|
|
|
| | | | | |
Herman Roodenburg
De autobiografie van Isabella de Moerloose
Sex, opvoeding en volksgeloof in de zeventiende eeuw
*
| |
1 Inleiding
Tijdens de jaren zeventig, zoals de historicus Lawrence Stone
heeft opgemerkt, is een ware stortvloed aan gezinshistorische publikaties
verschenen.
1 We bezitten nu
een indrukwekkende hoeveelheid gegevens over de meest uiteenlopende
onderwerpen. We kunnen studies raadplegen over veranderingen in de omvang van
het huishouden, over het uitbesteden van kinderen aan een min, het slaan van
kinderen, kindermoord en kindersterfte, over de leeftijd bij menarche, over
masturbatie, de huwelijksleeftijd, de dubbele moraal of de ontwikkeling van
meer affectieve relaties binnen het gezin. Ook verschijnen de laatste jaren wat
meer studies over homoseksualiteit.
2
Al deze gegevens zijn echter - als we ons beperken tot de
vroeg-moderne tijd, de periode tussen ruwweg 1500 en 1800 - voor het grootste
deel afkomstig uit de elite. Bronnen als moraalgeschriften, dagboeken,
autobiografieën en romans zijn ons slechts uit deze laag bekend. Over de
lagere klassen, zo'n negentig procent van de bevolking, weten we weinig meer
dan wat in doop-, trouw- en begraafregisters over hen is opgetekend. Conclusies
over deze groepen zijn vaak verkregen door extrapolatie vanuit de elite of door
eenvoudig overschrijven van wat de bovenlaag over het volk noteerde. Beide
benaderingen zijn dubieus. Zoals de Engelse historicus Peter Burke heeft
aangetoond, ontstond met name in de zeventiende eeuw een groeiende kloof tussen
de volkscultuur en de geschoolde cultuur van de elite.
3 De volkscultuur werd zelfs fel bestreden. Het is dan ook terecht
dat Stone, in een latere editie van zijn standaardwerk over het vroeg-moderne
gezin, de weinig betrouwbare passages over de lagere klassen heeft weggelaten.
4 Ons gebrek aan kennis hier noemt hij teleurgesteld ‘one of
the major unsolved weaknesses of family history’.
5
Toch is het niet onmogelijk dat bij een zorgvuldige verkenning van
archieven en bibliotheken meer getuigenissen uit de lagere klassen te
voorschijn zullen komen. Zo vond ik zelf, tijdens een bibliografisch onderzoek
naar de | | | | opvoedings- en huwelijksmoraal in de Republiek, een
merkwaardig geschrift, getiteld ‘Vrede Tractaet, gegeven van den
hemel door vrouwenzaet’. Het werd in 1695 uitgegeven in
Amsterdam en de auteur - zoals mij later bleek - was een
domineesweduwe,
Isabella de Moederloose of Moerloose, vermoedelijk
geboren in de omgeving van Gent.
6
Ik vermoedde, afgaand op de titel, dat het ‘Vrede
Tractaet’ een wat saai, moralistisch boekje zou zijn, een van de
vele die in de zeventiende eeuw werden geschreven. Dat bleek een grote
vergissing. De schrijfster heeft heel wat religieuze bespiegelingen opgenomen,
maar het ‘Vrede Tractaet’ vormt in feite een uiterst interessante
autobiografie. Zoals we zullen zien, vertelt
Isabella de Moerloose niet alleen uitvoerig over haar
jeugd en, tot in de intiemste details, over haar huwelijksleven. Alleen al
daarom is haar geschrift uniek. Ook verschaft zij waardevolle gegevens over het
volksgeloof, het geloof in allerlei geesten en duivels, waarin vooral haar
kinderjaren waren gedrenkt.
Het ‘Vrede Tractaet’ vormt een
merkwaardige autobiografie. Het telt maar liefst 669 pagina's, over drie delen
verspreid. Is er dus uiterlijk enige samenhang aangebracht, toch kan de lezer
zich niet aan de indruk onttrekken dat Isabella alles achter elkaar in grote
haast heeft opgeschreven. Dikwijls springt zij van de hak op de tak, terwijl
zij met alinea's en interpunctie uiterst zuinig is geweest. Bovendien heeft
zij, zoals zijzelf vertelt, tot op het laatste moment nog nieuw beschreven
velletjes naar haar drukker gebracht.
Ook om een andere reden is het ‘Vrede
Tractaet’ een merkwaardig geschrift. Zo komen we over belangrijke
details uit haar leven niet veel te weten. Dat komt waarschijnlijk omdat
Isabella vooral een zelfrechtvaardiging heeft willen schrijven. Zij doet
verslag van talrijke ontmoetingen met mensen: wat zij tegen haar hebben gezegd
en wat zij weer tegen hen heeft gezegd. Zij heeft zelden niet het laatste
woord. Horen we daarom heel wat over haar ideeën, over haar leven zelf
blijft veel onduidelijk. Uit haar boek en uit archiefbescheiden kon ik het
volgende reconstrueren.
Verschillende documenten vermelden dat
Isabella afkomstig was uit Gent. Zij werd
daar vermoedelijk in 1661 geboren.
7 Helaas bracht een speurtocht in het Gentse
stadsarchief geen gegevens boven water. We weten dus niet precies wanneer zij
is geboren. Het is ook mogelijk dat Isabella niet in Gent maar elders werd
geboren en dat haar ouders pas later naar Gent zijn verhuisd. Zij bezaten daar
een winkel.
8
We weten verder dat
Isabella een vrij goede opvoeding heeft ontvangen. Ze
heeft zelfs enige tijd Frans geleerd en in deze taal brieven aan haar moeder
geschreven. Het was tegelijk een strenge opvoeding. Ze zou zich als jong meisje
kastijden, niet ongebruikelijk in de zeventiende eeuw, terwijl ze later in een
klooster is getreden, dat ze echter voor haar gelofte weer verliet. Toen ze
bovendien moeilijkheden kreeg met de geestelijkheid in Gent en het
geestelijk gerechtshof haar met een procedure dreigde, ging ze weg uit
Vlaanderen. Ze wilde, zoals ze zelf schrijft, haar moeder deze schande
besparen.
9
| | | |

Titelpagina van het ‘Vrede
tractaet'.’ (ex. H.B. Amsterdam)
| | | |
Ze is toen naar Zeeland getrokken. Daar woonde ze enige tijd bij een
schepen in Middelburg. In 1684 of '85 verhuisde ze naar
Heinkenszand, een klein plaatsje iets ten zuiden van
Goes. Ze werd ‘gouvernant of kinders meestres’ voor de
kinderen van een dan al oude weduwnaar, de hervormde predikant
Laurentius Hoogentoren.
10 Vijf jaar later zou ze
zelfs met hem trouwen, al duurde het huwelijk niet lang. In 1692 overleed
Hoogentoren.
11 In hetzelfde jaar begon
Isabella aan haar autobiografie en daarmee zou ze in
grote moeilijkheden komen.
Een van de redenen waarom we over zo weinig geschriften uit de
lagere klassen beschikken, is het feit dat zowel de katholieke als de
protestantse geestelijkheid iedere uiting van de volkscultuur die niet strookte
met de officiële religieuze moraal fel bestreden. Zo heeft ook de
‘classis’, de vergadering van predikanten in Zuid-Beveland
geprobeerd een eerste versie van Isabella's traktaat te onderdrukken. Zou ze
voortgaan met haar geschrift, dan zou ze bij de wereldlijke autoriteiten worden
aangegeven.
12 Dat is ook gebeurd. Op 19 april 1694 werd ze door het
gerecht in Goes verbannen uit Holland, Zeeland en West-Friesland.
13 Toch heeft ook deze straf
Isabella er niet van kunnen weerhouden verder te
schrijven en haar boek uiteindelijk uit te geven. Dat laatste heeft haar nog
grote moeite gekost. In Nijmegen vond ze de stadsdrukker, een
zekere
Van Wesel, bereid haar geschrift te drukken, al voorzag
hij moeilijkheden en zei hij tegen haar: ‘ik salder liever myn naem
uytlaten en setten “voor den autheur gedrukt”, dan ben ik volkomen
vry’. Een dominee (?) kreeg echter lucht van de inhoud en verbood Van
Wesel het ‘Vrede Tractaet’ te drukken. Nadat ze ook
nog naar een Joodse drukker had gezocht, vond ze uiteindelijk in
Amsterdam - een plaats waar ze nooit had mogen komen - een drukker
van wie ze slechts de voornaam, Laurens, vermeldt. Dit bleek
Laurens Gunter te zijn.
14
Gelukkig weten we ook iets over
Isabella, nadat ze in 1695 haar boek heeft uitgegeven.
In 1699 duikt haar naam weer op in de kerkeraadsnotulen van de hervormde kerk
te Amsterdam. Ze blijkt dan op het Jan Hanzenpad in
Amstelveen een schooltje te houden, waar ze de kinderen ‘zeer godlooze
ende verfoeijlijcke dingen’ leert. Dank zij de relaties van de
predikanten met de Amsterdamse
burgemeester Hudde, die tegelijk ambachtsheer van
Amstelveen is, wordt Isabella in de boeien geslagen en op 23
oktober 1699 opgesloten in het spinhuis. Ze heeft blijkbaar een zeer zware
straf gekregen, want pas in 1706 zal ze ‘crancksinnigh’ het
spinhuis verlaten om in het dolhuis te worden opgenomen. Het laatste dat we van
Isabella weten, is dat ze in 1712 op vijftigjarige leeftijd, omdat ze aan de
beterende hand is, weer uit het dolhuis wordt ontslagen.
15
Zoals gezegd, het ‘Vrede Tractaet’ vormt
een lijvige autobiografie. In dit artikel kan ik daarom slechts de meest
interessante passages behandelen. Ik heb de gegevens die
Isabella verstrekt over haar opvoeding, haar huwelijk en
het volksgeloof willen toelichten vanuit recent historisch onderzoek en vanuit
con- | | | | temporaine, zeventiende-eeuwse bronnen. Dat laatste is zeker
niet zonder gevaren.
De tegenstelling tussen elite- en volkscultuur, zoals die door
Burke, Muchembled en anderen wordt gehanteerd, is al te eenvoudig. De
wisselwerkingen tussen beide culturen waren veel sterker dan zij hebben erkend.
16 Ook het ‘Vrede Tractaet’ vormt daarvan
een voorbeeld.
Isabella, zo zagen we, was zeker niet afkomstig uit de
laagste klassen, terwijl ze bovendien door haar huwelijk met een
plattelandspredikant toetrad tot de plaatselijke sub-elite.
17 Toch kan er geen twijfel over bestaan dat Isabella's
belevingswereld tegelijk tot de volkscultuur gerekend moet worden, zoals deze
door Burke en de zijnen is beschreven. Zo is het ‘Vrede Tractaet’
werkelijk bezaaid met populaire zegswijzen en spreekwoorden, terwijl het geloof
in geesten en duivels telkens weer opduikt. Zolang we niet over betere
begrippen beschikken, kunnen we Isabella's belevingswereld het beste ergens
tussen beide culturen plaatsen.
Het probleem is echter, dat de zeventiende-eeuwse bronnen waarmee ik
het geschrift heb vergeleken voor het merendeel afkomstig zijn uit de
elitecultuur. Soms kunnen vergelijkingen met deze bronnen verhelderend zijn.
Auteurs als de Engelse arts
Sir Thomas Browne (1605-1682) of de Franse dorpspastoor
J.-B. Thiers (1636-1703) schreven uitvoerig over de
volkscultuur, al waren hun boeken juist bedoeld om het volksgeloof te
bestrijden. In andere gevallen, zoals we zullen zien, zijn deze bronnen eerder
misleidend en verliezen we Isabella's belevingswereld uit het oog.
18
Wat kunnen we tenslotte zeggen over de betrouwbaarheid van
Isabella's autobiografie? Uiteraard mogen we de inhoud
niet zo maar voor waar aanvaarden. Zoals de Engelse historicus E.H. Carr al
schreef: ‘no document can tell us more than what the author of the
document thought - what he thought happened, what he thought ought to happen or
would happen, or perhaps only what he wanted others to think he thought, or
even only what he himself thought he thought’.
19 Ook het
‘Vrede Tractaet’ roept vragen op. Zo bestaat het
boek uit drie delen, waarvan het eerste en derde in de eerste persoon en het
tweede deel (‘behelsende de vrouwe-pligt’) in de derde persoon zijn
geschreven. Isabella heeft in dit tweede deel haar huwelijkservaringen tot
voorbeeld van andere vrouwen op schrift gezet. Als ze echter aan een
beschrijving in de derde persoon de voorkeur heeft gegeven, heeft ze dan alleen
haar eigen ervaringen weergegeven of heeft ze zo nu en dan haar fantasie
gebruikt? Dit laatste lijkt niet het geval te zijn. Aan het einde van het
tweede deel heeft ze een ‘besluit’ geschreven. Daar komt ze terug
op de intiemste details, maar nu schrijft ze weer in de eerste persoon. Juist
omdat ze het tweede gedeelte van haar autobiografie als een advies aan andere
vrouwen heeft bedoeld, zal ze aan de neutrale derde persoon de voorkeur hebben
gegeven.
We mogen het ‘Vrede Tractaet’, zolang we
in het oog houden dat we slechts
Isabella's mening horen, zeker voor betrouwbaar houden. Zo
bleken de namen van haar man en diens kinderen, Francina en Adelaer, te
kloppen. Haar | | | | tuchtzaak voor de classis van Zuid-Beveland en haar
rechtszaak in Goes werden teruggevonden. Ook bleken de namen juist
van belangrijke personen in Goes, van de schepenen
Jacob Nollens en
Johan van Dorth, van de baljuw
Cornelis Eversdijck en van de sergeant Jan Verkat. Verder
geeft zij een uitvoerige beschrijving van de regeringswisseling die in 1692 in
Goes heeft plaatsgevonden.
20
Laten we tenslotte
Isabella's tuchtzaak, zoals deze in de notulen van de
classis beschreven staat, vergelijken met het relaas dat Isabella zelf hiervan
heeft gegeven. Dat biedt ons tegelijk een eerste kijkje in Isabella's
gedachtenwereld. Op 4 november 1692 werd Isabella door de vergadering ontboden.
Zij was al eerder over ‘haer verwaentheijd en haere grouwelicke
gevoelens’ vermaand.
