Chronologisch woordenboek


auteur: Nicoline van der Sijs


bron: Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. Veen, Amsterdam / Antwerpen 2002 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

4.1 Inhoudswoorden: geselecteerde woordvelden

Alle woorden zijn thematisch of onomasiologisch ingedeeld, dat wil zeggen dat alle woorden rond een bepaald begrip bijeengezet zijn. De woorden zijn dus op enigerlei wijze betekenisverwant. Ze kunnen (ongeveer) eenzelfde betekenis hebben, dus synoniem zijn (opa en grootvader), maar er kan ook een hiërarchische betekenisrelatie tussen woorden bestaan, waarbij het ene woord (het hyperoniem) het andere (het hyponiem) insluit: zo is paard een hyperoniem van de hyponiemen merrie en hengst. Soms vormt het hoofdthema het hyperoniem en zijn de verschillende woorden die daaronder vallen de hyponiemen: zo worden onder ‘granen’ alle graansoorten opgenomen. Ook antoniemen, woorden met een tegengestelde betekenis, kunnen binnen een thema vallen; zo vallen nooit en altijd allebei onder de bijwoorden van tijd, en licht en donker onder de

[p. 342]

kleuren.3 Maar ook associatieve betekenisrelaties kunnen binnen een thema vallen. Binnen de thema's worden de betekenisrelaties tussen de verschillende woorden genegeerd - zij zijn voor dit boek van geen belang.

4.1.1 Aardrijk

Woorden met betrekking tot het aardrijk zijn veelal zeer divers en niet goed met elkaar vergelijkbaar. De weersverschijnselen vormen echter een afgeronde categorie en daarom behandel ik deze.

Weersverschijnselen

901-1000 bliksem* ‘elektrische vonk bij onweer’
901-1000 drop* ‘druppel’
901-1000 regen* ‘neerslag’
901-1000 sneeuw* ‘neerslag in bevroren vlokken’
901-1000 wolk* ‘massa waterdruppels in atmosfeer’
___  
1001-1050 westenwind* ‘wind die uit het westen waait’
1001-1050 wind* ‘luchtstroming’
___  
1100 dauw* ‘gecondenseerde waterdamp’
1150 rijm* ‘bevroren dauw’
___  
1240 druppel* ‘vochtdeeltje’
1240 ijs* ‘bevroren water’
1240 rijp* ‘bevroren dauw’
1240 schicht* ‘pijl’
1240 storm* ‘hevige wind’
1240 vorst* ‘vriezend weer’
1240 weer* ‘atmosferische gesteldheid’
1265-1270 hagel* ‘ijskorrels als neerslag’
1285 onweer* ‘donderbui’
1285 regenboog* ‘boog aan de hemel’
1287 mist* ‘verdichting van waterdamp’
1287 vlaag* ‘plotselinge windstoot’
1287 walm* ‘damp’
___  
1300 nevel* ‘damp’
1351 wasem* ‘damp’
1351 weerlicht* ‘bliksem’
1395 schol* ‘drijvend stuk ijs’
___  
1485 ijzel* ‘dunne ijskorst na neerslag’
___  
1573 bui* ‘neerslag’
1573 damp* ‘nevel’
1596 bries ‘koele wind’ <frans
1598 travaat ‘korte stortbui’ <portugees
1599 wervelwind ‘cycloon’ <oudnoor(d)s

[p. 343]

1599-1607 schots* ‘ijsschol’
___  
1610 hoos* ‘wervelwind als een slurf’
1637 passaat ‘wind’ <spaans
1646 moesson ‘periodieke wind, jaargetijde waarin deze wind waait’ <portugees
1657 orkaan ‘hevige stormwind’ <spaans
1658 motregen* ‘fijne regen’
1669 stoom* ‘damp van water’
___  
1734 firn ‘korrelig sneeuwijs’ <duits
1736 noorderlicht* ‘verschijnsel aan de noordelijke hemel’
___  
1817 waas* ‘nevelsluier’
1824 sirocco ‘droge wind’ <italiaans
1824 tyfoon ‘wervelstorm’ <engels
1832 tornado ‘windhoos’ <spaans
1847 föhn ‘warme valwind’ <duits
1847 harmattan ‘verschroeiende West-Afrikaanse wind’ <spaans
1847 mistral ‘bepaalde wind in Zuid-Frankrijk’ <provençaals
1863 cycloon ‘wervelstorm’ <engels
___  
1950 pokkenweer* ‘zeer slecht weer’
1963 smog ‘vervuilde mist’ <engels
1984 kankerweer ‘zeer slecht weer’
1989 el Niño ‘periodieke warme golfstroom in de Stille Oceaan’ <spaans

Het aardrijk is als eerste categorie van de thematische indeling opgenomen omdat ik ervan uitging dat de mens het eerst zijn directe omgeving benoemt. De gegevens bevestigen dit: de meeste woorden voor weersverschijnselen zijn oud en inheems. Zodra we de wereld gingen verkennen, eind zestiende eeuw, duiken de eerste leenwoorden op, en vanaf dat moment zijn de meeste woorden voor weersverschijnselen geleend, hoewel er ook nog inheemse benamingen verschijnen. Verreweg de meeste leenwoorden duiden de naam voor een soort wind aan die in bepaalde streken van de aarde waait: moesson, orkaan, passaat, sirocco, tyfoon.

De woorden kankerweer en pokkenweer zijn niet zozeer opgenomen ter illustratie van de weersoorten, maar om te laten zien hoe na de Tweede Wereldoorlog informele woorden meer in gebruik kwamen en in de woordenboeken werden opgenomen.

4.1.2 Plantenrijk

Van het plantenrijk geef ik als voorbeelden de namen voor granen en die voor vruchten en noten.

[p. 344]

Granen

1101-1200 koren* ‘graan’
1125 mout* ‘ontkiemd graan voor bier’
1170 gort* ‘gepelde gerst’
1189 tarwe* ‘graangewas’
___  
1240 gerst* ‘graangewas’
1240 graan ‘zaadkorrel, koren’ <latijn
1240 rogge ‘graansoort’ <oudslavisch
1252 rijst ‘graansoort’ <frans
1280 haver* ‘korensoort’
1280 spelt* ‘soort tarwe’
___  
1413 boekweit* ‘graansoort’
___  
1567 amelkoren ‘spelt, tarwe’
1577 gierst ‘graangewas’ <?
1581 maïs ‘graansoort’ <spaans
___  
1859 sorghum ‘kafferkoren’ <modern latijn
___  
1918 kafferkoren ‘graansoort’ <afrikaans

Volgens de wetenschappelijke indeling van het plantenrijk zijn de granen een onderdeel van de grassoorten, maar vanwege hun gebruikswaarde voor de mens heb ik ze tot een aparte categorie gemaakt. Granen zijn belangrijke landbouwproducten. De Indo-europeanen hielden zich al met landbouw bezig, zoals uit hun woordenschat blijkt: ze kenden woorden voor ‘zaaien’, ‘ploegen’, ‘graan’, ‘ploeg’ en ‘juk’. Er is zelfs een theorie geponeerd dat de Indo-europeanen de landbouw naar Europa hebben gebracht, maar onder indogermanisten vindt deze theorie weinig bijval.4 Graanproducten (brij, brood, pap en andere meelgerechten) waren in de Lage Landen eeuwenlang de ruggengraat van de volksvoeding, van de Middeleeuwen tot diep in de achttiende eeuw.5

De woorden voor graansoorten zijn oud, en er zitten zeer oude leenwoorden bij (graan, rogge, rijst), want granen waren van oudsher een belangrijk handelsproduct; de graansoorten waarvan de naam geleend is, waren per definitie niet inheems in de Lage Landen. Graan is een van de vele nieuwe producten die de Romeinen in de Romeinse tijd naar de Lage Landen brachten. Zij brachten eveneens het amelkoren (het feit dat dit woord pas in de zestiende eeuw is geattesteerd, zal dus toeval zijn). Een oudere Nederlandse vorm was amer, en het Oudhoogduits (dus het Duits van vóór 1100) kende amar. Het eerste lid van amelkoren is geleend uit het Latijn en hieraan is koren tautologisch toegevoegd. Niet alle genoemde graansoorten werden of worden in de Nederlanden verbouwd, sommige zijn alleen een handelsproduct, zoals rijst: dit werd ingevoerd en was in de Middeleeuwen een duur, maar lang houdbaar product.

Alle graanbenamingen van na de dertiende eeuw betreffen graansoorten die in de Lage Landen niet inheems waren, zelfs boekweit, ondanks het feit dat dit een inheemse naam heeft: boekweit betekent eigenlijk ‘beuktarwe’ en het graan heet zo omdat de korrels overeenkomst vertonen met beukennootjes. De late datering - vijftiende eeuw - wijst erop dat de graansoort hier niet van oudsher groeide, en dit wordt bevestigd door

[p. 345]

extralinguïstische gegevens. Het blijkt dat boekweit in de vijftiende eeuw uit Midden-Azië via Venetië en Antwerpen in Europa is ingevoerd en hier een groot succes werd vanwege de aangename smaak en de korte groeitijd.6

Gierst kwam uit Azië of Afrika en raakte in de zestiende eeuw bekend. De herkomst van het woord gierst is niet zeker. Ook de vorm herse kwam voor en deze is waarschijnlijk ontleend aan Duits Hirse; de vorm met g- kan onder invloed van gerst zijn ontstaan. In de zestiende eeuw werd maïs uit Amerika ingevoerd. Het meest recent is sorghum of met zijn Afrikaanse benaming kafferkoren, een graansoort uit Afrika en Azië. Recentelijk worden bij moderne, al dan niet biologische bakkerijen allerlei nieuwe graannamen genoemd, bijvoorbeeld kamut uit Egypte, maar die hebben de woordenboeken, en mijn bestand, nog niet gehaald.

Vruchten en noten

Hieronder volgt een opsomming van de Nederlandse namen voor vruchten en noten. Zie ook de namen voor groenten, want de scheidslijn tussen groenten en vruchten is niet altijd even scherp: sommige vruchten worden als groente gegeten. Hoewel de vijg in plantkundige zin geen vrucht maar een schijnvrucht is, geldt ze voor de gewone taalgebruiker als een vrucht, en daarom heb ik haar hier ingedeeld.

901-1000 ooft* ‘fruit’
901-1000 vrucht ‘ooft, ongeboren jong’ <latijn
___  
1100 druif* ‘vrucht van de wijnstok’
1100 vijg ‘schijnvrucht’ <frans
1146 appel* ‘vrucht’
1160 braambes* ‘bes van de braamstruik’
___  
1240 braam* ‘vrucht’
1240 kastanje ‘vrucht’ <frans
1240 kers ‘vrucht’ <latijn
1240 mispel ‘vrucht’ <frans
1240 olijf ‘vrucht van olijfboom’ <frans
1240 peer ‘vrucht’ <latijn
1240 perzik ‘vrucht’ <latijn
1251 amandel ‘steenvrucht met eetbare pit’ <latijn
1285 fruit ‘vruchten’ <frans
1285 noot* ‘vrucht’
1287 bei ‘bes’ <frans
___  
1330 kwee ‘vrucht’ <latijn
1350 bes* ‘kleine vrucht’
1350 okkernoot ‘walnoot’
1351 jujube ‘vrucht’ <frans
1351-1400 kriek ‘kers’
1351-1400 limoen ‘citroen’ <frans
1351-1400 moerbei ‘vrucht’

[p. 346]

1377-1378 pruim ‘vrucht’ <grieks
___  
1401-1500 dadel ‘vrucht van dadelpalm’ <frans
1477 meloen ‘komkommerachtige vrucht’ <frans
1477 walnoot ‘okkernoot’
___  
1500 aalbes* ‘vrucht’
1500-1525 morel ‘kers’ <italiaans
1534 granaatappel ‘vrucht van de granaatboom’
1534 oranje(appel) ‘sinaasappel’ <frans
1545 kruisbes* ‘klapbes’
1554 citroen ‘zure vrucht’ <frans
1554 framboos ‘vrucht’ <frans
1562 pompoen ‘vrucht’ <frans
1588 kalebas ‘vrucht’ <frans
1596 ananas ‘vrucht’ <spaans
1596 banaan ‘plant, vrucht’ <portugees
1596 doerian ‘vrucht’ <indonesisch
1596 mango ‘vrucht’ <indonesisch
1596 papaja ‘vrucht’ <spaans
1596 pisang ‘banaan’ <indonesisch
1599 sleepruim ‘heester, vrucht daarvan’
1597 aardbei ‘vrucht’
___  
1602 bacove ‘bananensoort’ <portugees
1602 kokosnoot ‘vrucht van de kokospalm’
1608 tomaat ‘vrucht’ <spaans
1623 kola ‘een West-Afrikaanse noot’ <modern latijn
1625 abrikoos ‘vrucht’ <frans
1625 guave ‘boom en vrucht daarvan’ <engels
1648 pompelmoes ‘grapefruit’ <tamil
1656 renet, reinette ‘appel’ <frans
1670 lychee ‘vrucht’ <chinees
1676 appelsien ‘zuidvrucht’
1678 klapper ‘kokosnoot’ <indonesisch
1682 sinaasappel ‘zuidvrucht’
1689 zuurzak ‘vrucht’ <papiaments
1698 prunel ‘kleine pruim’ <frans
___  
1717 zijdenhemdje ‘soort appel’
1740 pinda ‘olienootje’ <papiaments
1758 kwets ‘pruim’ <duits
1763 reine-claude ‘soort pruim’ <frans
1770 advocaat ‘tropische boom en vrucht’
1778 bellefleur ‘appel’ <frans
1778 meikers ‘vroegrijpe kers’
1779 kanteloep ‘meloen’ <frans

[p. 347]

___  
1800 nectarine ‘soort van perzik’ <engels
1854 mirabel ‘een pruim’ <frans
1855 mandarijn ‘vrucht’ <frans
___  
1929 grapefruit ‘citrusvrucht’ <engels
1942 cranberry ‘veenbes’ <engels
1947 citrusvrucht ‘naam voor vruchten van het geslacht Citrus’
1950 clementine‘variëteit van mandarijn’ <frans  
1950 jaffa ‘sinaasappel’
1961 pecannoot ‘vrucht’
1968 avocado ‘boom, vrucht’ <spaans
1968 cashewnoot ‘notensoort’ <engels
1968 pomelo ‘pompelmoes’ <engels
1977 kiwi ‘vrucht’ <engels
1984 ugli ‘citrusvrucht’ <engels
1992 kumquat ‘citrusvrucht’ <chinees

Verreweg het grootste aantal vruchtnamen is een leenwoord of afleiding daarvan, alleen aalbes, appel, bes, braam, braambes, druif, kruisbes, noot en ooft zijn inheemse woorden (waarbij overigens alleen voor appel een Indo-europese reconstructie bestaat, de andere vruchtnamen zijn van latere datum).7 De samenstellingen aardbei, meikers en sleepruim worden als inheems opgevat, hoewel bei, kers en pruim oorspronkelijk leenwoorden waren. Het geringe aantal inheemse woorden is ongetwijfeld te verklaren uit de klimatologische omstandigheden in de Lage Landen: voordat er kassen gebouwd werden, kon hier slechts een beperkt aantal vruchten groeien.

Vrij veel woorden hebben een tautologisch tweede lid gekregen: citrusvrucht, okkernoot, walnoot (het eerste deel is telkens een Latijns leenwoord), pecannoot (eerste lid uit het Frans), kokosnoot (eerste lid uit het Portugees of Spaans; de vorm coquos is al in 1584 genoemd). Dat geldt ook voor sleepruim: het eerst deel, slee, betekent ook ‘pruim’ en is verwant met Engels sloe en Russisch sliva ‘pruim’. Eigenlijk hoort de sleepruim hier overigens niet thuis, want het is de enige hier genoemde vrucht die we niet eten.

Van begin af aan brachten andere volkeren dus nieuwe aantrekkelijke vruchten, en alle eeuwen brengen hun eigen vruchten. Dat vruchten handelsproducten waren, blijkt ook uit de benaming kriek, die teruggaat op Latijn (prunum) graecum, letterlijk ‘Griekse pruim’. De dateringen zijn een directe weerspiegeling van de ontdekkingsreizen die we vanaf de zestiende, zeventiende eeuw maakten: in de nieuwe continenten leerden we veel nieuwe producten kennen, en de vruchtnamen zijn dan ook uit heel verschillende talen geleend: uit het Chinees, Indonesisch, Italiaans, Portugees, Papiaments, Tamil - een rijk scala aan producten en namen. Weinig categorieën woorden leveren zo'n variëteit aan herkomst op. In de achttiende en negentiende eeuw duiken de namen van nieuw gekweekte variëteiten op: bellefleur, clementine, mirabel, nectarine, reine-claude of het zijdenhemdje, een volksetymologische aanpassing van de Engelse plaatsnaam Sydenham in Devonshire.

De advocaat (1770) is dezelfde vrucht als de later opnieuw geleende avocado (1968):

[p. 348]

advocaat is aangepast aan het Nederlands, in avocado is het Spaanse woord ongewijzigd overgenomen.

4.1.3 Dierenrijk

Gedomesticeerde zoogdieren

Hieronder beschouw ik de dieren die al eeuwen geleden om hun nut voor de mens zijn gedomesticeerd: het vee (geiten en schapen, paarden en paardachtigen, runderen, varkens, kortom de dieren die om hun producten werden en worden gehouden), en de huisdieren honden en katten. De pas vrij recent in huis gehouden cavia, Guinees biggetje, hamster en konijn reken ik onder de wilde dieren (zie hieronder).

Het woord vee (701-800) gaat terug op een Indo-europees woord voor ‘kleinvee’, waarvan ook Latijn pecus afkomstig is. Hiervan afgeleid is in het Latijn pecunia ‘geld’, wat betekent dat vee gold als betalingsmiddel. Dat blijkt ook uit het feit dat Engels fee de betekenis ‘vergoeding, fooi’ gekregen heeft. Vergelijkbaar hiermee is het feit dat het Germaanse woord schat in het Slavisch is geleend als skot' ‘vee’.8

In het Middelnederlands gebruikte men dier (901-1000) voor een wild, niet-gedomesticeerd dier. In het Engels is deer de benaming geworden voor het hert, het favoriete wilde jachtdier. Daarnaast werd aan het Frans het woord beest (1253) ontleend, dat gebruikt werd in de betekenis ‘viervoetig dier’, ‘koe’ en ‘paard’.

De meeste dieren waren al gedomesticeerd in de periode van de Indo-europeanen. Zij kenden woorden voor ‘koe’, ‘os’ (de os werd gebruikt voor het trekken van wagens), ‘geit’, ‘schaap’, ‘lam’, ‘paard’, ‘veulen’, ‘(volwassen) varken’, ‘big’ en ‘hond’. De ezel was niet bekend (hij woonde zuidelijker), net zomin als het konijn, dat pas in de Romeinse tijd uit Spanje kwam.9

Wanneer bepaalde onderscheidingen voor de mens van belang zijn, drukt hij die uit in zijn woordenschat. Een goed voorbeeld daarvan vormen de namen van dieren. Voor wilde dieren is het meestal irrelevant of een dier een mannetje of vrouwtje is, jong, volwassen of van een specifieke leeftijd. Als men het geslacht beslist uit wil drukken, dan gebruikt men een toevoeging en vormt men een samenstelling met wijfjes- of vrouwtjes- tegenover mannetjes-. In sommige gevallen kan men ook de vrouwelijke vorm afleiden van de algemene benaming (die tevens het mannelijke dier aanduidt) door het achtervoegsel -in, vergelijk:

aap (1451-1500) - apin (1451-1500)
beer (1260-1280) - berin (1287)
ezel (1240) - ezelin (1240)
leeuw (901-1000) - leeuwin (1240)
tijger (1240) - tijgerin (1822)
wolf (1001-1100) - wolvin (1287)

Dit procédé is dus al oud. Het achtervoegsel -in kan beslist niet achter alle dierennamen gezet worden, bijvoorbeeld niet bij baviaan, mandril, olifant, wombat. Jongen van wilde dieren worden vaak aangeduid door het verkleinwoord: aapje, olifantje of door -jong: berenjong. Soms neemt men de benaming van een verwant gedomesticeerd dier,

[p. 349]

waaraan ter verduidelijking de algemene benaming kan worden toegevoegd: (wolven-, leeuwen-, tijger)welp, (ezels)veulen. En tot slot kan voor dierennaam jong(e) gezet worden: jonge bever, egel, wezel.

Heel anders is de situatie bij gedomesticeerde dieren. Deze zijn economisch van belang, en geslacht en leeftijd zijn daarbij een belangrijke factor. Daarom bestaan er vaak aparte benamingen voor dieren van een bepaalde leeftijd of geslacht. Zo zien we bij runderen bijvoorbeeld de benaming koe voor het vrouwelijke dier, stier voor het mannelijke dier, kalf voor het heel jonge dier, pink voor een eenjarig (mannelijk of vrouwelijk) kalf, vaars voor een tweejarige koe, en os voor een gecastreerde, dus minder wilde stier (belangrijk bij het ploegen en trekken van een wagen). Het castreren van dieren is typerend voor een bevolking die leeft van de veeteelt en landbouw; in de periode dat de mensen als nomaden meetrokken met de kudden en deze bejaagden, was het juist in hun belang dat de dieren zich zoveel mogelijk vermenigvuldigden.

Leeftijd en geslacht worden bij de gedomesticeerde dieren telkens uitgedrukt door een apart lexicaal begrip en niet door een doorzichtige afleiding of samenstelling van een bestaand woord - hieruit blijkt het belang van het onderscheid.10 Bij de hieronder opgenomen benamingen moet men bedenken dat in de periode dat Nederland een agrarische maatschappij was, het aantal benamingen nog veel groter was, en dat veel van deze benamingen nog voortleven in de dialecten. Overigens bestaan er veel runder- en paardensoorten (lakenvelder, Arabische volbloed), maar die zijn niet opgenomen in het bestand.

Geiten en schapen

___  
701-800 geit* ‘herkauwer’
701-800 lam* ‘jong van een schaap’
___  
901-1000 bok ‘mannetje van de geit’ <?
901-1000 schaap* ‘herkauwer’
901-1000 weer* ‘gecastreerde ram’
___  
1223 ram* ‘mannelijk schaap’
1240 ooi* ‘wijfjesschaap’
___  
1376-1400 hamel* ‘gecastreerde ram’
___  
1477 garm, germ ‘ooi die nog niet gelammerd heeft’ <frans

Er wordt bij de geiten en schapen een onderscheid gemaakt naar leeftijd, geslacht en gecastreerd-zijn, alle woorden zijn oud en inheems behalve garm, en de herkomst van bok is onzeker (wellicht Keltisch, zie 3.2). Weer betekende eigenlijk ‘lam, eenjarig dier’: het woord is verwant met Latijn vitulus ‘kalf’, een afleiding van vetus ‘(een jaar) oud’. Net als varken is weer dus oorspronkelijk de naam van het jong geweest en vervolgens gebruikt voor het volwassen dier, en wel enerzijds het volwassen mannelijke dier, vergelijk Duits Widder ‘ram’, en anderzijds het gecastreerde mannelijke dier, zoals in Nederlands weer.

Het Nederlandse ooi en alle Germaanse benamingen voor het vrouwelijke dier gaan terug op een Indo-europees woord waarmee ‘schaap’ in het algemeen wordt aangeduidt,

[p. 350]

vergelijk Latijn ovis ‘schaap’. Momenteel zijn in het Nederlands geit en schaap zowel de namen voor de vrouwelijke dieren als de algemene benamingen voor de soort (wat betreft de geit geldt dit overigens voor de meeste Indo-europese talen).11 Hieruit blijkt het grote economische belang van de vrouwelijke dieren. Bij wilde dieren duidt de mannelijke naam altijd tevens de soort aan (beer, tijger). Dit is de neutrale vorm, terwijl de vrouwelijke vorm, die een speciaal achtervoegsel krijgt, de afgeleide, gemarkeerde vorm is.

Voor het jong van een geit bestaat geen speciaal woord - noch in het Nederlands noch in de meeste andere Indo-europese talen - terwijl dat voor alle andere gedomesticeerde dieren wel bestaat; een jonge geit wordt geitje genoemd.

Paarden en paardachtigen

___  
701-800 hengst* ‘mannelijk paard’
701-800 merrie* ‘vrouwtjespaard’
701-800 veulen* ‘jong paard’
___  
1240 ezel ‘paardachtige’ <latijn
1240 muil ‘paardachtige’ <latijn
1266-1268 paard ‘hoefdier’ <me latijn
___  
1401-1450 ros ‘paard’ <duits
1460-1486 ruin* ‘gecastreerde hengst’
___  
1542 muildier ‘paardachtige’
1567 schimmel ‘wit paard’ <duits
1596 zebra ‘paardachtige’ <portugees
1599 klepper* ‘paard’
___  
1669 rossinant ‘knol’ <spaans
1682 klophengst ‘ruin’ <duits
___  
1710 knol* ‘(slecht) paard’
1778 hit ‘paardje’
___  
1832 onager ‘paardachtige’ <latijn
1847 pony ‘paardje’ <engels
1863 mustang ‘paardachtige’ <engels
1885 przewalskipaard ‘paardachtige’
___  
1968 lippizaner ‘paardensoort’ <duits
1999 konik ‘paardachtige’ <pools

Het paard was het meest kenmerkende dier van de Indo-europeanen. Zeer oud en inheems zijn de woorden hengst, veulen en merrie; iets jonger is ruin. Een algemene benaming voor ‘paard’ was (h)ors (1240), vergelijk Engels horse. In het Nederlands is dit woord verdwenen, maar het is later teruggeleend uit het Duits in de vorm ros, wat speciaal een fier, edel paard aanduidt. Met (h)ors bedoelde men in het Middelnederlands een oorlogspaard. Uit het Latijn werd paard geleend, wat oorspronkelijk een extra postpaard aanduidde (het woord komt van Latijn paraveredus, van para ‘bij’ en veredus ‘postpaard’); in het Nederlands werd met paard een rijpaard, trekpaard bedoeld, in tegenstelling tot het ridderpaard (h)ors.

[p. 351]

De ezel en de muil of het muildier waren niet bekend bij de Germanen, omdat de dieren zuidelijker woonden; hun namen werden uit het Latijn overgenomen.

De ouderdom van een paard is heel belangrijk voor de waarde ervan; er zijn dan ook vele denigrerende benamingen voor oude, slechte paarden: klepper, knol, rossinant - het laatste is geleend uit het Spaans, waar het paard van Don Quichot Rocinante heette. Hit is afgeleid van Hitlandt, de oude benaming van Shetland, en een hit is dus eigenlijk een Shetlandpony.

De klophengst komt uit het Duits; hij dankt zijn naam aan de wijze van castreren (de testikels worden met een hamer verbrijzeld) en het woord zal samen met de nieuwe techniek overgenomen zijn. Het oudere woord ruin is verwant met rooien ‘ontwortelen, afrukken, afsnijden’.

Paardachtigen leerde men na de Middeleeuwen kennen: de zebra al in de zestiende eeuw, maar de meeste in de negentiende en twintigste eeuw. De benamingen van al deze niet-inheemse dieren zijn uiteraard geleend.

Runderen

___  
701-800 maal *‘jonge koe’
701-800 os* ‘gecastreerde stier’
___  
901-1000 kalf* ‘jong van een koe’
901-1000 koe* ‘herkauwer, vrouwelijk rund’
901-1000 stier* ‘mannelijk rund’
___  
1240 vaars* ‘tweejarig vrouwelijk rund’
1281 bul* ‘stier’
___  
1377-1378 rund* ‘herkauwer’
___  
1444 kween* ‘onvruchtbare koe’
___  
1514 pink ‘eenjarig kalf’ <?
1599 enter* ‘eenjarige koe’

Bij de runderen vinden we een groot aantal onderscheidingen in leeftijd (belangrijk vanwege de melk- en vleesproductie) en geslacht. Alle namen zijn oud en inheems, alleen van pink is de herkomst onbekend (misschien een lokroep?). Os is verwant met Grieks hugros ‘vochtig’ en betekende dus eigenlijk ‘de bevruchter’, dus het mannelijke dier; later is het voor het gecastreerde dier gebruikt.

Varkens

___  
701-800 bagge* ‘big’
701-800 barg* ‘gecastreerd mannelijk varken’
701-800 gelte* ‘jong vrouwtjesvarken, m.n. een dat onvruchtbaar gemaakt is’
701-800 viggen* ‘big’
___  
1155 varken* ‘hoefdier’
___  
1220-1240 zwijn* ‘hoefdier’
1253 speenvarken* ‘jong varken’

[p. 352]

1287 beer* ‘mannetjesvarken’
1287 zeug* ‘vrouwtjesvarken’
___  
1573 big* ‘jong van het varken’
___  
1886 schram* ‘gecastreerd jong varken’

Het Duitse woord Sau en het Engelse sow ‘zeug’ gaan direct terug op de Indo-europese voorganger. In het Indo-europees was de naam klanknabootsend gevormd en werd het gebruikt voor het volwassen dier; vanwege het economische belang van het vrouwelijke dier ging het woord in de Germaanse talen het vrouwtjesdier aanduiden. In het Nederlands zijn zowel zeug als zwijn afleidingen van deze Indo-europese wortel: zeug is afgeleid met een k-suffix, en zwijn is afgeleid met het achtervoegsel -ino, waarmee een bijvoeglijk naamwoord werd gevormd; zwijn betekent dus eigenlijk ‘bij het varken behorend’. Ditzelfde achtervoegsel werd vooral gebruikt om dierenjongen mee aan te duiden: we vinden het bijvoorbeeld in veulen en kuiken.12

Het tweede deel van het Nederlandse woord varken is waarschijnlijk het verkleiningsachtervoegsel -(i)kīn (vergelijk jongske uit Middelnederlands joncskine, joncskijn).13 Het Indo-europese woord waarop Nederlands varken teruggaat, duidde de ‘big’ aan; de benaming voor het jonge dier is in het Nederlands dus de algemene naam geworden, net als bij ooi.14 In het Nederlands is het gewone woord varken; zwijn is officieel synoniem, maar wordt meestal in de combinatie wild zwijn voor het niet-gedomesticeerde dier gebruikt. Een andere benaming voor het wilde zwijn is ever (1287).

Net als bij de andere gedomesticeerde dieren zijn er bij de varkens een groot aantal onderscheidingen in leeftijd en geslacht, en zijn alle namen oud en inheems. Alleen schram is jong: dit is hetzelfde woord als schram ‘kras’ (afgeleid van scheren) en het zal dieren aanduiden die op een nieuwe manier gecastreerd zijn. De oudere benaming voor een gecastreerd varken was barg, een woord dat verwant is met Latijn ferire en dus net als klophengst verwees naar het verbrijzelen van de testikels. Bij de schram werden deze gezien de naam er kennelijk afgesneden.

