|
|
|
| | | | | |
Bredero's groot lied-boeck
| |
I
Zeven maal in de zeventien de eeuw heeft een uitgever brood gezien
in
Bredero's lyriek, maar enkel de druk van 1622, de
vijfde, mag onder enig voorbehoud volledig heten. De eerste drie eerdere
drukken zijn geheel verdwenen, van de vierde uit 1621, bestaat slechts
éen exemplaar. De twee latere drukken, uit 1644 en 1677, hebben zich
beperkt tot een keur. Van éen lied: ‘Ooghen vol Majesteyt’
(I:460), is een handschrift bewaard gebleven, maar of dat eigenhandig is blijft
de vraag. Meer dan honderd liederen bestaan maar in éen editie, een
postume editie: het
Boertigh, Amoreus en Aendachtigh Groot Lied-boeck
van 1622.
Van de eerste druk (1616) weten we niets dan wat
Bredero zelf erover meedeelt: een van zijn
‘voortreffelycste Vrunden’ heeft met veel moeite zijn ‘malle
Liedekens’ verzameld, ze ‘de naam van Geestich gegeven’ en ze
‘met een heerlycke en gróóte Voor-Reden’ gepubliceerd
‘by
Govert Basson tot leyden’. Het
boekje was ‘in sulker voegen begeert geweest’ dat de auteur zelf er
geen exemplaar meer van bezat om het eventueel te doen herdrukken. Niet enkel
het boekje, ook die voortreffelijke vriend is voor ons onvindbaar geworden.
Maar het aantal in aanmerking komende vroeg-zeventiende-eeuwse literatoren is
niet onuitputtelijk. Het verzamelen is blijkbaar begonnen nadat en omdat
Bredero een stuk of wat van dergelijke liedjes had doen opnemen in de
verzamelbundel
Apollo, 1615. Dit is méer dan een
veronderstelling: immers tot in de zevende druk staat een groep liedjes uit
Apollo vooraan.
De eerste druk van het
Geestich Liedt-boecxken verscheen dus in
hetzelfde jaar dat Bredero zijn
Rodd'rick ende Alphonsus uitgaf; in de opdracht
daarvan aan de rotterdamse pensionaris
Hugo de Groot noemt hij de leidse classicus
Daniel Heyns en de leidse historicus
Peter Schryver ‘myne vrunden’. Van Daniel
Heinsius kan men zeggen dat hij zich zowel bezighield met nederlandse
poëzie als met het uitgeven van andermans werk. Maar dit waren dan teksten
uit de klassieke oudheid. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat hij voor een
amsterdams dichter zou hebben gedaan wat hij voor zichzelf naliet. Toen zijn
gedichten gebundeld werden, in 1616 of misschien nog in 1615, stond er op het
titelblad: ‘Dan: Heinsii
Nederduytsche Poemata; By een vergadert en
uytgegeven Door P.S.’ Zo lijkt
Scriverius ook wel het meest in aanmerking te komen als
bezorger van Bredero's leidse druk. De bundel van
Heinsius verscheen echter niet in Leiden,
maar bij
Willem Janszen (Blaeu) te Amsterdam.
Anderzijds staat het vast dat Scriverius bevriend is geweest met de
engels-leidse drukker
Thomas Basson en betrokken bij enkele publikaties van
diens uitgeverij; deze relatie zal wel in stand zijn gebleven toen
Govert Basson in 1613, na de dood van zijn vader, het
bedrijf | | | | voortzette. Alleen: een reeks veronderstellingen, hoe
aannemelijk ook, vormt nog geen bewijs.
Toch nadert de waarschijnlijkheid van
Scriverius als tekstbezorger bijna tot zekerheid wanneer
men zich realiseert met hoeveel bewondering hij over
Bredero en diens werk spreekt in het inleidende gedicht
tot de
Nederduytsche Poemata van
Heinsius. Want al wordt Bredero er niet ronduit genoemd,
de kwalificaties passen feilloos bij hem, en bij hem alleen:
Ick ken van sulcke slach een geest noch ionck van iaeren,
Alleen in onse tael verstandich en ervaeren,
Vernuftich ende kloeck: die noyt Latijnsche las
Ons Duytsche Mimos geeft, alleen van zijn gevvas.
Het uitgeven van het
Geestich Liedt-Boecxken, 1616, is wel het hoogste
eerbetoon geweest, dat Holland aan
Bredero had kúnnen schenken.
Van
Hooft, ofschoon met een voor de hand liggende
woordspeling als ‘hoofd der nederduytsche poëten’ geprezen,
was nog geen bundel lyriek onder eigen naam verschenen; de
Emblemata amatoria, uit 1611, zijn anoniem. Een
bundel lyrische poëzie van een met name genoemde dichter was een
uitzonderlijke nieuwigheid en hield, gezien de vele verzamelbundels met
bijdragen van onbekende hand, een verschuiving in van het werk naar de maker,
van de creatie naar de creativiteit. Naast de gevestigde genres van epos en
drama zag nu ook het kleinere genre z'n rechten erkend: de individuele
creativiteit kon daar immers even herkenbaar tot uiting komen. Het verschijnen
van het
Geestich Liedt-Boecxken moet voor
Bredero behalve een hoogtepunt ook ‘a point of no
return’ zijn geweest; de lof van
Scriverius, de onafhankelijke leidse literator die kort
tevoren de belangrijke
Nederduytsche Poemata van de leidse classicus
Daniel Heinsius had uitgegeven, betekende de erkenning
door een zó gezagrijk renaissancist, dat Bredero's positie er
principieel door veranderde. Van een der amsterdamse rederijkers werd hij een
nederlands dichter, die zich ervan bewust was met zijn nieuwe, in
Apollo getoonde poëtische stijl op de goede
weg te zijn.
Wat
Bredero zelf niet kon omdat hem geen exemplaar meer ter
beschikking stond, dat konden ánderen blijkbaar wel. Het succes van de
leidse editie bracht ‘eenige Gesellen’ te Amsterdam
ertoe, een tweede druk te doen verschijnen en daarin ook plaats te geven
aan ‘sommighe on-eerlycke en ontuchtighe Liedekens’ van eigen
makelij, die nu dus openlijk doorgingen voor werk van hém. Bredero's
verontwaardiging over dit alles staat stevig gegrond op drie punten: het
uitgeven van een ongeautoriseerde nadruk gold ook toen als onbehoorlijk; het
peil van de toegevoegde teksten was kennelijk beneden de maat; en bovenal het
door hemzelf in opvoeringen en uitgaven nagestreefde dichter-imago werd
onverhoeds aangetast. Zijn vinnige, soms dreigende bladzij proza vormt een
opmerkelijk stukje polemiek: het morele eigendomsrecht op zijn werk zat hem
blijkbaar hoog; en het is niet ondenkbaar dat dit soort opspraak hem in zijn
persoonlijke | | | | verhoudingen uiterst ongelegen kwam. Hij was er zich
van bewust al vijanden genoeg te hebben. De klacht over laster is een telkens
terugkerend thema in zijn werk.
Ook van deze tweede, amsterdamse druk, die men vrijblijvend op 1617
zal mogen dateren, bestaat jammer genoeg geen exemplaar meer. Al missen we aan
die schuine liedjes op zichzelf misschien niet veel, we zouden in staat zijn
geweest ze te vergelijken met de
klucht van de Molenaar, met de situaties uit
Moortje, met de snollenscène uit de
Spaanschen Brabander, met gedichten als
‘Koortsigh Lietje’ (I: 107) en ‘Kockje’ (I: 196), om
zodoende vast te stellen waar
Bredero zelf de grens trok tussen fatsoen en onfatsoen,
een grens immers die voor latere generaties, meer dan twee eeuwen lang, dwars
door zijn eigen werk liep. Het is overigens goed te bedenken dat, voorzover wij
weten, er in 1617 van deze gewaagde liedjes nog niets was gepubliceerd.
Ook de derde druk, door
Bredero zelf bezorgd, is verloren gegaan; toch zijn er
belangrijke gegevens overgeleverd. We kennen Bredero's voorrede doordat deze in
de vierde en de vijfde druk is opgenomen; en uit die voorrede laat zich het een
en ander afleiden. Als het waar is dat hij geen leids exemplaar meer bezat,
moet Bredero een amsterdams exemplaar als kopij hebben gebruikt. Dat is door
hem dan niet enkel gekuist van andermans vuil, maar ook aangevuld ‘met
eenige nieuwetjes’ in het zo succesrijk gebleken speelse genre. Hoeveel
het woord ‘eenige’ bij Bredero betekent, is niet bekend, en evenmin
om wélke gedichten het gaat. Maar wel staat nu vast dat zijn boertige
bijdragen aan
Apollo niet hebben behoord tot een afgesloten
tijdvak; integendeel, ook na 1615 is hij in dit genre doorgegaan. Het staat
bovendien vast, dat zijn toegevoegde ‘nieuwetjes’ zich tot dit
genre hebben beperkt. Hij vermeldt immers zelf dat hij zijn anders-geaarde
teksten, zijn ‘Jammertjes, Klachten, Lyden, en Vermakelijckheyt’
bestemd had eerlang te verschijnen in ‘een gróóter
Lied-boeck, genaemt BRON DER MINNE’. De titel was er al, en de daarbij
passende verzameling van overwegend amoureuze liederen stellig ook. Van een
afzonderlijke groep vróme verzen wordt met geen woord gerept.
Het is onwaarschijnlijk dat de aangekondigde bundel Bron der Minne
ooit het licht heeft gezien; iedere aanwijzing dienaangaande ontbreekt.
Mogelijk heeft Bredero's onvoorziene dood de publikatie verhinderd. Is deze
veronderstelling juist, dan ligt hierin een argument te meer om de derde druk
van het
Geestich Liedt-Boecxken te dateren op ten hoogste
enige maanden voor zijn dood, dus voorjaar 1618. Zoveel is zeker, dat het zich
net als de twee voorafgegane publikaties met dezelfde titel bewogen heeft
binnen het luchtige genre, al zal men er goed aan doen de grenzen daarvan niet
al te nauw te trekken. Met de vierde druk in handen - en dat kán - voelt
men de waarschijnlijkheid groeien dat voor de eerste afdeling daarvan een
exemplaar van de derde druk als kopij heeft gediend. En uit deze toch waarlijk
niet al te gewaagde veronderstelling volgt dan meteen | | | | dat de derde
druk een bescheiden bundeltje moet zijn geweest van zo'n twee dozijn
gedichten.
De vierde druk is bewaard gebleven in maar éen
exemplaar: een klein langwerpig boekje van 9,5 bij 7,2 cm. Het handhaaft de
oude titel: Geestigh Liedt-Boecxken, door
G.A. Bredero Amsterdammer. Het begint met een
opmerkelijk voorbericht van de uitgever Tot de Leser, waarin
Van der Plasse o.a. meedeelt dat hij dit bundeltje heeft
‘doen oversien ende vermeerderen, met veele boertighe ende zin-rijcke
Liedekens’. Daaruit mag men misschien afleiden dat hij de arbeid niet
zelf heeft verricht maar die heeft láten doen; en zeker, dat de bundel
méer boertige liederen bevat dan tevoren het geval is geweest. Na dit
bericht volgt op blz. A2-A6 de ‘Voor-Reden van G.A. Brederoos Gheestigh
Liedt-Boecxken, by hem selven uyt-ghegheven’, dat wil dus zeggen: de
voorrede van de voorafgegane derde druk. Blz. A6v bevat een vierregelig versje,
van de hand van
Samuel Coster, ‘Treurt niet, maer lieft ghy hem,
zo gunt hem 't eeuwigh leven’; deze anonieme tekst behoort bij Bredero's
portret op blz. A7r; de keerzijde daarvan is blank. Blz. A8r bevat een kleine
prent, 8,1 bij 5,2 cm, gesigneerd Blondus fecit (dus van
Michel le Blon); ze stelt een feestend boerengezelschap
voor en sluit aan bij het eerste gedicht. Na een blanke linkerbladzij begint
een paginering in arabische cijfers. De tekst wordt steeds uit hetzelfde
lettertype gezet, met 14 à 15 regels per bladzij, zodat er iets ontstaat
dat in alle eenvoud een rustige, bijna voorname indruk maakt, althans naar
modern begrip. Die indruk wordt nog versterkt doordat in zowat de helft van
alle gevallen een lied bovenaan een bladzij begint. Wanneer een tekst middenin
een pagina eindigt, staat op de benedenhelft daarvan de inzet van een nieuw
lied. Alleen op blz. 15 en blz. 227 is de overschietende ruimte gevuld met een
klein vignet.
De grote verrassing voor de argeloze lezer komt als hij het laatste
blad van lied 26 omslaat; dan, rechts, staat er opeens een nieuwe titel: G.A.
Brederoos Kleyne Bron der Minne. Die titel lijkt op
Bredero's eigen aankondiging, maar met de intrigerende
toevoeging ‘Kleyne’. De keerzijde van dit titelblad is blank;
daarna volgt een prent, gesigneerd Le Blond fecit, voorstellende de aanbidding
van Venus door een aantal jonge mensen. Deze verbeelding sluit niet aan bij een
bepaald lied, zeker niet bij het eerste, maar doelt blijkbaar op de titel in
het algemeen: Venus bevindt zich op een monumentale fontein, een bron, en de
jongeren drinken geknield uit het bekken waarin het water zich verzamelt. De
keerzijde is weer blank. Op blz. 135 - derhalve zonder dat er een nieuwe
paginering begint, maar wel met een nieuwe koptitel - staat het eerste van een
reeks liederen, waarvan nr. 21 eindigt op blz. 227; de pagina daarna is weer
blank.
De hierop volgende blz. (229) heeft een afwijkende vormgeving. Het
is geen echt titelblad, de keerzijde is ook niet blank en er volgt evenmin een
prent. Er is alleen een kopje in een wat groter corps: ‘Aendachtighe
Nieuwe Liedekens’. Direkt hieronder volgt dan zonder eigen titel de tekst
van het lied: ‘Myn sieltje | | | | schreyt, dat sucht en weent’.
Dat is het eerste van de acht die onder een nieuwe koptitel de ruimte vullen
tot en met blz. 264. Daarna komen er nog enige ongenummerde pagina's waarop men
achtereenvolgens aantreft:
| Register van 't Gheestich Lied-Boecxken |
(blz. 265-266) |
| Register vande kleyne Bron der Minne |
(blz. 267-268) |
| Register vande Aendachtige Liedekens |
(blz. 269) |
| Den Drucker tot den Leser |
(blz. 270) |
Deze vierde druk omvat dus 26 en 21 en 8 liederen, tezamen 55. Zoals
de eerste afdeling, naar men mag aannemen, een wat vermeerderde herdruk is van
de door
Bredero zelf verzorgde derde druk, zo zal er voor de
tweede afdeling gebruik zijn gemaakt van de door Bredero zelf voorbereide kopij
van de Bron der Minne. Maar het is die Bron der Minne niet. Die werd
immers door de dichter zelf getypeerd als ‘een gróóter
Liedboeck’ en bovendien vermeldt de drukker in 1621 dat de lezer nog het
een en ander zal kunnen verwachten, en wel ‘het Spel van
Angniet, met noch twee andere spelen, en de
Groote Bron der Minne, verciert met veel schoone
copere Figuren’. Deze mededeling van de drukker op de laatste bladzijde
van het boekje komt niet helemaal overeen met het bericht van de uitgever
vóorin. Hoe men dit onderscheid moet gladstrijken, is een open vraag.
Toch kan men moeilijk denken dat de drukker,
Paulus van Ravesteyn, zich zonder voorkennis van de
uitgever zou hebben veroorloofd iets mee te delen dat nog onjuist is ook. Men
mag in dit alles een aanwijzing zien, dat in 1621 de definitieve vorm van de
vijfde-druk-in-voorbereiding nog allerminst vast stond, en dat de uitgever, de
drukker en de eventuele tekstverzorger stellig heel wat méer hebben
gedaan dan de moderne filologie verantwoord acht.
In 1621 werd dus als tweede afdeling van Bredero's
Liedt-Boecxken een Kleyne Bron der Minne
gepubliceerd, en tegelijk een Groote Bron der Minne aangekondigd. Men kan niet
in ernst menen dat
Bredero twee verschillende bundels amoureuze liederen
heeft nagelaten, laat staan drie: de Kleyne Bron der Minne, de Bron der Minne,
en de Groote Bron der Minne. De veronderstelling ligt voor de hand, dat Van der
Plasse, of wie dan ook, de term Kleyne heeft toegevoegd om aan te geven dat het
nog maar ging om een gedeelte van het beschikbare materiaal. Er wordt immers
gezegd, dat deze vierde druk van de Liedekens bedoeld is ‘tot een
monsterken ende staaltjen van noch wel over de twee hondert andere, die het
licht niet ghesien en hebben, bij uwen overledenen Poët G.A. BREDERODE
gerijmt.’ Dat er behalve de 55 gepubliceerde gedichten meer dan 200
óngepubliceerde gereed lagen, samen dus zo'n 260, lijkt uitgeverslatijn;
het getal van 200 gaat op voor de druk van 1622, maar dan met inbegrip van de
ruim 50 uit 1621. Toen echter de term Kleyne eenmaal was gebruikt, drong de
term Groote zich als vanzelf op om de tegenstelling voor het oog van de
leesgrage koper te accentueren. Geen van de twee gedrukte titels is dus
authentiek; de afzonderlijke | | | | bundel, zoals
Bredero die in voorbereiding had, heette eenvoudig: Bron
der Minne.
Het feit dat de Aendachtighe Nieuwe Liedekens in 1621 noch een eigen
titelblad, noch een eigen titelprent hebben, wekt onweerstaanbaar de indruk dat
het hier een later toegevoegd groepje betreft, waarmee in de oorspronkelijke
opzet geen rekening was gehouden. In Bredero's voorrede tot de derde druk wordt
van liederen in het godvruchtig genre ook in het geheel niet gerept. Het ligt
voor de hand te denken, dat men bij het ordenen van de handschriftelijke
nalatenschap geconfronteerd werd met een hoeveelheid stichtelijke teksten die
noch in het
Geestigh Liedt-Boecxken, noch in de
Bron der Minne op hun plaats zouden zijn geweest.
Ze deden de dichter kennen van een nieuwe, haast onvermoede kant. En toen
aldus, uit het beschikbare materiaal zelf, het denkbeeld van een derde afdeling
ontstond, aansluitende overigens bij een oude rederijkerstraditie, was het
ongewenst hiermee langer te wachten dan nodig was. Zoals de Kleyne Bron der
Minne, in 1621, beschouwd mag worden als de aankondiging van de Groote Bron der
Minnen in 1622, zo dient het aanhangsel van acht Aendachtighe Nieuwe Liedekens
te worden beschouwd als het beginstadium van het Aendachtigh Liedt-Boeck in
1622. Maar dat die vijfde druk inderdaad een driedelige bundel zou worden, werd
in 1621 nergens gezegd.
Het heeft zin de aandacht nog even te bepalen bij deze vierde druk,
omdat dit unicum van zo unieke betekenis is voor het inzicht in Bredero's
lyriek. Bij de 26 liederen uit de eerste afdeling zijn er vier die ook te
vinden zijn in
Apollo, 1615, namelijk:
| Van Gysjen en Tryn Luls; |
| Aen-spraeck Vande Petemeuy, tot de Neef; |
| Aenspraeck Van den Oom tot de Nicht; |
| Van Fobert en Lobbetje. |
Men had mogen verwachten dat ze er zouden staan in hun
oorspronkelijke vorm en volgorde. Dat is niet het geval. In Apollo
vullen ze blz. 49-55 als een aaneengesloten reeks met vier verwante titels:
Boeren-Clucht; Boerinne-Clucht; Cluchtig Boeren-Liedt, en Boeren-Liedt.
Ofschoon de tekst zelf in 1621 nauwelijks varianten bevat, blijken de titels
gewijzigd te zijn en de volgorde ook. Er is bovendien een lied vóor en
een lied tussen gevoegd. Wat eens als Boeren-Clucht het eerste was, werd als
‘Aen-spraeck Vande Petemeuy’ tot de Neef nu nr. 3; wat als
Boerinne-Clucht het tweede was, werd als ‘Aenspraeck Van den Oom tot de
Nicht’ nu nr. 4; wat als Cluchtig Boeren-Liedt het derde was, werd als
‘Van Fobert en Lobbetje’ nu nr. 6; en het vierde, het Boeren-Liedt,
werd als ‘Van Gysjen en Tryn Luls’ nu nr. 2. Het lied waar de
editie-1621 mee opent, het befaamde ‘Boeren Geselschap’, en het
tussengevoegde lied nr. 5 ‘Twee-spraeck van Twee Buur-vvyven’:
‘Lieve kyeren wat een deun’, hebben niet in
Apollo gestaan. Aangezien er geen grond is voor
de mening dat de vierde druk juist hier zou afwijken van de | | | | derde,
moet de situatie van dit eerste zestal ook zó zijn geweest in die door
Bredero zelf bezorgde druk. Dan zijn er twee
mogelijkheden: hij heeft de nrs. 1 en 5 toen toegevoegd en in verband daarmee
de titels en de volgorde van de overige gewijzigd; ofwel hij trof ze alle zes
reeds zó aan in het door hem als kopij gebruikte amsterdamse exemplaar
dat juist in dit opzicht wel niet zal hebben verschild van het leidse dat
dáaraan ten grondslag lag. In beide gevallen, hetzij bij de derde,
hetzij bij de eerste druk, mag men er van uitgaan, dat het wijzigen van titels
en volgorde, plus het voorvoegen van ‘Boeren Geselschap’ en het
tussenvoegen van ‘Twee-spraeck van Twee Buur-vvyven’ zal zijn
gedaan door
Bredero zelf. Overweegt men de situatie als gold het de
eerste druk, dan zou dit betekenen dat Bredero zijn volijverige leidse vriend
niet enkel een aantal ongepubliceerde teksten heeft verschaft - dat immers zal
zéker het geval zijn geweest - maar ook dat hij kort na de publikatie in
Apollo al bezwaar had tegen de daar gebruikte
titels. Zoiets ligt op een later ogenblik veel méer voor de hand.
Kiezende tussen de eerste en de derde druk, meen ik dus dat ‘Boeren
Geselschap’ en ‘Twee-spraeck’ beide wel zullen hebben behoord
tot de ‘nieuwetjes’ waarmee Bredero in 1618 zijn eigen uitgave
heeft verrijkt. Zelfs lijkt het me denkbaar dat de onvervangbare titel
‘Boeren Geselschap’ de dichter ertoe heeft gebracht een streep te
halen door de vier titels uit Apollo waar immers ook steeds de term
‘boer’ in voorkwam. Het vooraan plaatsen van juist dit lied
én het veranderen van de titels daarna had bovendien nog het voordeel,
dat zijn eigen, derde druk zich al bij de eerste oogopslag onderscheidde van de
vorige. Dit betekent natuurlijk allerminst dat niet ook verderop nog liederen
kunnen zijn toegevoegd. Zeker heeft
Van der Plasse dit gedaan in de vierde druk: hij vermeldt
het zelf in zijn bericht Tot den Leser.
Er zijn inderdaad twee gevallen waar mij een uitbreiding ná
de derde druk waarschijnlijk lijkt, nl. ‘Koortsigh Liedtje’ en
‘Kockje’. Ze behoren immers tot de meest gewaagde uit Bredero's
lyriek, en het zou daarom hoogst inconsequent zijn geweest als hij ze had
opgenomen in dezelfde bundel waarvan hij de Voor-Reden heeft gebruikt voor een
felle uitval tegen de onstichtelijkheden van ánderen. Men kan dus ook
niet aannemen dat ze er van de eerste druk af al hebben gestaan: in dat geval
immers zou
Bredero weinig recht hebben gehad om zo verontwaardigd
te zijn over het ‘on-eerlycke en ontuchtighe’ van de ondergeschoven
liedjes.
Deze eerste afdeling van de vierde druk roept nog wel méer
problemen op: de toon van kluchtige volksheid houdt maar gedurende veertien
liederen aan; het dan volgende Sint Janslied, dat waarschijnlijk uit 1610
dateert, is veel agressiever van toon. En het Amsterdams Klaaghlied, iets
verderop, is vol wanhoop en kritiek. Van een geheel andere orde zijn de vragen
bij de liefdeslyriek van het ‘Avondt-Liedt’: ‘Ach proper dier
waer wildy heen’, en van het ‘Nieuw Liedeken’ kort daarna:
‘Ick moet met sangh vertalen’. Hier immers is het een raadsel
waarom ze niet in de tweede afdeling hun passende plaats hebben gekregen. De
meest voor | | | | de hand liggende oplossing is deze: zó stonden ze
ook al in de derde druk; en als men zegt dat dit het probleem alleen maar
verschuift, is het antwoord: toen
Bredero zelf die derde druk bezorgde, kon hij deze
liederen niet meer reserveren voor de ontworpen bundel Bron der Minne, omdat ze
ook al te vinden waren geweest in de tweede en in de eerste druk.
Het is wel goed te bedenken dat zijn kleine bundel, op gezag van
zijn zorgzame leidse vriend,
Geestlich Liedt-boecxken heette, d.w.z. van geest
getuigend; en dit is nog wel iets méer dan grappig, koddig of kluchtig.
Weliswaar heeft
Bredero in de Voor-Reden tot de derde druk een groot
aantal dergelijke termen gebruikt: vrolijck, boertig, lacchelick, grillig, mal,
sot en dartel. Maar een voorrede is iets anders dan een titel; en bovendien
verkeerde hij blijkbaar in de mening dat boertig een afleiding was van boer.
Hoe dit zij, de term Boertig komt tot en met 1621 in de titel niet voor; en de
wel steeds gebruikte term Geestich is niet gekozen door Bredero zelf.
Met de Kleyne Bron der Minne wordt uiteraard een bundel erotische
poëzie aangeduid. Maar met de teksten voor ogen moet men wel zeggen, dat
ook hier de grenzen van het genre allerminst strak zijn getrokken. Een spottend
lied als: ‘Ick wil Juffrouw (vertrout)’ (I:407) zou beter in de
eerste afdeling hebben gepast, terwijl: ‘O ghy neus-wyse hoop! ghy nau
gesette lieden’ (I:607), met z'n bittere sociale kritiek, geheel op
zichzelf staat. Het meest problematisch is wel: ‘Edele ziel verheven,
groots en schoon’ (I:301). Ook als men de echt biografische liederen bij
Bredero beperkt tot een veel kleiner groep dan men
vroeger deed, dan nog hoort dit lied er onmiskenbaar bij. Het woord
‘Tessel’ in de vzn. 16 en 36 laat als toespeling op
Maria Tesselschade geen enkele twijfel. Bredero had haar
in 1616 zijn
Lucelle opgedragen, hij was toen 31, zij 22 jaar
oud. Al blijven de precieze feiten en omstandigheden onachterhaalbaar, het lied
bewijst afdoende zowel zijn verliefdheid als het hopeloze ervan. Maar juist
daarom is het ondenkbaar dat hij het zelf, dus in de derde druk, zou hebben
gepubliceerd; het is zelfs nauwelijks denkbaar dat hij het ooit voor publikatie
zou hebben bestemd, al mag men veilig veronderstellen dat hij niet zal hebben
nagelaten het Tesselschade in handschrift te doen toekomen.
In vergelijking met de bescheiden vierde druk, doet de
vijfde, 1622, aan als een royale uitgave. Het boek heeft een nieuwe en
omvangrijke titel gekregen:
Boertigh, Amoreus en Aendachtigh Groot Lied-boeck
van G.A. Brederode, Amsteldammer. De bladspiegel is bijna vier maal zo groot.
In plaats van twee afdelingen plus een wat onvolgroeid aanhangsel, zijn er na
het uitvoerige voorwerk nu drie onderscheiden liedboeken, elk met een eigen
titelblad, een eigen grote prent en een eigen paginering. In plaats van een
mager portretje en twee prentjes vindt men nu een royaal portret, drie
bladgrote gravures met onderschriften, twee pagina's ‘pennekonst’
en zeventien etsen van een kolom. Er is gewerkt met letters van allerlei slag:
romein, cursief, fractuur, civilité, kleiner en groter, magerder en | | | | vetter,
en met opmerkelijke initialen van uiteenlopend karakter en formaat. Heel de
rijk voorziene letterkast van een gerenommeerde drukkerij is uitgestald met als
resultaat een wat warrig geheel waarin meer behaagzieke afwisseling dan
stijlvolle eenvoud heerst. Waarom het ene lied zo, het andere zus werd gezet,
is duister; slechts een enkele keer blijkt een bepaald corps te zijn gebruikt
om een lied precies onderaan een kolom te doen eindigen. De uitgever heeft
kennelijk vroegere verzamelbundels als
Den Bloem-Hof Van de Nederlantsche Ieught (tweede
druk 1610),
Apollo of Ghesangh der Musen (1615) en vooral Jan
Starters
Friesche Lusthof (1621) van zijn collega en
concurrent
Dirck Pietersz: Voscuyl ten voorbeeld genomen, al ging het
drukken van melodieën in notenschrift hem blijkbaar te ver.
Maar het grootste verschil met de voorgaande editie betreft de
inhoud: in plaats van 55 liederen zijn het er nu 200. De eerste afdeling heeft
een naam gekregen die tot nu toe niet bestond: Boertigh Liedt-boeck. De term
Geestich, sinds het vroegste begin viermaal gebruikt, verdween voorgoed. Het
aantal boertige liederen, of wat daarvoor moet doorgaan, werd vermeerderd van
26 op 82, dus ruim verdrievoudigd. Het is niet zo, dat deze 26 in hun oude
volgorde eerst komen en de 56 nieuwe daarna. Halverwege verandert de reeks
opeens: nr. 15 wordt XXIX, nr. 16 wordt XLIII enz. De reden daarvan ontgaat ons
volstrekt en moet ook de kopers in 1622 zijn ontgaan, voorzover ze die vierde
druk in hun bezit hadden. Zij zullen bij vergelijking niet enkel verrast maar
ook verbaasd zijn geweest, en die verbazing kan alleen maar zijn gestegen
naarmate ze de nieuwste
Bredero verder bekeken.
