|
|
|
| |
| | | | | |
| | | |
Voorwoord bij de Nederlandse heruitgave
Vrienden hebben mij verzocht eens mee te delen hoe deze beknopte geschiedenis van
de wiskunde is ontstaan. Dat gaat al een zestig jaar terug. Ofschoon ik in mijn
Leidse studententijd wel eens op een college van J.A. Vollgraff ben geweest,
dateert mijn actieve belangstelling in die geschiedenis van de jaren 1924-'25,
toen ik, op de historische bodem van Italië, kennis maakte met Enea
Bortolotti, G. Vacca, F. Enriques en Gino Loria. Vooral Bortolotti fascineerde
me door me te vertellen van zijn studie der zestiende-eeuwse algebristen,
waarvan in Bologna nog heel wat manuscriptmateriaal bestaat. Dat waren de lieden
die de numerieke oplossing van de derde en vierdemachtsvergelijkingen vonden, in
de ‘époque héroïque des
algébristes italiens du seizième
siècle’, zoals de Franse wiskundige Jean
Dieudonné het heeft uitgedrukt.
Ik ben toen ook begonnen met de Renaissance-wiskundigen te bestuderen in
incunabelen en andere oude boeken en heb dit tussen allerlei andere bezigheden
voortgezet, ook toen ik na dec. 1926 aan het Massachusetts Institute of
Technology was verbonden. Af en toe heb ik ook wel iets gepubliceerd, o.a. over
Paulus van Middelburg en Kepler als wiskundigen, en ik heb mijn belangstelling
tot andere perioden van de geschiedenis der wiskunde uitgebreid. Ik heb ook wel
eens een voordracht gegeven, zoals in 1935, toen ik in Haarlem voor GE-WI-NA
(Genootschap voor Geschiedenis der Genees-, Wis- en Natuurkunde) over de
Nederlandse wiskunde vóór Descartes sprak. Ik heb eveneens
aan het M.I.T. enige colleges over de geschiedenis van de natuurwetenschappen en
de wiskunde gegeven, maar daar was weinig belangstelling voor. Dat was
vóór de Tweede Wereldoorlog, toen de humaniora nog weinig
toegang hadden tot technische instituten.
Omstreeks 1946 kreeg ik van professor W. Prager, toentertijd aan de Brown
University in Providence verbonden, het verzoek voor de toen pas opgerichte
Dover uitgeversfirma in New York een korte geschiedenis der wiskunde te
schrijven. Ik had al heel wat manuscriptmateriaal en ging op het aanbod in. Mijn
Concise History of Mathematics kwam in 1948 uit, in twee
kleine deeltjes. Ik geloof dat het het enige oorspronkelijke boek is dat Dover
heeft uit- | | | | gegeven, de firma heeft zich geheel op de befaamde
‘reprints’ toegelegd.
Het boek werd goed ontvangen. Er bestond eigenlijk niet veel in het Engels over
de geschiedenis der wiskunde. Het boek van F. Cajori was van 1919, herzien in
1936, Chelsea herdruk 1985, wat lang en droog. De twee boeken van D.E. Smith
beperkten zich voornamelijk tot elementaire wiskunde en waren van 1925. R.
Archibald's Outline, uit 1932, had veel feitenmateriaal in
voetnoten en een zeer beknopte tekst (een zesde druk verscheen in 1949). Dan was
er nog dat zeer leesbare, maar verouderde boek van W. Rouse Ball van 1888 (een
zesde druk verscheen in 1915 en niet zo lang geleden kwam zelfs een
Dover-herdruk uit). Ik kon gebruik maken van nieuwe onderzoekingen, o.a. over de
Babylonische wiskunde, en voor de negentiende eeuw gaf Felix Kleins boek van
1926-'27 uitstekende, zij het ook wat eenzijdige, leiding. Een Engelse uitgave
van mijn boek kwam in 1954 uit en in 1967 kon ik een derde druk bewerken, nu in
één deel. De eerste vertalingen kwamen uit in Japan en
China, in 1956. Daarna zijn er nog andere verschenen, een aantal ervan in
socialistische landen als de USSR en de DDR, waar men het ook waardeerde omdat
ik kans had gezien, ondanks het korte bestek, enige aandacht te wijden aan de
betrekkingen tussen wiskunde en maatschappij. Sommige van deze vertalingen
bevatten ook iets meer over het eigen land, de Russische over
Čebyšev en Ljapoenov, de Servische over Boscovich, de
Italiaanse over de gehele negentiende eeuw (geschreven door prof. Umberto
Bottazzini). Sommige vertalingen hebben een eigen voorwoord en in de
bibliografieën zijn enige titels in de taal van het land opgenomen.
De Nederlandse vertaling heb ik zelf bewerkt, met een beetje meer over
Nederland.
