|
|
|
| |
| | | |
Catharina Geertruida Schrader (1656-1746). Gewassen pentekening
van J. Folkema, 1714. Foto Iconographisch Bureau.
| |
| | | |
M.J. van Lieburg Het ‘Memoryboeck’ als medisch-historische bron
Het ‘Memoryboeck van de Vrouwens’ is in alle opzichten een uniek document voor de
geschiedenis van de verloskunde in Nederland. Terwijl van genees- en
heelkundigen uit de 17e en 18e eeuw verschillende recepten administratieboeken
bewaard gebleven zijn1, zijn bescheiden
afkomstig uit de praktijk van vroedvrouwen uiterst zeldzame relicten.2 Ook al zouden zich nog
onverwachte vondsten voordoen, dan nog zal het ‘Memoryboeck’ van Vrouw Schrader
zijn eerste plaats op de ranglijst van belangrijke bronnen niet gemakkelijk
verliezen. De lange periode die het handschrift bestrijkt (1693-1745), de
nauwkeurigheid van de door Vrouw Schrader beschreven casuïstiek en de hoge
kwaliteit van de door haar geleverde verloskundige hulp maken het ‘Memoryboeck’
tot een onmiskenbaar unicum.
Deze bewering kan enigszins onderbouwd worden door een algemene inleiding over
het handschrift en de hier gepresenteerde bewerking ervan en over het leven en
werk van de auteur, alsmede door een nadere beschouwing van de informatie die
het ‘Memoryboeck’ geeft over het medisch-historisch gebeuren rond 1700 en de
sociaal-economische situatie van Dokkum en omgeving.
| |
1. Het ‘Memoryboeck’ in de medisch-historische literatuur
In zijn verslag ‘omtrent den staat der boekerij’ van de Nederlandse
Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst kon de bibliothecaris C.E.
Daniëls (1839-1921) in 1892 melding maken van een belangrijke aanwinst voor
de handschriftencollectie.3 Het betrof
een manuscript afkomstig uit de nalatenschap van de Friese heel- en
vroedmeester Jan Jans Kiestra (1814-1891), die vanaf 1837 te Ee zijn
praktijk had gevoerd en als enthousiast beoefenaar van de geschiedenis der
geneeskunde in ruimer kring bekendheid genoot.4
Jarenlang maakte hij diepgaande studie van het leven en werk van Hendrik van
Deventer (1651-1724), over wie hij regelmatig publiceerde en voor wie hij,
zij het tevergeefs, een standbeeld als eerbewijs heeft willen
oprichten.5 Ongetwijfeld heeft Kiestra's belangstelling voor de geschiedenis
van de verloskunde een rol gespeeld bij de aankoop van het onderhavige
manuscript uit de boedel van de Leeuwarder medicinae en obstetriciae doctor
Sybrandus Fockema (1771-1848), een verre verwant van Vrouw Schrader (vgl.
2997).6
Voor de nieuwe bezitter was het niet moeilijk het grote belang van het | | | | handschrift te onderkennen. Al in 1850 publiceerde hij in het
Nieuw Practisch Tijdschrift voor de Geneeskunde een
artikel waarin hij op grond van een nauwkeurige bestudering van het
manuscript tot de conclusie kwam dat de kering niet eerst in het midden der
18e eeuw werd ingevoerd, maar door Vrouw Schrader af regelmatig werd
toegepast.7 Vijf jaar later, in december
1855, liet Kiestra aan de toenmalige bibliothecaris van de Maatschappij,
A.H. Israëls (1822-1883), weten dat de inhoud van het handschrift, tezamen
met de door hem verzamelde processtukken waarin de naam van Catharina
Schrader wordt vermeld, beschouwd moeten worden als ‘belangrijke bijdragen
tot de geschiedenis der verloskunde in Oostergoo van Van Deventer's vertrek
van Wieuwerd in 1694 tot Camper's komst in Franeker’.8
Kiestra zelf is er niet toe gekomen om uitvoeriger over het ‘dagboek van
Vrouw Schrader’, zoals het manuscript in de wandeling werd genoemd, te
publiceren. Wel verzamelde hij allerhande gegevens betreffende de auteur en
kopieerde hij de meest opvallende passages, hetgeen door hem in één dossier
werd ondergebracht met het opschrift ‘Levensschets van Catharina Geertruid
Schrader en afschrift van het belangrijkste uit haar Dagboek van verrigte
verlossing van 1693 tot 1745’. Over deze bundel berichtte Kiestra in de
eerder genoemde brief aan Israëls dat hij van plan was een afschrift te
schenken aan de bibliotheek van het Genootschap tot bevordering der Genees-
en Heelkunde te Amsterdam, maar dat hij vooralsnog niet tot verzending was
overgegaan ten einde ‘nog in de gelegenheid te blijven, om er iets te kunnen
bijvoegen’. In het archief en de bibliotheek van het Genootschap is echter
een dergelijk manuscript niet terug te vinden.9 Evenzo is de ‘tabel van Catharina's inkomsten en uitgaven
uit dit handschrift overgenomen’, die met de brief van Kiestra aan Israëls
is meegestuurd, onvindbaar gebleven.
De eerste die, na de mededeling in het Nederlandsch Tijdschrift
voor Geneeskunde over de aanwinst voor de boekerij, de inhoud van
het ‘dagboek’ benutte voor historisch onderzoek, was A. Geyl (1853-1914). In
een lange artikelenreeks in het Medisch Weekblad van 1897
‘over de opleiding en maatschappelijke positie der vroedvrouwen in de 17e en
18e eeuw’,10 citeerde Geyl het handschrift ter
illustratie van het financiële reilen en zeilen van vroedvrouwen en ter
ondersteuning van zijn conclusie dat het jaarinkomen van Vrouw Schrader
‘nooit geëvenredigd (is) geweest aan den arbeid, dien zij verrichtte en de
beroemdheid, waarop zij bogen mocht’.11 Hoewel vroedvrouwen in lang niet alle
opzichten door Geyl werden bewonderd, behoorde Vrouw Schrader naar zijn
overtuiging echter vooraan te worden genoemd in de rij van hen, ‘die het vak
harer keuze met grote toewijding en zelfs met meer dan de gevorderde
bekwaamheid beoefenden’.12
Onbegrijpelijk en met het hiervoor geciteerde volledig in tegenspraak was
echter Geyls beoordeling van Vrouw | | | | Schraders plichts- en
verantwoordelijkheidsgevoel, waarvan hij meende dat die geheel ontbraken.
‘Meestal trad zij zoo kras, zoo ruw en zoo zeker op, dat men aan
ontoerekenbaarheid moet denken..., voortvloeiende uit den grooten, maar door
haarzelf niet altijd bemerkten afstand, die er tusschen haar kunnen en
moeten gelegen was. Als men vooropstelt, wat toch niet anders kan, dat ook
zij niet verstoken geweest is van de primitive, normale, overal aanwezige
gevoelens van humaniteit, dan moet men met mij aannemen, dat zij de
beteekenis niet begreep of gevoelde van de feilen en misslagen, die van haar
opgeteekend staan, dat zij daarvoor te onbeschaafd en te onwetend was’. Dat
een dergelijk oordeel meer over Geyl zelf dan over Vrouw Schrader zegt,
maakt de lectuur van het ‘Memoryboeck’ gemakkelijk duidelijk.13
In hetzelfde jaar 1897 liet Geyl ook de internationale medischhistorische
wereld kennismaken met de Dokkumse vroedvrouw door een artikel in het
tijdschrift Janus over Vrouw Schrader als ‘investigatrice
du caractère anatomique de la placenta praevia’. Daarin typeerde hij haar
als ‘excellente sage femme...’, die ‘savait admirablement son métier’. Op
grond van de casuïstiek betreffende placenta praevia, waarvan hij er zeven
in het ‘dagboek’ telde, plaatste Geyl de Friese vroedvrouw op één lijn met
de beroemde Franse verloskundige Paul Portal († 1703). ‘Elle donc et Portal
ont tous deux non seulement indiqué l'anatomie de la placenta praevia, mais
reconnu exactement le danger clinique qu'elle présente et compris le moyen
d'y parer’.14
Een uitvoeriger beschrijving van het handschrift en een eerste poging tot een
biografie van Vrouw Schrader volgde eerst in 1926 in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde.15 In dit artikel
tekende B.W.Th. Nuyens (1865-1945) de schrijfster van het ‘Memoryboeck’ meer
als exponent, dan als exceptie van de vroedvrouwenklasse. Op dit punt
kritiseerde Nuyens, overigens niet geheel terecht, zijn collega Geyl, die
hij verweet het handschrift onzorgvuldig te hebben gelezen en de hoofdzaak,
namelijk ‘de resultaten van haar werk’, onbesproken te hebben gelaten.
‘Wanneer hij (= Geyl, v.L) breed uitwijdt over de slechte opleiding der
vroedvrouwen, krijgen wij den indruk, dat hij juist oordeelt, maar zijn wij
toch verbaasd over het aantal goede vroedvrouwen, die volgens de verklaring
van betrouwbare schrijvers, op het platteland werden aangetroffen’.16 De resultaten
van Vrouw Schrader waren naar berekening van Nuyens zodanig, dat ‘zelfs Geyl
zou toegeven, dat de zwangere toen veiliger was in de handen der gesmade
vroedvrouw’.
Nuyen's publikatie is door verschillende schrijvers dankbaar benut bij de
beschrijving van de laat-17e eeuwse en vroeg-18e eeuwse verloskunde en
verloskundige praktijk in Nederland. Zo wijdde Van Reeuwijk in zijn
dissertatie over Vroedkunde en vroedvrouwen in de Nederlanden
in de 17e en 18e eeuw (1941) een klein gedeelte aan Vrouw Schrader,
waarschijnlijk | | | | echter zónder het handschrift zelf te hebben
gezien, getuige de door hem geciteerde casus die dezelfde zijn als die door
Nuyens waren weergegeven! In Nuyens' berekeningen had Van Reeuwijk overigens
geen enkele fiducie: de berekende maternale sterfte beoordeelde hij ‘absurd’
te zijn omdat die lager zou zijn geweest dan ‘in onzen aseptischen tijd’.
‘We zijn’, concludeerde hij, ‘wel gehouden de gegevens uit het handschrift
van Vrouw Schrader met het noodige voorbehoud te aanvaarden en meer
bewondering te hebben voor haar hart dan voor haar hoofd, ofschoon zij bij
machte was zuiver empirisch zich eene kennis der verloskunde eigen te maken,
die respect afdwingt en voor het nageslacht dient te worden bewaard’.17 In 1949 nam de
medisch-historicus Baumann in zijn relaas Uit drie eeuwen
Nederlandse geneeskunde een passage op over Vrouw Schrader en viel
daarin Nuyens in zijn conclusie bij dat, wanneer het manuscript rond 1700 in
druk zou zijn verschenen, ‘zo had Nederland, evenals Frankrijk en Duitsland,
zijn “grote vroedvrouw” van de 17e eeuw gehad’.18
Tenslotte publiceerde een oud-huisarts van Ternaard, M.J. Elzinga, in 1954 in
het Friese tijdschrift It Beaken een beknopt artikel over
Catharina Schrader, echter zonder nieuwe gegevens of inzichten te berde te
brengen.19 In hetzelfde, aan Dokkum gewijde nummer van It
Beaken, leverde S. van Tuinen als eerste een sociaal-historische
bijdrage over het ‘Memoryboeck’ door een classificatie te bieden van de
beroepen die Vrouw Schrader heeft genoteerd. Een kwantitatieve analyse
ontbreekt in dit artikel.20
Tot medio jaren vijftig bleef de belangstelling voor het manuscript beperkt
tot verloskundige en medisch-historische kring. Het is de verdienste geweest
van de Dokkumse kunstschilder Van Kammen om het handschrift, waarop hij
mogelijk door de publikatie in It Beaken is geattendeerd,
in ruimer kring bekend te maken. In 1958 leverde Van Kammen een integrale
transcriptie van het handschrift, voegde daar een inleiding en een namen- en
beroepenindex aan toe en gaf het geheel met financiële steun van het
Dokkumse gemeentebestuur in stencilvorm uit.21 Vooral de waarde
van het ‘Memoryboeck’ als genealogische bron stond daarbij kennelijk
centraal. De verdienste van Van Kammen blijft onverlet, wanneer een kwart
eeuw later moet worden gezegd dat aan deze uitgave verschillende bezwaren
kleven. De transcriptie is, gelet op het aantal fouten in de transcriptie,
omissies en verschrijvingen, onbetrouwbaar en vanwege het ontbreken van de
interpunktie moeilijk leesbaar; de toegevoegde indices zijn onvolledig en
voor de inleiding beperkte de schrijver zich tot het raadplegen van de
Dokkumse belastingkohieren waaruit het adres van Vrouw Schrader kon worden
vastgesteld. Ander voor de hand liggend bronnenmateriaal is door Van Kammen
niet geraadpleegd.
| | | |
Het beschikbaar zijn van een volledige transcriptie heeft in de afgelopen
jaren niet geleid tot een nauwkeurige bestudering van het handschrift.
Snapper, Lindeboom en Ringoir, om slechts een drietal auteurs van
medisch-historische publikaties te noemen, hebben zich bij de vermelding van
Vrouw Schraders ‘Memoryboeck’ hoofdzakelijk beperkt tot hetgeen Nuyens al te
berde had gebracht.22 Historici lieten het ‘dagboek’, en de unieke demografisch-
en sociaal-historische informatie die het bevat, onbenut. Zelfs in een
standaardwerk als van Faber over Drie eeuwen Friesland
ontbreekt Vrouw Schraders naam.23 Een iets uitvoeriger citering van het
‘Memoryboeck’, zij het zonder nieuwe kwantitative bewerking, leverde alleen
Klinkert in de historische inleiding tot zijn proefschrift over Verloskundigen en Artsen (1980).24 Twee jaar eerder had dezelfde
auteur in een landelijk dagblad een column geplaatst, die de algemene
interesse voor het handschrift wekte, hetgeen tenslotte de indirekte
aanleiding tot de voorliggende uitgave is geworden.25
| |
2. Catharina Geertruida Schrader
Ondanks de hierboven gesignaleerde belangstelling is aan het levensverhaal
van de auteur merkwaardigwijs nog maar weinig aandacht besteed. De summiere
biografie die Nuyens en latere auteurs geven is hoofdzakelijk gebaseerd op
bijzonderheden die Vrouw Schrader zelf in haar ‘Memoryboeck’ gegeven heeft.
Een uitvoeriger, hoewel zeker niet uitputtend, genealogisch en algemeen
archiefonderzoek, dat in het kader van deze uitgave werd uitgevoerd, leverde
echter tal van aanvullingen, die de levensloop van Vrouw Schrader
verduidelijken.
Catharina Geertruida (eigenlijk: Gertraut) Schrader werd begin september 1656
te Bentheim als oudste dochter van Friedrich Schrader en Gertrud Nibberich
geboren.26 Haar
grootvader was Johannes Schrader (1585-1664), alias Sartorius, die van 1625
tot zijn dood predikant was in Gildehaus en die gehuwd was met Catharina
Kemener, een dochter van de hofprediker Johann Kemener. Van dit
predikantengezin was Friedrich de derde zoon. Twee van zijn vier broers,
Johannes en Hermann werden predikant; van de twee anderen, Egbert en
Henrich, werd de eerste glazenier. Friedrich zelf koos het beroep dat zijn
grootouders en voorgaande geslachten beoefend hadden, namelijk dat van
kleermaker (vgl. Schnider - Schröder - Schräder - Schrader /
Sartorius).27
Zijn beroep oefende Friedrich Schrader uit aan het hof te Bentheim, waar
Graaf Ernst Wilhelm (1623-1693) sinds 1643 het bewind voerde over het
graafschap. Het centrum van dit gebied, dat geografisch deel uitmaakt van
Nedersaksen en aan de westzijde door de provincies Drente en Overijssel
wordt begrensd, werd gevormd door Bentheim en de | | | | naburige
plaatsjes Gildehaus, Schütterop en (Burg-)Steinfurt. De regering van Graaf
Ernst Wilhelm is in politiek en religius opzicht een allerminst rustige
periode geweest. Behalve dat het graafschap te lijden had van de gevolgen
van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), was het vooral de graaf zelf die
‘zijn land en familie in vele onzalige twisten verwikkeld heeft’.28
Het begon allemaal in 1661 met het onverwachte en late huwelijk van Ernst
Wilhelm met Geertruida van Zelst, waardoor zijn broer het uitzicht op de
erfenis ingrijpend zag wijzigen, met alle verwikkelingen van dien. Nog
gecompliceerder werd de situatie toen Ernst Wilhelm zich in 1668 tot het
rooms-katholicisme bekeerde: de overwegend protestantse bevolking en vooral
de invloedrijke reformatorische kerken van Bentheim werden daardoor met een
volkomen nieuw beleid geconfronteerd; in het gezin van de graaf kwam een
tweespalt die tenslotte, na allerlei scenes, compleet met een ontvoering van
de gravin, tot een scheiding leidde en op politiek niveau was de nieuwe
geloofsovertuiging van de graaf aanleiding tot schermutselingen tussen het
leger van de bisschop van Münster en de Duitse vorsten die zich als
beschermers van de protestantse religie wilden presenteren.29 Daarmee
is tegelijk de achtergrond geschetst van de jeugd van Catharina Schrader.
Hoewel nauwkeurige gegevens ontbreken ligt in het voorafgaande
waarschijnlijk ook de verklaring van het feit, dat eind jaren zeventig het
gezin van Friedrich Schrader is terug te vinden in de sleutelstad van het
zoveel rustiger Holland.
Vrouw Schrader had tenminste vier broers en één zus: Ernst Wilhelm
(1654-1735), Bernhard, Johann Hermann, Friedrich en Margaretha Schrader.