Ook de tweede afdeling is herdoopt. In plaats van Kleyne Bron der
Minne heet ze nu De Groote Bron Der Minnen. De titel Amoureus Lied-boeck, die
men op grond van het algemene frontispice zou mogen verwachten, komt evenmin
voor als Bredero's eigen titel: Bron der Minne. De reeks erotische liederen is
aangegroeid van 21 tot 79, en dus tennaastebij verviervoudigd. Ook hier is niet
het vroegere twintigtal eerst afgedrukt en de 58 nieuwe daarna. Integendeel,
van de volgorde uit 1621 is niets overgebleven: de eerste drie liederen uit de
Kleyne Bron der Minne zijn in de Groote terecht gekomen als CXIX, CL en CXXIX;
en dit laatste lied was ook al toegevoegd aan de boertige groep, als LXVI.
Het onderscheid bij de derde afdeling is nog ingrijpender. De vierde
druk hád geen derde deel, niets dan een aanhangsel van acht Aendachtighe
Nieuwe Liedekens. Nu wordt er een compleet Aendachtigh Liedt-Boeck
gepresenteerd met in totaal 39 liederen; en dit betekent dat hier het aantal
vrijwel vervijfvoudigd is. Met de volgorde uit 1621 is nergens rekening
gehouden, het eerste lied is zo min het eerste gebleven, als het laatste het
laatste. En wat sommigen die ook de met liederen doorspekte bundels
Tragische Historien in hun bezit hadden, niet zal
zijn ontgaan: Bredero's
Groot Lied-boeck werd afgesloten met een
treffend | | | | gebed van een stervende, dat echter als fragment van een
uit het Frans vertaald gedicht al in 1614 was gepubliceerd.
Ofschoon er geen enkele reactie op deze uitgave bekend is - de
opgenomen huldigingsgedichten moeten door de uitgever zijn gevraagd en gaan dus
in feite aan de publikatie vooraf - zal ze op Bredero's bewonderaars een
ronduit onthutsende indruk hebben gemaakt. De dichter was nu vier jaar dood,
men kende zijn belangrijkste spelen, men kende zijn belangrijkste liederen, en
plotseling werden vriend en vijand geconfronteerd met een kleine 150 uitermate
ongelijksoortige gedichten waarvan vrijwel niemand het bestaan zal hebben
vermoed. Hoe groot de oplaag is geweest, weten we niet, hoe hoog de prijs
evenmin. Maar indien
Van der Plasse op een eclatant succes heeft gerekend, is
hem dat in elk geval ontgaan. Een vergelijkbare bundel als Jan Starters
Friesche Lusthof werd na de eerste editie van
1621 binnen zeer korte tijd zesmaal volledig herdrukt: in 1623, 1624, 1626,
waarschijnlijk tweemaal in 1628, en opnieuw in 1634. Van Bredero's
Groot Lied-boeck is echter nooit een complete
herdruk verschenen, noch in de zeventiende, noch in de achttiende, noch in de
negentiende eeuw vóor het jaar 1890. Wel heeft de zeventiende eeuw nog
tweemaal een verzamelde herdruk van de spelen aangevuld met een liedboek, maar
in de algemene titel daarvan heeft men waarheidsgetrouw de term Groot
geschrapt. De zesde en de zevende druk zijn niet anders dan bloemlezingen. Wie
daaraan niet genoeg had, moest maar op zoek gaan naar een exemplaar van
1622.
De zesde druk heeft als titel: ‘Boertigh, Amoureus en
aendachtigh Liedt-Boeck Van G.A. Brederode, Amsterdammer. t'Amstelredam, Voor
Ioost Hartgers, Boeckverkooper in de Gast-huys-steegh, in de Boeck-winckel,
Anno 1644’. Het karakter van bloemlezing blijkt al uit het feit dat
Bredero's Voor-reden tot ongeveer twee vijfden is ingekort. Weliswaar heeft men
de tekst ietwat aangepast door ‘Gheestigh Liedt-Boecxken’ te
veranderen in ‘Geestigh Liedt-Boeck’, en door tegen het slot de
aankondiging van de Bron der Minne te vervangen door ‘deze
driederlye’, maar voor de rest is het een treurig voorbeeld van
hersenloos geschrap. Wat er van Bredero's historisch belangrijke en
psychologisch opmerkelijke beschouwingen is overgebleven, bestaat uit drie
onsamenhangende fragmenten, waarvan het tweede zelfs midden in een volzin
afbreekt, terwijl het derde, dat oorspronkelijk aansloot bij Bredero's polemiek
tegen de onfatsoenlijke bezorgers van de amsterdamse roofdruk, nu in de lucht
hangt en volstrekt onbegrijpelijk is geworden. Al is ook de rest van deze
editie niet feilloos, zúlke verminkingen doen zich verderop toch niet
voor.
De drie afdelingen bevatten 20 en 29 en 32 liederen, tezamen 81;
maar doordat er binnen de tweede afdeling vier liederen dubbel zijn opgenomen
(22=37; 28=40; 31=44; 36=45) is het juiste totaal 77. Het is opmerkelijk dat er
bij deze druk allereerst gebruik is gemaakt van de editie-1621. In het Boertig
Liedt-boeck loopt | | | | de volgorde geheel parallel, al zijn er acht
liederen geschrapt en werd het slot uitgebreid met twee liederen, ontleend aan
de editie-1622. Men krijgt de indruk dat er veel fatsoen zit in het schrappen:
wel bleef het ‘Koortzich Liedtje’ gehandhaafd, maar
‘Kockje’ en ‘Tooverliedt’ zijn verdwenen. En verdwenen
zijn ook drie liederen waarin een meisje zich wat al te openhartig uitlaat over
verliefdheid en huwelijk. Aan de Bron der Minnen, nu eindelijk noch Kleyn als
in 1621, noch Groot als in 1622, ligt eveneens de editie-1621 ten grondslag.
Dat blijkt niet enkel uit de volgorde, maar overduidelijk uit de aanwezigheid
van het lied: ‘O hoofdeloose sinnen’, dat in het
Groot Lied-Boeck om duistere redenen ontbreekt.
Inzake het op zichzelf natuurlijk niet te verantwoorden viertal verdubbelingen,
is wel de opmerkelijkste constatering deze, dat blijkens de varianten de ene
tekst telkens de editie-1621 volgt, de andere de editie-1622. Maar de
verschillen tussen 1621 en 1622 zijn zó gering, dat niemand daaraan enig
motief voor een tweevoudige opname zou kunnen ontlenen. De uitgever - of welke
medewerker dan ook - was eenvoudig vergeten dat het lied al via de editie-1621
aanwezig was, toen hij de editie-1622 kritisch keurde op de daaraan te ontlenen
toevoegingen. Het valt moeilijk uit te maken volgens welke normen men te werk
is gegaan. Maar dat de uitgever een vroom man was of tenminste mikte op een
vroom publiek, blijkt uit het Aendachtigh Liedtboeck. Zo althans luidt de
titel, als in 1622; maar boven iedere rechterbladzij staat steeds Aendachtighe
Liedekens, als in 1621. Openlijker blijk van de tweeledige oorsprong der kopij
kan men zich niet wensen. De acht liederen uit 1621 zijn compleet aanwezig, en
hun volgorde, ofschoon door tussenvoegingen wat losser, is nog verwant aan die
van 1621. De overige 24 liederen, tussen en na deze acht, zijn uiteraard
ontleend aan het
Groot Lied-boeck. Nergens is enig symptoom dat
het vermoeden wettigt als zou men ook nog handschriftelijke gegevens ter
beschikking hebben gehad. Het Aendachtigh Liedt-boeck is met 32 liederen in
1644 de omvangrijkste afdeling van de drie. Het verschil met 1622, afgezien van
de andere volgorde, betreft het schrappen van zes teksten: drie lange
bruiloftsgedichten waarvan overigens de feestliedjes gehandhaafd bleven, twee
stichtelijke beschouwingen waarvan althans éen zich krachtig verzet
tegen godsdienstige haarkloverijen, en tenslotte éen lied dat conform de
editie-1621 al in de Bron der Minnen was afgedrukt.
Samenvattend kan men zeggen dat in deze zesde druk het meest
aanstootgevende werd verwijderd, de portie verliefdheid verminderd, de
rederijkerij geschrapt, maar al het godsdienstige gehandhaafd en dus relatief
vermeerderd. In het
Liedt-Boeck van 1644 verschijnt
Bredero als een fatsoenlijker, volwassener en vromer, om
niet te zeggen orthodoxer zeventiende-eeuwer, dan in het
Groot Lied-boeck van 1622. Men heeft een
energieke poging gedaan hem postuum nog wat op te voeden, en is daar tot op
zekere hoogte zelfs in geslaagd.
Het heeft meer dan dertig jaar geduurd eer er opnieuw iemand was die
zich waagde aan een volledige uitgave van Bredero's werk:
Jan Claessz. ten Hoorn, | | | | t'Amstelredam. Hij
drukte alle toneelspelen, alsook de Poëmata, de Kluchten en de
Lijckdichten in éen dik deel van 732 bladzijden, met 1678 als jaartal.
En hoewel het
Liedt-boeck in zijn reeks titels als nummer
XIII en daarmee als laatste vermeld staat, heeft deze zevende druk
behalve een eigen paginering ook een eigen jaartal: 1677.
Ten Hoorn heeft meer zorg aan de samenstelling besteed
dan
Van der Plasse in 1622, of
Hartgers in 1644. Dat hij een exemplaar van de
editie-1644 als kopij heeft gebruikt, is zonder meer duidelijk; maar hij heeft
het blijkens een paar schrappingen kritisch gedaan, en er bovendien een stuk of
wat liederen aan toegevoegd, ontleend aan de editie-1622. De in 1644 zinloos
verminkte Voor-reden van
Bredero is door hem echter zinloos herdrukt.
Het Boertigh Liedt-boeck bevat eerst de twintig liederen uit 1644
maar vult die aan met zes uit 1622 (of 1621, want dáar staan ze ook, en
wat dichter bij elkaar). Aangezien hier echter zowel het
‘Toover-Liedt’ bij is, als ‘Kockje’, mag men
Ten Hoorn de eer geven dat hij heeft geweigerd zich als
censor op te werpen, en in alle objectiviteit zowel de dichter als de lezer hun
rechtmatig aandeel aan wat vrolijk onfatsoen niet heeft misgund. In de tweede
afdeling zijn de vier overbodige duplicaten verenkelvoudigd, terwijl er twee
gedichten (nr. 41 en 42) werden overgenomen uit de editie-1622 (in 1621 komen
ze niet voor). Aldus telt de Bron der Minnen nu 27 liederen. Het is storend dat
er als ‘kopje’ boven de blz. 23, 25, 27 en 29 ten onrechte Boertigh
Liedtboeck staat. In de derde afdeling heeft Ten Hoorn zich beperkt tot het
schrappen van zeven gedichten. De onregelmatigheid in 1644, namelijk
Aendachtigh Liedt-boeck (zoals in 1622) als titel, en Aendachtige Liedekens
(zoals in 1621) boven de bladzijden, is hem blijkbaar ontgaan, en werd dus niet
verbeterd. Weegt men de zeven verdwenen teksten af tegen de 25 gehandhaafde,
dan blijft men in het ongewisse welk formeel of inhoudelijk feit de doorslag
heeft gegeven. Maar de vermindering op zichzelf betekent binnen het gehele
Liedt-boeck uiteraard een correctie op de editie-1644, en misschien is
juist dat wel de bedoeling geweest.
*
Beter dan enige voorgaande druk is de editie-1677 evenredig van
bouw: 26 en 27 en 25 liederen. Ze is door de relatieve vermeerdering van het
boertige en de relatieve beperking van het aandachtige ook beter in evenwicht
en meer representatief. En indien men de teksten die als zelfstandig lied
tekortschieten - een paar bruiloftsliederen en de feestzang bij het
rederijkers-vismaal - voor lief neemt als de vertegenwoordigers van een soort
gebruikslyriek waarvoor ook de dichter zelf zich niet heeft geschaamd, dan mag
men de editie-1677 beschouwen als de beste Bredero-bundel waartoe de
zeventiende eeuw in staat is geweest. Maar ze werd nooit herdrukt: voor de
deftige heren van de dichtgenootschappen en het klassicisme was
Bredero te gewoon.
| | | | | |
II
Aan het kopende publiek van 1622 moet Bredero's
Groot Lied-boeck zich hebben voorgedaan als een
boek met pretentie. Wie het ter hand nam, kon merken dat de uitgever moeite
noch kosten had gespaard om de lyrische nalatenschap van een vereerd dichter in
waardige vorm te doen verschijnen. Dat had
Cornelis van der Plasse in 1621 ook beloofd. Hij deelde
toen mee dat hij bezig was de voorgenomen bundel van
Bredero ‘met schoone, in koper ghesnede,
af-beeldinghen naer haren eysch ende behoorte te verçieren.’ Al
had de dichter zelf dan geen toezicht kunnen houden op de publikatie van zijn
werk, de zorg daarvoor was in vertrouwde handen geweest. Die indruk wordt
gewekt, en dat was blijkbaar de bedoeling. Die indruk wordt nog versterkt door
wat Van der Plasse den Sang-gierighen Leser in 1622 te zeggen heeft:
‘Hier is voor het eerst het dryvoudich Liede-boeck, dat u lieden den
Poët selve al by sijn leven hadde toegeseyt, gelijck ghy uyt sijn volgende
voor-reden genoechsaem kond verstaen.’ En als hij er nog bijvoegt dat
sommige liederen ‘soo hy my meerendeels in syn leven geordonneert
hadde’ versierd zijn met schone zinrijke prenten, dan moet elke
goedgelovige lezer wel menen dat er niets authentiekers denkbaar is dan dit
Groot Lied-boeck.
Het is jammer voor
Van der Plasse dat hij zich niet heeft beperkt tot een
beroep op mondelinge ordonnantiën van
Bredero zelf: een dode spreekt niet tegen. Maar bij
schriftelijke ordonnantiën ligt de zaak anders: een dode schríjft
soms wel eens tegen. Wie het advies van de uitgever volgt en die voorrede van
Bredero ‘genoechsaem’ leest, kan met eigen ogen constateren dat
daar volstrekt niets in staat over een driedelig liedboek. Integendeel,
er wordt over twee liedboeken gesproken, twee afzonderlijke liedboeken,
het bestaande
Geestigh Liedt-boecxken en de aangekondigde
Bron der Minne. Wat Bredero verder met zijn
lyriek van plan was toen hij in augustus 1618 stierf, is onbekend, en wat hij
gedaan zou hebben als hij was blijven leven, nog onbekender. Neemt men aan dat
Van der Plasse in 1618 tennaastebij wist wat de dichter
toen zowat wilde; neemt men tevens aan dat hij zich dit ook na enkele jaren nog
redelijk goed herinnerde; en neemt men bovendien nog aan dat hij bereid was er
ten volle rekening mee te houden, dan neemt men niet enkel méer aan dan
menselijkerwijs verantwoord is, maar dan staat men ook voor een onoplosbaar
probleem. Immers, wie uitgaat van de overtuiging dat het
Groot Lied-boeck overeenstemt met Bredero's
bedoelingen, die komt terecht bij de zekerheid dat het
Geestigh Liedt-boecxken van 1621 daar dan
helemaal niet mee overeenstemt. Het omgekeerde ligt natuurlijk veel
méer voor de hand, ten eerste omdat 1621 korter na Bredero's dood is dan
1622; ten tweede omdat het Geestigh Liedt-boecxken tennaastebij klopt
met Bredero's mededelingen en het ‘dryvoudich Liede-boeck’
geenszins.
Ook zonder concrete gegevens kan men zich wel ongeveer voorstellen
hoe de gang van zaken is geweest.
Bredero liet bij zijn onvoorziene dood een grote | | | | hoeveelheid handschriften na, waaronder heel wat die al lang niet meer
voor publikatie bestemd, en het misschien zelf wel nooit geweest waren:
voorbije jeugdproeven, voorbije rederijkersrijmen, voorbije
liefdesverklaringen, voorbije vroomheidsbetuigingen, teksten voor voorbije
gelegenheden, lyrische gedeelten uit nooit-voltooide toneelstukken, voorbije
berijmingen uit het Frans, toevallig onverscheurd gebleven of om sentimentele
redenen bewaard. Met Bredero's eigen mededeling voor ogen beperkte de uitgever
zich in 1621 vrijwel tot wat er al driemaal eerder in druk was verschenen en
wat er klaar lag aan kopij. Maar daar er zoveel meer was dan men had gedacht,
meende hij de dichter, de lezers en uiteraard zichzelf van dienst te zijn door
te streven naar volledigheid en alles wat hij vond of te pakken kon krijgen af
te drukken in dit ene boek. Aan het begin en het slot werden de luchtige en de
stichtelijke liederen zo'n beetje bijeen gezet, en heel de moeilijk te ordenen
rest waar nogal wat liefde in was verwerkt, kwam daartussenin. Sindsdien is het
een even raadselachtig als belangrijk boek, des te raadselachtiger naarmate
Bredero zich duidelijker doet kennen als een
belangrijk dichter in een belangrijk tijdvak. Bij
Hooft en bij hem begint de Gouden Eeuw: al het andere
komt na zijn dood.
Wie met het
Groot Lied-boeck nog iets méer doet dan
het ter hand te nemen, bemerkt dat de pretentie van uiterste zorgvuldigheid
niet wordt waar gemaakt. Na korte tijd stuit men op zoveel tekortkomingen in
typografisch en literair opzicht, dat de verdenking van dilettantisch haastwerk
zich niet laat onderdrukken. Verscheidene bladzijden zijn verkeerd genummerd,
soms met het even cijfer rechts en het daarop volgende oneven cijfer op de
voorgaande bladzij links; een enkele maal is er zelfs een hele reeks foutieve
paginacijfers achter elkaar. In het Boertigh Liedt-boeck komen de bladzijden
65-72 tweemaal voor, als vel I en als vel K; de eenvoudigste verklaring is wel
dat het Bruylofts-Ghedicht met het bijbehorende feestliedje dat precies de acht
bladzijden van vel I vult, er later is tussengevoegd. Maar waarom dat juist
hier en juist zo moest, is een open vraag. Lied III begint met een grotere
sierletter W, maar nu leest men Wo in plaats van So. In de aanvangsregel van
lied XXIX staat Sondahh, en bij zo'n gewoon woord is dat even onbegrijpelijk
als storend. Lied XLIII heet Amsterdams Klaagh-Kiedt; enzovoorts. Natuurlijk
zijn niet alle fouten zo evident, maar dat maakt de onzekerheid alleen maar
groter. Men kan de verleiding om elk taalprobleem voor een drukfout te houden
nu eenmaal niet bezweren door in elke drukfout een taalprobleem te zien.
Er zijn ook ongerechtigheden van heel andere aard. Onder de
liederen zijn er twee die thuis horen in
Rodd'rick ende Alphonsus. Ze werden niet alleen
daar al in 1616 gedrukt, maar ze hebben ook de dramatische samenhang nodig om
ten volle begrijpelijk te zijn. Zo is het eveneens met twee liederen uit
Griane, éen uit
Lucelle, allen ook in 1616 gedrukt, en met niet
minder dan zes uit
Stommen Ridder, in 1619 gedrukt. Zelfs afgezien
van de onzelfstandigheid die een groot deel van deze liederen kenmerkt, is het
dubbel afdrukken, daar en nog eens hier, | | | | een zinloze overbodigheid.
Op grond hiervan hebben Kalff in 1890 en Knuttel in 1929 dan ook gemeend
Vander Plasse te mogen corrigeren door zulke
overbodigheden soms weg te laten. Maar wie zich rekenschap wil geven van het
Groot Lied-boeck zoals het is, zal
moeten beschikken over de complete tekst van 1622, inclusief z'n gebreken.
En dan gaat het niet enkel om teksten die eerst in een toneelstuk
en nu ook in het Groot Lied-boeck zijn opgenomen, zonderlinger nog zijn
de drie liederen die in volle omvang tweemaal in dit Lied-boeck staan,
eerst in het Boertigh Liedt-boeck, daarna opnieuw in De Groote Bron der Minnen.
Aan het einde van de bundel stuit men nog op een andere onjuistheid: temidden
van Bredero's aandachtige liederen staat opeens een gedicht van
Hooft, een lied uit zijn
Granida, in 1615 gepubliceerd. Wie deze fout
verklaarbaar acht aangezien Hoofts lied voorkomt in
Apollo 1615, en daar voorzien is van de
kenspreuk 't Kan verkeeren, behoort er wel bij te zeggen dat men in
Apollo zelf die fout al had opgemerkt en de correctie in de Inhoud
aangebracht. Al te veel literaire deskundigheid heeft
Van der Plasse aan het
Groot Lied-boeck niet verspild. En indien hij
juist in dit opzicht, zij het ten onrechte, vertrouwd heeft op een anoniem
gebleven medewerker, hijzelf zal toch wel verantwoordelijk zijn voor het
ontoelaatbare feit dat dezelfde gravure tweemaal staat afgedrukt, eerst in het
Boertigh Lied-boeck bij lied XXX, daarna opnieuw in de Groote Bron der Minnen
bij lied CL, beide keren overigens zonder in conflict te komen met de tekst (I:
132 en 488). Uit zoiets blijkt nog iets anders dan onzorgvuldig beleid,
namelijk ook de principiële zwakte van de indeling in drieën, zoals
die door of namens Van der Plasse is aangebracht.
De termen Boertigh, Amoreus en Aendachtigh zijn de
zeventiende-eeuwse kleinkinderen van zestiende-eeuwse grootvaders die in de
Rederijkerskamers gezag hadden. Ze heetten toen in een wat andere volgorde:
Refreinen int sotte, int vroede en int amoureuze. Maar ze leden aan de eendere
kwaal, zij het in mindere mate en met minder ernstige gevolgen. De drie genres,
bij de Rederijkers in de mode gekomen, werkten als voorbeeld en voorschrift
voor de latere Rederijkers, en aldus werd de mode tot traditie. Wanneer men een
bundel Refreinen uitgaf, ging het meestal om werkstukken van verschillende
hand; men kon bij het samenstellen de indeling gemakkelijk aanhouden, omdat die
zich bij het schrijven al had doen gelden. Zo lang iedereen de grenzen van elk
genre behoorlijk in acht nam, was er geen probleem. Het behoefde dus niemand te
verontrusten dat de drieledige indeling noch homogeen was, noch compleet. Maar
wie buiten de traditie staat, ziet onmiddelijk dat de rubrieken int sotte en
int vroede zo contrair zijn, zo binair, dat ze geen ruimte laten voor een
derde: wat niet sot is moet vroed, wat niet vroed is moet sot zijn. Wil men
toch een neutrale zone tussen die twee domeinen afpalen, een soort
niemandsland, dan is dat stellig niet per se en uitsluitend amoureus. De liefde
immers past helemaal niet binnen het schema sot/vroed, omdat ze zowel in haar
feitelijke als in haar literaire verschijningsvor- | | | | men alle gradaties
van hoogst vermakelijk tot diep tragisch omvat. De meeste daarvan zijn ook bij
Bredero aanwezig; het verwondert dan ook niet,
liefdesliederen zowel aan te treffen in het Boertigh Liedt-boeck als in het
Aendachtigh Liedt-Boeck. Maar zelfs als ze daar niet misstaan, is dat geen
geldige reden waarom men ze aan De Groote Bron der Minnen heeft onttrokken.
Door de drie traditionele rederijkersgenres als indeling op te
leggen aan een poëzie die daaraan ontgroeid was, heeft
Van der Plasse een ordening gesuggereerd die niet
bestond en een wanorde veroorzaakt die voorkomen had kunnen worden. Men kan hem
niet verontschuldigd achten door het feit dat een leidse vriend van
Bredero een Geestig liedboekje had samengesteld, en
Bredero zelf een amoureus liedboek voorbereid. Van der Plasse had die twee als
gegeven feitelijkheden intact kunnen laten zonder daaraan consequenties te
verbinden voor al het verdere materiaal. Door in 1621 het
Geestigh Lied-Boecxken uit te breiden met de
Kleyne Bron der Minne en te voorzien van het aanhangsel der acht Aendachtighe
Liedekens sloeg hij - geheel buiten Bredero om - een weg in die hij in 1622 tot
het einde toe heeft voortgezet. Tot het doodlopende einde toe.
Met de manuscripten in handen heeft men wellicht eens de
mogelijkheid gehad om de chronologie te eerbiedigen en aldus de ontwikkeling
van dit dichterschap te doen zien; of, indien men de toekomstige
literatuur-historicus zijn inspraak misgunde, het aanwezige werk kunnen
groeperen in een aantal rubrieken: gelegenheidsgedichten, liefdesliederen,
klachten, godsdienstige liederen, vertaalde gedichten enz.; of, indien men geen
voorschot wou nemen op zo'n klassicistisch gebruik, een indeling kunnen maken
volgens criteria van stijl; het is immers duidelijk dat er in deze teksten meer
dan éen vormgevingsprincipe aanwijsbaar is. De uitgever echter heeft
niets van dit alles gedaan, en de handschriften zijn weg.
Het is niet moeilijk het verwarringwekkende van de bestaande
toestand aan een voorbeeld te demonstreren. De editie-1622 bevat negen
bruiloftsgedichten; geen enkele daarvan is te vinden in de editie-1621, hoewel
Bredero zelf er in
Apollo twee had gepubliceerd. Men kan er
moeilijk aan twijfelen dat er met een bruiloftsgedicht iets mis moet zijn als
het niet tot het amoureuze genre behoort. De opname in De Groote Bron der
Minnen zou dus altijd verantwoord zijn geweest. Maar negen bruiloftsgedichten
na elkaar wordt misschien van het goede te veel; en om wat spreiding te
bereiken had men desgewenst de vroegste gedichten iets meer naar voren kunnen
plaatsen en de latere iets meer achteraan. Of de meer speelse, met klassieke
thema's eerst, en de vrome, christelijke verderop. Met deze negen zelfstandige
teksten in handen kon
Van der Plasse in 1622 elke mogelijkheid overwegen,
ieder argument tot z'n recht doen komen. Wat hij tot stand bracht, tart alle
begrip. Er staan vier bruiloftsgedichten in het Boertigh Liedt-boeck: ze
dagtekenen achtereenvolgens uit februari 1612, april 1615, november 1613 en
maart 1612. In De Groote Bron der Minnen kwamen er, | | | | vreemd genoeg,
maar twee terecht: éen uit april 1618 en éen dat waarschijnlijk
in de zomer van 1618 is ontstaan. De overige drie, in het Aendachtigh
Liedt-Boeck, dagtekenen uit april 1616, mei 1618 en december 1617. Wie hier
enige orde ontdekt, mag het zeggen.
Maar misschien wordt het raadsel opgelost als men afziet van de
chronologie en rekening houdt met het bijzondere sentiment. Het is immers niet
alleen denkbaar maar ook feitelijk zo, dat er in sommige bruiloftsgedichten een
vrolijke, in andere een vrome toon heerst; en als men nu alle negen rangschikt
in een scala van vrolijk tot vroom, wordt het wellicht duidelijk waarom er in
1622 besloten is tot déze plaatsing.
Van de vier in het Boertigh Liedt-boeck zijn er inderdaad drie
waarin zich een fantasierijk spel met klassieke ontleningen beweegt rondom een
fleurig stuk erotiek. Maar het tweede, uit april 1615, (I: 147), galmt van een
zó prekerige ernst dat er noch bij het voortdurend tot eensgezindheid
vermaande bruidspaar, noch bij de tafelgenoten ook maar een flauwe glimlach kan
zijn gewekt, terwijl alles uitloopt op een feestlied met een psalm als melodie.
Het is denkbaar dat het bruidspaar een Bedroefde tijdt had doorgemaakt
zodat er alle aanleiding was tot deze zware toonzetting, of zelfs dat de
dichter gebonden was aan een opdracht van deze aard. Er kunnen bij zulk soort
gelegenheidswerk nu eenmaal omstandigheden zijn geweest die ons ontgaan, al
weten we met zekerheid dat op zo'n dag de bruidsnacht dichter bij is dan het
eeuwig leven. Maar dit alles doet niet ter zake. Waar het om gaat is dat met
dit gedicht in het Boertigh Liedt-boeck, en met de liederen XXI en LXVII
evenzeer, de kwalificatie ‘boertigh’ iedere zin verliest. Men
behoeft geen rekening te houden met wat
Bredero zelf dacht of voorgaf te denken, namelijk dat
boertigh zoiets was als boers, boerachtig, en dús voor stadse ogen
lachwekkend. De titel immers is niet van Bredero, en
Van der Plasse gebruikt het woord duidelijk als
synoniem van int sotte. Dat genre nu is in het hele
Groot Lied-boeck vertegenwoordigd met ten
hoogste 25 liederen. De eerste 15 daarvan staan achter elkaar aan het begin,
van ouds de vaste kern. De overige tien staan verspreid, vrij ver uiteen, ten
dele zelfs buiten de eerste afdeling. Terwijl het Boertigh Liedt-boeck de
pretentie heeft uit 82 titels te bestaan, bevat het maar 22 die men met enig
recht tot het luchtige genre kan rekenen. Als men dan ook nog vaststelt dat er
een stuk of vier zijn die binnen het stichtelijke genre vallen, blijven er 56
liederen over die noch boertig zijn, noch stichtelijk, maar ronduit amoureus,
verlangend, prijzend, wervend, vleiend, smachtend, berustend, klagend,
verwijtend, afscheid nemend, in iedere toonaard en in iedere stijl.
Bij zo'n overloed van verliefdheden zou niets gemakkelijker zijn
geweest dan aan De Groote Bron der Minnen een in vele variaties homogene inhoud
te geven. Maar dat is niet gebeurd. Hoewel minder ongelijksoortig dan de eerste
afdeling, is ook deze tweede in het bezit van een stuk of wat uitzonderingen:
luchtige liederen als ‘Wat baat u de voochdy van Landen en van
Steen’ (I:385), of ‘Ick wil | | | | Juffrouw (vertrout,)’
(I:407), en enkele ernstige zoals het franse sonnet (I:354) dat vanwege z'n
gebedskarakter wel bij uitstek tot het aandachtige genre behoort.
