|
|
|
| |
| | | | | |
Eva's tweede appel
De Vlissinger koopmansdochter Elizabeth Bekker zal de enige vrouw in deze reeks van
zesendertig ‘erflaters’ zijn. Het zegt waarschijnlijk minder omtrent haar
dan omtrent de maatschappelijke rol van de vrouw in het algemeen, dat de
vrouw die dit portret schrijft, zich hier voor het eerst tot een
verantwoording van haar keuze geroepen voelt. Verantwoording tegenover twee
vragen: ten eerste gaat het aan deze vieve domineese tot de vormende
krachten van onze Nederlandse beschaving te rekenen en ten tweede hebben de
zes eeuwen die we hier overzien geen belangrijker vrouwenfiguren opgeleverd?
Wat de eerste vraag betreft, daarop moet deze schets zelf het antwoord geven,
zo het niet al voldoende is dat de schrijfster van
Saartje Burgerhart
, door haar tijdgenoten ‘verslonden’, met geen enkele 18de-eeuwse en
zeer weinige 19de-eeuwse Nederlandse auteurs de eer deelt van nu nog buiten
verband met de hoofdakte-studie te worden gelezen. De tweede vraag die ons
de beslissing over een absolute superioriteit voorlegt, zouden we liever uit
de weg gaan: er zijn zeker vrouwen geweest, die door haar tijdgenoten
eenstemmiger bewonderd zijn: we denken bij voorbeeld aan Anna Maria van Schuurman, maar wie maar even in haar pedante
geschriften bladert, begrijpt, dat de bewondering hier de rariteit gold en
dat de haar gebrachte hulde een miskenning inhield van honderden
oorspronkelijke geesten die haar vernuft besteedden aan was en inmaak, haar
smaak aan het plooien van een muts, haar humor aan de zachtmoedige omgang
met een zelfingenomen man, haar geduld en toewijding aan de zorg voor
kinderen en zieken. En waar toch ook de was, de inmaak, de opschik en de
opvoeding tot onze beschaving behoren, zou hier alle gelegenheid zijn om
‘erezuilen op te richten’, als aan al deze vrouwen niet één essentiële trek
van de erflater ontbroken had: het zelfbesef van de maatschappelijke
persoonlijkheid. Naast een wazige Hadewych, en
een krabbel van Anna Bijns, naast een vergeelde
daguerrotype van Truitje Bosboom en een
strijdlustige groepfoto - met forse handtekeningen - van het eerste bestuur
van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht, zouden we in onze galerij het
portret van de onbekende Nederlandse Vrouw moeten hangen. Wij geven de
voorkeur aan ‘de befaamde juffrouw Wolff’ in de hoop te kunnen aantonen, hoe
vrouwelijk en hoe Nederlands ze was en hoe groot daardoor niet alleen haar
representatieve waarde, maar ook haar invloed.
Elizabeth Bekker werd op 24 juli 1738 te Vlissingen geboren uit een geslacht
van ‘schrandere, eerlijke, rijke kooplieden’, dat, wanneer haar eigen
genealogische nasporingen juist zijn, zich in de veertiende eeuw al
onderscheidde door vroomheid, milddadigheid en aanzien, blijkend uit de
‘huiselijke omgang der kerkelijken’. In haar onvoltooide
Geschrift eener bejaarde
| | | |
vrouw
haalt zij ten bewijze daarvan de volgende aantekening van haar
oudste voorvader aan: Item, die Heer Abt van Middelburg heft bi mi logiert,
wi hielden het noenmaal in de groene kamer. Item, de Heer Prior
collationeerde bi mi met veel waardschap. Item, de Heer Pastoir is mit mi
naar minen boogaart geganen. Dair vierden wi het hoogwairde feest der
allerheiligste Jonkvrouwe Marie (bid voir ons, o gij moeder Gods)
staatelijken, ende met deft. In de agternoene hebben wi zedelijken
gedobbeld, die abt van Middelburg trok de pot.’
Twee eeuwen later behoort de familie weer op andere wijze tot de
vooraanstaanden, blijkens een aantekening in een ‘bijbel van deux aas’, dat
‘Jasper Simons werd in den spijker [pakhuis] van Lijsbeth, onze nichte, al
heimeliken gedoopt’. Zo er in deze genealogie tussen 1350 en 1550 en tussen
1550 en 1700 al hier en daar een schakeltje los mag zijn, we weten er in
ieder geval uit, dat de nakomelinge voor zich een traditie van vrolijk
christendom en recht op heterodoxie opeiste en, uit wat zij verder omtrent
haar onmiddellijke voorouders meedeelt, dat zij behoorden tot die brede laag
van welgestelde, beschaafde en degelijk levende burgers, ten dele, als de
Bekkers van hervormde maar vaak ook doperse, remonstrantse of roomse
confessie, steeds scherper van de regentenstand gescheiden en mede daardoor
het eerst toegankelijk voor de ideeën van verdraagzaamheid en democratie van
de grote 18de-eenwse denkers.
De kleine Betje was een zwak nakomertje dat niemand aanvankelijk voor een
blijvertje hield, maar door haar moeder met grote zorg opgekweekt,
ontwikkelde ze zich tot een klein, overgevoelig, spontaan en
kwikzilverachtig wezentje. Betje werd zij genoemd en als Betje Wolff-Bekker zou zij een bekend dichteres, moraliste,
polemiste en romanschrijfster worden. Het heeft zin bij die naam even te
blijven stilstaan, zowel om het wanbegrip, dat eraan vastgeknoopt zit, als
om het begrip, dat er zich aan laat vastknopen. Want er is minder
historische instelling voor nodig om christenvervolging of inquisitie te
begrijpen dan om zich te onttrekken aan het wanbegrip dat namen als Betje,
Jansje, Coosje en Aagje aan prenterige kleinburgerlijkheid verbindt, aan een
groter wanbegrip nog van de ontgoochelde 20ste-eeuwer die altijd weer
geneigd is het 18de-eeuwse geestesleven als een spel te zien, hier met zoete
verkleinwoordjes, lachjes en traantjes of met rozenguirlandes en blozende
vruchtenfestoenen opgesierd, daar weer gedramatiseerd met pastorale
onweersbuien, naïeve beeldenstormerij en poëtisch gebral. Van verder achter
ons liggende tijden weten we dat hun taal interpretatie vereist om begrepen
te worden, de 18de eeuw doen we gemakkelijk onrecht door haar niet te
beoordelen naar haar vernieuwingen en doeleinden, doch naar haar door latere
generaties uitgehold gebaar en woordgebruik.
Betje werd ze genoemd, niet omdat haar ouders burgermensjes waren, maar omdat
in haar tijd de Cornelia's en Maria's alleen in doop, en trouwakten als
zodanig voorkwamen, maar overhuis Keetje en Mietje heetten.
Betje-naast dwaling suggereert die naam ook begrip. Want zo ze zich al op
haar geschriften deftig Elizabeth Wolff geb. Bekker noemt, haar bekend
worden als Betje Wolff, later met haar vriendin en medewerkster samen als
| | | |

Elizabeth Wolff, boven, en Aagje Deken. Gravure door A. Cardon.
Fotoarchief Wetenschappelijke Uitgeverij N.V.,
Amsterdam.
| | | | Betje en Aagje doet ons weten, dat hier voor het eerst niet
een de mannen konstig napratend fenomeen, maar een vrouw, zo als zij reilde
en zeilde, in het openbaar debat meesprak.
Had Betje Wolff in onze tijd geleefd, we zouden ons kunnen voorstellen, hoe
ze van haar kinderbrieven en -versjes gemakkelijk naar een bundeltje zeer
openhartige lyriek en vandaar naar een al te vrouwelijke en al te
autobiografische uitbeelding van haar liefde voor Mattheus Gargon zou zijn
voortgegleden. Maar het kind dat in 1747 zo een allerliefst spontaan briefje
aan haar vader schreef over onze goede Fy, die zulke lekkere oublietjes
bakte en over de zilverde hen, die twaalf kuikentjes had, zal de lange omweg
via
De Kracht der Deugd in Tegenheden
en veel pastorale en klassiekerige rijmelarij moeten afleggen voor
ze haar Saartje Burgerhart, Alida Leevend en tante Martha bereikt.
