|
|
|
| |
| | | |
VI. De zeventiende eeuw
De snelle ontwikkeling van de wiskunde tijdens de Renaissance berustte niet
alleen op de ‘Rechenhaftigkeit’ van de gegoede burgerij.
Men begon geld te beleggen in industrie en daarmee in het gebruik en het
verbeteren van werktuigen en machines. Deze waren reeds vanouds bekend, zij
hadden Archimedes' genie en Heroons vernuft geïnspireerd. In die
tijden moedigde evenwel noch de slavernij noch het stedelijk handwerk het
gebruik van arbeidsbesparende mechanismen aan, en een economisch
vooruitstrevende burgerklasse heeft de Oudheid (en het Oosten) slechts
sporadisch bezeten. Bij Heroon vinden wij wel machines beschreven, doch alleen
voor amusement of voor goocheltoeren. In de latere Middeleeuwen begint in deze
toestand verandering te komen, machines worden aangewend in werkplaatsen, bij
openbare werken en in het mijnbedrijf, niet zelden in het bezit van kooplieden,
bankiers of vorsten, en door stedelijke gilden met tegenzin begroet.
Transatlantische scheepvaart en krijgsbedrijf stimuleren ook uitvinding en
verbetering van werktuigen en machines.
‘De constante bedrijvigheid die gij Venetianen in uw
beroemde arsenaal tentoon spreidt, biedt de leergierige geest een groot gebied
voor studie, vooral dat gedeelte van het werk dat betrekking heeft op de
mechanica’ (Galilei 1632, Dialogi, eerste dag).
Reeds in de veertiende eeuw en nog vroeger bestond er in Lucca en
Venetië een gevestigde zijde-industrie, gebaseerd op arbeidsverdeling
en waterkracht. In Vlaanderen bloeide de lakenindustrie. In de vijftiende eeuw
begon in Centraal Europa de mijnbouw zich te ontwikkelen tot een volledig
kapitalistisch georganiseerde industrie, waarbij pompen en hijsmachines al een
belangrijke technische rol speelden, zodat steeds dieper liggende lagen konden
worden aangeboord. De voor Europa nieuwe uitvindingen van vuurwapens,
boekdrukkunst, windmolens, de verbetering van schepen en het graven van kanalen,
maakten ook op hun beurt weer brede lagen van de bevolking technisch bewust. We
beginnen mannen aan te treffen die we nu ingenieurs zouden noemen. Uurwerken
werden verbeterd en gebruikt in scheepvaart en sterrenkunde, en zo kreeg het
publiek soms prachtige mechanismen te | | | | zien. De regelmatigheid van
de loop der uurwerken en de mogelijkheid daarmede de tijd precies aan te geven
maakten op velen een diepe indruk. Menig wijsgeer der Renaissance en van later
ziet in het uurwerk een model van het heelal. Deze filosofische opvatting heeft
medegewerkt tot de ontwikkeling van het mechanische wereldbeeld.
Het gebruik en de studie van machines voerden tot theoretische werktuigkunde, tot
de studie van de beweging en de begrippen van snelheid en versnelling. Uit de
Oudheid waren reeds geschriften over de statica bekend - b.v. die van Archimedes
- en de hernieuwde studie der statica ging van deze klassieke geschriften uit.
Er bestonden reeds vóór de uitvinding van de boekdrukkunst
boeken over werktuigen en machines (b.v. van Kyeser, begin 15e eeuw), aangevuld door meer theoretisch opgezette studies, als het boek
over bouwkunde van Leon Battista Alberti (ca. 1450) en sommige geschriften van
Leonardo da Vinci. Leonardo's manuscripten bevatten het begin van een
uitgesproken mechanistische natuurleer. Later in de zestiende eeuw verschijnen
de mooie technische boeken van Vannoccio Biringuccio (Pirotechnia, 1540, Engelse vertaling 1943) en van Georg Agricola (De re metallica, 1556, Engelse vertaling 1912).
Wat de wiskundigen betreft, Tartaglia behandelde in zijn Nuova
scienzia (1537) de constructie van uurwerken en de baan van
projectielen, ofschoon hij nog niet inzag dat deze baan (zonder wrijving) een
parabool moet zijn. Dit werd eerst door Galilei in de Vierde Dag van zijn Discorsi (1638) bewezen. Deze soort van onderzoekingen werden
ook door de uitgave van de werken van Archimedes gestimuleerd, vooral door die
van de Italiaan Federigo Commandino (1558). Zo werden de antieke
integratiemethoden binnen het bereik van vele wiskundigen gebracht. Commandino
paste deze methoden zelf toe op de berekening van zwaartepunten (1565), al deed
hij dit ook minder streng dan zijn meester.
De berekening van zwaartepunten bleef nog lang een geliefkoosde bezigheid van hen
die hun kennis van Archimedes zochten te verdiepen, en zodoende hun studie van
de statica wisten te verbinden aan een beoefening van praktijken die we thans
als de beginselen van de integraalrekening zien. Onder deze volgelingen van
Archimedes treffen we de Nederlander Simon Stevin aan, die in zijn Weeghconst en Waterwicht (1586) over zwaartepunten
en hydraulische problemen schreef, verder de Italiaan Luca Valerio, die in 1604
de berekening van zwaartepunten en in 1606 de kwadratuur van de parabool
behandelde. In de Centrobaryca van de | | | | Zwitser
Paul Guldin (3 dln, 1635-'41) vinden we de zgn. theorema's van Guldin, die
verband leggen tussen oppervlak en inhoud van omwentelingsoppervlakten en het
zwaartepunt van het vlak uit wier wenteling ze ontstaan.1
Deze auteurs hebben wegen bewandeld waarlangs Kepler, Cavalieri, Torricelli en
anderen tot methoden kwamen die tot de uitvinding van de differentiaal- en
integraalrekening hebben geleid.
| |
2.
Kenmerkend voor deze wiskundigen was hun bereidheid om de Archimedische
strengheid van bewijs op te geven voor beschouwingen die veel minder streng,
soms ‘atomisch’ waren - waarschijnlijk zonder te weten
dat Archimedes in zijn brief aan Eratosthenes juist soortgelijke methoden om
hun aanschouwelijke waarde had toegepast. Deze mindere scherpte was
voornamelijk het gevolg van het verlangen naar resultaten, die met de
Griekse methode moeilijk snel waren te verkrijgen, en zeker op omslachtige
wijze. Ten dele speelde ook een zekere ontevredenheid met de scholastiek en
haar subtiliteiten een rol, waarvan althans sommigen dezer wiskundigen goed
op de hoogte waren, zeker de Katholieke priesters onder hen. Reken- en
scheepvaartmeesters, ingenieurs en loodsen zochten naar methoden die
gemakkelijk te begrijpen waren.
De revolutie in de sterrenkunde, die met de namen Copernicus, Tycho Brahe en
Kepler is verbonden, opende nieuwe visies over de plaats van de mens in het
heelal en zijn vermogen deze met behulp van de wiskunde nader te bestuderen.
Twijfel begon te rijzen aan de manier waarop in het Aristotelisme verband
werd gelegd tussen de bewegingen en de krachten bij
‘ondermaanse’ en hemelse lichamen. Hoezeer de wiskunde
bij deze revolutie een rol speelde, kan men in het werk van Johannes Kepler
zien, waarin geweldig rekenwerk verbonden is met scherpzinnige meetkundige
beschouwingen, waarin ook infinitesimalen een belangrijke rol speelden.
Kepler, wiens Astronomica nova van 1609 zijn elliptische
planetenbeweging bevat, heeft ook een boek over inhoudsberekeningen
geschreven, zijn Nova stereometria doliorum vinariorum
(‘nieuwe stereometrie van wijnvaten’, 1615), waarin
hij, in Archimedes' voetstappen voortschrijdende, de inhoud afleidde van
lichamen | | | | die ontstaan door rotatie van kegelsneden om een lijn
in hun vlak gelegen. Hij brak met het Archimedische strenge doch indirecte
bewijs, voor hem was een cirkelomtrek een veelhoek met oneindig veel zijden
en de inhoud van een bol de som van de inhouden van oneindig veel spitse
piramiden met gemeenschappelijke top in het middelpunt van de bol. Kepler
zag in dat de bewijsvormen van Archimedes streng waren absolutae et omnibus numeris perfectae (absoluut en in elk opzicht
volmaakt), maar hij liet ze gaarne over aan lieden die daar plezier in
hadden. Iedere auteur van die dagen en nog veel later behield zich de
vrijheid voor, zijn eigen maat van strengheid of gebrek aan strengheid te
bepalen. Er bleven natuurlijk altijd wiskundigen die het met de strengheid
van hun bewijsvoering heel ernstig namen.1
Op Copernicus en Kepler had Plato met zijn Pythagoreïsche verering
van de wiskunde een diepe invloed. Bij Galileo Galilei neemt de verwerping
van het Aristotelische wereldbeeld scherper en meer polemischer vormen aan.
Aan hem hebben wij de nieuwe kinematica van vrij vallende lichamen, het
begin van de elasticiteitsleer en een van geest tintelende verdediging van
het Copernicaanse stelsel te danken. Hij is een der voorgangers van de
moderne wetenschap, die op de harmonsiche samenwerking van theorie en
experiment berust, waarbij nadruk wordt gelegd op wiskundige en in 't
algemeen kwantitatieve beschouwingen - ook al speelt het experiment bij
Galilei niet zulk een belangrijke rol als men soms wel aanneemt: zijn
redenering is vaak a priori, terwijl het experiment (soms alleen een
gedachtenexperiment) als verificatie dient. In de Discorsi
van 1638 vindt men, in de Derde Dag, een scherp- | | | | zinnige
wiskundige afleiding der wetten van de eenparige en eenparig versnelde
beweging (alles geheel meetkundig); in de Vierde Dag wordt de parabolische
beweging van het projectiel afgeleid met tabellen over hoogte en worpswijdte
als functie van aanvangshoek en aanvangssnelheid. Galilei heeft echter nooit
zijn ideeën over de infinitesimaalrekening systematisch
uiteengezet, doch dit aan zijn leerlingen Cavalieri en Torricelli
overgelaten. Hij had ook over het oneindige zeer oorspronkelijke
ideeën, zoals we ook in de Discorsi kunnen zien
(Eerste Dag), waarin hij aantoont dat ‘het aantal
kwadraatgetallen niet kleiner is dan het aantal van alle natuurlijke
getallen, maar dit aantal ook niet groter is dan het eerste’,
zoals blijkt uit de mogelijkheid van de
één-éénduidige toevoeging der
getallen
| 1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6... |
| 1 |
4 |
9 |
16 |
25 |
36... |
Dit was een verdediging van het actueel oneindige, bewust gevoerd tegen de
meningen van Aristoteles en de Scholastici (Salviati, in de Discorsi, de woordvoerder van Galilei, verdedigt zijn standpunt
tegenover Simplicio, de Aristoteliaan). Salviati maakt ook de opmerking dat
de kettinglijn er uitziet als een parabool, doch berekent de kromme niet.