De derde afdeling is in haar stichtelijkheid de meest conseqente,
want ook de drie bruiloftsgedichten zijn zwaar van godsdienstig vermaan. Toch
is er onder de bijbehorende feestliedjes éen dat uit de plechtstatige
toon springt en de jeugdige bruiloftsgasten opwekt nu eens een rondje te
kussen. Ook het ‘Camer-Liedt’ ter ere van het retoricale visdiner
(I:591) en het hier toch al misplaatste lied uit Hoofts
Granida blijven niet binnen de perken der
aandachtigheid. Zelfs in dit derde Liedt-Boeck is de eenheid dus niet
volmaakt.
Maar de opgelegde indeling heeft bovendien iets tot gevolg gehad
dat zo mogelijk nog storender is. Ook als men de thematiek strikt in acht had
genomen, waren de stilistische verschillen immers in volle omvang blijven
bestaan. Het inleidende Apollo-gedicht en het triomfale ‘sonnet’ op
Amsterdam zijn renaissancistisch, maar van het ‘Boeren
Geselschap’ af heerst de vlotte toon van het volkslied. Dat blijft een
tijdlang zo, tot in lied XVII opeens weer de gedragen alexandrijnen van de
renaissance klinken. Na lied XXIX, het haast impressionistische Sint-Janslied,
valt men onverhoeds in de reinste rederijkerij. Zo is het ook na lied XL, het
uitdagende drinklied voor de dorstige Haarlemmers; en op de rederijkersrijmen
van lied XLII volgt de volkstoon van het ‘Amsterdams
Klaagh-Liedt’.
In de tweede afdeling is het niet anders: met de voldragen
renaissancistische jamben voor
Tesselschade nog in de herinnering: ‘Edele ziel
verheven, groots en schoon’, moet men opnieuw naar het
rederijkersgeredeneer. En wie net gewend is aan de kunstvaardige binnenrijmen
van lied CI, het trieste verwijt van het bedrogen meisje, krijgt daarna het
franse sonnet in renaissancestijl te lezen en dan een hele rij rederijkerijtjes
met lied CXII als dieptepunt. Via het lied uit
Lucelle zijn we opeens bij het levenslustige
lied CXIV met z'n contrapunt van volkstoon en renaissance. Men moet er zich
eens toe zetten de reeks van lied CXLIII tot en met CXLVII in éen ruk te
lezen, niet zo zeer om de ongelijkwaardigheid als om de ongelijksoortigheid
ervan.
Het is in het Aendachtigh Liedt-Boeck niet anders. Temidden van
gedichten in welverzorgde alexandrijnen en liederen als ‘Wat dat de
wereld is’, die ieder probleem van stijl ontstijgen, vindt men
rederijkersbedenksels als het gemoraliseer over Elck en over Selfs, het
‘Klachtigh A.B.C. Liedt’ en het van binnenrijmen verstikte gemor
tegen de geldhonger.
Men moet het niet willen ontkennen: er zijn meer Bredero's dan
éen. In zijn
Groot Lied-boeck is soms een rederijker aan het
woord, soms een renaissancist. Al wisselen ze elkaar zelfs binnen eenzelfde
lied wel eens af, meestal toch zwijgt de een wanneer de ander zingt. Soms ook
zwijgen ze beiden: dan is er een derde
Bredero aanwezig die zijn kracht vindt in de anonieme
traditie van het volkslied. En wie goed luistert, hoort af en toe nog een
vierde, de werkelijk gróte kunstenaar | | | | die zich de
verworvenheden van alle drie cultuurlagen heeft toegeëigend om ze op
soevereine wijze ondergeschikt te maken aan zijn meest persoonlijke
poëzie. Men kan niet ontkomen aan de veronderstelling, dat deze
verschijningsvormen van eenzelfde dichterschap identiek zijn aan de fazen van
een ontwikkelingsgang die zo'n tien à twaalf jaar zal hebben geduurd.
Maar het blijft een veronderstelling: geen enkele dichterlijke ontwikkeling
immers is ooit volstrekt geleidelijk verlopen; en zeker gaf de literaire
situatie in het vroeg-zeventiende-eeuwse Amsterdam er al heel weinig aanleiding
toe: twee soorten burgerlijke rederijkerij, een inheemse en een brabantse, en
daartegenin de italiaanse renaissance van de aristocratische jonge
Hooft. Zo lang exacte gegevens ontbreken, blijft elke
datering op grond van stilistische kenmerken een vergelijking met te veel
onbekenden. Alleen al de gelijktijdigheid van maatvaste alexandrijnen in een
bruiloftsgedicht en van onmiskenbare rederijkerselementen in het bijbehorende
feestlied vormt een waarschuwing voor al te voortvarende conclusies.
En toch: hoe zeer zonder exactheid, hoe zeer onder voorbehoud: bij
Bredero's rederijkersstijl laat de suggestie van een betrekkelijk vroege
periode zich niet onderdrukken. De botsing van suggesties die aldus ontstaat,
had iedere onderzoeker met de grootste argwaan moeten vervullen. Het
Groot Lied-boeck immers is juist in zijn opbouw
uitermate suggestief. Met de volgorde boertigh, amoreus en aendachtigh voor
ogen meende iedereen te begrijpen wat er zich feitelijk en psychologisch had
afgespeeld: na een jeugd waarvan men vrijwel niets wist, was
Bredero zijn dichterschap begonnen met jaren van
joligheid en spot; dan volgde er een periode van verliefdheid op meisjes van
velerlei naam, haarkleur, ogen, godsdienst en stand; en toen zijn liefde geen
weerklank vond en de gezondheid van de dolle vaandrig door avonturen met
wijntje, trijntje en op het ijs bedreigd raakte, kwam er tenslotte een tijd van
bekering met liederen van zondebesef, godsvrucht en stervensbereidheid. De
zekerheid omtrent dit laatste tijdvak werd nog bevestigd door de derde grote
gravure met haar stichtelijke onderschrift en vooral door het slotgedicht,
waarvan blijkbaar niemand meer wist dat het een fragment was van een vertaling
die al uit 1614 dateerde.
Van deze structurele suggestie zijn totnutoe allen die zich met
Bredero hebben bezig gehouden, het slachtoffer
geworden. Zij hebben de door of namens de uitgever aangebrachte ordening
opgevat als de betrouwbare weergave van een authentieke dichterlijke
ontwikkeling. Zij hebben bovendien de teksten gelezen als waren het bladzijden
uit een intiem dagboek, zonder zich te realiseren hoe groot het verschil is
tussen liederen voor samenzang, een sindsdien in onbruik geraakt genre, en de
moderne belijdenislyriek - al is het ook dáar niet verantwoord de
poëtische ik-figuur klakkeloos met de alledaagse ik-figuur gelijk te
stellen. Indien zij behalve voor de structurele suggestie ook ontvankelijk
waren geweest voor de stilistische suggestie, had de tegenstrijdigheid hen in
alle scherpte getroffen: het is immers uitgesloten dat een deel van het
Aendachtigh | | | | Liedt-Boeck tegelijk om z'n zondebesef tot de eindfase
van Bredero's dichterschap zou behoren, en om z'n rederijkersstijl tot de
beginfase ervan. Ook al kan men deze tegenstrijdigheid slechts constateren maar
bij gebrek aan dateerbare gegevens niet bevredigend oplossen, er valt moeilijk
aan te twijfelen wélke van de twee suggesties de voorkeur verdient: een
dichter kent men aan zijn stijl.
De conclusie is onontkoombaar: het
Groot Lied-boeck van 1622 is een uiterst
belangrijke bundel met een uiterst verwarde structuur. In chronologisch opzicht
misleidend, in thematologisch opzicht inconsequent, in stilistisch opzicht
chaotisch, laat het de wetenschappelijke onderzoeker geen andere mogelijkheid
dan zich bezig te houden met de verschillende aspecten op zichzelf. Wie
behoefte heeft aan voorbarige en onbetrouwbare samenvattingen, kan ze vinden;
maar een betrouwbare beschrijving en inventarisatie van de verschijnselen
ontbreekt. Eerst als in dat gemis is voorzien, kan men zich afvragen in
hoeverre er een synthese denkbaar is die stand houdt.
| |
III
Indien
Bredero ieder werk had gedateerd, zoals
Hooft dat soms zelfs bij onderdelen heeft gedaan, zou
men uit de chronologische ordening van alle teksten de ontwikkeling van zijn
dichterschap kunnen aflezen, en misschien ook die van zijn persoonlijkheid. Dan
ook zou blijken in hoeverre er in zijn korte leven een aanwijsbare opeenvolging
is van verschillende perioden.
In het
Groot Lied-boeck draagt geen enkel gedicht een
datum, maar daaruit volgt nog niet dat er helemaal nooit iets door hemzelf
gedateerd zou zijn. Het enige stukje handschrift dat volstrekt authentiek is,
de rijmspreuk in het album van
Ernst Brinck, bevat de naam
Garbrant A. Brederode, de toevoeging Amstelredammer, de
zinspreuk 't Kan Verkeeren, en tenslotte de datum A. ° 1618 July den
4de. Dat was dan ook in een liber amicorum. Zeker, maar het gedicht
‘Tot den Leser’ vóor de
Spaanschen Brabander draagt in gedrukte vorm de
datering: A. ° 1618. den 6. Iunij, en aan het slot van
Stommen Ridder staat: A. ° 1618. den 8.
Iunij. De veronderstelling dat er in de zomer van 1618 voor Bredero dan wel een
bijzondere reden zal zijn geweest om te dateren is ongegrond. Hij heeft vooral
blijkens teksten uit de
Nederduytsche Rijmen meer en eerder
gedateerd:
| De brief aan
Carel Quina draagt een datum: Den 23 Maert
1611. |
| De
Klucht vande Koe draagt een datum: Den 6.
Augustus 1612. |
| Het berijmde ‘Antwoort aan
Jacob Barthout’ draagt een datum: In midd-somer
Anno 1613. |
| Het gedicht ‘Lof Van de Ryckdom’ draagt een datum:
Ghemaeckt in 't Jaer 1613. Den 26. October. |
| | | |
| Het gedicht ‘Lof Van de Armoede’ draagt een datum:
Anno 1614. Den vierden Januarij. |
| De opdracht van
Moortje aan
Iacob van Dijck draagt een datum: de lesten December,
int Jaar 1616. |
| De
Spaanschen Brabander draagt een datum:
Volmaeckt in 't Jaer 1617. In April. |
| De reeks ‘Grillen’ op de twaalf maanden draagt een
datum: Gemaect in November 1617. |
Met dit overzicht in handen kan niemand nog geloven dat er op het
manuscript van alle tweehonderd gedichten uit het Groot Lied-boeck stuk voor
stuk wel een zinspreuk heeft gestaan en nooit een dagtekening. Er is
klaarblijkelijk door of namens de uitgever een radicale uniformering toegepast
waardoor enige en misschien wel talrijke secundaire gegevens voorgoed verloren
zijn gegaan.
Wie op zoek gaat naar chronologie vindt uiteraard minder dan hij zou
wensen, maar staat tenslotte niet met lege handen. Niet alles dat geen datum
draagt is volstrekt ondateerbaar. De liminaria die hij af en toe heeft
geschreven voor werk van anderen, dagtekenen uiteraard uit de tijd van de
publikatie. Wel zijn er enkele gelegenheidsgedichten die ons in een vicieuze
cirkel brengen: indien het gedicht maar een datum had, zouden we ook die van de
gebeurtenis weten, en omgekeerd. Maar bij de bruiloftsgedichten is er geen
probleem: al de negen bruidsparen zijn deugdelijk aangetroffen in de dokumenten
op het Gemeente-archief van Amsterdam. Omdat elk bruiloftsgedicht
een feestlied bij zich heeft, zijn er dus negen paar teksten waarvan de datum
van ontstaan tennaastebij zeker is. Tennaastebij: want al zullen ze door de
dichter zelf tijdens het feestmaal zijn voorgedragen, niemand kan weten of hij
ze heeft geschreven een week, een maand of een kwartaal daarvóor.
Misschien zelfs wel langer: het negende immers (I:445) betreft een huwelijk dat
in oktober 1619 werd voltrokken, ruim een jaar na Bredero's dood. De
waarschijnlijkheid dat iemand zo'n gelegenheidsgedicht meer dan een jaar van
tevoren schrijft, is bepaald minder groot dan dat een voorgenomen
huwelijksvoltrekking moet worden uitgesteld, om welke reden dan ook. Wel wijkt
juist dit gedicht met gekruist rijm af van de acht voorgaande die alle gepaard
rijm hebben; wel gaat juist dit gedicht niet samen met een lied en kan men er
alleen onder enig voorbehoud een even verweesde feestzang mee verbinden; toch
is er geen reden om aan het auteurschap van
Bredero te twijfelen. Alleen de tijd van ontstaan: zomer
1618, blijft als veronderstelling wat vaag.
Door al de bruiloftsgedichten met hun feestliederen chronologisch te
ordenen krijgt men de volgende reeks: | | | |
| februari | 1612 | XVII en XVIII | I:
91 en 96 |
| maart | 1612 | LXI en LXII | I: 230
en 236 |
| november | 1613 | XLVII en
XLVIII | I: 183 en 190 |
| april | 1615 | XXXVI
en XXXVII | I: 147 en
152 |
| september | 1616 | CLXVII en
CLXVIII | I: 533 en 538 |
| januari | 1618 | CXC
en CXCI | I: 599 en 603 |
| april | 1618 | CXV
en XCVI | I: 330 en
337 |
| mei | 1618 | CLXXVIII en CLXXIX | I: 563
en 568 |
| zomer | 1618 | CXXXVI en CXI | I: 445
en 377 |
De andere dateerbare gedichten in het
Groot Lied-boeck zijn kleiner in aantal en
steunen op minder stevige grond.
Lied CLI met z'n hooftiaanse inzet: ‘Ay hooch verheven Ziel,
en overschoone Vrouwe’, staat in de tweede druk van
Den Bloem-Hof van de Nederlantsche Ieught,
Amsterdam 1610, en is daarmee van alle dateerbaarheden de
vroegste. Nu is er in dit geval wel enige reden tot voorzichtigheid: het lied
heeft in Den Bloem-Hof zeven strofen en noch naam noch zinspreuk, en in
het
Groot Lied-boeck drie strofen minder maar de
zinspreuk meer. Was het gedicht door
Van der Plasse aan Den Bloem-Hof ontleend, dan zou
het zeven strofen hebben geteld. Maar hij kón het er niet aan ontlenen
omdat het daar anoniem was. Het is dus in het Groot Lied-boeck opgenomen
buiten Den Bloem-Hof om.
Een vergelijkbaar geval doet zich voor bij lied LV: ‘Weet ghy
Maachden arm en rijck’. Het is gepubliceerd in
T'Vermaeck der Ieught, Franeker 1612
met als titel ‘Een Dochters Liedt’, maar zonder naam of zinspreuk.
Het staat in vrijwel identieke vorm ook in de tweede druk:
Leeuwarden 1616. In beide drukken heeft dit lied vijf strofen,
maar in het
Groot Lied-boeck heeft het er vier. Hoe een lied
van
Bredero terecht kwam in zo'n friese uitgave is een open
vraag; en de kwestie van het auteurschap eigenlijk ook. Het enig zekere is dat
het in 1622 niet kan zijn ontleend aan T'Vermaeck der Ieucht. Er moet
dus een handschrift zijn geweest, een korter handschrift, een onvolledig
handschrift misschien; en dáaronder zou dan de zinspreuk hebben gestaan?
Men moet niet méer willen geloven dan het waarschijnlijke. Als er
éen argument is om te menen dat die paar honderd zinspreuken in de
editie-1622 grotendeels te danken zijn aan de volledigheidsdrift van de
uitgever, dan ligt het hier. Maar als er in Bredero's nalatenschap teksten zijn
gevonden, wel in zijn handschrift maar zonder enige aanduiding van zijn
auteurschap, bestaat ook de mogelijkheid dat er teksten bij zijn die hij om
welke reden dan ook eens had overgeschreven, laten we zeggen omdat hij ze mooi
vond. Als dit een gedicht betreft dat ook in de versie die hij vóor zich
had, geen naam of zinspreuk droeg, had
Bredero zijn literaire executeur-testamentair alleen
kunnen waarschuwen met de aantekening ‘niet van mij’, of woorden
van gelijke strekking. Dat heeft hij natuurlijk niet gedaan. Indien iemand,
eeuwen later, zich gerechtigd acht tot een argwaan die de tijdgenoot blijkbaar
vreemd is | | | | geweest, zal het alleen in een uitzonderlijk geval
mogelijk zijn genoeg argumenten aan te voeren voor een redelijke graad van
bijna-zekerheid. Dat lijkt mij in deze gevallen onwaarschijnlijk, aangezien het
meest opmerkelijke aspect van lied CL, de renaissancistische alexandrijn op een
zo vroeg tijdstip, nauwelijks verrassend kan heten: in 1611 immers gebruikt
Bredero de alexandrijn zo'n tweeduizend maal in zijn
Rodd'rick ende Alphonsus, en waarlijk niet als
vingeroefening.
Een tweede gedicht uit 1610, lied XXIX, ontleent zijn dateerbaarheid
aan een heel ander gegeven: het feit namelijk dat er geen afdoende reden is om
de inzet ervan een fictie te achten:
Sondagh, Sondagh lest-leden
Denkende aan de poëziebeschouwingen van Batavus Droogstoppel
inzake ‘de lucht is guur en 't is vier uur’, kan men opmerken dat
Bredero met élke dag binnen de maat was gebleven,
behalve met donderdag en zaterdag; en waarom zou hij niet dinsdag hebben gezegd
wanneer het een dinsdag was geweest? Maar denkelijk vond dit volksvermaak
helemaal zo massaal niet plaats in de jaren met St. Jan op een doordeweekse
dag. Het wás dus zondag, er is geen reden voor het tegendeel. En het was
ook ‘lest-leden’, want waarom zou iemand dit zo schrijven als het
niet ging om iets dat hij kort tevoren had bijgewoond? Rijmnood soms, al in het
éerste vers? De enige twee jaren uit het begin van de 17de eeuw waarin
24 juni op een zondag viel, zijn 1604 en 1610; doordat 1616 een schrikkeljaar
was, kwam na de zaterdag van 1615 nu de maandag. Daarmee vervalt 1616. En 1604
is te vroeg. Dat een dichter van 19 jaar dit grandioze lied zou hebben gemaakt,
is denkbaar; maar dat een 19-jarige, na dit te hebben gemaakt, verder zes jaar
zwijgt, niet.
Er is een mededeling van
Bredero, uit 1616, over zijn vroege liefde voor de
poëzie. Ik wil u vrijmoedig belijden, zo zegt hij in de voorrede tot
Rodd'rick ende Alphonsus ‘dat ick van mijn
kindtsche beenen af boven alle andere soete Tijtkortinghe de lieffelijcke
Poesye hebbe verkoren, ende alle'tsints alsulcke Ghesellen ghesocht ende
bemindt, die my hier in ghelijck waren, om met haar in plaats van andere
ongheoorloftheden te onderhandelen, waar in ick waarlijck soo gheluckigh ben
gheweest, dat ick tot tegenwoordigh toe der bester gheselschappe hebbe
ghenoten, so wel van kunstigh en sin-rijck rymen, als van treff'lijckheydt van
staat.’ Maar wie dit aanvoert als bewijs dat hij van jongs af poëzie
heeft geschréven, haalt er meer uit dan verantwoord is. Men kan er
immers even goed - en m.i. beter - uit afleiden dat hij van jongs af graag
poëzie heeft gelézen en er met anderen over gediscussieerd. Dat was
al rijkelijk ongewoon.
Het bijzondere van het Sint-Janslied is het samenspel van
traditionele en persoonlijke factoren. Het rijmschema komt overeen met de
rederijkersstrofe die door
Matthijs de Castelein ‘ghecruust oft ouersleghen
dicht’ wordt genoemd, en in zijn intrigerend Schaecberd toegepast: de
twee helften van de achtregelige | | | | strofe, elk met twee gekruiste
rijmklanken, zijn geschakeld door eenzelfde rijm in het vierde en het vijfde
vers: a b a b b c b c. Ook andere rederijkers hebben deze vorm gebruikt; in het
Antwerps Liedboek vindt men er meer dan een
dozijn voorbeelden van. Bredero's gedicht heeft de direkte verteltechniek van
het volkslied, de taal is populair, en op de achtergrond doet zich het
ressentiment gelden van de ekonomische concurrentie tussen het expansieve
Amsterdam en het overvleugelde Haarlem. Maar de
detaillering is noch algemeen, noch traditioneel: de persoonlijke rijkdom aan
schilderachtige, om niet te zeggen impressionistische zichtbaarheden maakt dit
lied uniek in de nederlandse letteren anno 1610. Van het eerste ogenblik af
ziet men de dichter-schilder zich bewegen tussen de feestende menigte, dan zich
afzonderen om verder toe te kijken van terzijde: een kritisch geamuseerd
waarnemer met een uitermate scherpe blik. De mensen, de dingen, de omgeving en
de gebeurtenissen, alles wordt genoteerd in woorden vol zintuiglijkheid,
adjectiva voor het oog: groen, glad, hard, dor, droog, en werkwoorden voor het
oor; renden, klatterden, rumoeren, raesden, riepen, kreten. Omdat het jongvolk
per boerenkar naar Haarlem wil, volgen er als vanzelf een paar
strofen om de gierige Haarlemmers te jennen. En even organisch nadert het lied
zijn einde in de schets van de ontnuchterd teruggekeerde feestgangers. Zoals er
aanvankelijk twee strofen waren waarin de dichter zijn waarnemingspost
beschreef, zo geven de laatste twee strofen even persoonlijk zijn samenvattend
oordeel, plus nog een schimpscheut tot slot.
Men kan uit dit gedicht velerlei karakteristieke kwaliteiten van
Bredero's dichterschap opmaken, en als men er het andere uit 1610 bijvoegt, is
de scala vrijwel compleet: volkslied, rederijkerij, renaissance en eigen
inbreng. In hun gelijktijdigheid vormen deze vier éen waarschuwing tegen
de illusie als zou men zijn werk kunnen indelen in stijlperioden die door
waterdichte schotten gescheiden zijn. Anno 1610 blijkt hij met vrijmoedigheid
gebruik te maken van al de verschillende, om niet te zeggen tegenstrijdige
stilistische mogelijkheden die er toen in het literaire leven van
Amsterdam te vinden waren. Daaruit volgt nog niet dat dit voortaan
zo zou blijven; het ligt zelfs voor de hand te denken dat sommige factoren
allengs af en andere toe zijn gaan nemen, zodat er toch een ándersgeaard
samenspel ontstaat.
Het zijn niet de twee liederen XXXV en XCVIII, aan
Rodd'rick ende Alphonsus ontleend en dus in 1611
geschreven, die deze conclusie bevestigen, al komen ze er ook niet mee in
conflict - de bevestiging ligt in de bruiloftsgedichten van februari en maart
1612 met de bijbehorende feestliedjes. Ook al rekent men zulk gelegenheidswerk
niet tot de hoogtepunten van Bredero's dichterschap, dan nog hebben ze een
onvervangbaar belang: ze vermeerderen het kleine aantal exacte gegevens, zowel
omtrent zijn levensloop als omtrent de aard en de ontwikkeling van zijn
talent.
Het bruiloftsgedicht dat
Bredero op 26 februari 1612 heeft voorgedragen en | | | | waarvan een amateuristisch gedrukt exemplaar aan de disgenoten zal zijn
uitgereikt, is renaissancistisch naar inhoud en vorm. Dat was ook de bedoeling,
want al in de aanhef laat de dichter Cupido zeggen:
Het oude is men warsch, wat nieuws verquickt de Vol'cken.
Het is een luchtig gefantaseerd verhaal: de dichter, door Cupido
meegenomen naar de godenhemel, krijgt daar te zien hoe diens macht de zoveel
machtiger goden in vuur en vlam zet. Maar als het liefdegodje de dichter
oproept de openlijke schande van deze erotisch overheerste heersers te
beschrijven, verbant Jupiter beiden uit de hemel. Terug op aarde, is de dichter
er getuige van, hoe velen er door Cupido's pijlen worden geraakt: zoals immers
ook déze bruidegom en déze bruid, die op het punt staan het
feestmaal te verlaten voor een veel feestelijker samenzijn. De onverbloemde
seksualiteit in de vzn. 92-96, 100 en 105-106 wordt nergens scabreus; iedereen
wist immers waar het bij een bruiloft om ging: het bedvermaak straks en het
eerste kind na de gepaste driekwart jaar.
Bredero's tekst moet nogal zijn ingeslagen, want voor de bruiloft
van 25 maart 1612 schreef hij een variatie op hetzelfde thema: ook nu vertoeft
zijn geest in de godenhemel, ook nu bemerkt hij Cupido's macht over de andere
goden, maar de hemelse verwarring wordt veel gedetailleerder en anekdotischer
beschreven. (I: 230) Komen er in het eerste dichtstuk maar drie goden voor:
Jupijn, Cupido en Venus, dit tweede heeft er negen: Cupido, Venus, Iupijn,
Iuno, Phoebus, Pluto, Proserpina, Neptun, Mars, en ook nog een klassieke nimf:
Daphne. Het aantal mythologische verhalen is verveelvoudigd. Men vraagt zich af
hoeveel van de bruiloftsgasten uit de amsterdamse middenstand anno 1612 over
genoeg klassieke kennis konden beschikken om greep te hebben op de zonnegod met
zijn overwonnen Serpent, de titel Hoeren-soon voor Cupido, en de
driehoeksverhouding Mars, Venus en ‘haar beroockte Smit’. Maar
misschien vonden ze zulke termen op zichzelf al reden genoeg om te lachen.
Wat
Bredero in 1612 de feestgenoten schenkt, is klassieke
wijn in renaissancistische glazen. Maar met de statige alexandrijn nog in de
mond nodigt hij hen uit tot samenzang. Ze hadden het allen vóor zich:
een nieuw bruiloftslied; en zeker was het nieuw in de zin van onbekend. Maar
tegelijk was het zo oud als de rederijkerij: traditioneel van klank en
woordkeus en zinsbouw en rijmschema; het vertrouwde woord Prins markeert
de laatste strofe, en de zinspreuken zowel van de rederijkerskamer als van de
dichter zelf zijn er als vernuftige woordspelingen in verwerkt. In 1612
derhalve, zo goed als in 1610: meer dan éen stijl.
Zo is het ook in 1613, het jaar dat
Bredero vaandrig wordt van de schutterij. Is er al een
markant verschil tussen de twee gedichten die dáarmee verband houden:
het persoonlijke lied CLXII over zijn ontroering als hij voor de eerste maal
het vaandel draagt (I: 519), en het Antwoord aan
Jacob Barthout in de
Nederduytsche Rijmen, markanter nog is de
tegenstelling tussen het bruiloftsgedicht uit november 1613, op
Plato's
Symposium gebaseerd en natuurlijk in
alexandrijnen geschreven, | | | | (I: 183), en de rederijkersrijmen
‘Lof Vande Ryckdom’ en ‘Lof Van de Armoede’, met hun
precieze data 26 oktober 1613 en 4 januari 1614. Wie de auteur niet kende, zou
ze nooit van dezelfde hand, wie de datering niet kende, zou ze nooit uit
dezelfde tijd achten. Maar feiten zijn feiten en als die niet passen in enig
biografisch of literair-historisch schema, heeft het schema de schuld.
Een amsterdamse burgerjongen uit 1613 die iets van
Plato had gelezen, behoort tot de uitzonderingen. Men
krijgt de indruk dat
Bredero in een culturele stroomversnelling was
terechtgekomen en zich in weinig tijd eigen maakte wat hij jaren lang had
gemist. Er zit in het etaleren van zijn pas verworven klassieke kennis een
zekere ijdelheid, iets van de nouveau riche. Op zoek naar iemand die Bredero
kan hebben geholpen, moet men allereerst denken aan de ruim vijftigjarige
classicus
Reinier Telle, oud-rector van de Latijnse school te
Zierikzee, vertaler, dichter en polemist, die sinds 1610 in
Amsterdam woonde. Als hij, waarschijnlijk in 1612, het vierde deel
van de
Tragische Historien vertaalt, vraagt hij
Bredero om de daarin aanwezige liederen, door hem in proza
weergegeven, op rijm te zetten. Hun samenwerking heeft ertoe geleid dat Bredero
aan de delen IV, V en VI niet minder dan 59 gedichten heeft bijgedragen. Al
zijn ze dus niet oorspronkelijk - maar dat zijn
Lucelle en
Moortje immers evenmin - toch betekenen ze door
hun dateerbaarheid een aanzienlijke vermeerdering van het aantal betrouwbare
gegevens. Ze voegen bovendien een nieuw element toe aan de veel-eenheid van
Bredero's dichterschap. Het is immers niet ondenkbaar dat de jarenlange
confrontatie met een reeks franse gedichten in Pléiade-stijl bij hem het
gevoel voor de expressieve mogelijkheden van de taal heeft vergroot. Jarenlang:
want van 1614 zijn de Tragische Historien deel VI, en dáarin
staat het lied waarvan een lang fragment als een aangrijpend stuk
bekeringslyriek het
Groot Lied-boeck zo suggestief afsluit
(I:629).
Het door
Plato-motieven beheerste bruiloftsgedicht uit november
1613 bevat twee paar verzen, een quasi-verwijt en het weerwoord, waaruit ten
duidelijkste blijkt hoe zeer de klassieke mythologie door
Bredero werd gezien als een literair spel, zonder gevaar
voor zijn christelijk geloof:
Wel Rijmer wat is dit, zydy verrockt of zot?
Eerst meldy van de Goôn, nu spreekt ghy weer van Godt.
Sacht Argus wickt u werck; mijn gunst heeft my verleyt:
Ik ben Poët noch Klerck, ick bruyck mijn vryicheyt.
Een volbloed renaissancist voelde
Bredero zich niet, al mag men in deze
‘vryicheyt’ een eigenschap van de renaissancedichter zien. De zo
fraai gepareerde uitval van die Argus kan trouwens wel méer zijn geweest
dan de bewustwording van een innerlijk conflict; misschien hebben goede
vrienden kritiek gehad op het onchristelijke van heel de klassieke denkwereld.