Haar moeder die naar het getuigenis van de dochter een hartelijke en
ruimdenkende vrouw moet zijn geweest, zal bij de verstandig vrijzinnige
opvoeding die zij haar meisjes gaf, zich geen ander doel gesteld hebben dan
van de dochters van een Vlissings notabel vrouwen en moeders van Vlissingse
notabelen te maken en de al te vlugge geest van Betje naar haar zwakke
krachten en tere zenuwen in te tomen. Maar de moeder stierf al toen het kind
dertien jaar was en het door de goedhartige vader half verwaarloosde en half
verwende ‘kleintje’, van de met zorg gekozen kleine plichten ontslagen, kon
zich ongebreideld aan haar lees-, leer- en dichtlust overgeven. Zestien jaar
oud laat ze zich als een echte aankomende ‘savante’ met Popes Essay on Man in de hand portretteren, ze vindt al te bereidwillige
waardering voor haar vlotverheven rijmelarijen bij haar
stadgenoten-dichtgenootschappers en ‘adoration mutuelle’ bij een
Middelburgse geleerde en geletterde vrouw mevrouw Haverkamp, een pedante,
rijmende ‘philosophe’ die er zich op beroemde haar gehele huishouding te
bestieren naar de beginselen van de ‘Zedekunde’ van de Duitse modewijsgeeer
Christiaan Wolff en aan de achttienjarige ‘geestrijke juffrouw Elisabeth
Bekker’ een van haar dichtstukken opdraagt. De enige kritiek waarop ze
stuit: van haar bekrompen en femelende broer Laurens, wijst ze - natuurlijk
- hooghartig af.
Men zou zich echter deerlijk vergissen, wanneer men in deze geestrijke
juffrouw een blauwkous vermoedde: even vrij in haar omgang als in haar
studie-de 18de eeuw was geen 19de! - en zonder ander toezicht dan dat van
haar vier jaar oudere zuster Chrisje, kon zij, geestig, koket en
pretlievend, in de Vlissinger beau-monde en op haar vaders buiten, een rol
spelen die zij zelf later als volgt omschrijft: ‘Mijn zuster is een beauté,
dog, haal mij den drommel! ik kaapte alles voor haar neus weg, wat het hart
had op “Altijd wel” te komen en smaak had.’ Door een van deze vrolijke
speelgenoten, de zoon van de predikant Gargon, liet zij zich in een
onberaden ogenblik overhalen tot een stap die over haar hele verdere leven
beslissen zou en die wij alleen kennen uit toespelingen in haar later werk
en brieven en uit een notitie in de
Extracta Actorum
van de Vlissingse kerkeraad van 9 september 1755, volgens welke de
vaandrig Matthijs Gargon ‘onder censure’ werd genomen ‘wegens weggaan met
Elisabeth Bekker, die ook wegens deze ongehoorzaamheid aan en | | | |
het verlaten van haar vader gecensureerd is, en zijn beider namen op het
klappertje geplaatst’.
Er blijft, ondanks een paar openhartige uitspraken van Betje zelf in haar
latere brieven, veel onverklaarbaars in deze episode. Beide delinquenten
behoorden tot gezeten Vlissingse families. Was er dan iets dat een
regelmatiger verbintenis in de weg stond? Was het zo maar een dolle streek
van twee al te romantische gelieven? Maar dan had het voor de hand gelegen
de situatie te redden door het avontuur zo spoedig mogelijk door een
bruiloft te laten volgen. Of hebben we hier het prototype van de
overrompeling van een zieltje zonder zorg door een gevaarlijke lichtmis,
zoals Betje die tot tweemaal toe in haar romans heeft verhaald? Daartegen
pleiten enige van de hierboven genoemde openhartige uitspraken. In een brief
van 1770 schreef zij: ‘Met een hart gescheurd tot aan den wortel toe, en
wiens wonde na tien jaar treurens, nog niet nalaat somtijds eens te bloeden,
heb ik de verrukkingen eener jeugdige liefde betaalt’, en iets verder: ‘Eén
ding is jammer, dat ik mijn wensch niet heb; de geleerde waereld zoude nooit
met mijn Poëtische fratsen zijn opgescheept geworden. Ik zou niets Gods ter
waereld gedaan hebben dan mijn lieven jongen beminnen & nagt
& dag mijn harsens hebben gebroken, om tog zijn heele hart te
houden, want ik zou er geen klein stipje van hebben kunnen missen, als een
kleine speldeknop groot.’ Daarbij past niet de figuur van de gewetenloze
aanrander, maar van een door dwang of intrige verloren geliefde. Uit de
‘tien jaren treurens’, waar Betje in 1770 van spreekt, mag men bovendien
afleiden dat de breuk voor haar niet bij het ‘schandaal’ van 1755, maar in
1760 lag.
Het waren niet alleen de lasterpraatjes der Vlissingse ‘fijnen’ met broer
Laurens aan het hoofd over ‘de juffer die zulk een kwaden uitstap gedaan
had’, die haar in een ernstige toestand van lichamelijke en zenuwzwakte
brachten en tot een krampachtige beoefening van een ‘philosophie’ op Popes
thema: ‘Whatever is, is right.’ In oktober 1759 hakte ze resoluut de knoop
door: de tweeënvijftigjarige Adriaan Wolff, een geleerd en geletterd
weduwnaar en predikant in de Beemster, met wie Betje in correspondentie was
geraakt over ‘taal- en digtkunde’ was blijkbaar gerechtigd tot de goede
verwachtingen, waarmee hij de lange reis naar Vlissingen tot nadere kennismaking ondernam: nog op de dag van zijn
aankomst werd de verloving beklonken en een maand later zat Betje als
domineesjuffrouw in de Beemster. ‘Mijn fortuin is echter sober uitgevallen,
zult gij zeggen: een oude boerendominé!’ schreef ze in de eerder aangehaalde
brief. ‘Gij hebt gelijk, dog wagt, tot dat ik mes mémoires eens in 't licht
geef, om te oordelen of ik wel een zot stukje begon, toen ik twintig jaar
oud, mijne familie tot één toe en ma très chère Patrie adieu zeide om in het
stijve Noord-Holland met een oud statig man te hokken. Ik heb mogelijk meer
recht op den schoonen titel van N... chère philosophe te ... dan gij denkt.
Indien de Philosophie ook bestaat in te triompheeren over de sterkste
& vurigste hartstocht waarvoor 't aandoenlijk hart vatbaar is, uit
een loffelijk principe, dan usurpeer ik dien titel niet.’
In de loop van het jaar 1760 is vaandrig Matthijs Gargon in dienst der oic naar Java vertrokken.
| | | |
Betjes huwelijk was een al te filosofische stap om in de onfilosofische
dagelijkse omgang niet tot bittere teleurstelling voor beide partijen te
leiden. Prikkelbare zelfstandigheidsdrang tegenover bezadigde autoriteit,
zorgeloze en hunkerende behaagzucht tegenover al te begrijpelijke jaloezie
voerden een lange en vooral van de kant van de jonge vrouw soms felle en
weinig zachtzinnige strijd, tot ze in de laatste jaren van hun huwelijk
toonden praktische ernst te kunnen maken met het door beiden vurig beleden
evangelie der verdraagzaamheid in een verhouding van elkaar respecterende
huisgenoten die niet meer dan vriendschap verbond, zoals Betje met grote
openhartigheid in haar brieven vertelde: ‘En dewijl hij mij maar voor de
Pronk houd, kan hij niet om mij verlegen zijn.’ Een wezenlijk element in die
verzoening heeft zeker de loyaliteit gevormd, waarmee ds. Wolff openlijk
zijn vrouws partij koos tegen de kwaadaardige aanvallen die zij als
schrijfster vooral van de kant der ‘fijnen’ te verduren had.
Want van het ogenblik af, dat zij in de Beemster haar intrede deed, stond het
voor Betje vast, dat zij voor al wat ze menselijks moest ontberen vergoeding
zou vinden in de ontwikkeling van haar talenten: een zolderkamer in de
pastorie richtte zij dadelijk als haar ‘celletje’ in ‘en ik schreef of 's
Lands welvaart er van afhing’. Of zij inderdaad faute de
mieux schrijfster is geworden, zoals ze - we haalden het al aan - later
betoogd heeft? Een vraag, waarop niet meer dan een benaderend antwoord
mogelijk is en dan nog slechts, wanneer we ons er rekenschap van geven wat
voor Betje Wolff en haar tijdgenoten het begrip
dichterschap beduidde: een liefhebberij, een edele liefhebberij, die waar ze
zich een zedelijk en belerend doel stelde, veel nut kon stichten, maar die
noodzakelijk moest worden achtergesteld bij de plichten die de redelijke
mens zich als handwerker, koopman, staatsdienaar of huisvrouw zag opgelegd.
