure door Gottfried Arnold Lehmann. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | gram voor de Nederlandse democratie en het had er alle
eigenschappen van. Zoals de woede zich gemeenlijk, meer dan tegen de vijand,
keert tegen degenen die hadden moeten helpen, maar het niet deden, zo
richtte Van der Capellens verbittering bij de
naderende ondergang van zijn land, zich meer tegen Willem v en de anglomanen dan tegen Engeland zelf. Van deze stemming uit gaf
Van der Capellen een samenvatting van de tendensen der Nederlandse
geschiedenis, die hij zag als een voortdurende strijd van de steeds weer
belaagde vrijheid tegen een tirannie die telkens weer het hoofd opstak. Een
orangistische geschiedschrijving die zich zelf voor de ware nationale hield,
heeft van dit pamflet alle lelijks gezegd, wat men van de geloofsbelijdenis
van een politieke tegenstander maar zeggen kan. Maar wie het onbevangen
leest, zal moeten erkennen, dat het, hoewel met vaart en gloed geschreven,
in de grond een overwogen oordeel geeft. Al zijn feitelijke gegevens zijn
bij Wagenaar te vinden. En zijn thema, namelijk dat sinds het huwelijk van
Willem ii met Mary Stuart de dynastieke belangen der
Oranjes de nationale waren gaan overheersen, en dat deze sinds Frederik
Hendrik naar de monarchie waren gaan streven, wijkt zelfs in wezen niet
zozeer af van de resultaten der moderne wetenschap. Men leze Geyls
Oranje en Stuart
. Slechts is de voorstelling van Van der Capellen, door de
concentratie op de rol der Oranjes, als het ware overbelicht onder de
schijnwerpers van zijn verontwaardiging.
Na een lofzang op de vrijheid der Bataven, glijdt het manifest luchtig over,
de middeleeuwen heen om bij het Groot-Privilege van 1477 en de Opstand met
zijn eigenlijke these in te zetten. Wat Philips toen was, wordt de lezer te
verstaan gegeven, is nu Willem v en de Brunswijk van nu,
is de Alva van toen. Willem van Oranje heeft heerlijk geholpen, de schrijver
denkt er niet aan het te ontkennen, maar niet om niet. In 1581 heeft hij met
toestemming der staten doorgezet, dat de gilden en schutterijen niet meer
zouden worden geraadpleegd en van dat ogenblik af aan, is het met de
volksinvloed gedaan. In 1584 heeft de vader des vaderlands zelf de hand
uitgestrekt naar de soevereiniteit. De onzalige Leicester-periode is de
eerste uiting van Engelands boze toeleg, die zonder Oldenbarnevelt mogelijk
reeds toen zou zijn gelukt. Ook Maurits hielp, maar alweer niet om niet,
getuige zijn strijd tegen de landsadvocaat. ‘O mijne waarde Landgenooten!
hoedanig ook uwe godsdienstige begrippen mogen zijn, gelooft toch nooit dat
Barneveld een Landverrader was ... Hij en hij alleen is in Gods hand het
werktuig geweest om het vaderland ... te redden.’ Frederik Hendrik dan legde
de grondslagen voor de twee gevaarlijke factoren: de vergroting van de macht
van de stadhouder en de invloed van Engeland. Willem ii
bouwde daarop voort of trachtte het althans te doen. Maar omdat Van der
Capellen op het standpunt van de ‘derde partij’ stond, zag hij de
verhoudingen breder dan als een simpele tegenstelling Oranje-regenten. Ook
Johan de Witt is hem daarom geen ideaal, al
oordeelde hij diens bewind gunstiger dan de familieregering onder Willem iii die erop volgde. Doch het tweede stadhouderloze
tijdperk was in zijn ogen zeker niet beter ‘hebbende de stadhouderlijke
regering alles vergiftigd, de zeden bedorven en bijna elk geleerd, slegts
zijn eigen voordeel en belang te be- | | | | jaagen’. Willem iv - herinnering aan 1747 - vindt zelf betrekkelijk
genade in zijn ogen, al was ter zelfder tijd de koers naar de monarchie
onweerkeerlijk ingeslagen.