Hoe dit zij, in de eerstvolgende bruiloftsgedichten is de mythologie afwezig en
de bijbelstof over- | | | | heersend. Of en in hoe verre daarbij ook de wens
van het bruidspaar van invloed is geweest, blijft een open vraag.
Het meest raadselachtige is echter de aanwezigheid, juist in
1613-14, van de twee authentieke rederijkersrijmen ‘Lof Vande
Ryckdom’ en ‘Lof Van de Armoede’, door
Van der Plasse in 1620 gepubliceerd in de
Nederduytsche Rijmen. Hoe komt iemand die
verdiept is in de klassieken, tot
Plato toe, en bewezen heeft in staat te zijn tot verfijnde
lyriek - hoe komt zo iemand ertoe zo'n stel burgermansredenaties te berijmen?
En dan dat zinloos in-en-uit-gepraat, eerst pro en daarna contra? Er moet wel
een aanleiding van buiten af zijn geweest: een opdracht, een uitdaging, een
wedstrijd. In welke kring, voor welke hoorders of lezers, heeft dit paar
teksten dienst gedaan? En wat voor dienst? Of is het van z'n ontstaan af
bestemd geweest voor
Angeniet? Dat is wel helemaal
onwaarschijnlijk.
De grote verrassing van het jaar 1615 is Bredero's medewerking aan
de verzamelbundel
Apollo. Na wat men in de drie bruiloftsgedichten
aan klassiek leengoed heeft aangetroffen, kan men van het inleidende
Apollo-gedicht alleen maar zeggen dat het de voortzetting is van Bredero's
eigen renaissance-traditie. Maar vanwaar komen de vier boerse en boertige
versjes verderop? Er was het ‘Deuntjen’ van
Hooft: ‘Als Jan Sybrech sou belesen’,
gedagtekend 21 November 1607, en gepubliceerd in de tweede druk van de
Bloem-Hof, 1610. Al heeft
Bredero dit lied gekend, zijn eigen liedjes gaan daar niet
op terug; hijzelf spreekt van ‘Niewigheytjes die ick voor deze van
niemandt anders veel gezien hebbe’. Toch kan men met bijvoorbeeld het
Antwerps liedboek (1544) in handen moeilijk
geloven dat Bredero's werk niet een herleving betekent van het aan
ouderdomszwakte lijdende volkslied. Dat behoeft niet gebeurd te zijn via dit of
een ander oud liedboekje, het is best mogelijk dat er in de amsterdamse
burgerij mondeling nog heel wat was overgeleverd dat voor latere generaties
verloren is gegaan. Geheel afgezien van hun poëtische waarde op zichzelf,
zijn deze pretentieloze liedjes m.i. van bijzonder belang geweest voor de
verdere ontwikkeling van Bredero's dichterschap. Al ontbreekt ieder bewijs, de
waarschijnlijkheid is toch groot dat de eenvoudige direktheid van het volkslied
hem bewust is geworden als een expressiever taalgebruik dan de stijlvormen van
de rederijkerij en van de renaissance. De ontroerende eenvoud van zijn
persoonlijkste lyriek is dan mede bereikt doordat de vergelijking tussen
volkslied, rederijkersstrofe en renaissancevers hem de ogen opende voor het
tekort van het teveel. Afstand nemen, en afstand doen is niet enkel een
ethisch, het is ook een artistiek richtsnoer tot zelfverwezenlijking.
De twee bruiloftsgedichten van april 1615 en september 1616 zijn
beide meer vroom dan vrolijk. Misschien was er reden voor een persoonlijk
vermaan aan de eerste bruidegom om twist, korzeligheid, misverstand en
oplopendheid te vermijden, maar zo'n tekst, twintig minuten lang, kan moeilijk
zijn beschouwd als een bijdrage tot de algemene feestvreugde (I:147). In het
tweede dichtstuk is de situatie ietwat anders, daar klinkt een platonisch thema
in christelijke toonzetting: | | | | vóor alle eeuwigheid heeft God
de zielen van bruid en bruidegom al voor elkaar bestemd; hun verliefdheid in
dit aardse bestaan is noch toeval noch vrije wil, maar herkenning krachtens
Gods voorzienigheid (I:533). In beide gevallen zet het lied, vermanend of
betogend, de hoofdgedachte van het voorafgaande dichtstuk voort, en in geen van
beide gevallen betekent de overgang van de alexandrijn naar een wat vrijer
versmaat een val van renaissance in rederijkerij.
Uit deze tijd, toen de eerste spelen in druk verschenen, moeten ook
de indrukwekkende liederen dateren die geïnspireerd zijn op
Maria Tesselschade. Lied CXL met die erotische
zonfantasie als een maar al te openhartig geuite wensdroom, is even duidelijk
omtrent Bredero's verliefdheid als lied LXXXV omtrent het hopeloze ervan (I:463
en 301). Misschien behoren meer liederen, al dan niet in alexandrijnen, in
feite tot deze groep; maar dan zijn ze niet als zodanig herkenbaar.
Terwijl een eerder nieuwjaarslied (CLXXX) dat uit de periode van
De Eglantier moet dagtekenen en dus uiterlijk in 1614 of 1615 zal
zijn ontstaan, aanwijsbare rederijkerselementen bevat, zijn er twee van later
datum: het ene (CXCVII), gepubliceerd bij de jaarwisseling 1617-1618 en dus
waarschijnlijk in 1617 geschreven, zet in z'n eenvoudige evangelische
verteltrant de traditie van de middeleeuwse kerst- en driekoningenliederen
voort (I:620); het andere, een jaar later en dus na Bredero's dood
gepubliceerd, zal uit de eerste helft van 1618 dateren en sluit stilistisch aan
bij de eenvoudige stichtelijke liederen van zijn hand (I:541). In het late
najaar van 1617 moet het eerste bruiloftslied van 1618 zijn ontstaan: de
bruiloft vond op 9 januari 1618 plaats. Het bevat the tema con variazione uit
september 1616: God heeft al vóor de tijd een aanvang nam de zielen van
bruid en bruidegom voor elkaar bestemd. Hoe zouden die twee elkaar anders ooit
hebben gevonden: een jonkman uit Antwerpen, een meisje uit
Amsterdam? (I:599) Heeft
Bredero dit gedicht zelf op 9 januari 1618 voorgedragen,
dan is hij zijn ongeval op het ijs snel te boven gekomen. De hele reeks
trouwens laat van de sentimentele legende niets heel: wie in januari, april en
mei actief meedoet aan drie feestpartijen en zich daarna voorbereidt op een
vierde, kan moeilijk tezelfdertijd lijdende zijn geweest aan een langdurig
kwijnende ziekte. In twee van de Lijck-dichten staat trouwens duidelijk dat hij
‘op 't onversienst’ overleed.
De vergelijking van deze vier gelijksoortige en vrijwel
gelijktijdige gedichten is niet zonder belang, gezien hun variatie van inhoud
en vorm (resp. I:599; 530; 563 en 445). Het eerste en het derde zijn door en
door christelijk, zij het haast tegengesteld van toon; neigt het eerste naar
een preek, in het derde heeft
Bredero bij hoge uitzondering zijn vertelstof aan de
Bijbel ontleend door een dichterlijke parafrase te geven van het
scheppingsverhaal. Het tweede en het vierde zijn
klassiek-renaissancistisch, maar bij het tweede voegt de mythologische fantasie
zich naar het rederijkerspatroon van het tafelspel. Het vierde, niet meer met
gepaard maar met gekruist rijm, roept in de aanhef een zó subtiele,
haast pre- | | | | romantische avondstemming op, dat men noch bij
Bredero zelf noch bij enige tijdgenoot de parallel
daarvan zal kunnen vinden.
Ook bij de liederen na deze gedichten zijn interessante verschillen,
uiteraard vaak in overeenstemming met de voorafgaande tekst. Het eerste
bruiloftslied is in alle eenvoud vervuld van stichtelijk vermaan, het tweede
zet de rederijkerssfeer van het tafelspel voort in een virtuoos volgehouden
rijkdom van rijmen; het derde heeft iets van paradijselijke levensvreugde; het
vierde viert openhartig de seksuele lust en creativiteit. Maar eender is in
alle vier een volwassen vakmanschap, dat geen behoefte meer heeft aan
opzichtige kunstgrepen.
Tot het voorjaar van 1618 behoort ook het indrukwekkende liefdes- en
afscheidslied voor
Magdalena Stockmans: ‘Ooghen vol Majesteyt’
(I:460). Indien men wil, kan men in dit magistrale gedicht nog
rederijkersinvloed vermoeden in de bijzondere rijmen, nog renaissance in de
feilloos beheerste metriek, nog volkslied in de onmiddellijkheid van het
taalgebruik, maar alles is zó organisch opgenomen in een breukloze
eenheid van inhoud en vorm, dat er niets anders aanwezig is dan een man, levend
en liefhebbend, een man die opnieuw - en hoe vaak al - heeft moeten ervaren dat
standsverschil sterker is dan de intiemste gevoelens en die zich dwingt daarin
met evenveel moed als weemoed te berusten. Grandiozer bewijs van het
meesterschap waartoe de drie-en-dertigjarige
Bredero gegroeid was, is niet mogelijk. Het is wel
jammer dat
Van der Plasse zich niet heeft ontzien dit volmaakte
late gedicht te omringen door dozijnen halfwassen liederen die, naar men mag
aannemen, wel van vóor 1615 zullen dateren, en ten dele zelfs van
vóor 1610.
| |
IV
Al zal niemand
Bredero een rederijker noemen, toch is de hoeveelheid
retoricaal erfgoed in zijn
Groot Lied-boeck niet gering. Dat betreft dan
niet in de eerste plaats gehele liederen, hoewel men er zeker een dozijn kan
vinden die in geen enkele rederijkersbloemlezing zouden misstaan. Veel
belangrijker is de aanwezigheid van een aantal opmerkelijke stijlverschijnselen
die hun afkomst niet verloochenen: de kunstvaardige rijmrijkdom van de strofe,
soms nog vermeerderd met dubbelrijm, binnenrijm of middenrijm
*; de karakteristieke
vormelementen zoals het acrostichon of de woordspeling met eigennaam of
zinspreuk; de vaak wat archaïstisch of plechtig aandoende plaatsing van
het bijvoeglijk naamwoord achter het substantief; het gebruik van
basterdwoorden uit het Frans afkomstig; en dan natuurlijk de al-of-niet
gevarieerde term Prince bij de inzet van de slotstrofe. | | | | Het
is duidelijk dat een lied des te sterker aandoet als rederijkerswerk naarmate
het meer van deze stijlverschijnselen bevat. Het is in zo'n geval nu eenmaal de
kwantiteit die over de kwaliteit beslist.
Het rijm bij de rederijkers doet soms denken aan een stuk speelgoed
waarvan elke mogelijkheid moet worden verkend, tot de onmogelijkste toe. Of aan
vingeroefeningen op de piano, die af en toe heel aardig kunnen zijn al wordt
het nooit muziek. Natuurlijk is ieder groot musicus verplicht geweest met
vingeroefeningen te beginnen; evenzo lijkt de verkenning van het rijm en het
spelen met corresponderende klanken ook bij Bredero een fase te zijn geweest in
zijn ontwikkeling tot een volwassen dichterschap. De rijmrijkdom bij hem doet
onmiskenbaar aan als jong, uitdagend jong. De al te fraaie, vernuftige en
tegelijk onpersoonlijke vorm eist zóveel aandacht op, dat men geen oog
meer heeft voor de inhoud, of het gemis daarvan.
Het is uiteraard allereerst in omvangrijke strofen dat een dichter
gelegenheid krijgt zijn rijmvaardigheid te bewijzen door het rijm in reeksen te
doen klinken: in lied LXIII bestaat de strofe uit 13, in lied LIX en LXXXVII
uit 16, in lied LX uit 17, in lied XXX uit 19, en in lied LIII en LVI uit 20
regels. Maar juist deze twee laatste zijn allerminst gelijk. Lied LIII (I:205)
maakt gebruik van 8 verschillende rijmklanken, waarvan er éen een
dubbelrijm is; er zijn bovendien nog 5 verzen met binnenrijm, zodat het in
feite om 25 rijmwoorden gaat. Van de acht rijmklanken komen er vier viermaal
voor, drie tweemaal en éen driemaal. Lied LVI (I:213) heeft een geheel
andere structuur: er is noch dubbelrijm, noch binnenrijm, noch middenrijm, maar
van de drie rijmklanken per strofe wordt a zesmaal, b achtmaal en
c zesmaal gebruikt. Het is begrijpelijk dat er bij zulke grote aantallen niet
zelden een indruk van gekunsteldheid en rijmdwang ontstaat, al gaat die indruk
soms gepaard met een gevoel van bewondering voor de virtuositeit.
Er zijn 40 liederen met binnen- of middenrijm, maar soms kan men
aarzelen of het wel méer is dan een zaak van typografie. In
‘Boeren Geselschap’ bijvoorbeeld heeft vs. 4 van elke strofe
binnenrijm; was deze vijfregelige strofe gedrukt over zes regels met een paar
korte verzen zoals die ook in andere liederen wel te vinden zijn - zie o.a.
I:193 - dan zou men niet anders kunnen constateren dan een zestal eenvoudige
eindrijmen: driemaal a, tweemaal b en eenmaal a. Zo'n situatie, identiek of
vergelijkbaar, komt vaker voor, bijvoorbeeld in lied LXXVIII en lied XLI. Ook
een lied als CI, waar iedere strofe bestaat uit vier regels met dubbele
middenrijmen, zou over 12 regels gezet een heel andere en zelfs heel eenvoudige
structuur vertonen: zes rijmklanken die elk maar tweemaal worden gebruikt: a a
b c c b d d e f f e. Maar het is duidelijk dat de
dichter de expressiviteit van de grotere eenheden heeft gewild.
Soms echter liggen de verhoudingen anders. Lied LXXXIII ziet er op
het eerste oog bepaald renaissancistisch uit: zeven strofen van elk een viertal
alexandrijnen (I:297). Maar het blijkt dat het middenrijm in de eerste twee
regels van elke strofe, | | | | ofschoon in de editie-1622 niet eens door
een dubbele komma gemarkeerd, de metrische structuur beslissend
beïnvloedt. Er ontstaat in feite een strofe van zes regels, eerst vier
verzen van elk drie jamben met gekruist rijm, daarna twee verzen van zes
jamben, dus alexandrijnen, met gepaard rijm; aldus:
Niet van 't ghemeene volck onaerdich grof van bloet
Maer van, maer van, maer van, de grooste van ghemoet.
Men moet bovendien constateren dat in alle zeven strofen de laatste
alexandrijn door z'n drievoudig herhaalde inzet het normale patroon principieel
doorbreekt, al blijft het jambische schema intact. Natuurlijk bestaat de
mogelijkheid om in strijd met de authentieke vormgeving alle gedichten
met binnenrijm of middenrijm zó te zetten dat ieder rijmwoord aan het
eind komt van een afzonderlijke versregel. Maar het is niet zeker dat er dan
een grotere regelmaat zou ontstaan. Men zie bijvoorbeeld lied XLII dat niet
door een strak jambisch metrum wordt beheerst en waar men regels zou krijgen
van twee of drie lettergrepen. Nog duidelijker is lied LVIII, dat gekenmerkt
wordt door een topzware structuur van binnenrijmen die zelf weer dubbelrijmen
zijn. Het merkwaardige is dat dit gedicht ook voorkomt in het
Geestigh Liedt-boecxken van 1621. Aangezien men
nauwelijks kan aannemen dat
Bredero zelf dit lied in 1618 zou hebben opgenomen en
evenmin dat het al van 1616 af tot de bundel heeft behoord, moet het een van de
toevoegingen zijn die
Van der Plasse zich bij de vierde druk heeft
veroorloofd.
Er is in 1622 bij dit gedicht overigens iets merkwaardigs: om het
lied precies op de pagina's 78-79 te krijgen heeft men de laatste strofe van
twaalf verzen ingekort tot tien door zowel de vzn. 57-58 als de vzn. 59-60 op
éen regel te drukken; aldus is tweemaal een eindrijm veranderd in een
binnenrijm. Bij lied LXIII is precies het omgekeerde het geval: in de laatste
strofe paste het lange tiende vers niet binnen de kolom; door dit te splitsen
over twee regels maakte men een binnenrijm tot eindrijm. De drukkers uit 1622
hebben dus al een voorschot genomen op het inzicht dat veel van de retoricale
rijmrijkdom een zaak is van typografie. Veel wel, maar natuurlijk juist niet
die rijkdom zelf: die neemt door typografische kunstgrepen noch toe noch af. En
méer dan iets anders is het dit kwantitatieve aspect, dit opzettelijke,
voor modern gevoel onnatuurlijke overschot aan rijmwoorden, dat kenmerkend is
voor het rederijkersvers, ongeacht de plaatsing als binnenrijm, middenrijm of
eindrijm.
In dit verband verdienen de dubbelrijmen nog speciaal de aandacht.
Ze komen in een twaalftal liederen voor. Al is het effect veelal de versterking
van het rederijkerselement, zoals in de liederen XLII, LVIII en LXIII, toch
blijkt dit niet de | | | | enige mogelijkheid te zijn. Het ondanks alle
spijtigheid zo charmante lied XLIX boet door z'n kunstvaardige reeks rijmen en
dubbelrijmen nergens aan charme in (I:193). Het boertige lied X, waar een
huwbaar meisje tegen haar zwijgend luisterende grootmoeder uitvaart over de
foeilelijke Heyntjeman die haar wordt opgedrongen, gebruikt het dubbelrijm voor
een zó parodistisch sarkasme dat men alle rederijkerij vergeet (I:73).
Zo is het ook in het virtuoze drinklied voor de op bezoek gekomen haarlemse
schutters (I: 161), dat gezien de situering wel van kort voor 1613 zal
dagtekenen, in elk geval uit de tijd dat
Bredero bij de schutterij was, zij het nog niet als
vaandrig. Hijzelf moet zijn speelse rijmvaardigheid met een zó
aanstekelijk plezier hebben bedreven, dat zijn collegiale toehoorders toen en
zijn kritische lezers later ervan hebben genóten. Mocht iemand menen dat
dit soort virtuositeit toch afstamt van de rederijkers, zo kan als weerwoord
gelden dat Bredero er dan uitstekend in is geslaagd die verwantschap te
verbergen. Hij deed ook hier wat hij zich in diezelfde tijd bewust was vaker te
doen: hij gebruikte zijn ‘vryicheyt’ (I:188).
Ofschoon het acrostichon een beproefd middel is om een geliefde even
duidelijk als heimelijk te eren, toch heeft
Bredero het maar eenmaal aangewend: de beginletters van
lied XLV vormen de naam Walburch; maar daar blijft het bij: in
biografisch opzicht kan men er niets mee beginnen. En met de andere
vrouwennamen, opgenomen in de teksten zelf, al evenmin. Lied XXVIII noemt
Hoorn als de geboortestad van een begaafd, met Sapfo vergelijkbaar
meisje, en verbergt in de aanroep ‘O Parl!’ haar naam: Margaretha,
Margriet. Diezelfde naam komt voor in lied XCII, dat met z'n winterse sfeer en
met de plaatsaanduiding ‘by 't hooghe Huys te Muyen’
zó concreet aandoet, dat men moeilijk kan twijfelen aan het
autobiografisch karakter ervan. Zijn beide liederen, en ook lied CVIII, voor
hetzelfde meisje geschreven, dan zullen ze wel uit dezelfde tijd dateren;
verder weten we niets, al kan men zich afvragen of het prachtige afscheidslied
CXXXVII niet ook op háar is geïnspireerd, toen ze terugvoer naar
Hoorn. Maar sinds bekend is dat in allerlei andere Margriet-gedichten van
Bredero het meisje met naam en al ontleend werd aan een
frans origineel, is de Margriet-episode bijgezet in de grote grafkelder van de
literair-historische Bredero-legenden.
De overige teksten leveren ook niets op dan lege namen: lied LII
heeft in vs. 19 Egtillen, een omkering van Nellitge (maar wie wás
die Nelletje?); lied LVII in vs. 19 Agneets Dei, de in een rooms
votiefsieraad verborgen letterverschikking van Angeniet (maar wie wás
die Angeniet?); lied LVIII in vs. 47 Annetta (maar wie wás die
Annet?); lied CXIX in vs. 39 Chlorint (maar wie wás dat, en
heette ze werkelijk zo?); lied CLX in vs. 1 Florinde, onontkoombaar
rijmend op ‘mijn beminde’ (maar was er echt iemand van zo'n
markante, waarschijnlijk van Floris afgeleide naam?) Hoe overtalrijk de
liefdesliederen van
Bredero ook zijn, de meeste daarvan behoren zó
zeer tot het traditionele genre van het lied, dat er in biografisch opzicht
geen enkel betrouwbaar gegeven aan kan worden ontleend. En indien de | | | | weinige namen die hij heeft gebruikt, méer zijn dan dichterlijke
speelsheden, namelijk ook échte eigennamen of doorzichtige pseudoniemen,
dan nog was het hem blijkbaar genoeg dat het meisje zelf te weten kwam wat hij
voor haar voelde, zonder dat dit onmiddellijk ook voor derden kenbaar zou zijn.
Zo lang men stand houdt tegen verleidelijke fantasieën, kan men enkel de
liederen voor
Maria Tesselschade (I: 301, en 463) en het lied voor
Magdalena Stockmans (I: 460) als betrouwbaar
autobiografisch beschouwen, al blijft zelfs de interpretatie dáarvan nog
hachelijk. Al het andere is literatuur geworden; of is het dat van het begin af
al geweest?
Eénmaal heeft
Bredero zijn eigen voornaam verwerkt in een acrostichon
(I: 399), zeven maal in het vers zelf; zijn voorkeur ging daarbij uit naar de
woordspeling dat hij gaerne brandde van verliefdheid. Een keer of vijf heeft
hij de zinspreuk van de Oude Kamer In Liefde Bloeyende in de tekst
opgenomen, eenmaal ook die van de brabantse Kamer Wt Levender
Ionst (I: 256), een keer of vijf zijn eigen zinspreuk 't Kan verkeeren.
Veel moeite zal het hem niet hebben gekost; zo'n ‘zin’ immers was
onder allerlei omstandigheden een bruikbare diepzinnigheid. Het effect ervan is
voor latere lezers gering, zo niet negatief; maar dit kan voor
vroeg-zeventiende-eeuwse Amsterdammers natuurlijk wel ánders zijn
geweest.
Het rijm, althans de wenselijkheid om over zoveel mogelijk
rijmwoorden te beschikken, schijnt ook van invloed te zijn geweest op twee
verschijnselen die zich vooral in rederijkerstaal veelvuldig voordoen: de
postposita en de basterdwoorden. In mondeling taalgebruik was het
achtergeplaatste bijvoeglijk naamwoord vrijwel beperkt tot een klein aantal
vaste uitdrukkingen, in kerkelijke en ambtelijke taal leidde het nog een taai
quasi-bestaan, in dichterlijke taal alleen bleef het door z'n bruikbaarheid in
leven. Het was immers naast het gebruik als naamwoordelijk deel van het
gezegde, een tweede mogelijkheid om een adjectief, onverbogen en beklemtoond,
in rijmpositie te plaatsen; dit kon anders alleen maar bij enjambement, een
verschijnsel dat strijdig werd geacht met een gelijkmatig verloop van zinsbouw
en versbouw. Ook in metrisch opzicht betekende het postpositum een vergroting
van de vrijheid doordat men keuze had tussen twee vrijwel gelijkwaardige en
toch ongelijke woordverbindingen: ‘moeder lief’ heeft maar drie
lettergrepen, ‘lieve moeder’ heeft er vier, en in een bepaalde
ritmische constellatie past het ene nu eenmaal beter dan het andere.
Dat de achtergeplaatste adjectiva bij
Bredero uit de rederijkerstaal afkomstig zijn, laat zich
gemakkelijker veronderstellen dan bewijzen. Hij was lid van een Kamer waar de
rederijkerstraditie door de oudere leden nog werd voortgezet, hij had onder
zijn vrienden en kennissen een aantal leden van de brabantse Kamer, en
dáar in elk geval hield men de rederijkerstaal in ere:
Karel Quina,
Jan Sievertsen Colm,
Abraham de Koning,
Joost van den Vondel. In vergelijking met hún
werk uit deze periode is het aantal postposita bij Bredero betrekkelijk gering:
in het gehele
Groot Lied-boeck gaat het de 200 nauwelijks te
boven; in meer dan twee derde van | | | | zijn liederen komt het
verschijnsel niet voor, in een groot deel van de overige slechts éen of
twee maal.
Juist hier blijkt hoe zeer de rijmpositie de aanwezigheid ervan
heeft beïnvloed: de meeste boertige liederen zijn er vrij van; een
uitzondering vormen lied III, vs. 62: Soo ghy vreest de schande groot, en lied
XXII, vs. 32: Met een stemmetje teer, alsook vs. 44-45: Haer jammeren groot/ En
quellinghene snoot. Elders is eveneens vaak het rijm in het geding, zij het
niet steeds: het lied voor
Maria Tesselschade (lied LXXXV), dat in alexandrijnen is
geschreven, heeft éen achtergeplaatst adjectief, en wel de eerste helft
van vs. 41:
Goddinnen rijck van 't schreyer hoec en Ty,
Het is moeilijk uit te maken of er in al de aangehaalde gevallen
niet ook een vleugje ironie meespeelt. Dat is onmiskenbaar zo in Lied XL, het
drinklied bij het bezoek van de haarlemse schutters; de postposita maken daar
meest deel uit van de parmantige dubbelrijmen en hebben dus een duidelijke
functie. Dat is niet zo in Lied LII, met 8 of 9 maal een achtergeplaatst
adjectief in 72 verzen, en evenmin in de liederen LIII (8 maal in 100), LXIII
(9 maal in 65), LXV (8 maal in 80) en CXX (9 maal in 82 verzen). In al deze
gevallen bevestigen zij het ook door andere factoren bepaalde karakter van
rederijkerswerk.
Wat voor de postposita geldt, geldt evenzeer voor de basterdwoorden:
ze vergroten de voorraad bruikbare termen in ritme en rijm, en geven door hun
franse afkomst er bovendien blijk van, deel te hebben aan een hogere
beschaving. Door de nabijheid van het sociaal en politiek overheersende Frans
waren uiteraard vooral de zuidnederlandse rederijkers aan deze invloeden
blootgesteld, en ze namen die smet als een distinctief mee bij hun komst naar
het noorden. Maar het was een betwist distinctief: het verzet tegen de
verfransing is beslist geen uiting van typisch hollands taalbesef.
Bredero heeft de onwaarde van dit soort uitheems
klatergoud spoedig doorzien. In zijn
Klucht vande Koe laat hij de zelfgenoegzame boer
in de herberg pochen op zijn prestaties als dorpsrederijker en het bewijs
daarvan leveren in een eigenmakelig rondeel:
Ick brenght u eens met een discordatie,
En ick hoop, ghy sultet wachten plaan,
Al en is dit geen fraeye arguwatie.
Ick brenght u eens met een discordatie,
Ja al maack ick weynich dispensatie,
So sult ghy 't annemen saan,
Ick brenght u eens met een discordatie,
En ick hoop ghy sultet wachten plaan,
Gy syt mijn alderliefste graan.
Daar de
Klucht vande Koe gedateerd is op 5 augustus 1612,
mag men ervan uitgaan dat
Bredero in later werk zulke quasi-fraaiigheden zoveel
mogelijk zal hebben geschuwd. Ze passen niet bij zijn pleidooi voor de
gesproken volkstaal, | | | | dat zelfs overging in kritiek op de
taalstilering van de leidse geleerden. Zoveel mogelijk: want de begrenzing van
het begrip basterdwoord is nog zo eenvoudig niet. Boter en kaas, plein en
straat zijn eens basterdwoorden geweest, en bureau en cadeau zullen ophouden
het te zijn zodra men er algemeen toe overgaat buro en kado te schrijven. Dan
is hun onhollandse klemtoon evenmin bezwaarlijk als bij kantoor of portret. En
bovendien: is die klemtoon wel zo onhollands, gezien ontzag, boerin,
stadhuis, volmaakt en hardleers? Dat woorden, door
Bredero gebruikt, zoals: glorieus, partuur, turbeert en
secreetlyck in 1612 basterdwoorden waren en ook als zodanig werden gevoeld
lijdt geen twijfel; maar wie kan dat met evenveel zekerheid zeggen van: tyrant,
coleur, fantijsije en protest? Ook echter als men deze ten volle meetelt, gaat
het totale aantal in het
Groot Lied-boeck de 80 niet te boven. Daaruit
alleen volgt al dat 120 liederen of meer er geheel vrij van zijn. Bij ongeveer
20 treft men maar éen maal een basterdwoord aan. Een zekere concentratie
ervan doet zich bij zes liederen voor: lied XLVI: negen maal in 56 verzen; lied
LI: vier maal in 60 verzen: lied LIII: vier maal in 100 verzen; lied LXV: vijf
maal in 80 verzen; lied CXXI: zeven maal in 72 verzen; en lied CLVII: acht maal
in 64 verzen. Bij de negen van lied XLVI staan er zes in rijmpositie, bij de
zeven van lied CXXI vijf, waarvan direkt vier in de aanvangsstrofe:
Oorspronck van myn quellagie,
Toecomend' lief doet my verblijen,
Dese druck of duldich lijen:
Het meest opvallende en op zichzelf misschien wel het minst
belangrijke rederijkerskenmerk is de term Prince boven de laatste strofe
van een gedicht. Mocht deze eerbiedige aanspreekvorm van de beschermheer ooit
zin hebben gehad bij mondelinge voordracht in de Kamer, in gedrukte teksten
ontbreekt die ten enen male. Dan immers is er geen tweede, zelfs geen
lijfelijke eerste persoon: de lezer is met het boek alleen. Waarom dit hem
opeens zou moeten toespreken met een vorstelijke titel die hem niet toekomt, is
duister. En dat het lied z'n slotfase nadert, heeft hij aan de bladspiegel al
met éen oogopslag kunnen zien. Buiten de rederijkerstijd is er dan ook
nooit een periode geweest waarin dichters of lezers behoefte hebben gevoeld aan
een hulpmiddel van deze aard. Al kan men | | | | moeilijk menen dat
Bredero er wel behoefte aan had, toch komt deze term bij
hem in meer dan 50 van de 200 liederen voor.