En zien we, hoe gering het aantal vrouwen die zich met wetenschap en kunst
bezighouden in de 18de eeuw nog is, dan is er meer reden de verklaring
daarvan in deze verhouding van plicht tegenover liefhebberij te zoeken dan
in een bijna geheel ontbreken van talenten onder de vrouwen. Voor Betje
Wolff - het tegendeel zou een fenomeen geweest zijn in haar tijd - lag
roeping en bedrijf van de vrouw in gezin en huishouding en ze zag zich zelf
dan ook allerminst als een feministisch voorbeeld, maar als een
uitzondering: een kinderloze domineesvrouw, die er niet over dacht zich als
een savante aan haar huiselijke en pastorale plichten te
onttrekken, maar die genoeg organisatievermogen en tact bezat om daar in de
kortst mogelijke tijd mee klaar te komen. Niemand kan zeggen of diezelfde
talenten aan Betje Gargon-Bekker en eventueel zelfs aan de moeder van enige
kleine Gargonnetjes niet de gelegenheid zouden hebben verschaft om af en toe
nog eens een lief vers of geestige karakterschets te schrijven, maar de
hartstocht, de kribbige eerzucht en strijdvaardigheid vooral, waarmee ze in
de eerste decenniën van haar schrijfstersloopbaan de pen voert, laten
duidelijk zien in hoeverre hier de ‘liefhebberij’ de smartelijk gemiste
‘plicht’ moest goedmaken. Minder gedreven door de behoefte iets te zeggen
dan iets te zijn (het begaafde jonge vrouwtje van ds. Wolff inplaats van de
gecensureerde Betje Bekker, die ‘een yder met den vinger aenwijst’ zoals
broer Laurens hatelijk schreef) zal ze | | | | daarbij, gezien de
geest der eeuw, voorlopig meer het grote voorbeeld dan de oorspronkelijkheid
nastreven. Haar eerste, drie jaar na haar huwelijk verschenen werk:
Bespiegelingen over het Genoegen
(1763) staat dan ook, helaas, dichter bij de ‘verheven’ poëzij van
Lucretia Wilhelmina van Merken, galmender
nagedachtenisse, dan bij de momentopnamen van de zilverhen en buurmans poes.
Hetzelfde geldt van een aantal volgende dichtwerken als
's Lands Vreugdegroet aan Zijne Doorluchtigste Hoogheid
Willem den Vijfden Prinse van Oranje en Naussau, enz. enz. toegewijd
ter heuchelijke gelegenheid van Zs. Hs. zestiende jaardach
(1764),
Eenzame Nachtgedachten over den Slaap en den Dood
(1765),
Bespiegelingen over den Staat der Rechtheid, den Val en den
Gevallen Mensch
(1765),
Een Nieuw Scheepslied gemaakt ter eere Zijner Doorluchtige
Hoogheid onzen dierbaren erfstadhouder, Willem den Vijfden, bij
gelegenheid van Hoogstdeszelfs Installatie als Heer van
Vlissingen
(1766).
Toen zij het laatste in 1785 in een bundel
Mengelpoezy
liet herdrukken, vond zij, bekeerd van haar hoge verwachtingen
omtrent Willem v, het nodig eraan toe te voegen: ‘Dit
Scheepslied is gemaakt in 't jaar 1766 (lees 1766); 't is niet ondienstig
hier het jaartal uitdrukkelijk bij te voegen en den lezer te herinneren, dat
gissen geen wiskunst is.’ En van het voorlaatste schreef zij in 1884: ‘Hoe
gaarne ontknarpte ik den uitgeveren één stuk! en wel die misselijke
olipodrigo, die ik voor twintig jaar goed vond Staat der Rechtheid te
noemen. Dat ellendig ding ligt mij als lood op het hart’, en elders: ‘'t Is
een bedroefd ding, dat wij gedurende de eerste twintig jaren onzes
kunstleevens niet, als minderjaarigen, staan onder de nutte voogdije van het
een of ander magtig stemmig en magtig naauwziend mensch.’ Het moet gezegd,
dat Betje ondanks een gepast gevoel van eigenwaarde zich ook in die eerste
twintig jaren geenszins afkerig getoond heeft van zo'n voogdij, al werd zij
daarin minstens zo sterk door haar hartstocht voor de vriendschap als voor
de kunst gedreven. Haar eerste vaderlijke vriend vond zij enige jaren na
haar huwelijk in de bekende Amsterdamse advocaat
Herman Noordkerk, een beminnelijke, algemeen ontwikkelde en ruim denkende
oude-vrijer die wel als het prototype van Abraham Blankaart uit
Saartje Burgerhart
beschouwd wordt. Betje beleefde in die tijd een scherp conflict met
haar man naar aanleiding van diens autoritair ingrijpen in een wat
geëxalteerde vriendschap van zijn vrouw met een jeugdig dichteresje uit
Hoorn, op verzoek van familieleden van de
jongejuffer die danig veel kwaad over de onrechtzinnige domineese wisten te
vertellen. De strijd liep zo hoog, dat Betje zich in een opgewonden brief
tot de beroemde advocaat wendde met de vraag welke mate van zelfstandigheid
haar als getrouwde vrouw toekwam.
‘Daar vuile Laster ende Logen mij verzelden, Vlood ik tot Noordkerk en die
Noordkerk werd mijn Vrind,’ schreef ze in een
Lijkzang
bij zijn dood in 1771. De bezadigde advocaat liet haar eens bij
zich komen en uitrazen en suste tot haar eigen heil haar dolle drift. Van
die tijd af tot Noordkerks dood gingen bestendig de brieven en het
boekenkoffertje heen en weer over het IJ.
Een tweede vriend die zij omstreeks 1766 leerde kennen en die meer nog
aanspraak mag maken op de eer haar literaire ‘voogd’ te zijn geweest, was de
| | | |
Haarlemse Doopsgezinde predikant en
redacteur-oprichter der
Vaderlandse Letteroefeningen
Cornelis Loosjes. Wat er aan getuigenissen van
deze vriendschap overbleef: één brief in bijbelstijl en de
Brief aan Vredemond
, opgenomen in de
Lier-, Veld- en Mengelzangen
van 1772 spreekt meer nog dan van literaire en geleerde
uitwisseling van gedachten van een echt 18de-eeuwse dweperige en
sentimentele vriendschap die steeds meer haar grenzen verliest naarmate ze
nadrukkelijker de ‘woeste driften’ afwijst en de ‘Reden’ boven de ‘Lust’
stelt. Betje heeft - het pleit voor haar eerlijke spontaneïteit en het heeft
haar menig traantje gekost - zich nooit naar het ‘hoed u voor de schijn’
willen richten, maar het is wel niet verwonderlijk, dat de brave ds. Wolff,
zelf toch ook van zijn omgeving een geleerde van naam, de angel der jaloezie
in het hart stalt, wanneer hij las van ‘de Vredemond mijner Poësi, aan wiens
Onderwijs ik mijn geheel Geleerd wezen ('t zij dan klein of groot) schuldig
ben’ of van de ‘vriend, die al mijn zielsgeheimen weet’ of wanneer hij de
Haarlemse menistenleraar, bij zijn familie bekend als een droog, dor en
lastig man, hoort weeklagen: ‘Lief schepsel, zag ik u nog eens zo gelukkig
als mijn hart u wenscht.’
Toch zijn het noch de geleerde lessen van Loosjes geweest, noch de zorg
waarmee hij de verzen van haar dichtwerk in vier zangen
Walcheren
(1769) ‘beschaafde’ tot ze zo ‘glad’ waren als zijn classicistische
smaak dat wenste, die Betje op de weg van haar eigenlijke talenten hebben
gebracht. Noch was het de inspiratie van hun tedere betrekkingen, noch van
die andere ‘harts-vriendschap’ met Gerrit van der Jacht van Zaandam, alias
‘Ernst’, ‘de jonge zanger, wiens haar bruin ende gekruld is, als het haar
Abzalons des zoons Davids, die door Joab gedood werd, ende wiens gedaante
schoon is als het licht des daags’, gelijk Betje schreef en bij wiens
plotseling verschijnen ter pastorie ‘de jalouzie, die 't harte verteert,
ende 't huis afbreekt met haare handen, stond op, ende vertrok niet voor dat
de jonge zanger was heengegaan’.
Wilden haar beste kwaliteiten tot hun recht komen: haar levendige,
springerige geest, die telkens contact maakt, haar weinig verheven maar
scherp ironisch en spotziek vernuft, haar liefde voor de natuur en vooral
voor het natuurlijke en haar spontaan verzet tegen alles wat klein en vals
was, dan moest ze heenbreken door die dam van laat-classicistische traditie,
die de letterkunde tot ‘digtkonst’ en die ‘digtkonst’ tot het handwerk van
in de mythologie gekonfijte ‘puikpoëten’ had gemaakt. Ze moest alleereerst
haar eigen taal durven spreken, en dat was niet de taal der poëzie, alle lof
van ds. Loosjes ten spijt. Dat was ook niet de gemoedelijke rijmelarij van
haar Brief aan Ernst, al vloeide die even
gemakkelijk als de adem van haar lippen en was deze spreekvorm der
dichtgenootschappers haar zo vertrouwd, dat ze onmiddellijk na het sterven
van haar man en verlangend naar haar hartsvriendin Aagje naar de pen greep:
Ach Deken! Deken Ach! Mijn waarde Wolff! mijn man,
In 't holst des nachts ...'k Zit voor zijn ledikant te
lezen;
Hij spreekt met mij, hij sterft, valt in mijn arm, ik
kan
Niet schrijven. Hemel, moest ik juist allenig weezen!
| | | |
Een verjaardagsgedicht voor Jan Bekker, Elizabeths vader, in haar
eigen handschrift. Gemeentearchief,
Vlissingen.
| | | |
En Aagje, in 't minst niet beduusd, antwoordt onmiddellijk voor ze naar de
Beemster snelt:
Wat's dit... Mijn God! uw man... reeds dood... Wat zegt uw
brief?