Fel pas wordt de toon - maar met de felheid van liefde die teleurgesteld is -
wanneer de schrijver zijn eigen tijd, wanneer hij de figuur van Willem v behandelt. Alle grieven der patriotten, groot en klein,
oud en nieuw, slingert hij de stadhouder in het bolronde aangezicht: het
misbruikte jachtrecht, het tekort aan vroedvrouwen op het platteland, de
afzetting van de hoogleraar Van der Marck, de
uitstoting van Van Berckel en Van der Capellen, de ontrechting van de
Gezworen Gemeente te Kampen, de bevordering van
vreemdelingen in het leger, de militaire jurisdictie en vooral, ja vooral de
verwaarlozing van de vloot. ‘Wij zijn alleen daardoor ongelukkig; onze
koophandel staat alleen daardoor stil; onze werklieden lijden alleen
daardoor honger en kommer, dat wij geen Vloot hebben, en
eene
vloot
had Gij moeten en Gij, Gij, Willem de Vijfde! Gij
alleen bijtijds kunnen bezorgen.’
Fel maar niet onwaardig. ‘Maar wat zal ik, o Willem, van uw particulier
gedrag en levenswijze zeggen?’ Zijn voornemen was om hem tenminste in dat
opzicht te sparen, maar de dwaze verheerlijking van de onbenul door de
geestelijken die hem afschilderden als ‘een man, die in zo naauw verbond met
zijnen God staat’, maakte het hem onmogelijk. Het standbeeld van de vorst
moest van zijn voetstuk geslagen om de baan vrij te krijgen voor de
soevereiniteit des volks en hij verzwijgt zijn afschuw van fatsoenlijk
kleinburger - want dat was deze edelman naar de geest -voor 's prinsen
openbare dronkenschap en zijn minachting voor ‘de band des huwelijks’ niet.
Men begrijpe goed waarom het hier in wezen ging. Met dit manifest overschreed
het Nederlandse volk de drempel van de eerste naar de tweede fase van het
nationalisme. In de eerste was elders de vorst, waren hier de regenten of
was de stadhouder (al naar men het zag) de belichaming van de natie geweest.
In de tweede fase maakte de burgerij zich op zelf natie te worden. En de
rechtsgrond daarvoor die men ook hier weer niet missen wilde, kon geen
andere zijn dan de vorst tot tiran te verklaren, want slechts als zodanig
kon hij rechtens van zijn rechten vervallen verklaard worden. Vandaar dat
ook Van der Capellen zelfs voor zijn eigen, ja juist voor zijn eigen
bewustzijn niet kon volstaan met de stadhouder onbekwaamheid of
besluiteloosheid te verwijten, maar dat hij, objectief, hem tirannie voor de
voeten moest werpen. Aan het slot van het pamflet ontvouwde Van der Capellen
zijn program. Het is dat van de Amsterdamse memorie van 18 mei des jaars:
ten eerste een onderzoek naar de oorzaak van 's lands ongeval, ten tweede
een raad naast de stadhouder. Hij sloot er zich bij aan, maar hij is zich
tegelijk bewust, dat er niets van komen zou ‘tenzij de Natie zelve, tenzij
het Volk van Nederland, tenzij gijlieden zelve, deze heilzame voorstellen
ten uitvoer brengt.’ En hij ried aan ‘Verzamelt Ulieden elk in uwe Steden en
ten platten lande in uwe Dorpen.’ Kiest dan vreedzaam een matig aantal
gecommitteerden, zendt die naar de hoofdsteden om uit naam en op het gezag
der Natie, met en naast de Staten het bovengesteld program te volvoeren,
waarbij zij u van tijd tot tijd moeten onderrichten. En om die nevenregering
kracht bij te zetten, besluit | | | | hij met een te wapen. ‘Wapent
ulieden allen, verkiest zelven dezulken, die u commandeeren moeten en gaat
evenals het volk van Amerika, waar geen druppel bloeds gestort is, voordat
de Engelschen hen eerst zijn aangevallen, in alles met bedaardheid en
bescheidenheid te werk en Jehova, de God der Vrijheid, die de Israëlieten
uit den diensthuize heeft geleid en hen tot een vrij volk gemaakt, zal onze
goede zake ongetwijfeld ook ondersteunen.’
