vouwen en laat nu ook een der hoeken zien, waarop twee duiven een soort staaf dragende, waaraan een hart hangt, met het onderschrift; ‘Jaroesoe na principale vo lobi.’1)
Als wij bij dit schitterend costuum nog de kokette hoofddoek, en den om den hals hangende gouden ketting, waaraan twee gouden vischjes en een tijgertand in goud gezet, voegen, dan kunnen wij de beschrijving der kleeding als geëigend beschouwen, en Sa Bacca op haar tocht volgen, maar eerst moet opgemerkt worden dat de armen met een hoek van 45 graden op het lichaam staan - daar anders de opstaande jak neergedrukt zou worden.
Kalm voortstappend slaat zij den weg in, die leidt naar de buurt van hare ‘vriendin’, en nu zij bemerkt, dat die in de negerpoort2) staat, komt zij in eene soort extase: het hoofd wordt eenigzins achterover geworpen, en de hals, als het ware ingekort, door de schouders wat op te trekken waardoor de vergelijking met een vrijende kalkoensche haan het best kan gemaakt worden.
Als zij recht voor zich uitkijkende - dus de andere niet ziend - op eenige Meters voorbij stevent, laat zij, tot zich zelve sprekend, zich hooren: ‘Mi na poti soema; mi no habi krosi, na karoewiwiri mi dé weri3) waardoor de tegenstandster, hoewel geen woord zeggend, zich toch niet kan weerhouden een tjoeroe4) te laten hooren.
Het doel is bereikt! Want Sa Bicca keert op hare schreden terug en geeft de ‘vriendin’ de volle laag.- De voorbijgangers, buren en straatjeugd vormen bijna dadelijk een menigte en luisteren met heel veel graagte naar de onthullingen, die van beide zijden worden gedaan, maar hebben ook tegelijkertijd een oog voor de prachtkleeding van Sa Becca.
‘Wat die onthullingen zijn?’
Wel niets meer of minder dan fragmenten uit beider familieen privaatleven.
't Opmerkelijke in deze kwarries is, dat wanneer de ‘deftige’ haar aanval heeft gedaan, zij kalm hare tocht vervolgt, terwijl de andere op hare beurt bezig is, de voortmarcheerende te ‘ontrafelen’.
Nauwelijks heeft deze de halfuitgedutte long wat rustgegund, of de op een aanmerkelijken afstand zich reeds bevindende keert op hare scheden terug, om de aan de poort geankerde het laatste woord niet te laten.
Daar de vriendin van Sa Becca ook niet een voor de poes is, en zich danig weet te weren, wordt de heen-en terugreis, wie weet, wel mogelijk twintig keer ondernomen.