Ik beef... dat's onverwacht... O wisselloop der
dingen!
Betjes taal was het proza en eventueel als concessie aan de tijdgeest het
berijmde proza, in de eerste plaats omdat ze maar een uiterst middelmatig of
misschien helemaal geen dichteres was, maar ook de grote ‘verheven’
voorbeelden van haar jonge jaren, de dames Van
Merken en De Neufville hebben in de ogen
van het nageslacht weinig dichterlijks, wat haar niet weerhouden heeft ons
louter ‘verzenboeken’ na te laten. Betjes taal werd het proza, omdat dat,
veel losser van vormtradities, haar de beste kans bood om als vrouw, als
intelligente, kritische, geestige en gevoelige vrouw ronduit te spreken.
Theoretisch heeft zij het gezag van het classicisme en zijn wetgever Boileau
nooit aangetast en wat er van de ideeën van de opkomende romantiek, bij
voorbeeld in Van Goens' vertaling van
Mendelssohns
Verhandeling over het verhevene en het naïeve in de fraaie
wetenschappen
(1769), naar hier overwoei, heeft zij nooit als een nieuw evangelie
aanvaard. Het is op zijn minst twijfelachtig of ze zich bewust was van een
principiële omzwaai, toen ze in haar
Gedachten over de Dichtkunde
(achterin de
Bespiegelingen over den Staat der Rechtheid
) kordaat verklaarde: ‘Slaafsch te volgen in het spoor van anderen
behaagt mij niet’, nadat ze twee jaar eerder zich als hoogste doel gesteld
had De Neufville en Van Merken ‘van verre na te treden’. Zij was geen
theoretische en beschouwelijke geest, al schreef ze ‘bespiegelingen’ en
noemde ze zich graag ‘philosophe’. Haar filosofie was meer levenshouding en
‘wellevenskunst’ dan stelselmatige levens- en wereldbeschouwing. En men kon
- zeker in haar tijd - van een vrouw, bij uitzondering in de republiek der
letteren toegelaten, moeilijk het aplomb verwachten om als wetgeefster op te
treden en haar natuurlijke uitingsvorm tot een nieuwe esthetica te
verheffen. Dus eerbiedigde zij de verstarde wetten van vorm en stijl, pikte
hier en daar uit haar overrijke lectuur of uit de lucht die nieuwe ideeën op
waar haar natuur zich spontaan aan verwant voelde en... ging op haar eigen
stijlloze wijze haar gang op het terrein waar die wetten, juist door hun
verstarring, hun gezag verloren hadden: in de moralisatie waar die los kwam
van het verhevene, dat het wettig domein der poëzij was en vooral in de
polemiek.
In juli 1767 begon haar medewerking aan het spectatoriaal tijdschrift
De Grijzaard
, waaraan zij onder het pseudoniem Silviana een reeks bijdragen
leverde, gezond-verstandige moralisaties over het dagelijks leven, over
huwelijk en opvoeding, over schijnheiligheid, laster en onnatuur, met hier
en daar al een karikatuur of karakterschets in wat op den duur haar eigen
trant zou blijken. Het is duidelijk, dat er voor Betje
Bekker, aan wier ‘zedeloosheid’ alle fijnen van Vlissingen hun vrome hart hadden opgehaald, een zekere
voldoening in school hier als gewaardeerd moraliste gehoor te vinden. Maar
daarmee was haar wrok over de haar aangedane smaad, haar berouw om het
on- | | | | beraden huwelijk waar die smaad haar toe gebracht had,
niet verzoend. Ze stortte zich in een vinnige polemiek tegen de starre
rechtzinnigheid, tegen de onverdraagzaamheid, tegen schijnheiligen en
‘fijnen’ en haar ergernis werd de rijkste bron van haar oorspronkelijkheid.
Tegenover de uiteraard manlijke geest van Dordt,
tegenover de opgeblazenheid en kwasi-waardigheid plaatste ze met de scherpe
intuïtie van het gekwetst gevoel háár stijlmiddelen van realistische ironie,
de speldeprikken der niet te imponeren nuchterheid van één die de spelregels
der waardigheid niet kende.
Haar eerste principiële geschrift tegen de orthodoxie was de inleiding bij
een vertaling van het
Leven van Jezus
van de Schotse predikant William Craig. Het boek wekte grote
beroering zowel onder de voorstanders, die de voorrede waarin zij openlijk
opkwam voor een ondogmatisch geloof, hartelijk toejuichten als onder de
rechtgelovige tegenstanders, die piëtisme en ‘werkheiligheid’ snoven en
zelfs een poging deden de kerkelijke autoriteiten, die ook al getalmd hadden
met de approbatie op de Staat der Rechtheid, te bewegen
‘de prijscourant van haar geloof op te maken’, zoals Betje zelf zegt. De
orthodoxie had alle reden om zich schrap te zetten in deze tijd. Niet alleen
vanuit de Engelse geesteswereld werden de dogma's van Erfzonde en
Predestinatie bedreigd door de begrippen van verdraagzaamheid en
mensenwaarde: In Betjes omvangrijke lectuur, zoals we die uit haar brieven
en geschriften kennen, spiegelt zich de belangstelling waarmee hier te
lande, zowel in de kringen van onrechtzinnige dissenters, als ook onder de
ontwikkelde aanhangers der staatskerk het rijke Europese gedachtenleven dier
dagen werd meegeleefd. In 1762 verscheen Rousseaus Contrat
Social. Betje niet minder dan ds. Wolff rekenden zich tot de
‘aanbidders’ van ‘den grooten, den goeden, den uitmuntenden Rousseau’, wiens
‘beeltenis in medaillon tusschen de twee grootste onzer Vaderlanders de
Groot en Erasmus’ op haar ‘Boekekamer’ hing. Voltaire, wiens Traité sur la Tolérance in 1764 uitkwam, vereerde zij in de eerste
plaats om zijn drama's en zijn Henriade als ‘de grootste
dichter van Europa’, als strijder tegen de inquisitie kan zij hem alleen
maar met vele van haar landgenoten toegejuicht hebben, maar de ironische
twijfel van zijn Pucelle d'Orléans, ‘het vileinste door
hem tegen den Godsdienst geschreven’, ging de in wezen gematigde philosophe
te ver: wat zij ‘zijn slegt hart, zijne grove, vuile spotternijen’ noemt kan
zij hem niet vergeven: ‘de Vrouwen moeten zich, dunkt mij, schaamen met
veele zijner werken familiair te zijn’. In zijn verrukkelijke Candide kan zij niet anders zien dan een bespotten der
Voorzienigheid. Ook Lessing, die andere grote kampioen der verdraagzaamheid,
heeft zij niet ten volle kunnen waarderen; met de stroom van de tijd mee
legde ze zich pas in haar laatste Beemster jaren op het Duits toe en leerde
toen ook zijn werk kennen, maar de Nathan, die haar toch
uit het hart gegrepen moest zijn, noemt zij nergens en de goddeloze
beginselen van zijn Wolfenbütler Fragmente dienen in
Willem Leevend
als tekst van de lessen, die de ongelovige, en dus loszinnige
Jambres aan ‘eenige rijke Débauches’ geeft.
Want als vele, ook ruimdenkende gelovigen onttrok ze zich niet aan het
wan- | | | | begrip van een samenhang tussen ongeloof en zedelijk
verval. Alleen ten aanzien van haar afgod Rousseau is ze bereid, waar ze hem
in 't godsdienstige ‘bitterlijk ziet dolen’, in theorie toe te geven: ‘dog
dwaling en deugd zijn bij mij zeer bestaanbaar met elkander’. In haar latere
romans echter achtte zij het kennelijk haar plicht als moraliste de gelovige
steeds het eerstgeboorterecht der deugd te verlenen.
Maar voorlopig had Betje meer met het geloof dan met het ongeloof te stellen.
De voorrede bij Het Leven van Jezus was aanleiding, dat
zij zijdelings betrokken werd bij de in een reeks vinnige pamfletten
uitgevochten ‘Socratische Oorlog’ over de al of niet mogelijke zaligheid van
de al of niet deugdzame Socrates. Betje las al die plechtige, waardige,
bliksemzwaaiende mannen-taal en haar vingers gingen haar jeuken om eens op
haar wijze met haar oude vijanden af te rekenen.