Honden en hondensoorten

___  
901-1000 hond* ‘hondachtige’
901-1000 welp* ‘jong van hond, wolf, leeuw e.d.’
___  
1240 teef* ‘wijfjeshond’
1285 reu ‘mannetjeshond’ <?
1287 brak* ‘hondensoort’
___  
1376-1400 hazewind* ‘hondensoort’
___  
1546 dog ‘hondensoort’ <engels
1567 bloedhond ‘hondensoort’ <engels
1567 windhond* ‘hondensoort’
___  
1614 patrijshond ‘hondensoort’
1661 rekel ‘mannetjeshond’ <nederduits
___  
1729 buldog ‘hondensoort’ <engels
1778 mops* ‘hondensoort’

[p. 353]

___  
1804 poedel ‘hondensoort’ <duits
1810 dashond ‘hondensoort’ <duits
1811 herdershond* ‘hondensoort’
1834 newfoundlander ‘hondensoort’ <engels
1835 sint-bernardshond ‘hondensoort’
1838 taks ‘hondensoort’ <duits
1841 kardoes ‘hondensoort’
1841 kees ‘hondensoort’
1847 pincher ‘hondensoort’ <duits
1847 terriër ‘hondensoort’ <engels
1862 bullenbijter ‘hondensoort’ <engels
1863 beagle‘ hondensoort’ <engels
1864-1875 pointer ‘hondensoort’ <engels
1865 basset ‘hondensoort’ <frans
1865 spaniël ‘hondensoort’ <engels
1867 spits ‘hondensoort’ <duits
1869 mastiff ‘hondensoort’ <engels
1876 labrador ‘hondensoort’ <engels
1889 foxterriër ‘hondensoort’ <engels
1889 puk ‘hondensoort’ <engels
1889 setter ‘hondensoort’ <engels
___  
1900-1908 greyhound‘hondensoort’ <engels  
1909-1910 boxer ‘hondensoort’ <engels
1912 barzoi, borzoi ‘hondensoort’ <russisch
1912 bulterriër ‘hondensoort’ <engels
1912 collie ‘hondensoort’ <engels
1914 does ‘hondensoort’
1914 schipperke* ‘hondensoort’
1918 chihuahua ‘hondensoort’ <engels
1918 dalmatiner ‘hondensoort’ <duits
1919 airedaleterriër ‘hondensoort’ <engels
1919 dobermannpincher ‘hondensoort’ <duits
1923 whippet ‘hondensoort’ <engels
1928 rottweiler ‘hondensoort’ <duits
1931 chow-chow ‘hondensoort’ <engels
1932 pekinees ‘hondensoort’ <engels
1936 bouvier ‘hondensoort’ <frans
1940 cockerspaniël ‘hondensoort’ <engels
1940 husky ‘hondensoort’ <engels
1940 pup ‘jonge hond’ <engels
1940 retriever ‘hondensoort’ <engels
1940 saluki ‘hondensoort’ <arabisch
1940 schnautzer ‘hondensoort’ <duits

[p. 354]

1940 sheltie ‘hondensoort’ <engels
1940 teckel ‘hondensoort’ <duits
1950 puppy ‘jonge hond’ <engels
1950 samojeed ‘hondensoort’
1961 stabij ‘hondensoort’ <fries
1984 pitbullterriër ‘hondensoort’ <engels

De hond was bij de Indo-europeanen al gedomesticeerd. De mens is al vroeg begonnen met het fokken van gespecialiseerde honden: snelle honden voor de jacht, kleine honden om in konijnenholen te gaan, sterke honden voor bewaking en hondengevechten, gehoorzame honden om de schapen bijeen te drijven, en handzame honden als schoothondjes. Het gevolg is dat we vooral na de Middeleeuwen een zeer groot aantal benamingen voor hondensoorten zien optreden, vrijwel allemaal geleend uit andere talen.

De basisbegrippen hond, teef en welp zijn oud en inheems, de herkomst van reu is onzeker. Verder zijn alleen de benamingen brak, hazewind, herdershond, mops, schipperke en windhond inheems. Welk land in de hondenfokkerij het voortouw genomen heeft, is overduidelijk: het Engels heeft 30 namen voor hondensoorten geleverd, tegen het Duits een niet onverdienstelijke 11 en het Frans slechts 2. In het Engels is dog het gewone woord voor hond; wij gebruiken het echter voor een bepaald soort grote hond.

Katten en kattensoorten

___  
1210-1240 kat ‘katachtige’ <latijn
1297 kater ‘mannetjeskat’
___  
1561 poes* ‘vrouwelijke kat’
___  
1661 cyperse kat ‘grijs gestreepte kat’
___  
1761 kartuizer ‘kattensoort’
1770 angorakat ‘kattensoort’
___  
1926 lapjeskat ‘driekleurige kat’
1934 siamees ‘kattensoort’ <engels
1951 abessijn ‘kattensoort’ <engels
1961 tabby ‘kat met cyperse tekening’ <engels
1971 pers‘ kattensoort’
1974 je-weet-wel-kater ‘gecastreerde kater’
1984 kitten ‘jonge kat’ <engels
1984 manxkat ‘kattensoort’

Aan poezen is door de mens veel minder gesleuteld dan aan honden, en het aantal kattensoorten is dan ook veel kleiner dan het aantal hondensoorten. Hierboven de bekendste. De Germanen kenden de tamme kat nog niet. Deze komt uit Egypte. Toen Egypte onderdeel van het Romeinse rijk werd, leerden de Romeinen de huiskat kennen. Ze namen katten mee over het hele Rijk, als muizen- en rattenvangers en voor de gezelligheid, en zo leerden ook de Germanen de kat kennen.

De enige inheemse benaming voor dit dier is het zestiende-eeuwse poes, een klank-

[p. 355]

nabootsend woord ofwel naar het geblaas van het dier, ofwel naar de lokroep die de mens tegen de poes gebruikt. De andere benamingen zijn geleend of afleidingen van leenwoorden; als brontaal speelt het Engels opnieuw de hoofdrol, net als bij de hondensoorten.

Opvallend is dat het jong van de kat en van de hond een Engelse benaming heeft: kitten en puppy of pup. Deze benamingen komen ongetwijfeld uit de fokkerijwereld. Daarnaast bestaat voor een jonge hond nog de oude inheemse benaming welp, maar voor een jonge kat heb ik geen aparte benaming kunnen vinden. Zou dat komen omdat de Germanen het dier pas ‘laat’ hebben leren kennen? (De andere aparte benamingen voor een jong dier stammen merendeels al uit de Indo-europese periode.) Of was de aanduiding (jong) poesje voldoende, omdat een jonge kat verder geen economische waarde heeft en het dier bovendien maar korte tijd jong is?

Een eufemistische benaming is het recente je-weet-wel-kater voor een gecastreerde kater, die komt uit de strip Jan, Jans en de kinderen.

Wilde zoogdieren

Het aantal wilde zoogdieren is zo groot dat ik ze in twee categorieën verdeel: de dieren waarvan de naam inheems is en die waarvan de naam geleend is.

Inheemse benamingen

___  
822-825 hinde* ‘wijfje van hert’
830 otter* ‘marterachtige’
___  
901-1000 hert* ‘herkauwer’
901-1000 vos* ‘hondachtige’
918-948 bever* ‘knaagdier’
___  
1001-1100 wolf* ‘hondachtige’
___  
1100 ree* ‘herkauwer, wijfjeshert’
1145 wisent* ‘herkauwer’
1150 bunzing* ‘marterachtige’
1163 walvis* ‘walvisachtige’
___  
1240 egel* ‘insectenetend zoogdier’
1240 haas* ‘haasachtige’
1240 muis* ‘knaagdier’
1240 rat*‘knaagdier’  
1240 vleermuis* ‘handvleugelig zoogdier’
1240 wezel* ‘marterachtige’
1260-1280 beer* ‘roofdier’
1270 mol* ‘insectenetend zoogdier’
1287 das* ‘marterachtige’
1287 eekhoorn* ‘knaagdier’
1287 ever* ‘hoefdier’
1287 zeekoe* ‘zeezoogdier’
1293 zeehond* ‘zeeroofdier’

[p. 356]

___  
1451-1500 aap* ‘primaat’
1451-1500 los* ‘katachtige’
1477 meerkat* ‘hondsaap’
___  
1514 rob* ‘zeeroofdier’
1573 relmuis* ‘knaagdier’
1599 brandvos* ‘hondachtige’
___  
1691 neushoorn* ‘hoefdier’
___  
1761 butskop* ‘walvisachtige’
1761 miereneter* ‘tandarm zoogdier’
1761 schubdier* ‘insectenetend zoogdier’
1761 stekelvarken* ‘knaagdier’
1761 stinkdier* ‘marterachtige’
1781 visotter* ‘marterachtige’
1781 zevenslaper* ‘knaagdier’
1788 ijsbeer* ‘soort beer’
___  
1857 wasbeer* ‘kleine beer’
1857-1858 klipdas* ‘plantenetend zoogdier’
1864 gordeldier* ‘tandarm zoogdier’
___  
1901-1910 woelrat* ‘knaagdier’
1914 mensaap* ‘primaat’

Het feit dat een naam inheems is, wil niet per definitie zeggen dat ook het dier dat is. Soms kan dat niet, zoals bij in zee levende dieren als de walvis. Maar in andere gevallen is een inheemse benaming gegeven aan een dier dat hier later is ingevoerd, zoals de aap, meerkat en soortgenoten die als attractie golden, of aan een dier dat we op een ander continent hebben leren kennen, zoals de miereneter, neushoorn, zevenslaper en het schubdier, stekelvarken en stinkdier.

De regel blijkt als volgt: alle oude inheemse benamingen, van de dertiende eeuw of ouder, betreffen inheemse dieren; alle benamingen van na de dertiende eeuw betreffen niet-inheemse dieren. Er is maar één uitzondering: de brandvos, een benaming voor een speciaal soort vos. Dit dier is inheems en pas in 1599 benoemd - vóór die tijd zal het onderscheid tussen een ‘gewone’ vos en de brandvos simpelweg niet zijn gemaakt.

De meeste benamingen voor wilde zoogdieren dateren van de dertiende eeuw of eerder en betreffen dus inheemse dieren. Na die tijd vinden we 20 benamingen voor ‘nieuwe’ dieren - voor de meeste nieuwe dieren heeft het Nederlands echter de benaming uit een andere taal overgenomen, zoals hieronder blijkt: het toekennen van een zelfverzonnen naam gebeurde slechts in uitzonderlijke gevallen.

De beer, bever en haas zijn naar hun kleur genoemd: beer en bever zijn afgeleid van een Indo-europees woord voor ‘bruin’ (Bruintje Beer is dus een tautologie) en haas van een woord voor ‘grijs’. Bij de benaming van de beer is een oud taboe in het spel; men was zo bang voor het dier dat men zijn echte naam niet noemde uit angst dat hij anders zou verschijnen.

Zeehond is waarschijnlijk een eigen vorming, wellicht als vertaling van de Latijnse

[p. 357]

naam canis marinus.15 In het Middelnederlands bestond ook de benaming sele, sale (1288-1301), verwant met Engels seal. Het is niet waarschijnlijk dat zeehond een volksetymologische aanpassing is van seelhont, omdat deze laatste tautologische samenstelling pas in 1400-1434 voor het eerst is aangetroffen, terwijl zowel sele als zeehond al in de dertiende eeuw zijn gevonden.

Geleende benamingen: knaagdieren

Voor de overzichtelijkheid verdeel ik de geleende namen in die van knaagdieren, hoefdieren, roofdieren en overige dieren.

1515 hamster ‘knaagdier’ <duits
1542 mormeldier ‘knaagdier’ <duits
___  
1761 Guinees biggetje ‘knaagdier’
1761 lemming ‘knaagdier’ <noors
1761 marmot ‘knaagdier’ <frans
___  
1840 chinchilla ‘knaagdier’ <spaans
1853 cavia ‘knaagdier’ <modern latijn
1860 ziesel ‘knaagdier’ <duits
1872 bisamrat ‘knaagdier’ <duits
1883 capibara ‘knaagdier’ <spaans
___  
1950 nutria ‘knaagdier’ <spaans
1984 gerbil ‘knaagdier’ <engels

Alle geleende namen voor knaagdieren dateren van de zestiende eeuw of later. Diverse namen komen uit het oosten, waar die diertjes woonden. Het Nederlands heeft hun namen vooral geleend uit het Duits (bisamrat, mormeldier) en deze taal heeft de namen soms weer nog verder uit het oosten geleend, uit het Russisch (hamster, ziesel). Ook het Spaans heeft een aantal knaagdiernamen geleverd.

Geleende benamingen: hoefdieren

___  
1240 dromedaris ‘hoefdier’ <latijn
1240 kameel ‘hoefdier’ <latijn
1287 buffel ‘herkauwer’ <frans
___  
1456-1489 eland ‘herkauwer’ <duits
___  
1515 gems ‘herkauwer’ <duits
1562 damhert ‘herkauwer’
1588 giraffe ‘herkauwer’ <frans
___  
1622 antilope ‘herkauwer’ <frans
1654 rinoceros ‘hoefdier’ <latijn
1682 tapir ‘hoefdier’ <portugees of spaans
___  
1714 rendier ‘herkauwer’ <duits
1720 gazelle ‘herkauwer’ <frans
1743 nijlpaard ‘hoefdier’

[p. 358]

1762 koedoe ‘herkauwer’ <frans
1770 bizon ‘herkauwer’ <frans
1770 zeboe ‘herkauwer’ <frans
1773 hippopotamus ‘hoefdier’ <latijn
1777 vicuña ‘hoefdier’ <spaans
1786 karbouw ‘herkauwer’ <indonesisch
1799 pekari ‘hoefdier’ <frans
___  
1803 gnoe ‘herkauwer’ <duits
1807 alpaca ‘hoefdier’ <spaans
1847 guanaco ‘hoefdier’ <spaans
1847 lama ‘hoefdier’ <spaans
1852 oeros ‘herkauwer’ <duits
1857 moeflon‘herkauwer’ <frans  
1857-1858 jak ‘herkauwer’ <engels
___  
1912 okapi ‘herkauwer’ <engels
1914 muntjak ‘herkauwer’ <modern latijn
1929 kariboe ‘herkauwer’ <frans
1950 wapitihert ‘herkauwer’
1961 impala ‘herkauwer’ <zoeloe
1984 oryx ‘herkauwer’ <latijn

De taal waaruit de namen voor hoefdieren het meest zijn overgenomen, is het Frans, gevolgd door Latijn en Duits. De achttiende eeuw levert de meeste namen, wat zal samenhangen met de exploratie van de dieren- en plantenwereld in de nieuw ontdekte continenten.

Voor eland kende het oudste Nederlands overigens een uit het Germaans geërfd woord - in de elfde eeuw is elo genoemd. Waarschijnlijk omdat het dier hier niet inheems was, verdween de naam. In het Duits bleef Elch als naam voortbestaan, maar in de Vroegnieuwduitse periode, toen het dier steeds noordelijker verbleef en in Duitsland zeldzaam werd, nam het Duits daarnaast uit het Litouws als nieuwe naam Elen en tautologisch Elentier over. Deze naam heeft het Nederlands op zijn beurt overgenomen van het Duits.

Tautologische samenstellingen zijn damhert (dam uit het Latijn) en wapitihert (wapiti uit het Engels). Nijlpaard is een vertaling van Grieks hippopotamos, letterlijk ‘rivierpaard’, met substitutie van rivier door Nijl.

Geleende benamingen: roofdieren

___  
901-1000 leeuw‘ katachtige’ <latijn
___  
1240 tijger‘ katachtige’ <latijn
1285 luipaard ‘katachtige’ <frans
1287 fret ‘marterachtige’ <frans
1287 genetkat ‘civetkat’
1287 hermelijn ‘marterachtige’ <me latijn

[p. 359]

1287 lynx ‘katachtige’ <latijn
___  
1343-1344 marter ‘marterachtige’ <frans
___  
1477 panter ‘katachtige’ <duits
___  
1552 hyena ‘hyena-achtige’ <latijn
1596 civetkat ‘roofdier’
___  
1653 jakhals ‘hondachtige’ <frans
___  
1710 veelvraat ‘marterachtige’ <nederduits
1761 coati ‘kleine beer’ <spaans
1761 ichneumon ‘civetkat’ <latijn
1761 sabeldier ‘marterachtige’
1770 jaguar ‘katachtige’ <engels
1770 ocelot ‘katachtige’ <frans
1770 poema ‘katachtige’ <spaans
___  
1861 zorillo ‘marterachtige’ <portugees
1869 dingo ‘hondachtige’ <engels
1872 caracal ‘katachtige’ <frans
1872 serval ‘katachtige’ <modern latijn
1882 aardwolf ‘hyena-achtige’ <afrikaans
1884 ratel ‘marterachtige’ <afrikaans
___  
1902 fennek ‘hondachtige’ <arabisch
1909-1910 nerts ‘marterachtige’ <duits
1909-1910 zorilla ‘marterachtige’ <spaans
1912 coyote ‘hondachtige’ <spaans
1912 skunk ‘marterachtige’ <engels
1919 grizzlybeer ‘soort beer’ <engels
1947 cheeta ‘katachtige’ <engels
1968 warrigal ‘hondachtige’ <engels
1976 irbis ‘katachtige’ <russisch
1976 margay ‘katachtige’ <frans
1984 kodiakbeer ‘soort beer’

Namen van roofdieren komen in gelijke mate uit het Latijn en Frans (waaruit ook de tautologische samenstellingen civetkat en genetkat komen), in mindere mate uit het Engels. Ditmaal komen de meeste benamingen uit de twintigste eeuw, gevolgd door de achttiende en de negentiende eeuw, die ongeveer evenveel woorden leveren: veel roofdieren zijn dus pas relatief laat (algemeen) bekend geworden. In de negentiende eeuw ontstonden de openbare dierentuinen, waar iedereen de wilde dieren kon aanschouwen. Daarnaast levert de dertiende eeuw allerlei benamingen op van roofdieren die we via het Latijn (in de Latijnse tijd, via bestiaria of uit de bijbel) hebben leren kennen.

Naast de geleende naam lynx (1287) werd het inheemse los (1451-1500) gebruikt voor hetzelfde dier. Dit is van oorsprong precies hetzelfde woord als lynx: de -s in het Nederlands is ontstaan uit -xs, vergelijk Oudhoogduits luks. De datering van los zal toevallig zo laat zijn, want de naam komt voor in het Oudhoogduits. Waarom er een inheemse

[p. 360]

naast een geleende naam bestaat, is niet helemaal duidelijk: mogelijkerwijs is de geleende naam overgenomen uit schriftelijke bronnen (de eerste attestatie van lynx is Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant, een bewerking van een Latijnstalig encylopedisch werk), en realiseerde men zich niet dat het om hetzelfde dier als de los ging. Uit de geringe klankaanpassing van het woord blijkt wel dat het pas na de Romeinse tijd is geleend: alle woorden die uit die oudste periode dateren, zijn in spelling geheel aangepast aan het Nederlands: dat zou geleid hebben tot links.

Overige geleende benamingen

___  
1240 konijn ‘haasachtige’ <frans
1240 olifant ‘slurfdier’ <frans
1287 dolfijn ‘walvisachtige’ <frans
___  
1573 baviaan ‘hondsaap’ <frans
1588 tuimelaar ‘walvisachtige’
1594 walrus ‘zeeroofdier’ <zweeds
1599 spitsmuis ‘insectenetend zoogdier’ <duits
___  
1619 zeeleeuw ‘zeeroofdier’
1634 potvis ‘walvisachtige’
1652-1662 orang-oetan(g) ‘mensaap’ <indonesisch
1660 narwal ‘walvisachtige’ <deens of noors
1662 opossum ‘buideldier’ <engels
___  
1718 ai ‘tandarm zoogdier’ <portugees
1718 lamantijn ‘zeekoe’ <frans
1768 luiaard ‘tandarm zoogdier’
1770 maki ‘halfaap’ <frans
1774 kangoeroe ‘buideldier’ <engels
1779 aardvarken ‘buistandig zoogdier’ <afrikaans
1784 gibbon ‘mensaap’ <frans
___  
1803 vogelbekdier ‘waterzoogdier’
1824 lemur ‘halfaap’ <latijn
1827 manis ‘schubdier’ <modern latijn
1843 klapmuts ‘zeeroofdier’
1847 beloega ‘walvisachtige’ <russisch
1847 chimpansee ‘mensaap’ <frans
1847 lori ‘halfaap’ <frans
1847 mandril ‘hondsaap’ <engels
1847 pongo ‘mensaap’ <kongolees
1854 kalong ‘vleermuis’ <indonesisch
1857 gorilla ‘mensaap’ <modern latijn
1861 wombat ‘buideldier’ <engels
1862 ork(a) ‘walvisachtige’ <latijn
1863 doejoeng ‘zeekoe’ <indonesisch
1864 grind, griend ‘walvisachtige’ <deens

[p. 361]

1889 wau-wau ‘mensaap’ <indonesisch
___  
1909 koala ‘buideldier’ <engels
1914 hoelman ‘hondsaap’
1929 makaak ‘hondsaap’ <portugees
1968 wallaby ‘buideldier’ <engels
1976 pangolin ‘schubdier’ <indonesisch

De namen van de overige dieren komen in de eerste plaats uit het Frans, vervolgens uit het Engels en Indonesisch. In deze categorie zitten een aantal woorden die inheems gevoeld zijn maar met oorspronkelijke leenwoorden of geleende achtervoegsels zijn gevormd, zoals klapmuts, potvis, tuimelaar, vogelbekdier en zeeleeuw. Dat we konijn ontleend hebben aan Oudfrans conin, lijkt verbazingwekkend. Het dier kwam echter pas in de Romeinse tijd uit Spanje naar de rest van Europa, en bereikte Nederland via Frankrijk. Het woord stamt waarschijnlijk uit de jachttaal. Inheems was haas - niet hetzelfde dier, maar er wel sterk op gelijkend.

De naam olifant is geleend uit het Oudfrans; deze naam heeft de oudere benaming elpendier verdrongen, waarin elpen via het Latijn teruggaat op Grieks elephas ‘olifant’. In het Middelnederlands noemde men ivoor elpenbeen. Elpen is in de Romeinse tijd geleend.

 

Op basis van de gegevens kunnen we stellen: inheemse wilde zoogdieren hebben nooit een geleende naam ofwel: alle geleende dierennamen zijn van dieren die, in ieder geval van oorsprong, niet in de Lage Landen voorkwamen. Het is maar zelden dat we zo'n regelmatige verhouding zien tussen de woordenschat en de realia waarnaar die verwijst.

De herkomst van de namen van wilde dieren is nogal variabel, hoewel de grote cultuurtalen de overhand hebben. Dat is logisch: meestal is een woord eerst vanuit een inheemse taal (een indianentaal, een Aziatische taal, een taal van de Australische aboriginals of de Nieuw-Zeelandse maori's) in een van deze talen terechtgekomen, voordat het overgenomen werd door het Nederlands. Als we alle geleende namen voor wilde dieren samen bekijken, blijkt dat de meeste namen (27) uit het Frans komen (de taal die eeuwenlang de cultuurtaal van Europa is geweest), gevolgd door het Latijn (18). Uit het Engels zijn 15 wildedierennamen geleend, uit het Duits 12 en uit het Spaans 11. Andere talen hebben slechts een geringe bijdrage geleverd.

Dat Latijn ‘maar’ 18 woorden heeft bijgedragen, is opmerkelijk als men bedenkt dat via het Latijn op vele manieren en gedurende lange tijd - twintig eeuwen! - dierennamen zijn verspreid. In de Romeinse tijd hebben we nieuwe dieren van de Romeinen leren kennen, die deels handelsproducten waren, zoals de zoogdieren damhert, kat en lynx, de vogels kwakkel, merel, mus, pauw, valk en de vis zalm. In de Middeleeuwen werden allerlei bestiaria en boeken over dieren, planten, gesteenten e.d. geschreven, meestal een vertaling of bewerking van een Latijns origineel. Het oudste en bekendste is Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant (ca. 1230-ca. 1300). Zo kwamen allerlei Latijnse namen voor dieren, planten en edelstenen in het Nederlands. Enkele exotische dieren zijn dankzij de bijbel bekend geworden. Het is dus lang niet altijd zeker via welke weg een bepaald

[p. 362]

woord hier gekomen is. Waarschijnlijk kennen we uit bestiaria de zoogdieren hermelijn en tijger, en verder de slang boa, het insect cicade en de vogel ibis. Uit de bijbel komen dromedaris, kameel en leeuw. Vissoorten zoals barbeel, lamprei, oester werden bekend via de visvijvers die bij kloosters aangelegd waren vanwege de vastenwetten, waarbij op sommige dagen geen vlees gegeten mocht worden.

Wetenschappelijke plant- en dierennamen kennen een tweeledige of binomiale opbouw, die is ingevoerd door Carolus Linnaeus (1707-1778) en die verplicht in het (modern) Latijn is. Dit betekent dat iedere wetenschappelijke naam uit twee delen bestaat: de naam van het geslacht (met een hoofdletter geschreven) en die van de soort (het epitheton, met een kleine letter). Een aantal van die wetenschappelijke namen vindt uiteindelijk zijn weg naar de volkstaal, zoals cavia, hippopotamus en manis.

De geleende dierennamen komen uit alle eeuwen, maar het hoogtepunt ligt in de negentiende eeuw (34 namen); de achttiende en twintigste eeuw brachten ieder ongeveer 25 nieuwe namen, en de ontdekkingseeuwen, de zestiende en zeventiende, slechts 11 respectievelijk 9: de namen zijn kennelijk met enige vertraging binnengekomen.

Van de Latijnse leenwoorden dateert ongeveer de helft uit de dertiende eeuw of eerder (uit de Romeinse tijd, bijbel en vertalingen van Latijnse bestiaria). Dan is er een groot gat tot de zestiende eeuw. In de Renaissance worden weer enkele namen overgenomen, maar de meeste namen komen toch uit de negentiende en twintigste eeuw - het gaat dan om wetenschappelijke namen die in de volkstaal zijn beland. Dat gebeurt tot op de dag van vandaag.

4.1.4 Mensenwereld

Ter illustratie van woorden die op mensen betrekking hebben, geef ik de namen van familieleden en woorden die leeftijdsfasen van de mens aanduiden.

Familieleden

776-800 vader* ‘verwekker’
776-800 zoon* ‘mannelijk kind t.o.v. de ouders’
___  
806 telg* ‘spruit’
___  
901-1000 broeder* ‘mannelijk kind m.b.t. kinderen van dezelfde ouders’
901-1000 bruidegom* ‘in ondertrouw opgenomen man’
901-1000 dochter* ‘kind van het vrouwelijk geslacht’
901-1000 kind* ‘jong mens, zoon of dochter’
901-1000 man* ‘mens van mannelijk geslacht’
901-1000 moeder* ‘vrouw met kinderen’
901-1000 weduwe* ‘vrouw van wie de echtgenoot is overleden’
901-1000 wees* ‘kind zonder ouders’
1100 maagd* ‘ongerepte jonge vrouw’
___  
1100 wijf* ‘vrouw (pejoratief)’

[p. 363]

1100 zuster* ‘vrouwelijk kind m.b.t. kinderen van dezelfde ouders’
___  
1220-1240 maag* ‘verwant’
1220-1240 nicht* ‘dochter van broer, zus, oom of tante’
1220-1240 zwager* ‘schoonbroer’
1236 mens* ‘(m.) hoogst ontwikkelde wezen’
1237 voogd ‘belangenbehartiger van minderjarige’ <me latijn
1240 bruid* ‘in ondertrouw opgenomen vrouw’
1240 moei* ‘tante’
1240 neef* ‘zoon van broer, zus, oom of tante’
1240 oom* ‘broer van vader of moeder’
1240 stiefmoeder* ‘tweede moeder’
1240 stiefvader* ‘tweede vader’
1240 stiefzoon* ‘zoon uit eerder huwelijk’
1240 vrouw* ‘mens van vrouwelijk geslacht’
1265-1270 voorzaat* ‘voorvader’
1273 bastaard ‘onwettig kind, rasloos dier’ <frans
1285 snaar* ‘schoondochter’
1287 ouder* ‘vader of moeder’
1330 meter ‘doopmoeder’ <me latijn
1350 vondeling* ‘gevonden kind’
1357 gade* ‘echtgenoot, echtgenote’
___  
1405-1422 weduwnaar ‘man wiens vrouw is overleden’
1425-1430 nazaat* ‘nakomeling’
1437 spruit* ‘kind’
1451-1500 concubine ‘bijzit’ <frans
1451-1500 juffrouw* ‘(ongehuwde) vrouw’
1470 schoonzoon* ‘behuwdzoon’
1477 schoondochter* ‘behuwddochter’
1477 schoonmoeder* ‘behuwdmoeder’
1477 schoonvader* ‘behuwdvader’
1479 jongen* ‘mannelijk kind’
1482 grootmoeder* ‘moeder van iemands vader of moeder’
___  
1512 man* ‘echtgenoot’
1512 vrouw* ‘echtgenote’
1519-1524 peet ‘peter of meter’
1545 grootvader* ‘vader van iemands vader of moeder’
1555 schoonbroer* ‘zwager’
1555 schoonzuster* ‘behuwdzuster’
1573 overgrootmoeder* ‘moeder van iemands grootvader of grootmoeder’

[p. 364]

1573 overgrootvader* ‘vader van iemands grootvader of grootmoeder’
1580 gemaal ‘echtgenoot’ <duits
1588 eega* ‘echtgenoot, echtgenote’
1592 echtbreker ‘die de huwelijkstrouw schendt’ <duits
1599 bijzit* ‘concubine’
1599 kozijn ‘neef’ <frans
___  
1629 gemalin ‘echtgenote’ <duits
1629 meisje* ‘vrouwelijk kind’
1631 echtgenoot* ‘man met wie iemand getrouwd is’
1631 echtgenote* ‘vrouw met wie iemand getrouwd is’
1642 papa ‘vader’ <frans
1643 pupil ‘minderjarige onder voogdij’ <frans
1650 maîtresse ‘bijzit’ <frans
1661 kleinzoon* ‘mannelijk kleinkind’
1663 mama ‘moeder’ <frans
1682 peer ‘vader’ <frans
___  
1747 vrijgezel* ‘ongehuwde man of vrouw’
1760 kleindochter* ‘vrouwelijk kleinkind’
1763 betovergrootmoeder* ‘moeder van iemands overgrootouder’
1782 tante ‘(schoon)zuster van vader of moeder’ <frans
1784 achterkleinkind* ‘kind van een kleinkind’
1784-1785 mens* ‘(o.) minachtend voor een vrouw’
___  
1839 betovergrootvader* ‘vader van iemands overgrootouder’
1851 nonkel ‘oom’ <frans
1860 koter ‘Bargoens: kind’ <jiddisch
1872 oma ‘grootmoeder’
1886 maintenee ‘bijzit’
1897 opa ‘grootvader’
___  
1902 opoe* ‘grootmoeder’
1971 buitenvrouw ‘elders wonende bijzit’ <surinaams-nederlands
1975 kutzwager* ‘man die met dezelfde vrouw geslapen heeft’
1981 bommoeder ‘vrouw die haar kind alleen wenst op te voeden’ <l
1982 ex ‘voormalig echtgenoot of echtgenote’ <engels
1984 alleenstaande* ‘vrijgezel’
1989 single‘ vrijgezel’ <engels
1991 solo ‘vrijgezel’ <engels
1992 liefdesbaby ‘buitenechtelijk kind’
1998 kids ‘kinderen’ <engels

[p. 365]

Jongen en meisje kunnen zowel bij familie als bij leeftijdsfasen worden ingedeeld; ik heb gekozen voor familie. Titels die als aanspreekvorm voor een (on)gehuwd persoon gebruikt worden, heb ik weggelaten, bijvoorbeeld heer, meneer, mevrouw, mejuffrouw.