Galilei heeft ook het eerst de cycloïde beschouwd (1590).
Galilei schreef zijn hoofdwerken in het Italiaans, Stevin in het Nederlands,
Bacon in het Engels en Descartes in het Frans (doch niet altijd). Ze
schreven hun werken in de landstaal waarmee zij het breder publiek wilden
bereiken, dat in deze periode bereid was van de nieuwe wetenschap kennis te
nemen. De grote wetenschappelijke revolutie was in gang. En de wiskunde
speelde daarin een belangrijke rol.
De tijd was dus gekomen voor een eerste systematische samenstelling van de
resultaten die men op het gebied der infinitesimaalrekening had bereikt. Het
was Bonaventura Cavalieri, professor aan de universiteit van Bologna, die
deze taak op zich nam. In zijn Geometria indivisibilibus
continuorum nova (1635) ontwikkelde hij het begin van een
integraalrekening, die gebaseerd was op het scholastieke begrip van het indivisibile.1
Volgens deze opvatting | | | | ontstond een lijn uit de sommatie (of
beweging) van punten, en een oppervlak uit die van lijnen. Cavalieri had
daarom geen oneindig kleine grootheden van ‘atomische’
vorm nodig. Men kan zijn gedachtengang leren kennen uit de stelling die we
nog steeds als het ‘beginsel van Cavalieri’ in onze
leerboeken aantreffen. Uit dit beginsel wordt geconcludeerd, dat de
oppervlakten van twee driehoekachtige figuren met dezelfde basis en dezelfde
hoogte gelijk zijn als de doorsneden, op gelijke afstand van de basis
getrokken, gelijk zijn.
Met zijn optelling van lijnen kon Cavalieri berekeningen voltrekken die
equivalent waren met de integratie van rationale veeltermen, doordat hij het
equivalent bezat van de integraal
Maar als men lijnen optelt, blijft men lijnen krijgen, en geen oppervlakken,
evenmin als men door optelling van punten een lijn verkrijgt (hiervoor moet
men b.v. een begrip als beweging invoeren). Cavalieri zag dat ook wel in.
Toen Torricelli hem eens aantoonde, dat met zijn methode om oppervlakken als
sommen van lijnsegmenten te beschouwen, men ‘bewijzen’
kon dat iedere driehoek door een hoogtelijn in twee gelijke helften kon
worden verdeeld, veranderde Cavalieri zijn lijnen in
‘draden’, dus in oppervlakken van zeer geringe dikte,
doch eerst andere wiskundigen trokken daaruit de nodige consequenties, door
niet lijnen l, maar vlakelementen ldx op te tellen, om Leibniz' notatie te gebruiken.
| |
3.
De verschijning van Descartes Géométrie, in 1637, kwam de ontwikkeling van de
infinitesimaalrekening zeer ten goede. Door deze Géométrie werd de gehele klassieke meetkunde
binnen het bereik van de algebra gebracht, zodat van nu af aan meetkundige
en algebraïsche methoden elkaar konden bevruchten. Het boek was
gepubliceerd als een der appendices tot Descartes' Discours de
la Méthode, zijn te Leiden verschenen verhandeling over
de methode van het juiste redeneren. Réné Descartes
(Cartesius) was een Fransman van lagere adel, uit de Touraine geboortig, die
een tijdlang in het leger van Prins Maurits had gediend. In 1629 keerde hij
naar de Republiek terug en bleef daar tot 1649, nogal eens van woning
veranderende. Hier ontwikkelde en publiceerde hij zijn wiskunde en zijn
wijsbegeerte. Hij stierf in 1650 te Stockholm, waar hij op uitnodiging van
Koningin Christina naartoe was gereisd.
In overeenstemming met vele andere denkers van de 17e eeuw | | | |

Bladzijde uit La géometrie van
Descartes.
| | | | zocht Descartes naar een methode om de waarheid in de
wetenschappen te vinden en daardoor zowel de wereld door de rede te
begrijpen alsook het maken van uitvindingen te bevorderen. Deze methode
leidde in Descartes' handen tot een wijsbegeerte die voor vele tijdgenoten
die van Aristoteles verving en tot op de huidige dag zijn invloed laat
voelen. Voor deze wijsbegeerte was de sleutel tot de kennis der natuur de
mechanica, en de sleutel tot de kennis der mechanica de wiskunde. Zo werd de
wiskunde van een werkmethode voor loodsen, landmeters en rekenmeesters tot
het belangrijkste wetenschappelijke denkgebied van de wijsgeer verheven.
Hierbij speelde, naast de algemene kwantitatief gerichte geest des tijds,
ook het feit mee dat de enige natuurwetenschappen die enigszins stelselmatig
waren ontwikkeld, de astronomie en de statica, op wiskundige leest geschoeid
waren. Daar kwam bij dat de wiskunde zelf, met haar overtuigende waarheden,
een schitterend voorbeeld was van het feit dat de waarheid in de
wetenschappen door de rede kon worden gevonden. Zo kwam de mechanistische
filosofie van deze periode tot conclusies die veel overeenkomst hadden met
die van de Platonici, al was hun uitgangspunt heel anders. De Platonici, die
in de harmonie van het heelal, en de Cartesianen, die aan een op de rede
gevestigde methode geloofden, vonden beiden in de wiskunde de koningin der
wetenschappen.
Descartes publiceerde zijn Géométrie
als een voorbeeld van zijn rationalistisch denken, dat hier tot een nieuwe
verbinding van de algebra en de meetkunde had gevoerd. Volgens een vaak
verkondigde mening bestaat de verdienste van dit boek voornamelijk hierin,
dat Descartes de analytische meetkunde schiep. Het is waar dat dit gebied
van de wiskunde in de loop der tijden onder de sterke invloed van het werk
van Descartes is ontstaan. De Géométrie zelf kan echter nauwelijks als een
eerste leerboek over dit onderwerp worden beschouwd. Wij vinden er geen
‘Cartesiaanse assen’ en geen afleiding van de
vergelijkingen van de rechte lijn en de kegelsneden, al werden enige
kwadratische betrekkingen ingevoerd die kegelsneden weergaven. Daar komt bij
dat een aanzienlijk deel van het boek uit een theorie over de
algebraïsche vergelijkingen bestaat, die o.a. de zgn.
‘regel van Descartes’ over het aantal positieve en
negatieve wortels van een vergelijking bevat.
Wij moeten niet vergeten dat reeds Apollonios kegelsneden karakteriseerde met
wat we nu (met Leibniz) coördinaten noemen, een karakterisering
die natuurlijk geheel in meetkundige taal was vervat. Ook had Pappos in zijn
Verzameling een Analuomenos, een
‘analyse’, gebruikt die men slechts heeft te
moderniseren om | | | | een consequente toepassing van de algebra op
de meetkunde te kunnen afleiden. Bij Ptolemaios in zijn Geografia vinden we de punten op de bol door lengte en breedte,
dus door numerieke coördinaten, aangegeven. Zelfs vindt men
vóór Descartes nu en dan iets wat op een grafische
voorstelling lijkt (Oresme). De verdiensten van Descartes liggen in de
eerste plaats in de consequente toepassing van de in zijn tijd door Cardano
en Viète ontwikkelde algebra op de geometrische analyse van de
Grieken, waardoor deze een grote hoeveelheid nieuwe toepassingen vond.
Descartes kon dit presteren omdat hij definitief met de
homogeniteitsvoorwaarden van zijn voorgangers brak; voorwaarden die o.a.
typisch waren voor Viète's logistica speciosa,
zodat x2, x3, xy nu evenals x
en y als lijnsegmenten konden worden beschouwd. Zo kon men
uit de vergelijking 1: a = a : a2, de term a2 als een lijnsegment uit een evenredigheid construeren,
indien een eenheidssegment en het segment a waren gegeven.
Een algebraïsche vergelijking tussen x en y werd nu een betrekking tussen getallen, die
lijnsegmenten voorstelden: een nieuwe wiskundige abstractie die de algemene
algebraïsche behandeling van algebraïsche krommen
mogelijk maakte.
Descartes' notatie is in vele opzichten modern, men vindt in zijn boek
uitdrukkingen als ½a + , die wat schrijfwijze betreffen, slechts hierin van onze
schrijfwijzen verschillen dat Descartes aa schrijft waar
wij a2 zetten, en aaa waar wij a3 zetten. De
notatie a, b, c voor bekende grootheden en x,
y, z voor onbekende is ook van Descartes. Het is niet moeilijk de
Géométrie te lezen, maar men zal
er onze analytische meetkunde niet in vinden.1
Iets dichter bij onze analytische meetkunde staat het werk van Pierre Fermat,
een advocaat in Toulouse, die enkele vrij korte meetkundige verhandelingen
schreef, zeer waarschijnlijk reeds vóór de publikatie
van Descartes' boek, doch die pas in 1679 werden gepubliceerd. In een ervan,
de Isagoge vinden we stelselmatige afleidingen van de
vergelijkingen van de rechte lijn en de kegelsneden, zodat we hier de
vergelijkingen y = mx + a, xy = k2, x2 + y2 = a2, x2 ± p2y2 = b2 vinden, vergelijkingen die zijn afgeleid
aan de hand van een stelsel van (gewoonlijk rechthoekige) assen. Deze | | | | vergelijkingen waren echter volgens Viète's notatie
geschreven, en werden dus ook homogeen geïnterpreteerd. Fermats
verhandelingen zien er dus veel ouderwetser uit dan die van Descartes.