Eerstgenoemde treffen we eind jaren zeventig aan te Leiden, waar hij commies
werd ‘ter thesaurye’. Na het vroege overlijden van zijn eerste vrouw Anna
Berckhout, huwde hij met Margarita Dompselaar, een dochter van een
vermogende Friese familie.30 Bernhard
huwde in 1692 te Leiden met Anna Kerstens. Johann Hermann werd in 1699
toegelaten tot het Statencollege te Leiden om lot predikant te worden
opgeleid. Hei lijkt aannemelijk dat Catharina Geertruida rond 1680 met haar
oudste broer naar Leiden is meegereisd. In ieder geval is zij daar gebleven
tot medio mei 1682, toen haar van de kerkeraad van de plaatselijke Hervormde
Gemeente attestatie werd verleend om terug te keren naar de Gemeente van
Bentheim.31
Op 7 januari van het volgende jaar huwde Vrouw Schrader in de Reformierte
Kirche van haar geboorteplaats met de 29-jarige chirurgijn Ernst Wilhelm
Cramer, ‘gezegd Buller’.32 Beiden moeten elkaar van jongsaf hebben gekend. Ernst
Wilhelm's vader, Wolf Henrich (1611-1667) was een bekend chirurgijn te
Bentheim en was gehuwd met de schoonzuster van Vrouw Schraders tante
Margaretha.33 Bovendien was | | | |

Afb. 1 Het wapen van de familie Cramer (Kramer).
kort tevoren de zuster van Ernst Wilhelm, Margaretha, Elisabeth,
gehuwd met Vrouw Schraders neef, Johann Wilhelm Schrader, die preceptor was
aan het bekende Gymnasium te Lingen. Waarschijnlijk was het voor Ernst
Wilhelm zijn tweede huwelijk. 34 Mogelijk woonde hij toen te Hallum
(Friesland). In de doopboeken van de Hervormde Gemeente aldaar staat op 2
september 1677 de doop vermeld van Anna, dochter van Mr. Willem, chirurgijn
en op 27 maart 1680 laat dezelfde Mr. Willem Cramer er zijn zoon Adolph
dopen. In de jaren 1688-1691 werden bij de registratie van de doop van de
kinderen van Ernst Wilhelm Cramer en Catharina Geertruida dezelfde
aanduidingen (Mr. Willem Cramer’ en ‘Mr. Willem chirurgin’) gebruikt. 35
De eerste jaren is het echtpaar te Bentheim blijven wonen. Daar werden twee
dochters geboren: Geertrud Elisabeth (ged. 10 april/19 mei 1684) en Anna
Elisabeth (ged. 26 oktober 1685). Omstreeks 1686 verhuisde het gezin naar
Hallum, waar Vrouw Schraders man dus mogelijk al eerder had gepraktizeerd.
Zijzelf had in Friesland ook relaties, zoals haar neef Arnold Harman
Schrader, die zich twee jaar eerder in Ternaard had gevestigd en in funktie
was als ‘practisijn’ bij het Gerecht van West-dongeradeel, en een zekere
Henricus Dompselaar uit IJlst, een oom van haar eerdergenoemde
schoonzuster.36
In Hallum kreeg het echtpaar Cramer nog vier kinderen: Jan Frederik (ged. 13
mei 1687), Hendrick (ged. 30 september 1688), Anna Magdalena (ged. 1
september 1689) en een niet met name genoemde dochter (ged. 13 september
1691). Kort na de geboorte van dit laatste kind overleed op 4 februari 1692
Vrouw Schraders echtgenoot, ‘mijn brave, gelerde en hog geachte en van Godt
en de menssen beminde man’,37 en bleef zij als weduwe met zes
kleine kinderen achter. Moeilijke jaren volgden. In januari 1693, juist een
jaar na het overlijden van haar man, begon Vrouw Schrader naast de
chirurgijnswinkel een vroedvrouwenpraktijk, zoals in een volgende paragraaf
uitvoeriger zal worden belicht. Bijna drie jaar | | | | later, in de
laatste week van december 1695 (zie 40 en 41), verruilde zij het platteland voor de stad en verhuisde Vrouw
Schrader naar Dokkum,38 waar haar kinderen
in de gelegenheid zouden zijn om onderwijs te volgen op een Latijnse School.
Een nauwkeurig onderzoek in de belasting-cohieren van Dokkum, verricht door
Van Kammen, heeft uitgewezen dat Vrouw Schrader te Dokkum op de Hogepol
woonde, dicht bij de Hanspoort.39
Aanleiding tot dit onderzoek was de mededeling van één van Vrouw Schraders
latere familieleden, dat zij ‘waarschijnlijk in den laatsten tijd in het
voormalige Admiraliteitshuis woonde, belast met het opzigt over het
zindelijk onderhoud van dat gebouw, waarin toen de drie Latijnsche scholen
en de twee Nederduitsche stadsscholen gevestigd waren’.40 Afgezien van Van
Kammen's verkeerde interpretatie, als werd hier beweerd dat Vrouw Schrader
‘schoonmaakster’ zou zijn geweest, berust deze mededeling op een
verwisseling van moeder en dochter. Vrouw Schraders dochter Geertruida
Elisabeth fungeerde in later jaren namelijk inderdaad als clavigera van de
Latijnse School te Dokkum.41
Deze Geertruida Elisabeth is waarschijnlijk de indirekte oorzaak geweest voor
een belangrijke verandering in het leven van haar moeder. Het huwelijksboek
van de Hervormde Gemeente te Dokkum vermeldt op 26 maart 1713 het huwelijk
van Geertruida Elisabeth Cramer met Tjeerd Higt (1690-1761?), die als jonge
wees was opgevoed bij zijn oom, de gouden zilversmid Thomas Higt
(1649-1721), van wie hij het ambacht leerde.42 Hoewel thans de edelsmeedkunst
van Thomas Higt niet meer hoog wordt aangeslagen (gesproken wordt van ‘an
average provincial master’, wiens ‘engraving is poor’43), speelde hij op bestuurlijk niveau
in de Dokkumse gemeenschap een leidende rol, en fungeerde hij jarenlang als
één der burgemeesters. De vrijage van zijn pleegzoon Tjeerd bleef voor de
ongehuwde Thomas niet zonder gevolgen. Op 22 februari 1713, een maand vóór
het huwelijk van hun (pleeg-)kinderen, traden Thomas Higt en Catharina
Geertruida Schrader in het huwelijk.44
Voor Vrouw Schrader volgden nu acht rustige huwelijksjaren. Haar
vroedvrouwenpraktijk bleef in de periode tot enkele bevallingen beperkt.
Gelet op de maatschappelijke positie van haar man zal het gezin een
redelijke welstand hebben genoten, zoals ook blijkt uit de financiële
aantekeningen in het ‘Memoryboeck’. Uit de toevoeging ‘ons oude meyt’ achter
de naam van Marrtie Clas (2405) valt op te maken dat het
echtpaar Higt dienstpersoneel heeft gehad.
Over de levensloop van haar kinderen vernemen we in deze jaren weinig. Jan
Frederik Cramer wordt nog in 1707 gesignaleerd als medisch student aan de
Universiteit van Groningen, maar raakt nadien uit het oog. Ook van Hendrick
Cramer, Vrouw Schraders dochter Anna Elisabeth en de naamloze jongste
dochter is geen spoor te vinden; aannemelijk is | | | | dat deze
kinderen jong gestorven zijn. De regeling van de erfenis bevestigt in ieder
geval dat in 1746 alleen nog twee dochters in leven waren.45
Beide dochters moeten voor de bejaarde Vrouw Schrader veel betekend hebben,
zeker in de tijd nadat zij door de dood van Thomas Higt in 1721 opnieuw
weduwe was geworden. In 1718 heeft zij het genoegen bij de geboorte van haar
eerste kleinkind te mogen assisteren. In het gezin van Tjeerd Higt en
Geertruida Elisabeth Cramer zouden daarna nog vijf kinderen worden geboren,
waarbij in alle gevallen grootmoeder Schrader als vroedvrouw is opgetreden
(zie 2071, 2130, 2195, 2400). Vier van de zes kinderen
overleden jong. Van de twee overgebleven kinderen heeft Ernst Willem Higt
(1723-1762) nationale bekenheid gekregen.46 Aanvankelijk
zou hij het chirurgijnsvak ingaan, maar mede door de relaties van zijn
moeder met de Latijnse School wist deze zich meer intellectueel te
ontplooien, begaf zich naar de Hogeschool te Franeker en vervolgens naar
Leiden, waarna hij besloot om zich geheel te wijden aan de fraaie letteren.
In 1749 werd hij benoemd tot rector van de Latijnse School te Alkmaar. Vanaf
1741 verschenen van zijn hand tientallen Latijnse en Nederlandse poëtische
werken die hem een grote reputatie bezorgden. Zou Vrouw Schrader niet met
belangstelling en voldoening de carrière van haar kleinzoon hebben gevolgd?
Vrouw Schraders tweede dochter, Anna Magdalena Cramer, huwde op 16 juni 1720
met haar neef Johannes Henricus Schrader (1701-1787).47 Deze was
te Leiden tot predikant opgeleid, waarna hij in 1719 beroepen werd in de
Friese gehuchten Morra en Lioessens. Een jaar later werd hij predikant in
Ternaard. De visites bij zijn tante te Dokkum zullen het begin van de
relatie met Anna Magdalena hebben gevormd. Zesmaal heeft Vrouw Schrader in
het gezin van de Ternaardse predikant verloskundige bijstand verleend:
éénmaal bij de geboorte van een kleindochter, die naar haar werd vernoemd
(2115), en vijfmaal bij de geboorte van een kleinzoon
(zie o.a. 2185). Vier van hen heeft Vrouw Schrader kunnen
zien opgroeien tot aanzienlijke burgers. Ernst Willem (1723-1784) werd in
1743 predikant te Marssum, Bernardus vestigde zich als lakenkoopman te
Leeuwarden en Lodewick Schrader (1731-1794) (zie 2510)
werd predikant.48 De oudste zoon, Johannes Schrader (1721-1783),
volgde de Latijnse School te Leeuwarden, waarheen zijn vader in 1731
beroepen was en studeerde vervolgens te Franeker met zoveel succes, dat hem
door de Friese regering een alumniaat werd aangeboden. Na nog twee jaren te
Leiden te hebben gestudeerd werd hij in 1744 benoemd tot prelector in de
geschiedenis en welsprekendheid aan de Hogeschool te Franeker.49 In die funktie was hij de leraar van zijn neef Ernst
Willem, die hiervoor is vermeld. In september 1746 huwde hij met zijn
oud-tante, de zeer bemiddelde weduwe Alida Beata Schrader (1694-1771), een
dochter van Ernst Willem, Vrouw Schraders broer te Leiden.50
| | | |
Heeft de hoogbejaarde grootmoeder van de bruidegom en tante van de bruid de
grootse bruiloft te Franeker meegevierd? Of liet haar gezondheid een
dergelijke reis niet meer toe? Over ziekten of ouderdomsgebreken horen we
haar in het ‘Memoryboeck’ zelden. Alleen in februari 1733 schrijft zij ‘seer
syck’ te zijn, ‘an een syckte dar schir alle mennsen an waren’. Desondanks
laat zij zich toch door degene die haar hulp inroept overhalen om te komen
en is zij bijna drie uur doende met de bevalling. Haar ongetwijfeld veel
jongere collega, die met dezelfde kwaal was behept, liet het volledig
afweten! (2711). Ook in 1727 is Vrouw Schrader kennelijk
ernstig ziek geweest, want in het gebed van nieuwjaar 1728 memoreert zij ‘an
de portten des doodes’ genaderd te zijn geweest, maar nu weer redelijk
hersteld te zijn.
Zeker is dat Vrouw Schrader tot op hoge leeftijd werkzaam gebleven is.
Wanneer zij op 7 februari 1745 voor de laatste maal een bevalling noteert is
zij 88 jaar oud. De notering ‘kostgeld 80-0’ die men van 1732 af regelmatig
in het ‘Memoryboeck’ aantreft doet vermoeden dat Vrouw Schrader gedurende
haar laatste levensjaren is verzorgd, mogelijk door haar dochter Geertruida
Elisabeth. Op 30 oktober 1746 is Catharina Schrader op 90-jarige leeftijd te
Dokkum overleden. Hoewel de begrafenis zo goed als zeker in de Hervormde
Kerk van Dokkum heeft plaatsgevonden, is een grafsteen niet teruggevonden.
Wel bevinden zich in deze kerk de grafstenen van Tjeerd Higt en zijn vrouw.
Indien Tjeerd Higt bij zijn familie begraven is, zou hier ook het graf van
Vrouw Schrader te vinden moeten zijn, er althans van uitgaande dat Vrouw
Schrader in het graf van haar tweede man is bijgezet.51
| |
3. Het handschrift en zijn bewerking
Het ‘Memoryboeck van de Vrouwens’ dat van 9 januari 1693 tot en met 7
februari 1745 door Vrouw Schrader is bijgehouden, is een op oud-Hollands
ongelinieerd papier met zwarte inkt geschreven handschrift van in totaal 544
folio's, recto en verso gepagineerd. Deze paginering is later aangebracht,
zoals onder meer blijkt uit de paginering van fol. 434 en 435, waartussen
oorspronkelijk meerdere pagina's hebben gezeten (april 1734- 14 juni 1735)
die Vrouw Schrader zelf nog heeft geraadpleegd (zie appendix 1, nrs. 2815-2821), maar die later verloren zijn gegaan. Daarbij
zijn de folio's 433 en 434 ernstig beschadigd geraakt. Verder is alleen het
blad met de folionummers 165-166 gedeeltelijk beschadigd en zijn er op
verschillende plaatsen sporen van uitgesneden pagina's te zien.
Ook de goedkope half perkamenten band waarin het geheel is gebonden, is later
aangebracht. Oorspronkelijk bestond het handschrift uit een negental cahiers
(‘mijn schriefboeck’).52 Eén
daarvan gaf zij het opschrift ‘Memory Boeck van de Vrouwens’, dat voor deze
uitgave tot titel is gekozen; een ander begon zij onder de titel ‘Memory
boeck van de | | | | Kinders (die) geboren worden’. De schriften hebben
verschillende formaten; het grootste meet 160 × 207 mm, het kleinste 153 ×
191 mm.
Bij de paginering zijn verschillende fouten gemaakt: fol. 13-19 is
gepagineerd als fol. 19-13, er zijn twee folio's 230 en 231 en in plaats van
439 noteert de bewerker 493, waarna hij doortelt van 493 tot en met 544, om
dan de ‘memoires’ van Vrouw Schrader (zie appendix 1) te pagineren van 437
tot en met 488, zodat er twee folio's 437 en 438 zijn ontstaan en de nummers
489-492 ongebruikt zijn gebleven.
Van de 544 pagina's die het huidige handschrift derhalve telt zijn er 35
blanco.53 De overige bladen zijn meestal volledig
beschreven, zonder marges, in een gelijkmatig schrift dat duidelijk leesbaar
is en weinig transcriptieproblemen oplevert. Laatstgenoemde problemen bleven
beperkt tot het onderscheiden van ‘ck’ en ‘ek’ (bijv. Haek/hack) en de ‘h’
en ‘k’ (bijv. nr. 771 Sachien of Sackien). Moeilijker was
het aanbrengen van de interpunktie, die bij Vrouw Schrader bijna geheel
ontbreekt. Spaties of het gebruik van kapitalen in het handschrift bieden
geen houvast. Bij de bewerking werd de overtuiging steeds sterker dat de
auteur haar notities in korte zinnen, soms met een enkel woord (‘hastig’,
‘lof’, etc.) opschreef. De ontcijfering van geldbedragen is echter niet
altijd gelukt; deze getallen staan op de rechtsliggende pagina's zodanig aan
de kant geschreven, dat door slijtage van de marges de laatste cijfers vaak
onleesbaar zijn geworden. Voor het overige is de bewerking zoveel mogelijk
uitgevoerd volgens de richtlijnen van het Nederlands Historisch
Genootschap54, dat wil zeggen: waar nodig is de
i als j (behalve bij verkleinwoorden van eigennamen), de ij als y en de y
als ij (afgaande op een i- of ij- klank) getranscribeerd en zijn afgebroken
woorden of onvolledige zinnen aangevuld in modern Nederlands, waarbij van
vierkante haken is gebruik gemaakt. Niet in alle gevallen was dit laatste
even gemakkelijk. Zo laten bijvoorbeeld het slot van 547,
873 en 1732 verschillende interpunkties en/of
emendaties toe. Onmiskenbare verschrijvingen (bv. urhren i.p.v. uhren en
joge i.p.v. jonge) zijn stilzwijgend gecorrigeerd, woorden die bij
vergissing zijn herhaald, zijn meestal zonder meer weggelaten en
doorhalingen zijn niet als zodanig aangegeven. Wat het al of niet
aaneenschrijven van woorden betreft is besloten om hierin het handschrift
zoveel mogelijk te volgen. Het moeilijk vast te stellen verschil tussen
achternamen en beroepsaanduidingen maakt dat deze woorden in de tekst zowel
met als zonder hoofdletter voorkomen.
In de spelling herkent men de duitse herkomst van Vrouw Schrader duidelijk.
De sch-klank (bijv. ‘blickschlager’, ‘schluss’, ‘beschlapen’) de oe-klank
die wordt weergegeven door een u (bijv. ‘uhr’, ‘dudt’), de weergave van de
eu-klank door een o met umlautteken (bijv. ‘vrögde’, ‘periculös’, ‘Töntie’),
en het gebruik van een woord als ‘will’ (= weil, | | | |

Afb. 2 Pagina uit het ‘Memoryboeck’ als voorbeeld van Vrouw
Schraders wijze van noteren.
| | | |
2653) zijn daarvan enkele voorbeelden. Invloeden van het
Fries en Nederlands maken de tekst van het ‘Memoryboeck’ tot
onderzoeksproject voor filologen; aan dit aspekt is hier verder geen
aandacht besteed.
De bewerking die is uitgevoerd betreft ten eerste de verandering in de
volgorde van de casus. In deze uitgave is gekozen voor een chronologische
weergave, gerangschikt op de datum waarmee het lemma begint. Meestal is dat
de datum waarop Vrouw Schrader bij haar patient werd gehaald (vgl. 2177). Vooral voor de eerste 23 folio's van het
handschrift betekende dat een ingrijpende wijziging. De niet-chronologische
ordening in het origineel komt hoofdzakelijk doordat de schrijfster soms een
pagina blanco liet, die zij later alsnog met aantekeningen heeft gevuld.