21 Nu werd haar door de predikanten verzocht ‘haere
confuse schriften’ toe te lichten, waarop zij - zoals in de notulen
vermeld staat - ‘sulke godslasterlycke dingen uyt haaren mond braeckte,
dat sulcx met de grootste alteratie, misnoegen en afgrijsinge niet langer konde
gehoort werden’. Zij zou gezegd hebben dat de bijbelfiguren
Abraham, Isaak en Jacob ‘een
verbond met de duyvel gemaackt hadde, want God en kan geen verbond met syn
lyfeygene slaven maken, en derhalven dat die Iehova de duyvel was en dat bleeck
uyt de omstandigheden als naghtgesighten, droomen de welcke werelden des
duyvels syn’.
22 We vinden
dezelfde woorden letterlijk terug in Isabella's verslag. Ze heeft de classis
verteld, zo schrijft ze, ‘dat Abram, Isaac en Jacob een verbont met den
duvel hebben gemaeckt’. Als de vergadering, in rep en roer gebracht, haar
vraagt hoe zij daaraan komt, antwoordt Isabella: ‘het is tegen 't
gebruyck dat een koninck of souvereyn sig verbint aen zijn lyfeygene
slaef’. Daarom meende ze, dat niet God maar de duivel hier aan het werk
was geweest.
23
| |
2 Geboren met de helm
Isabella, zoals zijzelf schrijft, werd geboren met de
‘helm’.
24 Blijkbaar was een
gedeelte van het amnion, het binnenste, doorschijnende vruchtvlies, om haar
hoofdje blijven hangen. Het is nu nog maar moeilijk vast te stellen welke
betekenis in de zeventiende eeuw aan een dergelijke geboorte werd toegekend.
Binnen de elite, althans in medische kringen, dacht men zeer nuchter hierover.
Zo gaf Sir Thomas Browne in zijn ‘Pseudodoxia
Epidemica’, zijn geschrift tegen allerlei ‘dwalingen des
volks’, al een volledige medische uitleg. Maar hij schreef ook dat de
helm door velen zorgvuldig werd bewaard ‘niet alleen voor een
geneesmiddel in ziekten, maar ook gantsch dienstig tot geluk en voorspoet van
hun kint en andere’. Volgens Browne was dit alles niets anders dan een
‘overgeblevene overgelovigheydt’.
25
De overtuiging dat de helm geluk zou brengen, was wijdverbreid in
Europa. In Duitse gebieden werd de helm ‘Glückshaube’ genoemd.
In Frankrijk zou de helm geluk brengen als hij rood was en ongeluk als hij
loodkleurig was.
26 En de
historicus Keith Thomas vermeldt hoe een Engelse landjonker nog in het
mid- | | | | den van de zeventiende eeuw zijn helm als een waardevolle schat
kon beschouwen die met grote zorg bewaard en aan zijn afstammelingen tot hun
geluk vermaakt moest worden.
27
Toch werd niet overal dezelfde betekenis gebruikt. In
Noord-Italië, zoals de Italiaanse historicus Carlo Ginzburg heeft
beschreven, meende men dat mensen geboren met de helm visioenen kregen, dat ze
meer zagen dan andere mensen 's nachts.
28 Dat geloof moet ook in de Nederlanden bekend zijn geweest. In de
zeventiende eeuw werd hiermee de draak gestoken. Rond 1600 spotte een anonieme
dichter: ‘Kinderen met een helm geboren, tzijn vremde stucken/Zien
geesten, nacht-merryen, en zulc gedrocht’. En
Huygens' Tryntje Cornelis krijgt te horen: ‘je
bent mit een wonderliken helm geboren en daarom kenje ook beter by daegh sien
als by nacht’.
29
De moeder van
Isabella dacht er anders over. In de Zuidelijke
Nederlanden bestond het geloof dat het kind ongelukkig zou worden als de helm
in het vuur of in de modder werd geworpen.
30 Misschien heeft iets dergelijks plaatsgevonden bij Isabella's
geboorte, want de moeder lijkt haar eigen kind te wantrouwen. Ze is bang dat
Isabella door een boze geest is bezeten en waarschijnlijk daarom noemt ze haar
kind algauw ‘wonderlijck’.
Zoals
Isabella zich herinnert: ‘als ick geboren was, en
sy bevonden een helm, en dat ik gemeen goet was of tegen een ider vriendelijck,
soo noemden sy my wonderlijck’. Als Isabella dit later hoort, verzet ze
zich hiertegen. Het is een interessante passage, omdat ze hier ook iets over
haar opvoeding vertelt. Immers, wat is natuurlijker, meent Isabella, dan dat
een kind ‘vriendelijck is, dat niet als vrientschap ontfangt’, dat
door iedereen aangehaald en geliefkoosd wordt ‘soo als de eerste-geborene
doorgaens doen, soo lang als'er geen ander en bennen’. Dan ontvangen ze
alle liefde ‘daer sy anders maer een deel van en krijgen’. Zulke
kinderen worden vooral verwend, vervolgt Isabella, als de ouders dol zijn op
het kind - als zij ‘soet-moertjen’ en ‘soet-vaertjen’
hebben - en als de grootouders nog leven. Iedereen is dan begerig ‘om
daer mede te spelen, en eer het eens ront geweest is, soo heeft het soo veel
verandering dat het stof heeft om geduirig lustig te zijn’.
31 Nu waren haar
grootouders nog in leven. Ook haar moeder was gek met haar, moederliefde
bestond wel degelijk voor 1800.
32 Alleen haar vader wilde
Isabella niet te veel aanhalen. Dat strookte niet met zijn ‘mannelijcke
achtbaerheyt’.
33
Deze mooie jaren waren voorbij toen haar moeder na twee jaar een
tweede kind kreeg. Toen bleken ook de kwalijke gevolgen van zoveel liefde, want
‘dit bragt te wege dat ick soo teer wiert, dat ick naderhant niet een
styf woort of styf aensien kon verdraegen of ick wiert doot kranck’. En
nu werd ze ook om dat gedrag ‘wonderlijck’ genoemd.
34
Het is moeilijk na te gaan wat Isabella's moeder precies met dit
‘wonderlijck’ heeft bedoeld, maar uit een later voorval dat
Isabella verhaalt, komt haar geloof in geesten en
duivels duidelijk naar voren. Om de een of andere reden moest de moeder haar
tweede kind voortdurend bij zich houden. Mogelijk was | | | | het kind
ziekelijk. In ieder geval bracht dit met zich mee dat zowel moeder als kind
hiervan ‘misselijck’, gauw geprikkeld werden ‘en dat mijn
moeder mijn lief-koosen voor flatteren aen merckte en sy hadt een natuerlijcken
afkeer van flatterende menschen, merkende haer genoegsaem voor boose geesten
aen’. De moeder was daarom op haar hoede voor
Isabella. Bovendien wist zij dat kwade geesten gauw
‘krauden en beten, daerom paste sy bysonder op my om te sien of ick die
faute oock niet en hadde en het gebeurde eens, dat ick met een kint spe(e)lde
dat ick bysonder lief hadde (…) en dat het syn vingers in mijn mont
stack, en sy sag dat mijn handen daerom waeren om sijne hant af te trecken en
meijnde dat het was om vast te houden. Hier door wiert sy bevestigt in dat
vermoeden en liep met een furie toe, alleen op dit gesight sonder vorder
ondersoeck, en sloeg my schandelyk, welck slaen te wege bracht dat sy my een
grouwel wiert (…)’.
35
Dit was al geen aangename ervaring voor
Isabella, maar een gebeurtenis die veel later
plaatsvond, als zij van school is en nu zelf een onderwijzeres helpt, toont nog
beter de twijfels en achterdocht van haar moeder.
Isabella krijgt onenigheid met de onderwijzeres. Ze
vindt dat de kinderen te veel worden geslagen. Blijkbaar loopt de ruzie
zó hoog op dat de vrouw haar beklag doet bij een pater. Deze man gaat
dan langs bij Isabella 's moeder en vraagt terloops hoe het haar dochter bevalt
op school. Als de moeder vertelt wat zij gehoord heeft, werpt de pater eerst
tegen dat Isabella erg gevoelig is: ‘dan seyde hy: “Maar moeder,
weet of bedenkt gy wel dat u dochter een Bernardus kindje is of een
honincbeytje en daerom winden voor donder-slaegen kan aenmercken?” Als de
moeder dat beaamt, vermaant hij haar: “dienvolgens moet gy haer niet te
veel gelooven” en vervolgde: “u dochter wort van een wonder geest
geregeert en dat weet gy oock wel, dencke ick, want die bevangentheyt is daer
oock al een teecken van.” Daer op wist zy voor eerst niet wat antwoorden
en dan stemde zy het toe sonder erg te denken. Dan vervolgde hy met historien
te vertellen van het bedrog dat'er in de werelt omgonck raeckende de wonder
geesten, waer door hy haer in twyfel bragt of ick van geen quaede geest mogt
geregeert worden of beseten zijn’.
Als Isabella's moeder aarzelt en vraagt wat zij daaraan doen kan,
geeft de pater het volgende wel zeer verrassende antwoord. Hij vertelt haar dat
sommige mensen dergelijke kinderen opsluiten in een donkere kamer. De duivel is
immers een vijand van het licht. Alleen een geestelijke wordt nog toegelaten om
de kinderen te ‘belesen’, te bezweren. En hij voegt eraan toe:
‘“soo doense dat om hem (de boze geest, HR) te doen klappen en als
hij dat niet doen wilt, soo slaet men hen met roeden om hem te dwingen en men
geeft se niet te eeten als ondertussen wat.” Hier door bestierf myn
moeder en zeyde: “Lieven Heer, dat is hart voor een ouder” en
vervolgde: “My dunckt dat ick dat niet en sou konnen doen
(…).”’
36
De pater stelt dus voor
Isabella te exorceren! Nu waren dergelijke praktijken
niet ongebruikelijk in Gent. Het geloof in geesten en duivels was
wijdverbreid | | | | in de zeventiende eeuw. De hervormde predikant
Wilhelmus à Brakel schreef zelfs: ‘Wie niet
aan het bestaan van tooverij en toovenaars gelooft is zelf waarlijk betooverd
van den duivel’.
37 Maar
de protestanten bezaten geen andere middelen om geesten te bezweren dan vasten
en gebed, terwijl de katholieke kerk het uitdrijven van de duivel, het
exorcisme, nog steeds als een van haar taken beschouwde. Wel moest aan een
aantal voorwaarden worden voldaan. Volgens het Provinciaal Concilie dat in 1607
in Mechelen bijeenkwam, moest de duivelbezweerder eerst
toestemming vragen aan de kerkelijke autoriteiten, terwijl de formules en
gebeden door de kerk erkend moesten zijn.
38 In
1619 werd in Antwerpen een handleiding met goedgekeurde formules
en gebeden uitgegeven, het ‘Manuale Exorcismorum’.
39
Het gevolg van deze maatregelen was, dat
‘pseudo-exorcisten’ voortaan werden bestraft door de katholieke
kerk. In de visitatieverslagen van de Gentse bisschop
Antoon Triest wordt dan ook regelmatig over
‘pseudo-exorcisten’ gesproken.
40 Of
geestelijken in Gent ook zelf zijn opgetreden als duivelbezweerder
is mij onbekend, al vermeldt Isabella een nogal gruwelijk geval waarbij de kerk
een rol zou hebben gespeeld.
Als
Isabella hoort wat de pater gezegd heeft, herinnert zij
zich een verhaal ‘van een vrouw die daegelijcks by de rijcke-lieden
quam’. Het betrof ‘een kint dat gestickt of gesmoort was tussen
twee bedden, op aenraeding van de geestelijcke naer dat zy het dol of uytsinnig
gemaeckt hadden door terging’. Eerst was het - ‘een kint van negen
of tien jaar out’ - drie of vier dagen in een donkere kamer opgesloten.
Het had slechts brood gekregen en ‘weywater’, gewijd water dat was
voorgeschreven bij een exorcisme. ‘En dan haelden zy het daer uyt om te
belesen en met roeden te slaen, van den hoofde tot de voeten, en dan weder
opsluyten soo lang tot dat het kints naegelen tot verscheuren stonden en zijn
tanden tot verslinden en zijn oogen vol wraeck-sught en dat het bloet door het
koocken bedurven was en het schuym uyt den mont liep.’
41
Het is een opmerkelijk verhaal, al mogen we misschien niet te veel
geloof hechten aan de details. Het zou heel goed een gerucht kunnen zijn dat,
telkens als het verder wordt verteld, een luguber detail krijgt toegevoegd. Ook
is het mogelijk dat niet de geestelijkheid maar een beunhaas aan het werk is
geweest. Isabella was, toen zij haar herinneringen schreef, nog maar weinig
gesteld op de katholieke kerk.
Interessant is wel de nuchtere verklaring die
Isabella geeft. Van het kind werd gezegd dat het met een
boze geest had gespeeld ‘als een vrouw met een man’. Enige mensen
waren plotseling de kamer binnengekomen en dachten blijkbaar dat het kind door
een ‘incubus’, een mannelijke duivel, werd verleid. Isabella
gelooft daar niets van. Zij hadden niet zo moeten schrikken, maar de duivel
moeten vangen, meent zij. Het zal eerder ‘een student of
gaeuwe-dief’ zijn geweest ‘om die kinders ongeluckig te maeken en
de ouders met eenen’. Zoals bekend stonden studenten niet al te hoog
aangeschreven in de zeventiende eeuw.
42
| | | |
Isabella heeft dus weinig vreugde beleefd aan haar
bijzondere geboorte. Over voorspoed die de helm zou brengen, wordt niet
gesproken. Evenmin werd de helm bewaard. Isabella's moeder is slechts bang
geweest dat haar dochter door een boze geest was bezeten. En die angst was
blijkbaar zó diep geworteld dat zij Isabella algauw als
‘wonderlijck’ zag, dat zij één keer zelfs - mogelijk
om de geest te verjagen - haar dochter zeer hard heeft geslagen en dat zij
jaren later nog kon twijfelen of Isabella wellicht geëxorceerd moest
worden. Het is geen vrolijke jeugd die Isabella heeft beschreven.
| |
3 Over bullemannen, haantje pik en de bloedkaros
Isabella's opvoeding, zo kunnen we rustig stellen, werd beheerst
door het toenmalige volksgeloof.