Toen eindelijk Fermats werk in druk verscheen, was het werk van Descartes
voortgezet door anderen die meer stelselmatig de algebra op de antieke meet
kunde hadden toegepast. Wij denken hier b.v. aan de Tractatus
de Sectionibus Con̄icis (1655) van John Wallis en een
deel van de Elementa Curvarum Linearum (1659) van
Raadpensionaris Jan de Witt. Voor de verspreiding van Descartes' wiskundige
ideeën deed vooral de Leidse professor Frans van Schooten, leraar
van De Witt en Huygens, veel moeite. Toch was er slechts matige vooruitgang
in deze tak van wetenschap, zelfs L'Hospital's Traité analytique des Sections coniques (1707) was niet
veel meer dan een vertaling van Apollonios in de taal van Descartes'
algebra. Alle schrijvers aarzelden om aan hun coördinaten, die
toch lijnen waren, negatieve waarden toe te kennen. De eerste, die
onafhankelijk van de Grieken met algebraïsche vergelijkingen
werkte, was Newton, in zijn studie over derdegraadskrommen (1703). De eerste
analytische meetkunde van kegelsneden die niet meer afhankelijk was van
Apollonios, vindt men in Eulers Introductio van 1748,
waarin ook ruimtefiguren worden behandeld.
| |
4.
Het verschijnen van Cavalieri's boek droeg ertoe bij, dat de belangstelling
van wiskundigen in verschillende landen voor vraagstukken uit infinitesimale
beschouwingen voortgekomen groter werd. Beïnvloed door Descartes
begonnen zij de fundamentele problemen meer abstract te formuleren, waardoor
zij in algemeenheid wonnen. Naast de oudere vraagstukken over inhouden en
zwaartepunten, die we nu bij de integraalrekening behandelen, kwam nu ook
het vraagstuk: de raaklijn aan een kromme door een gegeven punt te vinden.
Dit raaklijnenvraagstuk was door de Grieken nooit fundamenteel aangepakt,
zodat, om moderne termen te gebruiken, de differentiaalrekening eerst
tweeduizend jaar na de integraalrekening is ontwikkeld. Verwant met het
raaklijnenvraagstuk is het probleem, snelheid en versnelling precies te
formuleren, waarmee Galilei in de Derde Dag van zijn Discorsi (1638) begonnen is. In deze verhandelingen over beide soorten
van infinitesimaalrekening vinden we twee stromingen, een meetkundige en een
algebraïsche. De volgelingen van Cavalieri, in het bijzonder
Torricelli en Isaac Barrow, Ieraar van Newton, hielden van de Griekse
meetkundige manier van redeneren, al had hun redenering niet altijd de
Griekse scherpte. Ook Christiaan Huygens hield van | | | | de Griekse
methode. Daarentegen zien we bij Fermat, Descartes en John Wallis een
neiging de nieuwe algebra te gebruiken. Bijna alle auteurs in deze periode
van ca. 1630 tot ca. 1660 beschouwden algebraïsche krommen, in
het bijzonder krommen met de vergelijking amyn = bnxm, en ieder op
zijn manier vond de formules die equivalent zijn aan onze formule

eerst voor positieve gehele n, dan voor positief
gebroken n. Ook het geval van negatieve n werd beschouwd. Hier gaf het geval n = - 1
bijzondere moeilijkheden, die eerst werden opgelost toen het verband met
logaritmen en dat van logaritmen met exponentiële functies
volkomen werd begrepen, dus niet voor het einde van de eeuw.
Soms vinden we ook een niet-algebraïsche kromme, zoals de
cycloïde. Deze cycloïde was zelfs zo populair en gaf
aanleiding tot zoveel discussie en twistgeschrijf dat men haar wel eens de
kibbelkromme (curve of contention) heeft genoemd. We
vinden haar o.a. behandeld door Descartes en Pascal; Pascals Traité général de la roulette
(1658) - de ‘roulette’ is de cycloïde - een
deel van een boekje dat onder de naam A. Dettonville verschenen is, heeft
o.a. de jonge Leibniz beïnvloed.1
In deze periode beginnen we ook andere gebieden van de infinitesimaalrekening
aan te treffen. Fermat ontdekte in 1638 een methode om maxima en minima te
vinden door de veranderlijke in een eenvoudige algebraïsche
vergelijking een weinig te veranderen en dan te eisen dat de verandering nul
werd; deze methode wordt voor meer algemenere algebraïsche
krommen gebruikt door Van Schootens leerling, Johannes Hudde (1658), die
later burgemeester van Amsterdam zou worden. Men vindt berekeningen van
raaklijnen, oppervlakken, inhouden, zwaartepunten en ook van booglengten
(die zowel differentiatie als integratie eisen). De betrekking tussen
differentiatie en integratie als inverse bewerkingen, werd eerst in haar
algemeenheid door Barrow in 1670 ontdekt, doch in een voor ons ongewone
meetkundige vorm. Pascal, die formules opstelde die met de integratie van
sin x en sin2
x en met partiële integratie equivalent zijn,
werkte ook wel met ontwikkelingen in kleine grootheden waarin hij de termen
van de kleinste | | | | dimensies verwaarloosde, iets wat we later bij
Newton en Leibniz terug vinden, als ze de bedenkelijke formule
(x + dx)(y
+ dy) - xy = xdy + ydx
(of een equivalente formule) gebruiken. Pascal verdedigde zijn methode door
zich meer op zijn intuïtie (esprit de finesse)
dan op zijn logica (esprit de
géométrie) te beroepen; we vinden hiervan later
in Berkeley's kritiek op Newton een weerklank terug.1
De invloed der scholastiek kan men niet alleen bij Cavalieri vinden, doch ook
in het werk van de Belgische Jezuïet Grégoire de Saint
Vincent en zijn collega's Paul Guldin en André Tacquet. Deze
wiskundigen bestudeerden zowel het werk van hun tijdgenoten als de
Middeleeuwse geschriften over de natuur van het continuüm en over
de latitudo van vormen. In De Saint Vincents en Tacquets boeken vinden we
voor het eerst de uitdrukking ‘exhaustie’ voor de
indirecte bewijsmethode van Eudoxos en Archimedes (zie bldz. 59). Tacquets
boek Cylindricorum et annularium liber (1651) heeft o.a.
invloed op Pascal uitgeoefend. De jonge Huygens heeft De Saint Vincents
cirkelkwadratuur bekritiseerd.
Deze constante bedrijvigheid van wiskundigen in verschillende delen van
Europa in een tijdperk waarin er nog geen wetenschappelijke tijdschriften
bestonden, leidde tot een aanzienlijke briefwisseling (waarvan thans heel
wat is gepubliceerd) en tot discussiegroepen. Sommige geleerden maakten zich
verdienstelijk door als bemiddelaar tussen verschillende correspondenten op
te treden. De meest bekende van deze bemiddelaars was de Minderbroeder Marin
Mersenne, die ook zelf een verdienstelijk wiskundige was, en naar wie de
getallen van Mersenne zijn genoemd (2
n
- 1, als n priem is, b.v. 3, 7, 31, enz.) getallen
die eigenlijk al bij Euklides voorkomen. Met Mersenne correspondeerden
Descartes, Fermat, Desargues, Pascal en vele anderen. ‘Mersenne
van een ontdekking te verwittigen betekende dat ze door heel Europa bekend
werd gemaakt’.2 Uit die
discussiegroepen hebben zich in Parijs en elders wetenschappelijke
genootschappen en academies ontwikkeld. Hun oorsprong hangt ten dele samen
met een oppositie tegen de universiteiten die nog in menig opzicht hun
scholastiek karakter had- | | | | den behouden - niet zozeer de Leidse
universiteit die eerst in 1575 was opgericht - en daardoor de gewoonte
behielden om reeds verworven kennis in oude vaste vormen door te geven. De
nieuwe academies daarentegen vertegenwoordigden de nieuwe manier van
onderzoek.
Zij waren de uitdrukking van de geest van het nieuwe tijdperk:
‘verzadigd in de roes van nieuwe kennis, bezig met het verbreken
van verouderd bijgeloof, zich ontworstelend aan de tradities van het
verleden, en met de uitbundigste hoop voor de toekomst. Hier leerde elke man
van wetenschap er niet alleen tevreden mee, maar zelfs trots op te zijn als
hij een individuele bijdrage, hoe klein ook, aan de totale som van kennis
toe kon voegen. Hier ontwikkelde zich de moderne man van
wetenschap’.1 De eerste Academie was in Napels
opgericht (1560), ze werd gevolgd door de ‘Accademia dei
Lincei’ in Rome (1603). De Royal Society van Londen dateert van
1662, de Franse Académie van 1666. Tot de stichters van de Royal
Society behoorde Wallis, tot die van de Franse Académie
Christiaan Huygens.
| |
5.
Een van de belangrijkste boeken na dat van Cavalieri in deze periode van
voorbereiding was de Arithmetica infinitorum van John
Wallis (1655). De schrijver was van 1643 tot aan zijn dood in 1703
Savilian-professor in de meetkunde te Oxford. Reeds de titel van het boek
laat zien dat Wallis boven het boek van Cavalieri van de
‘meetkunde der indivisibilen’ uit wilde gaan: hij
wilde tonen wat de nieuwe ‘arithmetica’, de algebra,
vermocht te doen zonder de oude meetkunde. Zodoende ontwikkelde Wallis de
algebra tot een echte analyse: de eerste wiskundige die dit deed. Zijn
manier om met oneindige processen om te gaan is voor onze begrippen vaak
gewaagd, maar hij kon resultaten boeken: hij werkte met oneindige reeksen en
oneindige produkten en was niet bang voor imaginairen, voor negatieve en
gebroken exponenten. Hij schreef ∞ voor 1/0 (en beweerde dat - 1
> ∞). Uit zijn integraties van machten en produkten
van goniometrische functies (hij gebruikte uitdrukkingen die wij nu
Beta-integralen noemen), die hij voor het bepalen van het cirkeloppervlak
toepaste, vond hij het oneindige produkt dat zijn naam draagt:
| | | |
Wallis was slechts één van die hele reeks scherpzinnige
geleerden die in hun dagen de wiskunde met ontdekking na ontdekking
verrijkten. De stuwende kracht voor deze bloei van scheppende wetenschap,
ongeëvenaard sinds de grote Griekse tijd, was slechts ten dele de
ontdekking van de nieuwe technieken waarmee nieuwe en moeilijke vraagstukken
schijnbaar gemakkelijk konden worden opgelost. Vele denkers werden gedreven
door diepere problemen: zij zochten, zoals Descartes, naar een
‘algemene methode’, soms in de meer beperkte vorm van
een wiskundige methode, soms in een meer algemene vorm als een methode om de
natuur te begrijpen om tot nieuwe uitvindingen en ontdekkingen te komen.