De Amsterdamse hoogleraar Petrus Burman verzamelde
op zijn buiten Santhorst bij De Deyl, het
zogenaamde Santhorster kuddeke dat zich ‘de Paters van het dichtlievend
kloosterken der Vrijheid en Tolerantie’ noemde, waar de tafelgenoten op de
‘vijfvoudige conditie van Vaderland, Vrijheid, Vreede, Vriendschap en
Verdraegsaemheyt’ dronken en klinkende lofredes afstaken op ‘Bataafse
helden’ als Brederode, Oldenbarnevelt en De Witt. Het
spreekt vanzelf dat strijdvaardige advocaten der Vaderlandse Kerk als
Pau-lus Dortsma (de Dordtse predikant Barueth) op
deze uitdagingen het antwoord in de vorm van een kwaadaardig pamflet, niet
schuldig bleven. Bertje die allang popelde om al deze opgeblazenheid eens
met de spot die ze verdiende af te doen, greep nu naar de pen en schreef
haar:
Onveranderlijke Santhorstsche Geloofdbelijdenis in rijm
gebracht door eene zuster van de Santhorstsche gemeente, Ter
Drukkerij van haare Koninklijke Majesteit Reden
(1772), een parafrase op de vijf v's met wat speelse schimpscheuten
op de belagers van vrijheid en tolerantie, ‘de speeling van een bij uitstek
weeligen en poëtischen geest’, schreef ds. Wolff die zich in een
Verdediging en Ontschuldiging van het dichtstukje de
Santhorstsche Geloofsbelijdenis
loyaal aan de zijde van zijn vrouw schaarde. Want-hoe had ze ook
enig gevoel voor humor juist bij deze tegenstanders kunnen verwachten? - nu
keerde de pamflettenstroom zich tegen het godslasterlijk en heiligschennend
geschrift van de ontaarde domineese waaruit men, grootste gruwel, een aanval
op de stadhouders construeerde. Ook toen monopoliseerde de reactie graag het
Oranjehuis en Willem v maakte haar dat niet moeilijk.
Maar, tragi-komische complicatie voor de voortvarende dichteres: professor
Burman die een lief Latijns vers over de vrijheid schreef, maar verder geen
held was en zich niet graag van het Hof vervreemdde, liet weten ‘dat ik met
de fameuse juffr. Wolff ... nooit eenige familiare omgang gehad heb of
verlange te hebben’ en dat hij van de uitgave van het ‘onbeschaemt gedicht’
in 't minst geen voorkennis had gehad. Betje trok er zich niet veel van aan;
de tegenstand die ze opriep, wel verre van haar af te schrikken, had genoeg
weerwerk in haar gewekt om haar op eigen gelegenheid verder te doen gaan.
Nog in hetzelfde jaar 1772 verscheen:
De Menuet en de Domineespruik
, een satire op het schandaal ergens in Groningen losgebroken over een ouderling die op de | | | |

Een jeugdtekening door Elizabeth Wolff. Gemeentearchief, Vlissingen.
| | | | bruiloft van zijn dochter een paar passen had meegedanst,
gevolgd door een
Vergeefsche Raad
aan haar Muze om deze strijd tegen de redeloosheid op te geven en
de
Zedenzang aan de Menschenliefde bij het verbranden des
Amsterdamschen Schouwburgs
.
Meer nog dan de eerstgenoemde, die als ‘laffe, ongezouten, doch kwaadaardige
paskwillen’ werden aangemerkt, moest de brave Zedenzang
het in al en niet berijmde pamfletten en particuliere brieven ontgelden en
wel omdat Betje daarin verzet aantekende tegen het dierbaar bijgeloof, dat
hier een straffe Gods op zulk een ijdel vermaak als het toneelspel meende te
zien. ‘De vijand is op marsch en trekt als een leger van sprinkhanen op mij
af,’ schreef Betje die met haar vele lezers (de Zedenzang
was voor het eind van het jaar aan de vierde druk toe) meer en meer schik in
het geval kreeg, hoe het popperig domineesvrouwtje van de Beemster, dat op
rijtoeren door de dames om beurten op schoot werd genomen, werd aangeblaft
als ‘een vuile schandvlek der gereformeerde Kerk’, ja een ‘boschwolvinne’
wier ‘scheurzieke tanden de weerloze schaar niet angstig genoeg schuwen
kon’.
De telkens herhaalde koketterietjes over haar min persoontje accentueren de
voldoening die dit indruk maken haar gaf. Zij kan er niet genoeg van krijgen
en gaat in de volgende jaren enthousiast voort haar vijanden te bestoken, zo
met de Datheniana, het hekeldicht
Aan mijn Geest
van 1774 waarin ze in de vorm van een gesprek met haar muze de hele
strijd nog weer eens oprakelde,
De Bekkeriaansche Doling proefondervindelijk weerlegd
(1775), een ironisch betoog, dat Balthazar Bekker zich vergiste,
toen hij het duivels-geloof bestreed, want alleen van de duivel kon de
inspiratie van haar vijanden komen, en de
Brieven van Constantia Paulina van Dortsma
(1776).
De vele herdrukken van haar werk, het oplopen der prijzen van zeldzame
exemplaren bewezen, dat zij, alle tegen haar gerichte kwaadaardige libellen
ten spijt, de stroom mee had en veel instemming en bewondering vond. In 1784
werd tot ƒ100 betaald ‘voor een zoogenaamd compleet exemplaar’ van haar
werk. Nog nooit had een vrouw in Nederland zo'n rol in het openbare leven
gespeeld als Betje Wolff, ‘de roem haarer Sex’,
zoals ze zich in de Utrechtse trekschuit hoorde betitelen door een onbekende
die meende haar het nieuwtje van haar ontijdige dood te kunnen berichten.
Het werd half een rage en half een uitgeversspeculatie om allerlei geestige
en vermeendgeestige schrifturen voor haar werk te laten doorgaan.
‘Meermaal,’ schreef Aagje Deken later ‘misleidde
men het publicq door het bedriegelijk stellen van tytels, die het in de
gedagten bragt, dat deeze beuzelingetjes door Mejuffrouw Wolff waren
opgesteld, totdat men door die te leezen het bedrog bemerkte; kort gezegd
alles, ik zeg niet, wat raar en geestig is, maar 't welk
bij het gros zo genaamd wordt, eigent men aan mijne
vriendin toe.’ Maar bij dat alles deed Betje de bittere ervaring op van meer
geestige schrijvers, die met hun geest een zaak die hun ter harte gaat,
verdedigen, dat namelijk de geestigheid meer aftrek vindt dan de zaak die ze
dient en dat men haar spotzucht en ijdelheid prikkelde - om haar voor pias
te zien spelen. Al dit, op hoe zelfbewuste toon ook, uitrazen van haar
ergernis en verontwaardiging gaven haar niet het innerlijk evenwicht
waarnaar ze haakte. Innerlijke onzekerheid | | | | spreekt uit de
graagte waarmee ze de kleine attenties van mensen van aanzien en gezag
ontvangen, in haar brieven uit deze tijd releveert, uit haar correspondentie
ook met Lucretia Wilhelmina van Winter, geboren
van Merken, maar daar ligt tevens iets van haar geleidelijke overwinning van
die onzekerheid in besloten. In mei 1774 schrijft ‘uwe ootmoedigste
Dienaresse E. Wolff geb. Bekker’ een brief overvloeiend van eerbied en
‘uitmuntende hoogagting’ aan de Amsterdamse
dichteres ter begeleiding van een exemplaar van haar hekeldicht Aan mijn Geest. Tot overmaat van nederigheid verschuilt ze zich
achter een aanzienlijk vriend, de WelEd. Groot Achtbaren Heer de Moor van
Immerzeel, burgemeester van Gouda, die het
initiatief voor deze toezending zou hebben genomen en zo vriendelijk was
haar briefje voor haar te ‘beschaven’. Maar Lucretia, rijke en deftige
Amsterdamse koopmansvrouw en dichteres, door haar geletterde tijdgenoten in
één adem met Homerus en Virgilius genoemd, mist alle kwaliteiten om het
huldebetoon van de fameuze en roerige plattelandsdomineesjuffrouw te
waarderen en schrijft een kwijnend-pedant en tussen de regels hooghartig
afwijzend briefje terug. Nog twee maal, in december 1775 en in januari 1777
stuurde Betje een van haar nieuw uitgekomen werken met een begeleidende
brief aan Lucretia en deze hield zich stipt aan haar verzoek: ‘zo gij eenige
consideratie voor mij hebt, antwoord mij tog geen een letter. Gij doet mij
er geen plaisir mee.’ Maar men moet wel geloven, dat mevrouw Lucretia die
anders voor een paar honderd verzen niet uit de weg ging, met de mond vol
tanden stond tegenover deze onbevangen vermenging van oprechte, ja bijna
geëxalteerde bewondering voor de dichteres en nuchter ontluisterende ironie
tegenover de aanmatigend minzame dame: ‘Andren zij het een raadsel, als zij
hooren: “ik ben verlegen; ik weet niet hoe uw brief te antwoorden”. Wat
domme menschen & dat noch geleerde Lui! Wel ik bevat het zeer
duidelijk! Gij hebt geen kleingeld: alle uwe idees zijn ryers en ducaten;
dat wist ik wel, mevrouw; gij kunt des met mij geene commerce drijven; (ik
wel met u)... Welfoei Mevrouw! ik ben evenwel je evenmensch, hoop ik,
& mij zo liefdeloos te behandelen ... Ik moest misschien u niet
gezegd hebben, hoe ds. Wolff & zijn vrouw over u denken. Maar mijn
Hemel, als een mensch ook zo veele jaren zweeg, is het te vergen! ik weet
wat mij dat eerbiedig zwijgen gekost heeft, wat ik er aan geleden heb en hoe
dikwijls ik in de Remonstrantsche Kerk geweest ben om de eere te hebben van
u te zien.’