Oppervlakkig en laaghartig heeft men dit pamflet genoemd. Het is noch het een
noch het ander. Wanneer wij het niet meer in zijn geheel kunnen
onderschrijven, dan is het, omdat Van der Capellen een boosdoener zag, waar
slechts een nietsdoener was, maar het is noch oppervlakkigheid noch
laaghartigheid, het is - subjectief gezien nu - teleurstelling die hem dit
verkeerde beeld suggereerde, teleurstelling, omdat Willem v die noch verlicht noch een despoot was, niet de verlichte despoot
heeft willen worden, waarop Van der Capellen in de diepste grond van zijn
politiek verlangen zijn hoop gevestigd had, omdat hij de onrijpheid van de
burgerklasse om de macht over te nemen zeer wel zag. In Willem v teleurgesteld, schreef hij noodgedwongen de Nederlandse
democratie haar vervroegd en dus vervalst geboortebewijs. Het wettige zou
Thorbecke haar pas zestig jaar later
uitreiken.
‘De edelman schaamt zich, wanneer zijn woorden zijn daden overtreffen.’ De
spreuk van Confucius laat zich ook op Van der Capellen toepassen, en dan
zeker, wanneer men bedenkt, dat de Chinese wijsgeer niet zegt, dat de daden
van de edelman nimmer door zijn woorden overtroffen worden, doch slechts,
dat hij zich schaamt, áls dat gebeurt. Uit de schaamte, dat zijn woorden uit
Aan het volk van Nederland
zijn daden zouden overtreffen, is de waarlijk koortsachtige
werkzaamheid van zijn laatste drie jaren te verklaren. En wanneer het
resultaat van die werkzaamheid niet in overeenstemming was met haar kracht,
dan lag dat niet aan die kracht, maar aan de ‘onmacht der burgerij’, die te
weinig tijd gehad heeft om de bouwstoffen voor een nieuw politiek leven te
vinden onder de ruïne der traditie.
Van zijn afzondering uit streed hij voor twee dingen, waarin hij de
voorwaarden voor verdere strijd zag: de toelating van Adams als gezant van
de Verenigde Staten, die tegelijk hun erkenning zou inhouden én voor zijn
eigen readmissie. Het is hem beide gelukt, omdat hij voor beide het in de
zaak der drostendiensten beproefde middel ener adresbeweging toepaste. Als
regent kon hij er nog niet toe overgaan, onder zijn eigen naam in. de
kranten te schrijven, maar wel kon hij uittreksels uit zijn eigen
Amerikaanse briefwisseling aan een redacteur, in dit geval aan die der
Diemermeersche Courant
, ter hand stellen. In maart '82 besloot Holland tot toelating van
Adams. Half april volgde Overijsel. Het was zijn eerste overwinning.
Meer moeite kostte de tweede, maar zij werd voor hem persoonlijk ook een nog
groter succes. Zijn partijgangers ageerden zowel onder de Gezworen Gemeenten
in de IJsselsteden als onder de boeren, maar het voornaamste drukmiddel voor
zijn readmissie werd een enquête in Twente, want deze edelman had al lang
onderkend, dat de hefboom voor politieke machtsvorming bestond in het
aanknopen bij de dagelijkse noden der massa. Schromelijke misdrijven van
zijn persoonlijke vijand Heiden Hompesch, die men nog na kan | | | |
lezen in het gemeente-archief te Kampen dat kopieën
van al die stukken bewaart, kwamen op die manier aan het licht:
knevelpartijen der roomsen die hem betalen moesten voor de vrije uitoefening
van hun godsdienst en hoge boeten kregen, toen zij eens in de kerstnacht hun
klok hadden geluid; afpersing van de boeren die 's avonds last kregen om
turf voor een drost te rijden en toen zij het waagden een dag later te
komen, met ƒ8 beboet werden, onverminderd de dienst; een vergoeding van ƒ300
van iemand voor het verlof om het lijk van zijn broer te begraven die
zelfmoord gepleegd had; pesterijen en willekeur tegenover de joden. De
boeren van Twente, Zwolse gildebroeders en de
burgers van Kampen en van Deventer, waar het
Atheneum met Van der Marck een intellectueel
patriottisch centrum was, begonnen te tekenen: 2000 in Zwol, 1460 in
Deventer, en te zingen ‘Van der Capellen moet groot, de drostendienst dood,
de ridderschap zal 't concluderen, of de duivel zal 't haar leren.’ Op 22
oktober '82 begon de landdag, 1 november werd Van der
Capellen weer toegelaten. Gejuich van ‘Vivat Capellen’ in de
Sassenstraat in Zwolle en elders, die zelfde woorden in vetpotjes-letters
tussen de andere illuminatie en zelfs een feestbanket in Amsterdam.