De Indo-europese maatschappij was patriarchaal. In het Indo-europees bestonden woorden voor ‘vader’, ‘moeder’, ‘broer’, ‘zuster’, ‘zoon’ en ‘dochter’ - voorgangers van de Nederlandse woorden -, en voor ‘grootvader’, ‘kleinzoon’, ‘moedersbroer’ en ‘moedersvader’. Verder kende het woorden voor ‘vrouw van de zoon’ en ‘man van de dochter’. Er bestonden allerlei woorden voor familie van de echtgenoot: ‘vader, moeder, broer, zuster van de echtgenoot’ en zelfs ‘vrouw van de broer van de echtgenoot’. Daarentegen bezat het Indo-europees geen woorden voor de familie van de vrouw. Hieruit blijkt dat de vrouw bij de familie van de man ging wonen. Er waren geen aparte woorden voor ‘echtgenoot’ of ‘echtgenote’, wel voor ‘weduwe’. De ‘echtgenoot’ werd aangeduid als ‘meester’ of ‘heer des huizes’.16

In veel Indo-europese talen beginnen de woorden voor ‘vader’ en ‘moeder’ met pa- en ma-, vergelijk Latijn pater en mater. Deze woorden zijn waarschijnlijk ontstaan in de kindertaal en vertegenwoordigen betekenisloze lettergrepen die uit het eerste kindergebrabbel voortkomen. We vinden de woorden ook verkort, vergelijk Engels pa, ma, en geredupliceerd (kinderen herhalen vaak dezelfde lettergreep), vergelijk Frans papa, mama. In het Nederlands is de p- volgens de klankwetten veranderd in v-, vandaar de benaming vader. Later heeft het Nederlands de aan vader en moeder verwante woorden papa, mama uit het Frans geleend. In het algemeen geldt dat veel talen in de namen voor verwanten in de vrouwelijke lijn (moeder, grootmoeder, tante) een m of n hebben of hadden en in de mannelijke lijn een p, b, t, d, wat terug kan gaan op betekenisloze kooswoordjes van kinderen; maar er zijn vele uitzonderingen op deze algemene regel.17

In het Nederlands bestaat een verschil tussen de overkoepelende term mens, en man als aanduiding voor een mens van het mannelijk geslacht. Dat geldt niet voor alle talen: in het Engels duidt man zowel ‘mens’ als ‘man’ aan. Wel is ook in het Nederlands de aanduiding man het uitgangspunt: mens is eigenlijk een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord, afgeleid van man. In de achttiende eeuw ontstond een verschil tussen de mens en het mens, waarbij het laatste als pejoratieve aanduiding voor een vrouw werd gebruikt. In het Middelnederlands werd wijf gebruikt voor een niet-adellijke vrouw en vrouw voor een voorname dame. Tegenwoordig heeft vrouw het woord wijf verdrongen als neutrale term; wijf heeft een negatieve klank.

Een interessant verschijnsel is dat voor naaste verwanten telkens aparte lexicale begrippen gebruikt worden, terwijl bij verre verwanten gebruik gemaakt wordt van een afleiding van een woord dat een naastere verwant uitdrukt. Aparte begrippen worden gebruikt voor moeder, vader, kind, zuster, broer etc., maar van moeder en vader zijn grootmoeder/-vader afgeleid, daarvan komt dan weer de overgrootmoeder/-vader en nog weer verder is de betovergrootmoeder/-vader. En van kind is kleinkind en daarna achterkleinkind afgeleid. Voor de zuster of broer van vader of moeder hebben we de lexicale begrippen moei en oom, hun kinderen zijn onze neven en nichten. Aangetrouwde familie wordt echter aangeduid door middel van het voorvoegsel schoon-: schoonzuster, schoonbroer etc. Hier bestaat een overeenkomst met de namen van gedomesticeerde dieren, waarbij

[p. 366]

leeftijd en geslacht telkens uitgedrukt worden door een apart lexicaal begrip en niet door een afleiding van een bestaand woord - waarmee het belang van het onderscheid uitgedrukt wordt (vergelijk koe, stier, kalf met aap, apin en aapje; meer voorbeelden hierboven). Verder zijn de afgeleide familienamen allemaal relatief jong; aan het eind van de Middeleeuwen komen namen op voor de meest nabije familieleden met afgeleide namen (schoonzoon, grootmoeder), en hoe verder verwant, hoe later er een benaming voor komt (eerst overgrootmoeder, kleinzoon, later pas betovergrootmoeder, achterkleinkind).

De helft van de Nederlandse familiebenamingen stamt van vóór 1500, de andere helft van erna. De zestiende eeuw geeft een duidelijke cesuur te zien. Vóór die tijd zijn bijna alle familieaanduidingen inheems, met uitzondering van een aantal benamingen die familie in zeer ruime zin aanduiden, niet zozeer verwantschappen, namelijk bastaard, concubine, meter ‘doopmoeder’ en voogd. Weduwnaar is een afleiding van het inheemse weduwe met het geleende achtervoegsel -aar (de vorm weduware is ouder). Maagd werd aanvankelijk gebruikt voor een volwassen, ongehuwde vrouw en zelfs voor een ongehuwde man.

In de zestiende eeuw kregen de woorden familie (1566-1568) en gezin (1586) hun huidige betekenis; familie betekende eind dertiende eeuw ‘ondergeschikten, gevolg, personen die tot iemand in een bepaalde, meestal ondergeschikte positie staan’ en gezin is rond 1400 gevonden in de betekenis ‘reisgezelschap, gevolg, hovelingen, bedienden, iemands omgeving’. Kennelijk stamt de huidige opvatting van gezin en familie als dichterbij staande of iets verdere verwanten uit de zestiende eeuw. In diezelfde zestiende eeuw gingen vrouw en man ook ‘echtgenote’ respectievelijk ‘echtgenoot’ betekenen.

In de zestiende en zeventiende eeuw werd de hele familiebenaming onder invloed van het Frans gewijzigd. Dit gebeurde via de taal van de hogere standen. Zo werden mama en papa als koosnamen voor familieleden geïntroduceerd door gouvernantes (1683) en nonnen, en aanvankelijk uitgesproken met eindklemtoon. In de zeventiende eeuw werd papa korte tijd bedreigd door peer (van Frans père), maar dat woord is vooral Zuid-Nederlands gebleven.

Eveneens uit de periode van de Renaissance dateert een groot aantal leenvertalingen van Franse familiebenamingen, zoals grootvader en grootmoeder (Frans grand-père, grand-mère). Deze benamingen vervingen de Middelnederlandse aanduidingen oudervader, oudermoeder ‘vader of moeder van de ouder’. Daarnaast werd in het Middelnederlands ook wel gebruikt groothere en grootvrouwe (vooral in Vlaanderen), en vanaf eind zestiende eeuw zei men wel bestevaer en bestemoer.

Verder kennen we voor aangetrouwde familieleden allerlei benamingen met schoon-, als vertaling van Frans beau- of belle-. In Franse hofkringen gebruikte men beau ‘schoon, mooi’ om iemand mee aan te spreken, bijvoorbeeld beau sire, bel ami; later werd dit overgedragen op de aangetrouwde familieleden.18 In het Middelnederlands gebruikte men de algemene benamingen swager voor iedere mannelijke aangetrouwde verwant (schoonzoon, -broer, -vader), en swagerinne voor de vrouwelijke pendant. Ook gebruikte men wel swegerhere, swegervrouwe, swegervader (vergelijk modern Duits Schwiegervater). Hiervan heeft zwager (1220-1240) standgehouden voor ‘schoonbroer’. Eind vijftiende eeuw kwamen nu de vertalingen schoonbroer, schoonzus (Frans beau-frère,

[p. 367]

belle-soeur), schoondochter, schoonzoon (Frans belle-fille, beau-fils), en schoonmoeder, schoonvader (Frans belle-mère, beau-père). Schoondochter is in de plaats van snaar (1285) gekomen.

In de zeventiende en achttiende eeuw ten slotte werden de vertalingen kleindochter en kleinzoon gemaakt voor petite-fille, petit-fils (in de Middeleeuwen gebruikte men omschrijvingen zoals dochterszoon, zoonszoon, dochtersdochter, dochterszoon, kindskind). Ook werd het leenwoord tante overgenomen, dat het Nederlandse moei (1240) verdrong. Daarentegen heeft kozijn voor ‘neef’ het niet gehaald: het wordt slechts in het Zuid-Nederlands gebruikt.

In de negentiende eeuw werden grootma, grootmoeder en grootpa verkort tot oma, opoe en opa.

In de tweede helft van de twintigste eeuw verandert de gezinsstructuur (denk ook aan begrippen zoals donorvader, draagmoeder, homohuwelijk, inhaalmoeder, in-vitrobevruchting (1984), reageerbuisbaby, samenlevingscontract, wensmoeder, zorgvader en de lat-relatie (uit 1982), en daarbij spelen soms Engelse leenwoorden een rol; bommoeder wordt een geuzennaam, de ex duikt op, en de eufemistische liefdesbaby komt in de plaats van de bastaard. Deze liefdesbaby is een vertaling van Engels love baby of Duits Liebeskind. De term is verbreid door het roddelblad Privé, en wordt tegenwoordig ook figuurlijk voor vliegtuigfabrieken of tv-programma's gebruikt. Voor vrijgezel en juffrouw werd eerst het eufemistische alleenstaande gebruikt (dit woord was ouder in de betekenis ‘iemand die uit zichzelf handelt, niet in gezelschap of met medewerking van anderen’).19 Dit woord kreeg al spoedig een negatieve klank (korte tijd vond toen de term alleengaande ingang), vandaar de vervanging door het positief klinkende Engelse single en solo. De kutzwager ten slotte is algemeen bekend geworden door het gelijknamige toneelstuk van Wim T. Schippers uit 1984, maar het woord was al ouder.

We vinden in de familienamen diverse vervangingen. Daar kunnen een aantal redenen voor zijn, ook afgezien van de behoefte aan variatie die voor alle synoniemenreeksen geldt. Een gewijzigde gezinssituatie of opvattingen over het gezin liggen misschien ten grondslag aan de elkaar opvolgende benamingen voor ‘echtgenoot’ en ‘echtgenote’. Daarnaast zullen sommige termen echter uit de spreektaal komen en andere uit het ambtelijke, officiële taalgebruik. Een ‘echtgenote’ heette eerst huusvrouwe, wijf of bruid (in de dertiende eeuw ‘verloofde, jonggehuwde vrouw, bijzit’), toen vrouw (1512), vervolgens gemalin (1629, uit het Duits) en echtgenote (1631, letterlijk ‘huwelijksgezel’). Een ‘echtgenoot’ was aanvankelijk bruidegom (901-1000, letterlijk ‘man van de bruid’), daarna man (1512), toen gemaal (1580, uit het Duits) en vervolgens echtgenoot (1631). Voor zowel de echtgenoot als de echtgenote golden de benamingen gade (1357, van Middelnederlands gaden ‘behoren bij, passen’) en daarna eega (1588, van Middelnederlands ee ‘huwelijk’ dat ook in het woord echt zit, en gade).

Bij de opeenvolgende benamingen voor ‘kind’ zal voor een deel ook eufemisering meespelen: het niet willen gebruiken van een ‘kinderachtig’ klinkende benaming. De oudste benaming voor ‘kind’ was telg (806), dan kind (900-1000) en spruit (1437), vervolgens koter (1860, uit het Jiddisch) en tot slot kids (1998, uit het Engels). Kids is zeker een eufemisme ter vervanging van het ‘kinderachtige’ kinderen, en misschien dat koter

[p. 368]

eerder om dezelfde reden werd gebruikt. Daarnaast bestaan er natuurlijk benamingen voor een speciale categorie kinderen, bijvoorbeeld zonder ouders, mannelijk, vrouwelijk: wees (901-1000), stiefzoon (1240), bastaard (1273), vondeling (1350), jongen (1479), meisje (1629), pupil (1643), kleinzoon (1661) en kleindochter (1760), en liefdesbaby (1992).

Tot slot de ‘bijzit’. Men kan erover twisten of zij tot de familie gerekend moet worden. De scheiding tussen de betaalde hoer (een beroep; zie hieronder) en de bijzit die meestal ook wordt onderhouden, is klein. Toch reken ik de bijzit bij de familieleden, want zij hoort bij slechts één man, terwijl de hoer door vele mannen wordt betaald voor haar diensten. Alle benamingen voor ‘bijzit’ zijn eufemistisch. De oudste aanduiding van ‘bijzit’ is concubine (1451-1500), een Frans leenwoord - de keuze voor een leenwoord en niet voor een ‘eigen’ woord duidt op eufemisering. In 1599 vinden we bijzit, ook een eufemisme, want het gaat natuurlijk niet om het bijzitten maar om het bijliggen. Daarna volgen de Franse leenwoorden maîtresse (1650) en maintenee (1886). In 1971 ten slotte is de buitenvrouw overgenomen uit het Surinaams-Nederlands; de aanduiding is in Nederland algemeen bekend geworden door het gelijknamige boek van Joost Zwagerman uit 1994.

Verreweg het grootste aantal namen voor familieleden is inheems (54 van de 81 woorden), maar daar zit wel een groot aantal leenvertalingen bij, die weliswaar zijn gemaakt op basis van inheemse woorden, maar naar een buitenlands (Frans) voorbeeld. De meeste leenwoorden komen uit het Frans (10), gevolgd door het Engels (4) uit de jongste tijd. De woorden dateren van de achtste eeuw tot een paar jaar terug. Hoewel familierelaties en de familiestructuur al eeuwen vastliggen, komen er dus nog steeds nieuwe benamingen bij, vooral uit eufemisme: benamingen die in het verleden een zekere negatieve of zielige reuk hadden, zoals vrijgezel, gescheiden man of alleenstaande moeder, krijgen nu een nieuwe benaming die een positieve klank bezit: single, ex, bommoeder.

Leeftijdsfasen

893 oud* ‘reeds lang bestaand, lang geleefd hebbend’
___  
901-1000 deerne *‘jong meisje’
901-1000 jongeling* ‘jonge man’
901-1000 knaap* ‘jongen’
___  
1285 wicht* ‘wezen, klein kind, meisje’
___  
1376 volwassen* ‘volgroeid’
___  
1450 grijsaard ‘oude man’
1488 matrone ‘gehuwde vrouw op leeftijd’ <frans
1488 meid* ‘jong meisje’
___  
1526 zuigeling ‘kindje dat nog gezoogd wordt’ <duits
1569 kleuter* ‘klein kind’
___  
1658 emeritus ‘zijn ambt neergelegd hebbend’ <latijn
___  
1704 bes* ‘oudje’
1734 bejaard* ‘oud’
___  
1814 gepensioneerde ‘iem. die pensioen trekt’
1843 dreumes* ‘klein kind’
1856 knar* ‘oude kerel’

[p. 369]

1875 baby ‘zuigeling’ <engels
1875 bakvis ‘meisje tussen 14 en 17 jaar’ <duits
1886 adolescent ‘jongeling’ <frans
1887 hummel ‘jong kind’ <?
1889 peuter* ‘klein kind’
1894 rustend* ‘pensioen trekkend’
1897 puk* ‘kleintje’
1897 uk* ‘dreumes’
1897 ukkepuk* ‘klein kind’
___  
1938 puber ‘kind in periode van volwassenwording’ <latijn
1955 nozem ‘branieschopper’
1955 teenager ‘tiener’ <engels
1959 tiener* ‘iemand in de leeftijd tussen 10 en 19 jaar’
1961 twen ‘twintiger’
1965 provo ‘opstandige jongere’
1968 hippie ‘jong, non-conformistisch persoon’ <engels
1974 vijfenvijftigplusser, 55+'er ‘iemand die boven de 55 jaar is’ <l
1974 vijfenzestigplusser, 65+'er ‘iemand die boven de 65 jaar is’ <l
1982 vutter ‘iemand die vervroegd met pensioen is’ <l
1985 jongere oudere* ‘iemand globaalweg tussen de 50 en 60 of 65 jaar’
1985 oudere jongere* ‘iemand globaalweg tussen de 30 en 40 of 45 jaar’
1992 senior ‘65-plusser’ <engels
1993 krasse knar ‘vitale senior’
1998 pensionado ‘gepensioneerde die in een warm land gaat wonen’ <spaans

Het grootste deel van de woorden voor leeftijdsfasen stamt van na de Middeleeuwen. Dat zal samenhangen met het feit dat de mensen in het verleden over het algemeen aanzienlijk minder oud werden dan tegenwoordig. Tot de Renaissance werd dan ook vooral een driedeling gemaakt in jong, volwassen en oud: jongeling, knaap en deerne, meid, wicht - volwassen(e) - oud(e man, wijf), grijsaard. Voor een oude man of vrouw zullen wel meer (denigrerende) benamingen zijn geweest, maar die zijn inmiddels verdwenen.

Eind vijftiende en in de zestiende eeuw kwamen benamingen voor ‘tussenleeftijden’: matrone voor een (gehuwde) vrouw tussen volwassen en bejaard in, zuigeling voor een zeer jong kind en kleuter voor de daaropvolgende periode. Uit de achttiende en de negentiende eeuw treffen we synoniemen voor al bestaande aanduidingen aan: voor een oude man of vrouw bes, bejaard(e) en knar, en voor een jong kind dreumes, hummel, puk, uk en ukkepuk. Bejaard is overigens een eufemisme en betekent eigenlijk ‘op jaren’ (hoeveel jaren wordt in het midden gelaten).

[p. 370]

In het laatste kwart van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw worden steeds meer leeftijdsfasen onderscheiden. Van jong naar oud: baby, peuter, bakvis en adolescent; deze steeds verfijndere indeling hangt nauw samen met de opkomst van het vak pedagogiek, dat vanaf 1900 in Nederland op universitair niveau beoefend werd. Opmerkelijk is dat we een ‘baby’ aanduiden met een Engels leenwoord. Ook de Fransen en Duitsers hebben dit woord geleend, en zij hebben het overgenomen van de Engelse nurses die vanaf ongeveer het midden van de negentiende eeuw in de hogere kringen hun intrede deden (een parallel dus met de benamingen mama en papa die de Franse gouvernantes eerder naar Nederland hadden gebracht). Ook in de Lage Landen waren wel nurses, maar niet zo veel. Waarschijnlijker is dan ook dat we de Engelse benaming van de Fransen of Duitsers hebben overgenomen.

In de negentiende eeuw komen bovendien allerlei aanduidingen in zwang voor het feit dat men niet meer werkt. De oudste aanduiding daarvoor was emeritus (1658, gezegd van predikanten); nu volgen de gepensioneerde en het prachtige eufemistische rustend. Dat de benamingen in deze eeuw ontstaan zijn, is geen toeval: in 1844 werd bij wet het ambtenarenpensioen geregeld. Maar ook zal meespelen dat men liever de nadruk legde op het aspect van het niet meer werken dan op dat van het oud zijn, al zijn de twee natuurlijk nauw met elkaar verbonden.

In de periode hierna, vanaf ongeveer 1940, doen allerlei eufemistische synoniemen hun intrede voor de periode van volwassenwording: de bakvis wordt puber, nozem, teenager, tiener (gevolgd door de twen), provo en vervolgens hippie. Deze woorden zijn zeer modegevoelig en volgen elkaar daarom snel op. Het meest opvallend zijn echter de vele nieuwe benamingen vanaf 1975 voor wat vroeger ‘ouden’ of ‘bejaarden’ heetten. Alle nieuwe benamingen zijn eufemismen. Mensen worden niet meer oud, ze zijn boven een bepaalde leeftijd (waarbij niet wordt vermeld hoeveel daarboven): 55+'er, 65+'er, ze zijn senioren (Engels voor ‘ouderen’; het Engels heeft het aan het Latijn ontleend), of ze werken niet meer: ze zijn pensionado of vutter. Het bontst qua eufemisme maakten Van Kooten en De Bie het in hun verzinsels jongere oudere, oudere jongere en krasse knar. Het is een teken van deze tijd dat mensen steeds ouder worden en daardoor steeds later oud, en de benamingen van Van Kooten en De Bie geven dat haarfijn aan.

De helft van de woorden is inheems. Daarbij komen nog drie letterwoorden, 55+'er, 65+'er en vutter, en het inheems gevoelde grijsaard (met een geleend achtervoegsel). Enkele woorden zijn overgenomen uit het Latijn, Frans en Duits, de meeste leenwoorden (4) komen uit het Engels.

Aan deze categorie woorden valt vooral op hoe jong de woorden zijn, en hoeveel eufemistische woorden eronder zitten.

4.1.5 Zintuiglijkheden

In hoofdstuk 3 zijn al veel zintuiglijkheden de revue gepasseerd, en wel onder de klanknabootsende woorden, waar veel werkwoorden genoemd werden die een geluid aanduiden. Hier geef ik als voorbeeld de bijvoeglijke naamwoorden die een kleur aanduiden.

[p. 371]

Kleuren

901-1000 bleek* ‘wit’
901-1000 schier* ‘wit, grijs, grauw’
901-1000 wit* ‘kleurnaam’
___  
1001-1100 zwart* ‘kleur waarbij licht niet wordt teruggekaatst’
1040 groen* ‘kleurnaam’
___  
1121 blauw* ‘kleurnaam’
1130-1161 licht* ‘niet donker’
1132 grauw* ‘vaalwit’
1140 grijs* ‘lichtgrauw’
1156 rood* ‘kleurnaam’
___  
1200 klaar ‘helder’ <latijn
1210-1240 bruin* ‘kleurnaam’
1240 donker* ‘niet licht’
1240 geel* ‘kleurnaam’
1240 violet ‘kleurnaam’ <frans
1272 bont ‘veelkleurig’ <latijn
1282 oranje ‘kleurnaam’ <frans
1285 blond ‘met een lichte kleur’ <frans
1285 purper ‘paarsrode kleur’ <latijn
1285 sabel ‘zwart (in de heraldiek)’
1287 blank* ‘blinkend, wit’
1287 saffraan ‘gele kleur’ <frans
1287 vaal* ‘bleek’
1296 paars ‘kleurnaam’ <frans
___  
1339 vermiljoen ‘helderrode verfstof’ <frans
1350 azuur ‘blauw’ <frans
1350 keel ‘rood (in de heraldiek)’ <frans
1370 duister* ‘zonder licht’
___  
1477 hel* ‘schel, fel’
1485 roze ‘kleurnaam’ <frans
___  
1504 bloedrood* ‘zeer rood’
1546 ros ‘kleurnaam’ <frans
1560 pikdonker ‘zeer donker’
1567 oker ‘gele verf uit bepaalde aardsoort’ <frans
1573 helder* ‘klaar, duidelijk’
1582 indigo ‘blauwe kleur(stof)’ <spaans
1587 bleu ‘lichtblauw’ <frans
___  
1603 kakelbont ‘met vele, niet-harmoniërende kleuren’
1610-1619 pimpelpaars ‘hard paars’
1615 ultramarijn ‘helderblauw’ <me latijn
1626 turkoois ‘blauwgroen’ <frans
1645 spierwit* ‘zeer wit’

[p. 372]

1688 stikdonker* ‘volkomen donker’
___  
1719 cinnaber ‘vermiljoen’ <frans
1778 mat ‘dof’ <frans
1778 pastel ‘kleurstof’ <frans
1785 flets ‘bleek’ <frans
___  
1824 uni ‘effen’ <frans
1833 lila ‘lichtblauw paars’ <frans
1895 fraise ‘aardbeikleurig’ <frans
1897 beige ‘grijsachtig geel of bruin’ <frans
1897 mauve ‘zacht paars’ <frans
___  
1901 felgeel ‘knalgeel’
1903 knalrood ‘felrood’ <duits
1908 kobaltblauw ‘kleurnaam’
1912 cerise ‘kerskleurig’ <frans
1912 ecru ‘ongebleekt’ <frans
1929 marron ‘kastanjebruin’ <frans
1929 saumon ‘zalmkleurig’ <frans
1952 taupe ‘donkergrijs’ <frans
1974 camel ‘kameelkleurig’ <engels

De primaire kleuren (blauw, geel, rood) en de secundaire kleuren die door vermenging van de primaire ontstaan, zoals bruin, oranje, paars, purper dateren alle uit de oudste tijd. Als kleurnamen beschouw ik tevens algemene woorden die een kleur of gebrek daaraan aanduiden, zoals duister, hel, helder, of veelkleurigheid: bont. Sommige benamingen komen alleen in specifieke combinaties voor: blond voor haren, bleek, flets voor het gelaat, keel, sabel in de heraldiek.

Gedurende alle eeuwen komen er kleurnamen bij: de helft van de kleurnamen dateert van vóór 1500, de helft van erna. De oudste namen zijn inheems, daarna krijgen de leenwoorden de overhand, en het Frans is verreweg de grootste leverancier van leenwoorden. Dat ligt voor de hand: de Franse invloed op het gebied van de kunst is - in heel Europa - eeuwenlang zeer groot geweest, en we vinden dan ook veel leenwoorden op het gebied van de beeldende kunst met inbegrip van de schilderkunst, waaronder dus vele kleurnamen, die kennelijk tinten aanduiden die tot dan bij ons onbenoemd waren, zoals azuur, beige, lila, oker, paars, pastel, turkoois, vermiljoen en violet. Ook het woord kleur zelf is in de zestiende eeuw uit het Frans geleend! Het eigen woord hiervoor was verf, aangetroffen in 1236 en in de loop van de veertiende eeuw zowel gebruikt voor ‘kleur’ als voor ‘kleurstof’ - alleen die laatste betekenis kennen we nu nog.

Opvallend is de toename van nieuwe kleurnamen, bijna allemaal uit het Frans, in de twintigste eeuw; namen zoals cerise, marron, saumon, taupe, veelal betekenend ‘met de kleur van...’ (een kers, een kastanje, een zalm, een mol). Dit hangt nauw samen met de opkomst van de reclame voor producten: men zoekt steeds nieuwere manieren om te benadrukken hoe apart het product is, en dan kan men niet aankomen met bruin of grijs, nee: het product is uitgevoerd in marron. Een van de belangrijkste pluspunten van de

[p. 373]

twaalfde druk van de Grote Van Dale uit 1992 was volgens de uitgever het taupe omslag - de eerste keer dat ik dit woord hoorde. Verffabrikanten leven zich uit in nieuwe benamingen, maar de meeste daarvan hebben een kortstondig leven en zullen de woordenboeken niet halen: Pacific Blue, Pale Honey, Blue Diamond, White Pearl - het is duidelijk dat momenteel het Engels de status van het Frans heeft overgenomen.

4.1.6 Consumptie

Eten en drinken zijn levensvoorwaarden voor de mens en bovendien een belangrijk sociaal bindmiddel. Er zijn dan ook veel benamingen voor etens- en drinkwaren. Hieronder zal ik eerst de namen voor de (al dan niet alcoholische) dranken vermelden, via de zuivelproducten overgaan naar de maaltijd en onderdelen daarvan, en eindigen met genotmiddelen: drugssoorten en rookwaar. Bij de dateringen moet telkens bedacht worden dat het voorkomen van een woord voor een bepaald product of gerecht niets zegt over de mate van gebruik ervan: veel voedingsmiddelen werden aanvankelijk slechts bij bijzondere gelegenheden of in bepaalde lagen van de bevolking gebruikt.20

Alcoholische dranken

Het aantal alcoholische dranken is groot, mede doordat de gebruikte grondstof per gebied varieert, afhankelijk van de bodemsoort en verbouwde landbouwproducten. Ik maak een simpele verdeling in bieren - wijnen - overige alcoholische dranken. Drankenkenners willen misschien een verfijndere indeling, maar voor ons doel volstaat dit.

Bieren

___  
1240 bier ‘alcoholhoudende drank’ <latijn
___  
1528 faro ‘Zuid-Nederlandse biersoort’
___  
1827 porter ‘Engels bier’ <engels
1865 lambiek ‘biersoort’
1884 pils ‘bier’ <duits
1884 stout ‘donker bier’ <engels
1886 bockbier ‘donker bier’ <duits
1886 lagerbier ‘zomerbier’ <duits
___  
1912 gingerbeer ‘gemberbier’ <engels
1912 pale ale ‘licht Engels bier’ <engels
1913 tripel ‘trappistenbier’ <frans
1924 geuze ‘biersoort’ <duits

In de Middeleeuwen was bier de volksdrank bij uitstek, wat niet eens in de eerste plaats met het opwekkende effect van de alcohol te maken had. Er waren gewoon weinig alternatieven: water was vaak verontreinigd of brak, melk werd weinig gedronken, wijn was een dure luxedrank, sterke dranken als brandewijn en jenever werden pas aan het eind van de Middeleeuwen bekend en toen alleen sporadisch voor medische doeleinden gebruikt, en koffie en thee ten slotte leerde men pas in de zeventiende eeuw kennen.

[p. 374]

Over de herkomst van het woord bier bestaan een aantal hypothesen (verwantschap met brouwen of afleiding van een gereconstrueerd Germaans woord bewwu- ‘gerst’), maar het meest waarschijnlijk is ontlening aan Latijn biber ‘drank’. Voor deze laatste suggestie pleit dat het brouwen van bier aanvankelijk (in de zesde, zevende eeuw) alleen plaatsvond in kloosters, waar de voertaal het Latijn was. In het Middelnederlands bestond het woord aal (1252), dat verwant is met Engels ale, maar dat geheel is verdrongen door bier. Aal is alleen nog bewaard gebleven in de samenstelling aalbes (deze bes was een grondstof voor alcoholische drank).