Isabella vertelt bijvoorbeeld hoe zij in haar
kinderjaren om op tijd thuis te komen werd bang gemaakt met allerlei fabeltjes
over geesten en duivels. Zo kreeg zij het verhaal te horen ‘raeckende den
man met den langen mantel, die gezegt wort uyt te gaen om de eerste geborene
kinders op te zoeken en te dooden en dat hy om die te sticken een bal in den
mont steeckt’.
Isabella voegt hieraan toe dat zij dit verhaal hoorde
toen zij met andere kinderen op straat speelde en dat zij meende ‘dat het
een faebel was die de ouders versonnen om de kinders des avonts te doen t'huys
blijven, zoo als is het spreeken van den bullebak en haentje pick’. Zelf
had zij dikwijls een bal in haar mond gestopt en gemerkt dat zij altijd nog kon
ademen.
43
De meeste lezers zullen achter dit fabeltje een seksuele betekenis
vermoeden. Dat is niet geheel ten onrechte. Al hechtte
Isabella weinig geloof aan het verhaaltje toen zij
klein was, later - als zij getrouwd is met
dominee Hoogentoren - zal zij met schrik aan dit
fabeltje terugdenken.
Isabella spreekt ook over de ‘bullebak’
en ‘haantje pik’.
44 Met het geloof in dergelijke
geesten, evenals het geloof in de bovennatuurlijke betekenis van de helm, zijn
ook nog kinderen in de twintigste eeuw opgevoed. Volkskundigen vatten deze
fabeltjes samen onder de term ‘kinderschrik’. Het blijkt dat
kinderen niet alleen gewaarschuwd werden om voor het donker thuis te komen. Ook
kon de ‘bulleman’ of een andere boeman de kinderen meenemen als zij
te dicht bij het water kwamen, in het koren liepen of eenvoudig te veel huilden
of onwillig waren. Om de fabeltjes kracht bij te zetten, schroomden volwassenen
niet om zichzelf zo nu en dan als ‘boeman’ uit te dossen of om een
vervaarlijk persoon uit de omgeving als boeman op te voeren. Uit het onderzoek
dat in het begin van de jaren zestig onder oudere mensen op het Nederlandse en
Vlaamse platteland werd gehouden, bleek dat deze mensen als kind het meest met
de bulleman waren gedreigd. Maar zij hadden ook fabeltjes gehoord over
‘haantje pik’, de ‘vleermuis’, de
‘weerwolf’, de ‘tenensnijder’, de ‘nikker’
en de ‘jood’. Een van de gruwelijkste verhalen die werden
opgetekend, is dat van de drie ‘bloedpaters’ die zich in het koren
verborgen hielden en onder hun zwarte mantels ‘messen, priemen en meer
andere moordtuigen’ droegen.
45
| | | |
Helaas wordt Isabella's fabeltje van de man met de ballen niet
vermeld in het onderzoek. Als dreiging voor het te laat op straat blijven,
lijkt het verhaal van de ‘bloedkaros’ of ‘boekaros’ het
meest verwant. Dit werd in de achttiende eeuw in Antwerpen
verteld. Kinderen die niet op tijd thuiskwamen, zouden worden meegenomen in de
karos. Daar werden zij gedood, waarop hun bloed werd afgestaan aan een vreemde
vorstin.
46 Voskuil, in het al
genoemde onderzoek, meldt een versie waarin de kinderen met een groot mes
worden omgebracht. Hun bloed wordt afgetapt in een luxueuze badkuip, waarin de
koningin van Engeland zich dan komt baden.
47
Waren het alleen kleine kinderen die in deze fabeltjes geloofden?
Als we mogen afgaan op
Bredero, dan was dat inderdaad het geval. Zo bekent
Robbeknol in de ‘Spaensche Brabander’ hoe bang hij
was als kind voor de moor waarmee zijn moeder was hertrouwd: ‘(…)
Mij docht het was de duyvel/Of de bulleback’. En over zijn zwarte
stiefbroertje vertelt hij: ‘'t Kijnt sagh dat wij wit waren en dat hij
soo pick swert was/Het liep na mijn moer verbaest, en 't riep met een
schrick/Och memmetje! memmetje! waertme, waertme, hier is heyntje pick.’
48
Ook in Hoofts ‘Schijnheilige’ en in Ogiers
‘De seven hooftsonden’ worden als komisch effect
heintje pik en de bullebak ten tonele gevoerd. Alleen kinderen en goedgelovige
halzen, zo luidt de boodschap, geloven nog in dergelijke onzin.
49
Toch worden de fabeltjes in de pedagogische literatuur van de
zeventiende eeuw zeer serieus genomen.
Cats bijvoorbeeld is zeer uitvoerig. In zijn
‘Houwelijck’, een van de meest gelezen boeken in de
Republiek, besteedde hij maar liefst veertig regels aan dit onderwerp. Zo
dichtte hij:
‘Soo haest men in het huys een kint begeert te
stillen,
Soo brengt men aen den dag een deel versierde grillen,
Een spoock, een bulle-man, een lyve-loosen geest,
Of eenig vreemt gespuys, of eenig seldseam beest;’
En hij vervolgt:
‘Dit wort soo vast gedruckt in alle teere sinnen,
Dat niemant magtig is die weder in te winnen;
Ja dat'er koude schrick door al de leden schiet,
Al roert'er maer een blat, al ruyst'er maer een riet;
Al wie van desen angst is eenmael ingenomen,
Sal ick en weet niet wat, sal alle dingen schromen,
En sien dat niet en is, en, uyt een dwase waen,
Niet onder in het huys, niet boven willen gaen.’
50
Later, in zijn ‘Tachtig-jarige
bedenckingen’, zou hij nog terugkomen op het onderwerp. Opnieuw
vermaant hij de ouders dat zij hun kinderen met deze verhaaltjes al te bevreesd
en kleinmoedig zullen maken.
51 Volgens
Cats waren het vooral de dienstboden die de kinderen op
deze wijze opvoedden. Daarom waarschuwt hij de moeders: | | | |
‘En laet geen meyssen toe met enckel vysevasen
Een ongesouten angst de kinders in te blasen.’
Klachten over dienstboden waren overigens schering en inslag in de
Republiek.
52 Maar niet alleen
Cats vond de fabeltjes minder geslaagd.
John Locke, wiens ‘Thoughts upon
Education’ in 1697 in het Nederlands werd vertaald, achtte de
verhaaltjes eveneens gevaarlijk voor het kind. Hij schreef: ‘Doch zelf
dan, en zoo lang hy jong is, moet je zyne teedere ziel beveiligen tegen alle
indrukzelen en denkbeelden van spoken, kaboutermannetjes, of ietwat anders dat
in 't duister als verschrikkelijk verbeeld word.’ Dat gevaar zouden ze
vooral lopen door de ‘onbeschoftheid der dienstboden, die een hantje
hebben van de kinderen daar door tot hunne wil en believen te krygen’.
Als kinderen op deze wijze worden opgevoed, dan is het geneesmiddel erger dan
de kwaal. En Locke vertelt hoe sommige volwassenen hem hebben bekend dat zij
soms de oude angsten weer voelen bovenkomen, al weten zij dat geesten en spoken
niet bestaan.
53 Verder waarschuwde ook de Franse pedagoog
Fénelon (1651-1715) voor deze praktijken.
54
Naast de pedagogen uitten ook andere intellectuelen hun
bezorgdheid. Schrijvers over ‘bijgeloof’ en hekserij zagen in de
fabeltjes eveneens de oorzaak van al te grote vrees in volwassenen. Zo werd het
geloof in geesten en duivels verdedigd door de Zwitserse predikant
Lavater (1527-1586), maar hij waarschuwde voor
onnodige bangmakerij. Bij velen is het een gebruik, schreef hij, ‘dat
yemant, op een sekere tijt des jaers een momaensicht oft seltsaem fatsoen op
het hooft settende, de kinderen bevreest maekt’. Daarna vertellen zij dat
het ‘een eenvoet, een quaet wijf ofte een bulleman’ is geweest.
Maar kinderen kunnen hier erg van schrikken: ‘somwijlen vallen sy uyt
groote vreese in sware kranckheden ende beginnen des nachts in den slaep
vreeselijck te roepen’. Als kinderen niet willen werken, meende Lavater,
dan kunnen zij maar beter geslagen worden.
55
Bestrijders van volksgeloof als de Engelsman
Reginald Scot (1538?-1599) of de hervormde predikant
Balthasar Bekker (1634-1698) hebben Lavater fel
aangevallen, maar in hun veroordeling van ‘bullemans’ en
‘bullebakken’ zijn zij het eens met hem. Althans, zij zien in de
fabeltjes niet alleen de voedingsbodem voor al te grote angst in volwassenen.
Ook zou het geloof in geesten en duivels juist hier zijn oorsprong vinden.
Overigens waarschuwt Scot al voor de rol die de dienstboden bij dit alles
spelen.
56
Scot en Bekker vormden echter uitzonderingen in hun tijd. Volgens
Paulus Vinck, een van Lavaters uitgevers in de
Republiek, had deze auteur bewezen ‘datter waerlijk spookeryen en
spookselen zijn dattet geensins bulbakken zijn om de kinderen daar mede zonder
kouzen en schoen ter bedde te jaagen’. En hij voegde eraan toe: ‘'t
welk zommige godtve(r)getene en heylooze schimpers van de helle zelfz, die voor
haar gemaakt is, onbesnedelijk en onbeschoftelijk derven uyt braaken’.
Ook hij wenste, evenals Brakel, zulke schrijvers als Scot en Bekker in de hel.
57
| | | |
Met deze rondgang langs contemporaine auteurs zijn we iets meer
over het zeventiende-eeuwse geloof in ‘bullemannen’ en andere
boemannen te weten gekomen. Sommigen als
Bredero maar ook Scot menen dat alleen nog kinderen en
‘bloode uylen’ in de fabeltjes geloven. De overige auteurs zijn
serieuzer. Zij zijn ervan overtuigd dat ook volwassenen die niet al te
goedgelovig zijn nog last van angsten hebben. Daarmee staan zij waarschijnlijk
dichter bij de volkscultuur, want niet alleen de kinderen in het
achttiende-eeuwse Antwerpen maar ook de volwassenen geloofden in
het fabeltje van de bloedkaros. In de zomer van 1776 werd zelfs een vreemdeling
van dergelijke gruwelmoorden verdacht en het had weinig gescheeld of de menigte
had hem gestenigd.
58 Zulke
gebeurtenissen vonden ook in Frankrijk plaats. Zo werd in 1750 het gerucht
verspreid dat agenten in burger door de wijken van Parijs zwierven en kinderen
tussen de vijf en tien jaar met zich meenamen. Een melaatse vorst zou alleen
nog met hun zuivere bloed genezen kunnen worden. De handen en voeten van de
kinderen zouden worden afgehakt en met hun bloed zou een bad voor de vorst
gevuld worden. Ook hier kwam een woedende menigte op de been.
59 Het is merkwaardig dat vooral
gezinshistorici zo weinig aandacht hebben besteed aan de hier beschreven
opvoedingspraktijken, te meer daar de Franse hofarts
Heroard in zijn beroemde dagboek noteerde hoe zelfs
Lodewijk XIII met bullemannen werd bang gemaakt. Als
het kind lastig was, werd het gedreigd met een reusachtige metselaar in dienst
van de koning of met een eenogig lid van de koninklijke garde.
60
Ph. Ariès, die evenals David Hunt het dagboek
uitvoerig heeft gebruikt, laat dit gegeven achterwege, terwijl Hunt slechts
terloops hierover vertelt.
61 De enige historicus die wat meer op bullemannen
(‘bogeymen’) de aandacht heeft gevestigd is Lloyd deMause. Zijn
belangstelling is overigens niet zo verwonderlijk. Volgens deMause bestond de
opvoeding tot voor kort slechts uit de afschuwelijkste wreedheden en in deze
gruwelkamer passen vanzelfsprekend ook de ‘bogeymen’. Van een
werkelijke bestudering is echter geen sprake.
62
Zoals bekend, schreef ook
Charles Dickens over de angsten die bullebakken en
andere boemannen bij kleine kinderen teweeg konden brengen.
63 Het zou de moeite waard zijn als historici de fabeltjes even
serieus zouden nemen als Dickens. Zo is het duidelijk dat niet alleen
Isabella maar talrijke kinderen op deze wijze tot
gehoorzaamheid werden gebracht. Bullemannen, bloedkarossen en andere fabeltjes
vormden een vast onderdeel van de opvoeding in de vroegmoderne tijd. Bovendien
verkrijgen we een beeld van het toenmalige volksgeloof, vooral van de angsten
bij veel mensen. Achter de fabeltjes lijkt zich een grote angst voor
vreemdelingen te verbergen. Het is jammer dat de Franse historicus Jean
Delumeau, in zijn boek over de vroegere angsten in Europa, zo weinig over
bullemannen (‘croquemitaines’) heeft gezegd.
64
| | | |
| |
4 Over slaan en geslagen worden
Het slaan van kinderen is al verscheidene keren ter sprake
gekomen.
Isabella werd ‘schandelijck’ geslagen,
toen haar moeder in vertwijfeling meende dat zij door een boze geest was
bezeten. De kinderen op school werden veel geslagen en
Lavater maakte de interessante opmerking dat het slaan
van kinderen minder erg is dan het dreigen met de bulleman. Het loont de moeite
iets meer te zeggen over al dit slaan, omdat Isabella niet alleen vertelt hoe
zij de aframmeling van haar moeder heeft ervaren. Ook heeft zij tijdens haar
verdere leven zich steeds verzet tegen deze praktijken en daarvoor haar redenen
gegeven. Volgens
Isabella heeft het plotselinge pak slaag dat zij van
haar moeder ontving een diepe indruk achtergelaten. Haar moeder werd haar
zozeer een ‘grouwel’, schrijft zij, ‘dat ick haer niet hooren
of sien mogt sonder vreesselijcke onsteltenisse in de eerste drij jaer daer
naer’, dus tot zij een jaar of vijf was. Bovendien kon zij, als haar
moeder onvriendelijk was, in ‘de volgende drij of vier jaer’, dus
tot zij acht of negen was, ‘haer niet hooren of haer naem hooren
nomen’ of zij ‘schreyde soo lang tot dat ick haer niet meer sach en
versekert was, dat sy my niet genaeken kon’. Het klinkt allemaal iets te
ontroerend om de passage letterlijk te nemen. Ook voegt Isabella er tussen
haakjes aan toe dat zij dit voorval noteerde ‘om te toonen wat een quaet
dat slaen veroorsaeckt’. Zij zal dus enigszins overdreven hebben.