In de zomer van 1776 ontving Betje een brief die meer indruk op haar maakte
dan de ongeschrevene van Lucretia Wilhelmina. Hij was van de Amsterdamse
dichteres Aagje Deken, van afkomst een
Amstelveense boerendochter die, nadat haar ouders onder een reeks van rampen
bezweken waren, was opgevoed in het weeshuis der Rijnsburgsche Collegianten,
de Oranjeappel, op de Keizersgracht. Naar de - overigens niet onredelijke -
regels van ‘het huis’ was Aagje bij haar uittreden tot ‘dienstbaarheid’
bestemd. Of nu haar zelfbesef als eigenerfde boerendochter of haar
begaafdheid haar daarbij in de weg stonden dan wel dat de voor die tijd
moderne wezenverzorging in De Oranjeappel haar minder geschikt maakte voor
de eisen, die men toen aan een dienstbode stelde, dan ‘zulke, die niets
weten van de waardij en rechten der | | | | menschen’, zoals ze zelf
later schreef: in ieder geval zij verdroeg die ‘dienstbaarheid’ alleen als
huisgenote-verzorgster-vriendin van de ziekelijke dichteres Maria Bosch, met wie ze samen een bundeltje poëzie
uitgaf. Na Maria's dood en een aantal mislukkingen in andere betrekkingen
vond ze een bescheiden bestaan in ‘het verzorgen van coffij, thee en andere
noodwendigheeden aan goede vrienden’.
Deze Aagje nu schreef Betje een brief om zich te rechtvaardigen tegenover de
beschuldiging, als zou ze van haar ‘wel eens een woordje kwaad gekaveld’
hebben, maar tevens om haar in de zachtzinnige menistenstijl van de
collegianten te doen weten ‘hoe swaar uw Eewig belang mij op de ziele weegd:
Indien gij maar half wist hoeveel mijn ziel om u geleden heeft en nog lijd,
omdat gij met een goed hart zo veel zotheeden begaat die mijn verstand wel
afkeurd dog denwelke mijn hart in u althoos verschoonde ... hoe veel
traannen, geen kwaadaartige nog geveinsde, maar liefdenrijke opregte traane
ik om u gestort heb ... hoezeer ik overthuigd ben van de moejelijkheid om
een weg te verlaaten, waarop men jaaren lang, zelfs met toejuichging
gewandeld heeft, - en wat het kost ... voor de gansche waereld zich als
schuldig te verklaaren.’
Wie mocht menen, dat vrouwenvriendschap alleen in de vorm van een soort
gezellige afgunst bestaanbaar is, leze deze brief en het antwoord, dat Betje
er na een slapeloze nacht op gaf. Dat antwoord was niet mak, al begon het
met het voornemen ‘met de bedaarde bescheidenheid der ongemaakte deugd’ die
‘hoonende brief’ te weerleggen. Zij toont het vrome zusje aan, hoe zij in
haar vrees voor het menselijk opzicht schijn en wezen verward heeft en het
‘men noemt geen koe bont...’ der braven heeft toegepast: ‘Waarom hebt gij
uwe zuchten tot God voor mij opgezonden; waarom lijdt uw hart om mij; waarom
stort gij traanen? o waaren dit de tedere vrugten uwer medelijdende ziel, om
de Godloosheden die men mij aandoet. Maar neen, gij hebt gezucht, geweend,
geleden om mijn zedeloos caracter. Maar hoe kan ik u dan zo dierbaar zijn,
als ik “zulk een ondeugend mensch” ben?’
Er zijn in deze brief twee merkwaardige punten: ten eerste Betjes volkomen
beheersing van zich zelf en haar stijlmiddelen, waardoor ze haar
zachtmoedige aanvalster zo weet te overtuigen, dat ze zelf verlegen is met
haar ‘al te ootmoedige’ verontschuldigingen; ten tweede de scherpe
mensenkennis waarmee ze in deze uiterst nadelige situatie de vrouw tegenover
haar weet te waarderen. In deze zelfde brief schrijft zij letterlijk: ‘Hoe
gelukkig zou ik mij agten, indien ik eene Juffr. Deken tot mijn gezelschap
had, hoe gaarne zou ik alles met haar delen wat de milde God mij gegeven
heeft! hoe aangenaam zou het voor mij zijn mijne stille uren, hier op deeze
allerbest geschiktste Boekekamer met haar door te brengen!... Ik wanhoop er
niet aan; er is niets onmogelijks in dat ik u zo dierbaar worde als u immer
iemand was!’
Zouden we, wanneer we een dergelijke profetie in een 18de-eeuwse
roman-in-brieven tegenkwamen, niet een ironische opmerking hebben gemaakt
over al te simpele psychologie? Toch was het niet minder dan een
psychologische profetie. Wanneer nog geen twee jaar later ds. Wolff sterft,
is de vriendschap der twee vrouwen al zo hecht, dat voor beiden een verder
sa- | | | |

De reconstructie van de werkkamer in de pastorie van ds. Wolff.
Huize Betje Wolff, Midden-Beemster. Foto W. van de
Leygraaf.
| | | | menwonen en -werken de aangewezen weg is. Ze vestigden zich
eerst in een huurhuis te De Rijp, maar toen ze
tengevolge van de drassige omgeving daar herhaaldelijk door derdedaagse
koorts bezocht werden en een erfenis Aagje in de gelegenheid stelde het
buitentje Lommerlust bij Beverwijk te kopen,
verhuisden ze daarheen.
Na 1777 kennen we Betje Wolff alleen nog als
schrijfster van een paar onbelangrijke rijmbrieven, als vertaalster en als
organisch deel van de tweeëenheid Betje en Aagje
waaraan wij de eerste Nederlandse roman in moderne zin te danken hebben.
Wanneer we hiervóór zover mogelijk getracht hebben de levensgeschiedenis van
Betje Wolff alleen te geven dan was dat natuurlijk omdat wij in haar wel de
drijvende kracht van die tweeëenheid menen te mogen zien, ook zonder daarvan
het mathematisch bewijs te kunnen leveren. Want de vriendinnen zijn nooit
verder gekomen dan het plan om bij gelegenheid eens op te tekenen, wat van
de één, wat van de ander was. Het is namelijk opmerkelijk, dat bij een
dergelijke literaire samenwerking de lezers de onderlinge rolverdeling een
veel belangrijker kwestie vinden dan de schrijvers zelf. Opmerkelijk, maar
niet onbegrijpelijk, ook zonder dat men een wederzijdse verootmoediging in
liefde of vriendschap van de beide auteurs veronderstelt. Want het gaat hier
niet om inschikkelijkheid en zelfverloochening, maar om een grote
gemeenzaamheid van inzicht en smaak: het is veel moeilijker het werk van een
ander te adopteren dan afstand te doen van het stukje ijdelheid, dat in het
literaire eigendom steekt. In de betrekkelijk zeldzame gevallen die ervan
bekend zijn, was een gemeenschappelijke jeugd of een huwelijk de basis van
die gemeenzaamheid, maar hier gaat het om twee vrouwen, die het vormende
deel van haar leven al achter de rug en die bovendien het voor die tijd niet
gering te achten bezwaar van een aanmerkelijk standsverschil te overbruggen
hadden: ‘dewijl zij door de voorzienigheid niet in dien rang geplaatst is,
waarin ik mij bevinde, buiten mijn toedoen, dunkt mij, dat het zo zagt, zo
vriendelijk zoude zijn zulk een mensch te gemoet te gaan,’ schreef Betje
vóór de eerste verzoenende ontmoeting. Het is waar, ze had al eerder getoond
te beseffen, dat zulke verschillen tegenover spontane gevoelens moesten
wegvallen, toen ze, tegen heel de Beemster beau-monde in, de vrouwe Van
Foreest in bescherming nam die, weduwe en moeder van acht kinderen, met een
katholieke boerenzoon hertrouwde. Deze beide vrouwen moeten in elkaar nog
iets meer gevonden hebben dan de vergoeding voor het gemis der vereenzaamden
alleen. Voor Aagje wier schrandere geest boven haar geestelijk rantsoen van
‘zedelijke theologie’, wier collegiants-individualistisch zelfbewustzijn
boven haar koffie-en-thee-handeltje uitging, opende Betje de deur naar de
cultuur, op Betje onder wier vinnigste polemiek, de onzekerheid van haar
geknakt zelfgevoel bleef sidderen, moet het rustig zelfbewustzijn van deze
in eenzaamheid en dienstbaarheid opgegroeide vrouw, die even gemakkelijk
ongelijk kon bekennen als terechtwijzen, een diepe en zegenrijke invloed
hebben gehad.