Dit brengt ons tot de wiskunde in Nederland. Die kunnen we laten beginnen met
bisschop Adalbold van Utrecht, die onder invloed stond van de toen beste
wiskundige van West-Europa, Gerbert, van 999 tot 1003 paus onder de naam
Sylvester II. Rond 1050 vinden we ook Franco van Luik, een geestelijke,
geïnteresseerd in de cirkel-kwadratuur. Het peil van hun wiskunde was
niet hoog en ze hebben geen school gemaakt. Uit de zuidelijke Nederlanden kwam
Willem van Moerbeke, een dertiende-eeuwse Dominicaan, die veel uit het Grieks en
het Latijn vertaalde, o.a. enige werken van Archimedes.
Er zijn twee bloeiperioden in de Nederlandse wiskunde. De eerste is die van de
Gouden Eeuw, beginnend omstreeks 1580 met Stevin | | | | en eindigend rond
1700 met Johann Bernoulli in Groningen. Behalve Stevin en Bernoulli ontmoeten we
hier als belangrijke figuren Snellius, Descartes, Van Schooten, Jan de Witt,
Hudde en Christiaan Huygens. Hun werk is een belangrijke bijdrage tot de
wetenschappelijke revolutie van die tijd.
Als we het tegenwoordige België erbij betrekken, begint deze eerste
bloeiperiode met Gemma Frisius in Leuven rond 1540. In de volgende eeuw vinden
we in Antwerpen Grégoire de Saint Vincent en André
Tacquet, twee Jezuïeten die bijdragen hebben geleverd tot de
tegenwoordige integraalrekening.
De tweede bloeiperiode is het tegenwoordige tijdperk, waarvan het begin samenvalt
met de hele opleving van het geestelijk leven die het intreden van Nederland in
de moderne industriële economie begeleidde. In de wiskunde vinden we
hier de ‘mannen van '80’, D.J. Korteweg, J.C. Kluyver en
P.H. Schoute, die getracht hebben de wiskunde in Nederland op internationaal
peil te brengen. De ontwikkeling die zij hebben ingeleid, is doorgegaan. We
hoeven alleen maar aan L.E.J. Brouwer, J.A. Schouten en J.G. van der Corput te
denken, om van de levende wiskundigen nog niet eens te spreken.
Van deze geleerden heeft alleen Korteweg méér dan
sporadisch aandacht besteed aan de geschiedenis van de wiskunde. De beoefening
van deze geschiedenis gaat terug op Gerardus Joannes Vossius, de
‘hooghgeleerde Vos’ van Vondel, die in zijn De universae mathesius natura et constitutione (1650) een inderdaad
hooggeleerde en uitvoerige opsomming heeft gegeven van namen, titels en soms
inhoudsopgaven, met gelijksoortige vervelende compilaties van andere takken van
wetenschap.
Daarna komt de Nederlandse vertaling van Etienne Montucla's Histoire
des mathématiques van 1758, even geestig als Vossius'
opsomming dor. De vertaler was A.B. Strabbe, de stichter van het Wiskundig
Genootschap (1778). Zijn Historie der Wiskunde kwam tussen
1782 en 1804 uit. Strabbe had in de jaren 1773-1780 al het populaire boek over
sterrenkunde van Lalande (1764) vertaald. Men kan deze wiskundige leren kennen
in M. van Haaftens geschiedenis van het Wiskundig Genootschap (1923).
Dan komt David Bierens de Haan, hoogleraar in Leiden, met zijn studies over
Nederlandse wiskundigen tussen 1874 en 1893, gedeeltelijk ook in boekvorm onder
de titel Bouwstoffen uitgegeven. Tussen 1898 en 1909 heeft ook
de leraar N.L.W.H. Gravelaar uit Deventer een aantal studies aan zestiende- en
zeventiende-eeuwse | | | | wiskundigen gewijd. Door J. Versluys is in 1902
een ‘Beknopte Geschiedenis der Wiskunde’ gepubliceerd,
voornamelijk gebaseerd op de Duitse boeken van M. Cantor.
In de eerste zestig jaar van onze eeuw leefden drie historici die ook buiten
Nederland bekendheid hebben verworven, J.A. Vollgraff, C. de Waard en E.J.
Dijksterhuis. Vollgraff kreeg die bekendheid voornamelijk door zijn werk tussen
1910 en 1950 aan de laatste zeven delen van de Oeuvres van
Christiaan Huygens, De Waard door zijn editie van Isaac Beeckman en zijn
bijdrage tot de edities van Mersenne en Paul Tannery, en Dijksterhuis door De Mechanisering van het Wereldbeeld (1950), dat met zijn
vertalingen in het Duits en Engels één der beste, zo niet
het beste werk over dit onderwerp is. We moeten ook pater H. Bosmans uit
België niet vergeten, die in het Frans over verscheidene Nederlandse
wiskundigen heeft geschreven. Ook nu bezit Nederland verdienstelijke historici
der wiskunde.
De volgende afkortingen voor vaak geciteerde bronnen zijn gebruikt:
| HM = |
Historia Mathematica |
| AHES = |
Archive for History of Exact Science |
| DSB = |
Dictionary of Scientific Biography |
Dirk J. Struik
Belmont, Massachusetts
december 1988
|
|
|