Bovendien maakte zij vaak haar notities eerst nadat de bevalling geheel was
gepasseerd, hetgeen vooral bij langerdurende bevallingen consequenties had
voor de opbouw van het manuscript. Zo staat bijvoorbeeld casus 388 (dd. 6 mei 1969) in het handschrift ná 391
(ná dd. 13 mei 1699). De chronologische volgorde bood het belangrijke
voordeel dat gevallen die dubbel staan genoteerd gemakkelijker werden
herkend. Dergelijke verdubbelingen zijn soms ontstaan door het bij
vergissing inschrijven van bevallingen die reeds genoteerd stonden, en die
dan ook later door Vrouw Schrader weer werden doorgehaald (bijv. 2415, ‘overtoleg’); soms wilde de schrijfster de volgorde
in haar ‘Memoryboeck’ kennelijk corrigeren en schreef zij opzettelijk een
gedeelte over (bijv. fol. 286 met de nrs. 2182A en 2183A, die vervolgens ná het gebed, waarmee het nieuwe
jaar moest beginnen, worden herhaald: 2182B en 2183B). Dergelijke verdubbelingen zijn in deze uitgave te
herkennen aan de A en B nummers.55
Gelet op het belang dat bij de bewerking aan de dateringen is gehecht, zijn
een tweetal bijzonderheden nader onderzocht. De eerste bijzonderheid betreft
de invoering van de gregoriaanse tijdrekening, meestal aangeduid als ‘de
nieuwe stijl’. Deze is in de provincies van de Republiek der Nederlanden op
verschillende data ingevoerd; in Friesland en Groningen was dat officieel
bij de jaarwisseling 1700/1701.56 Op 31 december 1700 volgde
derhalve 11 januari 1701. In het ‘Memoryboeck’ brengt Vrouw Schrader de
lezer op een dwaalspoor door in mei 1741 de datering als volgt te wijzigen:
nr. 3002 dateert zij met ‘1741 den 8 niwen (stijl) mey
sondagen nacht’, dan wordt er horizontaal een dubbele streep over het blad
getrokken en noteert zij nr. 3003 als ‘1741 den 30 mey
niwe stijl’. Uit herberekening van de relatie tussen de vermelde weekdagen
en de dateringen blijkt echter dat in het ‘Memoryboeck’ de nieuwe stijl
conform de provinciale wijziging, dat wil zeggen, gedurende het jaar 1700 is
ingevoerd. De betekenis van de aantekening van mei 1741 is dan ook
onduidelijk.
| | | |
Herberekening van alle dateringen van de in deze uitgave opgenomen gevallen
waarbij ook de dag wordt vemeld, leverde voor de periode ná 1701 in 35
gevallen een verschil van één dag, hetgeen te maken kan hebben met het
naderhand noteren van de gepasseerde bevallingen. Opvallend is het dat in 10
van deze gevallen het een weekend betreft (zaterdag/zondag, zondag/maandag).
Twaalf keer geeft Vrouw Schrader zelf aan dat de bevalling 's nachts
plaatsvond, zodat zij twee opeenvolgende dagen noteert. Geval 2565 geeft twee dagen verschil (woensdag in plaats van vrijdag);
casus 2840 geeft zaterdag/zondag in plaats van donderdag
en in geval 2917 begint de bevalling kennelijk op zaterdag
(12 januari 1737) en wordt het kind op dinsdag geboren (‘tallemde lang’);
casus 2969 vermeldt zaterdagnacht in plaats van dinsdag en
casus 3054 tenslotte vermeldt zondagavond in plaats van
vrijdag. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat biografen en genealogen die
het ‘Memoryboeck’ als bron voor het opsporen van geboortedata willen
gebruiken enige voorzichtigheid in acht zullen moeten nemen bij het
overnemen van de gegevens. Deze conclusie wordt nog gesteund door
vergelijking van de data uit de memoires (appendix 1) met die van de
corresponderende casus uit het ‘Memoryboeck’. Tien maal levert dat een
verschil op (18, 54, 72, 1157, 1211, 1626, 1831, 2075,
2192 en 2653); het merendeel daarvan kan overigens
als een verschrijving worden opgevat.
Terloops moge hier wat de dateringen betreft nog gewezen worden op de
vermelding van rooms-katholieke feest- en heiligendagen, hetgeen
verwondering zou kunnen wekken, gelet op de levensovertuiging van Vrouw
Schrader. Het gebruik van aanduidingen als Driekoningen, Vastenavond,
Lichtmis, Sacramentsdag en Allerheiligen weerspiegelt echter het volksleven
van de 17e en 18e eeuw, waarin, alle donderpreken van
orthodox-calvinistische predikanten ten spijt, de viering van deze dagen
gehandhaafd bleef.57 De notering van
heiligendagen kan meestal in verband worden gebracht met de jaarfeesten van
de gilden, die gewoonlijk op de dag van hun beschermheilige werden gevierd.
Zo noemt Vrouw Schrader Sint Matthias (nr. 1935: 24
februari), de beschermheilige van de metselaars en timmerlieden, Sint Jacob
(nr. 2667: 25 juli) die door de pelgrims als
beschermheilige werd beschouwd, Sint Bartholomeus (nr. 2674: 24 augustus), die Vrouw Schrader van huis uit zal gekend hebben
als de schutspatroon van onder meer de kleermakers en Sint Eloy (nr. 2505: 1 december), de schutspatroon van het gilde der
zilversmeden, waarvan haar man en schoonzoon lid waren en waar zij
ongetwijfeld op het jaarlijks gildemaal dat op die dag gehouden werd,
vertegenwoordigd is geweest. Verder ontbreekt Sint Nicolaas (nr. 3017: 6 december) niet.
Na codering van alle dubbel vermelde casus bleek het ‘Memoryboeck’ in totaal
3060 bevallingen te tellen. Daarvan zijn bij de bewerking voor | | | |
deze uitgave 894 (29%) casus geselecteerd. Niet opgenomen zijn al die
gevallen waarin Vrouw Schrader haar notities beperkte tot de vermelding van
de datum (en dag), de naam van één of van beide ouders, het beroep van de
vader, het adres of de woonplaats, het geslacht van het kind en het
ontvangen honoraruim. In een groot aantal gevallen ontbreken zelfs één of
meer van deze bijzonderheden. Ook de toevoegingen ‘hastig’, ‘heel hastig’,
of korte lofprijzingen op Gods hulp gaven geen aanleiding om de betreffende
casus onder de hier geselecteerde bevallingen op te nemen. Voor het overige
zijn consequent alle toevoegingen als vermeldenswaard beschouwd.
Een afzonderlijk geheel vormen de mémoires, die in deze uitgave in appendix 1
zijn opgenomen. Deze aantekeningen begon Vrouw Schrader in 1739 of 1740 om
tweeërlei redenen: ten eerste om haar geheugen ‘nog ens op te wecken om Godt
allemagtig vor sijn groete wonderwercken an mij bewesen te verherlicken en
groet te macken’ en ten tweede in de hoop dat haar nakomelingen erdoor
zouden worden opgewekt en ‘dardor nog gelerrt worden’. Uit haar
aantekeningen selecteerde Vrouw Schrader vervolgens... ‘seltsame
ontmoetinge’, die zij uit haar herinnering wist aan te vullen met allerhande
details. Wie Vrouw Schrader wil zien in al haar kwaliteiten, als mens, als
vroedvrouw en als gelovige, vindt in haar mémoires een unieke gelegenheid.
Voor de 17e en 18e eeuwse literatuur is de verzameling van casuïstiek als
onderwijsmiddel zeer algemeen. De vraag is of Vrouw Schraders mémoires
danwel haar volledige ‘Memoryboeck’ ook als zodanig heeft dienst gedaan. Het
meest waarschijnlijk is dat haar dochter Catharina Geertruida, na de vroege
dood van haar man als vroedvrouw werkzaam is geweest.58 Uit
háár familieking is later het ‘Memoryboeck’ ook tevoorschijn gekomen.
Vermeldenswaard is dat uit diezelfde familiekring ook Folkert Snip
(1733-1771) afkomstig is, die in 1762 werd benoemd het hoogleraar anatomie
en chirurgie aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam en van wie posthuum een
bundel Vroedkundige Aanmerkingen en afbeelding eener
bezwangerde baarmoeder (1793) verscheen.59 Folkerts
vader, Douwe Snip, en Vrouw Schraders man waren beiden zilversmid en
bekleedden beiden het burgemeestersambt. Bij Folkerts geboorte was het Vrouw
Schrader die als vroedvrouw optrad.
Behalve de verloskundige casuïstiek bevat het ‘Memoryboeck’ ook
anderssoortige mededelingen. Aan het einde van ieder jaar maakte Vrouw
Schrader de balans op, noteerde zij de totalen van ontvangsten en uitgaven
(zie ook hierna) en vaak ook van het totaal aantal bevallingen. Verder maakt
zij het tot een gewoonte om het nieuwe jaar in haar ‘Memoryboeck’ door een
gebed te markeren. In 1697 en 1698 begint het | | | | met een kort
gebed; daarna in de jaren 1701-1712, 1723, 1726-1737, 1740 en 1743 nemen de
gebeden soms een volledige pagina in beslag. In deze uitgave zijn alle
jaaroverzichten en gebeden overgenomen, met uitzondering van de opsomming
van Vrouw Schraders crediteuren.
Naast het ‘Memoryboeck’ heeft Vrouw Schrader zeer waarschijnlijk een tweede
administratie gevoerd, namelijk die van haar chirurgische of gynecologische
praktijk. Deze praktijk beëindigde zij in 1712, zodat toen ook de
desbetreffende boeken werden afgesloten. Voor incidentele gevallen van
gynecologische hulp die zich na 1721 hebben voorgedaan legde Vrouw Schrader
geen afzonderlijke administratie aan maar gebruikte zij het ‘Memoryboeck’.
In deze uitgave zijn de bedoelde aantekeningen opgenomen in appendix 2.
| |
4. Geld en geldzaken in het ‘Memoryboeck’
Met behulp van haar ‘Memoryboeck’ heeft Vrouw Schrader ook de financiële
administratie van haar verloskundige praktijk gevoerd. Achter alle
bevallingen noteerde zij het verlangde of verkregen honorarium, terwijl aan
het einde van ieder jaar de balans door haar wordt opgemaakt. Wat het
honorarium betreft kan erop worden gewezen dat Vrouw Schrader een enkele
maal niet alleen door de patient wordt betaald, maar zij ook een toegift
krijgt van bijvoorbeeld de grootvader (2064 en 2182; 3041) of grootmoeder (2978) van het kind. Daar staan vele gevallen tegenover waarin géén
honorarium werd ontvangen (vgl. 2497: ‘Nul’). Bij anderen
werd zij geheel of gedeeltelijk in natura betaald, zoals bij de schoenmaker
Koert Zirkes die haar een paar muilen meegaf en de koopman Jan Lambers die
aan zijn waardering uitdrukking gaf door een pot garnalen te geven. Wat de
balans betreft moet geattendeerd worden op het gebed van 1723 en 1726,
waaruit valt af te leiden dat in de jaren 1721-1725 het boekjaar van Vrouw
Schrader van mei tot mei heeft gelopen; met ingang van 1726 laat zij het
boekjaar weer samenvallen met het kalenderjaar.
De bedragen worden genoteerd in resp. guldens, stuivers en soms ook penningen
(b.v. 2-10: twee gulden en tien stuivers), waarbij één gulden 20 stuivers
telt en één stuiver 8 duiten of 12 penningen. Verwarrend is dat, evenals bij
de jaartallen (b.v. 17001), de honderdtallen soms worden uitgeschreven,
zodat met 200-63 niet 200 gulden, 63 stuivers wordt bedoeld maar 263 gulden.
Bij enkele patienten ontving Vrouw Schrader een (gouden) dukaat (= vijf
gulden).
Bij de bewerking van het handschrift zijn niet álle financiële notities
overgenomen. Zo staan er bijvoorbeeld onder de datum 28 april 1728 (fol.
320) enkele bedragen die betrekking hebben op de levering van vlees (‘een
kallverboncke’, ‘schaapenvlees’, ‘frickedil’) aan één van haar patienten. In
de marge staan soms de namen van patienten genoemd die
| | | |
Tabel 1. Inkomsten, afgerond op hele guldens, van Vrouw Schrader 1696-1711
|
Bevallingen |
‘Barbirsgelt’ |
Diversen |
Totaal |
| 1696 |
197 |
20 |
- |
217 |
| 1697 |
104 |
68 |
49 |
321 |
| 1698 |
311 |
104 |
38 |
453 |
| 1699 |
225 |
106 |
30 |
361 |
| 1700 |
291 |
70 |
31 |
392 |
| 1701 |
278 |
60 |
21 |
359 |
| 1702 |
257 |
78 |
21 |
356 |
| 1703 |
231 |
82 |
16 |
329 |
| 1704 |
261 |
160 |
16 |
437 |
| 1705 |
164 |
112 |
16 |
292 |
| 1706 |
300 |
93 |
16 |
409 |
| 1707 |
214 |
67 |
16 |
297 |
| 1708 |
278 |
(97) |
16 |
391 |
| 1709 |
239 |
103 |
16 |
358 |
| 1710 |
267 |
132 |
16 |
415 |
| 1711 |
342 |
(82?) |
(16) |
440 |
nog niet hebben betaald; in 1709 vormt een dergelijke lijst van crediteuren
een volle pagina!
Uit deze aantekeningen blijkt dat Vrouw Schrader over verschillende bronnen
van inkomsten beschikte. Naast de revenuen van de verloskundige praktijk
waren er de inkomsten uit de gynecologische of chirurgische praktijk (zie
hierna en appendix 2), de winst op de verkoop van medicamenten (aangeduid
met ‘kopen’) en de rente van obligaties en van verleend crediet, de
opbrengst van huisbezit, etc. In tabel 1 zijn deze bedragen, afgerond op
hele guldens, weergegeven voor de periode 1696-1711. Vergelijkt men de
totalen van deze tabel met de totalen die Vrouw Schrader zelf geeft over de
periode 1694-1711 (ƒ4300,- aan bevallingen en ƒ1000,- aan ‘meesteren’), dan
blijkt hetzelfde als bij de totalen die zij in 1740 (zie appendix 1) geeft
voor het totaal aantal bevallingen en de meerlingzwangerschappen, namelijk
dat het om zeer ruwe schattingen gaat.
Voor de jaren 1721-1745 zijn minder gedetailleerde cijfers beschikbaar. Mogen
we haar eigen berekeningen geloven, dan zou Vrouw Schrader in de jaren
1712-1733 ƒ4200,- aan honorarium voor verloskundige hulp en slechts ƒ100,-
voor ‘dockteren en meesteren’ (zie na 2509) hebben
ontvangen. Zoveel is echter wel duidelijk dat Vrouw Schrader na het
overlijden van haar tweede man in goede doen is geweest. De aankoop van een
huis uit het bezit van Ds. Theodorus van Thuynen (1679-1742) illustreert dat
enigszins;60 Van Kammen telde in totaal een vijftal huizen op naam van
Vrouw Schrader! Een meer uitvoerig onderzoek in de Dokkumse
belastingkohieren, gerechtelijke bronnen en notariële bescheiden zou dit
facet van de biografie van Vrouw Schrader ongetwijfeld | | | | meer
reliëf kunnen geven. Hetzelfde geldt voor de uitgaven die Vrouw Schrader
heeft gedaan. In het ‘Memoryboeck’ worden nauwelijks uitgave-posten genoemd.
Behalve het reeds genoemde kostgeld van ƒ80,- per jaar, vindt men er een
aantal belastingvormen in terug, zoals het schoorsteengeld en hoofdgeld.
Afweging van inkomsten en uitgaven kan eerst mogelijk zijn nadat een
algemeen economisch-historisch kader beschikbaar is. Tot dan blijven
opmerkingen, zoals die van Geyl,61 over Vrouw Schraders inkomen maar slagen
in de lucht.
In het ‘Memoryboeck’ komt men geldstukken ook tegen als oppervlaktemaat, in
dit geval ter aanduiding van de ontsluiting. Genoemd worden het
bezemstuivertje (ø 1,5 cm; zie 2240), de Friese oord (ø
2,5 cm; zie 2429), de halve (snaphaan-)schelling (ø 3 cm;
zie 2240), de goudgulden of florijn (Friese florijn ø 3,5
cm; zie 1672) en de dukaton of zilveren rijder (ø 4 cm;
zie 2686).62
Grafiek 1: Aantal bevallingen per jaar waarbij Vrouw Schrader
assisteert. De gestippelde lijn geeft het aantal geselecteerde gevallen
dat in deze uitgave is opgenomen.
| |
| | | |
5. De omvang en geografische spreiding van Vrouw Schraders
praktijk
Het aantal bevallingen dat Vrouw Schrader jaarlijks begeleidde is in grafiek
1 weergegeven voor de periode 1693-1745. In deze grafiek zijn de vier
periodes die in het leven van Vrouw Schrader zijn te onderscheiden,
gemakkelijk te herkennen: (a) de Hallumse periode 1693-1695, (b) de jaren te
Dokkum als weduwe 1696-1712, (c) de jaren van haar tweede huwelijk 1713-1721
en (d) de tweede Dokkumse periode als weduwe 1722-1745.
Het totaal aantal bevallingen in de eerste periode bedraagt 40. Daarvan
hebben er slechts acht in Hallum zelf plaatsgevonden (Zie voor de topografie
afb. 3). In Ferwerderadeel bleef haar praktijk beperkt tot het iets ten
noorden van Hallum gelegen Marrum (‘Merrum’) (10 ×). Het meest vinden we
Vrouw Schrader in de ten oosten van Hallum gelegen grietenij Het Bildt,
namelijk op de Oude en Nieuwe Zijl (13×) en in de omgeving van St.
Annaparochie (1×). In het ten zuiden van Hallum gelegen Leeuwarderadeel
leidt Vrouw Schrader tweemaal een bevalling in De Leye en éénmaal in Stiens.
Het meest zuidelijk is het bezoek aan Wijns (3), terwijl
de barre tocht naar Ameland (De Nes) in oktober 1694 (35)
de noordelijke begrenzing van haar praktijk uitmaakt. Het is dus niet geheel
juist om Vrouw Schrader in de periode 1693-1695 met Hallum te
vereenzelvigen. Het merendeel van haar patienten komt uit kleine plaatsjes
of buurten in de wijde omtrek van Hallum. Door het urenlange reizen en het
verblijf bij de patienten gedurende soms geruime tijd moet Vrouw Schrader
regelmatig voor langere tijd van huis zijn geweest, en dat met achterlating
van zes kinderen, van wie de oudste rond de tien jaar was. Een gegeven dat
overweging verdient bij de verklaring van Vrouw Schraders vertrek naar
Dokkum in de laatste week van 1695.
In Dokkum weet Vrouw Schrader in korte tijd een grote praktijk op te bouwen
met een gemiddelde van 120 bevallingen per jaar in het tijdvak 1698-1712.
Rekening houdend met het aantal meerlingzwangerschappen (totaal in de
periode 40), het aantal bevallingen buiten Dokkum (zie hierna), het feit dat
niet alle bevallingen door een doop worden gevolgd en dat te Dokkum ongeveer
25% niet tot de Nederlandse Hervormde Gemeente behoorde, geeft dit getal bij
vergelijking met het door Faber berekende gemiddelde aantal dopen in de
Nederlands Hervormde Gemeente (1695: 96, 1700: 111, 1705: 104, 1710: 95,
1715: 84 en 1720: 78) een zekere indruk van de plaats die Vrouw Schrader in
de Dokkumse gemeenschap heeft ingenomen.63 In
tabel 2 zijn voor Friesland enkele andere bevolkingscijfers bijeengezet die
relevant kunnen zijn bij een beoordeling van de omvang van Vrouw Schraders
praktijk.64.