De authentieke vorm, afzonderlijk boven de laatste strofe, is
overigens een zeldzaamheid: die vindt men alleen in de liederen XLII, CVII en
CLII. Dat de betekenis daar strikt formeel is, blijkt overduidelijk: in lied
XLII wordt namelijk direkt in de aanhef van de slotstrofe de wérkelijk
toegesproken persoon genoemd: Princes, dat wil zeggen het met vertoon
van onderdanigheid beminde meisje. Ook in lied CVII staat de context niet toe
dat er echt een aangesproken manspersoon zou zijn bedoeld; en in lied CLII
evenmin.
Wordt de term Prince gevarieerd tot Princes, dan heeft
dat kennelijk alle zin: het hele lied is voor een vereerde jonge vrouw
geschreven. Meer nog dan door het persoonlijk voornaamwoord ick worden
de liederen CIII, CXXX en CLIX dan ook beheerst door u en uw en
ghy. Soms is de vleinaam Princes al eerder in het lied aanwezig
(CLIX, vs. 4). Nu echter, afzonderlijk boven de slotstrofe geplaatst maar
geheel passende in de context aldaar, gaat van deze aanspreekvorm tot het
geliefde meisje de suggestie uit dat de dichter niet wil eindigen zonder nog
eens met nadruk haar aandacht te hebben gevraagd: als was zijn liefdeslied een
soort serenade.
In alle andere gevallen, en dat blijven er nog een kleine vijftig,
is de term Prince of (vaker) Princes opgenomen in de slotstrofe
zelf, meestal als inzet maar niet eens altijd. In lied LII staat Princes een
regel lager, zo ook Princesje in lied LVII, mijn Prins in lied CIV, Prins in
lied CXXIII, en Princen in lied CLXXX. In lied LIII sluit Prins de voorlaatste
strofe af; en in lied CLV vormt Mijn Prinsch zelfs de inzet van de voorlaatste
strofe; misschien volgt hieruit dat er geen strofen van vier maar van acht
regels zijn bedoeld, hoewel ook de zetwijze in
Griane - waar dit lied thuis hoort - daar niet op
duidt.
Door de plaatsing in de tekst geheel tot onderdeel van het
vers geworden, heeft de aanspreekvorm een wisselende betekenis gekregen die
uitsluitend door de context wordt bepaald. In zeven gevallen is God bedoeld, in
lied CLXVI staat er dan ook in alle duidelijkheid: O opper Prins, en Heer; in
lied CLXXIV: Opperste Prins en Heere. In vier gevallen met meervoudsvorm richt
Bredero zich tot de heersers, de machthebbers; soms is
het woord zo organisch in het vers opgenomen dat de herinnering aan de
rederijkerstraditie vervaagt: bijvoorbeeld lied CLXXX: ‘Ghy Princen
stout, ghy weecke groote Heeren.’ In zes gevallen wordt het lied gezongen
door een jonge vrouw en bedoelt zij met Prince haar geliefde. Een
uitzondering vormt lied LIV waar de toegesproken Prins de
gepersonificeerde mei-maand is, die overigens tweemaal, in lied LVI en LXIII,
blijkens de term Princes, als een vrouw verschijnt.
Dit zijn de enige twee uitzonderingen op de regel dat met
Princes, Princesse en Princesje (of welke mogelijkheden nog meer)
een geliefde wordt bedoeld. Niet steeds dezelfde geliefde en niet steeds in
gelijke omstandigheden. Slechts in éen | | | | geval is deze geliefde
echt een prinses, althans een toneelprinses: lied CXXI, het lied van de herder
Daifilo voor de perzische prinses Granida (I:403). Ook als er hier een
maskerspel wordt opgevoerd waarbij achter Daifilo de dichter zelf en achter
Granida een hollands meisje schuilgaat, dan nog heeft het woord Prinses
een andere connotatie dan in de overige gedichten. Dáarin - en dat zijn
er 25 - is de titel Prinses vervallen tot een vleinaam, een soort
epitheton ornans. Wie een doodgewoon amsterdams burgermeisje zó
aanspreekt - alleen de term Goddin zal nog superlatiever zijn - bedoelt
niet anders dan huldigende verliefdheid te doen kennen; en wie haar
Prinsesje noemt, met zo'n zoetvloeiend verkleinwoord, voegt daar nog een
element van vertrouwelijke lieftalligheid aan toe. Maar als in lied XXV het
meisje afkerig blijkt te zijn, kan er in Princesse ook wel iets van
hooghartigheid en ongenaakbaarheid zijn uitgedrukt.
In al deze gevallen is het eigenlijk alleen de plaatsing van het
woord en soms bovendien een afwijkend lettertype, waardoor de lezer
gewaarschuwd wordt dat er iets bijzonders aan de hand is; zo wordt de relatie
met de rederijkerstraditie althans nog enigszins in stand gehouden. Het feit
echter dat de term Prinses ook te vinden is op heel ándere plaatsen, in
lied CXXVI zelfs al in de aanhef, kan duidelijk maken hoe relatief deze relatie
bij Bredero al was geworden.
Maar geldt dit niet voor ál het retoricale erfgoed? Op een
enkele uitzondering na maken de liederen de indruk, dat hij dit erfgoed enkel
onder beneficie van boedelbeschrijving aanvaardt: het bruikbare wel, het
overbodige niet. De liederen met een wat grotere concentratie van
rederijkers-elementen blijven beperkt tot een dozijn: XLII, XLVI, LII, LIII,
LIX, LXIII, LXV, CXX, CXLIII, CLIII, CLVIII en CLIX. Wie deze reeks herleest,
kan nog iets anders opmerken: in acht ervan wordt de tekst beheerst door een
haast emotieloos geredeneer: over de last van de liefde; over de hindernis van
de schaamte; over de nacht; over de mei; over de min; over de vijf zinnen. Ook
de overige, die tot het amoureuze genre behoren, tonen meer vernuft dan passie.
In lied CLIII treft de typisch middeleeuwse inzet, het is éven een vleug
volkslied. Van al dit werk kan men zeggen dat het waarschijnlijk vóor
1610 zal zijn ontstaan en dat
Bredero zelf het wel nooit zou hebben gepubliceerd.
| |
V
Geen enkel cultuurverschijnsel is eenkennig genoeg om zich
uitsluitend te verbinden met de eigen soort. Wanneer de renaissance met haar
maatvaste keurtroepen van alexandrijnen en sonnetten van het zuiden uit
opdringt, wordt de voorhoede van antieke goden en helden door de rederijkers
van Brabant en Vlaanderen met eerbied ingehaald. De vrome aanbidding van Jezus
en Maria vermindert nauwelijks, maar intussen eisen Venus en Cupido, Apollo en
de Muzen met toenemend gezag hun plaats op in de poëzie; en niet enkel
met | | | | humoristische bedoelingen. Ook de traditionele versvorm van de
rederijkers vermindert voorlopig niet: wanneer
Cornelis van Ghistele, factor van de antwerpse Kamer
De Goudsbloem, in 1556
Vergilius vertaalt, laat hij de
Aeneis verschijnen in refereinen van vijftien
regels (herdruk Rotterdam 1606). Dat was voor latere generaties,
vertrouwd met de alexandrijn, een onaanvaardbare zaak. Maar al hun kritiek
neemt niet weg dat deze ontwikkelde wever, die zich zó zeer had bekwaamd
dat hij latijnse gedichten kon schrijven, als éen der allereersten door
zijn vertalingen een brede kring van burger-lezers in staat heeft gesteld
althans enig begrip op te doen van het klassieke cultuurbezit:
Ovidius (1553);
Terentius (1555);
Sofokles (1556);
Horatius (1569). Dat
Bredero déze uitgave van Terentius' blijspelen
heeft gekend, gewogen en te licht bevonden, blijkt uit het voorbericht van zijn
Moortje; en dat Bredero een vertaling van
Livius, Antwerpen 1541, in zijn bezit
heeft gehad, blijkt uit het bewaard gebleven exemplaar waarin Gerbrands vader
de dood van zijn zoon en die van zijn vrouw heeft ingeschreven.
Het ligt voor de hand, dat
Bredero ook vertalingen van
Coornhert zal hebben gekend:
Boethius (Deventer 1557, op basis van een
oudere gentse bewerking; herzien 1585; 1615);
Officia Ciceronis (Haarlem 1561);
D'eerste twaelf Boecken Odysseae
(Haarlem 1561, via het Latijn; herdrukt 1593, 1598, 1606, 1607);
Seneca vanden Weldaden (Haarlem 1562);
Horatius'
Beatus ille (in
Lied-boeck 1575, geen ex. bekend; herdrukt 1582,
en in
Wercken I, 1612);
Lucianus (via Latijn van
Erasmus, in
Wel-levenskunste 1586).
Van Ghistele in het zuiden,
Coornhert in het noorden, zijn niet de enigen geweest
die door hun vertalingen het klassieke cultuurbezit toegankelijk hebben gemaakt
voor hen die enkel Nederlands lazen. Het is onmiskenbaar dat er in het derde
kwart van de zestiende eeuw een toenemende belangstelling heeft bestaan voor de
latijnse en - in iets mindere mate - de griekse letteren. En dan niet enkel de
poëzie, ook de geschiedschrijving, ook de wijsbegeerte. De schokkende
politieke en militaire gebeurtenissen in het laatste kwart van de eeuw hebben
deze ontwikkeling verstoord, maar de periode na het eeuwjaar gaf een
opmerkelijke herleving te zien:
Plutarchus (1601);
De tweede XII Boecken Odysseae (deels door
Coornhert vertaald, deels door B.D.;
Amsterdam 1605, gewijzigde herdruk 1609);
Herodianus (1608);
Justinus (1610); de
Ilias (1611);
Caesar (1614);
Tacitus (1616); de reeks is geenszins volledig.
Het allerbelangrijkste echter voor de kunstlievende Hollanders is
het werk geweest van de naar het Noorden uitgeweken Westvlaming
Carel van Mander: het
Schilder-Boeck (Haarlem 1604; herdrukt 1618), met
daarbij de zowel voor dichters als voor schilders vrijwel onmisbare
Wtleggingh op den Metamorphosis Pub. Ovidii
Nasonis. een ‘Fundgrube’ voor motieven en
vergelijkingen (herdrukt 1616). De grote invloed die de classicus
Reinier Telle van ongeveer 1611 af op zijn jongere vriend
Bredero zal hebben uitgeoefend, wordt er niet minder om als men erkent dat een
leergierig man ook toen zelf al uit de bestaande vertalingen een | | | | heel behoorlijke kennis had kunnen verwerven inzake de antieke
mythologie, wijsbegeerte en literatuur.
Terwijl het
Groot Lied-boeck zo'n 150 liederen telt waarin
geen enkele ontlening aan de Oudheid opduikt, zijn er 12 met terloops
éen maal een klassieke naam: Venus (in vier liederen), Cupido (in drie
liederen), Circe, Hector, Iupijn, Medea, Lycurgus (elk in éen lied). Het
raadselachtige fabellied LXXXII draagt de naam Aesopus alleen in zijn titel.
Het meest opmerkelijke uit deze bescheiden groep met uiterst bescheiden
klassieke ontleningen is wel lied CLIII: terwijl de aanhef doet denken aan een
middeleeuws volkslied, is het gedicht zelf rijk voorzien van
rederijkerselementen: binnenrijm in vs. 6 van elke strofe; achtergeplaatste
bijvoeglijke naamwoorden in vs. 4, 7, 10, 13, enz.; basterdwoorden in vs. 5, 6,
24; woordspeling op de eigennaam in vs. 33; en toch: opeens een aanroep tot
Venus in vs. 31. Maar dat is, als inzet van de slotstrofe, immers de bij
rederijkers traditionele plaats van de Prince!
Twaalf liederen zijn er ook waarin een wat groter aantal klassieke
ontleningen aanwijsbaar is, negen die er geheel door worden beheerst. De grens
tussen deze beide groepen is moeilijk te trekken. In het amoureuze lied LXIX
bijvoorbeeld worden Phoebus en Venus maar éven genoemd (vs. 5, 32), maar
als in vs. 41 Att'lanta verschijnt, ontleend aan boek X van de
Metamorfosen, rijst meteen de vraag of zij als de
belichaming van het conflict tussen geld en liefde het lied al niet van de
aanvang af heeft gedomineerd. Een overeenkomstige situatie doet zich voor bij
lied CLX, het Florinde-lied, waar ditzelfde conflict aanvankelijk in een
ethisch en emotioneel betoog wordt behandeld, tot het zich in de tiende strofe
concretiseert in de figuren van Iupin en Danae, de minnaar vermomd als gouden
regen, bekend uit boek IV van de Metamorfosen. In lied LXXIV is het niet
wezenlijk anders: de eerste strofen huldigen de aangebedene als een zó
zeldzaam begaafd wezen dat een betiteling als Myn Sappho (vs. 25) meer
verrast door dit bezittelijk voornaamwoord dan door de klassieke naamgeving.
Maar groter verrassing nog verschaft de laatste strofe (met binnenrijm
overigens, alsook met Bredero's zinspreuk) en wel speciaal het paar
slotregels:
Maar siet, dat ghy// o Sappho! my
Hier immers rijst de vraag, of niet het gehele gedicht geschreven is
van deze bange Sappho-Phaon-visie uit.
Ten aanzien van het treffende, door een vrouw gezongen afscheidslied
LXXXIX is zoiets geen vraag: het gedicht berust kennelijk op de vereenzelviging
van het eigen gevreesde lot met dat van Alcyone, die de verdrinkingsdood van
haar man in een droom voorzag en daarna ook als feit beleefde, zoals
Ovidius in boek IX van de
Metamorfosen verhaalt.
Bij de negen geheel op klassieke motieven gebouwde gedichten kan men
twee groepen onderscheiden: de liederen XLIV en LXVIII, op dezelfde melodie
geschre- | | | | ven, zijn blijkbaar bestemd geweest om bij een speciale
gelegenheid te worden opgevoerd. In lied LXVIII vindt men zowel de zinspreuk
van de brabantse Kamer als die van d'Eglentier verwerkt (vs. 43,
44); het zal dus wel dienst hebben gedaan bij een vriendschappelijke
ontmoeting: een feest, een wedstrijd? Door zijn strofische bouw is lied XXXIV,
Der Goden Waertschap, hiermee verwant; anderzijds is het door zijn thematiek
verwant aan de overige zes.
Deze zes andere gedichten, die op het openingslied van Apollo na
alle bestemd zijn geweest voor een bruiloft, hebben niet minder dan vijf
eigenschappen gemeen: het zijn dichterlijke fantasieën, samengesteld uit
grotere en kleinere brokken klassiek materiaal; hun versvorm is de alexandrijn,
vijf maal met gepaard, éen maal met gekruist rijm; ze hebben een
uitzonderlijk grote omvang, variërend van 112 tot 248 verzen; ze hebben
alle de structuur van een toespraak; ze kunnen met voldoende nauwkeurigheid
worden gedateerd; aldus:
| februari | 1612 | XVII | 112
vzn. | I: 91 |
| maart | 1612 | LXI | 136
vzn. | I:
230 |
| november | 1613 | XLVII | 174
vzn. | I:
183 |
| denkelijk | 1614 | Apollo | 248
vzn. | I: 21 |
| april | 1618 | XCV | 154
vzn: | I:
330 |
| zomer | 1618 | CXXXVI | 212
vzn. | I: 445 |
In het eerste werk verhaalt de dichter-voordrager hoe hij door
Cupido werd meegenomen naar de hemel en daar de erotische bezetenheid van de
goden waarnam; toen Cupido hem aanspoorde die te beschrijven, werd Jupiter
zó boos dat hij hen uit de hemel smeet. Samen met Cupido op aarde, ziet
de dichter ook hier diens onweerstaanbare macht, zoals immers bij dit
bruidspaar. Het gedicht is evenredig opgebouwd uit drie delen van elk zo'n
veertig versregels: eerst de hemel, dan de aarde, tenslotte de bruiloft.
In het tweede verhaalt de dichter hoe zijn geest, terwijl zijn
lichaam sliep, omhoog vloog en bij de goden aankwam juist toen die hadden
besloten dat het jongvolk op aarde moest liefhebben en kussen. Daar Cupido vond
dat zo'n wet dan ook voor de goden zelf moest gelden, stak hij velen van hen
aan met een erotische bezetenheid, zó heet dat de geest van de dichter
de hemel ontweek. Ook Cupido zelf daalde af - in de ogen van de bruid. Het
gedicht is overzichtelijk gebouwd: na een korte inleiding volgt het tafereel in
de hemel (de helft van de totale omvang); daarna komen nog twee korte delen, de
aarde, de bruiloft.
Het derde gedicht ontleent z'n thematiek aan
Plato's
Symposion: eens heeft er op aarde een ras van
dubbelmensen geheerst, dat zelfs de goden bedreigde; deze besloten daarop hen
te splitsen: sindsdien is elk op zoek naar zijn wederhelft, en pas gelukkig als
hij die ook vindt - zoals deze bruidegom zijn bruid. Het gedicht bestaat uit
twee delen van vrijwel eendere omvang.
Apollo is een toespraak: de klassieke god van de schoonheid,
de leider van de Muzen, neemt het woord en richt zich tot de jeugd om zichzelf
in zijn veelzijdige | | | | grootheid kenbaar te maken, de glorie van zijn
dichters te verkondigen en vooral de meisjes op te wekken hun poëzie te
lezen.
Het bruiloftsgedicht van april 1618 bestaat uit een reeks korte
toespraken van de dichter, van Jupiter, Pallas Athene, Hymen, Venus, Cupido en
opnieuw de dichter; ondanks alle klassiekheid komt het dus overeen met een
tafelspel.
Het laatste bruiloftsgedicht, met gekruist rijm, verhaalt de strijd
van Venus en Cupido enerzijds met de van liefde afkerige godin van de wijsheid
Pallas Athene en de welsprekende Mercurius anderzijds; het object van hun
strijd is de jongeman die, tenslotte door de liefde getroffen, hier nu als
bruidegom aanwezig is.
Er is in deze gedichten niet enkel een grote hoeveelheid klassieke
stof geïnvesteerd, maar bovendien moet
Bredero genoeg vertrouwd zijn geweest met de
mythologische motieven om er zo speels mee te kunnen omgaan.
Al deze zes gedichten met hun in totaal meer dan duizend versregels
zijn geschreven in alexandrijnen; zo ook de overige vier bruiloftsgedichten;
voorts nog 26 andere liederen, meest in strofen van vier regels, en 7
sonnetten. Hoe karakteristiek de alexandrijn ook voor de nederlandse
renaissance mag zijn, hij is per slot van rekening niet anders dan een
verbijzondering van het jambische vers en toont zich even bruikbaar voor
stichtelijke als voor klassieke stof. Hij verzet zich zelfs niet eens altijd
tegen een verbinding met rederijkerslementen, al is het resultaat soms dubieus,
soms voor ons gevoel ronduit stijlloos: Prins in de liederen LIV, CLXVI,
CLXXIV en CLXXXVI, Princes in de liederen CXXX en CXLVIII; een virtuoze
rijmtechniek met regelomkering in lied LVII; een middenrijm bij de cesuur in
vs. 1 en 2, en een drievoudige herhaling in vs. 4 van elke strofe in lied
LXXXIII; een refreinregel in lied CXIV; een tekst van moraliserende
banaliteiten over Elck in lied CLXX, over Self in lied CLXXV, en
tenslotte de ondermaatse stichtelijkheid van het Klachtigh A.B.C. Liedt
(I:573). Het is verleidelijk al deze gedichten te beschouwen als overgangswerk
uit de periode dat
Bredero loskwam van de rederijkerij en nog niet ten
volle vertrouwd was met de renaissancistische vormgeving; maar in biografisch
opzicht is er voor zo'n veronderstelling geen vaste grond, en niemand kan
zeggen of die periode twee, vijf of tien jaar heeft geduurd. Het is altijd weer
dezelfde vicieuze cirkel: als men de chronologie kende, kon men de ontwikkeling
vaststellen; als men de ontwikkeling kende, wist men tennaastebij de
chronologie.
Wat echter wel vaststaat is dat de alexandrijn, zoals
Bredero die in 1612-1613 in zijn bruiloftsgedichten
schrijft, een metrische entiteit blijkt te zijn, afgesloten door een klinkend
eindrijm en een hoorbare pauze. In de meeste gevallen staat er een leesteken,
en waar dit ontbreekt is er toch maar zelden een echt enjambement.
In principe hebben Bredero's alexandrijnen ook een duidelijke
cesuur, vaak gemarkeerd door een leesteken; toch zijn er af en toe gevallen
waar geen onderbreking mogelijk is, bijvoorbeeld als een voorzetsel in de derde
versvoet staat en het bijbehorende substantief in de verdere vershelft. Het is
wel opmerke- | | | | lijk dat dit verschijnsel zelfs voorkomt in een hele
reeks versregels achtereen:
De gantsche Hemel was vol Minnelijck ghewoel,
Een yder roemden van dat lieffelijck ghevoel,
Een yder roemden van dat vriendelijcke strijen,
Een yder claachden van dat bitter soete lijen,
Een yder claachden van den kouwden heeten brandt,
Die yder snerckten in zyn raesend inghewant.
De alexandrijn bij
Bredero heeft echter nog andere eigenschappen dan de
hoorbare aanwezigheid van tweemaal drie jamben met uiteraard de gewone
varianten van onderbetoning of overbetoning en af en toe een omzetting, meest
van de eerste jambe. De alexandrijn betekende voor hem blijkbaar een uitdaging
om méer te beheersen dan de metrische klankverhoudingen alleen. Zijn
taal werkt ook elders wel met assonantie en alliteratie, maar in de echte
rederijkersverzen is er weinig ruimte voor, gezien de voorkeur voor binnenrijm
en middenrijm. Soms is de grens moeilijk te trekken: in lied XLVI kan men de
suggestieve klankherhaling in vs. 37 toch beter assonantie dan middenrijm
noemen, omdat ze in geen enkele andere strofe aanwezig is en dus niet tot de
strofische structuur behoort:
Van 't gheboeft, dat by ontijen
Gaen woen en doen de goen, ghewelt,
In de boertige liedjes treffen assonanties als ‘Aelwerige
Arent’ (I: 48) of in drievoud: ‘Nicht bedwinght iou
sinlijckheyd’ (I: 57). Het zijn echter vooral de gedichten in
alexandrijnen waar ze een grote rol spelen, niet enkel kwantitatief - gemiddeld
zo'n drie maal per tien verzen - ook intensief: Der Minnen blinde God (I: 91);
Der Goden throon (I: 91); Die gants dit nieuwe vier (I: 91); en clapten in zijn
handen (I: 92); door teed're Ioffren bleeck (I: 93). Soms zijn er twee
assonanties aanwezig in een chiastische structuur:
Om sotte clapperny oft malle vollicx praten.
In een ander vers uit ditzelfde bruiloftsgedicht vindt men twee
suggestieve assonanties gevolgd door een drievoudige alliteratie:
Siet daar Aurora zelfs bedoven inde Rosen
Stuyft uyt het pluymich bed, en laet den liefdelosen
Al vormt de alliteratie ook in liederen als: ‘Boeren
Geselschap’ (I: 47) ‘Toover-Liedt’ (I: 157) en
‘Amoureus-Liedt’ (I: 387) een opmerkelijk element, en al wordt ze
in ‘Kockje’ (I: 196), ‘Als ik in myn gedacht’ (I: 360)
en het afscheidslied voor de diplomaat Rutgers (I: 426) zelfs toegepast met een
onmiskenbare virtuositeit, ze is nergens zo veelvuldig en suggestief aanwezig
als in zijn alexandrijnen: ongeveer twee maal per tien verzen. En dan niet
enkel als versiering, maar vooral als middel om de muzikaliteit van het vers te
verhogen, een factor van belang bij teksten die bedoeld zijn om te worden
voorgedragen en aangehoord. Maar vaak | | | | gaat de werkingssfeer die van
de klank te buiten, zoals dat ook gebeurt bij zegswijzen als: recht van lijf en
leden, ergens paal en perk aan stellen, taal noch teken. De klankherhaling is
in zo'n geval meer dan versiering, meer ook dan een mnemotechnisch hulpmiddel,
ze werkt als een zinrijke versterking van de betekenis, dank zij het samengaan
van verwante klank en verwant begrip. Zulke mogelijkheden laat
Bredero niet ongebruikt; in eigen verbindingen als:
stooft en streelt (I: 21), raet en reden (I: 147), nut en noodig (I: 185)
bereikt hij eenzelfde effect.
Soms breidt de alliteratie zich uit over meer dan twee woorden:
Als my de vaack verwan, vervloogh mijn vlugge gheest,
soms is er een tweevoudige alliteratie, zoals verderop in ditzelfde
bruiloftsgedicht uit maart 1612:
Drang door de dichte schaar, tradt met een trotse tred,
Maar deze laatste alexandrijn heeft zijn expressief vermogen niet
enkel te danken aan de beide klankherhalingen. Van invloed is ook het feit dat
zowel de eerste als de vierde jambe zijn omgezet: de nadruk ligt niet op de
tweede maar op de eerste lettergreep, niet op de achtste maar op de zevende.
Zo'n parallelle ritmische beweging van de beide vershelften zou in de periode
van het impressionisme ‘klankschilderend’ worden genoemd. Maar iets
behoeft geen naam te hebben om een feit te zijn.
Een dergelijke combinatie van stijlverschijnselen is ook te vinden
bij de meest geladen alliteratie uit Bredero's gehele werk. Het woord
‘brand’ voor vurige verliefdheid is in erotische poëzie
zó gebruikelijk, dat het moeilijk valt bij een bruiloft de alliteratie
te ontgaan.
Hooft heeft er dan ook gebruik van gemaakt, en
Bredero is hem daarin gevolgd. Maar zijn ontlening heeft
geen spoor van plagiaat, integendeel. Zijn vers glanst van een tintelende
spontaneïteit, wanneer hij ertoe komt een gelukkige jongeman vlak voor
diens eerste huwelijksnacht aan te spreken met ‘Brandende
Bruydegom’ (I: 186). In een stichtelijk bruiloftsgedicht - en zó
heeft Bredero ze ook geschreven - zou die uitdrukking misplaatst zijn geweest;
maar hier past ze feilloos: het gedicht, geïnspireerd op
Plato's
Symposion, is van top tot teen erotisch en de
jeugdige bruidegom, naar men mag aannemen, was het toen ook. Het expressieve
vermogen ontstaat ook hier zowel door de alliteratie als door de omzetting van
de eerste jambe. Dat het niet énkel of grotendeels de omzetting is, kan
blijken uit twee versregels van ditzelfde gedicht waar de uitdrukking wordt
gevarieerd: ‘Blakende Bruydegom’ (vs. 91) en ‘Vierighe
Bruydegom’ (vs. 111). De omzetting is eender, de betekenis is eender,
maar de alliteratie ontbreekt en daarmee een groot deel van de suggestieve
kracht.
Is de alexandrijn karakteristiek voor de renaissance, het sonnet is
het evenzeer, ook in de nederlandse letteren. In het
Groot Lied-boeck wordt de term Sonnet acht maal
als titel gebruikt, maar ook afgezien van hun verspreide plaatsing vormen deze
gedichten geen homogene groep. Het beroemde sonnet | | | |
Vroegh in den dageraet, de schoone gaet ontbinden
in
Apollo 1615 gepubliceerd als Het eerste van de
schoonheid, is waarschijnlijk niet van Bredero's hand en dus ten onrechte in
zijn liedboek opgenomen.
* En
het triomfantelijke openingsgedicht
Tot sulcken grootheydt sal Amstelredam noch komen,
Dat het in treff'lijckheyd sal overwinnen Romen
deze zeer vroege uiting van de later zo veelvuldig inspirerende
stedelijke trots der Amsterdammers, voert de naam Sonnet als een ijdele
pretentie: er zijn weliswaar veertien rijmende regels, en die staan inderdaad
ingedeeld in groepen van vier en vier, plus drie en drie; maar van enig formeel
kenmerk is verder geen sprake.
* De
verzen hebben gepaard rijm, afwisselend slepend en staand; er zijn dus
achtereenvolgens zeven verschillende rijmklanken. Er is geen volta,
integendeel, de verzen 8 en 9 zijn door samentrekking van het onderwerp zelfs
zeer nauw verbonden; en ook bij de vzn. 11 en 12 is de samenhang bijzonder
sterk: ze vormen samen éen hoofdzin. Indien lied CLXII, Bredero's
veertienregelig gedicht over de ontroering vóor zijn Op-trecken met het
Vaandel (I: 519) typografisch op dezelfde wijze zou zijn gepresenteerd, had ook
dit de titel van Sonnet kunnen voeren, uiteraard evenzeer ten onrechte.
De overige zes sonnetten voldoen aan strikte eisen: het rijmschema
is steeds a b b a a b b a c c d e e d; er is
veelal een duidelijke volta, alsook een duidelijke scheiding tussen de beide
terzetten. Met uitzondering van het sonnet in het Frans dat als vroom gebed
gericht is op de liefde Gods (I: 354) hebben alle andere ook hun gerichtheid op
de aardse liefde gemeen, op de liefde die verliefdheid heet, een onvoltooide,
onbeantwoorde liefde, een liefde in mineur. Sonnet CXLIV is afkomstig uit de
Tragische Historien en bezit dus uiteraard de
ietwat romantische sfeer van die novellen. Sonnet CXLV heeft bij uitzondering
in vs. 6 als rederijkersrelict Bredero's voornaam, maar het compenseert dit
door in de terzetten het rijmschema te verstrakken tot c c d c c
d, zodat het gehele sonnet beheerst wordt door maar vier rijmklanken in
totaal. In de overige drie sonnetten is de renaissance onbeperkt aanwezig, al
kan men menen dat in lied CXXXV en CXXXVIII de woordkeus te direkt is, te
openhartig, niet aristocratisch genoeg van terughoudendheid (I: 444 en 459).