De eerste vrucht van haar samenwerking - afgezien van een reeks gebundelde
Brieven over verscheidene onderwerpen,
is voor ons wel het minst toegankelijke deel van beider werk geworden, maar
daarom juist als tijdsver- | | | | schijnsel wel belangrijk: de drie
deeltjes:
Economische
(d.i. huishoudelijke) Liedjes van 1781, die voor
1792 zeven herdrukken beleefden. Vanwaar die populariteit van ‘gedichten’
(zij zelf spreken van het Rijmwerk, dat zij ‘in vredesnaam ter liefde van
ons Vaderland’ ondernemen), gedichten die ons nu volkomen ongenietbaar
voorkomen?
Betje en Aagje
behoorden tot de burgerij die zij, ook in haar romans, uitsluitend
vertegenwoordigen. Al wat zij als redelijke denkbeelden aanhingen, vond
oorsprong en weerklank in die burgerij. Houden ze zich zowel in haar werk
als in haar brieven bezig met wat daar boven of beneden staat, dan is dat
kennelijk voor haar het andere. En naarmate de belangen van de burgerij
duidelijker uitdrukking vinden in de partij der Patriotten, worden zij als
vanzelf van gematigde Orangisten tot gematigde Keezen. Tot de redelijke
denkbeelden behoorde in de eerste plaats het begrip der mensenwaarde, de
christelijke gedachte van de gelijkheid tegenover God in het aardse
geprojecteerd. In deze gelijkheidseis moet men echter, wel te verstaan, noch
een herleven van wederdoperse idealen noch een vooruitlopen op
socialistische voorstellingen zien, al zouden de laatste er de
voortschrijdende consequentie van zijn. In de patriotse sfeer werd de
mensenwaarde aangetast, wanneer de mens tot een ding verlaagd werd: in 1790
vertaalde Betje het werk van de Franse predikant Frossard over:
De zaak der Negerslaven en der Inwooneren van Guinea
, maar verder liet het ideaal zich alleen verwezenlijken op grond
der erkenning van een ‘noodzakelijkheid der zeer onderscheiden staaten,
rangen en uitdeeling van goederen’ en niets was, juist voor de betrokkenen
zelf, noodlottiger dan zich tegen die natuurlijke bedeling te keren: ‘Hij,
die dankbaar is, is blij.’
Naast de verplichting van meer ontwikkelde en gegoede burgers om de mindere
man een menswaardig bestaan te verzekeren, zag Betje daarom, zoals zij al
eerder in een artikel over
Het Lezen der Dienstboden
betoogd had, de plicht hem van speciaal voor hem geschreven lectuur
te voorzien, die hem niet uit zijn milieu rukte. Waar nu de beide
vriendinnen, zelf zanglustig van aard, zagen, dat er naast de geïmporteerde
Franse en Italiaanse salonliederen, voor het volk alleen de keus bestond
tussen het geestelijk lied en wat zij de ‘moordenaartjes’ noemden, meenden
ze zelf haar opdracht te moeten vervullen en de ‘ambagtsluidjes’ gelukkig te
maken met een bundel liederen met aangegeven zangwijsjes, zoals: De dankbare Dienstmeid, De oude Keukenmeid, De vergenoegde
Tuinman, De verblijde Vader, Het Vischwijf, De zorgvuldige moeder,
enz. enz.
Of inderdaad door vatenwassende dienstmeisjes en kloppende schoenlappers deze
liedjes op de wijze van ‘Prins Robbert was een gentleman’ of ‘Je vais te
voir, charmante Lise’ zijn uitgegalmd, vertelt de historie niet, maar wel
schreven de dichteressen zelf in een voorbericht: ‘meermaal zijn wij vereert
geworden met een Liedje uit deeze verzameling gezangen door een fraaije
stemme en gespeeld door tedere, voor het Clawier gevormde vingertjes.’
Het vermogen van de burgerij om zich in het gelukkig lot van de schamele
medemens te verplaatsen bleek overigens niet onbeperkt: Twaalf leerrede- | | | |
nen en eenige
Gebeden ten behoeve van den gemeenen man van 1782
vonden weinig aftrek en werden geheel overschaduwd door de in hetzelfde jaar
verschenen eerste Nederlandse roman
De Historie van Sara Burgerhart
.
In de ontstaansgeschiedenis van de moderne roman heeft de vrouw een
belangrijke rol gespeeld. Franse en Engelse schrijfsters kwamen in de tweede
helft van de 17de eeuw al het eerst met vrije, aan geen heersende stijl
gebonden prozaverhalen uit haar eigen omgeving voor den dag en wanneer al de
Engelse schrijver Richardson uit het midden van de 18de met recht als de
grondlegger van de burgerlijke roman geldt, het honigzoet farizeïsme van de
brave boekdrukker die de afgod van zijn eeuw werd, was voor het nageslacht
allang ongenietbaar geworden, toen de zuivere onbevangenheid van een Jane
Austen, de gezonde mensenkennis van een Wolff en Deken nog weinig van hun
frisheid verloren hadden.
De voornaamste personen uit Saartje Burgerhart en de twee
jaar later verschenen
Historie van den Heer Willem Leevend
behoren tot de betrekkelijk schaarse figuren uit onze nationale
voorstellingswereld. Bij Saartje Burgerhart kwam de vrouw in onze
beschavingsgeschiedenis voor het eerst in het voordeel, waar ze tot nu toe
altijd gehandicapt was geweest doordat ze - wilde ze gehoor vinden - moest
meespreken in een stijl die zij zelf niet had helpen vormen, stijl niet
alleen in de zin van schrijftrant, maar de vormenstijl van heel het openbare
leven. Tot op dat ogenblik was de literatuur - afgezien van de lyriek -
vanuit dat openbare leven gezien: de literaire figuren zijn goden, koningen,
helden, schurken en duivels. Het plechtig maskerspel van het classicistische
drama met name was zo door en door onvrouwelijk, dat geen vrouw zich zelfs
maar aan de namaak ervan gewaagd heeft. Wanneer Richardson het eindelijk
waagt de burger tot held te maken, och arme, wat een brave statigheid van
een burgerheer wordt zijn Grandison dan! En nu komen deze twee vrouwen en
overzien het levenstoneel eens vanuit de coulissen. ‘Nu ja, hij dient mij
niet vergeefsch,’ schrijft Alida Leevend van haar waardigen echtgenoot,
‘alle daag doe ik zijn stropje om en den rok aan; och ja, met mijn eigen
handen. Ik maas nu zelf wel eens een steek in een zijden kous, zonder hem te
prikken, zonder ooit meer zijn bovenkous aan zijn onderkous vast te hechten.
Zo net als een Bruigom dril ik hem op; en dan zeg ik met Nebuchadnezar (wat
naam is dat!). Is dat niet het groote Babilon 't welk ik gebouwd heb ter
eere mijner Heerlijkheid!’ O, zeker, er schuilt hier een gevaar, niet alleen
voor de reputatie aan de Beurs van Alida's echtgenoot. Dit onbevangen
ontluisteren van de stijl, dit huis-, tuin- en keukenrealisme, is het niet
uitgelopen op ... de damesroman? En toch: het is als een tweede appel van de
boom der kennis, geen pralende paradijsappel, maar een glimmend-rood
sterappeltje en ook het inzicht dat we met deze zondeval verwierven, willen
en kunnen we niet meer missen. Want is het niet altijd weer in literatuur en
leven deze ontluisterende onbevangenheid die ons de ware verhevenheid leert
onderscheiden van de holle opgeblazenheid? Verouderd zijn de romans van
Wolff en Deken voor ons vooral in hun ethiek, met name in hun sociale
ethiek, aangezien die geheel en al door de geest van de 18de-eeuwse burgerij
bepaald was, een geest die met overtuiging voor vrij- | | | |

Het rieten kluisje op Lommerlust in de Beverwijk. Ets door
Caspar Philips Jacobsz. Atlas Van Stolk,
Rotterdam.
| | | | heid, verdraagzaamheid en ontwikkeling opkwam, maar die het
verder voortschrijden van de machten die hij zelf had opgeroepen kon kennen
noch erkennen. Maar hun historische waarde heeft daarbij gewonnen. De
patriotten hebben over het algemeen een ‘slechte pers’ in onze
geschiedschrijving. Dat ligt ten dele aan de tendentieuze voorstellingen van
een eng nationalistisch-orangistische geschiedschrijving, die hoog liep met
de vaderlandsliefde van hen die in 1787 de Pruisen in het land haalden, maar
geen begrip had voor een patriottisme dat zich verbroederde met de Franse
overheeersers. Maar ook hieraan: het patriottendom was de eerste politieke
beweging zonder kerkelijke inslag en die het dan ook zonder de oude zware
galm der kerkelijke leuzen stelde, waarvan men al lang afgeleerd had de
consequente toepassing te eisen, die aanhangers en tegenstanders van de
nieuwe leuzen van vrijheid en gelijkheid verwachten en waarvoor ze, gelijk
gezegd, weldra terug zouden schrikken, zoals vorige geslachten voor de
maatschappelijke consequenties van het christendom teruggeschrikt waren.