Van de 1993 bevallingen uit de tweede periode hebben er ongeveer 225 (ruim
10%) buiten Dokkum plaatsgevonden. Het merendeel daarvan is gelokaliseerd
binnen een straal van vier kilometer rondom Dokkum.
| | | |
Tabel 2. Bevolkingscijfers 1689, 1714 en 1744, ontleend aan Faber, Drie eeuwen Friesland.
| |
Friesland |
Dokkum |
Westdongeradeel |
| Bevolking 1689 |
128.734 |
3.177 |
2.520 |
| Bevolking 1714 |
129.243 |
3.032 |
3.064 |
| Bevolking 1744 |
135.133 |
2.855 |
3.517 |
| Gealimenteerden 1714 |
- |
264 (9%) |
119 (4%) |
| Gealimenteerden 1744 |
- |
376 (13%) |
249 (7%) |
| Gem. aantal personen per huishouden 1744 |
3,67 |
3,42 |
3,88 |
| Vermoedelijk aantal hervormden 1744 |
- |
2167 |
- |
| |
Oostdongeradeel |
Ferwerderadeel |
Dantumadeel |
| Bevolking 1689 |
3.436 |
3.418 |
2.673 |
| Bevolking 1714 |
2.997 |
3.299 |
2.794 |
| Bevolking 1744 |
3.665 |
3.304 |
3.020 |
| Gealimenteerden 1714 |
495 (17%) |
343 (10%) |
166 (6%) |
| Gealimenteerden 1744 |
233 (6%) |
271 (8%) |
222 (7%) |
| Gem. aantal personen per huishouden 1744 |
3,90 |
3,99 |
3,99 |
| Vermoedelijk aantal hervormden 1744 |
- |
- |
- |
Oostrum, Bornwird, Aalsum, Foudgum, Driesum en Damwoude (=Dantumawolde) staan
daarbij aan kop. Verder behoren tot dit gebied ‘de Streek’, Bornhuizen,
Akkerwoude, Betterwird, Hiaure, Hantum, Sijbrandahuis, Wouterswoude, Raard
(‘Raat’ en het daarbij gelegen ‘Sprins’, Murmerwoude (=‘Morra-wauwden’?) en
Sionsberg (= ‘Op de Berg’?). Buiten deze cirkel nemen Rinsumageest en
Ternaard (/ Reitsum) een uitzonderingspositie in. De overige plaatsen vindt
men slechts één, hooguit tweemaal vermeld, namelijk Brantgum in
Westdongeradeel, ‘Weerdeburen over Ey’ (= Ee), Nijkerk, Wetzens en
Metslawier in Oostdongeradeel en Oostwoude, Driesumerterp in Dantumadeel en
Kollumerzijl in Kollumerland. In Ferwerderadeel, waar vóór 1696 het
werkterrein van Vrouw Schrader lag, werd zij in de periode 1696-1712 slechts
éénmaal gesignaleerd, namelijk bij een bevalling te Blija. Aan de zuidzijde
wordt de praktijk van Vrouw Schrader in dit tijdvak begrensd door
Kuyckhoorn, op de grens tussen Dantumadeel en Tjietjerksteradeel. Hoe ze
ertoe kwam ‘om so ver te reysen’ heeft ze later uitvoerig in haar mémoires
verhaald (1975). In bijna alle gevallen ging het bij de
bevallingen in verafgelegen plaatsjes om meer of minder ernstige pathologie
(vgl. 1485). Niet gelokaliseerd zijn de aanduidingen
‘Ossenweide’ (547), in de Krimpe (1383)
en ‘Op de Keeg’ (1812, en later 1919 en
2994). Deze gebieden zullen even buiten de stadsmuren
van Dokkum te vinden zijn geweest.
De derde periode (1713-1721) telt slechts twaalf bevallingen. Vrouw Schrader
zelf beschreef deze periode met de woorden ‘in mijn getrouwden staat hebbe
somtis in noot imant bij gestan’. In drie gevallen ging het daarbij om een
bevalling van haar dochters.
De vierde en laatste periode van Vrouw Schraders praktijk verschilt in
velerlei opzicht van de tweede periode. Ten eerste vertoont de praktijk een
veel minder gelijkmatig verloop dan in de jaren 1696-1712. Gedurende | | | |

Afb. 3 Plattegrond van Oostergo. Uit: Chr. Schotanus, Beschrijvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt
tusschen 't Flie end de Lauwers, 1664 (Heruitgave
Amsterdam: Theatrum Orbis Terrarum en Leeuwarden: De Tille,
1978).
| | | | de eerste drie jaren wordt de praktijk geleidelijk aan hervat.
Dan volgen 22 jaren met een gemiddelde praktijkomvang van 70 bevallingen per
jaar. De scherpe daling tot ver onder dit gemiddelde in de jaren 1728 en
1734-1735 vereisen een nadere toelichting. De daling van 1728 verloopt
synchroon met de door Faber gesignaleerde sterke vermindering van het aantal
dopen in de Nederlands Hervormde Gemeente van Dokkum tot ca. 45% ten
opzichte van het gemiddelde in deze periode. Hetzelfde percentage volgt uit
de cijfers van Vrouw Schraders praktijk. Een verklaring is moeilijk te
geven.65 De daling in de jaren 1734-1735 is het gevolg van de eerder
gesignaleerde lacune in het manuscript. Om die reden zijn de cijfers voor
deze twee jaren geëxtrapoleerd.
Een tweede verschilpunt tussen de genoemde periodes betreft de verhouding
tussen het aantal ‘gewone’ en ‘bijzondere’ bevallingen. Uit de grafiek valt
gemakkelijk af te lezen dat het accent in de periode 1722-1745 verschoven is
naar de ‘bijzondere’ gevallen. De reden daarvan is tweeërlei. Ten eerste is
Vrouw Schrader in de jaren ná 1721 in het algemeen uitvoeriger in haar
aantekeningen dan in de periode daarvóór. De gedachte dringt zich op dat de
auteur zich meer en meer bewust is geworden van de waarde van haar
‘Memoryboeck’ als rijke bron voor casuïstiek en als leerboek. Het eerder
genoemde initiatief om een nieuwe beschrijving te geven van gevallen die
vroeger veel beknopter door haar waren genoteerd, sluit bij die gedachte aan
(zie appendix 1). De tweede reden heeft Kloosterman (zie hierna) uitvoerig
geillustreerd, namelijk dat Vrouw Schrader door haar grote expertise steeds
vaker bij pathologie geroepen werd.
Een derde verschilpunt betreft de verhouding stadspraktijk en buitenpraktijk.
Van de 1027 bevallingen uit de vierde periode vindt nog maar zo'n 6% buiten
Dokkum plaats. Bij het reizen zal de leeftijd zijn gaan spreken. Bovendien
blijkt bij nadere beschouwing dat de bevallingen die zij elders begeleidt
veelal een bijzondere achtergrond hebben. Van de 13 keer dat Vrouw Schrader
naar Ternaard reist zijn er zeven voor een bevalling van haar eigen dochter;
van de elf keer dat zij naar Aalsum gaat betreft het driemaal de vrouw van
Cornelis de schoolmeester (2465, 2898, 2980) en tweemaal
de vrouw van Ds. Johannes Colombo (2070 en 2137). Vijf maal neemt Vrouw Schrader een bevalling aan te
Rinsumageest: twee daarvan vinden plaats ten huize van ‘Mijnheer en mevrouw
Heert, capitein onder de Prins van Oranyen’ (2064 en 2182). Zij blijft daar drie à vier weken en ontvangt
daarvoor een aanzienlijk honorarium. Twee andere casus staan overigens met
de vriendschap tussen Vrouw Schrader en Capitein Heert in direkt verband
(zie 2100 en 2183).
Vijfmaal onderneemt Vrouw Schrader de verre reis naar Holwerd. In vier
gevallen betreft het daarbij de vrouw van Hessel Douwe Ernst van Aylva
(1700-1771), de grietman van Westdongeradeel.66 Ook bij deze | | | | ‘cliënt’ is Vrouw Schrader lange
tijd intern en ontvangt zij een hoog honorarium. Het feit dat bij de
beschrijving van deze vier bevallingen slechts éénmaal de plaatsnaam Holwerd
wordt vermeld, maakt duidelijk dat deze beschouwing van de topografie in het
‘Memoryboeck’ niet meer dan een oriëntatie kan zijn. Tenslotte moeten de
beide bezoeken aan Oostermeer (in Tjietjerksteradeel) worden genoemd,
waarvoor Vrouw Schrader de langste reizen uit haar praktijk heeft moeten
maken. De eerste keer was in september 1721, de tweede keer in 1723 en in
beide gevallen betrof het de vrouw van de ritmeester Poutsma, die telkens
haar vroedvrouw met een hoog honorarium naar Dokkum heeft laten terugkeren.
Zeker waar het de buitenpraktijk betreft is Vrouw Schrader gedurende de
vierde periode niet alleen veel pathologie aangeboden, maar is haar
clientèle ook duidelijk beperkt tot de elite van Oostergo.
Van 1737 tot 1744, ofwel precies na Vrouw Schraders tachtigste verjaardag, is
er sprake van een opzettelijke inperking van de praktijk. In deze jaren ligt
het gemiddeld aantal bevallingen op 21 per jaar. Van harte ging het niet
meer. Medio 1740 noteert zij de verzuchting ‘of dit nu vor mijn lesste sal
wesen is de Heere bekent. Ik hoop van yaa’. Direkt daarop volgt berustend:
‘het sij soo’.
Het lijkt erop dat Vrouw Schrader in 1744, bij het begin van het nieuwe jaar,
haar praktijk definitief heeft afgesloten. In 1744 maakt zij nog een
uitzondering voor een pruikemakersvrouw en een jaar later, nu werkelijk voor
de allerlaatste maal, voor een gecompliceerde bevalling van de vrouw van Ype
Classen, bij wie zij al eerder de premature geboorte van een tweeling had
geleid (zie 3002).
Overziet men het werkterrein van Vrouw Schrader dan rijst als vanzelf de
vraag van welke vervoersmiddelen zij gebruik heeft gemaakt. In het
‘Memoryboeck’ worden daarover zelden mededelingen gedaan; alleen de ‘sleede’
(3 en 2184) en de arreslee
(‘troog’=trog, 2119) worden genoemd. Ongetwijfeld heeft
zij regelmatig van de trekschuit gebruik gemaakt. Aangezien Vrouw Schrader
bij al haar patienten werd ‘gehaald’, zal dat voor de grotere afstanden
betekend hebben dat zij met de berichtgever(s) mee is teruggereisd (vgl. 2119).
| |
6. Dokkum
In de voorafgaande uiteenzetting over geografische aspekten van Vrouw
Schraders praktijk is opzettelijk voorbijgegaan aan de topografie van
Dokkum. Deze stad neemt zo'n centrale plaats in het ‘Memoryboeck’ in, dat
daaraan een afzonderlijke paragraaf moet worden gewijd.
De oude vestingstad Dokkum was in de 17e en 18e eeuw het verkeersen
handelscentrum voor het noorden van Friesland.67 Als vestingstad herkende men
Dokkum aan de omwalling met de zes bastions (‘dwingers’, vgl. 1609 ‘op De Dry Pijpen’ = Westerbolwerk)) en de buiten- | | | |

Afb. 4. Plattegrond van Dokkum. Uit Chr. Schotanus, Beschrijvinge van de Heerlykheydt van Frieslandt,
1664. Legenda: A. De Groote Kerk en Tooren, B. 't Raedthuys, C.
De Waege, D. 't Oudt Raedthuys, E. Oude Klooster, F. Oude Collegie,
G. Nieuwe Collegie, H. Weeshuys, I. De Zijl, K. Nieuwe Beurs, L.
Lange Pijp, M. Kleyne Pijp, N. Nieuwe Brug, O. De drie Pijpen, P.
Woud Pijp, Q. Aenjumer Pijp, R. Hoffstraets Pijp, S. Aelsumerpoort,
T. Halvemaenspoort, V. Hanspoort, W. Woldtpoort, X. Ketenbrugh, Y.
Nieuwe Zijl, a. Den Dijck, b. Vleeschmerckt, c. Kleyne Hoogstraet,
d. Keppels, e. Harlingersteeg, f. Steenen Dam, 1. Diepswal, 2. Lange
Oosterstraet, 3. Kleyne Breestraat, 4. Dwergstraet, 5. Bagijnesteeg,
6. Gasthuysstraet, 7. Nieuwestraet, 8. Hoogstraet, 9. 't Kerckhoff,
10. Oldersmanssteegh, 11. Koningsstraet, 12. Nauwestraet, 13.
Turfmerckt, 14. De Leege Wech, 15. Westerzingel, 16. Perckessteeg,
17. 't Schoenmakersperck, 18. Hofstraet, 19. Op de Fetze, 20.
Boterstraet, 21. Breestraet, 22. Koornmerckt, 23. Kleyne
Suypermerckt, 24. Oosterzingel, 25. Kleyne Oosterstraet, 26. Den
Dam, 27. Vismerckt, 28. Groote Suypmerckt.
| | | | gracht met zijn ophaalbruggen. De toegang tot de stad
werd mogelijk gemaakt door een viertal poorten, die in het ‘Memoryboeck’ ook
worden genoemd: de Aalsumer-, de Halvemaans-, de Hans- en de Woudpoort (zie
afb. 4). Het water verschafte zich een toegang tot de binnengrachten via de
waterpoorten (vgl. 72b: ‘Drogerspipe’).68 Op de bastions stonden
molens (zie o.a. 2840), terwijl ook elders binnen- en even
buiten de stad hout- en pelmolens waren te vinden (zie o.a. 536, 1833, 2238, en 2840).
De funktie als verkeerscentrum dankte Dokkum, behalve aan zijn toegang tot de
Lauwerszee via het Dokkumerdiep, aan de trekwegen en trekvaarten die
omstreeks het midden van de 17e eeuw waren aangelegd. Herhaaldelijk kreeg
Vrouw Schrader te maken met patientes die naar of via Dokkum reisden en daar
in partu raakten (vgl. o.a. 381). In 1696 werd zij bij een
inwoner van Dokkum geroepen om een boerenvrouw te helpen verlossen, ‘dy dar
van buyten gekomen war om har copmanschap te don’ (60).
Meer dan eens heeft Vrouw Schrader in haar eigen woning onderdak verleend
aan een barende vrouw van elders (o.a. 622).69 Bij een patiente uit Glückstadt
leidt Vrouw Schrader niet alleen de bevalling, maar houdt zij ook het kind
ten doop (618). Verder leest men in het ‘Memoryboeck’ over
patientes in één van de herbergen die Dokkum rijk was, zoals ‘De Drie
Leeuwen’ (2331) en ‘De Hollandse Tuin’ (2672), of in de trekschuiten die te Dokkum arriveerden, zoals ‘'t
Harlinger schip’ (620) en ‘'t Groninger treckschip’ (1664).
Het economisch leven van Dokkum weerspiegelt zich in het ‘Memoryboeck’ het
beste in de vermelding van de tientallen funktionarissen, landarbeiders,
ambachtslieden, handelaren en winkeliers. In de volgende paragraaf zullen de
beroepen uitvoeriger worden genoemd.
De vrije weekmarkt op donderdag, de vismarkt (i.h.b. de garnalen-handel) en
na 1713 de koeien-, varkens- en schapenmarkt bepaalden in belangrijke mate
de bedrijvigheid die men in Dokkum kon waarnemen. Het marktplein en de Waag
vormden van die bedrijvigheid het middelpunt.70 Dat Dokkum zeestad was komt op veel plaatsen in het ‘Memoryboeck’
duidelijk naar voren. Het verklaart de aanwezigheid van Groenland- en
Oost-Indiëvaarders en van grootschippers en haringvissers te Dokkum, en van
een scheepswerf (‘op de Helling’) en een voormalig Admiraliteitshuis. Van
1701-1715 was er een aparte haringrederij, die voor de Dokkumse bevolking
veel betekende en handel bracht ‘zoo aan Bakkers, Brouwers, Smidden,
Scheepstimmerlieden, Zeilmakers, tromslagers, Kuipers en alle handwerkers en
arbeiders, ja zelfs schippers om de haring te vervoeren naar (het) oosten en
weder om ander waren mede te brengen als granen, klaphout, linnen, en wat
iets meer nog zijn’.71
Ook voor het kerkelijk leven en het onderwijs vervulde Dokkum een
centrumfunktie.72 Het kerkelijk gebeuren zal aan Vrouw Schrader niet
ongemerkt voorbij zijn gegaan, al was het alleen al door haar
familierela- | | | | ties met predikanten. Bij de jonge predikanten
van de omliggende dorpen was Vrouw Schrader een regelmatige gast: te Aalsum
bij de reeds genoemde Ds. Colombo (o.a. 2070 en 2135), te Hantum bij Ds. Pibo Brugmans (1697-1767), de
grootvader van de bekende medicus Sebaldus Justinus Brugmans (o.a. 2200, 2293, 2380, en 2598), te
Reitsum-Ternaard bij Ds. Justus Halbertsma, te Damwoude bij de omstreden Ds.
Regnerus Bruining,73 te Foudgum bij Ds.
Ite Alting, te Hiaure bij Ds. Fredericus Krol (o.a. 58 en
241) en te Oostermeer bij Ds. Franciscus
Brantsma.74
In de Dokkumse pastorie is Vrouw Schrader vóór 1706 niet als vroedvrouw
opgetreden, hetgeen begrijpelijk is gelet op de leeftijd van de betrokken
predikanten, die veelal pas op latere leeftijd van het platteland naar de
stad promoveerden. Dat veranderde na de dood van Ds. Taco Sybelius, die in
het ‘Memoryboeck’ terloops wordt genoemd (890; de
daargenoemde Gerrit Tadema was organist, een feit dat de situatie een
komisch effect geeft). In het gezin van zijn opvolger, Ds. Gerardus Elards,
heeft Vrouw Schrader drie bevallingen geleid, waarvan twee met pathologie
(1418 en 1711). Aan de bevallingen
van de vrouw van de geleerde Ds. Van Thuynen, die in 1716 naast Ds. Elards
beroepen werd, kwam Vrouw Schrader niet te pas. Van de overige predikanten
die het ‘Memoryboeck’ vermeldt verdienen Ds. Henricus Schregardus
(1636-1702) en Ds. Pieter Steenwijk (1672-1749) met name te worden genoemd:
de eerste vanwege zijn reputatie als praktizerend medicus,75 en de tweede (‘domene of de
kandidatus Steenwick’) als conrector (‘sibberecktor’) van de Latijnse
School.
