|
|
|
| |
| | | |
Woord vooraf bij de eerste druk
Het grote gedachtenavontuur dat wiskunde heet brengt ons in aanraking met
gedachten en redeneringen die vaak het denken van eeuwen hebben
beïnvloed. Het is niet eenvoudig een overzicht te geven van de
ontwikkeling van zulk een gebied, een overzicht dat ook maar enigszins recht
doet aan de rijkheid van ideeën die het bezit en de invloed die ze
hebben uitgeoefend. Zulk een overzicht samen te stellen wordt een oefening in
zelfbeperking. De schrijver heeft het nochtans aangedurfd, nadat hij door de
uitgever der Dover Boeken in New York daartoe werd aangemoedigd, en zo is de
eerste uitgave van de Concise History of Mathematics in 1948
te New York verschenen. Sedertdien is dit boek herhaaldelijk herdrukt, herzien
en vertaald. De tekst die we hier aanbieden, is door de schrijver zelf vertaald
en bewerkt.
In de eerste plaats moest grote aandacht worden besteed aan de keuze van de stof.
Het was duidelijk dat alleen de ontwikkeling van de voornaamste
ideeën kon worden geschetst, en vaak moest dan toch nog slechts
terloops naar belangrijke gebeurtenissen worden verwezen. Verscheidene figuren
van betekenis, zoals Roberval, Čebyčev of Schwartz,
moesten stilzwijgend worden voorbijgegaan en de bibliografie moest tot de
voornaamste geschriften worden beperkt.
Het is te begrijpen dat we ook kort moesten zijn met het schetsen van de algemene
maatschappelijke en culturele atmosfeer, waarin de wiskunde van een bepaalde
periode tot verdere rijpheid - of verval - kwam. De wiskunde is in de loop der
eeuwen beïnvloed door de handel en industrie, door de scheepvaart, de
cartografie, de natuur- en sterrenkunde, het ingenieurswezen in oorlog- en
vredestijd, de wijsbegeerte en de godsdienst, en heeft ook op haar beurt andere
gebieden beïnvloed. We denken bijvoorbeeld aan de wederzijdse
beïnvloeding van hydrodynamica en functietheorie, van elektrodynamica
en differentiaalvergelijkingen, van het landmeten en de meetkunde, van de
invloed van het Cartesianisme of de Scholastiek op de infinitesimaalrekening.
Zulke onderwerpen konden niet of slechts in een paar woorden worden behandeld.
Toch kan men alleen een goed begrip van de loop en inhoud der wiskunde in een
bepaald tijdvak verkrijgen, zo | | | | men deze factoren in rekening
brengt. Vaak moest ook in ons verhaal een verwijzing naar de literatuur de
plaats innemen van een geschiedkundige beschouwing.
Onze beschrijving gaat tot het einde van de negentiende eeuw. Het is, althans
voor schrijver dezes, onmogelijk het grote terrein van de nieuwere wiskunde
zó te overzien, dat het met voldoende zakenkennis en redelijkheid in
zijn geheel kan worden omvat en besproken. In plaats daarvan verwijzen we naar
enige monografieën, waarin een overzicht over gedeelten van het
wiskundig onderzoek der laatste vijftig jaren wordt aangeboden.1
Wij hopen, dat wij, ondanks al deze beperkingen, toch in staat zijn geweest de
hoofdtrekken van het wiskundig onderzoek in de loop der eeuwen, en ook die van
haar maatschappelijke en culturele betrekkingen vrij redelijk te hebben
weergegeven. De keuze kon ook met de beste wil van de wereld niet geheel
objectief zijn, ze moest wel door de persoonlijke smaak, de kennis - of het
gebrek aan kennis - van de schrijver worden beïnvloed. Het gebrek aan
kennis komt bij voorbeeld tot uiting in de omstandigheid, dat het niet altijd
mogelijk was de bronnen zelf te bestuderen, zodat de informatie tweedehands was.
Wij raden daarom iedere lezer aan alle beweringen die hij in dit boek vindt, zo
nodig aan de bronnen te toetsen, en dit geldt voor al zulke geschiedenissen. Er
zijn verscheidene goede redenen voor een studie van de bronnen. Het is verkeerd
schrijvers als Euklides, Diofantos, Descartes, Laplace, Gauss of Riemann alleen
maar tweedehands te bestuderen. Er is in deze auteurs een oorspronkelijkheid en
kracht van stijl, die op hun gebied niet onderdoen voor die van Cervantes of
Shakespeare, en er zijn stukken van Archimedes, Fermat, Euler, Jacobi en vele
andere wiskundigen, die even mooi zijn als de verzen van Vondel of van Horatius.
Hier volgen een aantal overwegingen, waardoor de schrijver zich heeft laten
leiden.
| 1. | Nadruk is gelegd op de continuïteit en het gelijksoortige
karakter van de Oosterse wiskunde, ondanks de noodzaak van het soms
mechanische opsplitsen in de culturen van Egypte, Babylonië,
China, India en de Islam. |
| 2. | Getracht is een onderscheid te maken tussen vaststaand feit, hypothese en
traditie, vooral in de wiskunde der Oudheid. |
| | | |
| 3. | De twee stromingen in de Renaissance-wiskunde, de
arithmetisch-algebraïsche en de
‘infinitesimale’ zijn in betrekking gebracht met de
commerciële en ingenieursbehoeften van die periode. |
| 4. | In de beschouwingen over de negentiende-eeuwse wiskunde hebben wij ons op
personen en scholen gericht, en ons in de eerste plaats laten leiden door de
geschiedenis van deze periode zoals Felix Klein die heeft geschreven. Zo men
een uiteenzetting naar onderwerpen verlangt, dan kan men die vinden in de
boeken van Cajori en Bell, of, met veel meer technische details, in de Encyclopaedie der mathematischen Wissenschaften (Leipzig
1898-1935, 24 delen), of, in korter bestek, in Pascals Repertorium der höheren Mathematik (Leipzig 1910 - 29,
5 delen). |
De schrijver spreekt hier gaarne zijn dank uit aan dr. O. Neugebauer die zo
vriendelijk is geweest het eerste hoofdstuk van dit boek te lezen, hetgeen tot
verschillende verbeteringen heeft geleid; aan dr. A.P. Joesjkewitsj heeft hij
verbeteringen in de secties over de Islam en aan dr. Kurt R. Biermann
verscheidene bibliografische gegevens te danken. Voor de hulp bij het opsporen
van andere tekorten is hij aangenaam verplicht aan wijlen dr. R.C. Archibald,
aan dr. E.J. Dijksterhuis, de heer S.A. Joffe en aan andere lezers. Bij de
bewerking van deze Nederlandse uitgave zijn enige verbeteringen aangebracht en
sommige details over de wiskunde in Nederland verder uitgewerkt. Ook zijn enige
in het Nederlands geschreven publikaties aangehaald.
1948
|
1B.v. in de boeken van E.T. Bell (1945) en N. Bourbaki (1960),
aangevuld door die van F. le Lionnais, zie inleiding. Zie verder het eind
van hoofdstuk VIII.
|
|