Aan die eis voldoet lied XCIV in ieder geval wel:
Van dat Aurora vroech den dach begint de kippen
Meer nog dan verwantschap met
Hooft, kenmerkt een sterke verwantschap met de
Pléiade dit meesterstuk van Bredero's renaissancistische lyriek.
| | | | | |
VI
Op de huwelijksakte van Bredero's ouders, oktober 1581, tekent de
bruidegom met zijn naam, de bruid met het huismerk. Dat typeert meer de
toestand in het algemeen dan die van haar persoonlijk. Te kunnen lezen en
schrijven was een luxe, een statuskenmerk van de gegoede stedelijke burgerij;
wat daarbuiten of daarbeneden viel, de boeren, de landarbeiders en ambachtslui
in de honderden dorpen en dorpjes van Holland, het werkvolk en de marginale
bazen en winkeliers in de tientallen stadjes, had daaraan nauwelijks deel, een
man bij uitzondering, een vrouw vrijwel nooit. In deze autochtone volksmassa
van arme, vaak doodarme, en vrome analfabeten en half-analfabeten was de
laat-middeleeuwse levenssfeer nog vrijwel intact, al hadden velen impulsief
gekozen voor het nieuwe geloof of althans hun binding met het oude verloren. De
hachelijke tijd dat rondtrekkend krijgsvolk nam wat het nodig had aan voedsel,
inlegering en vrouwen, was godlof voorbij; wanneer er nu gevochten werd,
hoorden de Amsterdammers er soms later iets van, soms nooit; en het was altijd
ver van hun bed. Het leven ging door, men hernam de voorouderlijke arbeid en de
voorouderlijke tradities meteen, heel het dwingende maar niet als dwang ervaren
patroon van gewoonte en fatsoen in klederdrachten en gedragingen, bij
jaarmarkten, kermissen, vrijerij, bruiloften, doopfeesten en begrafenissen,
heel de mondelinge cultuur ook van het sterke verhaal, het bijgeloof, de
schuine mop en het volkslied, hoe weinig daarvan op papier mag zijn vastgelegd
en overgeleverd.
Bij de welgestelde, enigszins geletterde burgerij van
Amsterdam bestond een zekere belangstelling voor de
rederijkerskamer d'Eglantier. Omstreeks het eeuwjaar behoorden
kooplui als
Hendrik Laurensz. Spiegel en
Roemer Visscher daar tot de leidende figuren, eertijds
in hun taalkundige bemoeiingen van Haarlem uit bijgestaan door hun
oudere en veelzijdiger vriend
Coornhert. Als literaire centra waren
Haarlem en Leiden in het laatste kwart van de
zestiende eeuw niet minder belangrijk geweest. Alle drie de steden hadden in de
jaren '80 talrijke zuidnederlandse inwijkelingen opgenomen, die hun eigen
rederijkerstraditie in stand trachtten te houden, zodat er naast de oude
stedelijke nu ook een nieuwe brabantse Kamer werkzaam was. Hun aanwezigheid en
de hogere cultuur die zij vertegenwoordigden, heeft onmiskenbaar invloed
uitgeoefend op geheel het literaire leven.
Maar behalve twee Kamers bezat Leiden een
universiteit die al in 1600 z'n vijfde lustrum kon vieren. Van de oprichting af
was het duidelijk, dat hier naast de calvinistische theologie ook de opkomende
renaissance een centrum zou vinden, dank zij cultuurdragers als
Jan van der Does en
Jan van Hout. Wat eens in Gent en
Antwerpen tot bloei scheen te zullen komen maar door de
zegevierende spaanse wapens vrijwel was tenietgedaan, vond hier een
voortzetting in het werk van beroemde, uit het zuiden afkomstige classici als
Scaliger,
Lipsius en later
Daniel | | | | Heinsius. Maar heel de leidse
voorsprong verviel op die meidag van 1601, toen de rijkbegaafde en wereldwijs
geworden burgemeesterszoon
Pieter Corneliszoon Hooft, inmiddels twintig jaar oud,
zijn ‘grand tour’ van meer dan twee jaar Frankrijk en Italië
afsloot door via Duitsland en de noordelijke gewesten met de harlinger boot in
zijn geboortestad terug te keren als de belichaming van de renaissance
zelf.
Sindsdien hielden in Amsterdam drie soorten
poëzie elkaar in evenwicht: het in de subcultuur voortlevende volkslied,
de in twee Kamers officieel beoefende rederijkerskunst; en de uit Italië
afkomstige zelfbewuste renaissance. Dat ze elkaar in evenwicht hielden, is
zelfs als beeldspraak niet helemaal juist: in feite zag elke volgende op elke
vorige neer; dat is altijd zo. Eerst langzamerhand bleek hoe zeer de
renaissancistische principes aan de winnende hand waren. Maar dit proces
verliep geleidelijk, al was er dan de grandioze sprongmutatie die Hooft heette.
En bovendien: waar en wanneer hielden ze elkaar in evenwicht, bij wie, in wiens
geest, in welk milieu? Het is niet gewaagd te menen dat de jonge
Bredero in de Oudezijdsbuurt waar hij
opgroeide, volop contact zal hebben gehad met de volkscultuur, mondeling en
mogelijk ook via een paar populaire liedboekjes. Maar toen hij, hoewel schilder
van beroep, zich zijn talent als dichter bewust werd, lag het voor de hand dat
hij zich voegde naar de bij de burgerij gezag hebbende stijl, de rederijkerij,
al heeft hij waarschijnlijk gauw genoeg de nieuwe vormen en waarden van de
renaissance ontdekt en zich eigen gemaakt. Het zijn deze twee overheersende
cultuurprincipes geweest, die ertoe hebben geleid dat hij pas later actief
beoefende wat hij het eerst had leren kennen: de versvorm van het
volkslied.
Men zou deze gang van zaken opzij kunnen schuiven als óok
maar een mogelijkheid, een min of meer vergeeflijke veronderstelling zoals er
omtrent
Bredero zovele zijn geweest, ware het niet dat hijzelf
ze in ronde woorden bevestigt. In de Voor-Reden tot zijn
Geestigh Liedt-Boecxken, wellicht geschreven in
het voorjaar van 1618, noemt hij zijn boertige liedjes immers
‘Nieuwigheytjes, die ick voor dese van niemandt anders veel gesien
hebbe.’ Zo'n kroongetuigenis is niet te weerleggen.
Bredero is ervan overtuigd geweest met de liedjes zoals
hij die in 1615 in
Apollo had gepubliceerd, iets nieuws, iets
oorspronkelijks te hebben voortgebracht, iets dat ook voor hemzelf een
uitbreiding betekende van zijn creatieve mogelijkheden. En de lof van
Scriverius bevestigde hem in deze overtuiging. Inderdaad
valt er bij geen andere dichter in die tijd een dergelijke herleving van het
volkslied te constateren. Het is overigens de vraag of Bredero zelf zich
déze verwantschap wel bewust is geweest. Sommige dingen ziet men op
afstand het scherpst.
De formele eigenschappen van de eerste zestien gedichten uit het
Groot Lied-boeck laten zich vooral negatief
goed bepalen: geen kunstige schema's van middenrijm, binnenrijm of dubbelrijm
als in de rederijkerspoëzie, geen achterge- | | | | plaatste adjectiva,
geen basterdwoorden; en evenmin sierlijke alexandrijnen als in de
renaissancepoëzie, met godennamen of ander klassiek leengoed. En positief
betekent dit: een gewone woordkeus die openlijk uitkomt voor zijn verwantschap
met de alledaagse volkstaal, eerlijk en eenvoudig, met een natuurlijke zinsbouw
die zich schijnbaar moeiteloos ordent in strofen van vijf à acht verzen
met een simpel rijmschema en soms een refreinregel tot slot.
Maar een gewone woordkeus in poëzie - men kan er alle acht
eeuwen nederlandse letteren op navragen - is hoogst óngewoon. Wie die
uitzonderings-positie inneemt, heeft niet enkel de burgerlijke deftigheid, de
stichtelijke plechtigheid en de artistieke ijdelheid opzij geschoven, maar ook
alle verplichtingen van traditie en mode. De opeenvolging van verschillende
cultuurperioden is maar zelden iets anders dan dat de dogmatische
gehoorzaamheid aan een bestaand vormgevingsprincipe overgaat in de eendere
gehoorzaamheid aan een nieuw vormgevingsprincipe. De moed om zich van elk dogma
te ontdoen blijkt veelal identiek aan het vermogen om een aantal verwaarloosde
taalkwaliteiten te ontdekken en ze dichterlijk toe te passen. Wie de
‘Nieuwigheytjes’ van
Bredero nauwkeurig bekijkt, kan daarin twee van zulke
kwaliteiten aantreffen: er zijn geen beter termen voor dan drastisch en
plastisch. Dit toevallige rijm houdt op ongerijmd te zijn, zodra men inziet dat
er een gemeenschappelijke oorsprong is: Bredero's behoefte aan eenvoudige
duidelijkheid. Ze zijn daarom ook niet altijd te scheiden, al erkent men in het
drastische meer de volksjongen, in het plastische meer de schilder.
Onscheidbaar wat de motivering betreft, zijn al dadelijk de
amstellandse dialektvormen die
Bredero in deze liederen gebruikt, zij het minder in
zijn eigen tekst dan in de dialogen van de sprekend door hem ingevoerde
personen. Daar dit goeddeels boeren zijn, zal zijn eerste motief wel de wens
zijn geweest ze zo natuurgetrouw mogelijk uit te beelden. Maar er is een tweede
motief denkbaar: de wens om ook door een minder geletterd publiek te worden
gelezen, gezongen en begrepen. En nog een derde, totaal tegengesteld: de wens
om een geletterd publiek tegelijk te prikkelen en te vermaken.
Men kan de schilder die
Bredero waarschijnlijk tot aan zijn dood is gebleven
maar van wiens oeuvre nergens iets werd teruggevonden, niet scheiden van de
dichter. Hijzelf was zich dit wel bewust; hij verantwoordt zich immers in de
Voor-Reden tot de derde druk door te verklaren: ‘ick heb als een
schilder, de schilder-achtige spreuck gevolcht, die daer seyt: Het zijn de
beste Schilders die 't leven naast komen, en niet de gene die voor een
geestich dingen houden het stellen der standen buyten de nature, en het
wringhen en buygen der geleden en gebeenderen die sy vaack te onredelic en
buyten de loop des behoorlickheyts opschorten en ommecrommen.’ Hij
streeft er dus naar ook als dichter een realist te zijn: de weergave moet niet
afwijken van de waarneming.
In ‘Boeren Geselschap’ krijgt men de aankomende
feestgangers met hun | | | | belustheid op het ganstrekken zichtbaar voor
ogen in hun ouderwetse kleurige kledij. Het blijven geen vage figuren, ook al
niet doordat ze eigennamen en bijnamen krijgen waardoor ieder geconcretiseerd
wordt tot een individu binnen zijn maatschappelijk milieu. Hun gedragingen
veranderen daarmee van algemeenheden tot anekdotische genrestukjes. De verf
spat uit de verzen omhoog, maar nog wél even met een drievoudige
alliteratie: bruyn, root, wit, groen, grijs, graeuw, paers en blaeuw. Heel de
troep brooddronken boeren wordt suggestief geschilderd met felle halen en
vegen, die in hun geniale raakheid doen denken aan
Frans Hals. Wie in het museum te Kassel voor diens
‘Man met de slappe hoed’ staat, kan een ogenblik menen
Arent Pieter Gysen voor zich te zien. Maar boeren
lieten zich niet portretteren. En ook de omgeving wordt zichtbaar, de situatie
van de dorpsgelagkamer met de gastvrije hooiberg vlak bij, de gebruikelijke
maar nu ongebruikelijk gebruikte voorwerpen als kannen, kandelaars (alweer met
zo'n fraaie klankherhaling), rooster, beusem en tang - het is alles herkenbaar
aanwezig doordat de dichter weergeeft wat hij heeft waargenomen. Het zijn
dezelfde kwaliteiten van zintuiglijkheid die men ook kan bewonderen in het
Sint-Janslied.
Dit visuele dat de neiging oproept om een voorschot te nemen op de
term impressionistisch, is niet beperkt tot de liederen aan het begin van het
Boertigh Liedt-boeck. Hoewel uiteraard de amoureuze en de stichtelijke
gevoelslyriek er weinig aanleiding toe geven, ontbreekt het er niet altijd. En
zelfs de redenerende rederijkersstijl blijkt af en toe te wijken voor een
minder algemene, meer concrete weergave van de natuur, zoals midden in de beide
mei-liederen LVI en LXIII. Maar veel indrukwekkender zijn in lied LX - hoe vol
overigens ook van rederijkerselementen - de impressies van het schaatsenrijden:
‘Hier binnen deser Stede // Op de geveegde banen.’ (I: 228). En
méer nog: de eerlijke inzet van het afscheidslied LXXXIX; het
persoonlijke slot van lied XCII, met die winterse wereld ‘by 't hooghe
Huys te Muyen’ (I: 325); en bovenal de onvergetelijke derde
strofe van dat humane en stellig wel autobiografische lied CXXXVII, door
Herman Gorter geprezen als ‘volmaaktheid in het
kleine’:
Voor d'Amsteldamsche palen
Lach 'tbruyne Schip, met swarte taeckel Touwen,
Dat mijn Goddin quam halen,
In plaets van koets, voor 'tpuyck van alle Vrouwen,
De voor-boech nat bevochten:
Gezien de telkens toch ook aanwijsbare ándere elementen is
het niet verantwoord elk lied waarin men iets van ‘impressionisme’
bespeurt, tot de latere fase | | | | van Bredero's dichterschap te rekenen.
De zintuiglijkheid van het taalgebruik behoeft ook niet noodwendig door
waarneming te zijn veroorzaakt. Er zijn immers liederen waarin de aanwezigheid
van de dichter ter plaatse niet kan worden verondersteld, hoewel hij doet
alsof. De handtastelijke kermisvrijerij van Gijsjen en Trijn Luls (I: 50) en de
lacherige bijslaap in het ‘Koortsigh Lietje’ (I: 107) zijn zaken
waar men geen derde bij duldt. Wie er mededelingen over doet, kan het alleen
weten van horen zeggen, maar een dichter kan het ook beleven in zijn
verbeelding, al dan niet op grond van eigen ervaring.
Deze liederen hebben in klein bestek een epische structuur, ze
zijn het verhaal van een korte reeks gebeurtenissen en als zodanig verwant aan
de middeleeuwse balladen: springlevende bastaards van een adellijk
voorgeslacht. Wie ze met anekdotische schilderstukken uit de zestiende en
zeventiende eeuw vergelijkt, erkent wel hun toon, hun thematiek, hun artistiek
gehalte, maar miskent hun beweeglijkheid: ze zijn dynamisch, niet statisch. Ze
geven méer dan het karakteristieke ogenblik.
Hoe wezenlijk dit dynamische element wel is, blijkt hieruit dat
verscheidene liederen in hun structuur zelfs niet episch zijn, maar veeleer
dramatisch. De dichter trekt zich uit de tekst terug, er wordt geen omgeving
geschetst, geen personage voorgesteld, het gedicht ontwikkelt zichzelf, het is
een dialoog. Wie een toneelstuk schrijft, kan aanwijzingen geven omtrent de
benodigde rekwisieten, al was dit in de zeventiende eeuw minder gebruikelijk;
die zorg liet men over aan de spelers zelf. Tijdens de voorstelling echter, en
dáar gaat het bij een toneelstuk om, was de zwijgende zichtbaarheid van
entourage en voorwerpen hoe summier ook aangegeven, voor de toeschouwers een
factor van belang: een herberg, een paleis, een belegerde stad. Wie zich als
auteur echter waagt aan het kleinere bestek van de dichterlijke dialoog of het
allerkleinste van de monoloog, doet afstand van álles behoudens het
gesproken woord. De karakters van de personages van wie er éen soms
enkel zwijgt en luistert, hun onderlinge verhouding, hun problemen of
conflicten, hun gemoedsgesteldheid en de veranderingen daarin, het moet
allemaal blijken uit de tekst zelf en uit de tekst alleen, al geeft de titel
soms de rolverdeling aan. Hoewel er onder de oudere volksliederen ook enkele in
dialoogvorm zijn - bijvoorbeeld
Antwerps Liedboek I en CXXXIII; en voorts in
Den Nieuwen Lust-Hof (1602) - toch lijkt het
verantwoord deze liederen van
Bredero te zien als de gevarieerde voortzetting van de
kluchten die hij eerder had geschreven, in de jaren 1612-1613. Maar de uiterste
beperking in de artistieke middelen geeft blijk van een nog volwassener
kunstenaarschap. Aan het slot van zijn
Friesche Lust-Hof (1621) heeft
Starter een aantal Boertigheden opgenomen die zonder
Bredero's voorbeeld ondenkbaar zijn; maar aan de volstrekte beknoptheid van
déze dialogiserende vorm heeft hij zich niet gewaagd.
Het meesterschap waarmee
Bredero de aanwezigheid en het gedrag van de zwijgende
andere vermag te suggereren, blijkt het best uit enkele details. In lied | | | | IV, de ‘Aenspraeck vande Petemeuy, tot de Neef’, komt er
een ogenblik dat de voortdurende aanprijzing van het al buiten hem om
bedisselde huwelijk neef Marten gaat vervelen. Uit de woorden van de peettante
blijkt dat hij opstaat en aanstalten maakt om te vertrekken; maar dat zit hem
niet glad. Met zes versregels vol sluwe zorgzaamheid inzake zijn avondmaaltijd
en het benodigde lantaarntje ziet zij kans hem weer in huis terug te krijgen en
hem daar opnieuw te onderwerpen aan haar bemoeiziek vermaan:
Neefje, gaeje dan soo voort?
Lustje noch niet wat te eten?
Hemsick Marten: noch ien woort,
Je sloncksje hebje noch vergeten,
Wel me kijnt dat was te slecht,
Datsen Vrijer! datsen Knecht!
In lied V, de ‘Aenspraeck vanden Oom tot de Nicht’,
wordt de situatie op even geraffineerde wijze duidelijk gemaakt. Van het eerste
moment af dat de oom in zijn betoog een omineuze naam noemt, houdt het meisje
zich demonstratief doof. Ze buigt zich over haar naaiwerk alsof er geen oom
bestond die bezig is haar rijp te maken voor een huwelijk met een half-zachte
en heel-rijke kandidaat. Maar die houding van haar is een zó brute
belediging van zijn familiaal gezag, dat hij haar dwingend tot de orde roept.
In minder dan vier versregels is de conflictsituatie niet enkel dramatisch
zichtbaar maar ook psychologisch doorzichtig gemaakt:
Nifjen, Nifjen, o gy dingh!
Wilje noch niet aen het knechje?
Klufje Klonters susterlingh
Sprackme lestent: hoort iens Brechje
Het! hoe legje staegh en neyt?
Datsen Vryster! datsen Meyt!
Soo men moer! wel immers kijnt,
Klufje kalde veul van Marten,
Deze twee ‘Aenspraecken’ hebben naar inhoud en vorm
alles gemeen; ze horen onafscheidelijk bij elkaar. Het gaat blijkens de eendere
namen: Marten en Brechje, over dezelfde jongelui; hun positie is eender, ze
worden beiden gedwongen te trouwen met iemand die ze niet mogen, en in beide
gevallen is geld de drijfveer. Ook formeel is er de grootst mogelijke
gelijkheid: de beide liederen hebben dezelfde melodie, dus dezelfde metrische
en strofische bouw, en ze maken gebruik van in wezen dezelfde refreinregel.
Ook twee andere liederen zijn elkaars pendant: lied VII, van de
grijsaard die met zijn geld uit is op een jeugdig bruidje, en lied VIII, van de
oude vrouw die met haar | | | | geld uit is op een jeugdige minnaar. In deze
twee gevallen is de refreinregel met z'n dubbele bodem zelfs geheel
identiek.
Aangezien ook lied III over een refreinregel beschikt met daarin
het dubbelzinnige woord eer, zijn er van de eerste acht liederen vijf
met een refrein. Toch is het in Bredero's werk een vrij zeldzaam verschijnsel:
in het hele
Groot Lied-boeck met z'n 200 liederen komt het
maar tien maal voor. In de liederen XI en XV vindt men twee verschillende
refreinregels die in de strofen afwisselend worden gebruikt. Lied L, de
ironische aanspraak tot Truitje, het gastvrije hoertje, heeft een toepasselijke
refreinregel. Lied LXXVI, afkomstig uit de
Griane, heeft bij uitzondering na elke strofe
van vier verzen een refrein dat eveneens uit vier verzen bestaat. Lied CXIV
tenslotte, ‘Eenicheydt is Armoedt’, is het enige gedicht in
alexandrijnen met een refreinregel; in de zeven vierregelige strofen komt dit
eendere vers dus 7 maal voor, en de eendere rijm klank 14 maal. Het mag
een staaltje van virtuoos dichterschap heten dat
Bredero erin geslaagd is alle gevaren van eentonigheid
en rijmdwang te overwinnen en er een speels en geestig lied van te maken (I:
385).
Ofschoon in strikte zin geen refrein, is een ander soort herhaling
er toch mee verwant: het afsluiten van een lied door de laatste strofe
gelijkluidend te doen zijn aan de eerste. Dit komt maar bij drie liederen voor:
lied XXXVI, afkomstig uit
Rodd'rick ende Alphonsus; lied LXXXIX, het
indrukwekkende afscheidslied van de zeemansvrouw met haar benauwende
voorgevoel; en het tegelijk stichtelijke en autobiografische lied in
vijfvoetige jamben CLXIII.
Het kan niemand ontgaan dat de besproken verschijnselen - hoe
karakteristiek ook voor de groep Nieuwigheytjes - telkens incidenteel ook al te
vinden zijn in ander en waarschijnlijk ouder werk. Nog minder houvast biedt het
wel heel moeilijk te omlijnen begrip eenvoud, al is dit essentieel voor het
beste van Bredero's poëzie. De allereenvoudigste strofe bij hem is er een
van vier verzen, en die komt in zo'n veertig liederen voor. Bij meer dan de
helft daarvan gaat het om alexandrijnen, en deze lopen uiteen van
rederijkersteksten als het ‘Klachtigh A.B.C. Liedt’ (I: 573), tot
iets dat om z'n direkte dictie en z'n refrein aandoet als een overgang van
renaissance naar volkslied: ‘Eenicheydt is Armoedt’ (I: 385). Er
zijn onder de liederen in strofen van vier regels enige met een onmiskenbare
glans van jong-zijn: het ironische over de vurige minnaar en het ijzige meisje
(I: 139), het berustende ‘Die sonder hoop moet minnen’ (I: 141),
het peinzende ‘De Minne die in mijn hartje leyt’ (I: 346), het
droefgeestige ‘Ay Gulde Maan hout op u jacht’ (I: 440) en het
speelse ‘Ick sieje wel, al gaeje snel’ (I: 489). Wie in al deze
gevallen intuïtief of geargumenteerd kiest voor een vroeg tijdvak,
verbindt zich tot twee consequenties: dat de eerste periode niet alléen
bestaat uit rederijkerswerk; én: dat de eenvoud niet alléen
optreedt in de laatste periode.
Al handhaaft men de overtuiging dat Bredero's werk drie stijlen
kent en dat deze drie elkaar min of meer opvolgen, een betrouwbare datering van
elk lied afzonderlijk eist harder grond. In alle betrekkelijkheid kan men enkel
zeggen: | | | | naarmate er méer kenmerken van de
rederijkerspoëzie zijn, behoort een lied met groter waarschijnlijkheid tot
de vroegste periode, de jaren vóor 1610; naarmate er méer
kenmerken van de renaissancepoëzie zijn, behoort een lied met groter
waarschijnlijkheid tot de middenperiode, de jaren van 1610 tot 1615; naarmate
er méer kenmerken van het eenvoudige volkslied zijn, behoort een lied
met groter waarschijnlijkheid tot de laatste periode, de jaren van 1615 tot
eind augustus 1618.
Drie waarschijnlijkheden, en maar éen zekerheid: dat
Bredero de heterogene vormgevingsprincipes die elkaar
in het vroeg-zeventiende-eeuwse Amsterdam om zo te zeggen in
evenwicht hielden, niet heeft ervaren als tegenstrijdige maar veeleer als
verwisselbare, elkaar aanvullende stijlmogelijkheden, die hij dan ook kon
gebruiken en combineren in ‘vryicheyt’. Zijn poëzie zelf is de
dichterlijke belichaming van dat verschuivend evenwicht. Ze past feilloos in
zijn periode; ze had noch een kwarteeuw eerder, noch een kwarteeuw later
zó kunnen ontstaan.-
| |
VII
Zo lang Bredero's bundel dank zij zijn leidse vriend
Geestigh Liedt-Boecxken heette - een naam eerst
door
Bredero zelf en in 1621 ook nog door
Van der Plasse behouden - was er geen probleem. Want
‘geestig’ had in de zeventiende eeuw een waaier van betekenissen
die uiteenliep van speels, vernuftig, vrolijk, via aanvallig, smaakvol, aardig,
tot vervuld van geestelijke kwaliteiten. In het Aendachtigh Liedt-Boeck komen
de titels ‘Geestigh Liedt’ en ‘Geestigh Liedeken’ voor,
telkens bij een echt stichtelijk gedicht. Het is onbekend wat er in de leidse
druk méer heeft gestaan dan een stuk of wat vrolijke versjes. Op grond
van het feit dat Bredero wel een amoureus liedboek heeft aangekondigd maar geen
aandachtig, kan men verschillende veronderstellingen bouwen, bijvoorbeeld dat
hij nog geen vrome liederen genoeg had voor zo'n aparte bundel; of dat de vrome
liederen die hij in de loop der jaren had geschreven, hem om hetzij
dichterlijke hetzij godsdienstige redenen niet meer bevielen; of dat hij van
plan was een deel ervan eens toe te voegen aan het Geestigh
Liedt-Boecxken; misschien zelfs hád hij dat al gedaan. Zo lang er
geen exemplaar van Bredero's eigen druk opduikt, kan men allerlei
veronderstellingen wagen; maar ook als éen daarvan tot
waarschijnlijkheid zou stijgen, is er nog altijd geen volstrekte zekerheid.
Toen
Van der Plasse - of wie dan ook namens hem - in 1621 op
het onzalige denkbeeld kwam een afzonderlijke groep Aendachtighe Nieuwe
Liedekens te vormen, sloeg hij een weg in die rechttoe rechtaan uitliep op een
Groot Lied-boeck in drie delen. Maar zelfs toen
was het niet nodig geweest de voortreffelijke naam
Geestigh Liedt-Boecxken te schrappen. Door de
nieuwe druk als eerste afdeling van het Groot Lied-boeck de nieuwe titel
te geven van ‘Boertigh Liedt- | | | | boeck’ beperkte hij het
genre tot het vrolijke, al breidde hij de inhoud tezelfdertijd uit met 56
liederen die niemand vrolijk zal noemen. Maar gedane zaken nemen geen keer; men
kan zo'n zeventiende-eeuwse fout wel constateren, niet meer corrigeren.
Uit de ondeugdelijkheid van de titel die men in 1622 koos, volgt
natuurlijk niet dat in Bredero's werk de drie genres zouden ontbreken. Alleen:
ze komen naar inhoud noch omvang overeen met de drie afdelingen van het
Groot Lied-boeck. In feite zijn het boertige en
het stichtelijke genre elk beperkt tot een paar dozijn liederen; het amoureuze
daarentegen telt meer dan het dubbele aantal van die beide samen.
De paar dozijn liederen waarvan er zestien de inzet vormen van het
Boertigh Liedt-boeck, onderscheiden zich allereerst door hun niet-lyrisch
karakter. De dichter is niet vrolijk, hij maakt zichzelf en de lezer
vrolijk, om ánderen. Het gedicht wekt de illusie een adequate indruk te
geven van het uiterlijk, de gedragingen en het taaleigen van die anderen, en
dáarom lachwekkend te zijn. De vraag echter, of de weergave door de
dichter klopt met een waarneembare werkelijkheid, doet niet ter zake, zelfs
niet, of er wel zo'n werkelijkheid is of is geweest. Het gedicht ‘Boeren
Geselschap’ verandert in geen enkel opzicht, ook al zou onweerlegbaar
blijken dat er in of bij Vinkeveen nooit een boer heeft bestaan, die Frans
heette en een van zijn ganzen beschikbaar stelde voor het ganstrekken. De
dwingende suggestie van waarheidsgetrouw te zijn hangt van zulke feitelijkheden
niet af. Het gaat er in dit geval om, dat het gedicht een eigen verbeelding
schept die door de lezer wordt herkend als identiek, of althans als verwant,
aan iets in de buiten-literaire wereld. Die gesuggereerde identiteit houdt
evenwel niet in, dat men de gelezen werkelijkheid ervaart zoals men het de
geleefde werkelijkheid zou hebben gedaan. Indien een koopman uit
Amsterdam destijds in het boerengezelschap te
Vinkeveen was terechtgekomen, had hij zich zeker geërgerd en
zich waarschijnlijk bedreigd gevoeld. Indien een koopman uit Amsterdam destijds
Bredero's gedicht over dit boerengezelschap te Vinkeveen ter ore of onder ogen
is gekomen, heeft hij zich zeker geamuseerd en zich waarschijnlijk ontspannen
gevoeld. Het is duidelijk: de tekst creëert mét een door de dichter
gewilde werkelijkheidsillusie tegelijk het door de dichter gewilde gevoel.