Alle biernamen zijn geleend, vooral uit het Duits en Engels; het Frans speelt op biergebied geen rol van betekenis, sterker nog: het Frans heeft het woord bière in 1429 geleend uit het Nederlands. De herkomst van lambiek (1865) is niet helemaal duidelijk. Men meent dat het woord is afgeleid van alambiek ‘distilleerkolf’, ook ‘brouwketel’ (bier wordt niet gedistilleerd). Het is onbekend in welke taal de afleiding lambiek is gevormd. De naam komt uit het tweetalige Brussel, en in het Frans bestaat lambic sinds 1832, met de aanduiding ‘Vlaams’. Het lijkt dus in het Frans ouder dan in het Nederlands, maar dat kan ook aan de beschikbare bronnen liggen. Ik sluit niet uit dat het Frans het woord uit het Zuid-Nederlands heeft geleend. Die mogelijkheid wordt versterkt door het feit dat er in het Frans, of in ieder geval in Franse dialecten, wel meer biernamen uit het (Zuid-)Nederlands zijn overgenomen, zoals faro (voor het eerst in het Frans gevonden in 1839; de naam is een vervorming van farao), gueuze of gueuse (1866), halbi (1771; Nederlands haalbier, bier dat vroeger in een kleine maat in een winkel gehaald werd), hougard ‘zacht wit bier’ (1652; voor een biersoort die genoemd is naar de Brabantse plaats Hoegaarden), keute of queute (14de eeuw; voor Nederlands kuit, bier zonder hop; het woord leeft nog voort in de achternaam Kuitenbrouwer), lopète (voor het Vlaamse luppensbier; in het Nederlands in 1582 genoemd), midelle bière (Nederlands middelbier ‘slap bier’), mom (de Brunswic) (1723; Nederlands mom, een sterk bier gebrouwen in Brunswijk), péetermann (1765; voor Nederlands peterman, de naam voor een Leuvense biersoort), en tot slot het aardige lewekin, lievequin (1266, dat teruggaat op Nederlands liefje, de koosnaam die de bierdrinker aan zijn bier gaf). Daartegenover heeft het Nederlands alleen tripel uit het Frans overgenomen, dus het verkeer was in dit geval vooral van de Lage Landen naar het zuiden.

Wijnen

___  
901-1000 wijn ‘drank van gegiste druiven’ <latijn
___  
1253 muskadel ‘zoete wijnsoort’ <frans
___  
1714 muskaatwijn ‘zoete wijnsoort’
1734 tokayer ‘zoete wijnsoort’ <duits
1743 madera ‘rode wijnsoort’ <portugees
1745 champagne ‘schuimende wijnsoort’ <frans
1747-1787 malaga ‘zoete wijnsoort’ <spaans
___  
1808 port ‘sterke wijnsoort’ <engels
1814-1815 medoc ‘rode wijnsoort’ <frans
1840 chambertin ‘rode wijnsoort’ <frans

[p. 375]

1841 xeres(wijn) ‘sherry’ <spaans
1847 chianti ‘droge wijnsoort’ <italiaans
1847 bisschopswijn ‘warme wijn’
1847 graves ‘wijnsoort’ <frans
1847 portwijn ‘sterke wijnsoort’ <engels
1847 sekt ‘schuimende wijnsoort’ <duits
1855 chablis ‘witte bourgogne’ <frans
1855 sherry ‘witte wijn’ <engels
1867 marsala ‘soort wijn’ <italiaans
___  
1910 amontillado ‘sherry’ <spaans
1933 beaujolais ‘rode wijnsoort’ <frans
1949 pomerol ‘bordeauxwijn’ <frans
1950 gewürztraminer ‘kruidige witte wijnsoort’ <duits
1950 riesling ‘witte wijnsoort’ <duits
1950 traminer ‘witte wijnsoort’ <duits
1953 manzanilla ‘witte wijnsoort’ <spaans
1953 oloroso ‘soort sherry’ <spaans
1953 rioja ‘rode wijnsoort’ <spaans
1978 lambrusco ‘rode wijnsoort’ <italiaans
1978 pinard ‘tafelwijn’ <frans
1978 retsina ‘witte harswijn’ <modern grieks

De Germanen leerden de wijn van de Romeinen kennen. Alle wijnnamen zijn geleend. Leken verwachten misschien dat alle wijnnamen Frans zijn, maar dat is niet zo: hoewel de Franse namen (nét) in de meerderheid zijn, hebben Duits en Spaans ieder bijna evenveel namen geleverd. Muskaatwijn is ontleend aan het Frans, met de tautologische toevoeging wijn.

Overige alcoholische dranken

___  
1265 mede* ‘honingdrank’
___  
1301-1350 brandewijn ‘gestookte sterkedrank’
1351 kandeel ‘warme wijndrank’ <me latijn
1351-1400 cider ‘drank uit gegist vruchtensap’ <frans
___  
1540 sterkedrank* ‘alcoholische drank’
1580 drank* ‘sterkedrank’
1598 arak ‘rijstbrandewijn’ <indonesisch
___  
1601 likeur ‘alcoholische drank’ <frans
1606 jenever ‘alcoholische drank’
1645 zoopje, zopie* ‘drank, teug sterkedrank’
1676 sake ‘alcoholische drank, (rijst)wijn’ <japans
1692 borrel* ‘glas sterkedrank’
1716 foezel ‘slechte jenever’ <nederduits
1721 punch ‘drank met wijn of rum’ <engels

[p. 376]

1730 afzakkertje ‘glaasje sterkedrank na maaltijd of andere drank’
1750 rum ‘drank van suikerriet’ <engels
1773 persico ‘perziklikeur’ <frans
1775 absint ‘likeur’ <frans
1779 sangria ‘soort bowl’ <spaans
1781 advocaat ‘eierdrank’
1790 cognac ‘soort brandewijn’ <frans
___  
1824 raki ‘Turkse brandewijn’ <turks
1824 whisky ‘sterkedrank’ <engels
1843 slivovitsj ‘pruimenbrandewijn’ <servisch
1844 jajem ‘Bargoens: jenever’ <jiddisch
1847 curaçao ‘likeursoort’ <frans
1847 gin ‘jenever’ <engels
1847 grog ‘sterkedrank met heet water’ <engels
1847 koemis ‘gegiste paardenmelk’ <russisch
1847 marasquin ‘kersenlikeur’ <frans
1847 pulque ‘alcoholische drank’ <spaans
1847 wodka ‘Russische brandewijn’ <russisch
1855 brandy ‘brandewijn, cognac’ <engels
1864 kirsch ‘likeur’ <duits
1866 anisette ‘likeur uit anijszaad’ <frans
1871 vermout ‘alcoholische drank met alsem’ <frans
1872 spiritualiën ‘sterkedrank, geestrijk vocht’ <duits
1876 chartreuse ‘fijne likeur’ <frans
1886 cocktail ‘gemengde alcoholische drank’ <engels
1886 mescal ‘Mexicaanse sterkedrank’ <spaans
1887 oorlam ‘borrel’ <indonesisch
1891 armagnac ‘alcoholhoudende drank’ <frans
1895 aperitief ‘drank voor de maaltijd’ <frans
1897 neutje* ‘borreltje’
1897 pikketanissie ‘borrel’
1897 split ‘whisky met sodawater’ <engels
1899 kefir ‘melkwijn’ <kaukasisch
___  
1902 bowl ‘drank uit wijn, rum en vruchten’ <engels
1909 beerenburg ‘kruidenbitter’ <fries
1912 aquavit ‘Scandinavische sterkedrank’ <deens, noors of zweeds
1912 benedictine ‘Franse likeur’ <frans
1912 cobbler ‘verkoelende wijndrank’ <engels
1912 kummel ‘likeur’ <duits
1922 alcoholica ‘alcoholische dranken’ <modern latijn

[p. 377]

1926 cherry brandy ‘kersenlikeur’ <engels
1936 martini ‘alcoholische drank’
1952 calvados ‘brandewijn’ <frans
1953 longdrink ‘een drankje in een hoog glas’ <engels
1954 tequila ‘alcoholische drank van agave’ <spaans
1961 vieux ‘Hollandse cognac’
1968 bloody mary ‘cocktail met wodka en tomatensap’ <engels
1974 daiquiri ‘cocktail’ <engels
1974 gin fizz ‘cocktail met gin’ <engels
1974 screwdriver ‘wodka met sinaasappelsap’ <engels
1975 bourbon ‘Amerikaanse whisky’ <engels
1978 campari ‘alcoholische drank’ <italiaans
1978 grappa ‘Italiaanse alcoholische drank’ <italiaans
1978 kir ‘alcoholische drank’ <frans
1978 ouzo ‘Grieks distillaat’ <modern grieks
1978 pastis ‘anijsdrank’ <frans
1978 scotch ‘Schotse whisky’ <engels

Mede was al bekend, als zaak en als naam, bij de Indo-europeanen.21 Wat vooral opvalt is dat er nauwelijks inheemse benamingen voor alcoholische dranken zijn, hoewel deze van oudsher in de Lage Landen werden vervaardigd en gedronken, en terwijl de Lage Landen in de zeventiende en achttiende eeuw belangrijke exporteurs waren van brandewijn en jenever - en ze exporteerden niet alleen de producten maar ook de naam ervoor: aan het Nederlands ontleend zijn onder andere Frans brandevin, Engels brandy (ouder brand-wine), Duits Genever, Engels geneva (verkort tot gin), Zweeds genever, Indonesisch jénéwer en Japans zeneifuru (inmiddels verouderd).22 Het woord jenever heeft zijn betekenis ‘sterkedrank’ gekregen in het Nederlands. Het woord komt sinds 1253 in het Nederlands voor als Frans leenwoord met de betekenis ‘jeneverbes, jeneverstruik’. De betekenis ‘sterkedrank’ kreeg het bij ons, omdat in de Lage Landen voor het eerst jeneverbessen aan korenbrandewijn werden toegevoegd.

Brandewijn is afgeleid van gebrande wijn, waarbij ge- wegviel, net als in taptemelk van getapte melk. Het is niet zeker of het een eigen vorming is of ontleend aan het Duits.

Zeker inheems zijn alleen de woorden borrel, drank, neutje, sterkedrank en zoopje/zopie. Interessant genoeg zijn vier van deze vijf woorden eufemistische benamingen. Borrel betekent eigenlijk ‘kleine dronk’, van Middelnederlands borre, borne ‘bron(water), drinkwater’, en zal door borrelen beïnvloed zijn. Drank betekent eigenlijk ‘drinkbaar vocht’ en wordt eufemistisch voor ‘sterkedrank’ gebruikt (waarvan het waarschijnlijk een verkorting is). Een neutje is een ‘nootje, notendopje’, en een zoopje is afgeleid van zuipen en betekent een ‘teugje’. Zowel neutje als zoopje minimaliseren het gedronkene dus. In het Nederlands gemaakte afleidingen van oorspronkelijke leenwoorden zijn afzakkertje en pikketanissie.23 Advocaat is een verkorting van advocatenborrel.

[p. 378]

In de Middeleeuwen moesten we het met een paar dranken doen: bier, brandewijn, cider, kandeel (dat vooral aan kraamvrouwen werd gegeven ter versterking), mede, muskadel en wijn. Vanaf de zeventiende eeuw leerden we wat exotische dranken van andere continenten kennen: arak, sake. Maar vooral vanaf de achttiende eeuw werden dranken uit de gehele wereld aangevoerd, en er is dan ook een grote verscheidenheid aan dranknamen en talen waaraan we deze hebben ontleend. De dateringen van met name de twintigste eeuw zullen vast scherper kunnen: ik vermeld hier wanneer de dranknamen in de algemene woordenboeken zijn opgenomen, maar in bepaalde kringen zullen sommige namen al veel langer bekend zijn.

Tot besluit is het interessant het verhaal van de naam vieux te vermelden. Dit is een Frans woord dat ‘oud’ betekent. Toch is het woord niet geleend uit het Frans, want de Fransen hebben immers hun onvolprezen cognac. In het Verdrag van Versailles van 1919 verboden de Fransen andere landen om de naam cognac te gebruiken. Daarom noemen de Duitsers hun vorm van cognac sinds 1921 Weinbrand.24 In 1961 verzon de fabrikant James Coebergh na Franse protesten een nieuwe naam voor de Hollandse cognac: vieux. Voordeel hiervan was dat het toch nog Frans klonk.

Niet-alcoholische dranken

De zuivelproducten noem ik hieronder apart.

901-1000 drank* ‘drinkbaar vocht’
901-1000 water* ‘vloeistof’
___  
1240 sap* ‘vocht’
___  
1477 vocht* ‘vloeistof’
___  
1500-1525 siroop ‘dikke vloeistof’ <frans
1562 appelsap* ‘drank van appels’
1579 nectar ‘godendrank’ <frans
1596 cacao ‘zaad van de cacaoboom en daaruit bereide drank’ <spaans
___  
1606 mokka ‘beste kwaliteit koffie’ <frans
1608 orgeade ‘drank’ <frans
1637 thee ‘aftreksel van bladeren’ <indonesisch
1640 koffie ‘drank uit koffiebonen’ <turks
1669 sorbet ‘ijsdrank’ <frans
1679 chocolade ‘drank uit cacao, versnapering’ <spaans
1691 limonade ‘drank van vruchtensap’ <frans
___  
1710 bocht* ‘uitschot’
1724-1726 pecco ‘theesoort’ <chinees
1734 spa ‘mineraalwater’
1774 elixer ‘geneeskrachtige drank’ <me latijn
1777 mineraalwater ‘koolzuurhoudend water’
1778 selterswater ‘mineraalwater’ <duits
___  
1832 orangeade ‘frisdrank’ <frans

[p. 379]

1863 maté ‘Zuid-Amerikaanse volksdrank’ <spaans
1885 majem ‘Bargoens: water’ <Jiddisch
1893 kwast ‘drank’
1899 leut* ‘koffie’
___  
1912 cassis ‘drank van zwarte bessen’ <frans
1912 fosco ‘chocoladedrank’
1912 grenadine ‘limonade’ <frans
1914 coca-cola ‘koolzuurhoudende frisdrank’ <engels
1926 ranja ‘limonadesiroop’
1952 cola ‘koolzuurhoudende frisdrank’
1955 espresso ‘zwarte koffie’ <italiaans
1955 tonic ‘spuitwater’ <engels
1956 frisdrank ‘verfrissende, niet-alcoholische drank’
1956 jus d'orange ‘sinaasappelsap’ <frans
1956 softdrink ‘niet-alcoholische drank’ <engels
1960 milkshake ‘drank’ <engels
1984 cappuccino ‘koffie met schuimende melk’ <italiaans
1992 perrier ‘soort frans mineraalwater’

In de Middeleeuwen beperkten de niet-alcoholische drankjes zich toch vooral tot water (dat toen vaak verontreinigd of brak was) en melkproducten, die als drankje voor zieken golden.

In de zeventiende eeuw verbeterde de situatie aanzienlijk: men leerde cacao en de warme dranken thee en koffie kennen. Koffie kwam uit Turkije, waar men het woord uit het Arabisch had overgenomen. In het begin van de zeventiende eeuw werden product en naam via het Turks vanuit de havenstad Venetië verbreid (Van Linschoten noemt in 1596 chaona, een zetfout voor chaoua). In de tweede helft van de zeventiende eeuw werden zowel koffie als thee (beide aangevoerd door de Verenigde Oost-Indische Compagnie) grote concurrenten van bier, dat tot die tijd de volksdrank was - thee was vooral populair bij dames. Het woord mokka voor een zeer goede kwaliteit koffie gaat terug op de Arabische havenstad Mocha, tegenwoordig Al Mukhā in Jemen, een belangrijke uitvoerhaven voor de koffie.25 In het Frans is de naam van de haven de benaming voor het product geworden, en dat heeft het Nederlands overgenomen; de Nederlanders hadden vanaf 1621 een factorij in Mocha en kochten er vanaf 1628 koffie, maar het woord mokka (1606) kenden ze toen al. In de twintigste eeuw namen we van de Italianen nieuwe bereidingswijzen over in de vorm van cappuccino en espresso.

Thee komt uit China; de vorm thee is waarschijnlijk via het Indonesisch in het Nederlands terechtgekomen, maar pecco komt direct uit het Chinees. Een laatste nieuw product van de zeventiende eeuw was de cacao uit Amerika. Aanvankelijk werd van de cacaobonen chocolade vervaardigd door ze te roosteren en er suiker en vanille aan toe te voegen. In de zeventiende eeuw werd ook het nuttigen van cacaodranken populair. In 1828 lukte het de Nederlander J. van Houten de cacaoboter uit de cacao te verwijderen, waardoor deze lekkerder van smaak werd.

[p. 380]

Vanaf de achttiende eeuw nam het aantal frisdranken - die toen nog niet zo heetten - steeds meer toe, zoals grenadine, jus d'orange, limonade, orangeade, sorbet. Het Frans was de grootste leverancier, maar in de twintigste eeuw breidde het assortiment Engelse frisdranken zich behoorlijk uit, denk aan coca-cola (en de in Nederland gemaakte verkorting cola - het Engels verkort tot coke), milkshake en tonic. Het alweer verouderde kwast was een afleiding van Engels squash ‘vruchtensap’, van het werkwoord to squash, dat ‘uitpersen’ betekent. De taalkundige Slijper wist zich exact te herinneren wanneer het woord aangepast is: ‘in de zomer van 1893 [is] de naam Lemon's Squash in ons land tot “kwast” verbasterd’.26

Spa en perrier gaan beide terug op de namen van de plaatsen waar het bewuste mineraalwater vandaan komt; in welke taal de plaatsnaam (via merknaam) soortnaam is geworden, weet ik niet. Ranja is een Nederlandse merknaam, verbasterd van orangeade. Ook fosco is een merknaam; het is pseudo-Italiaans: in het Italiaans betekent fosco alleen ‘donkerbruin’. Frisdrank ten slotte is gemunt door een Nederlandse reclamemaker.

Bijna alle namen voor niet-alcoholische dranken zijn geleend. Inheems zijn slechts appelsap, bocht, drank, leut, sap, vocht en water - bijna allemaal erg algemene benamingen. Leut voor ‘koffie’ is een betekenisverschuiving van leut ‘pret’, vergelijk een bakje troost.

Zuivelproducten

Namen voor kazen worden hieronder apart genoemd.

1240 boter ‘voedingsstof van melk’ <latijn
1240 melk* ‘vloeistof uit zoogklieren’
1286 room* ‘vette deel van melk’
1288 zuivel* ‘melkproducten’
___  
1301-1350 karnemelk* ‘gekarnde melk’
1350 wrongel* ‘gestremde melk’
1351-1400 biest* ‘eerste melk na het kalven’
___  
1500-1525 crème ‘room’ <frans
___  
1710 roomboter ‘van room gemaakte boter’
1750 taptemelk* ‘ondermelk’
1779 vla* ‘dik melkgerecht’
___  
1867 margarine ‘kunstboter’ <frans
___  
1910 slagroom ‘vette, stijfgeklopte room’ <duits
1912 yoghurt ‘melkspijs’ <turks
1941 kwark ‘wrongel’ <duits
1968 halvarine ‘halfvette margarine’
1992 biogarde ‘yoghurt met rechtsdraaiend melkzuur’ <frans
1992 umer ‘melkproduct’
1992 yakult ‘melkachtige drank’ <japans

De Indo-europeanen hielden al vee voor hun producten; zij bezaten een woord voor ‘mel-

[p. 381]

ken’ en voor ‘kaas’. Ook ‘boter’ was bekend, maar dit werd in de eerste plaats als zalf gebruikt.27

Een groot deel van de Nederlandse woorden voor zuivelproducten dateert al van de veertiende eeuw of eerder, en de meeste woorden zijn inheems. Wat overigens niet betekent dat men deze producten in de Middeleeuwen veelvuldig nuttigde: melk werd vooral door kinderen, ouden of zieken gebruikt, en boter werd slechts beperkt gebruikt, onder andere omdat hij slechts kort houdbaar was. Boter is geleend uit het Latijn, net als het hieronder genoemde kaas. Deze woorden stammen uit de Romeinse tijd en duiden een nieuwe bereidingswijze van genoemde producten aan - totdat de Romeinen kwamen, kenden we alleen de vloeibare kaas van zure melk, niet de harde gestremde kaas. In plaats van boter gebruikten we waarschijnlijk smeer (901-1000).

Tussen de veertiende en de achttiende eeuw vinden we alleen crème en verder gaapt er een enorme kloof. Dan komen er weer enkele, nog steeds inheemse, woorden voor specifieke melkproducten: taptemelk en vla. Vanaf de negentiende eeuw komen vervangingsmiddelen en nieuwe soorten zuivelproducten, en vanaf dat moment doen vooral leenwoorden hun intrede. Halvarine is in Nederland verzonnen, net als de merknaam umer, die geïnspireerd is door de reus Ymer uit de Noorse mythologie, die volgens de legende het begin van alle leven is en zich voedde met de melk van een reusachtige koe.

Kaassoorten

1240 kaas ‘zuivelproduct’ <latijn
___  
1370 brie ‘kaassoort’ <frans
___  
1589 parmezaan ‘kaas’ <frans
___  
1631 komijnekaas ‘kaas met komijnzaad’
___  
1725 edammer* ‘ronde kaas uit Edam’
___  
1811 goudse* ‘kaas uit Gouda’
1822 gruyère ‘kaassoort’ <frans
1843 leidse* ‘kaas uit Leiden’
1847 chesterkaas ‘soort kaas’
1855 stilton ‘kaassoort’ <engels
1863 roquefort ‘schapenkaas’ <frans
1866 emmentaler ‘kaassoort’ <duits
___  
1900 camembert ‘kaassoort’ <frans
1903 gorgonzola ‘kaassoort’ <italiaans
1909 cheddar ‘kaas’ <engels
1950 smeerkaas ‘smeerbare kaas’ <duits
1968 bel paese ‘handelsnaam van een Italiaanse kaassoort’ <italiaans
1968 bluefort ‘een in Nederland ontwikkelde kaas’
1970 kernhem* ‘Nederlandse kaassoort’
1976 mozzarella ‘zachte Italiaanse kaas’ <italiaans
1977 leerdammer* ‘Nederlandse kaassoort’
1980 maaslander* ‘Nederlandse kaassoort’

[p. 382]

1992 mascarpone ‘Italiaanse roomkaas’ <italiaans
1996 feta ‘zachte witte kaas’ <modern grieks

Het is onmogelijk alle kaassoorten op te sommen; dit is een selectie, op basis waarvan we waarschijnlijk wel de grote lijn kunnen tonen: al heel vroeg is kaas uit het Latijn geleend (voor de harde gestremde kaas) en brie en parmezaan uit het Frans. Van de inheemse kazen was de edammer vanaf de achttiende eeuw bekend, en de negentiende eeuw bracht de leidse en goudse (kaas); zeer recent, van na de Tweede Wereldoorlog, zijn de bluefort (met een on-Nederlandse naam die waarschijnlijk geacht werd het in het buitenland goed te doen), kernhem, maaslander en leerdammer. Verder zijn veel kaassoorten overgenomen uit Frankrijk, Engeland, Duitsland en Italië, en bijna al deze kaasnamen dateren van de negentiende of twintigste eeuw. De chesterkaas komt uit Engeland; in het Nederlands is tautologisch kaas toegevoegd aan de benaming chester.

Soepen

1729 uiensoep ‘soep getrokken van uien’
1731-1735 bouillon ‘vleesnat’ <frans
1745 soep ‘vloeibare kost’ <frans
1768 snert* ‘erwtensoep’
1778 erwtensoep ‘soep van groene erwten’
___  
1845 kippensoep ‘soep getrokken van kippenvlees’
1847 bisque ‘soep van vis of kreeft’ <frans
1847 consommé ‘heldere bouillon’ <frans
1886 borsjtsj ‘rodebietensoep’ <russisch
___  
1900 groentesoep ‘soep van groenten’
1909 maggi ‘groente- en vleesextract voor soep’
1910 tomatensoep ‘soep van tomaten’
1912 bouillabaisse ‘vissoep’ <frans
1912 juliennesoep ‘heldere groentesoep’ <frans
1912 sajoer ‘groentesoep’ <indonesisch
1968 minestrone ‘dikke soep’ <italiaans
1976 gazpacho ‘koude soep van tomaten, olie en knoflook’ <spaans

Soepnamen zijn jong, ze beginnen pas in de achttiende eeuw. Er werden van oudsher wel brijachtige, vloeibare spijzen gegeten, maar die werden sop(pe) genoemd (1285). Dit was een dik, voedzaam gerecht, een soort brij van vleesnat, melk, bier of wijn met geweekt brood en dus niet hetzelfde als de moderne soep. Tegenwoordig wordt sop alleen nog voor ‘zeepwater’ gebruikt.

Omstreeks 1700 werd aan het Franse hof dunne soep als voorgerecht populair.28 Dit werd vrij snel overgenomen door hogere kringen in andere landen zoals Nederland, en later werd soep ook voedsel voor de armere kringen. Samen met het gerecht namen we het woord over: soep is geleend uit het Frans (waar het ooit uit het Germaanse sop is

[p. 383]

geleend), en dat geldt voor de meeste soepnamen. Interessant genoeg is soep het eerst gevonden in de combinatie uiensoep. Alleen snert is een inheemse benaming (en ongeveer even oud als het synonieme erwtensoep). De samengestelde namen groentesoep, kippensoep, tomatensoep en uiensoep worden als inheems gevoeld, al hebben ze als tweede lid het geleende soep.

Vlees - en worstsoorten

701-800 haan* ‘mannetje bij hoenderachtigen’
793 eend* ‘eendachtige’
___  
901-1000 duif* ‘duifachtige’
901-1000 vlees* ‘spierweefsel’
___  
1101-1200 bout* ‘poot van een geslacht dier’
1101-1200 ijsbeen ‘dijbeen in ham’
1108 spek* ‘vet’
1140 smout* ‘vet’
___  
1240 gans* ‘eendachtige’
1240 hen* ‘hoendervogel’
1240 patrijs ‘hoendervogel’ <frans
1240 worst* ‘met vleeswaar gevulde darm’
1252 hesp* ‘(hieltje van een) ham’
1253 wildbraad* ‘gebraden vlees van wild’
1267 schenkel* ‘onderbeen’
1279 hoen* ‘hoendervogel’
1287 vet* ‘weefsel tussen vlees’
___  
1301-1400 ham* ‘achterbout van varken’
1305-1370 kaan* ‘stukje uitgebraden spek’
1350 zeen* ‘pees’
___  
1446 zult* ‘hoofdkaas’
1461 reuzel* ‘vet’
1477 metworst* ‘worst van gehakt varkensvlees’
1477 saucijs ‘worstsoort’ <frans
___  
1500-1525 filet ‘bot- of graatloos stuk vlees of vis’ <frans
1551 kalkoen ‘hoendervogel’
1562 haas* ‘spier bij slachtdieren’
1562 zwoerd* ‘spekrand’
1573 karbonade ‘stuk vlees’ <frans
1588 kip* ‘hoendervogel’
1599 knakworst ‘soort worst’ <duits
1599-1607 frikadel ‘gehakt vlees’ <frans
___  
1691 kotelet ‘ribstuk’ <frans
1692 rosbief ‘geroosterd rundvlees’ <engels
1698-1700 poelet ‘soepvlees’ <frans
___  
1701 zwezerik* ‘borstklier van een kalf (gegeten als delicatesse)’

[p. 384]

1710 kluif* ‘bot met vlees’
1746 klapstuk* ‘vlees van de klapribben, de korte ribben van geslacht vee’
1746 rookworst* ‘gerookte worst’
1765 fricandeau ‘stuk vlees’ <frans
___  
1824 cervelaatworst ‘gekruide vleesworst’
1828 rollade ‘opgerold stuk vlees’ <frans
1832 biefstuk ‘lap vlees van de bovenbil’ <engels
1847 salami ‘soort worst’ <italiaans
1863 kroket ‘rol gehakt vlees’ <frans
___  
1910 blinde vink* ‘lapje kalfsbiefstuk met gehakt’
1910 casselerrib ‘varkensrib als broodbeleg’ <duits
1910 chateaubriand ‘biefstuk van ossenhaas’ <frans
1910 entrecote ‘stuk vlees van tussen de ribben’ <frans
1910 kalfsoester ‘gepaneerd lapje kalfsvlees’
1910 saté ‘geroosterd vlees aan stokje’ <indonesisch
1912 cornedbeef ‘gekookt vlees in blik’ <engels
1912 steak ‘biefstuk’ <engels
1912 tournedos ‘biefstuk van de haas’ <frans
1929 plokworst ‘gerookte worst’ <nederduits
1932 tartaar ‘rauwe gehakte biefstuk’ <frans
1949 bacon ‘spek’ <engels
1961 frikandel ‘bepaald soort worst’
1961 slavink* ‘vlees met spek erom’
1968 ossobuco ‘kalfsschenkel met mergpijp’ <italiaans
1968 schnitzel ‘gepaneerd vlees’ <duits
1972 katenspek ‘gerookt spek’ <duits
1975 sjasliek ‘aan een spit geroosterde stukjes vlees’ <russisch
1976 cordon bleu ‘gevulde schnitzel’ <frans
1976 spareribs ‘varkensrib’ <engels
1984 contrefilet ‘lendenbiefstuk’ <frans
1984 drumstick ‘boutje van gevogelte’ <engels
1986 hausmacher ‘soort van leverworst’
1987 berenlul* ‘kroket of frikadel’
1992 chorizo ‘harde worstsoort’ <spaans
1992 kolbaszworstje ‘Hongaars worstje’

Vleesproducten hebben altijd een hoofdrol gespeeld in de menselijke maaltijd. Hierboven staan telkens de namen van soorten vlees en worst; bij de gerechten hieronder staan de gerechten op basis van vlees genoemd. Overigens valt bij de benamingen het volgende op: bij vogels, die in hun geheel worden opgegeten, geldt de naam van het dier telkens ook voor het vlees ervan (‘we eten vanavond kip’); bij de veel grotere zoogdieren wordt

[p. 385]

telkens het eetbare of te eten onderdeel genoemd (niet: ‘we eten varken’ maar: ‘we eten ham, spek, spareribs’, eventueel weer wel het vage: ‘we eten varkens-, schapen-, rundvlees’ of ‘we eten lam’). Overigens is de kip pas relatief kort in Europa bekend: het dier kwam pas na de periode van het Indo-europees via Perzië uit Zuidoost-Azië: in de achtste eeuw voor Chr. verschijnt hij in Griekenland. Hij was al vroeg in het Germaans bekend: de naam haan komt al voor in de achtste-eeuwse Lex Salica, hen en hoen worden voor het eerst in de dertiende eeuw aangetroffen. De naam kip komt uit de zestiende eeuw - kip was waarschijnlijk de lokroep waarmee men de vogel riep; deze lokroep werd vervolgens de benaming van het dier zelf. Ganzen en eenden waren al bij de Indo-europeanen bekend en ze hebben een Indo-europese naam.29

Ongeveer de helft van de vleesnamen is inheems. Tot het eind van de Middeleeuwen zijn zelfs alle namen inheems, behalve patrijs en het zeer inheems lijkende ijsbeen - dit is een volksetymologische aanpassing van het Latijnse leenwoord ischia ‘heupgewricht’. Na de Middeleeuwen overtreft het aantal leenwoorden dat van de inheemse woorden. De meeste leenwoorden zijn Frans, op de tweede plaats komt Engels; Duits speelt een kleinere rol; verder zijn er nog de Spaanse chorizo, de Russische sjasliek, de Italiaanse ossobucco en salami en de Indonesische saté - alle (behalve salami) uit de twintigste eeuw en getuigend van het feit dat in die eeuw de Nederlandse keuken uit alle delen van de wereld invloeden heeft overgenomen. Inmiddels bleven inheemse vormingen doorgaan: blinde vink, slavink en berenlul nog in de twintigste eeuw, klapstuk, kluif, rookworst en zwezerik in de achttiende eeuw, in de zestiende eeuw haas (dat tegenwoordig vooral in de samenstelling varkenshaas en ossenhaas voorkomt), kip en zwoerd.