Daarom waren in deze periode alle wijsgeren van betekenis ook wiskundigen en
vrijwel alle wiskundigen van betekenis tevens wijsgeren. Het zoeken naar
nieuwe uitvindingen leidde vaak direct tot wiskundige ontdekkingen. Een
beroemd voorbeeld is het Horologium oscillatorium van
Christiaan Huygens (1673), waarin het onderzoek naar verbeterde uurwerken
niet alleen tot het slingeruurwerk voerde, doch ook tot de studie van de
slingerbeweging en van evoluten en involuten van vlakke krommen. Christiaan
was de zoon van Constantijn, dichter en diplomaat, vermogend en veelzijdig
aristocraat, vriend van de Oranjes en van geleerden onder wie Descartes.
Christiaan studeerde bij Van Schooten in Leiden, woonde verscheidene jaren
in Parijs waar hij een leidende figuur in de nieuwe Académie
werd; later keerde hij naar Nederland terug en hij overleed in 1695 op
Hofwijck bij Voorburg. Hij was fysicus, astronoom, instrumentmaker en
wiskundige, ontdekte de ring van Saturnus en verklaarde het gedrag van het
licht uit zijn golfkarakter. Zijn boek over de slingeruurwerken bevat ook
belangrijke bijdragen tot de mechanica; zowel door deze bijdrage als door
zijn wiskundig werk heeft hij grote invloed uitgeoefend zowel op Newton als
op Leibniz, die beiden naar Huygens, hun oudere tijdgenoot, opzagen en hem
beschouwden als hun leermeester en criticus. Het boek van Huygens en dat van
Wallis bevatten wel de meest geavanceerde infinitesimaaltheorieën
vóór de publikaties van Newton en Leibniz. Huygens
bestudeerde de tractrix, de logaritmische kromme, de kettinglijn en de
cycloïde, waarvan hij het tautochrone karakter aantoonde: de
tautochrone is de kromme, die verticaal opgesteld in het zwaartekrachtsveld
als een goot, de eigenschap heeft dat een massapunt dat in deze goot rolt
steeds in dezelfde tijd beneden in het laagste punt komt, onafhankelijk van
de plaats van zijn uitgangspunt. Doch ondanks deze rijkdom van ontdekkingen,
waarvan sommige dateren van een tijd toen Leib- | | | | niz zijn
methoden van differentiëren en integreren alreeds had gevonden,
behoort Huygens toch tot de periode van voorbereiding. Hij bekende aan
Leibniz dat hij zich met alle respect toch met diens methoden niet vertrouwd
kon maken. Hetzelfde gebeurde overigens met Wallis wat betreft de methoden
van Newton. Huygens meende het met de wiskundige strengheid ernstig en
sympathiseerde met Archimedische methoden al vond hij die vaak toch te
omslachtig voor de praktijk.
Deze uitvinding van de slingeruurwerken staat in nauw verband met
één van de grote technische problemen van de
vijftiende tot achttiende eeuw, de bepaling van de geografische lengte op
zee. De oplossing van dit probleem, dat voor het transoceanische verkeer een
levensvraagstuk was, vereiste òf goede uurwerken, òf
goede tabellen van zekere hemelverschijnselen als eclipsen of de plaats van
de maan tussen de sterren. Regeringen en vermogende heren loofden prijzen
uit voor een bevredigende oplossing, en vooraanstaande geleerden van Stevin
en Galilei tot Newton en Euler toe hebben aan deze oplossing meegewerkt. Dit
heeft op vele takken van wetenschap bevruchtend gewerkt: op de wiskundige
cartografie, de infinitesimaalrekening, de sterrenkunde, de werktuigkunde,
de elasticiteitsleer, de optica en de instrumentenkunde. Men ziet de sporen
van dit onderzoek bij Huygens, in Newtons Principia, in
Hookes ontdekking van de wet die zijn naam draagt en later in Eulers theorie
van de maan. In het midden van de achttiende eeuw heeft tenslotte een goede
tabellering van de positie van de maan, tezamen met de uitvinding van de
chronometers, het vraagstuk aan een oplossing geholpen, die bevredigend was
tot de tijd van de radiosignalen.
| |
6.
De wiskundigen van deze tijd hebben klassieke problemen met nieuwe
oplossingen verrijkt na er een geheel nieuw licht op te hebben doen vallen.
Zij hebben ook geheel nieuwe terreinen geopend. Een voorbeeld van een nieuw
en bevruchtend bewerken van klassieke problemen is de studie die Fermat van
Diofantos heeft gemaakt. Een voorbeeld van een geheel nieuwe zienswijze op
klassieke theorema's was Desargues' projectieve methode. En de
waarschijnlijkheidstheorie was een geheel nieuw gebied.
Diofantos werd voor kenners van het Latijn in 1621 toegankelijk.1
| | | | Fermat, die een ijverig bestudeerder van deze uitgave was,
verrijkte zijn exemplaar met kanttekeningen, die zijn zoon later heeft
uitgegeven. Een van deze kanttekeningen bevat het beroemde ‘grote
theorema van Fermat’, dat zegt dat de vergelijking xn + yn = zn
voor gehele positieve getallen x, y, z, n en n > 2 geen oplossingen bezit. Fermat's opmerking dat
hij hiervoor een fraai bewijs had, berust waarschijnlijk op een vergissing.
Het zoeken naar dit bewijs heeft vele nieuwe resultaten opgeleverd, zo heeft
de Duitse wiskundige Kummer naar aanleiding van dit theorema in 1847 de
theorie der ideale getallen opgesteld. Er bestaat nog steeds geen bewijs van
dit theorema voor alle waarden van n, ofschoon bewezen kan
worden dat het theorema voor een groot aantal waarden van n juist is, zeker voor priemgetallen.1
Een andere kanttekening van Fermat leert ons dat een priemgetal van de vorm
4n + 1 steeds
éénmaal, en niet meer dan
éénmaal, als de som van twee vierkanten kan worden
geschreven, een theorema dat later door Euler bewezen werd. Het zgn.
‘kleine theorema van Fermat’ dat zegt dat ap-1 - 1 deelbaar is door
p als p een priemgetal is en
onderling ondeelbaar met a, vindt men in een brief van
1640; dit theorema kan heel eenvoudig worden bewezen. Fermat was ook de
eerste die opmerkte dat de vergelijking x2 - Ay2 - 1 (A
geheel maar geen vierkant) een oneindig aantal oplossingen heeft.
Fermat en Pascal zijn de grondleggers van de waarschijnlijkheidstheorie. De
ontwikkeling van de algemene belangstelling voor dit onderwerp hangt wel
samen met de groei van de verzekeringswetenschap en van het loterijwezen,
doch de speciale vraagstukken die aanvankelijk grote wiskundigen ertoe
brachten om over deze kwesties na te denken, werden gesteld door nobele
heren die in dobbelen of kaarten waren geïnteresseerd. Men denke
aan de woorden van Poisson: ‘Een vraag over kansspelen, door een
man van de wereld aan een ernstige Jansenist gesteld, is het begin geweest
van de waarschijnlijkheidsrekening’.2 Deze man
van de wereld was Antoine Gombaud, Chevalier de Méré,
een geletterde | | | | edelman, en de Jansenist was Pascal. Het
vraagstuk dat De Méré aan Pascal voorlegde was het
zgn. problème des partis, het
partijenvraagstuk: hoe de pot te verdelen als het spel tussen twee spelers
voortijdig wordt afgebroken. Pascal begon over dit vraagstuk en over
verwante kwesties met Fermat te corresponderen (1654), en aldus begon de
waarschijnlijkheidsrekening. De wiskundige problemen waarop Pascal hierbij
stootte, zette hij uiteen in zijn Triangle
arithmétique (na zijn dood in 1664 gedrukt), waarin de
eigenschappen der binomiaalcoëfficiënten aan de hand
van de ‘driehoek van Pascal’ worden uiteengezet.
Huygens, in Parijs gekomen, hoorde van het bestaan van deze briefwisseling;
dit spoorde hem aan naar eigen oplossingen te zoeken en zo kwam zijn Rekeningh in Spelen van Geluck tot stand, dat door zijn
leraar Van Schooten in het Latijn werd uitgegeven (1657) als De
Ratiociniis in Ludo Aleae, de eerste gepubliceerde verhandeling
over de kansrekening.1 De volgende stappen werden gedaan door de Raadpensionaris De
Witt in Holland (1671) en de astronoom Halley in Engeland (1693), die
verzekeringstafels berekenden. De titel van De Witts verhandeling is Waerdye van Lijfrenten naar proportie van Los-renten.2 Bij de samenstelling heeft Hudde hem geholpen.
Blaise Pascal was de zoon van Etienne Pascal, die met Mersenne een
briefwisseling had onderhouden. De ‘Limaçon van
Pascal’ heet naar Etienne. Blaise maakte onder zijn vaders oog
grote vorderingen, en op zestienjarige leeftijd ontdekte hij het
‘theorema van Pascal’ over de zeshoek in een cirkel
ingeschreven, later ook bekend als hexagramma mysticum.