65
Toch is het niet ondenkbaar dat deze gebeurtenis haar is
bijgebleven vanwege de emoties, de ‘furie’ waarmee haar moeder op
haar afschoot, nadat zij ruim twee jaar slechts was geknuffeld en aangehaald.
Het is bekend dat kinderen vaak werden geslagen in de zeventiende eeuw, al
menen sommige historici dat dit meer op school dan in het gezin gebeurde.
66 Volgens aanhangers van de psychohistory hebben deze
praktijken zonder meer tot de hevigste trauma's geleid.
67 Gezinshistorici zijn in het
algemeen voorzichtiger in hun conclusies.
68 Interessant is echter wat de kinderpsycholoog Jerome
Kagan heeft geschreven. Hij wijst op het belang van de emoties waarmee het
slaan gepaard gaat. Als het slaan van kinderen vrij zeldzaam is, dan zal het
kind een pak slaag ervaren als een teken van vijandigheid, van afwijzing door
de ouders. Als slaan daarentegen zeer gebruikelijk is, bij wijze van spreken
tot het leven van alledag behoort, dan zullen de emotionele gevolgen veel
minder zijn.
69
Kagans aandacht voor de emoties bij het slaan zou voor
gezinshistorici zeer bruikbaar kunnen zijn. Zo valt Lavaters opmerking, dat het
slaan tot minder nachtmerries zou leiden dan het vertellen van fabeltjes, al
beter te begrijpen. Ook in het geval van
Isabella kunnen we uitgaan van Kagan. Zo zagen we dat
Isabella zelden werd geslagen, zij was ruim twee jaar door iederen aangehaald.
Dat kan haar schrik al hebben vergroot, toen zij plotseling wel een stevig pak
slaag kreeg. Bovendien stoof haar moeder in blinde woede op haar af, misschien
niet eens om Isabella te bestraffen maar om de boze geest die in haar zou
huizen te verjagen. Met zoveel emoties in het spel lag Isabella's
traumati- | | | | sche reactie voor de hand. Ook zou uit deze reactie haar
latere, felle verzet tegen het slaan van kinderen verklaard kunnen worden.
Zo bemerkt
Isabella, als zij de onderwijzeres gaat helpen, dat de
kinderen niet alleen zeer weinig te eten krijgen (‘een broot daer de
bloeme uytgenomen was en stercke boter, die daer over geschraept wiert voor het
ombijt en avontmael’). Ook blijkt haar dat de vrouw ‘sestien mael
op een dag of in vier-en-twintig uren’ rondgaat met de roede.
70 Daarover krijgt zij
ruzie met haar en daarom gaat de pater met zijn opmerkelijke voorstel bij haar
moeder langs. Later zal zij bovendien, als zij bij
Hoogentoren gouvernante is geworden en uiteindelijk
met hem trouwt, diens kinderen steeds in bescherming nemen tegen hun vader. In
het tweede deel van haar boek, waarin zij haar eigen huwelijkservaringen tot
voorbeeld van anderen in de derde persoon heeft beschreven, schrijft Isabella:
‘begint hy die (de kinderen, HR) te slaen, zy schieter voor en vat de
slaegen, seggende: “Ik heb liever dat gy my slaet als de onnosele
kinders.” Zegt hy: “Zy en zyn niet onnosel, maer slim als 't houtje
van de galg” of “Het zijn oolijcke fielten”, zo segt zij:
“Zij mogen wesen dat zij willen, zij zijn onnosel in dit stuck” en
houter sig vooren. Zegt hy: “Hey vrouwmensch, bruyt henen of ick geve u
een ringel, dat gy daer henen rolt en dan sal ick haer (de kinderen, HR) eens
so veel geven”’, dan, vervolgt Isabella, kan de vrouw maar beter
stilletjes weggaan. Misschien kunnen haar tranen hem nog vermurven.
71
Interessant zijn de redenen waarom
Isabella het slaan van kinderen veroordeelt. Ook hier
vinden we misschien een tegenstelling tussen de volkscultuur en de geschoolde
cultuur van de elite. Isabella meent dat kinderen niet deugdzamer worden van
slaan. Integendeel, kinderen gaan hun ouders slaan, want een kind wil niet
geslagen worden. Het voelt dat het hiermee ‘de beesten gelijck gestelt
wort’, het is ‘geaffronteert, en hy is van natuer geleert geen
affronten te lijden, maer te wreecken’. Daarom, stelt Isabella, ‘is
't geen bewijs van bedurven natuer, als de kinders de ouders slaen, als zy van
hun geslaegen worden, maer het tegendeel bewijs van een onbedurven of
onveranderde natuer, die door de leer noch niet verandert is.’
72 Isabella verkondigt
hier precies het tegendeel van de officiële opvoedingstheorieën in de
zeventiende eeuw. Zowel de katholieke als de protestantse moralisten meenden in
het algemeen dat hardnekkigheid en opstandigheid slechts een teken van een
verdorven natuur of, erger nog, van de erfzonde konden zijn.
Deze tegenstelling komt nog beter naar voren als
Isabella waarschuwt voor een tweede gevolg. Zij wijst
op de sociale controle van de gemeenschap. Er zou een klein volksgericht kunnen
volgen, een wraak van de kinderen. Die zouden de vader kunnen naroepen of met
‘vuyligheyt’ werpen. Zou hij zich dan beklagen bij de magistraat,
‘zy souden met haer allen attesteeren, dat hy als een beul dede en dat hy
het sig noch niet en schaemde, als was 't dat zy het hem achter aen
riepen’. Op die manier, meent Isabella, raken vader en kind beiden
verbitterd. Beiden voelen zich verongelijkt, ‘den eenen uyt kracht van de
leer der natuer | | | | en den anderen door de leer der Schriftuere en zy
en konnen malkander niet wel verlaten, hoe bitter zy zijn’.
73
Isabella maakt dus onderscheid tussen de
officiële kerkelijke leer die wijst op de noodzaak van slaan, omdat de
natuur nu eenmaal verdorven is, en een ‘leer der natuer’ die
iedereen eigen zou zijn, zolang hij nog niet door de ‘leer der
Schriftuere’ verdorven zou zijn. Was dit alleen haar overtuiging of
ontmoeten we hier een ander aspect van de volkscultuur? Hebben predikanten en
priesters zo gehamerd op het tijdig disciplineren van kinderen omdat een groot
deel van hun gehoor hier anders over dacht? Zolang we nog weinig weten over
opvoedingspraktijken in de lagere klassen is het misschien verstandig deze leer
van een onverdorven natuur slechts op rekening van Isabella te schrijven.
| |
5 Het huishouden van de Hoogentorens
Heinkenszand moet in de zeventiende eeuw een
onbetekenend dorp zijn geweest. In Smallegange's ‘Chronyk van
Zeeland’, verschenen in 1698, wordt het niet vermeld. Het wordt
wel in 1751, in de ‘Tegenwoordige Staat der Vereenigde
Nederlanden’ beschreven. Volgens de auteur bestaat het dorp
‘uit een vry lange en breede straat, op 't middelgedeelte wederzyds met
huizen bebouwd’. Er is een ‘groote en fraaie kerk’ met een
‘schoonen hoogen tooren’. Het dorp bezit bovendien twee
kasteeltjes, waarvan het ene - het huis te Watervliet - er ook al
stond toen
Isabella arriveerde.
74
Isabella heeft ongeveer zeven jaar doorgebracht in
Heinkenszand, eerst vijf jaar als gouvernante in het huishouden
van de Hoogentorens, vervolgens nog twee jaar als Hoogentorens huisvrouw.
Het merkwaardige is dat
Hoogentoren toen al rond de zeventig was. Hij werd
omstreeks 1620 geboren in Goes. In 1664 deed hij intrede in
Heinkenszand, waar hij twee jaar later trouwde met
Catharina Alders, een weduwe uit
Vlissingen.
75 Het echtpaar kreeg twee
kinderen, Francina en Adelaer, die tussen 1666 en 1670 werden geboren. Adelaer,
zo vertelt
Isabella, was als kind al kreupel. Volgens haar was dat
te wijten aan de nalatigheid van een dienstbode.
76 Ook zij had geen hoge
dunk van het vrouwelijk personeel, al klaagt zij niet over het personeel dat
zij in 1684 of '85 aantrof bij haar komst.
Uiteraard wordt in Heinkenszand druk geroddeld over de
dominee en zijn jonge gouvernante. Sommigen roepen: ‘het moet de vaders
hoere wesen of kokebijne’.
77 En als
Isabella grote onenigheid heeft gekregen met
Hoogentoren, huurt zij een kamer elders in het dorp. Zij
durft niet weg te gaan uit angst voor praatjes ‘dat ick swanger was en
henen ginck om mijn packje te lossen’.
78 De roddels zullen niet
ophouden voor Isabella na zeven jaar, na de dood van haar man, Heinkenszand
weer verlaat. Toch schijnt het huwelijk zelf tussen de zeventigjarige predikant
en zijn gouvernante geen bijzondere reacties te hebben opgeroepen. Over enige
‘ketelmuziek’ - in andere landen zeer gebruikelijk bij | | | | een ongelijk huwelijk - wordt niet gesproken. Misschien omdat het hier
de dominee betrof. Ketelmuziek lijkt echter in het algemeen vrij weinig te
hebben plaatsgevonden in Holland, Zeeland en Utrecht.
79
Het is niet eenvoudig enige greep te krijgen op de relatie tussen de
oude
Hoogentoren en
Isabella. Het huwelijk werd in ieder geval aangegaan uit
wederzijdse affectie. Isabella vertelt hoe zij bij de eerste kennismaking al
diep onder de indruk was van Hoogentoren. Hij kwam haar ‘soo
beminnelijck’ voor, dat de ontmoeting haar hart deed
‘overloopen’ en zij dagenlang in een ‘raesende’ koorts
liep.
80 Later, als zij getrouwd
zijn, bekent zij haar man: ‘kan een vrou niet soowel van liefde dronke
zijn als een man en hebt gy daer geen preuven van gesien, doen gy my eerst
liefkoosde of op dien tijt, wiert ick niet soo droncke dat ick van de wereld
niet en wist?’
81
Hoogentoren, die volgens
Isabella niet uitmuntte in een vrome levenswandel, had
zeker in het begin minder eerzame bedoelingen. Maar in de vijf jaar dat zij
gouvernante was, vertelt Isabella, deed zij alles ‘dat met de eerbaerheyt
bestaen kon’ om hem te winnen.
82 Ook toonde zij
belangstelling voor het hervormde geloof. Tot genoegen van Hoogentoren ging zij
de bijbel lezen en deed zij na lang aarzelen, op 15 oktober 1689, belijdenis.
83 Uiteindelijk, schrijft
Isabella, werd Hoogentoren zo krachtig bewogen ‘om my te beminnen dat hy
alle zijne passien overwon en met my troude’.
84
Buitenstaanders beschouwden de verbintenis eveneens als een huwelijk
uit liefde. Met zijn huwelijk doorkruiste
Hoogentoren de plannen van de baljuw van
Goes,
Cornelis Eversdijck, die het liefst diens nicht aan hem
had uitgehuwelijkt.
Isabella kreeg dit later van haar man te horen. Toen de
baljuw vernam van de trouwplannen, zou hij tegen Hoogentoren hebben gezegd:
‘Domine, zijt gy een man om naer liefde te trouwen, neen, gy en mogt dat
niet doen op u siel en saligheyt’. Als Hoogentoren zichzelf en zijn
kinderen vooruit wilde helpen, dan kon hij beter trouwen met een ‘juffrou
van staet’, een vrouw die relaties bezat. Dat was zeker geen
ongebruikelijke suggestie in de zeventiende eeuw. Plattelandspredikanten
trouwden vaker in kringen van de schout of baljuw.
85 Maar de
nicht, vertelde Hoogentoren zijn vrouw, bezat geen goed. Bovendien was zij
mager. Zij had ‘soo veel vlees en bloet als en Spaens ancker of daer
ontrent’. Hij zou zich hebben doodgekniesd.
86 Ook had Hoogentoren
geen hoge dunk van de regenten in Goes: ‘zy nemen slutjens van wijfs om
het goet en spelen mooy weder met andere en soo maken zy menig eerelijk mans
kint tot schande’.
87
Het huishouden, met het personeel, had veel plezier onder elkaar.
Hoogentoren en zijn vrouw voerden veel woordgevechten,
waarbij de jongens steeds zijn kant en de meisjes haar kant kozen. Het was een
‘soeten strijdt’, vertelt
Isabella, ‘tot onser alle vergenoegen, waer door
wy soo aen malkander gebonden wierden dat niemant van huys mogt gaen, bysonder
niet ick of mijn man, of zy zeyden dat al het plesier van huys was’. Dat
duurde tot zijn dood. Daarna, ver- | | | | volgt Isabella, was de vreugde
voorbij. De erfenis bracht slechts verdeeldheid tussen haar en de kinderen.
88
Hoe gingen man en vrouw met elkaar om? Volgens Lawrence Stone zou
aan het einde van de zeventiende eeuw een nieuw gezinstype naar voren zijn
gekomen: het patriarchale kerngezin werd afgelost door een gezinsvorm waarin
meer plaats was voor affectieve banden tussen man en vrouw en tussen ouders en
kinderen. Als een van de indicatoren voor deze verandering wijst Stone op het
opkomend gebruik van voornamen en koosnaampjes binnen het gezin. Helaas kan
Stone weinig meer citeren dan enige liefdesbrieven uit de hogere kringen.
89 Het aardige is, dat we in Isabella's autobiografie een direct
beeld krijgen van de omgangsvormen binnen een zeventiende-eeuws gezin.