De kalkoen is genoemd naar de havenstad Calicut aan de zuidwestkust van India, omdat men dacht dat de vogel daarvandaan kwam (hij komt echter uit Midden-Amerika). Het kolbaszworstje komt uit het Hongaars en de cervelaatworst uit het Frans; beide hebben de tautologische toevoeging worst gekregen. De verkorting hausmacher van Duits Hausmacherwurst is in het Nederlands gemaakt. De naam van de frikandel is eind jaren vijftig bij snackfabriek De Vries in Dordrecht verzonnen; men mocht het product vanwege nieuwe wettelijke eisen voor het meelgehalte in vleesproducten namelijk niet langer gehaktbal noemen, en daarom maakte men een variant van de naam frikadel - hoewel de inhoud van de worst natuurlijk geenszins op frikadel lijkt.30

Gerechten

Ik realiseer me dat hier wel zeer verschillende gerechten bijeengezet zijn. Maar een nadere onderverdeling is niet zo eenvoudig. Vandaar deze lange lijst.

1040 gerecht* ‘eten in één gang’
___  
1240 pap ‘halfvloeibaar voedsel’ <latijn
1240 pastei ‘deeg met vlees’ <frans
1265-1270 entremets ‘tussengerecht’ <frans
1280-1290 pannenkoek ‘in pan gebakken plat deegproduct’
1285 maaltijd* ‘eten’
___  
1331 galantine ‘vleesgerecht’ <frans

[p. 386]

___  
1500-1525 fricassee ‘gerecht van gehakt vlees’ <frans
1527 hutspot ‘gerecht’
1544 puree ‘fijngestampt gerecht’ <frans
1596 atjar ‘ingelegd zuur’ <indonesisch
___  
1623 wentelteefje* ‘in melk met ei gebakken snee brood’
1633 flensje* ‘dun pannenkoekje’
1642 waterzooi* ‘gerecht’
1654 olipodriga ‘uit Spanje afkomstige stoofpot’
1681 koeskoes, couscous ‘deegwaar van kleine korrels’ <arabisch of frans
1683 vermicelli ‘draadvormige meelpijpjes’ <italiaans
1698 pilau, pilav ‘gerecht’ <turks
1699 ragout ‘gerecht’ <frans
___  
1701 spiegelei ‘gebakken ei met heel gebleven dooier’
1746 poffertjes* ‘ronde koekjes’
1778 hachee ‘gerecht van vlees en kruiden’ <frans
1778 hazenpeper ‘gerecht van hazenvlees’
1778 knoedel* ‘meelballetje’
1778 macaroni ‘deegspijs’ <italiaans
___  
1824 hors d'oeuvre ‘voorgerecht’ <frans
1824 polenta ‘gerecht’ <italiaans
1827 nasi ‘gekookte rijst’ <indonesisch
1833 ratatoelje, ratatouille ‘gerecht’ <frans
1833 ratjetoe ‘gerecht, mengelmoes’
1847 curry ‘kerrieschotel’ <engels
1860 omelet ‘eiergerecht’ <frans
1863 fondue ‘gesmoltenkaasgerecht’ <frans
1863 soufflé ‘gerecht met geklopt eiwit’ <frans
1866 macedoine ‘gemengd gerecht van groenten of vruchten’ <frans
1866 vol-au-vent ‘pastei’ <frans
1883 rats ‘gerecht’
1883 rijsttafel ‘hoofdmaaltijd met rijst’
1886 goulash ‘vleesgerecht’ <duits
1897 bami ‘Chinees gerecht’ <chinees of maleis
1898 balkenbrij* ‘spijs’
___  
1910 kroepoek ‘viskoekjes’ <indonesisch
1910 ravioli ‘gerecht’ <italiaans
1912 noedels ‘gekookte meelballetjes’ <duits
1924 frites, friet ‘in vet gebakken reepjes aardappel’
1929 paté ‘vleespastei’ <frans
1929 risotto ‘rijstgerecht’ <italiaans
1929 spaghetti ‘meelproduct’ <italiaans

[p. 387]

1932 patates frites ‘in vet gebakken reepjes aardappel’ <frans
1938 hamburger ‘broodje met gehakt’ <engels
1950 preskop ‘hoofdkaas’ <duits
1951 hotdog ‘broodje knakworst’ <engels
1952 escargot ‘wijngaardslak’ <frans
1954 cornflakes ‘maïsvlokken’ <engels
1954 loempia ‘gevuld hartig pannenkoekje’ <indonesisch
1968 antipasto ‘voorgerecht’ <italiaans
1968 cheeseburger ‘hamburger met een plak kaas’ <engels
1968 crêpe ‘dunne pannenkoek’ <frans
1968 foeyonghai ‘soort garnalenomelet’ <chinees
1968 gado-gado ‘Indonesisch gerecht van koude groenten met pindasaus’ <indonesisch
1968 müsli ‘rauwkostgerecht’ <duits
1968 paella ‘Spaans rijstgerecht’ <catalaans
1968 pizza ‘hartige koek’ <italiaans
1968 raclette ‘fondue van aardappelen en gesmolten kaas’ <frans
1968 tjaptjoi ‘Chinees gerecht’ <chinees
1975 kaasburger ‘broodje gehakte biefstuk met kaas’
1976 kebab ‘aan pennen geroosterde stukjes vlees’ <turks
1976 mi ‘Chinees vermicellitype’ <chinees
1976 patat ‘(in Nederland) in vet gebakken reepjes aardappel’
1977 lasagne ‘soort pasta’ <italiaans
1981 shoarma ‘vleesgerecht’ <arabisch
1983 taco ‘Mexicaanse maïspannenkoek’ <spaans
1984 appetizer ‘kleine consumptie om de eetlust te stimuleren’ <engels
1984 babi pangang ‘geroosterd varkensvlees’ <indonesisch
1984 fastfood ‘gemaksvoedsel’ <engels
1984 mihoen ‘rijstvermicelli’ <chinees
1984 pasta ‘Italiaanse deegwaren’ <italiaans
1984 quiche ‘gerecht’ <frans
1984 smörgåsbord ‘koud buffet’ <zweeds
1984 tagliatelle ‘pastasoort’ <italiaans
1984 tahoe ‘sojakoek’ <indonesisch
1984 tortilla ‘gerecht’ <spaans
1989 falafel ‘gerecht van gefrituurde erwtjes, uien en kruiden’ <arabisch

[p. 388]

1989 sushi ‘rijstballetje met rauwe visreepjes in zeewier’ <japans
1990 slowfood ‘met zorg klaargemaakt voedsel’ <engels
1992 amuse-gueule ‘hapje bij het aperitief’ <frans
1992 cannelloni ‘pasta met groente- en gehaktmengsel’ <italiaans
1992 carpaccio ‘voorgerecht bestaande uit dunne plakjes rauwe ossenhaas’ <italiaans
1992 moussaka ‘gerecht van gehakt, tomatensaus en aubergines’ <modern grieks
1992 nasi rames ‘rijstgerecht’ <indonesisch
1992 rendang ‘rundvleesgerecht met kokos’ <indonesisch
1992 sukiyaki ‘Japans gerecht van groenten met vlees, kip of vis’ <japans
1992 teriyaki ‘gerecht met soja’ <japans
1992 tofoe ‘sojakoek, tahoe’ <chinees
1996 blini ‘boekweitpannenkoekjes’ <russisch
1996 souvlaki ‘geroosterd vlees aan pennen’ <modern grieks
1996 tzatziki ‘gerecht met yoghurt, komkommer en knoflook’ <modern grieks
1997 tapas ‘borrelhapjes’ <spaans
1999 enchilada ‘gevulde gebakken tortilla’ <spaans
1999 gyros ‘gerecht bestaande uit aan het spit geroosterd vlees of vis’ <modern grieks
___  
2000 dim sum ‘Chinese maaltijd van gevarieerde hapjes’ <chinees

De oudste gerechten waren eenpansgerechten (stamppot, hutspot, stoofpot), simpelweg omdat die op open vuur het eenvoudigst te bereiden waren. Maar onder de hogere standen werden van oudsher wel ingewikkelde maaltijden met vele gangen geserveerd, en de benamingen werden dikwijls overgenomen uit het Frans - dat eeuwenlang in heel Europa de taal van het hof en de hogere standen was.

Van de ruim 100 gerechten zijn er slechts acht inheems, waarvan twee algemene benamingen of hyperoniemen: gerecht en maaltijd, en verder de specifieke gerechten balkenbrij, flensje, knoedel, poffertjes, waterzooi en wentelteefje. Samengesteld met oorspronkelijke leenwoorden, maar verder toch wel inheems te noemen, zijn verder hazenpeper, hutspot, pannenkoek, ratjetoe, rats, rijsttafel en spiegelei.

In aflopende volgorde is het volgende aantal woorden uit andere talen geleend: Frans 21, Italiaans 13, Indonesisch 9, Engels 8, Chinees 7, Duits, modern Grieks en Spaans 4, Arabisch en Japans 3, Turks 2, Catalaans, Latijn, Russisch en Zweeds 1. In totaal uit 15 verschillende talen!

[p. 389]

De meeste woorden voor gerechten zijn van na 1850. Dat kwam enerzijds door veranderingen in het huishouden: vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw kregen steeds meer gezinnen een gasfornuis, zodat ze meerdere gerechten tegelijk konden bereiden. Bovendien namen vanaf diezelfde periode ook de koelmogelijkheden (ijskasten, diepvriezers) toe, eerst industrieel, en later in de huishoudens zelf. Hierdoor konden voedingsmiddelen over langere afstanden vervoerd worden en langer bewaard worden.31

Anderzijds kwamen we in de twintigste eeuw in nauw contact met allerlei nieuwe culturen en hun keukens. Vanaf de jaren vijftig kwam eerst de Indische keuken naar Nederland, doordat er na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 vele repatrianten en Indische Nederlanders naar Nederland kwamen. Vanaf de jaren zestig kwamen vele ‘gastarbeiders’ naar Nederland, met medeneming van bijvoorbeeld vele pasta's. Zij werden gevolgd door asielzoekers en mensen uit overzeese gebiedsdelen. Allen brachten hun eigen keuken mee, die door de Nederlanders al snel werd overgenomen. Hoewel de Nederlandse keuken altijd buitenlandse invloed heeft ondergaan, was dit nooit zo sterk, gevarieerd en algemeen als in de tweede helft van de twintigste eeuw.32 Het is dan ook geen wonder dat maar liefst de helft van de woorden voor gerechten dateert van na 1950, toen ons voedingspatroon een enorme verandering heeft ondergaan, culminerend in de fusionkeuken, die ingrediënten en gerechten uit alle windstreken combineert.

Boeiend zijn de benamingen voor gebakken aardappels. De patates frites (waarvoor ik als datering 1932 heb gevonden) zijn in België uitgevonden, zowel qua naam als qua zaak. In het Frans heten ze pommes frites. De patates frites zijn in Nederland verkort tot patat(es) (pas in 1976 gevonden), geheel volgens de normale ‘regel’ dat het eerste relevante deel van een verbinding bewaard blijft en het tweede verdwijnt. In Vlaanderen stuitte dit echter op een probleem, want hier bestond het woord patat al voor de aardappel (een leenwoord uit Spaans patata, zie hieronder bij de groenten). Daarom werd in het Zuid-Nederlands patates frites verkort tot frites/friet (gedateerd op 1924, dus eerder dan de verbinding patates frites, wat ongetwijfeld te danken is aan het toeval).33 Zo zijn dus twee geografisch gescheiden verkortingen ontstaan. De koude Engelse chips, niet gegeten als gerecht maar als tussendoortje, deden hun intrede in 1950.

Groenten

1210-1240 boon* ‘zaad van peulvrucht’
1226-1250 pastinaak ‘plant’ <latijn
1226-1250 kool ‘plantengeslacht, groente’ <latijn
1226-1250 look* ‘plant’
1226-1250 prei ‘soort look’ <frans
1228-1349 siepel ‘ui’ <latijn
1240 biet ‘plant’ <latijn
1240 erwt* ‘een plantenzaad, ook als voedsel’
1240 peterselie ‘gewas’ <me latijn
1240 raap ‘plantensoort’ <latijn
1285 ajuin ‘ui’ <latijn

[p. 390]

___  
1351 rabarber ‘een gewas, gerecht daarvan’ <me latijn
1351-1400 andijvie ‘plant, groente’ <me latijn
1377-1378 spinazie ‘groente’ <frans
___  
1410 wortel* ‘groente’
1420 linze ‘plant’ <duits
1477 keker ‘kikkererwt, sisser’ <latijn
1484 radijs ‘eetbare wortel’ <frans
1488 ui ‘bolgewas’ <latijn
___  
1514 peen ‘wortel’ <?
1514 wittekool ‘koolsoort’
1515 knol* ‘vlezige wortel’
1515 komkommer ‘langwerpige vrucht’ <frans
1544 salade ‘slagerecht’ <frans
1554 rodekool ‘koolsoort’
1565 bataat ‘zoete aardappel’ <spaans
1567 bloemkool ‘koolsoort, groente’
1569 kroot ‘biet’ <frans
1573 artisjok ‘plant’ <italiaans
1583 asperge ‘plant’ <frans
1596 maniok ‘broodwortel’ <frans
1596 palmiet ‘palmkool’ <portugees of spaans
1599 savooiekool ‘koolsoort’
1599 sla ‘plant, gerecht daarvan’
___  
1635 selderie ‘plant’ <frans
1651 augurk ‘kleine komkommer’ <nederduits
1658 rammenas ‘soort radijs’ <italiaans
1659 postelein ‘plantengeslacht’
1663 schorseneer ‘plant’ <frans
1676 zuurkool ‘ingemaakte wittekool’
1682 sjalot ‘uitje’ <frans
1695 jam, yam ‘eetbare wortelknol’ <engels
___  
1712 aardappel* ‘eetbare knol’
1721 groente* ‘groenvoer’
1746 slaboon ‘prinsessenboon’
1762 patat ‘(in België) aardappel’
1778 boerenkool ‘koolsoort’
1778 koolraap ‘knol als groente’
1778 spruitje* ‘groente’
1779 sisser ‘erwt’ <latijn
___  
1800 broccoli ‘Italiaanse bloemkool’ <italiaans
1821 sperzieboon ‘soort boon’
1844 groenvoer ‘groene planten als voedsel’ <duits
1854 kapucijner ‘soort van erwt’

[p. 391]

1854 koolrabi ‘knol als groente’ <duits
1862 aubergine ‘komkommerachtige vrucht’ <frans
1872 kriel(tje)* ‘kleine, nieuwe aardappel’
1873 selderij ‘plant’ <frans
1885 pieper* ‘kleine, jonge aardappel’
___  
1905 bintje* ‘aardappel’
1916 flageolet ‘boon’ <frans
1930 rauwkost ‘rauw toebereid gerecht’ <duits
1932 taugé ‘jonge katjangplantjes’ <indonesisch
1944 kousenband ‘groente’ <surinaams-nederlands
1944 paksoi ‘Chinese groente’ <chinees
1944 zucchetti ‘komkommervormige groente’ <italiaans
1968 courgette ‘pompoen’ <frans

Bij de groenten kunnen we verschillende lagen ontdekken. Ten eerste zijn er inheemse benamingen: aardappel, bintje (een persoonsnaam), boon, erwt, groente, knol, kriel(tje), look, pieper, spruitje en wortel; peen wordt ook als inheems gevoeld, al hebben etymologen de herkomst van het woord nog niet kunnen vaststellen. Voorts zijn er inheems gevoelde samenstellingen met oorspronkelijke leenwoorden: slaboon, sperzieboon, en met het aan het Latijn ontleende kool: bloemkool, boerenkool, rodekool, wittekool, zuurkool. De inheemse benamingen vinden we min of meer door alle eeuwen heen.

Dan zijn er twaalf Latijnse leenwoorden: ajuin, andijvie, biet, keker, kool, peterselie, pastinaak, raap, rabarber, sisser, ui, venkel. Deze dateren allemaal uit de Middeleeuwen en ze zijn overgenomen in de Romeinse tijd. De Romeinen brachten namelijk nieuwe landbouwtechnieken en nieuwe voedingsproducten; boven zagen we al het leenwoord graan. Alleen sisser is later, na de Romeinse tijd, overgenomen; sisser is hetzelfde woord als keker of kikkererwt, beide van Latijn cicer. Maar terwijl in die laatste woorden de oude Latijnse uitspraak van de c voor e, ae, i en y als [k] is behouden, is in sisser de jongere uitspraak [s] te zien, die we ook vinden in siepel, van Latijn cipolla.

Vervolgens zijn er veertien Franse leenwoorden, en enkele andere talen hebben ook nog wat namen geleverd. Opvallend is dat het aantal groentenamen in de twintigste eeuw heel gering is: slechts acht, terwijl alle andere etenswaren juist in de twintigste eeuw de meeste woorden opleveren.

Bijzonder is de geschiedenis van de aardappel: dit is een inheems woord voor een uitheems product, wat zeer uitzonderlijk is. Het woord aardappel bestond al in de Middeleeuwen in het Nederlands. Het werd toen gebruikt voor de knolwortel van de cyclaam, ook varkensbrood geheten. Ook andere talen kennen een vergelijkbare benaming, bijvoorbeeld Duits Erdapfel, Frans pomme de terre. Waarschijnlijk zijn al deze benamingen vertalingen van Latijn malum terrae. Het knolgewas dat wij tegenwoordig aardappel noemen, werd door de Spanjaarden in Amerika ontdekt. De Spanjaarden namen de inheemse naam over als batata, patata en brachten naam en product naar Europa. Dit namen we in 1565 over als bataat, waarmee de zoete aardappel werd aangeduid. In België werd (1762) ook patat overgenomen voor de aardappel, maar in Neder-

[p. 392]

land is dat onbekend; daar wordt het product sinds 1712 aardappel genoemd. Pas vanaf het midden van de achttiende eeuw werd de aardappel volksvoedsel, doordat in die periode graan en vlees erg duur waren.34

Kruiden en specerijen

1220-1240 peper ‘specerij’ <latijn
1225 dille* ‘plantengeslacht’
1225 venkel ‘plant’ <latijn
1226-1250 kervel ‘plantengeslacht’ <latijn
1240 knoflook* ‘kruiderij’
1240 komijn ‘plantengeslacht, zaad daarvan’ <frans
1250 basilicum ‘bazielkruid’ <latijn
1253 muskaat ‘specerij’ <frans
1276-1300 kaneel ‘specerij’ <frans
1285 koriander ‘plant, specerij’ <frans
1286 foelie ‘zaadmantel van de muskaatnoot’ <latijn
1287 nootmuskaat ‘specerij’ <frans
1287 saffraan ‘specerij’ <frans
___  
1300 piment ‘specerij’ <frans
1330 specerij ‘smaakgevende stof, kruid’ <frans
1351 karwij ‘specerijplant’ <frans of latijn
1361-1362 kruid* ‘specerij’
___  
1554 dragon ‘slangenkruid’ <frans
1567 tijm ‘plantengeslacht’ <frans of latijn
1568 sesam ‘gewas, het zaad daarvan’ <latijn
1599 kruidnagel* ‘specerij’
1599 macis ‘foelie van nootmuskaat’ <frans
___  
1724 kerrie ‘specerij, daarmee gekruid gerecht’ <engels
1734 vanille ‘specerij’ <frans
___  
1827 sambal ‘kruiderij’ <Indonesisch
1847 cayennepeper ‘gemalen spaanse peper’ <engels
1847 peperoni ‘Spaanse peper’ <italiaans
1875 lombok ‘Spaanse peper’ <indonesisch
1886 chili ‘cayennepeper’ <spaans
___  
1902 paprika ‘plant, specerij’ <duits
1968 oregano ‘tuinkruid’ <spaans
1976 tabasco ‘kruiderij’ <engels

Namen voor kruiden en specerijen zijn veelal geleend. Inheems zijn de benamingen kruid, kruidnagel en dille en knoflook. In de tiende eeuw noemde men kruiden ook wurt, dat is blijven voortleven in Duits Wurz en Gewürz.

De Romeinen brachten enkele specerijen: basilicum, kervel, peper, venkel (foelie is een latere geleerde overname, al blijkt dat niet uit de datering), maar de meeste woorden

[p. 393]

komen, verbazingwekkend genoeg, uit het Frans en deze zijn op één na (vanille) allemaal in of aan het eind van de Middeleeuwen geleend. Terwijl men zou verwachten dat de periode van de ontdekkingsreizen vele specerijnamen zou opleveren, blijkt dat niet het geval: veel namen voor specerijen, zoals het woord peper - het belangrijkste importproduct uit Indonesië - kenden we namelijk al ruim voordat we naar Azië gingen. De producten werden in de Middeleeuwen vooral via Venetië in Europa verhandeld, en wij leerden ze vooral via de fijne Franse keuken kennen. Wél nam het gebruik van specerijen in de zestiende en zeventiende eeuw toe, mede omdat de prijs omlaagging door de eigen import.

In 1724 namen we kerrie uit het Engels over, in de negentiende eeuw lombok en sambal uit het Indonesisch, en chili en oregano werden pas in de negentiende en twintigste eeuw uit het Spaans geleend. De twintigste eeuw levert voor de kruiden, net als voor de groenten, niet veel nieuws meer op.

Gekonfijte en gedroogde vruchten

1240 gember ‘eetbare gekonfijte wortelstok’ <me Latijn
1288 rozijn ‘gedroogde druif’ <frans
___  
1407-1432 conserven ‘ingelegde vruchten, verduurzaamde levensmiddelen’ <frans
1480 sukade ‘gekonfijte schil van cederappel’ <frans
___  
1514 krent ‘gedroogde druif’
1536 marmelade ‘jam’ <frans
1561 confituren ‘gekonfijte vruchten’ <frans
1596 kopra ‘gedroogd vruchtvlees van de kokosnoot’ <portugees
___  
1825 pruimedant ‘gedroogde pruim’ <frans
1886 tuttifrutti ‘vruchtenmengsel’
___  
1903 jam ‘confiture’ <engels
1934 stemgember ‘de fijnste soort van gember’ <engels

Voor gedroogde of gekonfijte vruchten bestaan verschillende namen. Alle namen komen uit Europa en vooral uit Frankrijk; jam en kopra komen van oosprong uit de koloniën. Tuttifrutti is pseudo-Italiaans: in het Italiaans betekent tutti i frutti ‘alle vruchten’. Krent is verkort uit Frans raisin de Corinthe ‘druif van Corinthe’ - de plaats waarvandaan veel krenten kwamen. In stemgember betekent stem ‘stam, wortelstok’, het plantenonderdeel dat de smakelijkste gember levert.

Sauzen

1240 mosterd ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’ <frans
1240 saus ‘soort jus’ <frans
1285-1286 azijn ‘vloeistof uit azijnzuur en water’ <frans

[p. 394]

___  
1377-1378 gelei ‘ingekookt sap’ <frans
___  
1518 jus ‘vleesnat’ <frans
1599 gelatine ‘geleiachtig eiwitpreparaat’ <frans
___  
1670 soja ‘pikante saus’ <japans
___  
1847 bechamelsaus ‘melksaus’
1847 marinade ‘het doortrekken met kruiden’ <frans
1847 mayonaise ‘eiersaus’ <frans
1847 ravigotesaus ‘bepaalde saus’
1847 vinaigrette ‘zure saus’ <frans
1863 aspic ‘vlees- of visgelei’ <frans
1863 roux ‘saus van gebruinde boter’ <frans
1866 remouladesaus ‘een koude saus’
1886 bearnaise ‘botersaus’ <frans
___  
1900 worcestersaus ‘kruidige saus’ <engels
1903 chutney ‘zoetzuur met vruchten’ <engels
1910 ketjap ‘saus van sojabonen’ <indonesisch
1929 piccalilly ‘in zuur ingemaakte groente’ <engels
1950 ketchup ‘pikante saus’ <engels
1974 dressing ‘slasaus’ <engels
1986 tamari ‘sojasaus’ <japans
1987 mayo ‘mayonaise’
1999 pesto ‘ongekookte saus van o.m. basilicum, knoflook, olijfolie en geraspte kaas’ <italiaans

Mosterd en azijn waren eeuwenlang, vanaf de Middeleeuwen, de smaakmakers van de Nederlandse maaltijd.35 Aan sauzen deden de Nederlanders niet: geen enkele sausnaam is inheems. Het Frans heeft de meest verfijnde keuken en levert dan ook de meeste woorden, namelijk veertien: ook bechamelsaus, remouladesaus en ravigotesaus gaan terug op Franse woorden, waaraan in het Nederlands tautologisch saus is toegevoegd. Het Engels heeft ook nog het nodige te bieden: chutney, dressing, ketchup, piccalilly en worcestersaus. Oud is het Japanse leenwoord soja (1670), terwijl tamari juist heel jong is (1986). Ketjap, dat we (1910) uit het Indonesisch hebben overgenomen, is hetzelfde woord als het Engels leenwoord ketchup. Tot slot heeft het Italiaans recent pesto gebracht. Verreweg de meeste sausnamen komen uit de negentiende en twintigste eeuw. Mayo is een recente Nederlandse verkorting van mayonaise.

Brood

1101-1200 brood* ‘baksel uit gerezen deeg’
___  
1343-1345 beschuit ‘baksel’ <frans
1360 wegge, weg* ‘broodje’
1384-1428 mik ‘brood’ <me latijn
___  
1494 stoet* ‘broodsoort’

[p. 395]

___  
1567 boterham ‘snee brood’
___  
1768 pompernikkel ‘roggebrood’ <duits
___  
1816-1817 commiesbrood ‘soldatenbrood’ <duits
1823 kadetje ‘broodje’
1847 brioche ‘zoet broodje’ <frans
1847 crouton ‘stukje geroosterd brood’ <frans
1875 matse ‘ongezuurd brood’ <jiddisch
1885 kuch* ‘soldatenbrood’
___  
1900-1904 pistolet ‘broodje’ <frans
1906 croissant ‘halvemaanvormig broodje’ <frans
1910 sandwich ‘twee sneetjes brood met beleg’ <engels
1912 challe ‘gevlochten brood voor de sabbat’ <jiddisch
1912 roti ‘brood’ <hindi
1912 toast ‘sneetje geroosterd brood’ <engels
1914 casinobrood ‘broodsoort’
1948 knäckebröd ‘hard brood’ <zweeds
1950 cracker ‘droge biscuit’ <engels
1951 volkorenbrood ‘brood van ongebuild meel’ <duits
1961 kerststol ‘luxe kerstbrood’
1967 tosti ‘geroosterd brood met beleg’ <italiaans
1968 smørrebrød ‘plakje brood met boter en beleg’ <deens
1971 stokbrood* ‘dun langwerpig frans brood’
1976 baguette ‘stokbrood’ <frans
1991 pitabroodje ‘broodje bij shoarma geserveerd’
1992 croque-monsieur ‘tosti met ham en kaas’ <frans
1998 ciabatta ‘langwerpig brood gebakken van nat deeg’ <italiaans
1999 bagel ‘rond, hartig hardgebakken broodje met een gat in het midden’ <engels

Van oudsher was brood een belangrijk voedingsmiddel. In de Middeleeuwen waren tarwe-, rogge- en gerstebrood de belangrijkste broodsoorten, maar brood werd ook van haver, boekweit, gierst en (zelden) van rijst gemaakt. Het gewone voedsel was roggebrood of zwart brood, ook wel bruin brood. Tarwebrood of wittebrood (in de dertiende eeuw al zo genoemd) was voor de rijken.36

De basiswoorden - brood, stoet, wegge - zijn inheems. Boterham en kerststol worden ook als zodanig gevoeld, hoewel ze gevormd zijn met een oorspronkelijk geleend woord (boter en kerst). Maar al heel vroeg hebben we ook woorden uit andere talen overgenomen: beschuit uit het Frans en mik uit het Latijn. Dat laatste is verklaarbaar: de Romeinen brachten hier de woorden graan en zemelen, en daaraan verbonden de nieuwe broodnaam mik.

In de negentiende en vooral de twintigste eeuw is het aantal broodnamen zeer toe-

[p. 396]

genomen, doordat we allerlei broodsoorten van over de gehele wereld overnamen: ciabatta, pistolet, roti, toast enzovoorts. Bagel is eigenlijk een Jiddisch woord, maar we hebben het via Amerika leren kennen. Pitabroodje komt uit het modern Grieks, met een tautologisch tweede deel.