Aangezien hij zijn ontdekking (1641) op een enkel blaadje papier, we zouden
zeggen een strooibiljet, liet drukken, mogen we blij zijn dat er nog twee
exemplaren zijn behouden gebleven, één in Parijs, een
ander in Hannover. Pascals bewijs vertoont de invloed van Desargues. Enige
jaren later vond Blaise een rekenmachine uit: de oudste waarvan ooit melding
is gemaakt.3 Op vijfentwintigjarige leeftijd begon hij
deel te | | | |

Sterk verkleinde weergave van het pamflet uit 1641 waarin
Blaise Pascal het ‘theorema van Pascal’
publiceerde.
| | | | nemen aan het ascetische leven van de Jansenisten in het
convent van Port Royal bij Parijs. Hij bleef zich echter met de wetenschap
en de letterkunde bezighouden. Wij hebben alreeds over zijn verhandelingen
over de ‘roulette’ en de integratie van goniometrische
uitdrukkingen gesproken. Pascal is ook de eerste geweest die het beginsel
der volledige inductie in bevredigende vorm heeft uitgedrukt.1
Gérard Desargues was architect in Lyon en de auteur van een boek
over perspectief (1636). Zijn wiskundige roem heeft hij voornamelijk te
danken aan een boekje met de curieuze titel Brouillon project
d'une atteinte aux événements des rencontres d'un
cone avec un plan (1639).2
Hierin vinden we een schets van een projectieve meetkunde, waarin we
begrippen als oneindig verre punten, involuties, harmonische verhouding en
polariteiten vinden, maar dit alles verborgen in een eigenaardige botanische
taal. Deze schets raakte ook al spoedig in vergetelheid, tot de Brouillon in de negentiende eeuw herontdekt en naar waarde geschat
werd. Van Desargues' terminologie is slechts het woord
‘involutie’ in onze wiskundige taal overgegaan. Het
zgn. theorema van Desargues over perspectivische driehoeken komt niet voor
in de ‘Brouillon’, maar in een verhandeling van 1648.
Ook van dit theorema werd eerst in de negentiende eeuw het belang
begrepen.
| |
7.
Een algemene methode om te differentiëren en te integreren, met
inbegrip van het feit dat het ene proces het inverse is van het andere, kon
slechts worden ontwikkeld door wiskundigen die zowel de meetkundige methoden
van de Grieken en van Cavalieri, als de algebraïsche methode van
Descartes en Wallis beheersten. Inderdaad treffen wij na 1660 zulke
wiskundigen aan in de personen van de jonge Newton en de jonge Leibniz. Er
is heel wat geschreven over de prioriteit van de ontdekking der
differentiaal- en integraalrekening; heel wat over het twistgeschrijf dat al
tijdens het leven van Newton en Leibniz is begonnen. Ik volsta met hier erop
te wijzen dat beide mannen hun methoden onafhankelijk van | | | |
elkaar hebben ontdekt. Newton heeft zijn methode, de zgn. fluxierekening,
het eerste ontwikkeld (1665-'66), Leibniz wat later (1673-'76), doch Leibniz
publiceerde zijn methode, de differentiaalrekening (calculus
differentialis), het eerst (1684). Zijn integraalrekening werd in 1686 het
eerst aangekondigd. Newtons publikaties in de fluxierekening verschenen
eerst in 1704 en later. Leibniz heeft veel genialere volgelingen gehad dan
Newton, zijn methode was dan ook eleganter en handiger, en is nu algemeen
aanvaard.
Isaac Newton was de zoon van een gegoede landman in Lincolnshire. Hij
studeerde in Cambridge onder Isaac Barrow, die in 1669 in zijn leerstoel
door de zesentwintigjarige Newton werd opgevolgd. Newton bleef tot 1696 in
Cambridge, waarna hij zich in Londen vestigde, eerst als Opzichter (Warden),
later als Meester (Master) van de Munt, betrekkingen hem aangeboden door
Koning-stadhouder Willem iii in verband met zijn
reorganisatie van de Engelse financiën. Newtons geweldige
autoriteit berust in de eerste plaats op zijn monumentale Philosophiae Naturalis Principia Mathematica (1687), een werk
waarin de mechanica axiomatisch wordt gefundeerd, met invoering van de wet
van de zwaartekracht - de wet volgens welke de appel ter aarde valt en de
maan om de aarde beweegt. Door strenge wiskundige redenering bewees hij dat
de wetten van Kepler over de planetenbeweging het gevolg waren van de wet
die zegt dat de kracht waarmee massapunten elkaar aantrekken omgekeerd
evenredig is met het kwadraat van hun afstand. Dit maakte een dynamische
verklaring van de bewegingen der hemellichamen en van de getijden mogelijk.
Hij loste het twee lichamenprobleem voor bolvormige lichamen op en legde de
grondslag voor een nieuwe maantheorie. Door het vraagstuk van de aantrekking
van twee bolvormige lichamen op te lossen maakte hij ook de latere
potentiaaltheorie mogelijk. In zijn axiomatiek van de mechanica postuleerde
hij een absolute ruimte en een absolute tijd.
De bewijsvoering in de Principia is meetkundig en doet
Grieks aan, al gebruikt Newton, die het limietbegrip kent (doch het slechts
op tamelijk duistere wijze in zijn leer der ‘eerste en
uiteindelijke verhoudingen’ uitdrukt) niet de indirecte methode.
Men zou hieruit zeker niet afleiden dat de schrijver reeds lang in het bezit
was van zijn fluxierekening, die hij reeds ontwikkeld had in de jaren
1665-'66, toen hij om de pest die in Cambridge en Londen heerste, te
ontvluchten, zich in zijn vaderlijk huis had teruggetrokken. In die periode
legde de jonge Newton ook de grondslagen van | | | | zijn
gravitatietheorie en van zijn theorie van het licht. Een wonderbaarlijk
scheppende periode: ‘In de geschiedenis der wetenschappen kennen
wij geen voorbeelden van scheppend werk die te vergelijken zijn met die van
Newton gedurende die twee gouden jaren’.1
Newtons ontdekking van zijn fluxies was nauw verbonden met zijn studie van
oneindige reeksen in Wallis' Arithmetica infinitorum. Zo
kwam hij er toe de binomische stelling op gebroken en negatieve exponenten
uit te breiden, waardoor hij de binomiale reeks ontdekte. Dit hielp hem weer
om een theorie van fluxies op te stellen die geldig was voor
‘alle’ functies, algebraïsch of
transcendent. Voor Newton was een fluxie, uitgedrukt door een stip boven een
letter, als ẋ, (pricked
letters) een eindige waarde, een snelheid. Hij noemde de grootheden
voorgesteld door letters zonder stip fluents, als x.
Hier laten we een voorbeeld volgen van de wijze waarop Newton zijn methode
verklaarde. Het is uit zijn Method of Fluxions, eerst in
1736 na Newtons dood uitgegeven, doch in Newtons jonge jaren geschreven. Hij
geeft de veranderlijken of fluents aan door v, x, y, z,
‘en de snelheden waardoor iedere fluent door zijn beweging wordt
vermeerderd (en die wil ik “fluxies” noemen, of
eenvoudig snelheden of celeriteiten) zal ik voorstellen door dezelfde
letters met een stip er boven, aldus v̇,
ẋ, ẏ, ż.’
Newton noemt zijn infinitesimalen ‘momenten van
fluxies’, en stelt ze voor door v̇o,
ẋo, ẏo, żo, waar o een ‘oneindig kleine grootheid’ is. (In onze
notatie - die van Leibniz - is dus v̇o = dv, en v̇ = dv/dt). Dan gaat Newton als volgt verder:
‘Zij daarom een willekeurige vergelijking gegeven, b.v.
x3 - ax2 + axy - y3 = 0.
Zet hierin x + ẋo
voor x, y + ẏo
voor y, en we verkrijgen
x3 + 3x2ẋo + 3xẋoẋo + ẋ3o3 - ax2 - 2axẋo - aẋoẋo
+ axy + ayẋo + aẋoẏo + axẏo - y3 - 3y2ẏo -
3yẏoẏo - ẏ3o3 = 0
| | | |
Nu hebben we verondersteld dat x3 - ax2 + axy -
y3 = 0,
en als we deze termen wegnemen en de overblijvende termen door o delen, krijgen we
3x2ẋ -
2axẋ + ayẋ + axẏ -
3y2ẏ
+ 3xẋẋo - aẋẋo + aẋẏo - 3yẏẏo + ẋ3oo - y3oo = 0.
Maar aangezien o oneindig klein wordt verondersteld opdat
het momenten van kwantiteiten kan voorstellen, zullen de termen, die ermee
vermenigvuldigd zijn, niets zijn, vergeleken met de overige. Ik laat ze dus
weg, en wat overblijft is
3x2ẋ -
2axẋ + ayẋ + axẏ -
3y2ẏ
= 0.’
Dit voorbeeld toont ons dat Newton zijn afgeleiden in de eerste plaats als
snelheden dacht, maar ook dat er in zijn wijze van uitdrukking een zekere
vaagheid was. Zijn nu die symbolen ‘o’ nullen, zijn ze infinitesimalen, of zijn ze eindige
getallen? Newton heeft getracht zijn positie duidelijk te maken door zijn
reeds vermelde theorie van ‘eerste en uiteindelijke
verhoudingen’ (rationes primae et ultimae), die hij in zijn Principia invoerde, en die het limietbegrip bevat, doch in
een vorm die zeer moeilijk is te begrijpen:
Die uiteindelijke verhoudingen waarmee grootheden verdwijnen, zijn
in waarheid niet de verhoudingen van uiteindelijke grootheden, maar
grenswaarden waartoe de verhoudingen van grootheden die onbegrensd
verminderen, altijd convergeren; en waartoe zij meer en meer naderen tot op
een willekeurig van te voren gegeven verschil, maar die ze, noch ooit
overschrijden, noch werkelijk bereiken tot de grootheden tot in het oneindig
kleine afnemen. (Principia Boek i, Sect
i, laatste scholium). ‘Grootheden, en
de verhouding van grootheden, die in een willekeurig eindig tijdsverloop
ononderbroken naar gelijkheid streven, en die vóór het
einde van dit tijdsverloop elkaar benaderen tot op een willekeurig van te
voren gegeven bedrag, worden ten slotte gelijk’ (Principia Boek i, Sect i,
Lemma i).1
Wij kunnen wel hieruit zien, dat Newton, evenals eigenlijk ook alreeds
Valerio, het limietbegrip had, maar het is niet heel duidelijk uitgedrukt,
en voor de tijdgenoot was het nog onduidelijker. Dit maakte het begrijpen
van Newtons fluxietheorie een lastig werk, dat tot veel verwarring leidde en
aanleiding gaf tot de scher- | | | | pe kritiek van George Berkeley in
1734. Eerst de invoering van het moderne limietbegrip door Cauchy (omstreeks
1820) en latere wiskundigen heeft de misverstanden weggeruimd.