Hoogentoren en zijn vrouw spraken elkaar aan met
koosnaampjes als ‘liefje’ of ‘hertje’ en bij de
voornaam. Zo bekent Hoogentoren op de volgende, nogal dubieuze wijze zijn
liefde aan
Isabella: ‘“Bettje of Isabelletje”,
zegt hij, “ik hebbe u soo lief, dat ick u een ander niet en sou gunnen
naer mijn doot, daerom wenste ick wel dat ik u voor my sag draegen in een kist,
dan sou ick versekert zijn dat u niemant en sou hebben als ick doot
was.”’ Waarop Isabella ironisch antwoordt: ‘Lautjen of
Laurentje (naer dat hy my noemde, so noemde ick hem ook; zeyde hy Bettjen, ik
zeyde Lautje; seyde hy Isabellietje, ick zeyde Laurentjen; zeyde hy
Moerloosjen, ick zeyde Hoogentoorentje), ick bedancke u voor u
genegentheyt.’ Ook de kinderen is veel geoorloofd. Zij spreken hun
stiefmoeder aan met ‘mama’ of ‘mamitje’ en hun vader
met ‘papa’.
90
Toch is het de vraag of zulke omgangsvormen gebruikelijk waren aan
het einde van de zeventiende eeuw. Uit de ironische toon die
Isabella hier hanteert, zou men kunnen afleiden dat zij
het recht om haar man bij de voornaam te nomen eerder bevochten dan gekregen
heeft, terwijl zij elders - notabene in bed - haar man met ‘U
Edele’ aanspreekt. Daar verzocht zij
Hoogentoren iets wat voor haar heel belangrijk was.
Misschien koos zij daarom deze onderdanige vorm, terwijl het gebruik van de
voornaam eerder als vrijmoedig heeft gegolden.
Hoogentoren maakt overigens vaker dubieuze
complimenten.
Isabella beschrijft hem als een nogal dubbelzinnig
figuur. Zo klaagt zij dat hij haar nu eens ‘Belletje lief’ en dan
weer ‘honsvot’ noemt. Als zij daarom huilen moet, probeert hij haar
te troosten. Maar ook dat gebeurt op weinig tactvolle wijze: ‘voor eerst
maeckte hy den droefaert en als het daer niet mede helpen kon (…), soo
seyde hy: “gy moet u selven soo leelijck maecken dat gy geen mensch en
gelijkt, dan en sal ick geen huys met u houden. En waerom sou ick het oock
doen? Om u gelt dat en hebt gy niet”’. Waarop Isabella noteert:
‘soo kreeg ick met eenen een steeck’. Vraagt hij later waar de
‘sotjes’ of ‘guytjes’ blijven en ziet hij dat Isabella
daarom moet lachen, dan meent hij weer dat Isabella op de hoeren lijkt:
‘met de eene oog schreyt se en met de andere oog lacht se’.
91 En als Isabella een
andere keer erg moet lachen, waarschuwt hij dat zij nog ‘schroot’
zal schieten. Daarmee bedoelt hij, zoals Isabella uitlegt, dat zwangere | | | | vrouwen, als zij te hard lachen, hun vrucht kunnen verliezen. Het
moeten ‘geen stinck-poten wesen’, roept hij, het moet geen miskraam
worden.
92 Overigens is Isabella,
zoals we nog zullen zien, nooit zwanger geworden van Hoogentoren.
Wat vonden
Hoogentoren en
Isabella zelf van hun huwelijk? In de zeventiende-eeuwse
moraalgeschriften, die Hoogentoren zeker gekend heeft, bestond weinig
waardering voor een ongelijk huwelijk. Dat was ook de mening van Isabella.
Later, als zij na de dood van haar man een linnenwinkel in Goes is
begonnen, neemt zij een oude weduwe in huis. Deze weduwe ontmoet een jonge man
en wil met hem trouwen, maar dan krijgt zij van Isabella het volgende, bepaald
niet misselijke commentaar: ‘wat sottigheydt sou het wesen, dat men eenen
jongen boom sou planten in een dorre of drooge, of onvruchtbaere aerde’.
93 De kritiek lijkt weinig
fair na haar eigen huwelijk, maar het trouwen van een jonge vrouw met een oude
man werd in het algemeen minder erg gevonden dan het omgekeerde. Zo waarschuwde
Cats:
‘Vriendinnen, om verdriet en alle twist te schouwen,
O tracht met uws gelijck, en anders niet, te trouwen;
Of soo je niet en kont bereycken dese wet,
Ten minsten hout den voet, die elders is geset:
Indien je veertigh telt, soo dien je niet te paren
Met een, die niet en komt tot vijf-en-dertigh jaren;
En soo daer eenigh man de t'sestigh overleeft,
Hem dient geen jonge vrou, die min als dertigh heeft’.
94
Cats geeft verder geen redenen waarom oude vrouwen wel
maar oude mannen zich niet tot hun leeftijdsgenoten moeten beperken.
Isabella zelf noemt een voor de zeventiende eeuw zeer
begrijpelijke reden. Volgens haar kan de weduwe geen kinderen meer krijgen en
mensen mogen alleen met die intentie trouwen met elkaar. De weduwe verzet zich
hiertegen. Zij noemt de bijbelse Sara die nog op hoge leeftijd
zwanger werd, maar Isabella voegt haar toe: ‘gaet daer mede te marct, gy
sult'er apparent veel gelt van bedingen maer het sal slecht wesen, want zy
sullen seggen: “Een onder soo veel duijsent, hoe kan dat goet wesen, daer
moet tooverey mede speelen.”’
95 De weduwe trouwde
overigens toch. Of zij ook nog een kind heeft gekregen, vertelt Isabella er
niet bij.
| |
6 Intieme details
Toen zij klein was, vertelt
Isabella, hoorde zij in de kerk dikwijls tegen
‘onkuysheyt’ preken. Zij vroeg haar moeder wat dat was en kreeg als
antwoord, dat het ‘onreynigheyt’ of ‘vuyligheyt’
betekende. Dat werd ‘onnosele schaepen als ick doen was’ wel vaker
verteld. Het gevolg was dat zij een tijd lang panisch was voor vuil.
96
Deze onnozelheid is haar lang bijgebleven. Als
Hoogentoren grapjes maakt | | | | over
‘gaatjes stoppen’, heeft zij daar veel plezier om (‘waerom
ick my schier slap moest lachen’). Maar zij voegt eraan toe dat zij veel
van Hoogentorens dubbelzinnige grapjes pas werkelijk begreep nadat zij met hem
het bed had gedeeld. Sommige zegswijzen of ‘spreuckjens’ bleken tot
haar verwarring juist geen dubbele bodem te bezitten. Daarom probeerde zij haar
man hierover uit te horen: ‘als ick iets uytgevonden hadt, soo ging ick
daer oock mede spotten en dan meynde hy dickwils dat ick meer wist als ick dede
en daerom zeyde hy my dat voor’. Hoogentoren wilde haar
vóór zijn en nam haar de woorden uit de mond. De list gaf haar
veel plezier.
97
Isabella haalt intieme herinneringen op aan haar
huwelijksbed. In het tweede deel van haar boek vinden we de volgende passage.
Isabella prijst haar man om zijn uiterlijk. Hij heeft ‘geswinde leden,
een schoon aenscheyn, gekrolt hair’ en als zij hem aankijkt, ‘soo
schijnt zy verrukt te worden en valt hem daerop om den hals. Keert hy haer
sagjens af en segt: “Hoe vrouw, wilt gy my verkragten”’,
alsof hij zeggen wil - zoals Isabella toevoegt - dat hij niet wil, dan vraagt
zij of hij dat meent. Ontkent hij, dan omhelst zij hem opnieuw: ‘dan vat
sy toe en druckt hem sagjens tegen haere borsten, segt hy dan weder
“verkragt my niet”, ze stryckt haer hant over zijn aenscheyn en
secht: “lief, gy weet wel beter” en leyt haer aenscheyn tegen het
zijne, quansuys (alsof zij zeggen wil, HR) ick wil slaepen of in die liefde
rusten (…)”’.
98
Misschien laat
Isabella hier haar fantasie de vrije loop, maar haar
zeventigjarige echtgenoot was in ieder geval verguld met haar. Tot Isabella 's
schrik roemt hij haar zelfs tegenover zijn kinderen: ‘dan zeyde hij wel
eens: “zy is so sot met my, zy sou my wel opeeten of inswelgen” en
dan dede hy daer gesten of teykens by die my beschaemden, seggende: “ick
meyne soo, vous m'entende bien” en vervolgde: “Ja so sot als of ick
een jonck kereltje waere. 'Tis jammer dat se geen jongen man en heeft, zy sou
hem wel voorsien’”. Isabella wordt dan kwaad: ‘ick sou't
tander oock seggen, willie niet’ en vervolgt met een verwijzing naar het
bijbelverhaal: ‘t is of gy de kinders wilde amoereus maecken op haer mama
of moeder, soo sout gy maeken dat se oock u bedde beklimmen souden als Simion
of Ruben’. Pocht
Hoogentoren tegen anderen, dan verwijt zij hem:
‘de mannen willen geen hoeren hebben en sy maeken se selfs met hun praet,
want zy maeken een ander gaende door hun wijfs lof te vertellen’.
99
Buitengewoon interessant is wat
Isabella over problemen bij de menstruatie vertelt.
Het spreken over menstruatie vormde, zeker binnen de elite, een zwaar taboe in
de zeventiende eeuw. Volgens zowel katholieke als protestantse moralisten was
seksuele omgang tijdens deze periode verboden, maar sommigen laten het
onderwerp geheel terzijde, terwijl anderen het slechts in zeer bedekte termen
behandelen.
Cats spreekt heel kort over de ‘ongelege
stonden’, terwijl de hervormde predikant
Josias van Houten in zijn veelgelezen
‘Biecht-boecxken’ de menstruatie aanduidt met de
‘kranckheydt’ van de vrouw.
100 In
medische kringen was het woordgebruik vrijer. De arts
Johan van Beverwijck | | | | geeft een technische
uitleg waarom geslachtsgemeenschap verkeerd is tijdens de ongesteldheid of,
zoals hij het omschrijft, ‘wanneer de maen achter de kerck is’.
Kinderen die dan verwekt worden ‘werden by ons gheseyt tegen de maen
gepist te zyn’. Zulke kinderen, waarschuwt hij, zijn meestal melaats.
101 Die laatste
angst bestond ook binnen het joodse geloof, waar de regels voor onthouding
tijdens de menstruatie nog strenger waren.
102
Zo komt
Isabella, tijdens haar omzwervingen op zoek naar een
drukker, ook bij joden in Nijmegen terecht. Door een van hen wordt
haar logies aangeboden, maar op dat moment heeft hij helaas geen bed vrij,
omdat zijn vrouw en nog een andere vrouw in huis ‘onreyn waeren en daerom
alleen sliepen’.
103 Deze vrouwen volgden
hiermee de Niddah, de traktaten in de Mishnah en Talmoed die de reinheidsregels
bij menstruatie en andere bloedingen bevatten. Volgens deze regels was seksuele
omgang niet alleen tijdens de ongesteldheid, waarvoor vijf dagen werden
gerekend, maar ook nog zeven dagen daarna verboden. Pas op de avond van de
twaalfde dag mochten man en vrouw weer seksuele relaties aangaan en dan alleen
nog, nadat de vrouw zichzelf had ondergedompeld in de Mikwàh, het joodse
bad.
104
Over deze achtergrond heeft
Isabella waarschijnlijk niets geweten, maar zij is om
een zeer praktische reden vol lof over deze onthouding. Zij keurt het
afzonderlijk slapen goed ‘om den stanck of den reuk die van dat onreijn
quam’. Zelf, zo schrijft zij, had zij haar man vaak verzocht om alleen te
mogen slapen, als zij ongesteld was. Zij zei dan: ‘Liefje of hertje, dien
stanck zou maeken dat gy een tegenheyt in my krijgen soud en dat gy daer wat
van soud krygen. Daerom bidde ik U Edele dat gy my dien tijd laet alleen
slaepen en dan als een nieuwe bruidt of versche roos by u komen met schoon
goetjen aen en wel gereynigt’. Maar
Hoogentoren, bang voor opspraak, wilde niets hiervan
weten: ‘zy souden seggen dat wy Joods waeren’. Hij ging zelfs zover
om ‘de neuse toe te houden, seggende: “ik wenste dat ik het niet en
rook, want het walgt my aen mijn herte”, waerop ick soo van 't bed
meijnde te gaen (…), maer dan seyde hy: “blijft, ick sal 't wel
gewent werden”’.
105
Uiteraard had de oude
Hoogentoren wel eens minder zin dan
Isabella. Dan bediende hij zich van een list. Soms,
herinnert Isabella zich, hield haar man zich alsof hij dood was ‘en
zeyde: “ik ben kout” of “nu ben ik kout of
bedurven”’. Daarna riep hij: ‘ik ben bedrogen’ en als
Isabella dan argeloos vroeg waarom, antwoordde hij ‘sinisterlijk
“om dat gy soo een heet dinck zijt”, waer door hy my beschaemde of
spijt gaf. En het was hem daerom te doen, om die heete te doen overgaen, want
het was een slimme vogelt, so elck oordeelen can die hem gekent heeft’.
106
Ook een andere passage is uiterst interessant. Als
Hoogentoren gestorven is, vertelt
Isabella, verschijnt een van zijn nichten aan de deur
en zij vraagt Isabella of zij haar ‘kleer-stocken’, waarschijnlijk
droogstokken om luiers op te hangen, wil verkopen. Isabella zal ze zelf niet
nodig hebben, meent de vrouw, al zou zij hertrouwen, zij kan immers geen
kinderen krijgen. Als Isabella ver- | | | | baasd vraagt hoe zij aan dat
idee is gekomen, antwoordt de nicht dat haar oom bij zijn eerste vrouw wel
kinderen had verwekt, maar niet bij Isabella. Daaruit had zij afgeleid dat
Isabella onvruchtbaar was.
107 Het is een wat
merkwaardige conclusie, als we de leeftijd van Hoogentoren in aanmerking nemen.
Medici en juristen meenden dat mannen in het algemeen tot hun vijf-en-zestigste
nog kinderen konden voortbrengen.
108 Maar
het is mogelijk dat het gewone volk hier anders over dacht. Zegswijzen dat
‘een man soo langh hy een veder van syn mont kan blasen, noch een kint
kan telen’ en rijmpjes als ‘Een jonge oey, een ouden ram / Dat viel
wel binnen 'sjaers een lam’ zouden hierop kunnen wijzen.
109
Verrast door het antwoord vraagt
Isabella ‘of men wel kon maejen daer men niet en
saeyde?’ En zij bekent dat Hoogentoren haar nooit ‘saet gegeven
heeft’ en dat zij hem vaak had gebeden ‘met gevouwen handen en
gebogen knien, dat hy my liever niet meer aen roeren sou, als so verre brengen
en dan verlaeten’. Als de vrouw vraagt: ‘hoe verre?’,
antwoordt Isabella: ‘tot de ontfanckenisse’ en zij vervolgt:
‘Nicht, 't is de meeste smerte of smaet die men een vrouw aen doen
kan’.