Gebak en koekjes

Een luxe variant van brood is gebak. Niet altijd ligt de scheidslijn overigens even scherp. Aan gebakssoorten bevat het bestand:

1300 koek* ‘zoet gebak’
1302 taart ‘gebak’ <frans
1330 krakeling* ‘bros 8-vormig koekje’
1380-1420 oblie ‘dun wafeltje’ <frans
___  
1450 wafel* ‘gebak’
___  
1540 vlaai* ‘gebak’
1580 sprits ‘baksel waarvan het deeg in heet vet wordt gespoten’
___  
1699 kaakje ‘koekje’ <engels
___  
1700 makroon ‘koekje’ <frans
1704 biscuit ‘droog gebak’ <frans
1714 banket ‘gevuld gebak’ <frans
1761 cake ‘zachte koek’ <engels
1769 tulband ‘soort gebak’
1778 gebak* ‘taart’
1787-1789 taaitaai* ‘koek’
1791 soes ‘gebak’
___  
1827 kweekwee ‘gebakjes’ <indonesisch
1854 bolus ‘gebak’ <jiddisch
1875 beignet ‘gebak’ <frans
1875 kletskop ‘koekje’
1875 tompoes ‘gebakje’
1884 oliebol ‘in olie gebakken bol’
1898 speculaas ‘sinterklaaskoek’
___  
1910-1914 baba ‘gebak’ <frans
1912 meringue ‘gebakje’ <frans
1919 appelflap* ‘appelgebak’
1929 frou-frou ‘biscuitje’ <frans
1937 moorkop ‘gebakje’
1946 petitfour ‘minigebakje’ <frans
1949 bokkenpoot(je) ‘koekje met chocola aan de uiteinden’ <?
1950 negerzoen ‘met geklopt eiwit gevuld koekje, overtrokken met chocolade’
1976 profiterole ‘gevulde soes’ <frans

[p. 397]

1989 brownie ‘koekje met chocolade en nootjes’ <engels
1989 donut ‘rond, luchtig soort gebak met een gat in het midden’ <engels
1989 muffin ‘rond cakeje’ <engels
1989 scone ‘Engelse cakesoort’ <engels
1992 baklava ‘zeer zoet gebak’ <turks
1992 sachertaart ‘taartsoort’ <duits
1999 pretzel ‘zoute krakeling’ <engels

Dit is geen uitputtende lijst van alle bestaande gebak- en koeksoorten (er bestaan vele regionale varianten), maar het geeft een goede indruk. Dat de Franse fijne keuken hier een belangrijke rol speelt, is duidelijk: een derde van de gebaksnamen komt uit het Frans (soes is een verkorting van chou à la crème).

Inheemse namen zijn geringer in aantal: appelflap, gebak, koek, krakeling, taaitaai, vlaai, wafel; hieronder vallen ook het bokkenpootje (het vraagteken bij de herkomst betekent slechts dat niet bekend is waarvandaan het woord bok komt, zie 3.5), en de inheems gevoelde kletskop, moorkop, negerzoen en oliebol (samengesteld met de leenwoorden kop, neger en olie). De tulband heeft zijn gebak-betekenis in het Nederlands gekregen dankzij vormovereenkomst; elders duidt hij slechts een hoofddeksel aan.

Het Engels levert na de oude namen kaakje en cake in de tweede helft van de twintigste eeuw veel nieuwe namen op: brownie, donut, muffin, pretzel, scone. Sprits is een verkorting van Duits Spritzkuchen. Speculaas is vervormd uit speculatie ‘harde, gekruide koek’. Het woord speculatie is ontleend aan Latijn speculatio ‘bespiegeling’, waaruit de betekenis ‘zin, welbehagen’ ontstond. Dit werd overdrachtelijk gebruikt als naam voor bepaalde luxe goederen (‘een welbehagen voor de tong’). Oorspronkelijk was speculaas dus een gebak voor fijnproevers.37

Snoep en nagerechten

Na het gebak houden we de volgende zoetigheden over. Deze zijn van diverse aard.

1401-1500 blanc-manger ‘soort van nagerecht’ <frans
1486 marsepein ‘lekkernij’ <frans
___  
1642 delicatesse ‘lekkernij’ <frans
1663 dessert ‘nagerecht’ <frans
1695 watergruwel ‘nagerecht van gort met o.a. rozijnen’
___  
1714 suikerwerk ‘lekkernij’
1746 amandelpers ‘lekkernij’
1746 plumpudding ‘soort pudding’ <engels
1769 ulevel ‘suikerwerk’ <italiaans
1778 pepermunt ‘lekkernij’
1785 bonbon ‘snoepgoed’ <frans
1786-1793 compote ‘vruchtenmoes’ <frans

[p. 398]

1793-1796 ijs* ‘bevroren water of room als lekkernij’
___  
1830 bruidssuiker ‘suikergoed’
1842 pudding ‘dessert van stijf geworden vla’ <engels
1847 karamel ‘gebrande suiker’ <frans
1855 hopje* ‘handelsnaam voor een bepaald snoepje’
1860-1875 noga ‘een lekkernij’ <frans
1864 flikje ‘chocolaatje’
1869 praline ‘bonbon’ <frans
1872 babbelaar ‘snoepje’
1872 borstplaat ‘lekkernij’
1873 spek* ‘een soort suikergoed’
1875 plombière ‘ijsgerecht’ <frans
1886 bavaroise ‘ijsgerecht’ <frans
1896 fondant ‘suikergoed’ <frans
1898 zuurtje* ‘snoep om op te zuigen’
___  
1901 peerdrops ‘zuurtjes’ <engels
1906 toffee ‘snoepje van karamel’ <engels
1910 chipolatapudding ‘gevulde pudding’
1920 tumtum ‘snoepgoed’ <engels
1921 kauwgum, kauwgom ‘snoepgoed van suiker, olie en gom’
1927 lolly ‘lekkernij’ <engels
1928 ijsco ‘ijsje’
1929 mousse ‘gerecht van stijfgeklopte room’ <frans
1936 chewing gum ‘kauwgom’ <engels
1936 salmiak ‘soort drop’ <duits
1942 pêche melba ‘dessert’ <frans
1945 bombe ‘ijsgerecht’ <frans
1950 parfait ‘ijscoupe’ <frans
1950 spijs ‘amandelpers’
1961 flan ‘eiervla’ <frans
1963 instantpudding ‘pudding die direct klaar is’ <engels
1963 vlaflip ‘nagerecht’
1964 snack ‘hartig hapje’ <engels
1966 wybertje ‘ruitvormig dropje’
1968 marshmallow ‘zachte, zoete lekkernij’ <engels
1968 zabaglione ‘een nagerecht’ <italiaans
1979 popcorn ‘gepofte maïs’ <engels
1984 bubbelgum ‘klapkauwgom’ <engels
1984 candybar ‘gevulde chocoladereep’ <engels
1984 sabayon ‘een nagerecht’ <frans
1991 tiramisu ‘nagerecht met lange vingers en mascarpone’ <italiaans

[p. 399]

De meeste woorden op het gebied van snoepgoed dateren vanaf de achttiende eeuw, en het Frans levert de meeste woorden. Ook het oer-Hollands lijkende watergruwel heeft een Franse herkomst: gruwel komt van Oudfrans gruel, tegenwoordig gruau ‘grutten’. En amandelpers is een aanpassing van Oudfrans paste ‘deeg’. De invloed van de Franse keuken gaat door tot diep in de twintigste eeuw. De tweede leverancier is het Engels, en dat levert vrijwel alleen nieuwe woorden in de twintigste eeuw; na de Eerste Wereldoorlog leerden we lolly, tumtum en kauwgum (als halve vertaling van chewing gum) kennen, hoewel dat laatste vooral na de Tweede Wereldoorlog ingang vond, toen de Amerikanen en Engelsen het met gulle hand uitdeelden. De derde leverancier is het Italiaans met een kleine bijdrage: tiramisu, ulevel en zabaglione. Het Duits speelt maar een kleine rol met salmiak en wybertje, dat een verkorting is van Wybert-Pastille, genoemd naar de Duitse arts Wybert.

Flikje en hopje zijn Nederlandse merknamen. Inheems zijn ijs, spek en zuurtje; verder zijn in Nederland gemaakt van oorspronkelijke leenwoorden babbelaar, borstplaat, bruidssuiker, suikerwerk en het gemunte vlaflip (zie 4.4).

Drugssoorten

1554 opium ‘verdovend middel’ <latijn
1596 betel ‘blad van plant waarop men kauwt’ <portugees
1596 sirih ‘blad van plant waarop men kauwt’ <indonesisch
___  
1688 laudanum ‘opiumtinctuur’ <modern latijn
___  
1838 hasjiesj ‘bedwelmend genotmiddel’ <arabisch
1843 morfine ‘bedwelmend middel’ <duits
1898 cocaïne ‘alkaloïde uit de coca’ <spaans
___  
1928 heroïne ‘bedwelmende stof’ <duits
1939 marihuana ‘genotmiddel’ <spaans
1941 efedrine ‘stimulerend alkaloïde’
1960 benzedrine ‘handelsnaam voor amfetamine’
1961 kif ‘hasjiesj’ <arabisch
1961 mescaline ‘drug’
1962 weed ‘marihuana’ <engels
1966 lsd ‘een hallucinerend middel’ <engels of duits
1966 peppil ‘stimulerend middel’ <engels
1966 stickie ‘marihuanasigaret’ <engels
1966 stuff ‘drugs’ <engels
1968 amfetamine ‘stimulerend middel’ <engels
1968 dope ‘stimulerend middel’ <engels
1968 drug ‘verdovend middel’ <engels
1970 acid lsd’ <engels
1970 speed ‘drugs’ <engels
1973 harddrug ‘verslavende drug’ <engels
1973 softdrug ‘niet-verslavende drug’ <engels

[p. 400]

1982 coke ‘cocaïne’ <engels
1984 methadon ‘vervangingsmiddel van morfine’ <engels
1986 crack ‘zeer verslavende drug’ <engels
1986 nederwiet ‘in Nederland geteelde marihuana’
1986 popper ‘drug die libido versterkt’ <engels
1987 ecstasy ‘een hallucinerend middel’ <engels
1987 xtc ‘een hallucinerend middel’ <engels
1988 designerdrug ‘synthetische drug’ <engels
1989 horse ‘heroïne’ <engels
1992 qat ‘hallucinogene boomblaadjes waarop gekauwd wordt’ <arabisch
1992 rohypnol ‘slaapmiddel dat met drugs het geweten uitschakelt’ <engels
1992 smartdrug ‘preparaat dat het denken bevordert’ <engels
1994 ayahuasca ‘geestverruimende Zuid-Amerikaanse drug’ <spaans
1996 paddo* ‘hallucinogene paddestoel’
1997 epo ‘eiwithormoon gebruikt als doping’
1997 mediweed, mediwiet ‘op recept verkrijgbare marihuana’
1999 partydrug ‘op dansfeesten gebruikte drug’ <engels

Opium wordt gewonnen uit de papaverplant en is de oudst bekende pijnstiller. Laudanum is opium in tinctuurvorm. Opium werd in de geneeskunde toegepast; de werking ervan was al in de Oudheid bekend, en de kennis hiervan werd door Arabische geneesheren verspreid: de Arabieren bezaten in de Middeleeuwen op het gebied van de geneeskunst, wis- en natuurkunde (alchimie) en sterrenkunde een voorsprong op de Europese wetenschappers. Zij grepen terug op Griekse medische, natuurkundige en filosofische werken, die ze vanaf de negende eeuw vertaalden in het Arabisch, en die vandaar uit in het Latijn vertaald werden. De Latijnse benamingen werden door de Europese talen overgenomen.

In de zestiende eeuw leerden we in Indonesië de sirih, of in Portugese vorm betel kennen.

Vanaf de negentiende en vooral de twintigste eeuw werden bedwelmende middelen op chemische wijze geïsoleerd of vervaardigd (ze kregen dan veelal de uitgang -ine), aanvankelijk als geneesmiddel. Maar begin twintigste eeuw bleek het nodig het gebruik van drugs te regelen, en in 1919 werd de Opiumwet aangenomen (die tot op heden zo heet, hoewel opium als drug eigenlijk niet of nauwelijks meer wordt gebruikt). In deze periode - eind negentiende, begin twintigste eeuw - kreeg het woord verslaving de betekenis ‘afhankelijkheid van drugs’; voor die tijd betekende het ‘onderworpenheid, dienstbaarheid’.

Vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw zijn drugs populaire genotsmiddelen die onder grote delen van de bevolking gebruikt worden, en het aantal verschillende drugs

[p. 401]

is zeer toegenomen. Vanaf dat moment spreken we van drugs (voor die tijd had men het over verdovende middelen of narcotica) en maakt men een onderscheid tussen softdrugs (hennepproducten zoals hasjiesj en marihuana) en harddrugs (zoals cocaïne, heroïne en lsd). Softdrugs worden verkocht in coffeeshops (1972) en sinds kort zijn paddo's en andere legale producten ook in smartshops (1996) te koop.

De meeste drugs vanaf de jaren zestig zijn bekend geworden met de Engelse benaming, soms ook Arabisch (kif, qat naast het al veel oudere hasjiesj) of Spaans (ayahuasca naast het oudere cocaïne en marihuana): zowel in de Arabische landen als in de Zuid-Amerikaanse worden planten verbouwd die als basis voor drugs dienen. Geen enkele drugsbenaming is inheems, behalve de verkorting paddo voor ‘(hallucinogene) paddestoel’ (een vertaling van Engels magic mushroom); zelfs de nederwiet is een Nederlandse vinding met een Engels tweede lid: wiet oftewel Engels weed.

Rookwaar

1577 tabak ‘gedroogde planten die gerookt worden’ <spaans
___  
1658 snuiftabak ‘fijngemalen tabak om te snuiven’
1693 pijp ‘rookgerei’
___  
1808 sigaar ‘rol tabak om te roken’ <frans
1821 pruimtabak ‘tabak om op te kauwen’
1839 havanna ‘sigaar’ <frans
1860 baai ‘pijptabak’
1869 sigaret ‘rol tabak in papier om te roken’ <frans
1897 peuk* ‘kort eindje van sigaar of sigaret’
1897 strootje ‘sigaret’ <indonesisch
___  
1900 shag ‘sigarettentabak’ <engels
1937 saffie ‘sigaret’
1940 bolknak* ‘sigaar’
1976 filter ‘mondstuk van sigaret’ <engels
1984 sjekkie ‘sigaret van shag’

Voor rookwaren kennen we veel minder woorden dan voor drugs (er zijn natuurlijk vele merknamen voor sigaren en sigaretten, maar die staan niet in woordenboeken en dus ook niet in het bestand). Tabak werd uit Amerika aangevoerd, en aanvankelijk rookte men dit in een pijp (dat er hierdoor de nieuwe betekenis ‘rookgerei’ bij kreeg; in de oudste betekenis ‘buis’ was het woord in de Romeinse tijd uit het Latijn overgenomen. Aanvankelijk sprak men van tabak blazen, drinken, smoken, smoren, zuigen of zuipen. Of men snoof de tabak: snuiftabak bestaat sinds 1658. Pas vanaf 1668 spreekt men van tabak roken. Pruimen voor ‘tabak kauwen’ stamt pas van 1779, terwijl de benaming pruimtabak zelfs pas negentiende-eeuws is.

Tabak roken was in Nederland in het laatste decennium van de zestiende eeuw gebruikelijk geworden, en het vond zoveel aanhangers dat al in het begin van de zeventiende eeuw in de steden vele ‘toebackskroegen’ verrezen, waar mannen hun pijpjes konden smoken. In 1615 werd een proef genomen met eigen tabaksbouw in de omgeving

[p. 402]

van Amersfoort (in het Russisch is de plaatsnaam Amersfoort in de vorm machorka synoniem geworden voor ‘grove tabak’). En midden zeventiende eeuw ging men in Gouda lange pijpen vervaardigen in plaats van de oudere korte pijpjes: de bekende gouwenaars.

Pas enkele eeuwen na de invoer van de tabak werden sigaren gemaakt, die wij in de Franse tijd, begin negentiende eeuw, leerden kennen. Sigaretten werden nog iets later uitgevonden. De namen sigaar, sigaret en havanna komen allemaal uit het Frans (in het Spaans is de benaming voor de laatste habano, met een b). Uit het Engels komen shag (met de afleiding sjekkie) en filter. Baai is een afkorting van baai-tabak, tabak die aangevoerd wordt uit een bepaalde baai; welk baai het betreft is omstreden: gesuggereerd is Chesapeake Bay in Maryland, VS, of de Allerheiligenbaai, in het Portugees Baía de todos os Santos.

Alle namen voor rookwaren zijn leenwoorden of afleidingen daarvan, behalve peuk, dat eigenlijk ‘klein stukje’ betekende en na de invoer van sigaren en sigaretten de toegespitste betekenis ‘kort eindje van sigaar of sigaret’ kreeg. Verder is de grappige vorming bolknak een inheemse vinding. Saffie is een verkorting van het oudere saffiaantje ‘sigaar’ (1906), dat waarschijnlijk is afgeleid van saffiaanleer, de bekleding van de sigarenkoker.

 

Uit dit alles blijkt dat het voedsel dat wij al eeuwenlang nuttigen, voor een groot deel is geïmporteerd. Rogge komt uit het Oosten, graan, bieten, kool, rapen en dergelijke komen uit het gebied rondom de Middellandse Zee, de aardappel komt uit de bergen van tropisch Zuid-Amerika.

Ook de dranken die wij dagelijks tot ons nemen, zijn van elders ingevoerd. Zij zorgden in de zeventiende eeuw voor grote veranderingen in de samenleving. In de loop van de zeventiende eeuw kwamen koffiehuizen in zwang - wellicht was hun populariteit mede te danken aan het feit dat ze in veel landen aanvankelijk alleen toegankelijk waren voor mannen, waardoor ze een centrum voor politieke, literaire en commerciële activiteiten werden. De naam en de instelling koffiehuis is hier uit Engeland bekend geworden. Het woord wordt voor het eerst in 1676 genoemd en is een vertaling van coffee house. Daarnaast verrezen er vanaf begin zeventiende eeuw vele tabakskroegen, wederom alleen voor mannen. Vrouwen gingen niet naar openbare gelegenheden, maar de dames uit de gegoede standen gingen bij elkaar op uitgebreide theevisite. Thee werd in de wandeling dan ook ‘vrouwtjes-tabak’ genoemd.38 Overigens werden de nieuwe producten thee, koffie, cacao en ook tabak in het begin door artsen en verkopers aangeprezen vanwege hun geneeskundige werking - hoewel er later wel tegenstemmen klonken.

In de categorie consumptie overheersen de leenwoorden op een enorme manier: 488 woorden zijn directe leenwoorden, 106 woorden zijn afgeleiden van leenwoorden (waarvan naar ik schat de helft als inheems wordt gevoeld) en slechts 92 woorden zijn inheems. Wel verschilt de verdeling per categorie: onder de gerechten en sauzen vinden we geen of nauwelijks inheemse woorden, maar onder de zuivel- en vleessoorten vrij veel. Van de 488 leenwoorden komen er 169 uit het Frans, 106 uit het Engels, 39 uit het Italiaans, 38 uit het Duits, 28 uit het Spaans, 21 uit het Indonesisch en de rest komt uit verschillende talen. Ook hier verschilt de verdeling nogal per categorie: het Engels had grote invloed op de drugsnamen, het Frans op de gerechten.

[p. 403]

4.1.7 Tijd

Als voorbeelden van woorden die tijd aanduiden geef ik eerst de namen voor maanden en seizoenen, vervolgens de aanduidingen van de indeling van dag en jaar (inclusief speciale dagen zoals feestdagen), en ten slotte de bijwoorden van tijd.

Maanden en seizoenen

De Indo-europanen kenden woorden voor drie seizoenen: ‘winter’, ‘lente’ en ‘zomer’. Er kan geen woord voor ‘herfst’ gereconstrueerd worden, en men heeft hieruit wel de conclusie willen trekken dat de Indo-europeanen oorspronkelijk in een zuidelijk gebied woonden waar de zomer snel overgaat in de winter.39

1050 herfst* ‘najaar’
1050 herfstmaand* ‘september’
1050 hooimaand* ‘juli’
1050 lente* ‘voorjaar’
1050 lentemaand* ‘maart’
1050 maand* ‘twaalfde deel van een jaar’
1050 wiedemaand* ‘juni’
1050 winter* ‘jaargetijde’
1050 wintermaand* ‘december’
___  
1236 zomer* ‘jaargetijde’
1240 april ‘vierde maand’ <latijn
1240 december ‘twaalfde maand’ <latijn
1240 louwmaand* ‘januari’
1240 maart ‘derde maand’ <latijn
1240 september ‘negende maand’ <latijn
1265-1270 seizoen ‘jaargetijde’ <frans
1266 november ‘elfde maand’ <latijn
1270 juni ‘zesde maand’ <latijn
1270 mei ‘vijfde maand’ <latijn
1279 oktober ‘tiende maand’ <latijn
1286 juli ‘zevende maand’ <latijn
1289 augustus ‘achtste maand’ <latijn
1293 januari ‘eerste maand’ <latijn
1298 sprokkelmaand ‘februari’
___  
1376 februari ‘tweede maand’ <latijn
___  
1401-1500 voorjaar* ‘lente’
___  
1603 ramadan ‘islamitische vastenmaand’ <arabisch

Weggelaten heb ik de in Nederland niet tot nauwelijks gebruikte Franse maandnamen uit de periode van de Franse tijd (fructidor, nivôse etc.); zie daarvoor 3.2.

Alle namen voor maanden en seizoenen zijn oud. Het jongste is de maandnaam

[p. 404]

ramadan (1603), die we in Indonesië hebben leren kennen; pas in 1824 wordt deze naam in de woordenboeken opgenomen, tot die tijd zal het woord slechts in beperkte kring bekend zijn geweest.

De namen voor de jaargetijden en het woord maand zijn alle oud en inheems - de Germanen hanteerden een tijdsindeling naar seizoenen. De indeling van het jaar en de week hebben wij van de Romeinen overgenomen. De Germanen telden oorspronkelijk in nachten in plaats van in dagen en ze hadden een maanjaar in plaats van een zonnejaar (het Germaanse woord maand is dan ook een afleiding van maan; een maand had oorspronkelijk de lengte van een maanloop en werd pas later een twaalfde deel van een jaar). Van de Romeinen namen de Germanen de tijdsindeling op basis van het zonnejaar en de dagen over, en daarmee de namen van de weekdagen en de maanden. Omschrijvingen als hooimaand, lentemaand zijn inheems, maar dit waren en zijn niet de gebruikelijke maandbenamingen - dat zijn de geleende Latijnse namen.40

De benaming sprokkelmaand lijkt erg inheems, maar is dat niet. Hij gaat terug op Latijn spurcalia ‘reinigingsfeesten, ontuchtige volksfeesten’, naar de feesten die in februari gehouden werden. De Latijnse naam spurcalia is een afleiding van spurcus ‘vuil, smerig’, dus de spurcalia waren eigenlijk de ‘smerige’ feesten. Zo toonde de Kerk haar minachting voor deze feesten. De naam is volksetymologisch gewijzigd in sprokkelmaand onder invloed van sprokkelen, waarbij ongetwijfeld het feit dat in februari de wijngaarden gesnoeid werden, een rol speelde.

Tijdrekening

901-1000 avond* ‘tijd waarin de duisternis intreedt’
901-1000 dag* ‘etmaal, tijd dat het licht is’
901-1000 eeuw* ‘honderd jaar’
901-1000 morgen* ‘ochtend’
901-1000 nacht* ‘de tijd als de zon onder is’
901-1000 stond(e)* ‘tijd(stip)’
901-1000 tijd* ‘opeenvolging van momenten, moment’
___  
1236 jaar* ‘tijd van 12 maanden’
1236 Lichtmis ‘Vrouwendag, 2 februari’
1236 middag* ‘midden van de dag’
1236 noen ‘middag’ <latijn
1236 Pasen ‘christelijk feest’ <latijn
1236 week* ‘zeven dagen’
1236 zondag* ‘eerste dag van de week’
1240 dageraad* ‘aanbreken van de dag’
1240 uur ‘bepaalde tijdseenheid (60 minuten)’ <frans
1240 zaterdag ‘laatste dag van de week’ <latijn
1253 maandag* ‘tweede dag van de week’
1253 sabbat ‘joodse rustdag’ <latijn

[p. 405]

1257 donderdag* ‘vijfde dag van de week’
1260 woensdag* ‘vierde dag van de week’
1263 vrijdag* ‘zesde dag van de week’
1264 Vastenavond* ‘vooravond van de grote vasten’
1269 dinsdag* ‘derde dag van de week’
1274 Kerstmis ‘feest van Jezus’ geboorte'
1282 Pinksteren ‘christelijk feest’ <latijn
1285 middernacht* ‘twaalf uur’s nachts'
1289 etmaal* ‘24 uur’
___  
1301-1400 schrikkeljaar* ‘jaar dat met een dag verlengd is’
1351-1400 ochtend* ‘(vroege) morgen’
___  
1452-1494 middag* ‘namiddag’
1485 hondsdagen* ‘warmste tijd van het jaar’
1494 minuut ‘60e deel van uur’ <frans
___  
1526 Poerim ‘joods feest’ <hebreeuws
1531 koppermaandag* ‘maandag na Driekoningen, feestdag van boekdrukkers’
1566 vooravond ‘begin van de avond’ <duits
1577 sint-juttemis ‘verzonnen heiligendag’
1582 kwartier ‘vierde deel van een uur’ <frans
___  
1637 Pesach ‘joods paasfeest’ <hebreeuws
1668 Epifanie ‘feest van de verschijning van Christus’ <latijn
1673 carnaval ‘drie dagen voor vasten’ <frans
1685 kwartaal ‘drie maanden’ <italiaans
___  
1719 Kerst ‘de kerstdagen’
1784-1785 seconde ‘60e deel van minuut’ <frans
___  
1824 decade ‘tijdperk van 10 dagen’ <frans
1824 decennium ‘tijdruimte van 10 jaren’ <latijn
1824 lustrum ‘vijfjarig tijdvak’ <latijn
1824 semester ‘halfjaar’ <duits
1886 millennium ‘tijdperk van 1000 jaar’ <modern latijn
___  
1910 Jom Kippoer ‘Grote Verzoendag’ <hebreeuws
1920 weekend ‘zaterdag en zondag’ <engels
1921 Chanoeka ‘herdenking van de inwijding van de Tempel’ <hebreeuws
1929 bar mitswa ‘feestelijk gevierde meerderjarigheid van joodse jongen’ <hebreeuws
1940 offday ‘dag dat men niet in vorm is’ <engels
1983 mensjaar* ‘politiek correcte benaming voor manjaar’

Toen de Germanen de tijdsindeling van de Romeinen leerden kennen, namen ze de

[p. 406]

maandnamen als leenwoord over. Voor de namen van de weekdagen daarentegen kozen ze vertalingen van de Latijnse namen. Daardoor bestaan alle weeknamen uit inheemse woorden, behalve zaterdag, want toen waren de Germaanse goden op. De weekdagen waren namelijk vernoemd naar de goden van de planeten: bij de Romeinen zon, maan, Mars, Mercurius, Jupiter, Venus en Saturnus. Door de Germanen werden deze goden vervangen door zon, maan, Tiw, Wodan, Donar en Frīja, vandaar zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag. De Latijnse naam dies Saturni ‘dag van Saturnus’ werd in de vorm zaterdag geleend en niet vertaald.

Met de zeven weekdagen ontstond ook de eenheid van een week. In het Germaans bestond het woord week al; dit woord is verwant met wijken en betekende aanvankelijk ‘(af)wisseling’, maar kreeg er nu de betekenis ‘(af)wisseling van de tijd, terugkerende periode van zeven dagen’ bij.

De algemene benamingen voor tijd (avond, dag, dageraad, eeuw, etmaal, jaar, middag, morgen, nacht, ochtend, stond, tijd) behoren alle tot de centrale woordenschat: ze zijn dus alle oud en inheems en de meeste ervan stammen al uit de Indo-europese periode.

De feestdagen die we tegenwoordig kennen zijn alle van oudsher religieus (ze zijn in de plaats gekomen van de oudere heidense feesten), en de taal van de Kerk was in West-Europa het Latijn. Epifanie, Pasen, Pinksteren zijn dus alle ontleend aan het Latijn. Kerst is afgeleid van de Latijnse naam Christus, en in Kerstmis, Lichtmis en het imaginaire sint-juttemis vinden we het Latijnse leenwoord mis terug. Ook noen voor ‘middaguur’ en ‘middagmaal’ is geleend uit het Latijn. Dat kwam doordat men in de kloosters een derde maaltijd invoerde - de Germanen aten tweemaal per dag, 's ochtends en 's avonds.

De eenheid uur was al in de dertiende eeuw bekend - en geleend uit het Frans (zeer zelden werd het inheemse woord stond voor ‘uur’ gebruikt; dit betekende echter meestal ‘tijdruimte’ in het algemeen). Tot de veertiende eeuw rekende men met variabele uren: de tijd dat het licht was, dus tussen zonsopgang en zonsondergang, werd in twaalf gelijke delen verdeeld, waardoor een uur in de winter korter duurde dan in de zomer. Toen in de veertiende eeuw het uurwerk werd uitgevonden, kwam er een vast uur dat werd onderverdeeld in minuten - ook dat woord is uit het Frans overgenomen, net als de tijdseenheid kwartier. Pas eeuwen later werden de minuten nader onderverdeeld in seconden.

Vanaf de zestiende eeuw werden de namen van joodse feesten (bar mitswa, Chanoeka, Jom Kippoer, Pesach, Poerim) in het Nederlands bekendgemaakt door de hier woonachtige joden. Het woord sabbat is al veel eerder uit de Latijnstalige bijbel overgenomen.

De eenheid weekend voor de (vrije) zaterdag en zondag is in de twintigste eeuw ontleend aan het Engels; tot die tijd was alleen de zondag om religieuze redenen een vrije dag, maar had zaterdag geen andere status dan de maandag of woensdag. In Engeland werd de zaterdag gereserveerd voor het bedrijven van sport.

Benamingen voor andere periodes dan dag, jaar of eeuw komen uit verschillende talen: kwartaal uit de Italiaanse handelstaal, semester en vooravond uit het Duits, decade uit het Frans en decennium, lustrum en millennium uit het (modern) Latijn.

[p. 407]

Bijwoorden van tijd

Een bijwoord is een nadere bepaling van een bijvoeglijk naamwoord, telwoord, werkwoord of ander bijwoord.41 Bijwoorden zijn onveranderlijk (net als de functiewoorden voegwoorden en voorzetsels; deze worden dan ook allemaal samen partikels genoemd). In tegenstelling tot functiewoorden hebben bijwoorden wel een eigen betekenis. Afhankelijk van die betekenis worden bijwoorden in verschillende categorieën onderverdeeld, zoals bijwoorden van plaats of richting, bijwoorden van tijd, bijwoorden van causaliteit, bijwoorden van hoedanigheid en bijwoorden van modaliteit.42 Overigens kunnen vele bijvoeglijke naamwoorden ook als bijwoordelijke bepaling worden gebruikt (bijvoorbeeld hard in ‘hij werkt hard’). Hier neem ik echter alleen de ‘echte’, dus onveranderlijke, bijwoorden op.