Van de niet-gereformeerde gezindten die in het kerkelijke leven van Dokkum
een rol speelden, worden in het ‘Memoryboeck’ alleen de doopsgezinden of
mennisten genoemd, die in Friesland en belangrijke godsdienstige denominatie
vormden.76 Zesmaal verleende Vrouw Schrader
verloskundige hulp in het gezin van Jan Klaasz. de Gorter, ‘menistenpreker
en garentwinder’ (o.a. 2931). In september 1701 is zij bij
de menistenpreker Reitze Douwes. Van sommige patienten vermeldt zij hun
doopsgezinde levensovertuiging (b.v. 2839 en 2876).
Eenzelfde overzicht als van de predikanten zou, ter illustratie van het
maatschappelijk leven in Dokkum, van de schoolmeesters te geven zijn. De
opsomming kan voor deze groep echter beperkt blijven tot de Dokkumse
schoolmeesters. Anders dan bij de predikanten, die op Dokkum als zetel van
de classis sterk geörienteerd waren, hebben de onderwijzers in de omringende
plaatsjes nauwelijks bindingen met Dokkum gehad.
De Latijnse School van Dokkum, die vóór 1721 gevestigd was in het Oude
Raadhuis en nadien in het gebouw van de Admiraliteit, vervulde wél een
belangrijke regionale rol.77 De beide
rectoren die Vrouw Schrader moet hebben gekend, Antonius Lambergen en de
medicinae doctor | | | | Petrus Savois, worden in het ‘Memoryboeck’
niet vermeld, in tegenstelling tot de conrectoren, de eerder genoemde
Steenwijk en een zekere Spandouw (2707). De uit Duitsland
afkomstige jongensmeester Cornelis Bayens kende Vrouw Schrader goed, evenals
de meisjesmeester, tevens koster van de Hervormde Kerk, Andries Dorema. De
schoolmeesters Jan van der Bos (o.a. 163) en ‘Jakob de
kleyne schoolmeyster’, zullen buiten de Latijnse School het onderwijs hebben
gediend.
De Dokkumse samenleving rond 1700 vindt in hel ‘Memoryboeck’ een zeer
bijzondere weerspiegeling in de vele bijnamen, waarmee Vrouw Schrader haar
patientes en hun echtgenoten siert. Egbert klungel, Elske kop-af,
Mag-lekker-beetjes, Gertie scheefhals, smerige Aafke Moy, ‘Ramsnös’ in de
wandeling, Jan-spantie bill, Klaas kluitjeboer, Harm rokjager. Jan
potje-pantje, Afke prater, Klaas professor en Anna met de wratten zijn er
enkele voorbeelden van.
Uit deze bloemlezing zal intussen voldoende duidelijk zijn geworden, dat het
‘Memoryboeck’ niet als bron zal mogen worden gemist wanneer de geschiedenis
van Dokkum nog eens het onderwerp van een uitvoeriger stadsgeschiedenis
wordt.
| |
7. De maatschappelijke positie van Vrouw Schraders
patienten
De gewoonte van Vrouw Schrader om van de gezinnen waar zij verloskundige hulp
verleent het beroep van de man des huizes te vermelden, maakt het
‘Memoryboeck’ tot een rijke sociaal-historische bron, terwijl het de
medisch-historicus de gelegenheid biedt zich een indruk te vormen over de
samenstelling van Vrouw Schraders praktijk. Dat het hier om een indruk gaat
en zeker niet om een beeld waarvan de details volledig zijn afgewerkt, volgt
als vanzelf uit de aard van de gegevens. Ten eerste is niet in alle gevallen
onomstotelijk vast te stellen of het om een beroepsaanduiding of om een
familienaam gaat. Genealogisch onderzoek zou hier uitsluitsel kunnen geven,
maar een dergelijk tijdrovend werk is in het kader van deze heruitgave niet
uitgevoerd. In het vervolg zijn alle aanduidingen die ook als familienaam
kunnen worden gelezen, toch als beroepsaanduiding opgevat. Ten tweede zou
voor een beroepentelling moeten worden gecorrigeerd voor de gezinnen waarin
Vrouw Schrader meer dan eens als vroedvrouw is opgetreden. Een dergelijk
reconstructie bleek met veel meer problemen vergezeld te gaan en veel
tijdrovender te zijn dan gedacht, zodat voor deze inleiding op het
‘Memoryboeck’ met een voorlopige bewerking moest worden volstaan. De
kwantitatieve bewerking die door Van Kammen is uitgevoerd, is onbruikbaar
omdat met laatstgenoemde overweging onvoldoende rekening is gehouden.78
In combinatie met het beroep geven de honoraria die Vrouw Schrader noteert
een goede indruk van de welstandsniveau's die binnen een bepaald beroep
voorkwamen. Op het eerste gezicht lijken de bedragen die | | | | het
‘Memoryboeck’ vermeldt volkomen willekeurig. Rubriceert men echter de
bedragen per gezin dan blijkt dat Vrouw Schrader in vele gevallen een vast
honorarium per gezin ontving. De bakker Sytze Jacobs bijvoorbeeld betaalde
voor de negen bevallingen die Vrouw Schrader begeleidde telkens weer het
kennelijk vaste bedrag van ƒ3-.
Het hoogste honorarium kreeg Vrouw Schrader in 1698 bij de grietman Ernst van
Aylva: 66 gulden. De twee andere bevallingen in dit gezin leverden resp. 50
en 47 gulden op. Op hetzelfde niveau werd Vrouw Schrader betaald door
Ernst's zoon Hessel Douwe Ernst van Aylva, waar zes keer een honorarium van
50 gulden werd gegeven. Voor dit bedrag was Vrouw Schrader in 1735 zes weken
aan huis van de patient; de toevoeging ‘hebe 10 vrouwens versumt’
relativeert de hoogte van het honorarium (zie 2858).
Met uitzondering van de betaling door de garentwijnder Cornelis Jans (1810, ƒ42-) ontving Vrouw Schrader honoraria rond of boven
de 20 gulden verder alleen bij enkele hoge funktionarissen van het Staatse
leger; bij de ritmeester Poutsma en bij de kapitein van de Prins van Oranje,
Pieter Ernst Harinxma (thoe Slooten) en diens opvolger Robert van Heerdt. De
honoraria die de overige beambten betaalden weerspiegelen de hiërarchie bij
het leger en de schutterij duidelijk: de kapitein Van Aytsema betaalde bijna
10 gulden voor een bevalling, de luitenant Post ƒ6- (vgl. 338 met een veel lager bedrag in verband met de aard van het consult)
en zijn collega Buodius (wiens vrouw bij Vrouw Schrader in huis woonde!)
ƒ5-, de konvooimeester Herman Vorritius ƒ4-10 (vgl. 1715)
en bij de (sergeant-)majoor Marrten Aytes tussen de drie en vier gulden. De
hopman Heringa daarentegen was in staat om honoraria van rond de ƒ10 te
voldoen (ƒ9-9/ƒ12-10; als vaandrig betaalde hij ƒ5-11). Soldaten-vrouwen
waren veelal niet in staat om Vrouw Schrader voor haar diensten te betalen;
degenen die wel betaalden gaven bedragen variërend van enkele stuivers tot
ƒ1-16.
Onder de overige beambten die het ‘Memoryboeck’ noemt bevinden zich enkele
notabelen die zich een honorarium van ƒ4- of meer konden veroorloven. De
stadssecretarissen van Dokkum betaalden meestal rond de ƒ4-10; een
uitzondering is secretaris Heinsius die in 1696 bijna twee dukaten gaf. De
stadsbode Gelle Vellinga betaalde zesmaal hetzelfde bedrag van ƒ5-. Bij de
‘schriever’ Bergsma ontving Vrouw Schrader bedragen tussen de ƒ6- en ƒ10-.
De meeste personen die het burgermeestersambt bekleedden noteerde Vrouw
Schrader na de bevalling van hun echtgenotes voor bedragen tussen de ƒ5- en
ƒ6-. Bevallingen ten huize van juridische beambten, zoals de executeur
Egbert Steenstra en de fiscaal Jan Lolkes Suyderbaan (later tevens
stadssecretaris) leverden Vrouw Schrader bijna altijd een dukaat op; de
advocaat Steenwick gaf in 1697 na een zware bevalling van zijn vrouw het
dubbele, terwijl zijn collega Pieter Adema in de vier gevallen dat Vrouw
Schrader zijn echtgenote bij de baring assisteerde ƒ3- à ƒ3-6 neertelde.
| | | |
Bij de medische beroepen staat zoals verwacht de medicinae doctor bovenaan:
Leonardus Went betaalde tussen de ƒ6- en ƒ7-10; Willem Went gaf Vrouw
Schrader ƒ5-12, terwijl Cornelis Eysma per bevalling tussen de ƒ3-2 en ƒ4-
kwijt was. De jonge medicus Tamme Visscher betaalde in 1698 slechts ƒ3-1. De
chirurgijn Johannes Tadema staat driemaal in het ‘Memoryboeck’ voor ƒ4-
genoteerd. Zijn collega Ulbe Bewalde volgt in rangorde met honoraria tussen
de ƒ2-16 en ƒ4-8 en de chirurgijn Frans Berger betaalde driemaal ƒ3-. De
operateur of breuksnijder Westendorp kon zich ƒ3-3 veroorloven. De barbier
Kornelis Sibes staat op hetzelfde niveau met bedragen tussen ƒ3- en ƒ3-3-,
gevolgd door de barbier Jan Lindeman die Vrouw Schrader ƒ2-10 betalen moest.
De farmaceuten nemen een middenpositie in: de apothekers Jan en Hendrik
Rumsadelaar betaalden ieder tussen de ƒ3-3 en ƒ4-; hun collega Penin begon
met ƒ2-10 maar maakte het al snel tot een gewoonte om een dukaat te geven en
de apotheker Fooy betaalde viermaal ƒ3- en éénmaal ƒ2-16. De apotheker
Jellerda spant de kroon met ƒ5-12.
Vergelijkt men deze bedragen met de honoraria die door predikanten worden
betaald, dan wordt het ‘non satis dignitatis’ van het medisch beroep in de
Republiek duidelijk geillustreerd.79 Ds. Colombo betaalde bij de geboorte van zijn
zes kinderen in alle gevallen met ƒ9-, Ds. Brugman met ƒ7- tot ƒ7-10, Ds.
Bruining éénmaal met ƒ6- en vijfmaal met ƒ7- en Ds. Elards met ƒ6-6. De
mennistenpredikant Jan Clasz. staat zes maal voor ƒ3- genoteerd.
In de categorie van de ambachten vallen enkele beroepen op door het hoge
honorarium dat men zich in het algemeen kon veroorloven. De goud- en
zilversmid Pieter Jellerda betaalde zeven keer ƒ6-, éénmaal ƒ5-10 en éénmaal
(voor een miskraam) ƒ3-. Zijn gildebroeder Jan Hollinga betaalde voor de
vijf keren dat Vrouw Schrader zijn echtgenote (de hierna nog als vroedvrouw
te vermelden Feychien Schregardus) verloskundige hulp verleende telkens met
ruim ƒ6-. De zilversmedenfamilie Snip betaalde slechts ƒ3-3, maar hier kan
de eerdergenoemde relatie met de familie Higt een rol hebben gespeeld.
Enkele uitzonderingen daargelaten liggen de honoraria die bij de overige
beroepen en ambachten worden vermeld op ƒ3- of lager. Opvallend zijn
bijvoorbeeld de bedragen die de theekoper en ijzerkramer Clas Smedema (ƒ9-),
de koopman (ook: ontvanger en rentenier) Cornelis Visser (ƒ9-9/ƒ10), de
zeilmaker en ijzerkramer Tecke Hendriks (ƒ6-6), de pompmaker Jan Bock (6
bevallingen, telkens één dukaat), de boekbinder Gerrit Coumans (ƒ5.-), de
wagenmakers Hotze (ƒ5-/ƒ9-) en Johannes Hollkes (ƒ4-/ƒ4-4), de kaaskoper
Hendrik Freriks (ƒ6-), de koopman en tegelbaas Jan Jetses (ƒ4-11/ƒ5-), de
koopman-jeneverstoker/destillateur Heere Bontekoe (ƒ4-/ƒ5-12), de | | | | waagmeester Joost Krans (ƒ4-/ƒ5-), de koopman in bedden én kaas (?!) Jan
Volkers (ƒ5-/ƒ5-10), de lakenkoopman Jan Henderiks (ƒ3-/ƒ6-; ƒ2-10 bij een
dode dochter), de brouwer Pieter van Werven (ƒ5-), de gortmakers Harmen
Ytzes (ƒ4-/ƒ5- en Derck Pieters (ƒ3-3/ƒ5-) en de timmerman Douwe Sijbrans
(ƒ3-/ƒ4-11) zich méér dan eens kunnen veroorloven. Vooral onder de
molenaars, bakkers, brouwers en boeren blijken er verschillenden in goede
doen te zijn geweest. Een voorzichtige interpretatie blijft echter
noodzakelijk. Voor de patientes buiten Dokkum moet rekening worden gehouden
met het feit dat Vrouw Schrader reiskosten in rekening bracht (vgl. appendix
2). Bovendien kunnen bijzondere omstandigheden een rol hebben gespeeld,
zoals bij de bakker Jan Teircks waar Vrouw Schrader 13 bevallingen leidde:
zes bij zijn eerste vrouw en seven ‘sware baringen’ bij zijn tweede vrouw
(zie nrs. 2360, 2469, 2549, 2688, 2856, en 2912).
Om deze inventarisatie niet nog verder te verzwaren met een opsomming van
alle beroepen die in het ‘Memoryboeck’ worden genoemd, moge hier worden
verwezen naar de lijst die Van Tuinen heeft gepubliceerd.80 Slechts enkele beroepsaanduidingen
vragen om een nadere omschrijving, te weten: de ‘sersier’, een soort commies
of douanebeambte; ‘royle but’ (ruilebuiter) of marskramer, ‘temsger’, iemand
die de melk zeeft (vgl. teemse?); de ‘estrickbakker’ of tegelbakker, de
‘roggeverschiter’ of roggemeter; de ‘hospes’ of waard van een herberg; de
‘pustetrapper’ of orgeltrapper, de ‘suglober’ of zeuglubber
(varkens-castreerder) en de ‘hondegiseler’ of hondemepper.
| |
8. Het ‘Memoryboeck’ als spiegel van het dagelijks leven
In het ‘Memoryboeck’ geeft Vrouw Schrader niet alleen de administratieve
gegevens en verloskundige bijzonderheden van de bevallingen die zij heeft
verricht, maar gunt zij de lezer zo nu en dan ook een blik op de sociale
achtergronden, het dagelijks leven rond 1700 en de doorleefde emoties van
haarzelf.
Het begint al bij de derde bevalling waarbij zij wordt geroepen (zie appendix
1), wanneer de zwager van een weduwvrouw moet toezien hoe hem de erfenis
alsnog ontglipt. Nog bijna vijftig jaar later noteert zij met duidelijke
voldoening de goede afloop van deze bevalling: ‘En de vrouw kreeg al haar
goet weer’. In 1704 wordt Vrouw Schrader geroepen bij een vrouw ‘onder het
Raethuys...dy dar in gevluch(t) war en sij in har hus nit komen konde’ (1022). Echtelijke onmin zal hier een rol hebben gespeeld.
Ook een sociaal probleem als het alcoholmisbruik ontbreekt in het
‘Memoryboeck’ niet. De vroeggeboorte van het kind van Antie Sippes schrijft
Vrouw Schrader in 1709 toe aan het overmatig gebruik van ‘brandewin, tee en
stercken dranck’ (1633). Dat in deze opsomming de thee
wordt genoemd attendeert op de 17e en 18e eeuwse opvattingen over | | | | het theegebruik.81 Nog in 1763 komt
men die opvatting tegen in een passage uit de Tegenwoordige
staat of historische beschrijvinge van Friesland van Johann Hermann
Knoop, welke passage om meer redenen waard is om bij de uitgave van Vrouw
Schraders ‘Memoryboeck van de Vrouwens’ (curs. v.L)
volledig te worden geciteerd. Wat de vrouwen betreft, schrijft Knoop, kan
men
‘tot haar Roem zeggen, dat ze hier in Friesland in 't algemeen
welgemaakt van lijf en leden schoon van Aangezigt zijn, meest met heldere
tintelende Oogen in 't Voorhoofd en met blanke of bruine Hairen... en deze
schoonheid der Vrouwen is hier zo algemeen, dat 'er zelfs onder de Boerinnen
veele gevonden worden, die heel bevallig van Wezen of Tronie zijn; en een
gezonde roodbloosende Koleur hebben, waar in ze dikwils veele Borger Dogters
overtreffen, 't welk men toeschrijft om dat ze minder Thee drinken, en daar
en boven door haar bezigheden meer beweging hebbende, gezonder en fleuriger
zijn; als derhalven menig Boerinnetje op zijn Stads gekleed was, zij zoude
een heel schone Juffer vertonen: Edog dewyl de schoonheid en bevalligheid
van een Juffer niet enkel bestaat in het uitterlyke aanzien en in den
opschik van Klederen, maar hier nevens de goede Zeden en Manieren een Juffer
vercieren en bevallig maken, zo blijft een Boerinne zodanige, hoe ze ook
gekleed zijn mag, hoewel 'er in der daad daar onder gevonden worden die van
natuur beleefd genoeg zijn en hunne woorden zeer wel te pas weten voort te
brengen’. ‘Als men iets van de Amoureusheid en Minnaryen der Friesche
Vrouwen zeggen mag, zo is 't, dat ze daar in overeenkomen met alle Eva's
Kinderen, dog moet men tot haar Lof aanmerken, dat ze niet al te driftig,
maar gematigder in het Minnen zijn als wel elders; en ze hebben zedert ouds
den Roem dat ze zeer eerbaar en kuisch zyn, en men zelden hoord dat ze daar
buiten gaan. De Vrouwen baaren meest veele Kinderen, en zijn goede Moeders
die hunne Kinderen wel koesteren en trouw opvoeden, zijnde teffens zeer
zindelijk op de jonge Kinderen...82
Dat kinderen door ouders als ongewenst werden beschouwd zal regelmatig door
Vrouw Schrader zijn gesignaleerd. Uitzonderlijk was echter de situatie
waarin de vader het kind te kort wilde doen (626).