110 Elders beklaagt
Isabella zich opnieuw. Het was verkeerd wat haar man deed: ‘eerst de
natuer opwecken en dan het saet wegsmijten’.
111
Het is duidelijk: de oude dominee ging voor het zingen de kerk
uit. Het gaat hier in feite om een van de meest waardevolle passages in
Isabella's autobiografie. We weten voor de vroeg-moderne tijd nog steeds zeer
weinig over praktijken als coïtus interruptus. Ariès meende zelfs
in 1948 nog dat anticonceptie tot voor kort binnen onze christelijke cultuur
ondenkbaar was.
112 Historische demografen trokken uit parochieregisters
andere conclusies. Volgens hen werd anticonceptie wel degelijk toegepast binnen
het vroeg-moderne gezin.
113 Gegevens ontleend aan
andere bronnen zijn echter schaars. Terwijl J.-T. Noonan kon laten zien dat
heel wat middeleeuwse theologen serieus ingingen op de verschillende methoden
van geboortenbeperking,
114
werd in de zeventiende en achttiende eeuw door theologen meestal gezwegen over
dit onderwerp. Een uitzondering vormt de jezuïet
Thomas Sanchez die een handleiding schreef, ‘De
sancto matrimonii sacramento’, bedoeld voor priesters bij het afnemen van
de biecht. Sanchez ging uitvoerig in op de intiemste details, maar daarmee
haalde hij zich de woede op de hals van protestanten als
Voetius,
Bayle en
Jurieu en van talrijke Jansenisten.
115 Andere katholieken vonden zijn boek waarschijnlijk evenmin
geslaagd. Zo vermijdt de Geneefse bisschop
St. François de Sales (1567-1622), in zijn
veelgelezen ‘Introduction à la vie devote’,
ieder onvertogen woord bij de behandeling van de seksualiteit. Hij spreekt
plotseling over tafelmanieren. Dat wat niet mag in bed legt hij liever uit aan
de hand van regels die gelden bij het eten.
116
In de Republiek verkozen de theologen eveneens een kiese behandeling
van het probleem. Soms wordt gesproken over de zonde van Onan, maar het is niet
duidelijk of hiermee slechts masturbatie of coïtus interruptus wordt
bedoeld.
117
| | | | Waarschijnlijk verbergen vermaningen tegen coïtus interruptus
zich achter de algemene waarschuwing voor al te grote ‘dertelheydt’
in het huwelijksbed. Immers, ‘het houwelick is eerlick onder allen, ende
het bedde onbevleckt’. Het was een misvatting, zoals
Cats zijn lezers vermaande:
‘Dat vrouwen opten dagh wel eerbaer moeten wesen;
Maer als de swarte nacht bedeckt de gansche kust,
Dat dan het echte wijf magh sijgen in de lust,
Magh, uyt een volle drift, met haer geselschap mallen,
En met een lossen toon in minne-stuypen vallen,
Magh springen uyt den bant, en plegen metter daet
Al wat een lichtekoy bij wijlen onderstaet.’
118
Nu werd anticonceptie ongetwijfeld toegepast bij overspel en
prostitutie. Een fraai voorbeeld van dit laatste vinden we in 1657, als een
zekere
Margaretha van Wullen, de bijzit van
Nicolaas Heinsius en de dochter van een lutherse
predikant, Heinsius tot een huwelijk wil dwingen. Deze verzet zich hiertegen en
laat voor de notaris een aantal belastende verklaringen van getuigen opmaken.
Het blijkt dat Margaretha met meer mannen sliep, onder anderen met de wijnkoper
Vincent van Genegen. Een van de getuigen verklaart hoe
zij gezien heeft (zij loerde blijkbaar door een spleet), dat ‘Margriet
van Wullen met Sr. van Gheneghen vleeschelijke conversatie was pleghende ende
dat hij, Van Gheneghen, sijn saet nogh voor haar Margriet op de vloer liet
neder vallen (…).’
119 Ook in het buitenland vinden we
enige voorbeelden in de sfeer van overspel en prostitutie.
120
Over anticonceptie binnen het huwelijk zijn echter nauwelijks
directe gegevens bekend. Alleen al daarom is
Isabella's ‘Vrede Tractaet’
zeer waardevol. Bovendien vertelt Isabella iets over de motieven van haar man.
Waarschijnlijk heeft
Hoogentoren coïtus interruptus toegepast om de
erfenis van de kinderen uit zijn eerste huwelijk veilig te stellen. Althans,
dat meent zijn neef, de man van de vrouw die om Isabella's
‘kleer-stocken’ vroeg. Hoogentoren zou zichzelf en Isabella om die
reden ‘te kort’ hebben gedaan. Isabella zelf meent, dat haar man
het niet daarom heeft gedaan, al weet zij ook niet waarom wel.
121 Hoogentoren heeft echter
in 1667 met zijn eerste vrouw een testament laten opmaken. Daaruit blijkt dat
beide kinderen ieder vijftig pond vlaams zouden erven.
122 Dat is niet zo heel veel. Mogelijk heeft
Hoogentoren deze bescheiden erfenis niet verder willen versnipperen. Isabella,
zo bleek bij zijn dood, zou zelf ook al weinig krijgen.
Interessant is verder dat
Isabella ook haar mening geeft over dergelijke
praktijken. Zij voelt duidelijk gewetensnood. Als zij al enige tijd weduwe is,
verkondigt zij tegenover anderen die het niet zo nauw nemen dat voor haar
‘conversaetie sonder oogmerck van kinderen’ gelijkstaat aan
homoseksualiteit: ‘het byslaepen of speelen om eygen te spreecken van
mannen met mannen’. Immers, beide praktijken vormen een ‘bespotting
der generatie’.
123
Seksuele omgang zonder de intentie om kinderen voort te brengen
vindt
Isa- | | | | bella bovendien erger dan masturbatie.
Wat haar man deed was erg. Als hij het nog maar alleen had gedaan, vervolgt
zij, ‘soo het noch maer van een kant geschiede, soo was de saecke
inschickelijck, maer twee saeden die te gelijck geschoten worden moet seker een
kindt zijn, want gelijck als de lubbe de melk doet (…) ronnen soo doet
het mannen-saet het vrouwen-saet ronnen of klonteeren’.
124 Isabella gebruikt hier
een beeld uit de kaasmakerij. Met de ‘lubbe’, een stukje uit de
lebmaag van een kalf, deed men de melk stremmen.
Isabella's opmerking biedt een aardig kijkje in de gedachtenwereld
van de zeventiende eeuw, met name in de medische kennis van die dagen. Zo
bestonden er ruwweg twee theorieën over de voortplanting.
Aristoteles meende dat vrouwen slechts bijdroegen aan de
conceptie met hun menstruatiebloed. Als het sperma de baarmoeder binnenkwam,
ontstond een gistingsproces en uit dat proces kwam na zo'n veertig dagen het
embryo voort. Vanaf de zestiende eeuw verwierf echter een andere theorie, die
van
Galenus, de meeste erkenning. Volgens Galenus kwamen
vrouwen evenals mannen tot een zaadlozing bij het orgasme en uit de vermenging
van deze twee zaden ontstond dan het embryo. Tussen beide theorieën
bestond dus een groot verschil. Aristoteles kent vrouwen geen actieve rol toe
bij de conceptie. Een vrouwelijk orgasme is niet noodzakelijk voor de
voortplanting. Maar voor Galenus is iedere geslachtsdaad zonder vrouwelijk
orgasme, zonder dat een vrouwelijk zaad wordt ‘geschoten’, om met
Isabella te spreken, onvolledig. Overigens liepen bij de
meeste theologen en medici de theorieën dooreen.
We zien hier dat
Galenus' mening niet alleen leefde in academische
kringen maar ook bij een eenvoudiger vrouw als
Isabella. Ook zij spreekt over
‘vrouwen-saet’. Een andere overtuiging van Isabella herinnert meer
in de verte aan Galenus. Zij meent dat, als het vrouwelijk zaad geen vrucht
schiet, dit zal verrotten en ‘verrot zijnde ongedierte baart dat de
baarmoeder verslint.’
125
Tot slot mag ook een laatste ervaring die Isabella beschrijft, een
poging van de oude
Hoogentoren tot fellatio, niet onvermeld blijven. Het
was, zoals Isabella duidelijk laat blijken, een buitengewoon pijnlijke ervaring
voor haar. Nadat man en vrouw blijkbaar een kleine ruzie hebben gehad in bed,
sluiten zij vrede. Hoogentoren bekent: ‘“t'is my leet dat ik dat
gezegt hebbe”. Zy segt: “Maets dan” en kust hem. Kust hy haer
oock, zy segt: “Dat is soet als een man en vrou soo wel
accordeeren”’. Maar dat zou haar tegenvallen. Onder het mom dat hij
haar ‘preuven’ van zijn liefde wil tonen, probeert hij haar tot de
‘dertelheydt’ te brengen die de zeventiende-eeuwse moralisten juist
zo veroordelen. Eerst wil hij tegen haar zin haar neus en ‘andere
dreck'losen’ likken. Verzet zij zich tevergeefs, bemerkt zij ‘dat
zy niet en wint, maer dat hy haer dan onfatsoenlijck aen grijpt en eens soo
veel aengaet, soo hout zy sich stil en sluijt haer oogen toe om 't niet te sien
en roept haar Vaeder tot verlossing aen. Als zy denckt van walgen te sterven,
segt hy: “Nu moet ick sien of gy my oock soo lief hebt”, soo doet
zy haer oogen open om te sien wat hy beginnen wilt. Siet zy zijn
mannelijckheijt voor haer mont, zij zwijgt stil en poogt hem af te kee- | | | | ren met haer handen. Steeckt hij die naer haer mont, so hout zij dien
gesloten. Poogt hij dien open te breecken en die daer in te steecken, zij poogt
het te beletten door handen en tanden en op en neder te kruijpen, als zij aen
de sijde belet is, en roept met der herten haeren Hemel-vaeder aen en als zij
niet meer en kan, soo segt zij met den geest: Vader, niet mijne maer uwen wille
die geschiede (…).’
126
Omdat ook deze passage in de derde persoon is geschreven, zou men
zich kunnen afvragen of
Isabella hier wel een eigen ervaring heeft genoteerd.
Daaraan kan echter weinig twijfel bestaan. In het ‘besluit’ van het
tweede deel schrijft Isabella weer in de eerste persoon en daar verbindt zij
deze poging tot fellatio met het fabeltje dat zij in haar jeugd had gehoord,
van de man met de lange mantel en de ballen. Had zij toen geen geloof gehecht
aan dit verhaal, ‘niet denckende op de ballen die de natuer geeft’,
nu was zij ‘wel verwondert als ick alle die dingen waerheyt
bevont’.
127
Heeft Isabella bij dit alles misschien een sterke doodangst ervaren,
juist omdat zij zich plotseling het fabeltje uit haar kinderjaren herinnerde?
Elders waarschuwt zij vrouwen dat zij op deze wijze, als zij geen lucht meer
kunnen krijgen, door slechte mannen vermoord kunnen worden. Dit maakt een
overdreven, bijna paranoïde indruk, maar misschien - Freudianen zouden
hier iets ‘moois’ van maken - heeft het plotselinge opduiken van
het fabeltje uit haar onderbewustzijn deze angsten bij haar opgeroepen.
Hoogentoren wist ongetwijfeld zeer goed dat zijn gedrag
uitdrukkelijk verboden werd in het zevende gebod. Hij lijkt ook op zijn
sterfbed hierover wroeging te hebben gevoeld. Hij wordt zwaar ziek, mogelijk
heeft hij longontsteking opgelopen: ‘daer zijn als serpenten of jongen
slangen in mijn keel, hoort se pijpen’.
128 Ontroerend is hoe hij,
bang voor de ‘stricken des doodts’, steun zoekt bij
Isabella. Zij schrijft: ‘hy quam by my als eenen
gebolden of voor 't hooft geslaegen osse om getroost of genesen of ontslaegen
te worden van die stricken met sulcke een teerderheyt of verslaegentheyt dat
het my jammerde tot aen mijn siel (…), soo leyde hy zijn hooft in mijn
schoot en riep dickwils “ontfermt u mijnder” of “hebt gy geen
compassie met eenen armen gevangen”. Ik zeyde wel “Liefjen, ick en
kan u immers niet helpen, hoe roepje soo, kan ick iets doen tot u verlossing,
secht het my, ick beloove ick sal 't doen”. Maer te vergeefs, dat kermde
tot dat het uytsinnig was (…).’ Tegelijk echter, tot schrik van
Isabella, klaagde Hoogentoren tegen de schoolmeester dat hij haar liever nooit
had ontmoet. Als de man verbaasd vraagt waarom, antwoordt hij: ‘sulcke
jonge vrouwen en oude mans van mijn quaeliteyt en deugt zijn leven niet’.
Vraagt de schoolmeester wat hij precies bedoelt, dan antwoordt Hoogentoren
‘naer hem aengesien te hebben: “dat kont gy wel
denken”’.
129 Ook
Isabella lijkt in gewetensnood, al is bij haar de reden
minder duidelijk. Zo krijgt zij na de dood van haar man belangstelling voor de
doopsgezinden, die bekend stonden om hun vrome levenswandel in de Republiek.
Zij wil nagaan ‘of ick mijn gemoet daer niet geruster en sou vinden, dat
my menigmaal | | | | soo ontstelt hadde in mijn mans leven dat icker
qualijck van wiert’.
130 Uiteindelijk zocht zij
contact met de labadisten in het Friese Wieuwerd. Deze labadisten
vormden een piëtistische sekte die zich in het begin van de jaren zeventig
rond de Waalse predikant
Jean de Labadie had gevestigd. Daarvoor had De Labadie
al enige jaren in Middelburg gepreekt en daar grote aanhang
verworven.
131 Van deze mensen
zal
Isabella over de sekte hebben gehoord. Haar
belangstelling was groot. Niet alleen maakte zij een vergeefse reis naar
Friesland om zich bij hen aan te sluiten, de gemeenschap in Wieuwerd was al
opgebroken. Ook verkondigt zij in haar ‘Vrede
Tractaet’ opinies die aan de labadisten werden toegeschreven. Zij
pleit voor gemeenschap van goederen en voor een zekere mate van polygamie.