Newton heeft ook over kegelsneden en vlakke derdegraadskrommen geschreven. In
zijn Enumeratio linearum tertii ordinis (1704) gaf hij een
classificatie van deze kubische krommen in 72 soorten, waarbij hij uitging
van de stelling dat elke derdegraadskromme uit een ‘divergente
parabool’ y2 = ax3 + bx2 + cx + d door centrale projectie van uit een vlak op een ander
vlak kan worden verkregen. Dit was wel het eerste nieuwe resultaat van
belang, dat verkregen was door de toepassing van de algebra op de meetkunde,
aangezien zoals we reeds vermeld hebben vrijwel al het werk
vóór Newton op dit gebied verricht, niet veel meer was
dan de vertaling van Griekse resultaten in de taal van de algebra. Een
andere bijdrage van Newton was zijn methode om wortels van numerieke
vergelijkingen te benaderen, en die hij illustreerde aan het voorbeeld x3 - 2x - 5 = 0,
waarvan x = 2,09455147 als oplossing wordt verkregen.
Het is niet altijd gemakkelijk Newtons invloed op zijn tijdgenoten juist te
schatten, omdat hij altijd aarzelde zijn ontdekkingen te publiceren. Hij
ontdekte zijn wet van de zwaartekracht in 1665-'66, maar maakte die wet
eerst bekend nadat hij het manuscript van de Principia aan
de drukker had gezonden (1686). Zijn Arithmetica
universalis, die verhandelingen over algebra en analyse bevat die
tussen 1673 en 1683 zijn tot stand gekomen, werd in 1707 gepubliceerd. Zijn
werk over oneindige reeksen, dat van 1669 dateert, vindt men in een brief
van 1676 aan Henry Oldenburg (een brief die voor Leibniz was bestemd1) en verscheen in druk eerst in 1711. Zijn kwadratuur van
krommen, uit 1671, zag eerst het licht in 1704, en dit was ook de eerste
keer dat de fluxierekening werd gepubliceerd. Zijn Method of
Fluxions zelf verscheen, zoals wij reeds vermeld hebben, eerst na
zijn dood in 1736. Zelfs zijn hoofdwerk, de Principia, zou
nooit tot stand zijn gekomen zonder het aandringen en de offervaardigheid
van zijn jongere vriend Edmund Halley, de astronoom.
Niet minder dan door de Principia beïnvloedde
Newton door zijn Opticks (1704, naar een veel oudere
tekst) de geleerde wereld (en de vele amateurs) van de achttiende eeuw. In
1705 sloeg Koningin Anna hem tot ridder en zo werd hij Sir Isaac.
| |
| | | |
8.
Gottfried Wilhelm Leibniz, geboortig uit Leipzig, bracht het grootste deel
van zijn leven door in de buurt van het hof van Hannover en in dienst van de
hertogen, van wie er een in 1714 koning van Engeland werd onder de naam van
George i. Hij streefde zelfs de grootste denkers van zijn
tijd voorbij in de breedte van zijn scheppend werk; zijn wijsbegeerte
omvatte behalve de logica en de monadologie ook geschiedenis, theologie,
linguïstiek, biologie, geologie, wis- en natuurkunde, diplomatie
en de uitvindingskunst. Hij was een der eersten na Pascal die een
rekenmachine uitvond, hij voorzag de stoommachine, studeerde Chinese
filosofie en werkte aan de eenheid van Duitsland. Zijn gehele
wetenschappelijk en wijsgerig streven werd gedragen door zijn zoeken naar
een universele methode, waarmee men ware kennis zou kunnen verkrijgen,
uitvindingen kon verrichten en het wezen van de eenheid van het heelal kon
begrijpen. Wij hebben gezien hoe dit zoeken ook Descartes' denken beheerste.
De ‘Algemene Wetenschap’, de Scientia
generalis, waarnaar Leibniz streefde, was zeer veelzijdig en bracht
hem ook tot zijn wiskundige ontdekkingen. Hij hoopte de Algemene Wetenschap
te kunnen uitdrukken in een aparte symboliek, de Characteristica Universalis en op weg daarheen bestudeerde hij
permutaties en combinaties, en zocht naar een Algemene Taal, een Lingua Universalis, waarin alle gedachtenfouten als
rekenfouten zouden optreden. Dit leidde hem niet alleen tot een begin van de
symbolische logica, doch ook tot de infinitesimaalrekening met zijn
sprekende notatie. Doch niet alleen hier, maar ook op andere wiskundige
gebieden trachtte hij de symboliek te verbeteren, en zo werd Leibniz een van
de grootste uitvinders van mathematische notaties. Er zijn weinig mensen
geweest die zo diep de eenheid van vorm en inhoud hebben trachten uit te
drukken. Zijn uitvinding van de differentiaal- en integraalrekening (ook
deze namen zijn van hem en van de Bernoulli's) was gedragen door zijn
streven een lingua universalis van de verandering,
speciaal van de beweging, te scheppen, al speelde hier natuurlijk ook de
liefde tot de wiskunde om haar zelfs wille een belangrijke rol. Leibniz
stelde zijn infinitesimaalrekening op gedurende zijn ‘gouden
periode’, toen hij in de jaren 1672-'76 te Parijs in diplomatieke
dienst was en persoonlijk met Huygens verkeerde. Hier bestudeerde hij ook
Descartes, Pascal en andere voorgangers. Ook stimuleerde hem het bericht uit
Engeland dat daar Newton een algemene methode had gevonden om problemen met
infinitesimalen te beheersen. Terwijl Newtons methode, als later bleek,
kinematisch was georiënteerd, was die van Leibniz aller- | | | |

Begin van Leibniz' eerste publikatie over de
infinitesimaalrekening in de Acta Eruditorum van
1684 (herdruk van C.I. Gerhardt uit 1858).
| | | | eerst van meetkundige aard: hij dacht in de taal van de zgn.
karakteristieke driehoek (dx, dy, ds), die reeds hier en daar in deze of verwante vorm voor
de dag was gekomen, speciaal bij Pascal en bij Barrow in diens Lectiones geometricae van 1670.1 Leibniz' eerste publikatie van zijn
resultaten geschiedde in 1684 in een artikeltje van zes pagina's in het
nieuwe wetenschappelijke tijdschrift, de Acta Eruditorum,
dat sinds 1682 in Leipzig was uitgekomen. De titel van het opstel is
tekenend: ‘Een nieuwe methode voor maxima en minima alsook voor
raaklijnen onafhankelijk of er gebroken of irrationale grootheden in
optreden, en een merkwaardige soort symboliek hiervoor’.2 Als een
verhandeling was het artikel dor en duister, maar het bevatte onze symbolen
dx, dy en de differentiatieregels,
zoals d(uv) = udv
+ vdu en de differentiaal
voor het quotiënt, met de voorwaarde dy = 0
voor extreme waarden en d (dy) = 0 voor buigpunten. In
1686 liet Leibniz hierop, eveneens in de Acta Eruditorum,
een ander artikel volgen (in de vorm van een boekbespreking), waarin hij de
integraalrekening met het ʃ teken invoerde. Hier vinden we de
vergelijking van de cycloïde in de vorm
Met deze verhandelingen, die door anderen werden aangevuld, opende Leibniz
een buitengewone periode van wiskundige produktiviteit. Na 1687 werd hij
daarbij vooral door de twee broeders Jakob en Johann Bernoulli geholpen,
broeders die zijn methoden ijverig bestudeerden en verwerkten. Het resultaat
was, dat nog vóór 1700 deze onderzoekers het
voornaamste hadden gevonden van wat we nu de elementaire differentiaal- en
integraalrekening noemen, maar daarnaast waren al verscheidene dieper
gelegen gebieden aangeboord, zelfs enige vraagstukken uit wat we nu de
variatierekening noemen. In 1696 kon alreeds het eerste leerboek der
differentiaalrekening verschijnen, dat de titel Analyse des
infini- | | | |
ment petits voerde. De
schrijver, de Markies De L'Hospital, was bij Johann Bernoulli in de leer
gegaan wat we o.a. kunnen zien als wij zijn boek met de verhandeling over de
differentiaalrekening bekijken die Johann Bernoulli heeft geschreven, doch
die eerst in 1922 is gepubliceerd. L'Hospital bracht in zijn boek de
stelling, die naar hem genoemd wordt, doch door Bernoulli is gevonden, en
waarmee men de grenswaarde van een breuk kan bepalen als teller en noemer
beide tot nul naderen.1
Onze voornaamste notaties in de infinitesimaalrekening zijn door Leibniz
ingevoerd, ook de namen calculus differentialis en calculus integralis.2 Ook hebben onder zijn invloed tekens als = voor
gelijkheid en · voor vermenigvuldiging algemene ingang gevonden.
Ook de uitdrukkingen ‘functie’ en
‘coördinaten’,
‘ordinaat’ en ‘abscis’ komen van
Leibniz, evenals de ondeugende term ‘osculeren’. De
reeksen
arc tg x = x - x3/3 + x5/5 - x7/7 + ...