Indirekt attendeert Vrouw Schrader ons hier op het probleem van de
infanticide, dat in de 17e en 18e eeuw van niet geringe betekenis is
geweest. De Amsterdamse keuren tegen ‘het ombrengen van jong-gebore
kinderen’ en het cijfermateriaal dat voor Hamburg verzameld is, spreken op
dit punt duidelijke taal.83
Tegen die achtergrond moet ook het proces worden gezien, waarbij Vrouw
Schrader in 1740 betrokken werd, en dat om meerdere redenen hier wat
uitvoeriger zij vermeld.84 In het
‘Memoryboeck’ vindt men op 25 september 1740 de bevalling genoteerd van
Everdina Snidema, de vrouw van Claas Janssen, die ‘in seven jaar nit gekramt
had’ (2983). Drie weken later, op 18 oktober 1740, wordt
de moeder bij het Hof van Friesland aangeklaagd op beschuldiging ‘dat de
geconfineerde dit haar kleyn en onnosel kindtje van dese morgen in de bak,
sijnde in haar keukentie agter, heeft gesmeeten, in welke bak voorz. kleyn
kindt is verdronken en alsoo weederom doodt daar uitgehaalt’. In de lange
reeks getuigen, onder wie de kraamwaarster Trijntje Sybis een belangrijke
| | | | ooggetuige was, komt een dag na het delict ook Vrouw
Schrader aan het woord, verklarende ‘waar te weesen, dat ik als vroedvrouw
de huisvrouw van Claes Jans driemaal bedient hebbende85, deselve telkenreis seer dwijlhoofdig en selfs krankzinnig heb
bevonden, als zijnde wel naakt ten huise uitgelopen, en hebbende wel meer
andere passen, die men alte samen hier niet kan verhalen, waaruit men wel
konde besluiten dat sij Everdina niet wel met haar hoofdt moet geweest
sijn...’. Een maand later zit de 85-jarige vroedvrouw opnieuw tegenover de
procureur-generaal en verbaliseert hij dat Vrouw Schrader ‘op dien dagh
wanneer het feit door de bekl(aa)gde begaan was, naar haar als een goede
vriendinne zijnde, is toe gegaan, en toen bevonden dat deselve met haar
voorgaande ijdel-hoofdigheit was bezet, hetwelke uit de discoursen nopens
het geperpetreerde feit, en 't geene (zij) aan de get(uige) quam te
verhaalen genoegzaam gebleek; dat de gev(angene) bij haar verstand zijnde,
sig altoos als een consciensieuse en godtvrugtige vrouw heeft gedraagen,
haar werk van godsdienst maakende, en haare twee kinderen met vlijt en
neerstigheit daartoe mede heeft aangezet en opgebracht...’. Uit de gehele
affaire is te leren dat Vrouw Schrader haar patienten veelal zeer goed moet
gekend hebben, hetgeen voor een kleine gemeenschap als Dokkum in de 18e eeuw
toch is geweest en bij een vroedvrouw met zo'n lange praktijkervaring en met
zulke gaven, geen verwondering wekt. Tevens toont deze casus aan dat van
kraambedpsychosen nog weinig bekend was, ook al wordt door Vrouw Schrader in
haar tweede verklaring benadrukt dat de ‘krankzinnigheid’ telkens tot de
kraamperiode beperkt is gebleven. Andere patienten met psychische
stoornissen in de kraamperiode beschrijft Vrouw Schrader in casus 671, waarbij tabaksrook als oorzaak van de ‘raasernij’ in
overweging wordt genomen en in casus 2713 treden
‘melakelöse’ (= melancholieke) gedachten tijdens de zwangerschap op. In
geval 2992 kan de koorts als direkte oorzaak worden
opgevat.
Het ‘Memoryboeck’ brengt de lezer in aanraking met de huwelijksmoraal van
Vrouw Schraders tijd86 en ook met de
folklore en het bijgeloof rond zwangerschap, bevalling en kraambed.
Ongehuwde patientes telt het ‘Memoryboeck’ velen, in leeftijd variërend van
‘een wifke van 16 jar’ (681) tot ‘een beschlapen frijster
van 40 jar’ (754). Soms licht Vrouw Schrader de situatie
toe met de vermelding dat de vrouw ‘van een menheer solldaet beschlapen’ was
(786) of dat er door ‘har meyssters son’ bedrog was
gepleegd (936). Een belangrijke rol spelen de
trouwbeloften, die voorechtelijk geslachtsverkeer billijkten, ook al leerde
de ervaring dat trouwbeloften niet zelden werden verbroken (vgl. 743, 2481 en 3034). Nauwkeurig noteerde
Vrouw Schrader wanneer een kind eerder dan negen maanden na de
huwelijksdatum werd geboren. Deze reeks loopt van ‘een ondertrouwde
vrijster’ (2415), via een bruid | | | | ‘dy har twede
gebott hadde’ (1774) en een ‘bruyt en brudigom’ (2208) naar patientes die een week (2518
en 2745) of langer (2196, 2450, 2488 en
3036) tot een half jaar toe (2256)
gehuwd waren. Sommige kinderen die Vrouw Schrader ter wereld hielp noteerde
zij kortweg als ‘een hur kynt’ (1075 en 1667); sommige moeders omschrijft ze als hoer (1664,
1878). Een mildere benadering (‘O onbedachte’, 3053)
wordt door haar op het einde van het ‘Memoryboeck’ gevolgd.
Ten aanzien van de zwangerschap geeft Vrouw Schrader keer op keer blijk van
haar vast geloof in het verzien, dat wil zeggen, de opvatting dat aan de
vrucht een afwijking kan worden meegedeeld door een sterke emotie van de
moeder, meestal door een waarneming.87 In
voorkomende gevallen vraagt zij haar patiente ‘of sij ock ytz met haar
sinnen op gespeelt hade’ en éénmaal voegt ze er belerend aan toe: ‘Ho
vorsigtig behorden haar de swangere vrouwen te gedragen in alles te willen
syn of dencken’ (2075; zie ook 1672).
Over het werkingsmechanisme van het verzien laat Vrouw Schrader zich niet
uit, in tegenstelling tot haar plaatsgenoot, de ‘medicinae candidaat en
heelmeester te Dokkum’, Tamme Visscher, die in 1696 een bundel Heelkonstige Aanmerkingen publiceerde, waaraan hij ‘een genees- en
lichaamkundige verhandelinge’ toevoegde ‘van de kracht der moederlijke
inbeeldinge op de vrucht, wiskunstiger wijze voorgesteld’.88
Het is niet ondenkbaar dat Vrouw Schrader deze iatromechanische verklaring
van het verzien heeft gekend. Een tweede opmerking over de zwangerschap die
aansluit bij het voorafgaande, maakt Vrouw Schrader naar aanleiding van een
moeilijke bevalling, eindigende in de dood van de moeder. Naar haar mening
had de vrouw zich tijdens de zwangerschap onvoldoende in acht genomen en had
zij zelfs gedanst, ‘dar over haar de Heere straffte, datse haar swangere
ligam so veel gewelt an dede’ (153). Als derde en laatste
bijzonderheid betreffende de zwangerschap verdienden de ‘vlygers’ of
‘suger(s)’ te worden vermeld, waarover Vrouw Schrader bij herhaling spreekt
(525 en 1671). Uit de contekst wordt
al duidelijk dat het hier om een volksgeloof gaat dat Vrouw Schrader niet
deelt. In 1778 beschreven Noël en Chomel de vlieger of zuiger als ‘mola,
(zijnde) een klompvleesch welke uit de Lijfmoeder uitgedreeven word, na
voorafgaande bloedstorting even als een Miskraam... De beuzelagtige
vertellingen der Vrouwen brengen mede dat zij vliegen konnen, en van de eene
Vrouwe in de andere opvliegen, als zij de rokken niet digt geslooten
houden’.89
Wat de bevalling zelf betreft blijkt telkens weer welk een belangrijke rol
die buren en vrienden in de kraamkamer speelden. Zeker in een stad als
Dokkum, waar de zogenaamde burenplicht officieel geregeld was,90 was de bevalling een
gebeuren waarbij de naaste omgeving direkt betrokken was. ‘Kom, lat vrinden
en buren halen, ick moet u dadl(ijk) helpen’, deelde Vrouw Schrader in 1698
één van haar patienten mee, toen zij | | | | besloot de baring met de
handkunst te zullen beëindigen (282). Een fraaie
illustratie levert casus 1795, waar Vrouw Schrader de
buren naar huis stuurt, ‘dat dy haar wat uytrusten souwden’, om een uurtje
later hen weer terug te roepen. In casus 661 overlijdt de
moeder kort na de baring ‘in presensy van all haar vrinden’. Dat de
omstanders niet alleen toeschouwers waren bewijst casus 1671, waar Vrouw Schrader de vrouw door een ander laat keren, ‘terwil
ick het kynt nae mij hallde’. Onduidelijk is de rol van de buren bij het
kraambed van de moeder van een tweeling in geval 3040.
Over kraamgebruiken tenslotte leest men in het ‘Memoryboeck’ zelden. Alleen
de kandeel (1795) wordt genoemd. Het is duidelijk dat
Vrouw Schrader weinig aandacht besteedde aan de rijke folklore, die
ongetwijfeld ook rond de bevallingen in Dokkum en op het Friese platteland
is te zien geweest, wanneer zij haar belevenissen en indrukken aan het
‘Memoryboeck’ toevertrouwde.91
Vrouw Schraders innerlijk, haar emoties en geloofservaringen zoekt men in het
‘Memoryboeck’ niet tevergeefs. Vooral de gebeden bij de aanvang van het
nieuwe jaar geven een blik op haar eigen denkwereld en religieuze gevoelens.
Het eerste gebed dat zij in 1697 noteert bevat in al zijn beknoptheid de
drie elementen die in al haar latere gebeden terugkeren: de vraag naar Gods
‘lieven seegen’, het gebed om bewaring ‘vor ongelucken’ en het verlangen
naar ‘de gunst van mensen’. In telkens wisselende bewoordingen brengt ze
deze drie punten naar voren. Haar woordkeus verraadt een grote
bijbelvastheid; sommige gebeden zijn een aaneenrijging van bijbelse noties
die men gemakkelijk in de Statenvertaling, of waar het de psalmen betreft,
in de psalmberijming van Datheen kan terugvinden. Met dit gegeven moet bij
de uitleg van sommige passages rekening worden gehouden. Dat Vrouw Schrader
over haar haters en haar vijanden spreekt (in resp. 1707
en 1737) zal men bijvoorbeeld niet letterlijk hoeven te
nemen, omdat hier duidelijk op resp. Psalm 38:17 en Psalm 86:17 wordt
geparafraseerd. Over haar patientes spreekt zij als over ‘evenmens(en)’
(o.a. gebed 1704), ‘de elendige(n) dy ick moet syn’92
(gebed 1703), en ‘dy in elende en noot syn’ (gebed 1705). Vrouw Schrader
weet zich hier geroepen om hulp én troost te brengen. Tegenover alle
kordaatheid die zij uiterlijk ten toon spreidt, laten de gebeden Vrouw
Schraders innerlijk zien, wanneer zij spreekt over de ogenblikken dat ‘de
angesten groot sijn’ (gebed 1733) en zij bidt om uitredding ‘als ick mijn
sugten en mijn gebett vor U in mijn binnenste vor U uyt storrte’ (gebed
1733). In toenemende mate brengt Vrouw Schrader in de loop der jaren ook
haar lichamelijke conditie ter sprake in de nieuwjaarsgebeden. In 1730
verklaart zij tegenover God ‘Uwe hulp aldermest nae den ligam van noden’ te
hebben; in het laatste gebed dat in | | | | het ‘Memoryboeck’ te vinden
is, spreekt zij over haar hoge ouderdom, waarin haar ‘ligams chragten’
moeten worden geschonken om de ‘evenmennss in haare noeden bij te (kunnen)
stan’.
| |
9. Vrouw Schrader en het verloskundig beroep
De lectuur van het ‘Memoryboeck’ levert tal van gegevens, die de ingewikkelde
en nog onvoldoende bestudeerde en beschreven structuur van het verloskundig
beroep op het einde van de 17e en gedurende de eerste helft van de 18e eeuw
illustreren.93 Alvorens iets
over de vroedvrouw en het verloskundig handelen in het algemeen te zeggen,
lijkt een samenvattend overzicht van de bedoelde voorbeelden hier dienstig.
Allereerst gunt Vrouw Schrader ons een blik op de wijze waarop zij vroedvrouw
geworden is, door te verhalen over het roepingsbesef (‘doen believede het de
Heere mij tot dit swarwigtig werrck uit te kysen’), dat zij zich bewust
geworden was door de druk die ‘brave doctoren en de borgerey’ op haar hadden
uitgeoefend om het verloskundig werk ter hand te nemen. Het zwaarwegende van
de zaak en de overweging ‘dat het vor mij en mijn vrinden een kleyn achtinge
war’, waren voor haar de belangrijkste drempels geweest om tot deze
beroepskeuze te komen (zie de inleiding in appendix 1). In haar
nieuwjaarsgebeden komen de hoge taakopvatting van Vrouw Schrader en haar
roepingsbesef nog vele malen tot uitdrukking wanneer zij spreekt over ‘dit
swarwegtig ampt’ (o.a. gebed 1709), ‘het werck miner beropinge’ (gebed 1711)
en over het werk dat ‘U hant mij hefft opgeleyt’ (gebed 1729). In 1724
schrijft Vrouw Schrader ‘het van conseinsie wegen niet (te hebben) konnen
laten’ om op de smeekbeden van een familie in Ternaard gehoor te geven,
hoewel met tegenzin (2119). De kleinachting waarover zij
spreekt refereert duidelijk naar het verschil tussen haar sociale herkomst
en het niveau waartoe de vroedvrouw rond 1700 gerekend werd.
Op 9 januari 1693 deed Vrouw Schrader in haar eigen woonplaats haar eerste
bevalling; een maand later volgde de tweede. Met aanvankelijk ruime
tussenpozen van soms wel twee maanden, meldden zich nieuwe patienten.
Nauwkeurig, maar uiterst summier, noteerde Vrouw Schrader de langzame groei
van haar praktijk. Hoe summier blijkt wel uit de memoires, waarin zij bijna
vijftig jaar later over de omstandigheden van een aantal bevallingen uit
haar eerste praktijkjaren veel uitvoeriger weet te verhalen. Daarvan is
casus 16 voor het hier besproken thema het meest
informatief.
Ten eerste blijkt dat Vrouw Schrader zichzelf bij het begin van haar carrière
volledig competent oordeelde voor de uitoefening der verloskunde; de
problemen waarmee zij tijdens deze bevalling wordt geconfronteerd probeert
zij op te lossen met ‘alles...wat de kunst vereis(te)’. De vraag dringt zich
daarbij onmiddellijk op, op welke wijze Vrouw | | | | Schrader zich
deze verloskundige kennis en technieken heeft eigen gemaakt. Weliswaar
ontbreken concrete gegevens, maar gelet op het beroep van haar man en gelet
op het milieu, waaruit Vrouw Schrader afkomstig was en waarin zij was
opgevoed, is het aannemelijk dat zij met de vroedkundige literatuur bekend
is geweest. Te denken valt aan het 't Boeck van de
vroet-wijfs (1591) van Jacobus Ruffen (ca 1500-1558), waarvan nog in de
jaren negentig van de 17e eeuw edities verschenen zijn, aan een editie van
de ‘vermeerderden Roosengaert’, algemeen bekend onder de titel Het kleyn vroetwijfs-boeck (1645), dat tot het midden van de 18e
eeuw is herdrukt, en aan de boeken van Vrouw Schraders illustere
kunstgenoten Louise Bourgeois en Justine Dittrichs, ‘genaemt Siegemunt’,
waarvan sinds resp. 1658 en 1691 een Nederlandse vertaling beschikbaar was.
Meer op de praktijk van heelmeesters gericht, maar daarom voor Vrouw
Schrader niet moeilijker toegankelijk, waren in de periode vóór 1695 een
drietal boeken favoriet: het Tractaet van de siektens der
zwangere vrouwen (1683) van François Mauriceau (1637-1709), De Practijk der vroed-meesters en vroed-vrouwen (1690) van
Paul Portal en de (Embryulcia ofte afhaling eenes dooden
vruchts door de handt van den heelmeester (1673) van Cornelis
Solingen (1641-1687), dezelfde die aan de Nederlandse editie van het boek
van Siegemundin ‘een onderrigt ontrent het ampt en pligt der vroed-vrouwen’
toevoegde. Gelet op de duitse afkomst van Vrouw Schrader en haar eerste man
kunnen de duitse edities van deze publikaties als leerboek hebben dienst
gedaan. Alleen van Hendrik van Deventers Manuale Operatien
zijnde een Nieuw Ligt voor Vroed-meesters en Vroed-vrouwen, dat in
1701 verscheen, kan aannemelijk worden gemaakt dat zij het boek gelezen
heeft (zie hierna Kloosterman), getuige de vele malen dat zij spreekt over
een scheve baarmoeder. Van vakjargon of termini technici is zelden sprake:
nu eens spreekt zij over de baarmoeder of kortweg de ‘mor’ (overigens tevens
synoniem voor nageboorte), dan weer over de uterus; voor ‘aangezicht’
gebruikt ze de term ‘superfaesi’ (1135) en regelmatig
gebruikt zij het woord ‘narbandig’ (o.a. 1624). Een vage
notie van de galenisch-aristotelische fysiologie kan men horen doorklinken
in de term ‘levenssappen’ (2980). Een aardig eufemisme
geeft geval 441.
Waar het om het gebruik van instrumenten, de toediening van clysma's het
‘stoven’ en andere vaardigheden ging, zal Vrouw Schrader de praktijk van
haar man tot leerschool hebben gehad. Chirurgijnsvrouwen waren in de 17e
eeuw op zeer direkte wijze bij de praktijkvoering van hun man betrokken.