Om zijn boertige werkelijkheid en het daarbij passende gevoel te
doen ontstaan, heeft
Bredero gebruik gemaakt van verschillende
grensoverschrijdende stijlmiddelen. In zijn liederen komen een aantal huis-
tuin- en keukenwoorden voor die zomin tot de poëtische taal als tot de
beschaafde omgangstaal behoren, woorden als: tuychje, keep, murru, bekallen,
deun, vangh en snot. Ze beogen deels hetzelfde als de amstellandse
dialektvormen: een verhoogd waarheidsgehalte wat de sprekend ingevoerde
personen betreft; maar ze hebben méer dan die dialektwoorden een
schokkend en daarmee lachwekkend effect. Want wat de gegoede burgerij zich
ontveinsde te kennen en uit overwegingen van stand of | | | | opvoedkunde
nooit zou toelaten in zitkamer of salet, daarmee werd men nu door de dichter
onverhoeds in de geheiligde tempel der Muzen geconfronteerd. Een woord als snot
of pis tegen te komen in poëzie en zelfs in rijmpositie, was iets waar men
alleen maar om kon lachen, gegeneerd lachen eerst vanwege het opeens gestegen
sociaal niveau van zo'n volkswoord, bewonderend lachen dan toch ook om het
gedurfde en doeltreffende gebruik ervan.
Zo is het ook met een aantal populaire uitdrukkingen waarvan deftige
moeders niet wilden dat hun kinderen ze zouden kennen, laat staan gebruiken:
mall' Oene met sen moer; men hooft draeyt as ien meulen; ghy hebt een gongs. Ze
variëren dikwijls de veronderstelling dat iemand niet goed bij zijn
verstand zou zijn. En al werd en wordt deze veronderstelling dag aan dag door
tienduizenden mensen uitgesproken, niet altijd op objectieve grond, tot het
papier dringt ze maar zelden door, tot de poëzie nooit. Behalve bij
Bredero. Zo'n uitdrukking in zijn liederen te ontmoeten
geeft een geamuseerd gevoel van ietwat ondeugende herkenning.
Afgezien van hekeldichten en polemieken behoort schelden niet tot de
literatuur, en buiten de literatuur behoort het niet tot de gesanctioneerde
omgangsvormen. Maar iedereen wist en weet dat er in het dagelijks leven, en dan
echt niet alleen door het klootjesvolk, veelvuldig wordt gescholden, meest uit
machteloze woede, ergernis of jaloezie, vaak ook zó maar. Maar dat is de
mondelinge werkelijkheid. De geschreven taal, de poëzie, mocht niet weten
dat er invectieven bestonden, de fatsoenlijke burger niet toegeven dat hij ze
kende. Schilderachtige scheldwoorden als: Hansjen Hangebroeck, mellick-muyl,
oude Rochelaar, Tote-bel, druyp-neus, hoddebeck en lompe boer, vallen dus uit
de toon. Dat is dan ook hun functie. Ze doorbreken even speels als brutaal
allerlei taboes, en bovendien zijn ze op onthullende wijze typerend zowel voor
de sprekende personages, als voor de emotioneel geladen verhoudingen.
Maar er zijn meer taboes in het geding, want niet alleen de
fatsoensgrens in de taal, ook die in de levenspraktijk wordt succesrijk
overschreden. De openhartigheid waarmee
Bredero - en nu niet in de vrijmoedige sfeer van het
bruiloftsmaal - over seksuele gedragingen spreekt, is in de letterlijkste zin
schaamteloos. De vraag is niet of zijn mededelingen kloppen met de
werkelijkheid - daarop kan men alleen maar ja zeggen -, de vraag is of men over
die werkelijkheid niet behoorde te zwijgen. De gegoede burgerij vond
welstaanshalve van wel, Bredero vond waarheidshalve blijkbaar van niet, en ook
daarmee sloot hij aan bij een oude traditie van het volkslied, zoals eerder in
de klucht van de
Molenaar bij een oude traditie van het
volkstoneel. Al in lied II kruipt een ongehuwd paartje samen in het hooi, onder
het toeziend oog en met kennelijke instemming van de dichter: ‘Mijn docht
het was soo moy’; in lied III doet een van de stadskermis terugkerend
paartje hetzelfde; in lied XI gebruikt men met eendere bedoelingen een
herbergbed; de erotische koorts in lied XXII zal ook wel niet op een echtelijk
bed zijn gekoeld; in lied L gaat het ronduit om een hoerenbed; en al is de
verleiding in lied | | | | CI op een tragische verlatenheid uitgelopen, de
feiten worden in alle handtastelijke duidelijkheid verteld. Zoveel
realiteitsbesef moet schokkend zijn geweest voor de gezeten burgerij bij wie de
heiligheid van het huwelijk een artikel des geloofs was en de financiële
transactie praktijk.
Bredero had zich tegen alle kritiek kunnen verdedigen - en
héeft zich mogelijk verdedigd - door te zeggen dat beschrijven en
aanprijzen twee zijn, en dat hij zijn vele collega-schilders dozijnen
genre-stukjes had zien maken en verkopen waarop vooral niet minder onfatsoen
was uitgestald dan in zijn liedjes. Maar misschien heeft dit soort kritiek hem
nauwelijks bereikt: want bij hoe velen, bij hoe weinigen, zal dit deel van zijn
werk bekend zijn geweest vóor het jaar 1622?
Al hebben bijna al deze boertige liederen de erotiek als centraal
thema, in feitelijk opzicht zijn ze uitermate gevarieerd. Het is opmerkelijk
dat de overspelige liefde ontbreekt, maar daar had
de klucht van de Molenaar al in dubbele zin voor
gezorgd; het is ook opmerkelijk dat
Bredero geen faecalische grollen verkoopt; in dit opzicht
onderscheidt hij zich principieel van de middeleeuwse praktijk, althans in zijn
liederen. Vrijwel alle centrale figuren, mannelijk of vrouwelijk, sprekende of
toegesproken, zijn ongetrouwd; hun erotiek, als de natuurlijke uiting van hun
leeftijd, is maar bij uitzondering schuin. De wereld van de boertige liederen
wordt bevolkt door huwbaar jongvolk, zo tussen de zestien en vijfentwintig
jaar. Bredero beweegt zich temidden daarvan, mededelende wat hij er ziet en
hoort, zonder dat hij zich ooit herhaalt. Tweemaal zijn twee gedichten
elkanders spiegelbeeld: de peettante die er bij haar neef, de oom die er bij
zijn nichtje op aandringt, een door hun pupil niet gewenste huwelijkskandidaat
te aanvaarden. Daar in beide gevallen het geld de reden moet zijn om ja te
zeggen en het, getuige de gelijke namen, om dezelfde jonkman en hetzelfde
meisje gaat, speelt de tegenstelling arm/rijk ditmaal geen rol: voor de jonkman
is het meisje, voor het meisje is de jonkman een goede partij. De conclusie kan
enkel zijn dat ze beiden geld hebben, ofwel dat beider familie zich in de ander
vergist. Men behoeft deze laatste, ironische mogelijkheid bij Bredero zeker
niet uit te sluiten.
Het andere tweetal liederen: dat van de grijsaard die zich een jonge
bruid, en dat van het besje dat zich een jonge minnaar wil kopen, sluit aan bij
een lange traditie, zie bijv.
Antwerps Liedboek lied XXVI, en lied XXXVII, of
in
Den nieuwen Lust-hof (1602) de gedichten met de
zinspreuk ‘Wie kant ontvlien?’, verlucht met een tweetal fraaie
prenten. In alle eeuwen heeft de jongere generatie er zich met schimp en spot
tegen verzet dat ouderen buit zochten of kochten op het jachtveld van
háar partnerkeuze. Van alle thema's in kluchten en boertige liederen is
het paren van oud met jong wel het meest bekend; ook in onze middelnederlandse
literatuur is de spot niet van de lucht. Dat het bij
Bredero geen genade vindt, het spotten wel, maar dit soort
paren niet, ligt voor de hand. De afwijzing door de aangezochte persoon die,
man of meisje, er onverbloemd voor uitkomt met iemand van de eigen leeftijd
naar bed te willen, heeft dan ook niets verrassends. | | | | De aardigheid
zit vooral in de refreinregel, waar uiterst vernuftig een schijnbare instemming
plagerig wordt gebruikt om een volstrekte weigering te motiveren:
Dat jy soeckt, soeck ick mee.
Er zijn in leven en lied natuurlijk meer vrijers over wie men zich
vrolijk kan maken dan enkel stokoude: de vrijer die eindeloos aan het lijntje
wordt gehouden (I: 70); de bar lelijke vrijer (I: 73; 78; 88); de vrijer die
heeft aangepapt met twee meisjes tegelijk (I: 83). Ook de ongeregelde
seksualiteit heeft in een geregelde maatschappij altijd de ietwat lacherige
belangstelling gehad. In ‘Van Gijsjen en Trijn Luls’ (I: 50) speelt
ze zich af onder dorpelingen, laat onderweg van de kermis in de stad; in de
‘Twee-spraack van Twee Buur-wyven’ (I: 59) en in het
‘Koortsigh Lietje’ (I: 107) is het boerse decor rondom de seksuele
activiteiten niet zo zeker. Maar dat heeft weinig belang: ook als hij boeren
beschreef, bedoelde Bredero er evengoed zijn stadsgenoten mee, vooral de kleine
burgerij. Vandaar dat de gróte burgerij, en dan wel het jonge mansvolk
het meest, deze liedjes met bijzonder genoegen kon lezen. Maar als in de
‘Twee-spraack’ (I: 59) het paartje op heterdaad wordt betrapt, is
de familie er ijlings bij, de ontstane verhouding te legaliseren; want
ongeregelde liefdesverhoudingen gaven maar aanleiding tot meesmuilende praatjes
en laatdunkend gelach. Dat
Bredero zich ook hier een realist betoont en weergeeft
wat er zich werkelijk voordeed, is buiten twijfel. En evenzeer, dat de
tegenstrijdigheid van familiaal gezag en persoonlijke voorkeur hem bewust is
geworden als een groot, vaak tragisch probleem. Dat een meisje zich verzet
tegen een halfzachte vrijer (I: 56), tegen een stokoude vrijer (I: 63), tegen
een foei-lelijke vrijer (I:73) spreekt vanzelf, en mogelijk doet ze het met
enig succes. Maar in de ‘Twee-spraack Vande Moeder en de Dochter’
(I:76) is dat nog niet zo zeker. De moeder heeft haar keuze blijkbaar voorgoed
bepaald en het meisje vecht met de moed der wanhoop voor de rechtmatige
verliefdheid van haar hart. Nog duidelijker is de ‘Aenspraeck van een
ghetrouwde Vrouw, en een ghevryde Vrijster’ (I: 98), waar de oudere op
grond van eigen bittere onbevredigdheid in het huwelijk de jongere waarschuwt
zich niet te schikken in haar moeders wil. De gelijkheid in naam, Eel-hart, zou
er op kunnen wijzen dat men deze liederen als pendant van elkaar moet zien;
maar de naam van de oudere pretendent, War-nar resp. Geeraert, verschilt. Alle
drie namen trouwens zijn te doorzichtig van betekenis binnen de situatie van
het lied om veel waarde te kunnen hebben als argument. Maar dat de schrijnende
betekenis van een mislukt huwelijk niets meer met het boertige genre te maken
heeft, al lijkt zo'n lied er in formeel opzicht nog op, is even duidelijk als
dat
Bredero hier regelrecht ingaat tegen het gedragspatroon
van de deftige amsterdamse burgerij, destijds en later. Hij zal er zijn redenen
voor hebben gehad.
In de meeste boertige liederen - en in deze ernstige ook - betekent
de dialogische vorm een maximum aan objectiviteit: de dichter is niet aanwezig
in de tekst, al is het gedicht als zodanig niet denkbaar zonder hem. Die
objectiviteit | | | | is overigens ten dele maar schijn: subjectief is
alvast de keuze van de personen en van de situaties, subjectief is vooral het
uitzonderlijk vermogen om de weergave al de humoristische trekken mee te geven
van de geslaagde imitatie. De indruk van in verheugende mate ‘raak’
te zijn ontstaat in zo'n geval door een feilloze combinatie van weglaten en
overdrijven.
Het stijlmiddel van de cumulatieve overdrijving die een karikatuur
doet ontstaan, heeft
Bredero toegepast in een klein aantal portretgedichten.
Aangezien er uiteraard geen vergelijking met het levend model mogelijk is, kan
men niet weten in hoeverre de karikatuur léek, zelfs niet of de echte
fysionomie misschien al niet karikaturaal wás. Er zijn immers ook in de
beeldende kunst portretten bekend waarvan men zich afvraagt hoe de schilder het
heeft gewaagd zijn opdrachtgever zó te vereeuwigen, en er dan nog
honorarium voor te vragen ook. Maar
Bredero dichtte niet in opdracht, en gierighe Gerrit (I:
78) noch Dieuwertjes vrijer (I: 88) zal hem erg dankbaar zijn geweest voor het
door hem in zo potsierlijke trekken ontworpen portret; stellig des te minder
naarmate het meer geleek.
Hiermee verwant zijn ‘aanspraken’ zoals ‘Ick ben
vervaert veur Heyntjeman’ (I: 73) en ‘Truytje ick moet u
loven’ (I: 196). Het eerste gedicht heeft een fictief personage als
spreekster, een huwbaar meisje dat haar afkeer van een afzichtelijke pretendent
tot uitdrukking brengt in een sarkastische schets van zijn verschijning; bij
het tweede gedicht kan men desgewenst denken dat de dichter er zelf aan het
woord is; maar wie hem postuum nog wil behoeden voor contact met hoeren, mag
ook menen dat deze ironische lofrede uit de mond van een anonymus komt. Ten
aanzien van het befaamde drinklied hoeft er geen twijfel te bestaan: men kan er
zeker van zijn dat
Bredero als schutter-dichter-voordrager de volle
verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de uitdagende wijze waarop hij de hele
compagnie, ook zijn meerderen, hoofd voor hoofd aan de dorstige haarlemse
gasten heeft voorgesteld. Het ziet eruit als een vrolijk schuttersstuk. De
taaltechniek van deze liederen, het ongeëvenaard vermogen om te werken met
drastische vergelijkingen en baldadige scheldwoorden, doet denken aan Bredero's
kluchten op z'n best.
Behalve de reeks niet-lyrische liederen uit het begin van het
Groot Lied-boeck zijn er verspreid enige lyrische
liederen te vinden die men op grond van toon en thematiek tot het boertige
genre mag rekenen, liederen waarin de dichter op komische, humoristische,
ironische of sarkastische manier zijn stemming of ontstemming afreageert.
Een van de meest speelse en ontspannen gedichten is wel lied XXXII
met die fraaie formule voor de ‘incomptabilité de caractère
et d'humeur’ van de beide gelieven:
Wij over tweedrachtich zijn.
Het blijft niet bij deze puntige maar op zichzelf toch abstracte
formulering, het | | | | gedicht zelf laat zien hoe de minnaar-dichter
aandringt en in zijn heet, vurig, koortsig verlangen probeert zijn geliefde te
naderen, terwijl zij iedere poging afweert, koud, ijzig, versteend. Het is
vooral de komische kracht van deze contrasten die het lied ervoor behoedt
tragisch te zijn.
Lied CXXII is als ironische lofprijzing van een niet-meer-geliefd
meisje het meest verwant aan de portret-liederen, of aan lied L: ook hier wordt
een beeld ontworpen doordat quasi de ene gunstige kwaliteit na de andere wordt
vermeld - haar lieve kleine mond, haar goudblonde haren, haar stralende ogen,
haar parelfijne tanden, haar goede manieren en uitnemende taalgebruik -, tot de
dichter haar en ons opeens van de verhevenheid in de diepte laat tuimelen:
Doch so u lichaem god'lijck is.
Struylt Rooswater in plaets van pis.
Een handvol klassiek leengoed is vrijmoedig verwerkt in de vrolijke
liederen LXXXVII en CXXV: de jolige fantasie dat de dichter bij machte zou zijn
de hele hemelschaar van Jupijn en aanverwanten in dienst te stellen van de
geliefde; en de onbekommerde verzekering dat hij een aanbod van Jupiter om hem
alle macht hetzij in de hemel hetzij op aarde in handen te geven, alléen
zou aanvaarden om alle trotse vorsten en ijdele edelvrouwen te dwingen zijn
geliefde te dienen en haar hun onderdanige hulde te betuigen.
In lied CVII, dat men in alle argeloosheid voor een betrouwbaar
autobiografisch getuigenis heeft gehouden, vindt men een heel of half echte,
half of heel getantaseerde catalogus van de meisjes op wie de dichter
achtereenvolgens verliefd is geweest of althans had kunnen zijn: Een frisse
suyv're Maacht: Een bruynooghd' Coninginne; Een deuchd-rijck, wel gebooren,
Bescheyde wyse Vrou; een Meysjen aardich Van minnelijck ghelaat - maar al is
het met geen van allen wat geworden, er zijn nog heel wat meisjes meer, even
‘Schoon, Rijck, en Eel’, even geschikt dus ook om verliefd op te
worden; want, om een vergelijking te gebruiken die in alle spreekwoordelijkheid
haar herkomst uit de amsterdamse haven niet verloochent:
Indien men, na déze liederen, geneigd mocht zijn tenslotte
ook nog lied CXIV ‘Eenicheydt is Armoedt’, als boertig te
beschouwen, is het wel goed te bedenken dat het amoureuze genre, het lyrische
bij uitstek, ook rechten heeft die men moet respecteren. Door er alle
blijmoedige teksten aan te ontnemen, blijft uiteraard alleen het ernstige en
droefgeestige over, en dat lijkt voor een objectieve benadering toch minder
gewenst.
| | | | | |
VIII
Meer dan enig ander genre staan Bredero's amoureuze liederen in
een traditie. Wie de fraaie liedboeken uit het begin van de zeventiende eeuw in
handen heeft gehad en zich goed realiseert dat dit gebruikslyriek was,
grotendeels bestemd voor samenzang, behoeft niet te twijfelen aan de
hoeveelheid erotiek in de gezellige omgang. Het hart van de jolige jongelui is
destijds zo vol geweest van verliefdheid en vrijerij, dat hun zang ervan
overliep. Wensdroom of werkelijkheid? Beide: omdat déze werkelijkheid
niet bestaat zonder door wensdromen te zijn ingeleid, begeleid en vaak ook
uitgeleid. Beide: omdat de jonge eeuw nog niet zo preuts was als de latere
generaties pretendeerden te zijn, en ook omdat het calvinistisch zondebesef
inzake de seksuele omgang eerder anderen beklemde dan de stand en de
leeftijdsgroep van de zingende wittebroodskinderen, de jeunesse dorée in
het toenmalige van welvaart tot weelde stijgende Amsterdam. En misschien heeft
het schrijven, lezen en zingen van dit soort liederen ook wel de functie gehad
van een soort plaatsvervangend vrijen: het verrichten in taal van wat men
metterdaad (nog) niet durfde of mocht.
In liedboeken als de
Druyven-Tros der Amoureusheyt (1602), het
Princesse Lietboec (1605), de
Bloem-Hof van de Nederlantsche Ieught (1608;
vermeerderde herdruk 1610),
't Vermaeck der jeught (1612) en
Apollo (1615) staan dozijnen anonieme liederen
waarin een jeugdige minnaar uiting geeft aan zijn tedere gevoelens voor een
goudharig of bruinogig meisje, bij deze gelegenheid Princesse of
Goddin genoemd, haar bezwerende dat zijn levenslot afhangt van haar
jawoord. Er hebben in het snel groeiende Amsterdam van die dagen
heel wat blonde en donker-lonkende meisjes rondgelopen; en heel wat minnaars
ook, die over genoeg talent beschikten om op een gelukkig - of misschien juist
ongelukkig - ogenblik in staat te zijn een van ouds bekende of sinds kort
overgewaaide melodie te verrijken met een bijpassende tekst. Wie ervan uitgaat
dat er geen geslaagd lied denkbaar is dan van een beroemd dichter, kan een
bestaand oeuvre met heel wat toeschrijvingen verrijken. Dat is dan ook gebeurd.
Maar de tegengestelde opvatting heeft meer kans op juistheid. Zo lang men het
werk belangrijker vond dan de maker en er dus nog geen traditie was ontstaan om
iedere regel druks van naam of zinspreuk te voorzien, is er aan elk liedboek
meegewerkt door tal van verdienstelijke zondagsdichters. Als deel van een
collectieve anonimiteit begonnen, zijn ze als deel van een collectieve
vergetelheid geëindigd. De kans dat er in Bredero's werk een of meer
liederen van hún hand zijn terechtgekomen, is allerminst denkbeeldig.
Men behoeft dan nog niet eens te denken aan opzet of slordigheid van de
uitgever; het is immers niet uitgesloten dat zo'n tekst in Bredero's eigen
handschrift in zijn nalatenschap is aangetroffen, doordat hij die eens had
overgeschreven, om welke reden dan ook. Er is door allerlei liefhebbers in die
eeuw vaak en veel overgeschreven, de bewijsstukken, voorzover bewaard, | | | | liggen ter inzage. Ten aanzien bijvoorbeeld van het befaamde eerste
Sonnet van de Schoonheid (I: 458) lijkt dit een redelijke veronderstelling,
waarbij niemand verplicht wordt tot het wondergeloof dat er in Holland eens een
samenhangende cyclus van twaalf sonnetten zou zijn ontstaan door
coöperatie van twee of meer dichters. Omdat juist dit sonnet voor een
meesterstuk doorgaat, mag het niet anoniem zijn. Waarom eigenlijk niet? Het is
bij het Wilhelmus in goed gezelschap.
De meer dan honderd liefdesliederen in Bredero's
Groot Lied-boeck zijn noch gelijkwaardig noch
gelijksoortig. Ze hebben uiteenlopende stijlkenmerken, en ze verschillen
krachtens hun motieven van verlangen, hoop, teleurstelling, kritiek en
berusting ook aanzienlijk in toonaard. Indien de data van ontstaan bekend
waren, zou men uit het chronologisch geordende materiaal zowel de stilistische
verschuivingen als de wisselende frequentie van de themata kunnen aflezen, en
daaruit niet enkel de ontwikkelingsgang van de dichter
Bredero leren kennen, maar ook het emotionele leven van
de mens Bredero in zijn groei naar een jonge volwassenheid. Nu die
chronologische grondslag ontbreekt, kan men met het gehele materiaal aan
amoureuze liederen in handen enkel nagaan in welke mate dit door de
rederijkerstraditie wordt beheerst, in welke mate door de
renaissance-principes, in welke mate door de eenvoud van het volkslied, en
tenslotte vooral: welke varianten van het grondmotief er telkens bepalend zijn
voor de inhoud. Dat er niet altijd scherpe grenzen te trekken zijn en dat niet
elk gedicht de uiting is van maar éen variant met de daarmee gepaard
gaande emotie, behoeft geen betoog.
Met name de amoureuze liederen, die in 1621 nog niet in het
Geestigh Liedt-Boecxken stonden en in 1622 wel
werden opgenomen in het Boertigh Liedt-boeck, tonen zich vaak verwant aan de
rederijkerspoëzie: hun gekunstelde rijmstructuur, hun Prince, hun
gebruik van basterdwoorden en van achtergeplaatste adjectiva, hoe bescheiden
ook, maakt daarvan geen geheim. Ofschoon af en toe onderbroken door
andersgeaarde teksten zoals driemaal een bruiloftsgedicht in gepaard rijmende
alexandrijnen, draagt het Boertigh Liedt-boeck van lied XX af een overwegend
retoricale signatuur. Dat is in De groote bron der Minnen bepaald
ánders: het rederijkersvers is er weliswaar niet afwezig maar blijft
toch beperkt tot een tiental verspreid opgenomen liederen.
Van sommige volhardend berijmde redeneersels, zoals de liederen
XLII, LI, LXV en uit De groote bron der Minnen de liederen CXX, CXLII en CLIX,
kan men nauwelijks aannemen dat
Bredero zelf de publikatie nog zou hebben bedoeld of
goedgekeurd, al is een rijmrijk werkstuk als lied LVIII toch ook al in het
Geestigh Liedt-Boecxken te vinden. De overige
liederen hebben binnen hun rederijkers-vormen een minder verstarde, meer
persoonlijke toon.
Een op zichzelf niet ongewone, maar bij
Bredero wel hoogst uitzonderlijke situatie vindt men
in lied XLI: | | | |
Aenmerckt de sotte Minne blint,
Ick min een dochter, en wert bemint
De beredeneerde poging om dit dilemma met behulp van de gulden
regel der ethica te boven te komen (vs. 24-25), maakt de indruk van heel jong
te zijn, heel deugdzaam en heel onervaren. Voor enige speelsheid, al is het
maar galgenhumor, was in dit geval blijkbaar geen plaats. In lied LII met de
doorzichtige letterverschikking Egtillen (= Nellitge) blijkt iets van
een zekere wederkerigheid, althans ten tijde dat het lied ontstond; want
dikwijls is er niets duurzaam geweest behalve de verliefdheid van de dichter.
Lied LXXXVIII loopt na een fase van vrees en achterdocht tijdens een gezellig
en vrijmoedig partijtje, gunstig voor hem af. Dat is dan een zeldzaamheid; want
al bevat lied CXII een eerzaam aanzoek waarbij zelfs Godt den Heer wordt
aangeroepen, toch lijkt de kans klein dat het meisje bereid is tot het jawoord
(I: 380). En in lied CLIV zijn alle betuigingen van verliefdheid zó
vruchteloos gebleken dat de minnaar wel verplicht is de geliefde te gehoorzamen
en naar een ander om te zien, in de hoop dat die wat toeschietelijker zal zijn
(I: 497).
Ook de meer lyrische teksten met rederijkersinslag staan veelal in
mineur: Bredero's lied is soms een liedje van verlangen, vaker een adieulied.
Wervend maar nog niet volstrekt uitzichtloos zijn de liederen LXXIII, LXXXI en
CXVII; ontgoocheld na een afgesloten periode van verliefde hoop zijn vele
andere. Soms wordt de scheiding veroorzaakt door een verschil in begaafdheid,
zoals in lied LXXIV, waar het beminde maar onbenaderbare meisje zelfs met Sapfo
wordt vergeleken. Soms zijn jaloersheid, vijandschap en laster de spelbrekers
geweest: men zie lied XXXIII, vs. 24, lied CXVII, vs. 65-66, en vooral lied LX,
vervuld van die heerlijke herinneringen aan het schaatsenrijden op de geveegde
banen:
Van die 't sagen met spyt,
Met afgunst en met smarten,
Haer boos en valsche harten,
Nog uitvoeriger is in dit opzicht lied XCII, het winterse
Margrietgedicht ‘by 't hooghe Huys te Muyen’, waar
Bredero uitdrukkelijk zijn dichterschap en het
openbare succes daarvan aanwijst als de oorzaak van de laster die hem
achtervolgt (I:324). In liederen van deze aard beweegt hij zich natuurlijk niet
meer binnen de grenzen van de traditie. Al zijn onwillige meisjes ook
dáar niet onbekend, het motief is dan toch nooit zo specifiek.
Dat zijn dichterschap een belangrijke factor heeft gevormd in zijn
omgang met éen of meer jonge vrouwen, blijkt uit de liederen waarin een
uiterst begaafd, | | | | ontwikkeld en literair-kritisch geschoold meisje
geëerd wordt, soms door haar te vergelijken met Sapfo. Een meisje dat in
staat was de nog ongevormde ruwe stijl van de dichter-in-ontwikkeling te
polijsten en hem als het ware te scholen in de renaissancistische poëtica.
Er is in die liederen zoveel verwantschap, dat ze de indruk wekken steeds door
hetzelfde meisje geïnspireerd te zijn. Een nooit door
Bredero genoemde, nergens door anderen vermelde, in
totale vergetelheid teloorgegane Muze? Het is nauwelijks geloofwaardig.
Men kan in het begin van de 17de eeuw maar éen literair
begaafde jonge vrouw aanwijzen voor wie de dichters zóveel bewondering
voelden dat zij haar openlijk hebben gehuldigd als de hollandse Sapfo: die eer
is
Anna Roemersd. Visscher te beurt gevallen in verzen
van
Daniël Heinsius en van
Jacob Cats. Het is dan ook welhaast onvermijdelijk aan
háar te denken wanneer er in Bredero's liederen een dichterlijk
ontwikkelde, wijze en met de naam van Sapfo vereerde vrouw ter sprake komt; en
in dit verband is ook de versregel dat Att'lanta wordt gevrijd ‘door
Hollanders en Zeeuwen’ uitermate suggestief. Men kan moeilijk geloven dat
er toen in Holland nog een tweede jonge vrouw van déze begaafdheid en in
déze omstandigheden zou hebben geleefd, maar die tegelijk zó
anoniem is gebleven dat er buiten Bredero's werk geen enkel getuigenis, geen
enkele toespeling omtrent haar kan worden gevonden. Wie de conclusie aandurft
dat
Bredero inderdaad de hoop heeft gekoesterd de Phaon
van deze Sapfo-Anna te zijn, die moet ook aanvaarden dat het dan zijn sociale
positie, zijn gebrek aan kapitaal is geweest, waardoor het uitgesloten was haar
te winnen. Of - laatste mogelijkheid - betreffen ál deze eergedichten
toch haar zuster,
Maria Tesselschade? Maar die was negen jaar jonger dan
Bredero en dus in deze tijd nauwelijks twintig.
Maar afgunst met laster vormt niet de enige negatieve factor die
de verliefdheden heeft doorkruist en verijdeld. In heel wat liederen wordt
gesproken over het feit dat er een andere jonkman is die al toegang heeft
gekregen. De minnaar reageert daar verschillend op: in lied XXV constateert hij
dat de afkerigheid, die hem van het meisje ten deel viel, nu als een soort
straffende gerechtigheid haarzelf treft van de kant van de vrijer aan wie zij
de voorkeur had gegeven; in lied XLV blijft hij ondanks alles toch nog hopen op
een gunstige keer in haar gezindheid; in lied CXXXII blijkt er bovendien
geloofsverschil in het geding te zijn, en dat is nu eenmaal nooit eenvoudig.