Van der Capellen wilde echter niet alleen de natie ‘en train’ brengen, maar
ook houden. De rekesten begonnen als het ware de plaats van onze
verkiezingen in te nemen. Het eerste symptoom van een vaste organisatie
daarvoor was de permanente burgercommissie die de Deventer burgerij zich 1
december 1782 voor dat doel koos en soortgelijke commissies verrezen weldra
ook in Zwolle en Kampen. Dat hij hier iets nieuws begon in de vorm van een
herstel van iets quasi ouds, was hem wel bewust, zoals blijkt uit een brief
aan zijn Friese vriend Beyma waarin hij schrijft, dat deze commissies niet
naar de smaak der Hollandse regenten zijn. Dan, iets werkelijk nieuws werd
het in zover niet, dat ook bij deze commissie zich weer de neiging
openbaarde zich door coöptatie aan te vullen. Het oude zeer. Van der
Capellen protesteerde: zij moesten gekozen worden en dat wel mede door
niet-burgers en niet-gildeleden, dus ook door roomsen en doopsgezinden. Na
zijn vertaling van Priestley's Essay on the principles of
government, een principiële verdediging van de volkssoevereiniteit
met de revolutie als uiterste middel, vatte hij zelf het plan op, een
handleiding voor de als nevenregering gedachte burgercommissiën te
schrijven. Had hij het volvoerd, de politieke literatuur zou een merkwaardig
document rijker geweest zijn: het vroegste pleidooi voor wat
honderdvijfentwintig jaar later het radenstelsel heten zou.
Maar de praktijk slorpte zijn toch al niet overgrote kracht voor de
propaganda en agitatie op. Deze bracht hem intussen het jaar daarop zijn
derde overwinning: de afschaffing der drostendiensten. Een gouden
gedenkpenning met tekst van Racer en een oorkonde door de boergerichten
getekend, was zijn hele loon voor jarenlange onverzwakte strijd: ‘De nijvere
landman juicht, zijn vrijheid is hersteld! Capellen zegepraalt op baatzucht
en geweld!’ En 1783 werd hét jaar van zijn leven en in dat jaar werd 26
april dé dag: het grote Doelenfeest in de Nieuwe Doelen op de Garnalenmarkt
te Amsterdam - de tegenwoordige universiteitsbibliotheek - ter viering van
het herstel van Van Berckel en Van der Capellen en van de afschaffing der
drostendiensten. | | | | De
Nederlandsche Jaerboeken
hebben het uitvoerig beschreven. Een grote hoefijzertafel met 70
aanzittenden in de gedempt fleurige feestkledij van die eeuw, veel damast,
veel kristal, veel tafelzilver, veel wijn en veel guirlandes en festoenen,
hoogdravende tafelreden, en grote tafelstukken vol symboliek: één gewijd aan
Oldenbarnevelt, één aan de Vrije Zee, één aan
Amerika, één aan de Overwonnen Dwingelandij en ten slotte het puik der
pronkstukken: een ‘Templum Libertatis’, in quasi-klassieke stijl, gewijd aan
de herstelde vrijheid, versierd met de wapens der gevierden en op de treden
vóór de tempel de Hollandse Maagd, schier bezwijmd, bedreigd als zij werd
door de speer van een krijger, maar beschermd door een Bataaf met schild,
waarop het toverwoord der jonge democratie ‘Majestas Populi’. De revanche op
zijn mislukte jeugd scheen nu volkomen. Van der Capellen had zich zijn
laatste dimensie veroverd. Twee dagen later inspecteerde hij bij de
Utrechtse Poort de vrijcompagnie van kapitein Bastert, een van de nieuwe
paramilitaire formaties waarop Van der Capellen zijn hoop gevestigd had voor
het geval het ernst zou worden. Aan het organiseren van die
‘exercitie-genootschappen’ en ‘vrijkorpsen’ is zijn laatste jaar heengegaan.