Behandelde patienten werden, zoals gezegd, soms gedurende enige tijd
verpleegd door chirurgijnsvrouwen; zij assisteerden bij allerhande ingrepen
en namen de ‘winkel’ waar gedurende de soms lange periode dat hun echtgenoot
zijn patienten elders visiteerde. Vrouw Schrader is zeker niet het enige
voorbeeld, dat ‘in vroeger dagen op de | | | | vrouw van de chirurgijn
iets van de glorie van haar man placht af te stralen en haar bijstand bij
verlossingen gaarne werd gezocht’.94 In 1701 schrijft
Hendrik van Deventer over zijn vrouw als iemand ‘die selfs verscheyde
Kinderen gebaart hadde, en die uyt liefde reets verscheyde Vrouwen had
helpen verlossen, als kennisse van het Hant-werck hebbende, gelijk sij
t'sedert nog vele die in noot waren verlost heeft...’.95
De achtergrond van Vrouw Schrader wat betreft haar opleiding en sociale
herkomst verschilde hemelsbreed met die van de doorsnee vroedvrouw uit de
Republiek. De tirades die men aantreft in de geschriften van ‘verlichte’
vroedmeesters en medicinae doctores spreken hierover duidelijke taal, ook al
moet men rekenen met een zekere overdrijving omdat een ongunstig beeld van
de vroedvrouw nu eenmaal voordelig was voor de concurrentie-positie van de
mannelijke verloskundige. Ook Vrouw Schrader zelf spreekt niet erg vleiend
over haar collega's. In de hier besproken casus (16)
verhaalt zij hoe een concurrerende vroedvrouw de patiente ‘marrtelde’ (vgl.
ook 219, 642, 671, 1975, 2347). Elders beoordeelt zij
collega's als ‘een lerrling’ (74), als ondeskundig (420: ‘hade geen kennisse om (de kering v.L) te konnen
doen’; vgl. ook 2116 en 3020), als
‘ellendyge weete nitten’ (1975) of als ‘brodel morrs, dy
haar evenmenns so misshandelen’ (2116) en soms ook als
onwillig (2961); hun resultaten omschrijft zij als
‘bedorven werrck’ (2404).
In tal van gevallen wordt Vrouw Schrader geroepen nadat andere vroedvrouwen
hebben gefaald.96 Soms ook wordt zij er
bijgehaald op verzoek van de barende vrouw zelf (zie 2347
en 3020), hetgeen bezien moet worden tegen de achtergrond
van de patient-hulpverlenersrelatie zoals die toentertijd bestond. De
genees-, heel- en verloskundige armenverzorging uitgezonderd, werd deze
relatie geheel bepaald door de patient. In het begin van haar praktijk wordt
Vrouw Schrader met die situatie herhaald geconfronteerd. In de onderhavige
casus (16) stemt zij teleurgesteld in met het verzoek van
de barende vrouw om een andere vroedvrouw te halen: ‘en verwirpen mij
geheel...en ick willde mij don dar nit weer me bemoye’. Tenslotte kan zij
het gemartel niet langer meer aanzien en grijpt in (vgl. ook 74). In haar latere praktijkjaren zijn de rollen omgekeerd en wordt
Vrouw Schrader geroepen om haar collega ‘dy saack uyt de hant (te) neemen,
omdat se nit langer met har tevreeden waren...’ (2347).
Ondanks de duidelijke concurrentie moet de verhouding tussen Vrouw Schrader
en haar collega's niet al te somber worden geschetst. De meest direkte
relatie heeft zij met de vroedvrouwen die van stadswege voor de
armenpraktijk zijn aangesteld, namelijk Saeckie Moy (stadsvroedvrouw tot ca.
1703), Rimke Jorrits (aangesteld van ca. 1703 tot december 1735)97 en Feychien Schregardus. Over de eerste is Vrouw
Schrader zéér negatief (77, 420, 606, 642, en 771). Met Rimke, aan wie de magistraat bij haar | | | |
aanstelling ongetwijfeld hogere eisen heeft gesteld, zijn de verhoudingen
zonder meer goed, ook al weet Vrouw Schrader zich op verloskundig terrein
haar meerdere (vgl. 2069, 2073, 2287, 2347). Een enkele
keer neemt zij voor Rimke waar (vgl. 2069) en zelfs staat
Vrouw Schrader eenmaal een deel van haar honorarium aan haar af (2073). Zoals in het voorafgaande is gebleken, heeft Vrouw
Schrader Feychien Schregardus goed gekend. In 1733 noemt zij ‘Feycky’ als
degene die haar in verband met haar ziekte had kunnen vervangen (2711); tien jaar later wordt dezelfde vroedvrouw bij een
bevalling geroepen om de hoogbejaarde Vrouw Schrader (zij is dan 86) eens te
kunnen laten uitrusten (3052). Andere collega vroedvrouwen
die in het ‘Memoryboeck’ met name worden genoemd zijn Pitte Moy (2047, 2116, 2137), Acke Pitters (3017,
vgl. 2964 en Pym (= Rymke?) (2964) uit
Dokkum, Detie Moy uit Ternaard (1728 en 1880), Trintie Moy uit Westergeest (1831, 1943,
2404) en Trintie uit Raard (2994).
Het tweede gedeelte van casus 16 betreft de relatie met de
chirurgijn en medicinae doctor. Eind 17e eeuw waren beide vertegenwoordigers
van het genees- en heelkundig beroep in toenemende mate aktief op het
terrein der verloskunde. Hoe deze ontwikkeling precies verlopen is kan eerst
worden vastgesteld nadat het verloskundig gebeuren in een groot aantal
steden en plattelandsregio's in de Republiek is onderzocht. Studies die
dezelfde ontwikkeling in het buitenland tot thema hebben kunnen slechts met
grote voorzichtigheid op de Nederlanden worden toegepast, omdat hier de
medische beroepsontwikkeling wezenlijk anders en in een ander tempo is
verlopen.98 Ook Amsterdam kan moeilijk als model dienen, omdat
daar de regulering van het beroep en de concurrentieverhoudingen binnen het
beroep geheel verschilden met die in andere steden.99 Uit het
‘Memoryboeck’ komt een beeld naar voren dat in hoofdlijnen als volgt kan
worden beschreven. Eind 17e eeuw fungeerde de medicinae doctor als adviseur
in verloskundige problemen. Deze adviezen werden vervolgens door de
vroedvrouw in praktijk gebracht wanneer de ‘handkunst’ toereikend was; voor
instrumentele hulp was de chirurgijn de aangewezen verloskunstoefenaar.
Aangezien de scheiding tussen genees- en heelkunstbeoefening lang niet zo
scherp is geweest als veelal wordt voorgesteld en tal van medicinae doctores
een chirurgische opleiding hadden genoten en als heelmeester waren werkzaam
geweest (Solingen van Van Deventer zijn er voorbeelden van), werd die
instrumentele hulp ook wel door medicinae doctores verleend.
In het geval van Vrouw Schrader ligt de zaak gecompliceerder, omdat zij
kennelijk ook als chirurgijn werkzaam was. Na de dood van haar eerste man
heeft zij de chirurgijnswinkel gewoon voortgezet, zij het met beperking tot
de gynaecologische praktijk. Niet alleen voor het platte- | | | | land,
maar ook voor sommige steden was dit een niet ongewone situatie, zoals uit
de chirurgijns-ordonnanties en bijvoorbeeld notariële protocollen
blijkt.100 Uit de financiële gegevens van Vrouw
Schraders praktijk kan men gemakkelijk aflezen dat vooral in de eerste jaren
de chirurgische praktijk en de bijbehorende verkoop van medicamenten een
belangrijke bron van inkomsten voor haar zijn geweest.
In casus 16 besluit Vrouw Schrader ‘een meyster’ te roepen
‘om mij vor alle opspraack te bevrijen’. Haar keus valt daarbij op Theodorus
Winter, een medicinae doctor annex heelmeester,101 die, nadat
hij zich op de hoogte had gesteld ‘ho het met de baarende vrouw stont’ tot
handelen overging en met de haak het kind ter wereld bracht. Dezelfde Dr.
Winter is waarschijnlijk bedoeld in casus 2114. De tweede
medicinae doctor die Vrouw Schrader als collega noemt is Cornelis Eysma. De
eerste keer noemt zij hem als toeschouwer (1250); de
tweede keer blijft zijn rol beperkt tot het voorschrijven van een clysteer
en maakt men voor het afhalen van het kind gebruik van de diensten van een
chirurgijn. De status van een zekere ‘Mr.’ of ‘Dr.’ Van den Berg blijft
onduidelijk (484 en 1795).
In Dokkum heeft Vrouw Schrader goede relaties met een tweetal heelmeesters:
Mr. Pieter Vanij en Mr. Frans Berger.102 De eerste roept zij vóór 1702 regelmatig te hulp om
de bevalling met instrumenten te beëindigen (72, 74, 153,
319 en 662); de tweede treedt ná 1722 regelmatig als
vroedmeester op (2047, 2131, 2594, 2667 en 3052). In Hantum werkte Vrouw Schrader samen met een zekere Mr.
Nicolaes (1296 en 1743). In het algemeen
moet worden vastgesteld dat Vrouw Schrader uitstekend met haar mannelijke
collega's op verloskundig gebied heeft kunnen samenwerken. Het feit dat zij
als vroedvrouw optreedt ten huize van de Dokkumer medicinae doctores en
heelmeesters, onder wie de vooraanstaande chirurgijn Johannes Tadema, de
voorzitter van het Dokkumse chirurgijnsgilde, (2429) kan
daarvoor als bewijs gelden. Evenzo staat Vrouw Schrader op goede voet met de
apothekers in Dokkum, van wie zij ook de medicamenten voor haar praktijk
moet hebben betrokken.
Helaas kan hier niet worden verwezen naar een studie over het zojuist
genoemde chirurgijnsgilde, terwijl een uitvoerige bronnenstudie binnen het
kader van deze uitgave niet goed mogelijk was.103 Hetzelfde geldt
voor de betekenis van de landschapsmedicus en -operateur van Friesland voor
de verloskundige zorg ten plattelande na 1709.104 Een dergelijke studie over het medisch leven van Dokkum en
omgeving rond 1700 en van het genees-, heel- en verloskundig beroep zou
ongetwijfeld veel van Vrouw Schraders positie en van de arbeidsverhoudingen
waarmee zij te maken had, kunnen verduidelijken.
Het voorafgaande vormt het noodzakelijk decor voor een andere | | | |
beschouwing van Vrouw Schraders vroedkundige werkzaamheden. In casus 16 blijven haar handelingen beperkt tot een onderzoek naar
de ligging van het kind. Elders noemt zij nadrukkelijk het touché (2313: ‘Brocht mijn hant nae binne en ontwaarde het kint’).
Behalve door het breken van de vliezen, dat veelvuldig in het ‘Memoryboeck’
wordt genoemd, bevorderde Vrouw Schrader in zeer veel gevallen de baring
door het maken van de ontsluiting, hetzij door de ‘hantkonst’, hetzij door
‘stofinge’, danwel door beide (vgl. 1024). De eerste
techniek omschrijft zij als het ‘met mijn vingers...gedurig soecken de
baarmoeder te oopenen’ (2596). De tweede techniek wordt
beschreven als een stoving met ‘een baet van moederkruden’105 om ontsluiting te krijgen en ‘om de parrtien te
vermörven en linig te macken’ (485) of ‘om de passasie te
vermörven’ (525). Ook voor aandoeningen in het kraambed
(2234) en algemene kwalen maakt Vrouw Schrader van het
fomentum en cataplasma gebruik (vgl. verder 643, 1052, 1671,
2192). In één geval geeft zij het cataplasma in combinatie met een
tinctuur van myrrhe en aloë (1831). Vrouw Schrader moet
zich enige kennis van de farmacie hebben eigen gemaakt blijkens de vele
vermeldingen van inwendige medicatie (zie appendix 2), nu eens bedoeld om de
baring te bevorderen (10, 163, 305, 1840, 2953) of de
nageboorte af te drijven (127, 220, 1877, 2650), dan weer
om ‘een sware vloet’ te stillen (2979) of om de pijn te
verlichten (1988). In alle gevallen gaat het om
medicamenten voor obstetrische en gynecologische aandoeningen, op welk
terrein Vrouw Schrader kennelijk geen hinder ondervond van de strenge
afbakening van de farmaceutische bevoegdheden van medicinae doctores en
chirurgijns.
In de verloskunde heeft Vrouw Schrader ook herhaaldelijk te maken gehad met
de pastorale zorg voor barenden. Een bijzonder geval levert casus 72 waar de dominee-medicus Schregardus en een vroedmeester
aanwezig zijn, ‘dy my grotte ehre gaven’. In 1740 komt zij bij een patiente
waarvoor de predikant al een gebed had gedaan (2979); een
dag later ontmoet zij de predikant Brantsma aan het verlosbed (2980).
Het bekende verbod op het gebruik van instrumenten door vroedvrouwen gaat in
het geval van Vrouw Schrader niet op. De mededeling ‘ick hade mijn
instrumenten megenomen wel denkende datter wat an scheelen moste’ (1485) bewijst dat Vrouw Schrader over een verloskundig
armamentarium kon beschikken. In haar koffer moeten in ieder geval een
‘scher’ (o.a. 1157 en 1626), een
clysteerspuit (1030 en 1810), een
catheter (‘een carteer’, 1810), bandages (606: ‘strickt dar een band om’, ook 1880) en
verloskundige haken hebben gezeten. In de eerste decennia van haar praktijk
deinsde Vrouw Schrader er niet voor terug van laatstgenoemd instrument
gebruik te maken, soms met assistentie van een chirurgijn (153: ‘heft hey en ick elck met een haack tesaamen het kint gehalt’,
vgl. ook 74), maar soms ook alleen (1485: ‘en hebbe het ales | | | | don met de haack motten hallen’,
ook 872, 968, 2183). Over de baringsstoel spreekt Vrouw
Schrader nergens; wel wordt herhaaldelijk het bed genoemd (o.a. 2351: ‘Verloste ick haar op het bedde heel gemacklick...’).
Het slot van casus 16, dat voor deze paragraaf als
illustratie heeft gediend, attendeert tenslotte op nog een ander facet van
Vrouw Schraders persoonlijkheid: haar beroepstrots en bewustzijn van eigen
kunnen. Het ‘deftig testemonyum en (de) grotte ehre’ streelden duidelijk
haar eergevoel. In haar memoires schrijft zij later over ‘wat wonderwercken
datt de Heere dor mijn hannden an ellendige, baarende, in noot sijnde
vrouwen al uyt gewerckt hadde’. Zinsneden als ‘Hadde het anstons, tot grotte
verwonderinge van alle dy dar tegenwoordig waren’ (581)
spreken in dit opzicht duidelijke taal.
Het ‘Memoryboeck’ roept bij de huidige lezer nog altijd een gevoel van
verwondering en bewondering op. Vrouw Schraders notities vormen het
noodzakelijk tegenwicht voor historische schetsen waarin de 17e en vroeg-18e
eeuwse verloskunde in de Republiek en bijzonder het optreden van
vroedvrouwen in donkere tinten wordt afgeschilderd. Deze inleiding tot het
‘Memoryboeck’ wilde de lezer kennis laten maken met deze rijke
verloskundig-historische bron die het verloskundig gebeuren rond 1700 zoveel
dichter bij ons brengt.
Tegelijk wil zij een uitnodiging zijn aan algemeen en medisch-historici om
het kader van het ‘Memoryboeck’ verder te verhelderen. Vrouw Schraders
levensloop en verloskundig werk roepen nog tal van vragen op. Zou
bijvoorbeeld de historische analyse niet zijn gebaat met onderscheid te
maken tussen de ‘kinds-geboorte’ en de ‘na-geboorte’? Zowel in de
literatuur105 als in het ‘Memoryboeck’ (zie o.a. 852) zijn daarvoor voldoende aanwijzingen. En tot slot:
moet Vrouw Schrader in alle opzichten als uitzondering worden beschouwd òf
moet na lectuur van het ‘Memoryboeck’ in het huidige beeld van de
verloskunde rond 1700 ingrijpende correcties worden aangebracht?
|
1Zie bijv. D.J.B. Ringoir, Plattelandschirurgie in de 17e en 18e eeuw. De rekeningboeken
van de 18e eeuwse Durgerdamse chirurgijn Anthony Egberts, Amsterdam
1973; idem, ‘De administratieboeken (1696-1708) van Pieter Turcq, chirurgijn
te Dinteloord’, Aere Perennius, nr. 29-30 (1978) 37-40 en
C.J. Snuif, ‘De geneeskundige toestand in Twente 1663-1698. De chirurgijn
Adolph de Meyer te Goor’, Versl. Mededelingen Ver. beoefening
Overijsselsch Regt en Gesch., (1928), 92-126. Verder i.h.b. de
handschriftenverzameling van de KNMG (UB Amsterdam)
2Mij is alleen ‘Het dagboek van vrouw Waltman, vroedvrouw in de
19e eeuw te Dordrecht’ bekend, dat notities over bijna 5000 bevallingen
bevat uit de periode 1842-1872, zie A.C. Drogendijk, in Ned. T.
Geneesk. 79(1935) I, 981-988.
3C.E. Daniëls, ‘Verslag
omtrent den staat der boekerij over 1891-1892’, Ned. T.
Geneesk. 28(1892) 130-142, i.h.b. 130-132.
4Zie
over Kiestra: P.H. Simon Thomas, in: P.C. Molhuysen, Nieuw
Nederlandsch Biografisch Woordenboek (Leiden: A.W. Sijthoff,
1912) (hierna NNBW), vol. 2, c. 679-680.
5O.a. J.J. Kiestra, ‘Bijdragen tot de
levensgeschiedenis en verdienste van Hendrik van Deventer, T. Ned. Mij. bevordering der Geneesk. 5(1854)II, 164
ev.
6Zie over de
familierelatie via Sybren Higt, de broer van Tjeerd Higt, het Ned. Patriciaat 19(1930) 56-64 en hierna noot
34.
7J.J. Kiestra, ‘Historische bijdrage
tot de keering op de billen’, Nieuw Praktisch T. voor de
Geneesk. 2(1850) 312-315.
8Voor de brieven van Kiestra zie de Handschriftenverzameling KNMG (UB
Amsterdam), sign. MG Y 135. Brief dd. 16-12-1855 aan A.H.
Israëls.
9Het
archief bevindt zich in het G.A. Amsterdam, de bibliotheek is opgenomen
in de UB Amsterdam. Vgl. C.C. Delprat, De wording en
geschiedenis van het Genootschap ter bevordering der natuur-,
genees- en heelkunde te Amsterdam, 1790-1915 (z. pl., 1915)
52-53.
10Medisch Weekbl.
4(1897-1898) 6-10, 18-26, 35-41, 53-62, 67-73, 86-90 en 115-117. Onder
dezelfde titel ook verschenen als monografie, Amsterdam: Scheltma
& Holkema, 1897.
11Geyl, ‘Over de
opleiding...’, 55.
13A. Geyl, ‘Catharina Geertruyd Schraders. Investigatrice du
caractère anatomique de la placenta praevia’, Janus
1(1896-1897) 537-540.
15B.W.Th. Nuyens, ‘Het dagboek van Vrouw Schraders. Een bijdrage tot de
geschiedenis der verloskunde in de 17de en 18de eeuw’, Ned.
T. Geneesk. 70(1926) II, 1790-1801.
16Nuyens, ‘Het dagboek...’, 99.
17A.J. van Reeuwijk, Vroedkunde en
vroedvrouwen in de Nederlanden in de 17e en 18e eeuw (z. Pl.,
1941) i.h.b. 23-25; citaat p. 25.