In 3.1 zijn de inheemse bijwoorden op -s genoemd (ongeveer 40), in 3.2 staan onder de Italiaanse leenwoorden de bijwoorden vermeld die we op het gebied van de kunst (vooral muziek) en de handel uit het Italiaans hebben overgenomen. Dat zijn er heel wat: 99. Als voorbeelden van bijwoorden geef ik hier de bijwoorden van tijd, waarbij de 15 woorden op bijwoordelijke -s zijn weggelaten:

901-1000 dan*  
901-1000 eer*  
901-1000 heden*  
901-1000 immer*  
901-1000 nu*  
901-1000 weder, weer*  
___  
1100 nog*  
___  
1220-1240 dra*  
1220-1240 nimmer*  
1240 eergisteren*  
1240 gisteren*  
1248-1271 altijd*  
1265-1270 nooit*  
1265-1270 ooit*  
1285 achtereen*  
1285 weleer*  
___  
1321 wanneer*  
1324-1341 primo <latijn of italiaans
1324-1341 vaak*  
___  
1401-1500 nou*  
1436 aaneen*  
1450 opnieuw*  
1451-1500 toen*  
1488 subiet <frans
1488 vandaag*  
___  
1513 anno <latijn

[p. 408]

1542 ultimo <italiaans of latijn
1562-1592 ophanden*  
___  
1602 meteen*  
1607 medio <latijn
1615 weldra*  
1626 dadelijk*  
1632 ondertussen*  
1634 al*  
1642 inmiddels <duits
1659-1673 even*  
1659-1673 nogmaals <duits
1669 pardoes <nederduits
1669 pas  
___  
1744 dikwerf*  
1757 intussen <duits
1772 meestal*  
1784-1785 aanvankelijk <duits
1784-1785 alvast*  
1799 gaandeweg*  
___  
1847 fini <frans
___  
1928 alsmaar <jiddisch
1931 mañana <spaans
1932 recentelijk <engels

In het Middelnederlands bestond in spelling geen verschil tussen het bijwoord van tijd nog en het nevenschikkende voegwoord noch: beide werden gespeld als noch. Wél was er een betekenisverschil, en daarop heb ik beide varianten gedateerd: als bijwoord van tijd komt het woord het eerst in de Leidse Willeram (1100) voor, als nevenschikkend voegwoord al in de tiende-eeuwse Wachtendonkse Psalmen.

De voorganger van toen is veel ouder; het woord is een niet-klankwettige voortzetting van Oudnederlands thuo (901-1000), Middelnederlands doe. Dit doe is eigenlijk de instrumentalis van het onbeklemtoonde aanwijzende voornaamwoord de (dat later tot lidwoord is geworden, zie hieronder). Aan doe is onder invloed van het bijwoord dan een -n toegevoegd. Vervolgens is de d veranderd in t doordat de uitspraak werd aangepast aan de ervoor staande woorden; verbindingen zoals noch doe en ende doe kwamen veelvuldig voor en leidden tot een uitspraak nochtoe, entoe.

Hoewel alsmaar een inheems woord lijkt, is het Jiddisch: de inheemse variant is almaar (1906).

Alle eeuwen door komen er gestaag nieuwe bijwoorden van tijd bij. De meeste zijn inheems, van de 49 zijn er slechts 15 geleend. Daarvan komen er 5 uit het Duits en 3 uit het Latijn.

Als we de 99 uit het Italiaans geleende bijwoorden van de muziek en handel weglaten - dat zijn er extreem veel en ze behoren zeer sterk tot de vaktaal - dan blijven er in

[p. 409]

mijn bestand in totaal 235 bijwoorden over, waarvan er 163 inheems zijn en 72 geleend. Dat betekent dat in deze woordsoort een duidelijke voorkeur heerst voor inheemse woorden. Bijwoorden worden kennelijk niet gemakkelijk geleend, en dat zal veroorzaakt worden door hun grammaticale functie in de zin. Ter vergelijking: van de 2138 bijvoeglijke naamwoorden in mijn bestand (de categorie woorden die het dichtst bij de bijwoorden ligt) zijn 774 woorden inheems en 1356 geleend. Hier liggen de verhoudingen dus heel anders.

4.1.8 Religie

Hieronder geef ik de namen voor christelijke functionarissen in ruime zin (dus inclusief de leek) binnen de katholieke Kerk, en vervolgens alle woorden uit het bestand die de Hervorming betreffen. Voor religieuze feestdagen zie de tijdrekening hierboven.

Functionarissen en persoonsaanduidingen binnen de katholieke Kerk

890 monnik ‘kloosterling’ <latijn
___  
901-1000 bisschop ‘priester van de hoogste rang’ <latijn
___  
1181-1210 paap ‘geestelijke’ <grieks
___  
1200 christen ‘belijder van de christelijke godsdienst’ <latijn
1200 heiden* ‘ongelovige’
1200 koster ‘kerkbewaarder’ <me latijn
1200 patroon ‘beschermheilige’ <frans
1200 proost ‘voorzitter van kapittel’ <frans
1210 deken ‘overste, hoofd’ <latijn
1220-1240 abt ‘overste van monnikenklooster’ <latijn
1236 priester ‘geestelijke’ <latijn
1240 aartsbisschop ‘metropoliet’ <latijn
1240 apostel ‘Godsgezant’ <latijn
1240 diaken ‘r.-k.: iem. die de hiërarchische wijding ontvangen heeft’ <latijn
1240 evangelist ‘schrijver van een evangelie, verkondiger van het evangelie’ <frans
1240 kanunnik ‘domheer’ <latijn
1240 kapelaan ‘hulppriester’ <me latijn
1240 leek ‘niet-geestelijke’ <latijn
1240 martelaar ‘die lijdt voor zijn geloof’ <me latijn
1240 non ‘kloosterzuster’ <latijn
1240 paus ‘hoofd van de r.-k. kerk’ <latijn
1240 pelgrim ‘bedevaartganger’ <latijn
1240 prelaat ‘geestelijke met rechtsgebied’ <frans
1240 vicaris ‘plaatsvervanger van bisschop of pastoor’ <latijn
1251-1275 aalmoezenier ‘katholiek geestelijke’ <frans

[p. 410]

1265-1270 abdis ‘overste van vrouwenklooster’ <latijn
1265-1270 jakobijn ‘naam van de eerste dominicanen in Noord-Frankrijk’ <frans
1265-1270 kardinaal ‘hoogwaardigheidsbekleder in de r.-k. kerk’ <frans
1265-1270 minderbroeder* ‘franciscaan’
1265-1270 patriarch ‘aartsvader’ <latijn
1265-1270 prior ‘kloosteroverste’ <latijn
1265-1270 profeet ‘voorspeller’ <frans
1266 begijn ‘lid van bepaalde kloosterlijke lekengemeenschap’ <me latijn
1276-1300 convers ‘lekenbroeder’ <frans
1276-1300 ketter ‘die afwijkt van de geloofsleer’ <frans
1285 discipel ‘leerling’ <frans
___  
1320 rector ‘hoofd van een klooster of een onderwijsinrichting’ <latijn
___  
1410 broeder* ‘geestelijke’
1467-1490 coadjutor ‘hulpbisschop’ <latijn
1469 pater ‘priester’ <latijn
1475 pastoor ‘hoofd van parochie’ <latijn
1485 penitent ‘boeteling’ <frans
1492 officiaal ‘priester die de mis opdraagt’ <latijn
1494-1512 communicant ‘die ter communie gaat’ <latijn
___  
1523 augustijn ‘monnik van de orde van Sint-Augustinus’ <me latijn
1535 presbyter ‘priester’ <latijn
1544 frater ‘broeder’ <latijn
1552 kartuizer ‘monnik van de orde van Sint-Bruno’ <me latijn
1555 karmeliet ‘monnik van de orde der karmelieten’ <me latijn
1566 waldenzen ‘godsdienstige sekte’ <me latijn
1567 jezuïet ‘lid van de Sociëteit van Jezus’ <latijn
1599 officiant ‘priester die de mis opdraagt’ <frans
___  
1602 nuntius ‘pauselijk ambassadeur’ <latijn
1622 kapucijn ‘bedelmonnik’ <frans
1637 dominicaan ‘monnik van de orde van Sint-Dominicus’ <me latijn
1644 benedictijn ‘monnik van de orde van Sint-Benedictus’ <me latijn
1654 franciscaan ‘monnik van de orde gesticht door Franciscus van Assisi’
1654 jansenist ‘aanhanger van een bepaalde godsdienstige leer’

[p. 411]

1664 metropoliet ‘hoofd van kerkprovincie’ <latijn
___  
1710 norbertijn ‘monnik van de orde van de H. Norbertus’
1777 missionaris ‘rooms-katholieke zendeling’ <frans
1778 cisterciënzer ‘lid van geestelijke orde’ <frans
1778 ursuline ‘kloosterzuster’ <frans
___  
1808-1816 farizeeër ‘schijnheilige’ <duits
1824 asceet ‘iem. die zich op godsdienstige gronden beperkingen oplegt’ <me latijn
1824 exegeet ‘bijbelverklaarder’ <frans
1824 flagellant ‘geselbroeder’ <frans
1824 trappist ‘monnik van een orde die bij de cisterciënzers hoort’ <frans
1825 ultramontaan ‘extreem pausgezinde’ <italiaans
1864 dignitaris ‘waardigheidsbekleder’ <me latijn
1865-1870 novice ‘nieuweling (in klooster)’ <frans
1880 redemptorist ‘monnik van de orde van de Allerheiligste Verlosser’ <frans

De kerstening van de Nederlanden vond plaats ergens in de zevende of achtste eeuw. De aanzet hiertoe werd gegeven door Clovis, die zich in 496 in Reims had laten dopen. Clovis was de Frankische vorst uit het geslacht van de Merovingers die van 481 tot 511 heerste over het Frankische rijk. Dit rijk bestond globaal uit het huidige Frankrijk, Nederland, België, Duitsland en Noord-Italië. Langzamerhand werd de gehele bevolking van de Nederlanden, inclusief Friesland, bekeerd. Aanvankelijk vond kerstening plaats vanuit het Frankische rijk, maar vanaf de achtste eeuw kwamen missionarissen uit Engeland naar de Lage Landen, zoals Bonifatius en Willibrord.

De monniken stichtten kloosters en kerken in de Lage Landen. In de liturgie spraken de monniken Latijn, maar de preken werden in de volkstaal gehouden. Daarbij maakte men mondelinge vertalingen van de bijbel, die al gauw ook werden opgeschreven. Niet voor niets zijn de oudste Nederlandse teksten van enige omvang die bewaard gebleven zijn, religieuze teksten (zie hoofdstuk 2). Nog steeds is Kerklatijn de officiële taal van de r.-k. Kerk, zowel in de liturgie als in officiële documenten. Maar sinds het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) is in de liturgie ook de landstaal toegestaan.

De namen voor functionarissen van de Kerk zijn veelal in een vroeg stadium geleend. Opvallend is dat alle namen voor hoogwaardigheidsbekleders Latijnse leenwoorden zijn. Er zijn slechts drie inheemse woorden, alle drie vertalingen van Latijnse woorden: broeder, heiden en minderbroeder. Vanwege de ouderdom van deze woorden en de gebrekkige kennis van het Latijn die er juist in de oudste periode was, zou men veel meer leenvertalingen verwachten.

Het grootste aantal woorden dateert van vóór 1500; na 1900 is de stroom religieuze woorden zelfs helemaal opgedroogd, wat een weerspiegeling is van de afnemende invloed van de Kerk.

Het vroegst aangetroffen leenwoord is monnik. In de Middeleeuwen werden vooral

[p. 412]

veel namen voor kerkelijke functionarissen overgenomen, zoals abt, bisschop, deken, diaken, koster, non, paap, pelgrim en priester. In de dertiende eeuw vinden we jacobijn als naam voor in een kloosterorde levende monnik en begijn voor een geestelijke in een vrije orde. Als reactie op de Hervorming ontstonden in de zestiende eeuw allerlei nieuwe ordes, zoals die van de jezuïeten en karmelieten.

In 1565 werden in de Nederlanden de besluiten van het concilie van Trente afgekondigd. Hierdoor kwam de katholieke Reformatie (Contrareformatie) op gang. De gebieden waar deze hebben doorgewerkt (onder Spaanse dwang), zijn katholiek gebleven. Dankzij de Contrareformatie ontstonden nieuwe kloosterordes en werd de positie van al bestaande ordes versterkt. In die periode vinden we in het Nederlands voor het eerst de benamingen augustijn, kartuizer en de ketterse waldenzen. In de zeventiende eeuw vinden we de namen benedictijn, dominicaan, franciscaan en kapucijn. In Nederland vond de r.-k. bisschop Cornelis Jansen (1585-1638) aanhang onder de jansenisten, die echter geen orde vormden. De achttiende eeuw brengt de ordenamen cisterciënzer, norbertijn en ursuline, en de negentiende eeuw redemptorist, trappist en ultramontaan.

Van de 72 leenwoorden is verreweg het grootste deel (41) geleend uit het Latijn - immers de officiële taal van de Kerk. Maar daarnaast is ook het aantal Franse leenwoorden groot (22). Al in de tijd van het Frankische rijk was op religieus gebied de invloed van Frankrijk op de Nederlanden aanzienlijk, en dat is daarna altijd zo gebleven. Diverse kloosterordes, zoals die van de cisterciëncers en later de benedictijnen en jezuïeten, kwamen uit Frankrijk en richtten in de Nederlanden kloosters op. Soms hebben we, blijkens de vorm, de Franse benaming voor de leden hiervan overgenomen (cisterciënzer, jacobijn, kapucijn, ursuline), soms de Latijnse (augustijn, benedictijn, dominicaan) - overigens zullen vaak zowel het Frans als het Latijn invloed hebben uitgeoefend, en is niet altijd helemaal met zekerheid uit te maken welke van beide talen de leverancier is geweest.

Andere talen hebben nauwelijks invloed uitgeoefend: uit het Duits komt farizeeër, uit het Italiaans ultramontaan en uit het Grieks paap. Dat laatste is een heel oud leenwoord, en het is hetzelfde woord als paus. Paus is ontleend aan een niet-overgeleverde Latijnse bijvorm pabes of iets dergelijks, anders is de s niet te verklaren, want de vorm luidde in het Latijn papa. Latijn papa werd gebruikt voor de hogere geestelijken, en allengs alleen voor de hoogste. In 1075 werd dit officieel: toen bepaalde Gregorius vii dat papa alleen als titel voor de bisschop van Rome mocht worden gebruikt. Het Latijnse woord is ontleend aan Grieks pap(p)as, dat echter voor de lagere geestelijkheid werd gebruikt en dat wij direct of via het Gotisch uit het Grieks hebben overgenomen als paap. Pas later, na de Hervorming, kreeg dit woord een negatieve bijklank.

Hervorming

In de zestiende eeuw kwam de Hervorming op, waarop de Duitse kerkhervormer Maarten Luther (1483(1546) grote invloed heeft gehad. Luthers vertaling van het Nieuwe Testament verscheen in 1521, de vertaling van het Oude Testament volgde in delen tot 1532. Al in 1523 verschenen in Antwerpen en Amsterdam Nederlandse vertalingen van Luthers Nieuwe Testament. In 1637 verscheen de gezaghebbende protestantse Staten-

[p. 413]

vertaling, die een enorme en blijvende invloed heeft uitgeoefend op het Nederlands, doordat het grootste deel van de protestanten deze tekst tot in de twintigste eeuw gebruikt heeft. Maar de invloed van de Statenbijbel betreft vooral zinsconstructies en minder de invoering van nieuwe woorden. Er bestond immers al een ruime religieuze woordenschat voordat de Hervorming zich aandiende. Mijn bestand bevat dan ook maar een relatief gering aantal woorden van typisch protestantse signatuur:

1528 luthers ‘volgens de leer van Luther’
1534 anabaptist ‘wederdoper’ <frans
1544 wederdoper* ‘aanhanger van een protestantse beweging die volwassenendoop voorstaat’
1557 predikant ‘protestantse titel, dominee’ <frans
1565 hugenoot ‘Franse protestant’ <frans
1571 classis ‘onderafdeling van provinciaal kerkbestuur’ <latijn
1572 diaken ‘prot.: kerkelijke armenverzorger’ <latijn
1578 mennoniet ‘doopsgezinde’
1578 gereformeerd ‘protestant’
1579 protestant ‘hervormd’ <latijn
1583 calvinist ‘aanhanger van de hervormde leer van Calvijn’ <frans
1590 ouderling* ‘protestants kerkelijk ambtsdrager’
1595 consistorie ‘prot.: kerkenraad’ <latijn
1595 reformatie ‘kerkhervorming’ <latijn
___  
1603 doopsgezinde* ‘aanhanger van een protestantse beweging die volwassenendoop voorstaat’
1608 puritein ‘strenge protestant’ <engels
1618 remonstrant ‘lid van protestants kerkgenootschap’ <me latijn
1619 dominee ‘predikant’ <latijn
1621 menist ‘doopsgezinde’
1624 catechisatie ‘godsdienstonderwijs’ <frans
1648 lidmaat* ‘lid van een protestants kerkgenootschap’
1655 quaker ‘lid van godsdienstige sekte’ <engels
___  
1726 presbyteriaan ‘lid van Angelsaksisch kerkgenootschap, dat door presbyters wordt bestuurd’ <engels
1738 methodist ‘aanhanger van bepaalde godsdienst’ <engels
1773 hervormd ‘protestant’
1781 hernhutter ‘lid van een christelijke sekte’ <duits
___  
1824 piëtisme ‘richting in het protestantisme’ <duits
1847 catecheet ‘godsdienstonderwijzer’ <frans
1856 baptist ‘doopsgezinde’ <frans
1856 mormoon ‘lid van een godsdienstsekte’ <engels

[p. 414]

1859 calvinisme ‘hervormde leer’ <frans
1869 moderamen ‘dagelijks bestuur van een classis’ <latijn
1871 anglicaan ‘lid van de anglicaanse Kerk’ <engels
1872 diacones ‘pleegzuster’ <frans
___  
1952 oecumene ‘algemene kerk’ <duits

Hiermee is natuurlijk niet de gehele protestantse woordenschat gedekt, maar de kernbegrippen zijn opgenomen, en deze betreffen dikwijls bepaalde stromingen of richtingen. Per definitie begint de protestantse woordenschat in de zestiende eeuw, en die eeuw geeft tegelijkertijd de meeste protestantste woorden. Net als bij de katholieke woorden stopt het aan het eind van de negentiende eeuw: de ontkerkelijking begint in de woordenschat vroeg. In de twintigste eeuw verschijnt alleen nog oecumene, dat noch protestant noch katholiek is, of beter gezegd: dat allebei is.

Aanvankelijk noemden de protestanten zich gereformeerd. In de achttiende eeuw verving men dit door de leenvertaling hervormd, wat vanaf 1816 de officiële benaming werd. In 1892 werd de naam gereformeerd nieuw leven ingeblazen omdat toen de Gereformeerde Kerken werden opgericht. Daardoor zijn tegenwoordig hervormd en gereformeerd niet meer synoniem.

Hoewel het protestantisme de volkstaal prefereerde boven het Latijn en de eredienst in het Nederlands hield, betekent dit niet dat de protestantse woorden allemaal inheems zijn. Alleen doopsgezinde, lidmaat, ouderling en wederdoper zijn inheems. Wederdoper is een vertaling van anabaptist. Ouderling is een vertaling van Latijn senior; het woord ouderling bestond al langer in de betekenis ‘oude man, oudste van een gilde’ (1332), maar het kreeg binnen de protestantse Kerk een nieuwe betekenis. Dat geldt ook voor de leenwoorden dominee, diaken en predikant, die eerder binnen de katholieke Kerk gebruikt werden: dankzij de Hervorming kregen zij een nieuwe protestantse betekenis. Min of meer inheems zijn de benamingen van de aanhangers van onze eigen Menno Simonsz. (1496-1561): mennoniet en menist; beide woorden met een Franse uitgang. De echt (en exclusief) Nederlandse benaming voor de mennonieten is doopsgezinde.

In de beginperiode van het protestantisme, de vijftiende en zestiende eeuw, had men de Latijnse invloed nog niet afgeschud, en juist in die periode zien we nog allerlei nieuwe Latijnse leenwoorden, zoals classis, consistorie, protestant, reformatie, remonstrant.

Hoewel de lutherse reformatie uit Duitsland kwam, is het aantal Duitse leenwoorden die het protestantse geloof betreffen, gering: alleen hernhutter en puritein; verder is luthers natuurlijk afgeleid van de naam van Luther, maar dit is een Nederlandse afleiding, het Duits gebruikt lutherisch. Wél heeft het Nederlands een zeer groot aantal algemene woorden uit het Duits overgenomen dankzij de Duitse invloed op de religie, zowel uit de bijbelvertaling van Luther als uit protestantse werken tussen 1800 en 1924.43 Het betreft dan woorden zoals belegeren, beroemd, bezoedelen, bondgenoot, diefstal, huichelen, ijver, oponthoud, overreden, overweldigen, pochen, postbode, pracht, rechtschapen, richtsnoer, roem, schoolmeester, schriftgeleerde en slachtoffer.

De lutherse Hervorming is in Nederland overschaduwd door het calvinisme, dat van Frans-Zwitserse oorsprong is. Vanaf 1560 werd het calvinisme door Franse predikanten

[p. 415]

eerst in het zuiden en daarna in Holland verspreid. Ten gevolge van godsdienstvervolgingen en revoluties in eigen land kwamen in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw veel Franse hugenoten naar de Nederlanden, vooral na de herroeping in 1685 van het Edict van Nantes uit 1598, waarin een bepaalde mate van godsdienstvrijheid was toegestaan. Zij brachten nieuwe woorden mee, onder andere op religieus gebied, zoals anabaptist, baptist, calvinist, catechisatie, hugenoot, predikant. Het Nederlands heeft beslist veel meer woorden te danken aan het Duitse protestantisme dan aan het Franse, maar die woorden betreffen niet de religieuze woordenschat maar de algemene, terwijl het Franse calvinisme juist ook allerlei religieuze termen bracht.

In Groot-Brittannië en Amerika ontwikkelden zich allerlei vormen van het protestantisme; de benamingen daarvoor hebben we overgenomen uit het Engels, maar dit zijn exotismen gebleven - in de Lage Landen zijn geen grote georganiseerde groepen anglicanen, methodisten, mormonen, presbyterianen, puriteinen of quakers.

4.1.9 Sociale leven

Hieronder geef ik een aantal overzichtelijke categorieën woorden op het gebied van het sociale leven: huishoudelijke apparaten (met name elektrische apparaten), meubels, hoofddeksels, schoenen en stofnamen.

Huishoudelijke apparaten

Het bestaan van elektriciteit was al enige tijd bekend; het woord is voor het Nederlands gedateerd op 1736. Maar het betrof dan statische elektriciteit. Rond 1800 werd de dynamische elektrische stroom ontdekt, en in de negentiende eeuw kreeg het onderzoek naar het opwekken en toepassen van deze elektriciteit vorm. De elektrische energie werd gebruikt voor de telegraaf, telefoon, voor motoren (onder andere in de elektrische trein en tram) en voor straatverlichting. Begin twintigste eeuw werd het ook voor verlichting in huis gebruikt en werd de elektrificering (1914) serieus ter hand genomen: vanaf 1925 is de centrale elektriciteitsvoorziening in België wettelijk geregeld, vanaf 1938 ook in Nederland. Toen de huizen eenmaal op het elektriciteitsnet aangesloten waren, werd het de moeite waard allerlei apparaten te ontwikkelen, niet alleen gloeilampen, die het leven van de huisvrouw zouden verlichten.44

Aan huishoudelijke apparaten bevat het bestand:

1240 oven* ‘plaats om te bakken’
1270 fornuis ‘kookkachel’ <frans
___  
1350 haard* ‘stookplaats’
___  
1491 komfoor ‘toestel om iets warm te houden’ <frans
___  
1591 kachel ‘verwarming’
___  
1684 strijkijzer ‘warm gemaakt metalen voorwerp waarmee men linnen glad strijkt’
___  
1754 ventilator ‘toestel voor het ventileren’ <engels

[p. 416]

___  
1838 wasmachine ‘toestel dat kleding of groenten mechanisch schoonmaakt’
1865 centrifuge ‘centrifugaalmachine’ <frans
1868 naaimachine ‘werktuig voor machinaal naaien’
1886 thermostaat ‘warmteregelaar’ <engels
1897 geiser ‘waterverwarmingstoestel’ <engels
1897 ijskast ‘kast waarin etenswaar koel gehouden wordt’
___  
1908 radiator ‘verwarmingslichaam’ <engels
1914 broodrooster* ‘apparaat om brood te roosteren’
1914 vrieskast ‘apparaat om levensmiddelen in te vriezen’
1929 frigidaire ‘koelkast’ <frans
1931 fan ‘ventilator’ <engels
1933 kookplaat ‘elektrisch kooktoestel’
1934 stofzuiger* ‘huishoudelijk apparaat dat stof opzuigt’
1938 boiler ‘warmwaterreservoir’ <engels
1938 koelkast ‘kast waarin etenswaar koel gehouden wordt’
1939 airconditioning ‘luchtbehandeling’ <engels
1953 diepvriezer ‘apparaat om levensmiddelen in te vriezen’
1956 föhn ‘elektrische haardroger’ <duits
1959 mixer ‘mengtoestel voor in de keuken’ <engels
1961 afwasmachine ‘toestel dat de afwas doet’
1961 cv ‘centrale verwarming’ <l
1961 percolator ‘doorzijgapparaat voor koffie’ <engels
1963 koffiezetapparaat ‘toestel voor het bereiden van koffie’
1970 shaver ‘scheerapparaat’ <engels
1974 blender ‘keukenmachine waarin voedsel fijngemaakt wordt’ <engels
1979 ladyshave ‘scheerapparaat voor vrouwen’
1982 keukenmachine ‘elektrisch apparaat met hulpstukken’
1987 magnetron ‘oven waarin voedsel door elektromagnetische golven verhit wordt’

Een aantal van deze woorden (fornuis, haard, kachel, komfoor, oven, strijkijzer) dateren van lang voor de elektrificering. Toen zij op elektriciteit gingen lopen, voegde men eerst enige tijd ter onderscheiding elektrisch toe (elektrisch strijkijzer, elektrische haard), maar al gauw werd dat overbodig: álle strijkijzers waren immers elektrisch. Sommige apparaten kennen nog de tussenstap van het gas, en dat blijkt dan uit de benaming: gasfornuis, gashaard, gaskachel.

In de negentiende eeuw werden diverse huishoudelijke apparaten ontwikkeld, zoals

[p. 417]

de centrifuge, ijskast en wasmachine. Deze apparaten gingen pas in de twintigste eeuw op elektriciteit werken, en toen kregen ze hun huidige uiterlijk en werden ze gemeengoed. Zo werd de ijskast aanvankelijk met ijs gekoeld. Ik heb deze woorden op de negentiende eeuw gedateerd, toen de apparaten uitgevonden werden; dat deze er in de loop van de tijd anders uit gingen zien en op een andere energiebron gingen werken, is een logische ontwikkeling maar geen totale verandering, dus geen reden om de namen ervoor later te dateren.

Behalve een aantal apparaten die al bestonden maar geëlektrificeerd werden, werden er vanaf de jaren dertig ook allerlei nieuwe elektrische apparaten uitgevonden, zoals de afwasmachine, airconditioning, cv, kookplaat, magnetron, mixer en de stofzuiger. Het is niet verbazingwekkend dat de meeste woorden voor huishoudelijke apparaten uit de twintigste eeuw stammen. De stofzuiger was het eerst aanwezig in de huishoudens: in de jaren vijftig hadden de meeste mensen wel een stofzuiger. De koelkast en wasmachine werden langzamerhand in de jaren zestig gemeengoed.

Er zijn een aantal inheemse vormingen (broodrooster, haard, oven, stofzuiger) en vrij veel inheems gevoelde samenstellingen met ooit geleende woorden (afwasmachine, ijskast, keukenmachine, koelkast, koffiezetapparaat, kookplaat, naaimachine, strijkijzer, vrieskast, wasmachine). Verder zijn er 12 woorden geleend uit het Engels, 4 uit het Frans (alle vóór 1930) en 1 uit het Duits. Dat houdt in dat het aantal ‘eigen’ woorden ongeveer even groot is als het aantal geleende woorden; die verhouding is opvallend, omdat het nieuwe vindingen betreft die veelal niet in Nederland gedaan zijn maar die uit andere landen zijn overgenomen. Desalniettemin hebben wij er vaak een eigen naam aan gegeven, misschien vanwege de vertrouwde, dagelijkse omgang die men met deze apparaten heeft.

Meubels

901-1000 dis* ‘gedekte tafel’
901-1000 stoel* ‘zitplaats’
901-1000 tafel ‘meubelstuk’ <latijn
___  
1080 vouwstoel* ‘opvouwbare stoel’
___  
1100 bed* ‘slaapplaats’
___  
1240 bank* ‘meubelstuk’
1240 bedstee* ‘ingebouwde slaapplaats’
1240 wieg* ‘kinderledikant’
1265-1270 sponde ‘beddenplank, bed’ <frans
1285 zetel* ‘zitplaats’
___  
1343-1346 buffet ‘schenktafel, tapkast’ <frans
1350 dressoir ‘buffet’ <frans
1364-1365 kast ‘opbergmeubel’ <duits
___  
1545 ledikant ‘bed’ <frans
1588 kabinet ‘meubelstuk’ <frans
___  
1652 meubel ‘stuk huisraad’ <frans
1698 sofa ‘bank’ <frans

[p. 418]

___  
1707 ameublement ‘bij elkaar horende meubels’ <frans
1734 canapé ‘bank’ <frans
1774 brits ‘slaapplaats’ <duits
1776 fauteuil ‘leunstoel’ <frans
1778 taboeret ‘stoeltje zonder leuning’ <frans
1784-1785 commode ‘latafel’ <frans
1785 secretaire ‘schrijfmeubel’ <frans
1793-1796 bureau ‘schrijftafel’ <frans
1842 kruk* ‘stoel zonder leuning’
1848 voltaire ‘fauteuil’ <frans
1867 crapaud ‘leunstoel’ <frans
1871 divan ‘rustbank’ <frans
1875 vitrine ‘glazen kast’ <frans
___  
1910 lits-jumeaux ‘tweelingbed’ <frans
1952 commode ‘aankleedmeubel voor baby's’
1970 stretcher ‘vouwbed’ <engels

Alle eeuwen hebben wel namen voor meubelstukken opgeleverd, met een top in de achttiende eeuw die vrijwel geheel te danken is aan Franse leenwoorden. Dat zal uit twee oorzaken te verklaren zijn: enerzijds beheerste in de zeventiende en achttiende eeuw de Franse beschaving en mode geheel Europa, van Madrid tot St.-Petersburg; en anderzijds kwamen er juist in die periode Franse vluchtelingen, met name protestantse hugenoten, naar Nederland, die wellicht hun spulletjes, maar zeker hun smaak meebrachten.