Zij waren eigenlijk een noodmaatregel, bedoeld als een burgerwacht tegen
Oranjerelletjes en bestemd om te verdwijnen bij invoering van een algemene
landmilitie, maar in de praktijk werden zij een partijwapen, waarop van de
andere zijde weldra met hetzelfde wapen geantwoord werd en tegen de hiel van
de Pruisische soldaten zijn zij in '87 niet bestand gebleken. Van der
Capellen zelf schreef er de krijgstucht-artikelen voor, want dat democratie
zonder gezag anarchie betekende, ontging hem niet. ‘Ofschoon het van
menschen, die zig vrijwillig op deeze wijze ter bescherming van Land en
Vrijheid verbinden, niet anders te verwachten is, dan dat zij zig aan deeze
wetten en aan de redelijke beveelen hunner eigen gekoozene officieren zonder
eenigen dwang zullen onderwerpen; zo is toch de order van
zodanig gewigt in alle krijgsbedrijven, dat zonder dezelve een groote
menigte niets en met dezelve een gering getal gewapenden
zeer veel vermogen.’
Hij was er ook niet te goed voor zelf het voorbeeld te geven. Hij liet zich
als schutter in het Zwolse vrijkorps inschrijven ‘ten einde de natie te
genezen van 't vooroordeel, alsof het dragen van wapenen vernederende was’.
De ervaring eerst als schutter, daarna als kolonel heeft hem echter voor
valse illusies aangaande zijn eigen schepping bewaard. ‘Het hoofd loopt
waaragtig eenen om van al dat gewoel, zodat wel eens in mij opkoomt, dat men
zot is, van zig in zo verward eenen boedel zo diep in te geeven.’ In januari
1784 bedankte hij en 19 mei droeg hij het commando over.
Hij deed dit ook, omdat hij wegens huiselijke omstandigheden Zwolle wilde
verlaten, schreef hij in dezelfde brief, waaraan het laatste citaat ontleend
is. Zijn laatste ziekte belette hem aan dit plan uitvoering te geven, maar
het is of zijn ambitie groter en zijn geest helderder werd, naarmate zijn
krachten afnamen. Twee punten stonden nog op zijn program: de nationale
samenvatting der patriotse krachten, zowel in de twee landelijke
regentenvergaderingen die er zijn geweest, als in een nationale associatie
der vrijkorpsen, en ten tweede: het verbond met Frankrijk als tegengif zowel
tegen Engelands als | | | |

De verwoesting van de begraafplaats van de familie Van der
Capellen op 7 augustus 1788. Gravure door Izaak de Wit Jansz. en
Pieter Hendrik Jonxis. Atlas Van Stolk,
Rotterdam.
| | | | tegen de toenemende machtsaanmatiging van Pruisens invloed dat
door het Hof heimelijk tot inmenging in de partijstrijd van de Republiek
werd opgezet. Het Verbond heeft hij ondanks al zijn moeite niet meer
beleefd, maar mede door zijn moeite is het in '85 toch tot stand gekomen.
