Gedichten (ed. A.E. Jacobs)


auteur: Joannes Six van Chandelier


editeur: A.E. Jacobs


bron: Joannes Six van Chandelier, Gedichten (ed. A.E. Jacobs). Van Gorcum, Assen 1991 (2 delen)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 548]

[325] Rouwmantel achter het lyk van Kasper van Baarle.aant.

 
Wat voor een schierlyk treurgerucht
 
Draait, oover Hollands stad, ter vlucht,
 
De harten slaande fluks ter needer,
 
Als schuiten, in een wisselweeder?
5
Oei, ik verschiet, myn tongh kleeft vast:
 
Elk tiert, elk schreit, de dood die tast,
 
En bryst, in Amstels kroon, die paarel.
 
Ik staamer, wie? men sucht van Baarel.
 
O! wreede dood, o! bitter lot,
10
Is ons die schaa, te voor, by God,
 
Zoo toegeleit, strengh uitgesprooken,
 
In d'ordinanci nooit gebrooken?
 
O! hard besluit, was 't niet genoegh
 
Gegeesselt, dat ghy ook te vroegh
15
Ons korts twee hoofden, grys van lokken,
 
Vol soute herssnen had onttrokken?
 
Het oogh des lochts, de klaare son
 
Nooit afgemat van schynen, kon
 
Sints, om den hoep der twaallef teekenen,
20
Al draaijende, geen jaar bereekenen.
 
Het eene was, in Neerlands staat,
 
Het opperhoofd van d'ondersaat,
 
Dat 's lands geweeten, en pilaaren,
 
Uitbreide, 't speet geweldenaaren.
25
Het ander hoofd droegh synen naam,
 
Van hoofd, en waardigh, als bequaam,
 
Met kloeke pennen, doende blyken,
 
Geen slechter hoofden, hoofden lyken.
 
Moest ghy, o! schaadlik ongeval,
30
Ons kaatsen, als een vluggen bal,
 
Tot dat se haairt? Moest ook het derde,
 
Zoo plots, geslaagen zyn om verde?
 
Die groote luchter, die geleerd
 
Den ouden gouden tyd braveerd,
35
Want hy vierdobbel was ontsteeken,
[p. 549]
 
Is, als een kaars, in wind, besweeken.
 
Nu stierven Aristoteles,
 
Die wysigaard, Demosthenes,
 
Om reederykheit hoogh gepreesen,
40
En Pergams soon, Prins van geneesen:
 
En d'insoet vloeinde Klaudiaan,
 
Saam, in Barleus, opgestaan.
 
Nu sprongen luit, en cytersnaaren.
 
Wie zal se weer, met nooten, paaren?
45
Wie zal nu, met een fieren stap,
 
Prins Willem, in 't Stadhouderschap,
 
Ontmoeten, met toejuichsche tongen,
 
Op heldenmaat, braaf opgesongen?
 
Wie zal de Vreenimf, op haar throon,
50
Inhulden, met een Heemeltoon?
 
Wie zal er seegesangh verschaffen,
 
Wan God den valschen Taag zal straffen?
 
O! Nimfen, heilge Neegenrei,
 
Elk, laas! op Pindus schuil, en schrei,
55
Lyk tortels, in de poopelteenen,
 
Als sy haar doffers dood besteenen.
 
Treur, Amstelswaanen, treur een lied,
 
Met Zefirs, aadem, op een riet.
 
Treur, Amstelswaanen, volgh de baanen
60
Van deesen, swaan der Amstelswaanen.
 
Volgh Amstelswaanen, volgh den toon,
 
Van syne stemmen duisendschoon:
 
Het zy hy hoogh, of laagh wou singen,
 
Of stof van middelbaare dingen.
65
De woorden van syn soet Musyk
 
Zyn boeken, op het heiligh lyk.
 
Begraaf hem, in die boekebloemen:
 
Waar biekens synen hooningh roemen.