132 Zij heeft weinig plezier gehad van deze ideeën. Toen zij nog
in Goes woonde, kreeg zij regelmatig vrijers op haar dak die van
haar vrijzinnige denkbeelden hadden gehoord. Later, als zij verbannen is, zou
haar door oude bekenden hulp geweigerd worden. Zij hadden vernomen dat zij over
‘polagemie’ had geschreven en wilden daarom niets meer met haar te
maken hebben. Immers, ‘ick was slegt en moest slegt blijven, soo raeckte
ik van quaet tot erger’.
133 Uiteindelijk,
zoals we zagen, zou
Isabella in het Amsterdamse spinhuis en later zelfs in
het dolhuis worden opgesloten.
| |
7 Besluit
Op het titelblad van haar ‘Vrede
Tractaet’ liet
Isabella vermelden: ‘Die daer yets tegen heeft, mag
't er tegen in brengen: zy blijft bereyt om alle eerelijcke lieden contentement
te doen’. Evenals de drukker, die zijn naam maar wijselijk wegliet en
slechts vermeldde ‘gedrukt voor de autheure’, verwachtte zij
moeilijkheden rond haar boek.
Er zullen nu nog maar weinig mensen zijn die het ‘Vrede
Tractaet’ aanstootgevend zullen vinden. Toch is het jammer dat we
de schrijfster niet meer kunnen raadplegen. Wij zouden nog heel wat vragen
kunnen stellen.
Zo weten we over haarzelf nog steeds zeer weinig. Hopelijk komen we
nog eens te weten wanneer zij nu precies is geboren en wat er met haar, nadat
zij in 1712 uit het dolhuis werd ontslagen, is gebeurd.
Wat heeft zij bovendien bedoeld met de titel van haar boek:
‘Vrede Tractaet, gegeven van den hemel door
vrouwenzaet’? Het is mogelijk dat zij met
‘vrouwenzaet’ slechts zichzelf als vrouw heeft willen aanduiden.
Als bij de verwekking het vrouwelijk zaad het mannelijk zaad overheerst, zo
schrijft
Isabella in haar boek, dan zal een meisje worden geboren.
134
‘Vrouwenzaet’ zou dus een synoniem voor ‘vrouw’ kunnen
zijn. In de bijbel wordt echter Christus aangeduid met
‘vrouwenzaad’. Had Isabella ook deze laatste betekenis op het oog?
Over haar motieven bij het schrijven kan gelukkig iets meer worden gezegd. Door
de Engelse historicus Alan Macfarlane worden drie motieven onderscheiden die
mensen ertoe zouden brengen een dagboek of een dergelijk docu- | | | | ment
te beginnen. Soms wil men slechts een boekhouding bijhouden, een lijst van
inkomsten en uitgaven. In andere gevallen kan het geschrift als geheugensteun
dienen. Men wil politieke gebeurtenissen of, zoals de zeventiende-eeuwse
predikant
Ralph Josselin, juist gebeurtenissen binnen de eigen
familiekring noteren. Een derde motief is de behoefte aan zelfonderzoek, de
behoefte het eigen innerlijk te onderzoeken en mogelijke overtredingen van Gods
geboden te onderkennen.
135 In Engeland
werden autobiografieën van dit laatste type dikwijls door puriteinen,
vooral door Quakers, geschreven.
136
De autobiografie van
Isabella de Moerloose toont nog een ander motief.
Weliswaar schreef zij het ‘Vrede Tractaet’, zoals
zij aan een predikant vertelde, ‘om my selven te purifieeren van alle
dwaelingen die ick hebbe’.
137 Dat komt
overeen met Macfarlane's derde motief. Maar elders bekent zij aan haar
manuscript begonnen te zijn ‘om elck een den mont te stoppen door tegen
reden’.
138 Deze zelfrechtvaardiging,
een verdediging van al haar doen en laten, lijkt het belangrijkste motief. Zij
verdedigt zich niet alleen tegen het geroddel in Heinkenszand en
Goes. Ook stelt zij zich teweer tegen de katholieke geestelijkheid
in Gent en tegen de predikanten in Zuid-Beveland. Zij heeft, met
haar bescheiden ontwikkeling, een zeer zelfstandige weg gevolgd, zelfs
zó zelfstandig dat
Jacob Campo Weyerman haar in 1721 in het gezelschap
plaatst van vrijdenkers als
Adriaan Koerbagh,
Lucilio Vanini,
baron de LaHontan en
John Toland.
139
In dit artikel heb ik mij beperkt tot die passages in Isabella's
autobiografie die mij van belang leken voor de bestudering van het vroegere
gezin en van de vroegere volkscultuur. Daarmee is slechts een eerste, uiteraard
wat eenzijdige indruk van het ‘Vrede Tractaet’
gegeven. Isabella's merkwaardige geschrift verdient zonder meer ruimere
aandacht. Uit de Nederlandse maar ook de Vlaamse geschiedenis zijn ons al
weinig dagboeken of autobiografieën bekend.
140 Bovendien vernemen wij nu eens de visie van een
vrouw.
|
*Met dank aan Karel Davids, Rudolf Dekker,
Ton Dekker, Willem Frijhoff, Florence Koorn en Henk van Nierop.
1L. Stone, ‘Family History in
the 1980s. Past Achievements and Future Trends’, in: Journal
of Interdisciplinary History, 12 (1981), 1, 51-87.
2Voor een waardevolle bibliografie, zie:
G.L. Soliday (ed.), ‘ History of Family and Kinship. A Select
International Bibliography’ (New York, 1980).
3P. Burke, ‘Popular Culture in Early
Modern Europe’ (New York enz., 1978), hfdst. 8. Vgl. R. Muchembled,
‘Culture populaire et culture des élites dans la France moderne
(VXe-XVIIIe siècles)’ (Parijs, 1978), hfdst. 4 e.v. Deze
campagne tegen de volkscultuur zou zeer goed geïnterpreteerd kunnen worden
als fase in een burgerlijk civilisatieproces. Zie: N. Elias, ‘Ueber
den Prozess der Zivilisation. Soziogenetische und psychogenetische
Untersuchungen’ (Frankfurt am Main, 1977; 1e dr. 1939), m.n. dl. II,
402n.
4Zie het voorwoord in: L. Stone,
‘ The Family, Sex and Marriage in England,
1500-1800’ (Pelican ed. Harmondsworth, 1979; 1e dr.
1977).
5Stone, ‘Family History in the
1980s’, o.c., 56.
6De volledige titel luidt:
‘ Vrede Tractaet, Gegeven van den Hemel door Vrouwen Zaet.
Beschreven door Isabella, de Moederloose Weduwe van Domini Laurentius
Hoogentoren. In zijn leven Predikant in Zuit-Beverland’. Tot
Amsterdam, gedrukt voor den autheure, in 't jaer 1695. 8°. Ik heb slechts
twee exemplaren van het boek kunnen ontdekken, een op de Amsterdamse en een op
de Utrechtse Universiteitsbibliotheek.
7Bij Isabella's verbanning in 1694 door het
gerecht van Goes wordt haar herkomst vermeld. Zie: GA Goes, RA 1574, fol. 152v.
In oktober 1699 wordt Isabella in het Amsterdamse spinhuis gezet. Zij is dan 38
jaar. Ook hier wordt vermeld, dat zij afkomstig is uit Gent. Zie: GA Amsterdam,
PA 347, No. 39, fol. 136.
8‘Vrede Tractaet’. o.c., I, p.
19. ‘Vrede Tractaet’ hierna afgekort als VT. Ook de mogelijkheid
dat ‘Moerloose’ of ‘Moederloose’ een pseudoniem is, mag
niet worden uitgesloten. Misschien werd zij daarom niet teruggevonden in de
Gentse parochieregisters, al komt de naam vaker voor in Zeeland en
Vlaanderen.
9VT I, 16, 17, 20 e.v., 47-8,
99.
11Hoogentoren stierf op 2 februari 1692. Zie:
A.J. Witte, ‘Aantekeningen betreffende de familie
Hoogentoorn’, in: ‘Van Zeeuwse Stam. Contactblad van de
Nederlandse Genealogische Vereniging Afdeling Zeeland’, 3de serie nr.
29 (juni 1980), 21. Met dank aan de heer Witte, die mij zijn genealogische
gegevens betreffende de familie Hoogentoren welwillend ter beschikking
stelde.
12RA Middelburg, res. classis Zuid-Beveland,
4 nov. 1692.
14VT III, 338 e.v. 345-6, 373, 380. De drukker
in Nijmegen was
Abraham van Wesel. Deze is volgens Gruys en De Wolf
tussen 1685 en 1699 in Nijmegen werkzaam geweest. Uit een bij hem uitgegeven
geschrift kon bovendien worden vastgesteld, dat hij ‘quartier en stadts
drucker’ is geweest. Laurens Gunter was tussen 1690 en 1696 werkzaam in
Amsterdam. Zie over beide drukkers: J.A. Gruys en C. de Wolf,
‘ Thesaurus Nederlandse boekdrukkers tot 1700, met plaatsen en
jaren van werkzaamheid’ (Nieuwkoop, 1980). Na vergelijking
van het ‘Vrede Tractaet’ met een bij Gunter uitgegeven geschrift -
Quintyn Weytsen, ‘ Tractaet van
avaryen…’ (Amsterdam, 1695) - kon op grond van
identieke beschadigingen worden vastgesteld dat in beide boeken dezelfde
initiaal A is gebruikt. Beide geschriften waren dus uit dezelfde drukkerij
afkomstig.
15Zie voor de kerkeraadsnotulen: GA
Amsterdam, PA 376, No. 17, fols. 152-5. Voor het spinhuis: idem, PA 347, No.
39, fol. 136. Voor het dolhuis: idem, PA 342, No. 951, fol. 234. Isabella werd
overigens in het spinhuis gezet ‘om te sitten apart int
heijmelick’, zoals het register van het spinhuis vermeldt. Zij zal dus in
die ruimte hebben gezeten (de ‘secrete plaats’) waar vooral de
zwarte schapen uit de gegoede families werden opgesloten. Deze mochten geen
bezoek ontvangen. Wellicht heeft deze beperking Isabella in het dolhuis
gebracht.
16Voor kritiek op deze al te simpele
onderscheiding, zie bijv.: F.A. Isambert, ‘Religion populaire,
sociologie, histoire et folklore’, in: Archives de Sciences
Sociales des Religions, 43 (1977), No. 2, 161-84 en 46 (1978), No. 1,
111-33; J.-C. Schmitt, ‘Les traditions folkloriques dans la
culture médiévale’, in: idem, 52 (1981), No. 1,
5-20.
17Predikanten in de 17de-eeuwse Republiek, ook
dorpspredikanten, behoorden volgens Groenhuis tot de sub-elite. Zie G.
Groenhuis, ‘ De predikanten. De sociale positie van de
Gereformeerde predikanten in de Republiek der Verenigde Nederlanden voor
± 1700’ (Groningen, 1977), pp. 133 e.v., m.n.
161-2.
18Zie over Browne: M. Dodsworth,
‘The Delights of Curiosity’, in: ‘ The Times
Literary Supplement’, 3 dec. 1982, pp. 1331-2 (recensie van een
heruitgave van Browne's ‘Pseudodoxia Epidemica’); over Thiers, zie:
Burke, o.c., 283.
19E.H. Carr, ‘ What is
History?’ (New York, 1963), 16.
20VT III, 30 e.v. Helaas kon aan die passages
hier geen aandacht worden besteed. Vgl. over de regeringswisseling: R.A.S.
Piccardt, ‘ Bijzonderheden uit de geschiedenis der stad
Goes’ (Schiedam, 1979; 1e dr. 1864), 85-95; M. van der Bijl,
‘ Idee en interest. Voorgeschiedenis, verloop en achtergronden
van de politieke twisten in Zeeland en vooral in Middelburg tussen 1702 en
1715’ (Groningen, 1981), 43-4.
21RA Middelburg, res. classis Zuid-Beveland,
23 sept. 1692.
25Th. Browne, ‘ Pseudo-doxia
epidemica, dat is: beschrijvinge van verscheyde algemene dwalingen des
volks’ (Amsterdam, 1668; 1e Eng. dr. 1646), 502.
26‘ Handwörterbuch des deutschen
Aberglaubens’ (hrsg. E. Hoffmann-Krayer), Bd. III, 891.
27K.V. Thomas, ‘ Religion and
the Decline of Magic. Studies in Popular beliefs in Sixteenth-and
Seventeenth-Century England’ (Harmondsworth, 1978; 1e dr.
1971), 222.
28C. Ginzburg, ‘ Les batailles
nocturnes. Sorcellerie et rituels agraires en Frioul XVI-XVIIe
siècles’ (Lagrasse, 1980; 1e Ital. dr. 1966),
24.
29‘ Veelderhande Geneuchlijke
Dichten. Tafelspelen ende refereynen opnieuw uitgegeven vanwege de Maatschappij
der Nederlandsche Letterkunde te Leiden’ (Leiden, 1899). 213;
J.A. Worp (red.), ‘ De gedichten van Constantijn
Huygens’ (Groningen, 1895), V, 82.
30‘Handwörterbuch’, o.c.,
III, 892.
32Volgens sommige gezinshistorici zou
moederliefde voor 1800 hebben ontbroken. Zie: E. Shorter, ‘ The
Making of the Modern Family’ (New York, 1977; 1e dr. 1975),
169; Elisabeth Badinter, ‘ L'Amour en plus. Histoire de l'amour
maternel (XVIIe-XXe siècle)’ (Parijs, 1980), passim.
Voor een veel juister oordeel, zie: Y. Knibiehler en C. Fouquet,
‘ L'histoire des mères du Moyen Age à nos
jours’ (Parijs, 1980).
37Cecit. bij: G.A. Wumkes,
‘ Volksgeloof’ (Baarn, 1909), 6.
38J.-B. Thiers,
‘ Traité des superstitions, selon l'Ecriture Sainte, les
decrets des conciles, et les sentimens des Saints Pères, et des
theologiens’ (Parijs, 1697; 1e dr. 1679), I, 451-5.
39M. ab Eynatten, ‘ Manuale
exorcismorum, continens instructiones et exorcismos’
(Antwerpen, 1619). Dit werk werd tot 1706 driemaal herdrukt.