De twintigste eeuw steekt er niet bovenuit: hoewel de vorm en kleur van meubels aan voortdurende modeverandering onderhevig is, vertaalt zich dat niet in nieuwe woorden - hoogstens in nieuwe samenstellingen, die niet in mijn bestand voorkomen.

Onder de oudste woorden zitten redelijk wat inheemse: bank, bed, bedstee, dis, kruk (in de betekenis ‘handvat, stok’ al gevonden in 1285), stoel, vouwstoel, wieg, zetel. Maar overweldigend is de invloed van de Franse mode: maar liefst 19 woorden komen uit het Frans, tegen 2 uit het Duits en 1 uit het Latijn en Engels ieder.

Hoofddeksels

Het aantal kledingstukken waarin de mens zich tooit is enorm, te veel om hier allemaal op te sommen. De mens kleedt zich van top tot teen, en ik geef hier als voorbeeld de kledingstukken van de top (de hoeden en petten) en de teen (de schoenen).

Namen voor hoofddeksels zijn:

1240 kap ‘hoofddeksel’ <me latijn
1253 hoed* ‘hoofddeksel’
___  
1373 muts ‘hoofddeksel’ <me latijn
___  
1477 bonnet ‘muts’ <frans
___  
1542 toque ‘baretvormig hoedje’ <frans
1573 baret ‘muts’ <frans

[p. 419]

___  
1601 tulband ‘hoofddeksel’ <turks
1673 zuidwester* ‘breedgerande hoed’
1677 kalot ‘mutsje’ <frans
___  
1806 pet ‘hoofddeksel’ <?
1807 steek* ‘driekantige hoed’
1824 capuchon ‘hoofdkap’ <frans
1836 fez ‘muts’ <frans
1847 claque ‘samendrukbare hoge hoed’ <frans
1856 panama ‘strooien hoed’ <engels
1872 sombrero ‘hoed met brede rand’ <spaans
1889 flambard ‘slappe vilten hoed met brede rand’
___  
1910 matelot ‘strooien hoedje’ <frans
1915 bivakmuts ‘wollen muts die het hele gezicht behalve de ogen bedekt’
1930 borsalino ‘deukhoed’
1938 alpino ‘baret’
1939 bolhoed* ‘hoofddeksel’
1984 cap ‘ruiterpet’ <engels
1989 stetson ‘cowboyhoed’ <engels
1994 baseballpetje ‘pet met klep’

Hoedennamen stammen van de dertiende eeuw tot heden. De meeste namen dateren tussen 1800 en 1950, toen de hoed zijn glorietijd beleefde. De tweede helft van de twintigste eeuw levert nog een aantal namen, maar behalve op Prinsjesdag vertoont het straatbeeld na de Tweede Wereldoorlog een gestaag afnemend aantal hoeden.

Hoeden zijn modegevoelige artikelen, en het is daarom logisch dat de meeste benamingen zijn geleend. De oudste leenwoorden, kap en muts, zijn overgenomen uit het Latijn; aanvankelijk werden deze kledingstukken gedragen door geestelijken. Het Frans - de taal van de mode - heeft de meeste leenwoorden geleverd, het Engels heeft ook nog enkele woorden verschaft. De alpino gaat terug op Italiaans cappello alpino ‘bergpet’. De borsalino heet naar zijn ontwerper Guiseppe Borsalino, terwijl de flambard naar zijn oorspronkelijke drager is genoemd: flambard betekent in het Frans ‘matroos, zeerover’.

Alleen bolhoed, hoed, steek en zuidwester zijn inheems (hoewel zuidwester mogelijk een vertaling van Engels south-wester is). Van pet is de herkomst onbekend. De pet raakte in de negentiende eeuw in de mode doordat hij veel prettiger zat dan de hoge hoed die men daarvoor droeg. In het midden van de negentiende eeuw raakte hij als herendracht weer uit de mode, maar werd hij het hoofddeksel van kinderen en de lagere standen.

De nieuwste mode van rappers, skaters e.d., overgewaaid uit de vs, is het dragen van een baseballpetje met de klep naar achteren. Het woord zal ouder zijn dan het door mij gevonden 1994 (het staat pas sinds 1999 in de gvd). Het is half geleend, half vertaald uit Engels baseball cap.

[p. 420]

Schoeisel

1240 bot ‘laars’ <frans
1240 laars* ‘schoeisel’
1240 schoen* ‘voetbekleedsel’
___  
1413 toffel ‘huisschoen’
1476-1500 slof* ‘pantoffel’
1477 sandaal ‘schoeisel’ <frans
1479 bottine ‘halve laars’ <frans
1492 pantoffel ‘huisschoen’ <frans
___  
1567 klomp* ‘houten schoen’
1567 schaats ‘ijzeren voetsteun om over ijs te gaan’ <frans
1588 muil ‘pantoffel’ <latijn
___  
1847 mocassin ‘indianenschoen’ <engels
1898 gymnastiekschoenen ‘schoenen met zachte zolen’
1898 molière ‘lage schoen’
___  
1915 pump ‘soort schoen’ <engels
1935 slipper ‘pantoffel zonder hiel’ <engels
1958 loafer ‘slipper’ <engels
1961 spike ‘sportschoen met ijzeren punten’ <engels
1961 spadrille ‘schoen met touwzool’ <frans
1984 boots ‘laarzen’ <engels
1984 espadrille ‘schoen met touwzool’ <frans
1984 moonboots ‘kunststof laarzen met extra isolatie van celstof’ <engels
1987 sneakers ‘schoenen met zachte zolen’ <engels
1989 brogue ‘type schoen’ <engels
1989 nikes ‘merknaam voor sportieve schoenen’ <engels

De schoenen geven een heel andere chronologie te zien dan de hoeden: bijna de helft van de woorden dateert van de zestiende eeuw of eerder, de negentiende eeuw speelt nauwelijks een rol, maar de twintigste levert een groot aantal woorden - en dan zitten nog niet eens alle kortstondig levende modewoorden in mijn bestand. De gymnastiekschoenen zijn al in 1898 genoteerd, de affectieve benaming gympjes of gympies staat pas in 1976 in het woordenboek, maar zal zeker ouder zijn. De nikes, een soort sneakers, staan niet in de algemene woordenboeken, waarschijnlijk omdat het een merknaam is. Toffel is een verkorting van pantoffel, dat dus ouder zal moeten zijn; een eerdere datering is echter niet gevonden (zie 1.2.2).

Inheems zijn klomp, laars, schoen en slof. Het aantal leenwoorden uit Engels en Frans is ongeveer even groot: beide talen leverden ongeveer 9 woorden (als bij de Franse woorden ook de verkorting toffel van pantoffel meegeteld worden en het pseudo-Franse molière). Verder is er één Latijns leenwoord. Dat de Engelse invloed zoveel groter is dan

[p. 421]

bij de hoeden, komt omdat er zoveel woorden in de twintigste eeuw zijn geleend, in de tijd dat de Engelse mode de Franse verdrong.

Stofnamen

Tot besluit namen voor stoffen en weefsels (dus niet voor leer en bont):

1091-1100 vilt* ‘stof van haren’
___  
1236 linnen* ‘weefsel van vlas’
1240 doek* ‘geweven stof’
1240 laken* ‘textiel’
1240 wol* ‘haren van sommige dieren’
1240 zijde ‘textiel’ <latijn
1263 scharlaken ‘rode stof, rood’ <me latijn
1272 katoen ‘geweven stof’ <frans
1277 saai ‘weefsel’ <frans
1285 lijnwaad* ‘linnen’
1285 twijn* ‘gedubbeld garen’
___  
1300 serge ‘weefsel’ <frans
1336-1339 floers ‘geweven stof’ <frans
1336-1339 fluweel ‘geweven stof’ <frans
1390-1460 kamelot ‘weefsel’ <frans
___  
1401 karsaai ‘grof gekeperd laken’ <engels
1473 taffetas ‘lichte stof’ <frans
1480 damast ‘weefsel’ <frans
___  
1530 atlas ‘soort zijde’ <arabisch
1538 trijp ‘velours’ <frans
1574 bombazijn ‘weefsel’ <frans
1592 taf ‘lichte stof’
1599 sajet ‘gesponnen wol’ <frans
1599 satijn ‘glanszijde’ <frans
___  
1601-1700 flanel ‘geweven stof’ <frans
1612 brokaat ‘zware zijden stof, veelal met gouddraad geborduurd’ <italiaans
1617 kant ‘weefsel’
1619 baai ‘weefsel’ <frans
1623 neteldoek* ‘weefsel’
1625 pluche ‘zware stof’ <frans
1637 duffel* ‘dikke wollen stof’
1659 sits ‘bont katoen’ <engels
1659 velours ‘fluweel’ <frans
1692 gaas ‘luchtig weefsel’ <frans
___  
1721 batik ‘gebatikte doek’ <indonesisch
1749 popeline ‘weefsel’ <frans

[p. 422]

1755 manchester ‘katoenfluweel’
1792 mousseline ‘los geweven stof’ <frans
___  
1807 tule ‘weefsel’ <frans
1821 angora ‘wol’ <frans
1821 chenille ‘fluweelachtig weefsel’ <frans
1824 molton ‘dik weefsel’ <frans
1827-1830 batist ‘zacht doek’
1835 kasjmier ‘wollen stof’ <frans
1843 merinos ‘wollen stof’ <frans
1843 organdie ‘weefsel’ <frans
1843 piqué ‘weefsel’ <frans
1847 crêpe ‘weefsel’ <frans
1847 cretonne ‘katoenen stof’ <frans
1847 madras ‘katoenen weefsel’
1847 tartan ‘Schotse wollen ruit’ <engels
1847 tricot ‘weefsel’ <frans
1858-1859 jute ‘vezelstof’ <engels
1860 pilo ‘weefsel’ <engels
1860-1861 dril ‘gekeperd weefsel’ <duits
1861 rips* ‘geribde stof’
1881 mohair ‘weefsel van angorawol’ <engels
1884 velvet ‘weefsel’ <engels
1886 gonje ‘jute’ <indonesisch
1896 cheviot ‘wollen stof’ <engels
1896 textiel ‘geweven stoffen’ <frans
1899 corduroy ‘koordmanchester’ <engels
1899 jaeger ‘wollen weefsel voor ondergoed’
___  
1900 chiffon ‘weefsel’ <frans
1905 sisal ‘weefsel van bladvezel’
1908 tweed ‘weefsel’ <engels
1910 loden ‘dichte stof’ <duits
1910 macramé ‘knoopwerk’ <frans
1911 canvas ‘sterk linnen weefsel’ <engels
1912 bouclé ‘losse kaardgaren stof’ <frans
1917 denim ‘katoenen stof’ <engels
1917 frotté ‘ruw weefsel’ <frans
1919 gabardine ‘waterdichte stof’ <engels
1931 rayon ‘kunstzijde’ <engels
1946 nylon ‘kunststof’ <engels
1950 vinyl ‘kunststof’
1957 terlenka ‘kunststof’
1957 dralon ‘kunststof’ <duits
1961 lamé ‘weefsel met goud- of zilverdraad’ <frans

[p. 423]

1961 polyester ‘kunststof’
1970 ribcord ‘op ribfluweel lijkend weefsel’
1974 acryl ‘kunststof’

Kleding, maar ook doeken, dekens, lakens, tapijten en dergelijke vormen basisbehoeftes van de mens. Het vervaardigen hiervan is zeer arbeidsintensief en het vergt allerlei gespecialiseerde werkzaamheden (het scheren van de schapen, het wassen van de wol, het vollen of walken van de wol, het spinnen en weven, het verven van wol of laken). Daarom werd al vroeg duidelijk dat het niet rendabel was om alleen voor de eigen familie stoffen te maken. In de loop van de Middeleeuwen ontstond een taakverdeling en werd het weven en spinnen de eerste industrie. Behalve wol gebruikte men ook plantaardige vezels zoals vlas en katoen, en zijde van de zijderups. Katoen en zijde werden ingevoerd en golden als luxeartikelen die slechts bereikbaar waren voor de happy few.

Weven en spinnen gebeurt al heel lang: in het Indo-europees bestonden al woorden voor ‘weven’, ‘spinnen’, ‘naaien’ en ‘wol’. Weven is ontstaan uit vlechten, en in het Indo-europees bezat het werkwoord waarop Nederlands weven teruggaat, dan ook beide betekenissen. Aanvankelijk spon men met een handspindel en spinrol. In de dertiende eeuw werd het spinnewiel in West-Europa bekend (in mijn bestand gedateerd op 1573, maar het nu verdwenen synoniem spinrad dateert al van 1450). Het spinnewiel maakte het mogelijk het werk te mechaniseren, en met een spinnewiel kon men tweemaal zoveel spinnen als met de hand. Het duurde overigens even voordat het spinnewiel algemeen geaccepteerd was, en voordat het optimaal werkte. Of het een zelfstandig bedenksel was of via Italiaanse kooplieden overgenomen van de Arabieren of de Chinezen, is niet zeker. Ook het weefgetouw, dat ouder is dan het spinnewiel, is waarschijnlijk uit Azië overgenomen. De oudste benaming was simpelweg getouw; die is al in de dertiende eeuw aangetroffen. De samenstelling weefgetouw, tegenwoordig de normale benaming, heb ik in 1477 gevonden. In de dertiende eeuw werd in Vlaanderen het weefgetouw verbeterd: met het Vlaamse weefgetouw kon men bredere stofbanen weven, en dit weefgetouw moest dan ook door twee personen bediend worden.45

Eeuwenlang is de textielindustrie voor vele landen een belangrijke bron van inkomsten geweest, ook voor de Lage Landen. In de Middeleeuwen, tot eind zestiende eeuw toen de Spanjaarden het heft in handen namen, was Vlaanderen vermaard om zijn lakenindustrie en toonaangevend in Europa. De omringende landen Frankrijk en Duitsland namen woorden op dit terrein uit het Nederlands over. Duits Flor, Kattun, Watte en Zitz komen van Nederlands floers, katoen, watten en sits. Ontleningen die geen stofnamen aanduiden maar wel met de textielindustrie samenhangen, zijn Köper van keper, Salband van zelfegge ‘rand van stuk geweven materiaal om rafelen te voorkomen, zelfkant’ en Stramin van stramien.

Het oudste woord op textielgebied in het Nederlands is gedateerd op basis van een Franse bron: vilt is door het Frans uit het Frankisch geleend (zie hoofdstuk 2) en al gedateerd op 1091-1100. De Nederlandse textielinvloed op het Frans duurt al tien eeuwen: de jongste door het Frans geleende stofnaam is terlenka in 1960. In het Frans bestonden opvallend veel Nederlandse geoniemen voor soorten linnen (de meeste van deze woor-

[p. 424]

den zijn inmiddels verouderd of historische termen geworden): hollande was fijn linnen; brabantes was een soort weefsel van vlas, gemaakt in Brabantse steden; bolduc was een linnen of katoenen lint, van Bois-le-Duc, de Franse naam voor 's-Hertogenbosch; in Frans dialect werd bergopzoom voor een soort kant gebruikt; en tot op heden wordt popeline gebruikt voor fijn weefsel: het woord is afgeleid van de Vlaamse stad Poperinge, die in de Middeleeuwen beroemd was om de stoffen die er gemaakt werden. In Frans dialect bestonden dighedune en douke (ook anders gespeld) voor ‘dikdun’, een soort stof, en ‘doek’. Frans nope ‘kleine wolvlok’ ten slotte is ontleend aan nop.

Tussen de Lage Landen en Engeland was de band in de Middeleeuwen, tot ongeveer 1700, bijzonder nauw, en wel vooral op het gebied van de lakenindustrie. Toen Willem van Normandië in 1066 koning van Engeland werd, trokken in zijn kielzog veel Vlamingen uit zijn hof met hem mee naar Engeland. Willem bouwde versterkingen en gaf zijn soldaten land om zich te vestigen, en de soldaten werden landeigenaren. Zo rezen ze snel in aanzien, en als gevolg hiervan voegden vele immigranten uit de gebieden van herkomst zich bij hun landgenoten. De Vlamingen woonden verspreid over geheel Engeland. In de twaalfde eeuw waren er ruim vijftig kleine Vlaamse nederzettingen in Engeland en Ierland. De Vlamingen introduceerden nieuwe vormen van nijverheid, waarvan weven de belangrijkste was. Zij waren namelijk in industrieel opzicht de meerderen van de Engelsen. Voor de lakenindustrie was de wolhandel tussen Engeland en Vlaanderen belangrijk. In de dertiende eeuw ontwikkelden de Vlamingen de schapenfokkerij in Engeland, zodat minder wol behoefde te worden ingevoerd. In de veertiende eeuw lokte Edward iii veel Vlaamse wevers naar Engeland met beloften over een rijk en mooi leven aldaar. Duizenden Vlamingen gaven aan zijn oproep gehoor. In de vijftiende eeuw en vanwege de politieke situatie en de Spaanse bedreiging vooral in de zestiende en zeventiende eeuw, trokken veel Vlamingen, maar ook Nederlanders naar Engeland, voornamelijk wevers maar ook andere handwerkslieden.

Het wekt dus geen verbazing dat het Nederlands veel invloed op de Engelse textielterminologie heeft gehad. Sommige woorden zijn inmiddels verouderd, samen met de industrie zelf: tegenwoordig worden vooral kunststoffen gebruikt en in Nederland is geen industrie van betekenis meer - in België ligt dat anders. De volgende Engelse woorden zijn aan de Nederlandse textielindustrie te danken: flock (van vlok), selvage, selvedge (van zelfegge ‘zelfkant’), spool (van spoel), to walk ‘vollen’ (van walken). Aan stofnamen: bay (van baai), duck (van doek), duffel (naar de Brabantse plaatsnaam Duffel), cambric (naar de Noord-Franse stad Kamerijk), lake (van laken) en tick (van tijk).

In de zestiende en zeventiende eeuw voerde Nederland ook stoffen uit, vandaar de Indonesische woorden duk ‘doekje, maandverband’ (van doek), laken (van laken), linen (van linnen), satin (van satijn). In het Japans vinden we onder andere rāken (van laken), rinneru (van linnen), sāi (van saai), saten (van satijn) en zukku (van doek). Het Russisch spreekt of sprak van bumazeja (van bombazijn), kamlot (van kamelot), karazeja (van karsaai), kipor van keper, plis (van pluis) en tik (van tijk).

Dit alles ten bewijze dat de Lage Landen hun mannetje stonden in de textielindustrie. Maar deze industrie was van oudsher internationaal. Veel van de woorden die het Nederlands heeft uitgeleend, zijn eerst door het Nederlands uit een andere taal overge-

[p. 425]

nomen. Vaak was er sprake van tweerichtingsverkeer: we brachten diverse stoffen en stofnamen naar bijvoorbeeld Indonesië, maar we namen batik en gonje mee terug. Ook met Engeland bestond een druk ruilverkeer: 16 stofnamen zijn geleend uit het Engels. Maar verreweg de grootste invloed ging uit van Frankrijk, tenslotte hét land dat op het gebied van de mode in West-Europa eeuwenlang de toon aangaf: uit het Frans komen 36 woorden (inclusief taf als verkorting van taffetas). De Duitse textielindustrie heeft voor ons nooit veel betekend: uit het Duits komen dralon, dril, loden en het pseudo-Duitse jaeger (dat in het Duits als stofnaam niet bekend is, alleen als persoonsnaam van de arts G. Jaeger (1832-1917), die het dragen van wollen ondergoed propageerde). Uit het Latijn komen nog de heel oude leenwoorden scharlaken en zijde, uit het Arabisch atlas en uit het Italiaans brokaat.

Hoewel de Lage Landen, zoals we zagen, een belangrijke rol in de lakenindustrie speelden, zijn er op dit terrein meer geleende woorden dan inheemse. Inheems zijn doek, duffel, lijnwaad, laken, linnen, neteldoek, rips, twijn, vilt en wol. Het fraaie kant, waar België zo beroemd om is, is een speciale betekenis van het Latijnse leenwoord kant ‘zijde, rand’ - een betekenis die in het Nederlands is ontwikkeld. Terlenka is in het Nederlands gemaakt, van uitheemse woorden. Ook de andere kunstvezelstoffen zijn vormingen van vreemde talen (die ook nog in andere talen gemaakt zijn): acryl, polyester, vinyl.

Veel stofnamen zijn genoemd naar de plaats van herkomst, dat wil zeggen de plaats waar ze vervaardigd werden of waarvandaan ze verhandeld werden. Niet altijd is die plaats van herkomst gemakkelijk herkenbaar. Angora is een oude naam voor de Turkse stad Ankara, cretonne is vernoemd naar het Normandische dorp Creton, damast komt van het Syrische Damascus, gaas verwijst naar Gaza in het Egyptisch-Israëlische grensgebied, kasjmier is vernoemd naar het Indiaas-Pakistaanse gebied van die naam, in karsaai zit de Engelse plaats Kersey in Suffolk verborgen, madras heet naar een Indiase plaats, mousseline is vernoemd naar de stad Mosul aan de Tigris, in popeline zit de Vlaamse stad Poperinge, sisal heet naar een plaats op het schiereiland Yucatán in Mexico, en in tule zit de stad Tulle in het Franse departement Corrèze. Satijn is via het Frans uit het Arabisch overgenomen, waar het aṭlas zaitūnī luidde, ofwel ‘weefsel van Zaitūn’, de Arabische naam voor de middeleeuwse Chinese uitvoerhaven Tzu t'ing (Chin chiang). Serge is eigenlijk ‘de Chinese’. Het woord gaat via Frans en Latijn terug op Grieks sèrikos ‘zijde’, van Sères ‘Chinezen’, eigenlijk ‘het land van de zijde’. Dit is ontleend aan Chinees se-or, zoals de Chinese kooplui heetten, een afleiding van Chinees se ‘zijde’ met het Noordchinese achtervoegsel -or.46

Manchester ‘katoenfluweel’ is naar de plaatsnaam in Groot-Brittannië genoemd, maar de Engelsen zelf kennen de naam niet (zij noemen deze stof corduroy of velveteen). Ook ribcord is pseudo-Engels, en ook hiervoor gebruiken de Engelsen corduroy. Denim is een verkorting van Frans serge de Nîmes ‘stof uit Nîmes’, een Zuid-Franse plaats. Indirect is cheviot naar een plaats genoemd: het gaat om de wol van de cheviotschapen uit de Cheviot Hills, die de grens vormen tussen Northumberland en Schotland.

Net als jaeger is ook batist naar een persoon genoemd, hoewel dat gezien de ouderdom van batist moeilijker is te bewijzen. Volgens de overlevering is batist genoemd naar de wever Baptiste, letterlijk ‘Doper, Gedoopte’, die in de dertiende eeuw in Kamerijk

[p. 426]

werkte. Merinos is genoemd naar de Arabische stam van de Mariniden, die tot 1465 Marokko beheersten.

De stofnamen zijn over de eeuwen verdeeld, en er dateren al veel namen uit de Middeleeuwen. De dertiende en zeventiende eeuw leveren ieder ca. 10 woorden (en de meeste inheemse woorden komen uit deze twee eeuwen), maar de negentiende eeuw spant de kroon met 25 woorden. Dit kan te danken zijn aan een toename van de handel, maar daarnaast zullen de mechanisering van het weven en spinnen, die in deze eeuw plaatsvond, en de uitvinding van de naaimachine invloed hebben gehad. In de negentiende eeuw nam het machinale spinnen en weven een grote vlucht. De twintigste eeuw levert 19 woorden; uit deze periode stammen allerlei nieuwe kunstvezelstoffen - die vaak een korte levensduur hebben voordat ze door een nóg betere kunstvezelstof vervangen worden. In dit opzicht is mijn bestand beslist niet compleet. Het Winkler Prins jaarboek 1958 noemt bijvoorbeeld acrybel, acrilan, crylon, dacron, diolan, dolan, enkalon, mirlon, nymcrylon, orlon, pan, perlon, rilsan, tergal, terital en terylene. De meeste van deze namen hebben het grote publiek nooit bereikt.

4.1.10 Voortbewegen

Als voorbeeld van woorden die met voortbewegen of transport te maken hebben, geef ik de namen voor transportmiddelen. Omdat deze nauw samenhangen met de ontwikkeling van de energiebronnen, geef ik eerst een overzicht van de aandrijfkrachten die in de loop van de tijd zijn gebruikt.47

Aandrijfkrachten

838 wagen* ‘voertuig’
___  
1240 kar ‘voertuig’ <latijn
1248-1271 windmolen ‘door de wind aangedreven molen’
1271 watermolen ‘door water aangedreven molen’
___  
1343-1345 kruiwagen* ‘eenwielig voertuig’
___  
1407 ploegpaard ‘paard dat een ploeg voorttrekt’
1422 trekpaard ‘paard dat een voertuig voorttrekt’
___  
1623 veer* ‘spiraalvormige opgerolde stalen strook voor aandrijving van mechanismen’
1694 gewicht* ‘zwaar voorwerp voor aandrijving van mechanismen’
___  
1736 slingeruurwerk ‘uurwerk waarvan de gang door een slinger wordt geregeld’
1779 stoommachine ‘door stoom aangedreven machine’
___  
1872 elektromotor ‘machine die beweegkracht geeft door elektrische stroom’
1892 gasmotor ‘door brandbaar gas aangedreven machine’

[p. 427]

1892 motor ‘machine die beweegkracht levert, stuwende kracht’ <latijn
1892 petroleummotor ‘door met lucht vermengde petroleum aangedreven motor’
___  
1900 benzinemotor ‘met benzine aangedreven explosiemotor’
1910 dieselmotor ‘door gasolie aangedreven motor’ <duits
1915 tweetaktmotor ‘motor waarbij de zuiger eenmaal op- en neergaat bij elke explosie’ <duits
1945 atoombom ‘nucleaire bom’ <engels
1950 kernenergie ‘energie die vrijkomt bij de splitsing van atoomkernen’
1950 reactor ‘toestel waarin chemische, fysische of nucleaire reactie plaatsheeft’ <engels
1950 straalmotor ‘door sterk verhitte gassen aangedreven motor’
1957 kernreactor ‘toestel dat energie levert door de splijting van atoomkernen’
1961 atoomreactor ‘kernreactor’
1961 raketaandrijving ‘aandrijving van lucht- of ruimtevaartuig d.m.v. snel uitstromende gassen’
1974 snellekweekreactor ‘kernreactor die nieuw splijtmateriaal aanmaakt’
1974 stirlingmotor ‘soort motor’
1976 wankelmotor ‘motor met roterende gasverdringer’

De oudste aandrijfkracht was spierkracht: een voertuig getrokken door een mens of een dier: kar, kruiwagen, wagen. De wagen was al bekend bij de Indo-europeanen: zij bezaten woorden voor ‘rijden’, voor ‘wiel’ (ons rad; het ging om massieve schijfwielen) en voor ‘as’ (ons as). De wagens werden eerst door ossen en latere door de snellere paarden getrokken.48

In het Nederlands bestonden in de Middeleeuwen al de benamingen ploegpaard en trekpaard, waarmee een onderscheid gemaakt werd met het rijpaard. Al vroeg maakte men gebruik van de elementen, ergo de windmolen en de watermolen. Vóór die tijd werden molens met de hand of door een paard of os rondgedraaid.49

In de zeventiende eeuw ontdekte men dat een veer en een gewicht gebruikt konden worden voor de aandrijving van mechanismen. Christiaan Huygens (1629-1695) speelde hierin een belangrijke rol, en hij was tevens de verbeteraar van het slingeruurwerk, dat hij echter slingerwerk noemde (vandaar dat slingeruurwerk pas in 1736 is gedateerd).

De stoommachine werd eind achttiende eeuw in Engeland uitgevonden en direct bij ons bekend. Een stoommachine ontwikkelt drijfkracht met behulp van een zuiger en toevoer van stoom. Stoommachines werden onder andere in treinen en schepen gebruikt. Aan de uitvinding van de stoommachine (en later motoren) en de grootscheepse toepassing hiervan was de industriële revolutie te danken, die in Groot-Brittannië begon

[p. 428]

en vervolgens ook andere landen, waaronder de Nederlanden, van een agrarische in een industriële samenleving omvormde.

Een nadeel van het gebruik van stoommachines was het geringe rendement en het explosiegevaar. Een verbetering was de motor, die eind negentiende eeuw werd uitgevonden, een drijfmachine die door gas en niet door stoom in beweging werd gebracht. Behalve gas werden ook andere energiebronnen gebruikt voor de krachtomzetting; de naam voor de bron vinden we terug als eerste lid in de nieuwe samenstellingen elektromotor, gasmotor, petroleummotor, benzinemotor. Verder werden er speciale drijftechnieken uitgevonden in de tweetakt-, wankel- en stirlingmotor - de laatste twee woorden genoemd naar de uitvinders ervan, evenals de dieselmotor.

Een geheel nieuwe, en zeer controversiële, manier om energie op te wekken is door de splitsing van atoomkernen, vandaar de benamingen atoombom, atoomreactor, kernreactor en kernenergie. De jongste aandrijfkracht, in dit geval voor ruimtevaartuigen, is de raketaandrijving.

Door mens of dier getrokken transportmiddelen

De aandrijfkrachten en de transportmiddelen die ze aandrijven, hangen ten nauwste met elkaar samen. Aanvankelijk ging men te voet, waardoor de actieradius van de mens zeer beperkt was. Daarna ging men wagens gebruiken, waarbij men de spierkracht van dieren inschakelde. De volgende transportmiddelen worden door de spierkracht van mens of dier getrokken:

838 wagen* ‘voertuig’
___  
1240 kar ‘voertuig’ <latijn
1266 slede, slee* ‘voertuig op ribben’
___  
1343-1345 kruiwagen* ‘eenwielig voertuig’
___  
1536 koets ‘rijtuig’ <duits
___  
1618 karos ‘rijtuig’ <frans
1630 span* ‘voorgespannen dieren, wagen met bespanning’
1641 calèche ‘licht rijtuig’ <frans
1677 sjees ‘rijtuigje’ <frans
1681 rijtuig* ‘door paarden getrokken voertuig voor mensen’
___  
1707 voertuig* ‘gestel op wielen voor vervoer’
1731-1735 faëton ‘rijtuigje’ <engels
1734 equipage ‘paard met rijtuig’ <frans
1740 arrenslee ‘door paarden over sneeuw voortgetrokken slee’
1775