Daardoor kregen de patriottenleuzen gezien in het licht van de
maatschappijgeschiedenis van de 19de en 20ste eeuw licht een wat holle
klank, was men geneigd er met ironische verkleinwoordjes over te gaan
spreken en vertonen oprechte bewonderaars van Wolff en Deken, zoals mejuffrouw Naber in haar overigens uitstekend boek over de
beide vriendinnen, de neiging haar zoveel mogelijk van die compromittante
beweging los te maken. Volkomen ten onrechte naar het ons voorkomt. Zij
waren in haar hele ontwikkeling, in haar werk en leven, hoe ‘Lams Menist in
het politieke’ ook, typische representanten van de 18de-eeuwse
vooruitstrevende burgerij die zich politiek organiseerde en voor zijn
rechten streed in de patriottenbeweging. De grote gedachten van de 18de
eeuw: de verwerping van dogmatisch en autoriteitsgeloof, de gedachte van
verdraagzaamheid en mensenwaarde en van de principiële opvoedbaarheid van de
mens, gedachten die men niet naïevelijk als ‘de’ vooruitgang hoeft aan te
merken, om te beseffen welke onafzienbare velden van menselijke ontwikkeling
ze openlegden, hebben zij enthousiast aanvaard en uitgedragen. Geen beter
bewijs van haar overtuiging, dat deze gedachten onverbrekelijk samenhingen
met de politieke actie der patriotten is haar uitwijken naar Frankrijk in
1787, allerminst noodzakelijk door een politieke rol die zij niet gespeeld
hadden, maar de noodzakelijke consequentie van het inzicht, dat het verbond
van Oranje en de Oligarchie, steunend op de Pruisische reactie, zich niet
slechts tegen een politieke groepering had gekeerd, maar tegen de
Vooruitgang zelf. Typische vertegenwoordigsters van de 18de-eeuwse burgerij
waren zij, in zo verre ze zich, slechts geleidelijk en door de feiten wijs
gemaakt, van de stadhouder los maakten, in zo verre ze de gedachten van haar
grote tijdgenoten, van Rousseau, Voltaire, Lessing die over de eigen eeuw
heen keken, nooit zonder voorbehoud aanvaardden, omdat haar beperkte en
beperkende huisvrouwennuchterheid eerder de voor de burgerij gevaarlijke
consequenties zag dan de enthousiaste zangers van het ‘Ça ira’.
Zo konden zij, gedragen door de grote denkbeelden van haar tijd, door de
optimistische gedachte van de opvoedbaarheid van de mens vooral, haar romans
schrijven, die, toegegeven, nergens in een grootse verbeelding menselij- | | | | ke gestalte aan zo een denkbeeld gaven of aan het dramatische
conflict van mens en idee, maar wel in een onbevangen realisme de schamele
mens zoals hij reilde en zeilde aan een praktische interpretatie dier
idealen toetsen, een bonte optocht van tijdsgestalten: de vaderlandse
koopman, de predikant, de huisvrouw, het menistenzusje en de fijne broeder,
de saletjuffer en de ‘petit-maître’, de student en het meisje-van-buiten,
een Canterbury-tales, en Tapijt van Bayeux van de
Hollandse 18de-eeuwse burgerij. Haar eerste roman was dadelijk haar
meesterwerk. Dat zijn meer eerste romans, gewoonlijk uit hoofde van een
beperkt autobiografische begaafdheid van de auteur. Hier lag het anders, al
zijn er in de avonturen van Saartje zeker jeugdherinneringen van Betje Wolff
verwerkt. Maar de aard van dit werk is vreemd aan de climax: die ontbreekt
in de verhalen evenzeer als in de ontwikkeling van de schrijfsters. Men
heeft gezegd, dat compositie haar zwakke kant was. Beter zou misschien zijn:
dat er aan haar werk zo weinig te componeren viel, want wat wij de
‘compositie’ van een waarlijk groot kunstwerk noemen is toch eigenlijk niet
een kunstig samenvoegen van gegevens, maar het doen uitkomen van de
organische bouw van een schepping die als eenheid ontstaan is. Zo een
schepping zijn de romans van Wolff en Deken niet en het getuigt voor haar
stijlgevoel, dat zij de resultaten van haar wandelende waarneming in het
land der burgers in die los samenhangende reeksen van brieven hebben
neergeschreven en niet naar een samenvattende blik gestreefd hebben, waar ze
de hoge uitzichttop niet konden beklimmen. Wel verleidde het succes van haar
eerste roman haar tot de misvatting, dat men zo een literaire optocht de zes
delen van
Willem Leevend
of
Cornelia Wildschut
lang zou kunnen voortzetten, zonder dat het publiek langs de kant
iets van zijn geduld begon te verliezen.
Zo lang zij in Nederland waren, hadden de beide vriendinnen op haar buitentje
te Beverwijk de politieke strijd met grote belangstelling gevolgd en daar
ook in geschrifte van getuigd: ‘Den Edelen Capellen / Hij deed de
Drostendiensten / Van slavernij het teeken, / 't Versmaadlijk, drukkend
teeken, / Van vrije menschen heffen, / Vernietigen, verfoeien,’ schreef
Betje in
De Natuur is mijn zanggodin
. Maar van directe betrekkingen met de leidende patriotse kringen
blijkt niets en wanneer zij naar Frankrijk uitwijken, vestigen ze zich ook
niet te midden van de andere emigranten te Brussel
of in Noord-Frankrijk, maar te Trevoux in Bourgondië, waar zij die tien
jaren van de Franse revolutie en haar eerste uitstraling over Europa
doorbrengen in de betrekkelijke rust van geboeide en ten aanzien van haar
vaderland, gespannen afwachtende toeschouwsters. De reeks van liedjes,
leerzame geschriften en - wat Betje betreft - vertalingen die zij met haar
laatste roman Cornelia Wildschut van hieruit de wereld
inzonden, vonden nog wel hun weg naar de vaderlandse persen, maar, blijkens
het uitblijven van herdrukken niet meer naar het hart van een publiek dat in
de vaart der adembenemende gebeurtenissen, een snelle ontwikkeling
doormaakte.
De omwenteling van 1795, maar niet minder het bankroet van een familielid,
dat haar vermogen in de val meesleepte, dreef de vriendinnen naar Holland
terug. Zij vestigden zich in Den Haag, waar ze
gesteund door be- | | | | hulpzame vrienden, kampend tegen ziekte en
ouderdom, de een steeds aandoenlijk vervuld van zorg om de ander, met hard
werken van de ene dag in de andere kwamen. De overgevoelige Betje door een
reeks van pijnlijke kwalen gekweld, gedrukt door de weinige belangstelling
die haar oorspronkelijk werk, dat minder opbracht dan vertalingen, nog vond,
kreeg opnieuw ruimschoots kans zich een ‘philosophe’ te betonen en doorstond
de proef met haar ongedoofde glimlach tot de dood haar in november 1804
verloste. Aagje overleefde haar niet meer dan
acht dagen.
Men huldigde haar nagedachtenis met lofredes en lierzangen en een, voorlopig
niet uitgevoerde, opdracht voor een levensbeschrijving, maar haar werk bleef
bij de boekverkopers liggen en als Betje het lamlendige eerste kwart van de
19de eeuw had meegemaakt, zou ze zeker gevraagd hebben of ze met de oude
meubeltjes op de rommelzolder der natie waren gezet. Er zijn groter geesten
geweest die zo een tijd lang uit de aandacht van het nageslacht terugweken
om dan door een volgende generatie als een nieuw en levend bezit te worden
terug gevonden. Van dat formaat is Betje Wolff
niet geweest. Haar werk behoort onherroepelijk tot de historie, maar - als
wij nog even mogen vasthouden aan een vergelijking die in de geest van haar
realisme ligt - het nageslacht heeft tussen veel waardeloze tierlantijnige
lichtkronen en buikige ladenkasten op de nationale rommelzolder in
Saartje Burgerhart
en Willem Leevend een paar sierlijke en degelijke
stukken antiek ontdekt die het voorlopig niet uit het gezicht zal plaatsen.
Haar werk behoort tot de historie, maar niet alleen in die zin, dat het
verouderd is, maar ook in deze: dat het een wezenlijk en onmisbaar element
vertegenwoordigt in onze cultuurgeschiedenis, want zolang de geest van Betje
Wolff vaardig blijft om iedere waardige Adam haar kleine rode appel onder de
neus te houden, kan de ernst niet tot huichelarij en halfzachtheid worden en
de stijl niet tot rimram verstarren.
|
|
|