Van der Capellen is niet in een overwinningsroes
gestorven. Hij wist, dat zijn ‘derde partij’ nog op bondgenoten moest
steunen die feitelijk iets anders wilden. Zijn toon tegen de Hollandse
pensionarissen, de ‘sublieme bazen’, de ‘matadors’, de ‘quarrée pruiken’,
werd scherper. ‘Ik ga wederom ménage à part maaken en hebbe de Heeren
Magnaaten in 't geheel niet noodig; zo min en mogelijk minder dan zij zig
verbeelden de patriotjes uit de Landprovinciën nodig te hebben.’ Hij
vermoedde wel, dat de regenten, ondanks alle anti-Oranje-drukte, als het
erop aan kwam, één lijn zouden trekken met de stadhouder tegen de
democraten. En zijn gevoel bedroog hem niet. Hij heeft '87 voorvoeld. ‘De
koning van Pruisen behoeft enkel met die troepes die hij steeds in
Westphalen heeft, maar een uitstapje van weinige dagen te komen doen om de concert met de magt van Oranje een einde aan alle onze
patriottische pogingen te maaken.’ En zo is het, men weet het, precies
gegaan.
Het was opnieuw een mislukking, als in zijn jeugd, schijnbaar erger, omdat
zij in het laatst van zijn leven viel, in wezen minder erg, omdat hem hier
geen schuld trof. De democratisering in de Republiek kon slechts van de
democratisering der stadsbesturen uitgaan. Maar deze op zich zelf kon
slechts decentraliserend werken en maakte hen daarom des te ongeschikter
voor het landsbestuur, dat juist ter wille van diezelfde democratie
gecentraliseerd moest worden. In die dialectiek die het gevolg der eigen
Nederlandse ontwikkeling was, is Van der Capellen verstrikt geraakt. Hij
behoefde zich zelf en men behoeft hem niet te verwijten, dat hij in 1784
niet een knoop heeft kunnen ontwarren, die tien jaar later pas de bajonetten
der Franse sansculotten hebben doorgehakt.
Het is moeilijk uit te maken, wat het meest het naderend einde verhaast
heeft: zijn zwakke gezondheid die zelfs een vertrek naar Appeltern belette, de kwellende onzekerheid die hem ten derden
male aan zijn levenswerk deed twijfelen, of ten slotte de angst voor een
bedreiging van dit leven zelf - laatste onrust van de rusteloze. Uitte zich
niet in dit alles het voorgevoelen van de dood die hem 6 juni 1784 overviel?
- Het gebeente, nog op last der weduwe die hem ruim een jaar overleefde,
naar het familiegraf op een veld bij Gorssel
overgebracht - hij zelf had al willen breken met de gewoonte om in kerken te
begraven - is aan de haat die zijn vijanden hem over het graf heen nog
toedroegen, niet ontsnapt. De wenk van een ‘braaf’ - natuurlijk anoniem -
‘vaderlander’: ‘Kunt gij 't vervloekte asch van 't hoofd der muitenaren, O
stille grafspelonk! verbergen onder de aard? Kunt gij het stinkend lijk der
snoodste guit bewaren? - O neen - spuw uit die romp, zij is geen rustplaats
waard’ is na het zegevieren der reactie in '87 tot tweemaal toe letterlijk
opgevolgd. De tweede maal, in '88, is zelfs het hele grafmonument in de
lucht gevlogen.
Dat was de dank van het vaderland voor deze 18de-eeuwse Multatuli. Beter heeft George Washington hem begrepen die hem in
1783 een dankbrief | | | | had geschreven, evenals de Amerikanen, die
6 juni 1908 voor zijn huis in de Bloemendalstraat (nu nummer 12) in Zwolle zijn nagedachtenis zijn komen huldigen ‘in
dankbare erkenning van de diensten, door hem tijdens de revolutie-oorlog aan
de Verenigde Koloniën van Noord-Amerika bewezen’. Maar het best begrepen is
zijn diepste wezen door hem zelf in een passage uit een brief waarvan de
waarheid, zij het dan pas een eeuw nadat zij geschreven werd, uit onze
19de-eeuwse geschiedenis is gebleken - in deze trotse belijdenis: ‘Ik durve
mijn gansche correspondentie gerust aan de posteriteit overgeven. Ik heb
niets geschreven of het is waar bevonden, niets voorzegd of het is vervuld,
niets beloofd of ik heb het gepresteerd.’ Want deze edelman is, zeldzaam
genoeg zelfs onder grote mannen, inderdaad geweest waarvoor hij zich uitgaf:
de tribuun der burgerij. Zijn erfenis heeft zij in 1795 tijdelijk, in 1848
voorgoed aanvaard.
|
|
|