π/4 = 1 - ⅓ + ⅕ - 1/7
+ ...
heten naar Leibniz, ofschoon hij ze niet als eerste heeft ontdekt. Dat is
waarschijnlijk gebeurd door James Gregory (zie echter wat we over de
Indische wiskunde hebben geschreven). Gregory was een veelbelovende Schotse
wiskundige die vóór zijn veertigste jaar is gestorven,
en die gewerkt heeft op het gebied van reeksen en de onmogelijkheid met
passer en lineaal de kwadratuur van de cirkel te vinden. Zijn brieven, en de
drie boeken die hij schreef tijdens zijn verblijf in Italië
(1664-'68) voor hij naar St. Andrews University ging, toonden zijn grote
originaliteit. Hij kende de binomiale reeks (1670) en in 1671 vinden we
reeds de zgn. reeks van Taylor bij hem. Had hij langer geleefd, dan zou hij
waarschijnlijk met Newton en Leibniz tot de uitvinders van de differentiaal-
en integraalrekening moeten worden beschouwd.
Wat de grondslagen van de differentiaalrekening bij Leibniz be- | | | | treft, die waren even vaag als bij Newton. Vaak waren zijn dx dy eindig kleine grootheden, vaak ook grootheden
kleiner dan welk getal hoe klein dan ook, en toch niet nul. Bij gebrek aan
een strenge definitie gaf hij analogieën en verwees b.v. naar de
verhouding tussen de aardstraal en de afstand van de aarde tot de vaste
sterren. Hij gebruikte verschillende manieren om het begrip
‘oneindig’ te benaderen, zo aanvaardde hij in een
zijner brieven (aan Foucher, 1693) het actueel oneindige ten einde Zeno's
paradoxen te overwinnen, en prees hij De Saint Vincent, die de plaats had
berekend waar Achilles de schildpad inhaalt. En evenals Newtons vaagheid de
kritiek van Berkeley uitlokte, zo lokte Leibniz' vaagheid de kritiek uit van
Bernard Nieuwentijt, arts en burgemeester van Purmerend, die ook tegen
Spinoza heeft geschreven. Leibniz heeft Nieuwentijt uitvoerig in de Acta Eruditorum beantwoord.1 We moeten erkennen, dat Berkeley's en
Nieuwentijts kritiek recht van bestaan hadden, doch ze was geheel negatief.
Beide mannen konden zelf geen strenge opbouw van de infinitesimaalrekening
geven. Maar door hun kritiek, vooral door die van Berkeley, zijn andere
wiskundigen aangespoord tot werkelijk opbouwend werk op dit gebied.
| |
Literatuur
Men heeft moderne uitgaven van de verzamelde werken van Kepler, Galilei,
Descartes, Pascal, Fermat, Torricelli, Huygens en Newton. Er bestaat een
oude uitgave van Leibniz' wiskundige werken (die van C.I. Gerhardt), aan
nieuwere uitgaven wordt gewerkt (zijn manuscripten bevinden zich in
Hannover).
| [D.T. Whiteside-M.A. Hoskins, eds.] Mathematical Papers
of Isaac Newton (8 dln, Cambridge, 1970-81). |
| [Id] The Mathematical Works of Isaac Newton (2 dln,
New York-Londen, 1964-67, met facsimile reproducties en inleidingen. |
| [A. Koyré, I.B. Cohen, A. Whitman] Isaac
Newton's Philosophiae Naturalis Principia Mathematica. Third Edition
(1726) with Variant Readings (2 dln, Cambridge, Mass.,
& Cambridge, England, 1972). |
| Correspondence of Isaac Newton, ed. H.W. Turnbull
(tot zoverre 3 dln, Cambridge, 1959-61). |
| [C.I. Gerhardt] G.W. Leibniz' mathematische
Schriften (7 dln, Berlin, Halle, 1849-63, opnieuw uitg. Hildesheim
1962, met ‘Register’ van J.E. Hofmann, Hildesheim
1977. |
| | | |
Over de ontdekking van de differentiaal- en integraalrekening zie het reeds
enige malen geciteerde boek van C.B. Boyer (New York, 1959), met uitgebreide
biblografie. Ook:
| G. Castelnuovo, Le origini del calcolo infinitesimale
nell' era moderne (Bologna, 1938). |
| O. Toeplitz, Die Entwicklung der Infinitesimalrechnung
i (Berlin, 1949). |
Omtrent de historische en technische achtergrond vindt men gegevens in:
| H. Grossman, Die gesellschaftlichen Grundlagen der
mechanistische Philosophie und die Manufaktur, Zeitschrift z.
Sozialforschung 4 (1935) 161-231. |
| R.K. Merton, Science, Technology and Society in the
Seventeenth Century, Osiris 4 (1938). Ook als boek (New York,
1970.) |
| B. Hessen, The social and economic Roots of Newton's
‘Principia’. In Science at
the Crossroads (Londen, 1934). Duitse vertaling in P. Weingart,
Wissenschaftssoziologie (Frankfurt, 1972) |
en over de wetenschappelijke achtergrond in:
| E.J. Dijksterhuis, De mechanisering van het
wereldbeeld (Amsterdam, 1950), ook in Engelse en Duitse vertaling
verschenen. |
Over de leidende wiskundigen:
| J.F. Scott, The Mathematical Works of John Wallis, D.D.,
F.R.S., (Londen, 1938). |
| A. Prag, John Wallis, Zur Ideengeschichte der Mathematik
im 17. Jahrhundert. Quellen und Studies z. Geschichte der
Mathematik B1 (1930) 381-412. |
| I. Barrow, Geometrical Lectures, transl. and edited by
J.M. Child (London, 1948). |
| A.E. Bell, Christiaan Huygens and the Development of
Science in the Seventeenth Century (London, 1948). |
| L.T. More, Isaac Newton. A Biography (New York,
London, 1934). |
| S.I. Wavilow, Isaac Newton (Duitse vertaling uit het
Russisch, Berlin, 1951). |
R.S. Westfall, Never at Rest. A Biography of I.
Newton (New York, enz., 1981). De beste levensbeschrijving van
Newton. |
| H.W. Turnbull, The mathematical Discoveries of
Newton (Glasgow, 1945). |
| | | |
Er bestaan verzamelingen van artikelen over Newton: door de History of
Science Society (Baltimore, 1928), de Mathematical Association (London,
1927) en de Royal Society (Cambridge, 1947).
Er bestaat ook een Russische uitgave van Newtons werken.
Verder:
| H.J.E. Beth, Newton's
‘Principia’ (2 vols, Groningen, 1932). Een
gedegen werk in het Nederlands. |
| J.M. Child, The Early Mathematical Manuscripts of
Leibniz, transl. from the Latin texts (Chicago, 1920). |
| J.E. Hofmann, Die Entwicklungsgeschichte der Leibnizschen
Mathematik (München, 1949). Naar een aantal andere
studies van J.E. Hofmann over wiskundigen van de 17e eeuw vindt men
verwezen in zijn ‘Geschichte der
Mathematik’ (Göschen). Ook: Frans van Schooten der Jüngere, (Wiesbaden, 1962). |
| P. Montel, Pascal Mathématicien (Paris,
1951). |
| Johann Kepler, A Tercentenary Commemoration of His Life
and Work (Baltimore, 1931). |
| E.J. Dijksterhuis, Descartes als wiskundige.
Openbare les Leiden 1932. |
| G. Milhaud, Descartes Savant (Paris, 1921). |
| R. Taton, L'Oeuvre mathématique de G.
Desargues (Paris, 1951). |
| [H.W. Turnbull, red] James Gregory Tercentenary Memorial
Volume (London, 1939). Zie ook M. Dehn-E.D. Hellinger, Amer.
Mathem. Monthly 50 (1943) 149-163. |
| E.A. Fellman, Die Mathematischen Werke von Honoratius
Fabri. Physis 1 (1959) 1-54. |
| D.T. Whiteside, Patterns of mathematical thought in the
later seventeenth century. Arch. for history of exact sc. 1
(1961) 179-388. |
J.O. Fleckenstein, Die Prioritätsstreit
zwischen Leibniz und Newton (Basel, Stuttgart 1956). Over
deze, vaak beschreven, prioriteitstwist, zie ook, behalve Cantor's
Geschichte, P. van Geer, Wiskundig Tijdschrift 10 (1913-14) en de
artikelen van D. Mahnke, Abhandl. Akad. Berlin, Phys. Math. Kl. 1 (1925)
en Sitzungsber. Ges. z. Beförd. ges. Naturw. Marburg 67
(1932). |
| Paul Tannery, Notions historiques, in J. Tannery,
Notions de mathématiques (Paris, 1903)
324-348. |
| M.S. Mahoney, The mathematical Career of Pierre
Fermat (Princeton N.J., 1970). |
| | | |
| C.J. Scriba, James Gregorys frühe Schriften
zur Infinitesimalrechnung, Mitt. mathem. Seminar Giessen 55
(1957) 80 bldz. |
| J.A. Lohne, Thomas Harriot als Mathematiker,
Centaurus 11 (1965) 19-45, ook DSBV 1 (1972) 124-129. |
| H.J.M. Bos, Differentials, Higher-order Differentials and
the Derivatives in the Leibnizian Calculus, Dissertatie Utrecht
1963, AHES 14 (1974) 1-90. |
| R. Taton, L'oeuvre de Pascal en
Géométrie projective, Revue Hist.