40M. Cloet, ‘Antoon Triest,
prototype van een contrareformatorische bisschop, op bezoek in zijn Gentse
diocees (1622-1657)’, in: Bijdragen en Mededelingen
betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 91 (1976), 402.
43VT II, 222. Dl. II van het ‘Vrede
Tractaet’ is doorgenummerd.
45J.J. Voskuil,
‘Kinderschrik’, in: P.J. Meertens en M. de Meyer
(red.), ‘ Volkskunde-atlas voor Nederland en
Vlaams-België‘ (Antwerpen, 1965), 91 e.v.; vgl.
‘Handwörterbuch’, o.c., IV, 1366-74.
46E. Poffé,
‘ Antwerpen in de XVIIIe eeuw, voor den inval der
Franschen’ (Gent, 1895), 17.
48J. ten Brink (red.), ‘ De
werken van G.A. Bredero’ (Amsterdam, 1890), II, 156-7.
49P.C. Hooft, ‘ Brieven.
Nieuwe, vermeerderde, en naar de oorspronkelijke text
herzien’ (Leiden, 1857), III, 438; G. Ogier,
‘ De seven hooft-sonden, speels-ghewys, vermakelyck ende
leersaem voor-ghestelt’ (Amsterdam, 1682), 336.
50J. Cats, ‘Houwelick, dat
is het gansche beleyt des echten-staets’, in: idem, ‘ Al
de werken’ (Schiedam, z.j.), 233 (‘Moeder’).
51J. Cats, ‘Tachtigh-jarige
bedenckingen, waer in aengewesen wort, hoe alle passien, driften, ja gebreken
der menschen soo bestiert konnen worden, dat de selve aen ziel en lichaem
gesontheyt konnen geven en oock bewaren’, in: Cats, ‘Al de
werken’, o.c., 698 (‘Van de vreese’).
52Cats,
‘Houwelick’, o.c., 233. Een populair werkje met
allerhande klachten over dienstboden was: (Simon de Vries),
‘ Seven duyvelen, regeerende en vervoerende de hedendaegsche
dienstmaegden’ (Amsterdam, 1682).
53J. Locke, ‘ Verhandeling
over de opvoeding der kinderen, behelzende verscheydene nutte
aenmerckingen’ (Rotterdam, 1697; 1e Eng. dr. 1693),
231-3.
54F. de Salignac de la Mothe Fénelon,
L'Éducation des filles' (Amsterdam,
1697; 1e Fr. dr. 1687), 13-4.
55Lud. Lavater, ‘ Van de
spooken, nagt-geesten en andere diergelijke verschijningen’
(Gorinchem, 1681; 1e dr. 1571), 49-50.
56R. Scot, ‘ Ontdecking van
tovery’ (Beverwijk, 1638; 1e Eng. dr. 1584), VI, 183-4; B.
Bekker, ‘ De betoverde weereld, zynde een grondig ondersoek van
't gemeen gevoelen aangaande de geesten’ (Amsterdam, 1691),
I, 130. Isabella refereert aan Bekker. Zie VT III, 169, 219. Het is niet
duidelijk of zij hem ook gelezen heeft.
57P. Vinck, ‘Voorwoord’, in:
Lavater, o.c. (pag. ontbreekt).
59J. Delumeau, ‘ La peur en
Occident (XIVe-XVIIIe siècles)’ (Parijs, 1978), 226-7.
Delumeau vermeldt nog meer van dergelijke gebeurtenissen. Zie ook: Commandant
Herlaut, ‘Les enlèvements d'enfants à Paris en 1720
et en 1750’ in: Revue Historique 139 (1922), 43-61,
202-223; J. Kaplow, ‘ Les noms des rois. Les pauvres de Paris
à la veille de la Révolution’ (Parijs, 1974),
55. De voornaamste bron is: E.-J.-F. Barbier, ‘ Journal d'un
bourgeois de Paris sous le règne de Louis XV. Textes choisis par Ph.
Bernard’ (Parijs, 1963).
60J. Heroard, ‘ Journal sur
l'enfance et la jeunesse de Louis XIII’ (Parijs, 1868), 108,
113.
61Ph. Ariès,
‘ Centuries of Childhood. A Social History of Family
Life’ (New York, 1962; 1e Fr. dr. 1960); D. Hunt,
‘ Parents and Children in History. The Psychology of Family Life
in Early Modern France’ (New York enz., 1972; 1e dr. 1970),
156.
62L. deMause, ‘The Evolution
of Childhood’, in: idem (ed.), ‘The History of
Childhood’ (Londen, 1976; 1e dr. 1974), 12, 14; zie in dezelfde
bundel: E.V. Marvick, ‘Nature Versus Nurture: Patterns and Trends
in Seventeenth-Century French Child-Rearing’, in: deMause, o.c.,
277.
63Ch. Dickens, ‘Nurses'
Stories’, in: idem, ‘ The Uncommercial
Traveler’ (Londen, z.j.), 73; Ch. Dickens, ‘ Great
Expectations’ (Harmondsworth, 1965; 1e dr. 1861), 35
e.v.
66Zie bijv.: K. Wrightson,
‘ English Society, 1580-1680’ (Londen enz.,
1982), 116.
67Zie bijv. Erik H. Erikson,
‘ Young Man Luther. A Study in Psychoanalysis and
History’ (Londen, 1972; 1e dr. 1958) en Hunt, o.c. Voor een
kritiek op Erikson, zie: R.M. Dekker en H.W. Roodenburg, ‘Een
bijzondere jongen. Eriksons Lutherstudie opnieuw bezien’, in:
De Gids, 144 (1981), 4, 220-237.
68Maar zie: L. Stone,
‘Children and the Family’, in: idem, ‘ The
Past and the Present’ (Boston enz., 1981), 220. Volgens Stone zou het
geslagen worden, samen met andere factoren, tot ‘psychic numbing’
hebben geleid.
69J. Kagan, ‘The Child in the
Family’, in: idem, ‘ The Growth of the Child. Reflections
on Human Development’ (Londen, 1979), 218 e.v.; vgl. M. Poster,
‘ Critical Theory of the Family’ (New York,
1978), 152-3.
74‘ Nederland in vroeger tijd.
18e-eeuwse beschrijving van steden en dorpen in Nederland’
(Zaltbommel, 1966), dl. XVIII (‘Zeeland’), 302.
79D. Haks, ‘ Huwelijk en gezin
in Holland in de 17de en 18de eeuw. Processtukken en moralisten over aspecten
van het laat 17de- en 18de-eeuwse gezinsleven’ (Assen, 1982),
68.
83RA Middelburg, Genealogische afschriften
DTB, No. 29 (‘Heinkenszand’), 16.
85Groenhuis, o.c., 161-2.
89L. Stone, ‘ The Family, Sex
and Marriage in England, 1500-1800’ (Londen, 1977),
329-30.
90Zie bijv.: VT III, 18-9, 108-9.
94Cats,
‘Houwelijck’, o.c., 245. Vgl.: idem,
‘'s Weerelts begin, midden, eynde, besloten in den trou-ringh, met
den proef-steen van denselven’, in: idem. ‘Al de
werken’, o.c., 453.
‘Als jongh met jongh te samen paert,
God is'er by, na rechten aert;
En als een out man, door de trouw,
Verkrijght een maeght of jonge vrouw,
Al gaet het stuck men weet niet hoe,
Noch sent er God sijn zegen toe;
Maer als een out en grilligh wijf
Gaet slapen by een jeughdigh lijf,
Soo gaet dit vast, gelooft'et vry,
Daer is noch God noch zegen by.’
100Cats,
‘Houwelijck’, o.c., 224; J. van Houten,
‘ Biecht-boecxken der Christenen, dat is een register vande
sonden tegen de Wet Gods’ (Utrecht, 1654), 120.
101J. van Beverwyck, ‘Schat
der gesontheyt’ (Dordrecht, 1636), II, 27.
102Deze angst wordt althans vermeld door
een bestrijder van het joodse geloof. Zie: J. Buxdorfius,
‘ Schoole der Jooden. begrijpende het geheele Joodse geloof en
geloofs-oeffening’ (Amsteldam, 1650), 515. Over houdingen ten
aanzien van menstruatie in het toenmalige Engeland, zie: P. Crawford,
‘Attitudes to Menstruation in Seventeenth-Century
England’, in: Past and Present, 91 (mei 1981),
47-74.
104Zie: ‘ Encyclopaedica
Judaica’, vol. 12 (Jeruzalem, 1971), 1142 (‘Niddah’);
vgl. S.Ph. de Vries, ‘ Joodsche riten en symbolen’ (Zutphen,
1932), 125.
108(Nic. Venette), ‘ Venus
minsieke gasthuys, waer in beschreven worden de bedryven der liefde in den
staet des houwelijks’ (Amsterdam, 1695), 156-7.
109Deze rijmpjes worden met afkeuring
geciteerd door Van Beverwyck. Zie diens ‘Schat der gesontheyt’,
o.c., II, 18.
112Ph. Ariès,
‘ Histoire des populations françaises et de leurs
attitudes devant la vie depuis le XVIIIe siècle’
(Parijs, 1948).
113L. Henry, ‘ Anciennes
familles genevoises’ (Parijs, 1956); E.A. Wrigley,
‘Family Limitation in Pre-Industrial England’, in:
Economic History Review, 19 (1966), 82-110.
114J.-T. Noonan,
‘ Contraception. A History of the Treatment by the Catholic
Theologians and Canonists’ (Cambridge Mass., 1966).
115Th. Sanchez, ‘ De sancto
matrimonii sacramento’ (Antwerpen, 1607); J.-L. Flandrin,
‘Contraception, mariage et relations amoureuses dans l'Occident
Chrétien’, in: idem, ‘ Le sexe et l'Occident.
Evolution des attitudes et des comportements’ (Parijs, 1981),
124.
116F. de Sales, ‘ Onder-wys of
aenleyding tot een godtvruchtigh leven’ (Antwerpen, 1671; 1e
Fr. dr. 1609), III, 551 e.v.
117Petrus de Witte, in zijn zeer populaire
‘ Catechizatie over den Heidelbergschen Catechismus der
Gereformeerde Christelijcke religie’ rekent deze zonde
‘enighzins’ tot de stomme zonden (sodomie, bestialiteit etc.). Als
hij dus masturbatie bedoelt, dan zou dit een zeer zware veroordeling zijn voor
de 17e-eeuw; Ad. Westermannus, in zijn ‘ Christelijcke zee-vaert
ende wandel-wech’ noemt de zonde van Onan ‘de
stinckende ende eysschelijcke sonde (…) die by den jonghman
onbeschaemtlijck met verquistinghe hares zaets geschiet’ (222). Ook dit,
vooral voor matrozen geschreven, boek was populair.
118Cats,
‘Houwelijck’, o.c., 223.
119G.A. Amsterdam, Not. Arch. 2573 (not. C.
de Ghrijp), fol. 112. Zie ook: fols. 121-2. Met dank aan drs. S.A.C. Dudok van
Heel, die mij op deze verklaringen wees. Zie over Heinsius, de dochters van
Wullen en Govert Flinck: S.A.C. Dudok van Heel, ‘Het
“Schilderhuys” van Govert Flinck en de kunsthandel van Uylenburgh
aan de Lauriergracht te Amsterdam’, in: Jaarboek
Amstelodamum 74 (1982), m.n. 73.
120Bekend is Brantômes
‘ La vie des dames galantes’; uit de 16e eeuw
stamt eveneens de ‘ Zimmerische Chronik’, waarin van een man
plotseling in het Latijn wordt geschreven: ‘nam voluit iniri et non
parere’ (K.A. Barack (hrsg.), ‘ Zimmerische Chronik’
(Freiburg i. Brsg., 1881), II, 425). Zie voor het 17e-eeuwse Engeland: G.R.
Quaife, ‘ Wanton Wenches and Wayward Wives, Peasants and Illicit
Sex in Early Seventeenth Century England’ (Londen, 1979),
171-2. Voor Frankrijk, zie: J.-M. Gouesse, ‘ En basse Normandie,
aux XVIIe et XVIIIe siècle. Le refus de l'enfant au Tribunal de la
Pénitance’, in: Annales de Démographie
Historique (1973), 231.
122G.A. Goes, Not. Arch. 2073 (not. S.
Hoogkamer), fol. 151.
123VT III, 44, 180. Om dezelfde reden noemt
zij Salomo een ‘vuylkanis’ (VT III, 104-5).
125J.-L. Flandrin, ‘Homme et
femme dans le lit conjugal’, in: idem, ‘Le sexe et
l'Occident’, o.c., 131 e.v. Zie ook Venette,
‘Gasthuys’, o.c., 342 e.v. Ook Galenus meende, dat
het niet vrucht schieten van vrouwelijk zaad tot ziektes, met name hysterie,
kon leiden. Zie: Ch. Daremberg, ‘ Oeuvres anatomiques,
physiologiques et médicales de Galien’ (Parijs,
1854-6; 2 dln.), II, 686, 689.
131H. Heppe, ‘ Geschichte des
Pietismus und der Mystik in der Reformirten Kirche, namentlich der
Niederlande’ (Leiden, 1879), 291 e.v.
132Zie bijv.: VT I, 11, VT III, 179,
220.
135A. Macfarlane, ‘ The Family
Life of Ralph Josselin, A Seventeenth-Century Clergyman. An Essay in Historical
Anthropology’ (Cambridge, 1970), 5-6.
136Stone, ‘Family’, o.c.,
227.
137VT III, 9. Elders (VT III, 69) schrijft zij
‘tot mijn selfs leering of kennis mijns selfs’.
139J. Campo Weyerman, ‘De Rotterdamse
Hermes, ing. door A. Nieuweboer’, Amsterdam 1980, 178. Weyerman spreekt
over het ‘hersselooze boek van Juffrou Hoogentoorn’. Met dank aan
Peter Altena.
140Zie echter: G. Kalff, ‘ Het
Dietsche dagboek’ (Groningen en Batavia, 1935); op het
ogenblik wordt door de historicus R.M. Dekker en anderen een inventariserend
onderzoek verricht naar egodocumenten in de Republiek. Zie: R.M. Dekker et al.,
‘Verstopte bronnen: egodocumenten van Noord-Nederlanders uit de
16de tot 18de eeuw’, in Nederlands Archievenblad, 86
(1982), 2/3, 226-34.
|
|