18E.D.
Baumann, Uit drie eeuwen Nederlandse geneeskunde
(Amsterdam: H. Meulenhoff, 1949) 196-197.
19M.J. Elzinga, ‘Catharina Geertruid
Schraders 1655-1745’, It Beaken 16(1954)
192-196.
20S. van Tuinen, ‘It birop
yn it Memorijboeck fan C.G. Schrader’, It Beaken
16(1954) 197-201.
21C.G.
Schraders, Memorijboeck van de vrouwens. Dagboek van
verlossingen te Dokkum 1693-1745. Bewerkt door Chr. van Kammen.
Dokkum: Gemeentebestuur, 1958 (stenciluitgave).
22I. Snapper, ‘Midwifery, past and
present’, Bull. N.Y. Acad. Med. 39(1963) 503-532,
i.h.b. 512-514; G.A. Lindeboom, Geschiedenis van de
medische wetenschap in Nederland (Bussum: Fibula-Van Dishoeck,
1972) 98-99 en Ringoir, Plattelandschirurgie,
210-211.
23J.A. Faber, Drie eeuwen Friesland. Economische en sociale ontwikkeling
van 1500 tot 1800. Wageningen: Landbouwhogeschool, 1972 (A.A.G.
Bijdragen 17) 2 vols.
24J.J.
Klinkert, Verloskundigen en artsen. Verleden en heden van
enkele professionele beroepen in de gezondheiszorg (Alphen a/d
Rijn: Stafleu, 1980) 33 en 36.
25J.J. Klinkert, ‘Een vroedvrouw van vroeger’, Dagblad
Trouw, 17 maart 1978.
26Doopboek Reformierte Kirche Bentheim
(Bureau Genealogie 's-Gravenhage), dd. 14 september 1656.
27L. Edel, ‘Aus der Zeit des Johannes
Schrader alias Sartorius, weiland Pastor der Gemeinde zu Gildehaus
(1585-1664)’, Der Grafschafter 1961, nr. 103, 830-830,
en A. Ringena, Die Prediger in Gildehaus seit der
Reformation (Gildehaus: Selbstverlag, 1961) Heft 2.
28W.F. Visch, Geschiedenis van het
Graafschap Bentheim (Zwolle: J.L. Zeehuisen, 1820) 75. Ook:
J.C. Möller, Geschichte der vormaligen Grafschaft Bentheim
von den älteren Zeiten bis auf unsere Tage, Lingen 1879.
29Uitvoerig W. Kohl, ‘Der Uebertritt des Grafen Ernst Wilhelm
von Bentheim zur katholischen Kirche (1668)’, In: Jahrbuch
Verein Westfälischen Kirchengesch. 48(1955) 47-96. Een
Nederlandse beschrijving gaf H. Beuker, Tubantiana. Iers
over de regeering van staat en kerk van het Graafschap Bentheim
vanaf de Hervorming tot op onzen tijd (Kampen: J.H. Kok, 1897)
i.h.b. p. 30-45. Een romanversie leverde J.G. Mülder, Die
Gräfin Gertrud von Bentheim. Geschichtliche Erzählung aus der
Kampfeszeit der reformierten Kirche, Leer 1877.
30De gegevens over Ernst
Wilhelm zijn ontleend aan doop-, trouw- en begrafenis-boeken te Leiden.
In 1726 huwt hij te 's-Gravenhage Elisabeth de Ville; bij zijn begraven
wordt hij genoemd als man van Margaretha van Schuyden. Op 22 oktober
1711 liet hij zich te Leiden inschrijven als theologisch student. Over
zijn bezittingen in Friesland, verkregen door zijn tweede huwelijk, is
herhaald geprocedeerd, waarbij ook Vrouw Schrader als getuige is
opgetreden, zie Hof van Friesland (R.A. Friesland), Civiele Sententies,
bijlage 710, dossier 6, dd. 30-11-1717 en idem, 1742, wanneer Vrouw
Schrader verklaart ‘met gemelde haer Broeder meer malen briefwisselinge
heeft onderhouden’. Opvallend is dat in zijn testament (Oud. Not. Arch.
Leiden, inv. nr. 1198, protocol 223, dd. 27-8-1694) wel zijn broers en
zijn vader, maar niet zijn twee zussen worden genoemd.
31Attestaties N.H. Kerk Leiden (G.A.
Leiden), dd. 15 mei 1682: ‘Katharina Geertrui Schrader, j.d., naar
Bentheim’.
32Zie over de familie Kramer
(Cramer): Bijblad Ned. Leeuw 2(1954) 153-174, i.h.b.
157.
33Zijn moeder heette Antonia Franzen,
de zuster van Johan Franzen, die in februari 1660 was gehuwd met
Margaretha Schrader, zie Doop-en trouwboeken Bentheim (Bureau Genealogie
's-Gravenhage).
34Vgl. ook D. Fockema,
‘Bijdrage over de afkomst van Ernst Willem Higt’, De Vrije
Fries 4(1846) 267, die spreekt over de twee huwelijken van
Ernst Willem Cramer.
35Doopboek N.H. Kerk Hallum en brief dd. 17-5-1678 in
het Lidmatenboek N.H. Kerk Hallum.
36De gegevens over Arnold Harman
zijn ontleend aan o.a. het Lidmatenboek van de N.H. Kerk te Ternaard
(R.A. Friesland) dd. 3 januari 1684. Zie voor de relatie met Dompselaar
het genoemde proces van 1742 voor het Friese Hof (noot 30), waar Vrouw
Schrader verhaalt ‘bij deselve wel te hus (te zijn) geweest’.
37Zie de aanhef van de
memoires, hierna: Appendix 1.
38In het Lidmatenboek N.H. Kerk
Dokkum staat zij als Catharina Schroder (!) genoteerd, dd. 2 februari
1696. Met latere hand (een andere verklaring valt niet te geven) is
achter haar naam geschreven ‘Wed. Burg. Higt.’
39Zie Van Kammen, in:
Schraders, Memorijboeck (noot 21), s.p.
40Fockema, ‘Bijdrage...’, 267.
41Aldus A. Ypey in: E.W.
Higt, Gedichten (Harderwijk: K. Tijloff, 1803)
VI.
42Zie
Fockema, ‘Bijdrage...’, 265-266.
43J.W. Frederiks, Dutch Silver (Den Haag: M.
Nijhoff, 1960) vol. 3, p. 77.
44Trouwboek N.H.
Kerk Dokkum: dd. 22 februari 1713 ‘Tomas Higt, regerende burgemr. deser
stad, ende Katarina Geertruid Schrader, wed. van Eernst Wilhelm
Kraamers, in leven Mr. schirurgin tot Hallum...’.
45Van Kammen, in: Schraders, Memorijboeck
(noot 21).
46Over E.W.
Higt, zie: A.J. van der Aa, Biografische Woordenboek der
Nederlanden (Amsterdam: B.M. Israël, 1969) vol. 3, 249-250 en
NNBW, vol. 1, c. 1114-1115.
47Trouwboek N.H. Kerk Ternaard, dd. 16 juni 1720. Over J.H.
Schrader, zie Van der Aa, Biografisch Woordenboek,
vol. 6, 149 en NNBW, vol. 10, c. 895.
48Hun kerkelijke loopbaan geeft T.A.
Romein, Naamlijst der predikanten sedert de Hervorming tot
nu toe, in de Hervormde Gemeenten van Friesland. Leeuwarden: A.
Meyer, 1886.
49Over J. Schrader, zie Van der Aa, Biografisch
Woordenboek, vol. 6, 149 en NNBW, vol. 10, c.
894-895.
50Zie de ‘Bruiloftszang van de Hooggeleerden Heere, mijnen
heere Johannes Schrader... en mejuffrouw mijne nichte Alida Beata
Schrader...’, in: E.W. Higt, Gedichten,
114-119.
51Zie Collectie Roorda (R.A. Friesland).
52Deze cahiers bestaan uit
resp. fol. 1-36, 37-72, 73-106, 107-240, 241-328, 329-376, 377-428,
429-544 en 435-482. De fol. 483-488 vormen de eindpagina's.
53Voor de blanco pagina's zie: fol. 27,
73, 98, 99, 107, 138, 164, 168, 239, 240, 242, 274, 288, 312, 314, 315,
319, 320, 321, 322, 324, 327, 328, 329, 332, 374, 375, 376, 380, 427,
428, 438, 494, 508, 526.
54Richtlijnen voor het
uitgeven van historische bescheiden, Utrecht-'s-Gravenhage,
1975 5.
55Kleine telfouten
waren echter onvermijdelijk: de patiente van casus 111 is dezelfde als
in 114; Vrouw Schrader is hier veertien dagen. Zo is casus 120 waar de
datum ontbreekt en de plaats in het Hss. geen houvast biedt, moeilijk te
plaatsen. Nr. 1715 is geen bevalling, vgl. de patienten in appendix 2
die ook niet meegeteld zijn.
56Dagen,
maanden, jaren. Tijdrekenkunde in kort bestek. 's-Gravenhage:
Centraal Bureau voor Genealogie, 1979.
57Zie G.D.J. Schotel, Het Oud-Hollandsch Huisgezin der Zeventiende Eeuw. (Reprint
Arnhem: Gijsbers en Van Loon, z.j.) 348-368.
58N.J. Waringa en A. Hallema, Beknopte
geschiedenis van Dokkum, Stencil (R.A. Friesland), 150
vermeldden dat zijn moeder vroedvrouw was. Van der Aa en het NNBW spreken in hun biografie van Ernst Willem Higt
over de vroege dood van van zijn vader (zie noot 46). De
overlijdensdatum van Tjeerd Higt die Fockema, ‘Bijdrage...’, 266 geeft
en door anderen is overgenomen, is waarschijnlijk onjuist.
59Zie H.L. Houtzager, ‘Folkert Snip en zijn “Vroedkundige Aanmerkingen”’,
Med. Contact 32(1977) 1582-1584.
60Oude Rechterlijke Archieven (R.A.
Friesland), Proclamatieboek Dokkum 1722-1745, fol. 99re, dd.
17-10-1727.
61Zie Geyl, ‘Over de
opleiding...’, 55 en 56.
62Zie H.E. van Gelder,
De Nederlandse munten, Utrecht-Antwerpen: Het
Spectrum, 1970.
63Zie Faber,
Drie eeuwen..., vol. 2, Tabel II-5.
64De cijfers zijn ontleend aan Faber,
Drie eeuwen..., vol. 2, Tabellen II-7, II-13,
II-25 en VI-35.
66Zie M.
de Haan Hettema en A. van Halmael Jr., Stamboek van den
Frieschen vroegeren en lateren adel (Leeuwarden, 1846) vol. I,
12.
67Zie
W.K. v.d. Veen, ‘Dokkum en de omliggende dorpen’, It
Beaken 16 (1954) 220-223.
68Ch. C. van der Vlis, ‘Dokkum als vestingstad’, It Beaken 16(1954) 155-157.
69Zie over de verpleging van patienten thuis, M.J. van
Lieburg, ‘De syphilitische patient in de geschiedenis van het
Nederlandse ziekenhuiswezen’, T. Sociale Geschiedenis
8(1982) 156-179, i.h.b. 162-163.
70Zie
Waringa en Hallema, Beknopte geschiedenis...,
58.
72Van Tuinen, ‘It
birop...’.
73Zie Romein, Naamlijst der predikanten..., 459.
74Zie voor bijzonderheden Romein, Naamlijst der predikanten.
75Zie over Schregardus: G.A. Wumkes, in: NNBW, vol. 10, c. 895-896.
76S. Blaupot ten Cate, Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland (Leeuwarden: W.
Eekhoff, 1839) i.h.b. 188.
77Zie Waringa en Hallema,
Beknopte geschiedenis..., 68-69 en H.W. Fortgens,
Schola Latina. Uit het verleden van ons voorbereidend
onderwijs. Zwolle: Tjeenk Willink, 1958.
78Van Kammen, in: C.G. Schraders, Memorijboeck (noot 21), indices. Een mogelijkheid tot
vergelijking biedt de bewerking van de Quotisatiecohieren van 1749,
uitgevoerd door Faber, Drie eeuwen..., vol. 2, Tabel
III-2, III-8 en III-9.
79Zie W. Frijhoff,
‘Non satis dignitatis... Over de maatschappelijke status van
geneeskundigen tijdens de Republiek’, T. Geschiedenis
96(1983) 379-406.
81Zie Schotel, Het
Oud-Hollandsch huisgezin..., 369-384.
82J.H. Knoop,
geciteerd naar C.J. Guibal, Johan Willem Friso en zijn
tijd (Amsterdam: P.N. van Kampen, 1938) 28-29.
83L. van Nierop, ‘De keuren
tegen het “ombrengen van jong-gebore kinderen” in de 17e en 18e eeuw’,
Maandbl. Amstelodamum 46(1959) 154-155 en H.
Rodega Kindestötung und Verheimlichung der Schwangerschaft.
Ein sozialgeschichtliche und medizinsoziologische Untersuchung mit
Einzelfallanalysen, Herzogenrath: Murken-Altrogge, 1981.
84Hof van Friesland (R.A.
Friesland), Bijlagen Criminele Processen, dd. 2-12-1740.
85Zie 2526 en een niet bewaarde casus tussen 2805 en
2824.
86Zie Schotel, Het
Oud-Hollandsch huisgezin..., 214-284.
87Zie uitvoerig
B. Stokvis, Het verzien in de zwangerschap. Medisch en
psychologisch beschouwd, Lochem: De Tijdstroom, 1940.
88Tammerus Visscher, Heelkonstige Aanmerkingen:
waar in, de manier van werking, so uitet werktuich selfs, als andere
(mechanische of) werktuichkundige beginselen, wordt
aangeweezen...Beneevens een genees- en licchaamkundige verhandelinge
van de kracht der moederlijke inbeeldinge op de vrucht, wiskunstiger
wijze voorgesteld, Amsterdam: Daniel v.d. Dalen, 1696.
89Zie M. Noël Chomel en J.A. de Chalmot,
Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundig- en
konstwoordenboek (Leiden-Leeuwarden: Joh. le Mair-J.A. de
Chalmot, 1778), vol. 4, 2170. Zie ook M.A. van Andel, ‘Bijgeloof,
onverstand en nalatigheid in de kraamkamer onzer voorouders’, Ned. Maandschr. Verlosk. Vrouwenz. (8(1919) 465-499,
i.h.b. p. 493.
90Zie S.J. van der Molen, ‘Men zal de naasten bereid vinden
(burenplicht in Friesland in de 18e en 19e eeuw)’, De Vrije
Fries 46(1964) 28-61, i.h.b. 47-49.
91Zie Schotel, Het Oud-Hollandsch huisgezin..., 20-53.
92Men korrigere de desbetreffende passage in het ‘Memoryboeck’.
93Zie in het algemeen: E.H.
Ackerknecht, ‘Zur Geschichte der Hebammen’, Gesnerus
31(1974) 181-192; voor Frankrijk: J. Gélis, ‘Sages-femmes et
accoucheurs: l'obstétrique populaire aux XVIIe et XVIIIe siècle’, Annales Econ. Sociétés Civilisations 32(1977) 927-957
en idem, ‘Regard sur l'Europe médicale des Lumières: la collaboration
internationale des accoucheurs et la formation des sages-femmes au
XVIIIe siècle’, Abhandl. Gesch. Med. Naturwiss.
39(1980) 279-299 en voor Engeland: J. Donnison, Midwives
and medical men. A history of inter-professional rivalries and
women's rights. London: Heinemann, 1977.
94Zie Baumann, Uit drie eeuwen..., 196.
95Zie H.J. Lamers, Hendrik van Deventer Medicinae
Doctor, 1651-1724. Leven en Werken (Assen: Van Gorcum, 1946)
39-40.
96Zie de casus 18, 20, 77, 146, 161,
219, 392, 420, 606, 642, 671, 729, 743, 771, 971, 1240, 1296, 1485,
1728, 1736, 1743, 1831, 1847, 1888, 1943, 1975, 1984, 1988, 2047, 2119,
2137, 2347, 2404, 2964, 2980 en 3020.
97Zie Resolutieboek Dokkum 1732-1768 (klapper R.A. Friesland),
dd. 3-12-1735.
98Frijhoff, ‘Non satis dignitatis...’,
i.h.b. p. 382.
99Zie voor Amsterdam: C.R. Post, ‘De Amsterdamse vroedvrouw uit de 18e
eeuw’, Bijdr. Gesch. Geneesk. 36(1956) 1-8. Vgl. voor
Dordrecht: A.C. Drogendijk, De verloskundige voorziening in
Dordrecht van ca. 1500 tot heden, Amsterdam: H.J. Paris, 1935
en voor Gouda: J.G.W.F. Bik, Vijf eeuwen medisch leven in
een Hollandse stad (Assen: Van Gorcum, 1955).
100Zie M.J. van Lieburg, ‘De genees- en
heelkunde in de Noordelijke Nederlanden, gezien vanuit de stedelijke en
chirurgijnsgilde-ordonnanties van de 16e eeuw’, T. Gesch.
Natuurw. Wisk. Techn. 6(1983) 169-184 en idem, ‘Die
medizinische Versorgung einer Stadtbevölkerung im 17. Jahrhundert. Die
Quellen- und Forschungssituation für Rotterdam’, In: W. Eckart und J.
Geyer-Kordesch (red.), Heilberufe und Kranke im 17. und 18.
Jahrhundert. Die Quellen-und Forschungssituation (Tecklenburg:
Burgverlag, 1982) 29-48.
101Waarschijnlijk een zoon van Dr. Feyo Winter, de vertaler van de
‘Pharmacopoea Leovardiensis’ in het Nederlands, zie R. Visscher, ‘Iets
over de pharmacie te Leeuwarden tot het einde der 18e eeuw’, Pharm. Weekbl. 62(1925) 1190-1197.
102Zijn
volledige naam is Johan Frans Berger, een enkele maal ook geschreven als
Johan Fransberger. De schrijfwijze van Vrouw Schrader is hier
gehandhaafd.
103Zie
M.J. Elzinga, ‘Iets over de chirurgijnsgilden in Friesland’, De Vrije Fries 49(1950) 111-135, i.h.b. p. 127 ev.
over Dokkum en H.L. Straat, ‘Het chirurgijnsgilde te Leeuwarden’, De Vrije Fries 31(1932) 1-40.
104Zie
M.E. Kulsdom, ‘De landschapsmedici en operateurs van Friesland in de
achttiende eeuw’, Bijdr. Gesch. Geneesk. 35(1955)
42-51.
105Noël Chomel (zie noot 89), vol. 4, 2240-2243 en vol. 7,
4001-4004.
|
|