Sciences Appl. 15 (1962) 197-252. |
| H. Loeffel, Blaise Pascal 1623-1662
(Birkhäusen, 1987) gaat speciaal over Pascal's wis- en
natuurkunde. |
| M.E. Baron, The Origins of the infinitesimal
Calculus (New York, 1969). |
| L. Auger, Un savant méconnu, Giles Personne de
Roberval 1602-1675 (Paris, 1962). |
| D. Bierens de Haan (1822-95), professor te Leiden, schreef tussen 1874
en 1893, 33 artikelen over Nederlandse wis- en natuurkundigen van de
ouden tijd voor de Versl. en Med. Kon. Akad. Amsterdam, bijna alle
gepubliceerd in de ‘Bouwstoffen’. |
| G.A. Vorsterman v. Oyen. 144 vraagstukken van Nederlandse
wiskundigen der 17e eeuw (Schoonhoven,
1868). |
| P. van Geer, Hugeniana geometrica
i-xii, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 7-10
(1907-13). |
| P. van Geer, Johan De Witt als Wiskundige, ib (2) 11
(1915) 98-126. |
A. Girard, Invention nouvelle en Algèbre.
Réimpression (Leiden, 1884). Zie ook Nieuw
Archief voor Wiskunde 11 (1884) 83-152. |
| C.P. Burger, Amsterdamsche Rekenmeesters en
Zeevaartkundigen in de zestiende eeuw (Amsterdam, 1908). |
| Wiskunde in de Gouden Eeuw, vakantiecursus 1989
(Amsterdam, 1989). Een verzameling opstellen. |
| Meer algemeen is |
| D.J. Struik, Het Land van Stevin en Huygens
(Amsterdam, 1958, Nijmegen 1979). Ook in het Engels (Dordrecht, enz.,
1981). |
| K. van Berkel, In het voetspoor van Stevin
(Amsterdam, 1985). |
Over de rekenmeesters en instrumentmakers van deze periode, zie, behalve het
boek van Burger en het in Hoofdstuk v geciteerde boek van
professor Eva Taylor:
| M. Rooseboom, Bijdrage tot de geschiedenis der
Instrumentmakerskunst in de noordelijke Nederlanden (Leiden,
1950). |
| | | |
| D.J. de S. Price, Science since Babylon (New Haven,
1961), spec. Ch. 3. |
Over de belangrijkste wiskundigen vindt men ook vaak een levensbeschrijving
in hun verzamelde werken, b.v. een biografie van
| Huygens door J.A. Vollgraff in C. Huygens, Oeuvres
xxii (La Haye, 1950). |
Wat de Nederlandse en Belgische wiskundigen betreft vindt men vele
bijzonderheden in de reeds geciteerde werken van H. Bosmans. Wij vermelden
artikelen over
Tacquet: Isis 9 (1927-28) 66-83; Stevin: Mathesis 37 (1923), Annales Soc. Sc. Bruxelles
37 (1913) 161-199, Biographie nationale de Belgique 23
(1923-24); Dela Faille: Mathesis 41 (1927) 5-11; van
Roomen: Biographie nat. de Belg. 19 (1907); De Saint
Vincent: Mathesis 38 (1925) 250-256; van Ceulen: Annales Soc. Sc. Bruxelles 34 (1909-10) 88-139, Mathesis 39 (1925); Nicolaas Pietersz van Deventer: Annales Soc. Sc. Bruxelles 32II
(1907-08) 272-301. Over Stevin ook het reeds geciteerde boek van
Dijksterhuis en G. Sarton, Simon Stevin of Bruges, Isis 21
(1934) 241-303; zie ook G. Sarton, The first Explanation of
decimal Fractions and Measures, Isis 23 (1935) 153-244.
Over Stevin en Huygens (over Huygens zie o.a. ook het reeds geciteerde boek
van A.E. Bell. Zie verder J. en A. Romein, Erflaters van onze
beschaving, (Amsterdam, 7e dr., 1956)):
| D.J. Korteweg, Het bloeitijdperk der wiskundige
Wetenschappen in Nederland (Amsterdam, 1894). |
| D. Bierens de Haan, Bouwstoffen voor de Geschiedenis der
wisen natuurkundige Wetenschappen in de Nederlanden
i, ii (Amsterdam, 1878-1887). |
|
1Deze theorema's komen alreeds in Pappos' Verzameling voor
(Boek vii), doch ze worden door sommigen als een latere
invoeging beschouwd. Voor het geval van een torus vinden we het theorema
reeds in Heroons Metrica.
1Een
overgang van het Griekse, strenge, indirecte bewijs naar een direct
bewijs vindt men in Valerio's boek over zwaartepunten (1604):
‘Indien een grootheid, die groter of kleiner is dan een
eerste grootheid, een bepaalde verhouding heeft gehad tot een grootheid,
die groter of kleiner is dan een tweede grootheid, met een exces of
defect dat kleiner is dan welke voorgeschreven grootheid ook (excessu
vel defectu quantacumque magnitudine proposita), dan zal de eerste
grootheid tot de tweede dezelfde verhouding hebben.’ De
redenering van Stevin bij het vinden van zwaartepunten kan als volgt
worden weergegeven: Als grootheden verschillend zijn, kan een grootheid
gesteld worden minder dan hun verschil. Maar stel dat tussen de
grootheden P en Q geen grootheid kan
gesteld worden minder dan hun verschil. Dan kan men concluderen dat deze
grootheden P en Q ‘en
verschillen niet’ ( Selected Works
i, 230). Zie E.J. Dijksterhuis, Elementen van Euclides
ii 242, C.B. Boyer, History of the
calculus, 100-106.
1F. Cajori, Indivisibles and ‘ghosts of departed
quantities’ in the History of Mathematics, Scientia
1925, 301-306; E. Hoppe, Zur Geschichte der
Infinitesimalrechnung bei Leibniz und Newton, Jahresber.
Deutsch. Mathem. Verein 37 (1928) 148-187, vgl. hierbij C.B. Boyer, History of the Calculus (1959) 192, 206, 209.
1De
term ‘analytische meetkunde’ in de betekenis die
wij er aan hechten wordt eerst in het begin van de negentiende eeuw
gebruikt (zie blz. 199). Newton gebruikt de term geometria
analytica, doch niet in onze betekenis. Zie verder E.J.
Dijksterhuis, Descartes als wiskundige, Openbare les
Leiden 1932.
1H.
Bosmans. Sur l'oeuvre mathématique de Blaise
Pascal, Revue des Questions Scientifiques 1929, 63 blz.; J.
Guitton, Pascal et Leibniz (Paris, 1951).
1Pascal, Oeuvres (Paris, 1908-14) Vol. XII, p. 9;
XIII, p. 141-155.
2H. Bosmans, l.c. blz. 43:
‘informer Mersenne d'une découverte,
c'était le publier par l'Europe
entière’. Het convent waar Mersenne zijn
veelzijdig werk verrichtte, was aan de tegenwoordige Place des Vosges in
Parijs. ‘Le bon père Mersenne’ stierf
in 1648. Het grootste getal van Mersenne tot nu toe (met de computer)
gevonden is 2 216091 - 1 (D. Slowinski, 1985). Zie
Science 245 (1989) 815.
1Martha Ornstein, The Role of Scientific Societies in the Seventeenth
Century (Chicago, 1913).
1Hier zijn een aantal klassieke auteurs met het jaartal
waarop hun werk het eerst in een leidende Latijnse uitgave verscheen:
Euklides 1482, Ptolemaios 1515, Archimedes 1558, Proklos 1560,
Apollonios i-iv 1566, v-vii 1661;
Pappos 1589, Diofantos 1621.
1Zie P.
Bachman Der Fermat'sche Satz (Berlin, 1919); H.S.
Vandiver, Amer. Mathem, Monthly 53 (1946) 555-578: O. Ore,
Number theory and its history (N.Y., 1948); H.M. Edwards, Fermat's last Theorem (New York, 1974). Voor n = 3 en n = 4 zie Eulers Algebra.
2Un
problème relatif aux jeux de hasard, proposé
à un austère Janséniste par un homme du
monde, a été l'origine du calcul des
probabilités. (S.D. Poisson, Recherches sur la
Probabilité des Jugements, 1837).
1H. Freudenthal, Huygens' Foundation of Probability, HM 7 (1980)
113-117.
2Opnieuw uitgegeven door het Wiskundig Genootschap te
Amsterdam in 1879.
3Tenzij men de eer van de ontdekking van
een rekenmachine wil toekennen aan de wiskundige Wilhelm Schickard in
Tübingen, die in een brief van 1623 aan Kepler een
rekenmachine beschreef, die (als ze ooit is samengesteld) niet bewaard
is gebleven. In het stadhuis van Tübingen is een kopie uit
1957 tentoongesteld.
1H. Freudenthal, Archives internationales des
Sciences 22 (1953), 17-37; ook Alg. Ned. Tijdschr.
v. Wijsbegeerte & Psychologie 54 (1962) 182-193. Over
Pascal zie ook de verhandelingen van D. van Dantzig Euclides 25 (1949-50) 203-232 en E.J. Dijksterhuis, Med. Kon. Akad. v. Wetensch., Afd. Lett., nieuwe reeks
14, no. 11.
2Een eerste poging
tot een schets over wat gebeurt als een kegel een vlak treft.
1L.T. More, Isaac Newton, A Biography (New York,
London 1934) blz. 41. Men heeft wel geloofd dat Newton, bij het
samenstellen van de Principia, zijn stellingen eerst
met zijn fluxies heeft gevonden en dan daarna eerst zijn bewijsvoering
in het ‘Grieks’ heeft omgezet. In zijn nagelaten
papieren is daarvan geen spoor te vinden.
1Zie de bespreking in
Hoofdstuk v van H.J.E. Beth, Newton's
‘Principia’
i (1932).
1Henry Oldenburg, de secretaris van de Royal Society,
vervulde in die jaren enigszins de rol van bemiddelaar, die vroeger
Mersenne had gespeeld. Hij heeft ook, evenals Leibniz, contact gehad met
Spinoza.
1De
uitdrukking ‘triangulum characteristicum’ schijnt
het eerst door Leibniz te zijn gebruikt, die haar bestudeerde bij het
lezen van Pascals Traité des sinus du quart de
cercle, een deel van de Dettonville brieven van 1658. Maar
reeds bij Snellius in zijn Tiphys Batavus (1624) 22-25
vinden wij zulk een driehoek.
2Nova methodus pro maximis et minimis,
itemque tangentibus, quae nec fractas nec irrationales quantitates
moratur, et singulare pro illis calculi genus.
1J. Bernoulli, Briefwechsel
i (Bazel, 1955), of D.J. Struik in Mathematics Teacher 56 (1963) 257-260.
2Voor deze
stelde Leibniz eerst de naam calculus summatorius
voor, maar in 1696 werden Leibniz en Johann Bernoulli het eens over de
naam calculus integralis. In de moderne analyse
spreekt men vaak weer van sommatie. Zie verder: F. Cajori, Leibniz, The Master Builder of Mathematical Notations', Isis 7
(1925) 412-429.
1Zie M.
Cantor, Geschichte
iii (2 e Aufl. 1901) 254-256, Over
Nieuwentijt als wijsgeer zie H. Freudenthal, Synthese
9 (1957) 454-464.
|
|