Maar meestal is de zaak veel erger en ergerlijker: dan wordt er op deugd noch
karakter gelet, uitsluitend op het geld. Dit thema komt zó vaak voor dat
men geneigd is het voor een topos te houden; maar in de traditionele
liefdeslyriek is het minder frekwent, en vooral veel minder intensief. Het is
kennelijk Bredero's eigen ervaring geweest die hij tot uitdrukking bracht, zijn
eigen reactie op de sociale omstandigheden in het toenmalige
Amsterdam, een reactie die minder een algemene dan wel een
individuele oorzaak had bij iemand wiens lot het was verliefd van aanleg te
zijn, te verkeren in kringen boven zijn stand, en ongetrouwd te blijven. Aan
geldzucht heeft het de klasse van | | | | gegoede handelslieden nooit
ontbroken, ook niet in Amsterdam, en de snelle overgang van een bescheiden
koopstad naar de belangrijkste westeuropese wereldhaven heeft de zedelijke
opvattingen en onzedelijke praktijken van de bewoners destijds niet onberoerd
gelaten. De roemrijke Gouden Eeuw waar
Cats,
Hooft en
Huygens deel aan hadden, ook in hun persoonlijk
bestaan, getuige hun carrière, heeft
Bredero en later ook
Vondel maar zijdelings geraakt, op de fatale afstand
die de minder gegoeden van de zeer gegoeden scheidt. Daarom behoeft men er ook
niet aan te twijfelen dat achter de frekwente tegenstelling geld/deugd in
Bredero's lyriek een reeks trieste ervaringen schuil gaat: men zie lied XX, vs.
37-40; lied XXVII, vs. 8; lied XXXI, vs. 37-42, en 57; lied XLII, vs. 21-22;
lied LX, vs. 96; lied LXX, vs. 19-21; lied CLX, vs. 37-42. In lied LXXII, vs.
17-20, ligt de schuld niet bij het meisje zelf en dat maakt de zaak alleen maar
ernstiger:
Want d'Ouders die//gaen so ick sie//haer aen Rijcker
besteden.
Veelzeggend is in dit vers natuurlijk de naam Rijcker die
aandoet als een comperatief; daaruit zou volgen dat de dichter zich ervan
bewust is armer te zijn, overigens met een tegenstelling die toch maar
betrekkelijk is. Er zijn nu eenmaal rangen en standen, en zelfs tussenrangen en
tussenstanden.
Deze perversie van de liefde door het geld - ook in enkele
boertige liederen al het thema - is door
Bredero overduidelijk aangeklaagd in twee gedichten
die in hun retoricale vorm gebruik maken van enig klassiek leengoed: lied
XXXIV, vs. 36-49, twee strofen met een polemische beschouwing over de
toenemende macht van de Sulpher (=Sulver)vorst die het huwelijk dat een Hemel
kan zijn, tot een Hel maakt; en veel persoonlijker, om niet te zeggen
autobiografischer, lied LXIX, over de nieuwe Atalanta:
Wie dat u eens aanschouwt,
En kan de dood niet vresen:
Maer werd moedigh en stouwt,
Hadd' ick 't bekoorlijck gouwt
Het is ditzelfde thema, dat even persoonlijk en autobiografisch
twee liederen beheerst die blijkbaar vanwege de moraliserende veralgemening
zijn terechtgekomen in het Aendachtigh Liedt-Boek: lied CLXXXIII, vs. 37-60, en
speciaal lied CXCIII, vs. 37-48.
Bredero zal zeker niet de enige zijn geweest die
slachtoffer is geworden van de tirannieke geldzucht en standswaan. Maar hij was
wel de enige die erin geslaagd is de (on-)zedelijke tragiek hiervan feilloos
onder woorden te brengen.
Al doet de renaissance in het laatste gedeelte van het Boertigh
Liedt-boeck op alexandrijnse voeten haar intrede, de rederijkerij trekt zich
nog niet helemaal terug. Lied LIV immers heeft een Prins, en doet ook
als toespraak tot de gepersonifieerde | | | | Mei nogal retoricaal aan.
Lied LVII, met de letterverschikking ‘Agneets Dei’, werkt met
strofen waarvan de laatste alexandrijn steeds op de manier van een soort
retrograde wordt herhaald in het eerste vers van de strofe daarna. Lied LXIV
bevat een uitvoerige beschouwing over de almacht van Cupido en de onmacht van
de minnaar; lied LXXI handelt over de deugden van een weinig toeschietelijk
meisje, maar loopt uit op een onomwonden aanzoek.
Lied LXXXIII waarmee De groote bron der Minnen opent, bevat
formeel nog elementen van de rederijkerspoëzie, o.a. het middenrijm, maar
de inzet bezit al de brede zwier van klankrijke verering die ook treft in de
verwante liederen verderop. Al die gedichten, waaronder vijf sonnetten, worden
beheerst door het thema van de onbeantwoorde liefde. De gemoedsgesteldheid van
de minnaar wordt telkens gekenmerkt door het bange voorgevoel dat zijn
verliefdheid geen weerklank zal vinden, of door de reeds ervaren bevestiging
van dit voorgevoel. Het zijn altijd mooie, begaafde en trotse meisjes tot wie
de minnaar zich zingende richt, soms wervend, zoals in lied CXXIV, waar de wind
wordt gevraagd als liefdesbode te fungeren; een uitzonderlijke maal spottend,
zoals in lied CXXVI, vanwege de zinloze zelfoverschatting van de jonge vrouw
die Amsterdam overigens onverrichterzake al weer verlaten heeft;
of troost puttend voor zijn ontgoocheling uit het besef van de eigen
onverzwakte trouw, zoals in lied CXXIII met die pathetische climax:
Weygert ghy my de naam, of 't weesen van verwinner,
Van hulp, van Vrient, van troost, van Lief, van hooft, of
Prins
Mijn blijft de tytel doch van een getrou beminner,
U wreetheyt, tyt, noch doot, ontvoert my die gheensins.
De vijf sonnetten, waarvan er éen ontleend is aan de
Tragische Historiën, bevestigen enkel wat
uit de andere gedichten in alexandrijnen al is gebleken: in lied CXXXV wordt de
liefde door een fortuinlijker mededinger doorkruist; in lied CXXXVIII blijkt
het meisje volstrekt onvermurwbaar te zijn; lied CXLV, met in vs. 6 de naam
Garbrande, is niets dan verliefde verering; alleen lied XCIV, dat door
z'n droomkarakter doet denken aan een vroeg sonnet van
Hooft, bevat een bij
Bredero zeldzaam Pléiade-achtig element:
Vervormt my soo de schim, van een vermeynde schijn?
O Goon, hoe zoet souw dan, het eyghen wesen zyn:
Vergunt my dat Iuppijn, of laat my eeuwich droomen.
De biografische achtergrond van al deze renaissancistische
liederen is even onbekend als die van de rederijkersteksten; alleen van lied
LXXXV, in vijfvoetige jamben, en van lied CXL, in alexandrijnen, is het stellig
Maria Tesselschade geweest:
Goddinne die de naam van 't schip-rijck Eylant voert
Waarom zij deze toenaderingspoging van Bredero heeft afgewezen,
blijft haar geheim; van een andere minnaar omstreeks 1616 is geen sprake:
verschil in | | | | karakter, smaak, temperament, stand, leeftijd? Negen
jaar is veel als je nog geen twintig bent. Niemand weet het; en net zo min weet
iemand wat er zich in die andere, waarschijnlijk eerdere gevallen heeft
afgespeeld: met dat schaatsenrijdende meisje (I: 226); met die Margriete aan
wie de dichter liep te denken nabij het Muiderslot (I: 322); met
die geliefde van wie hij zo bewogen afscheid nam toen zij wegvoer uit de
amsterdamse haven (I: 455). Er zullen wel meer liederen zijn die
autobiografische gegevens bevatten, maar er is geen detector voorhanden om ze
op te sporen. Wat de liederen wél prijsgeven is een ontgoocheld
liefdesgevoel, en dat alleen. Maar dat dan ook zó vaak, zo voortdurend,
dat het ophoudt een voorbijgaande stemming te zijn of een dichterlijk motief:
het krijgt door z'n frequentie de beklemmende kracht van een noodlot.
Bredero's liefdeslyriek voorzover deze verwant is aan het
volkslied, verschilt naar thematiek niet van de andere amoureuze liederen. Maar
wel is het alsof de eenvoud van woordkeus, versbouw en rijmschema, waarin geen
virtuoze of sierende elementen de aandacht afleiden, de uiting nog pregnanter
maakt. Opmerkelijk is lied LXVI, dat ook al in het
Geestigh Liedt-Boecxken te vinden is: een reeks
vrij luchtige strofen inzake de kwaliteiten waarover de gewenste vrouw zou
moeten beschikken: ze dient mooi te zijn, wijs, bemiddeld, deugdzaam, niet te
jong en niet te oud, en zo nog het een en ander meer; met tot slot een
verliefde buiging voor de éne in wie dit alles belichaamd is (I: 249).
Al doet het onbekommerde van zulke beschouwingen erg jong aan, de achtste
strofe waarschuwt voor een vroege datering althans indien men uitgaat van enige
autobiografische aanleiding: de dichter immers is in de ogen van ‘een
jeughdigh wacker dier’ al ‘schier te ouwt’. Als argument om
nee te zeggen is zoiets veel natuurlijker dan het geld, zoals dat in lied XXVII
openlijk tot uiting komt:
Was ick van meerder doch gheboren,
Off immers maer mijn lieffs gelijck,
Soo had ick hoop: maer dat's verloren,
Want ick ben arrem, en sy is rijck.
In lied XXI is de reactie veel grimmiger, in lied LXXIX veel
trotser en principiëler:
Al ben ic schoon Liefje niet machtig rijck,
Ick ben ten minsten als mijns ghelijck,
De beste rijckdommen leggen in 't gemoet.
Van vervulling kan, getuige Bredero's levensloop, natuurlijk nooit
sprake zijn, maar de inspiratie van een onvervuld verlangen, subtiel evenwicht
van werving en weerstand, schiep liederen met een onvergetelijke inzet zoals:
‘De Minne die in mijn hartje leyt’ (I: 346); ‘Ay Gulde Maan
hout op u jacht’ (I: 440); ‘Ick sieje wel, al gaeje snel’ (I:
489), en als hoogtepunt lied CXLVII: ‘Snachts rusten meest de
dieren’ (I: 481), ongeëvenaard in z'n eenheid van tegendelen,
rusteloze verliefd- | | | | heid en berustende eenzaamheid; met in de
slotregels die expressieve vondst van een antimetrische nadruk op eerst
my en dan vooral op ghy, even natuurlijk als gedurfd:
Adieu Prinsesge jeughelijck
Mijn Vrouw van mijn gemoet:
Adieu en droomt gheneughelijck,
En slaapt gerust en soet:
Ach tis my soo onmeuchlijck,
Is dit magistrale lied ondateerbaar, van een ander hoogtepunt is
én de aanleiding én de datering bekend: lied CXXXIX is voor
Magdalena Stockmans geschreven in het voorjaar van
1618. Men kan zich ook van dit gedicht afvragen, of het ooit voor publikatie
bestemd zal zijn geweest, maar men heeft nu wel de afdoende zekerheid dat
Bredero zich hier - en dus waarschijnlijk ook elders -
niet liet weerhouden om de meest persoonlijke ervaringen neer te schrijven:
zowel de vrijmoedige wederzijdse flirt (vs. 36-40) die vrij lang heeft geduurd
(vs. 29-30), als het welbewuste standsverschil (vs. 17-21) dat een verdergaande
en blijvende verbintenis uitsloot, wordt in niet mis te verstane woorden
vermeld (vs. 34-35; 41-42), in het trotse besef overigens ook dat er een
ándere rangorde van waarden bestaat (vs. 22-25) en dat de praatjes die
bij haar een al te willig oor hebben gevonden, ongegrond zijn:
Vol grootsche Heerlijckheden:
Hoe komt dat ghy nu scheyt
Laas! wat lichtvaerdigheyt
Van deze grandioze inzet af tot en met de bedroefde slotstrofe
doet dit late lied aan als ‘aus einem Guss’ te zijn geschreven. In
zijn dichterlijke en zijn biografische betekenis kan men deze elegie
exemplarisch achten voor Bredero's liefdeslyriek in het algemeen en ook voor de
emotionele ervaringen van de echte, levende, maar nog altijd niet reëel
zichtbare jongeman: telkens weer verliefd op bekoorlijke meisjes van hoger
stand en rijker bezit, telkens welwillend geduld en flirtend aangemoedigd in
zijn toenadering en dichterlijke verering, telkens weer tegengewerkt door
verontruste ouders of jaloerse vijanden, en tenslotte telkens weer onverhoeds
versmaad.
| | | | | |
IX
Dat
Bredero een vroom christen was, is buiten twijfel,
maar dit karakteriseert hem slechts in het algemeen. Hij was een kind van zijn
stad, van zijn stand en van zijn tijd, een burgerjongen van het lang katholiek
en koningsgezind gebleven Amsterdam, dat pas sinds de Alteratie,
26 mei 1578, hervormd was. In zulke omstandigheden geboren en opgegroeid, had
hij niet de minste neiging om zich te verzetten. Wel was hij door zijn talent
een uitzondering, maar in zijn geloof hield hij zich aan de algemene beginselen
van het christendom. Hij was zich de betekenis van zijn omgeving bewust en
erkende met een naieve argeloosheid hoe bevoorrecht hij zich in dit opzicht
gevoelde:
Ick danck u Heer daer van,
Dat ghy my schiept een man
En brocht in tijdt en stede
Gelijck de Heydens deden.
Maar al waren in het vroeg-zeventiende-eeuwse Holland de heidense
afgoden niet inheems, er was er toch altijd éen waarvan
Bredero de massale aanbidding zag en betreurde: het
geld. Dat een groeiende handels- en havenstad het goud alleen op straffe van
zelfmoord kon verloochenen, en dat er een stichtelijke logica bestond die in
winst het klinkende bewijs zag van Gods zegen, is in zijn poëzie niet
merkbaar. Hem was de geldzucht een gruwel, en niet alleen op zondag.
Om tot de kern van Bredero's gezindheid te komen zoals die in zijn
liederen te vinden is, zijn enkele negatieve constateringen niet zonder belang.
Ofschoon hij katholieke kennissen, vrienden en misschien familieleden had, en
de weerklank van de nabije roomse werkelijkheid in zijn toneelstukken niet
ontbreekt, is het katholicisme noch positief noch negatief in zijn lyriek
aanwezig: Maria en de heiligen worden er zo min aangeroepen als afgewezen, ze
zijn er eenvoudig niet. Nergens in de liederen ontmoet men een priester,
nergens bemerkt men iets van biecht of absolutie. Integendeel: het zondebesef,
het berouw, heeft een heel persoonlijke toon en zoekt God zonder intermediair.
Dat
Bredero tot het protestantse kamp behoort, is
onmiskenbaar; maar daarbinnen waren er nog zoveel groepen van uiteenlopende
signatuur: precieze en rekkelijke calvinisten, meer of minder dogmatische
lutheranen, doopsgezinden van velerlei schakering, mensen die het overal
zochten en nergens vonden, en natuurlijk onverschilligen; want die zijn er
altijd en overal. In de kringen waar
Bredero zich bewoog, het schildersgilde, de
rederijkerskamer, de schutterij, is hij met volk van allerlei slag in aanraking
gekomen. Maar niet met predikanten die zich opwonden over de vraag op welk
tijdstip God de predestinatie voor alle komende geslachten had geordonneerd,
vóor of na de zondeval. Voorzover déze soort dogmatiek hem ter
ore | | | | kwam, wellicht tijdens een kerkdient, wees hij die als
menselijke zelfoverschatting radicaal af. Het evangelie stond zoveel hoogmoed
niet toe.
Onder de vele boeken die
Bredero gelezen moet hebben, was uiteraard de bijbel.
En toch: heel de indrukwekkende verhalenrijkdom van het Oude Testament is in
zijn liederen ongebruikt gebleven. De paar ontleningen van deze aard beperken
zich vrijwel tot de elementairste algemeenheden, te vinden op de eerste bladzij
van Genesis: dat God hemel en aarde geschapen heeft, zon, maan en
sterren, al het gedierte en tenslotte Adam en
Eva. Maar terwijl mythologische figuren als Jupiter, Apollo, Venus,
Cupido en vele anderen de speelse fantasieën van Bredero's amoureuze
lyriek zwierig bevolken, komt men in zijn vrome liederen zelfs de namen van
Noach, Mozes, Saul of David
nergens tegen. De profetische toorn van Samuel is hem even
vreemd als de existentiële twijfel van Job. Wat hij na
Genesis aan het Oude Testament heeft ontleend, is te vinden in de
Psalmen, Prediker, de Spreuken en
Jesaja: zedelijke voorschriften, teksten van inkeer en ootmoed,
van zelfkritiek en levenswijsheid.
Bij het Nieuwe Testament is het nauwelijks anders. In een
Nieuwjaarslied dat tevens Kerstlied en Driekoningenlied is, en dat wel uit 1617
zal dagtekenen (I: 620), wordt in de naieve stijl van een middeleeuws volkslied
verteld wat er zich in en rondom de stal te Bethlehem heeft
afgespeeld. Het is haast een berijming van het evangelieverhaal. Maar andere
essentiële gebeurtenissen zoals de opwekking van Lazarus,
de uitdrijving van de wisselaars uit de tempel - toch een tekst die
Bredero met instemming zal hebben gelezen -, de
intocht in Jeruzalem, het verraad van Judas en de
kruisiging op Golgotha - dit fundamentele feit in de christelijke
heilsleer -, komen nergens ter sprake. Over Johannes de Doper of
Maria Magdalena, over Petrus of
Paulus geen woord. Een toespeling op de bruiloft te
Kana is het enige (I: 540). Ook van de schroeiende visioenen uit
de Openbaring, de sadistische wreedheden van Satan en zijn helse
helpers, en het woekerend bijgeloof aan spoken, vindt men geen weerklank in
zijn stichtelijke lyriek. Wat
Bredero heeft beziggehouden, zijn vooral de zedelijke
verplichtingen geweest, de gulden regel van de wederkerigheid, het goede gedrag
jegens anderen, de juiste zelfkennis en zelfkritiek, en de overtuiging dat te
sterven zonder vrees enkel bereikbaar is door te leven zonder zonde, althans
voorzover dit met Gods hulp menselijkerwijs mogelijk is.
Er staan in het Aendachtigh Liedt-Boeck enige gedichten die zo
duidelijk worden gekenmerkt door rederijkerselementen, dat men ze met zekerheid
als jeugdwerk mag beschouwen; lied CLXXXIII is een rijmrijk redeneersel over de
geldzucht, maar met in de vzn. 37-44 toch een toespeling op een wellicht
actueel voorval dat
Bredero had getroffen of waarbij hij betrokken was
geweest. Lied CLXXXII, iets minder retoricaal, kant zich tegen overmatig
standsbesef, en treft door de pittige geformuleerde sententies waarmee enkele
strofen worden afgesloten: | | | |
VVat baet u 't suyver bloet als ghy 't bevleckt?
Lied CXCV is een rijmrijk betoog over het verschil tussen weten en
wijs zijn. Op grond van eigen zondagse ervaring, naar men mag aannemen, verzet
Bredero zich tegen theologische haarkloverijen die
bovendien voor het ongeletterd kerkvolk niet te begrijpen zijn. Van de
predikant mocht men eenvoudige evangelische vermaningen verwachten, die, mede
door hemzelf in praktijk gebracht, de toehoorders zouden bewegen hun zonden en
begeerten te bedwingen. Ofschoon deze gezindheid aansluit bij een lange
ondogmatische, antidogmatische traditie waarvan
Erasmus de wereldhistorische pleitbezorger en
Coornhert de meest begaafde hollandse
vertegenwoordiger is, en deze beiden levenslang in felle polemieken verwikkeld
zijn geweest, neemt
Bredero maar in enkele gedichten stelling tegen de
eerzuchtige eigenwaan van de in dogma's denkende, over dogma's prekende
dominees. Dit is des te opmerkelijker, daar hij bevriend was met de polemische
classicus
Reinier Telle, terwijl bovendien de jaren van het
Bestand vervuld zijn geweest van vervaarlijke theologische twisten waarin niet
enkel het landsbestuur betrokken raakte, maar ook het door fanatieke
predikanten van week tot week opgehitste volgzame kerkvolk. De dramatische
politieke gebeurtenissen die als in een klassieke tragedie elkaar opvolgden
sinds in de zomer van 1617 de Scherpe Resolutie was aangenomen, kunnen
Bredero onmogelijk zijn ontgaan, al heeft zijn dood op
23 augustus 1618 hem ervoor behoed te weten hoe gauw de openingsscène
kwam van het fatale laatste bedrijf: op 29 augustus valt de arrestatie van
Oldenbarnevelt en van
Hugo de Groot.
Ofschoon in alexandrijnen geschreven, zijn het ‘Klachtigh
A.B.C.Liedt’ (I: 573) en de moraliserende beschouwingen over Elck (I:
544) en Self (I: 556) in wezen retoricaal. In alle drie echter zit binnen hun
algemeen vermaan ook een stuk zelfkritiek, diepe onvrede met de menselijke
staat zoals die is, en verlangen om berouwvol boete te doen en met Gods hulp de
weg naar een deugdzamer leven in te slaan:
O groote Coningh die de gulde heyl'ge rijcken
Der Hemelen besit, en alles over-heert:
Laet in mijn selven doch u lieve goetheyt blijcken,
En van den dwael-wegh my genadelijck bekeert.
Het eendere schema van een algemene zedelijke kritiek die
tenslotte wordt toegepast op de eigen situatie, komt voor in de liederen CLXVI
en CLXXVI, die men elkanders pendant zou kunnen noemen: de wereld is enkel
bedrieglijke schijn, het aardse leven kwellende gevangenschap, en niemand kan
daaruit worden verlost dan via Christus. Niet echter de wereld als zodanig is
schuldig, de schuld ligt bij de wereldsgezinde mens die verkeerd oordeelt,
verkeerd kiest en verkeerd handelt (I: 558, vs. 9-12). Wie zich bekeert en Gods
vaandel volgt, behoort tot de christen-ridders en tot hen richt
Bredero zich in een soort krijgszang (I: 553) waarvan
het slot een aansporing is aan hemzelf. Ondanks zo'n overgang van het | | | | algemene naar het persoonlijke behouden deze moraliserende gedichten,
ook formeel, toch te zeer het karakter van vrijblijvende retoriek om te kunnen
ontroeren. Veel minder dan bij de amoureuze liederen maakt de alexandrijn hier
gebruik van suggestieve assonanties en alliteraties, en er is ook geen enkele
aanhef, zoals daar, die zich zingende voorgoed vastzet in het geheugen.
Tot de teksten in alexandrijnen behoren ook drie
bruiloftsgedichten die én volstrekt christelijk zijn van inhoud,
én zich nauwkeurig laten dateren: september 1616, januari 1618, mei
1618. Het eerste (I: 533) wordt beheerst door het denkbeeld dat God de zielen
van bruidegom en bruid al van vóor hun geboorte voor elkaar heeft
voorbestemd. Dit denkbeeld is overigens reeds te vinden in het bruiloftsgedicht
uit november 1613 dat z'n stof aan
Plato's
Symposion had ontleend (I: 183). Opmerkelijk
genoeg heeft Bredero in september 1616 ook het feestliedje gebruikt om
diezelfde gedachten nog eens onder woorden te brengen; het kon blijkbaar niet
vaak genoeg worden gezegd:
Want eer de grond//Des werelts stont,
Of eer ghy waert in wesen;
Door zijn voorzienicheyden
In januari 1618 is dit denkbeeld van Gods voorbestemming opnieuw
het thema, en kennelijk met recht: een huwelijk van een al wat oudere man uit
Antwerpen met een jong meisje uit Amsterdam kon
immers geen toeval zijn (I: 599). Bij zulke gelegenheidsteksten bestaat er kans
dat de strekking mede is bepaald door het bruidspaar of door familieleden
daarvan. Maar men kan zich toch moeilijk voorstellen dat
Bredero zoiets zou hebben geschreven tegen zijn
overtuiging in. Bovendien zet het feestliedje (I: 603) ook hier het vermaan om
God te gehoorzamen en Gods naam te eren nog acht ernstige strofen lang voort.
Voor de bruiloft van 1 mei 1618 heeft Bredero zijn stof aan het bijbelse
scheppingsverhaal ontleend, en dezelfde voorbestemde eenheid van man en vrouw
gegrond op de tekst uit Genesis 2, dat God Eva heeft geformeerd
uit een rib van Adam. Het feestliedje slaat ditmaal een wat joliger toon aan
(I: 563 en 568).
Terwijl de overgang van het algemene naar het persoonlijke
vrijblijvend aandoet en alleen de overtuigden overtuigt, werkt de beperking tot
het eigene juist algemeen-menselijk, dank zij de identificatie van de lezer met
het lyrische ik. Als bewijs kan men lied CLXIII aanvoeren, in vijfvoetige
jamben geschreven, met een eerste strofe die de suggestieve herhaling niet
schuwt, en die bovendien in z'n geheel als laatste strofe terugkeert:
Garbrande, wilt ghy leven recht gerust?
So lieft uyt liefd' den lieven God met lust:
Schuwt het misbruyk van d'algemeene lien,
Die meer op elck als op haer selven sien.
| | | |
De stichtelijke liederen van
Bredero die in hun eenvoud en direktheid verwant zijn
aan het geestelijk lied uit de middeleeuwen, behoren tot de mooiste - en de
moeilijkste. De kwalificatie mooi heeft altijd een subjectieve inslag, het
mooi-gevonden-worden is niet denkbaar zonder een mooi-vinder; en zelfs als er
een groot aantal mooi-vinders is, een zeer groot aantal, een meerderheid van
kenners, dan nog bestaat er geen enkele garantie dat men door hetzelfde te
zeggen in feite ook hetzelfde bedoelt. Maar ieder kunstwerk, elk gedicht, heeft
een reeks kenmerken die objectief waarneembaar zijn en geacht kunnen worden tot
de relatieve en subjectieve mooi-ervaring te hebben bijgedragen. Men zal ze
nooit anders dan afzonderlijk en na elkaar kunnen bespreken, terwijl ze in
feite gezamenlijk en gelijktijdig werkzaam zijn; men kan bovendien nooit
volledig zijn.
Ofschoon in deze liederen, zo goed als in al de stichtelijke
gedichten, de zedelijke tegenstelling goed/kwaad centraal staat, wordt de
aandacht hier niet gevraagd voor min of meer abstracte overwegingen, en niet
gericht op de keuze waartoe ieder verplicht is en niemand in staat. Het
principiële onderscheid tussen de overige gedichten en deze liederen in
eenvoudiger stijl is juist dat het hier niet om overwegingen gaat maar om
ervaringen, niet om een nog te kiezen keuze maar om een reeds gekozen keuze
waarvan de kwalijke gevolgen manifest zijn. Ogenschijnlijk behoren deze
liederen dus tot een verder stadium, ze zijn geschreven van een doorleefde
werkelijkheid uit en vervuld van emoties die samenhangen met een veel
existentiëler zelfbesef dan wat iemand denkende of oordelende of
moraliserende ooit kan bereiken. Ze behoeven zich niet te beroepen op abstracte
regels of algemene geboden, maar maken gebruik van concrete feiten en
persoonlijke ondervindingen. En voorzover een lied toch een waarschuwing
inhoudt, is dat ongewild, onopzettelijk, als de natuurlijke consequentie van
wat zich enkel als een gevoelsuiting aandient.
En daar ligt dan tegelijk de principiële en onoplosbare
moeilijkheid. In de liederen is een lyrische ik-figuur aan het woord die,
bewust van de nood waarin de vele door hem bedreven zonden hem hebben gebracht,
in diep berouw Gods genade afsmeekt voor zijn onsterfelijke ziel. Zo lang men
het Aendachtigh Liedt-Boeck las als het dichterlijk verslag van Bredero's
laatste levensfase, en het slotgedicht als de ultieme hartekreet van een
godsdienstige, in zijn langdurige ziekte tot inkeer gekomen, stervensbereide
dichter, was er geen probleem: het lyrisch ik en de drie-en-dertigjarige
Amsterdammer waren identiek, de liederen autobiografisch: wat het lyrisch ik
beleed, had de man gedaan en ondervonden.
Maar hoe weinig zekerheid er ook mag zijn, éen ding staat
vast: zó was het niet. Een vertaald gedicht, in 1614 gedrukt, kan
niet een stuk belijdenislyriek zijn, in augustus 1618 geschreven; wie
plotseling sterft, kan niet maandenlang zijn weggeteerd aan een dodelijke
ziekte; het arrangement van een uitgever heeft niet het gezag van een
biografisch kroongetuigenis. Al dagtekenen de eenvoudige vrome liederen
misschien merendeels uit de laatste periode, ze tot het laatste | | | | levensjaar te rekenen is niet verantwoord. En evenmin is het
verantwoord, in elk detail van een vroom lyrisch lied een feitelijk betrouwbare
bekentenis te zien omtrent iets van biografische aard. Bredero's zondebesef is
de individueel-dichterlijke variant van een veel algemener verschijnsel dat tot
het wezen van het christelijk geloof behoort, en dat met name sterk leefde in
groepen aan de zelfkant van het heersende calvinisme. Maar zelfs het woord
groepen suggereert een samenhang die er niet was en een gemeenschappelijke
overtuiging die niet bestond. Het ging om enkelingen die God zochten in het
eigen hart. Zo min als de pastoor kon de predikant middelaar zijn tussen de
individuele mens en God, en eerst recht niet de dogmatisch polemiserende
predikant die zo'n gewone verschijning was in die benarde jaren. Men kan
Bredero als christen niet inpassen in éen van
de kerken, groeperingen of sekten die elkander luidkeels de absolute
christelijke waarheid hebben betwist in het vroeg-zeventiende-eeuwse Holland.
Dat hij formeel tot de calvinistische kerk heeft behoord, ligt gezien zijn
afkomst wel voor de hand: een huis heet niet zó maar naar de
geuzenhoofdman Hendrik van Brederode. Maar daar het huwelijk in 1581
‘over de Pui’ plaats vond, dus een ambtelijk karakter had, zal
Bredero's moeder destijds wel geen lid van de gereformeerde kerk zijn geweest;
de mogelijkheid dat er in het gezin een soort van oecumenisch christendom heeft
geheerst, is dus niet ondenkbaar. In geen geval kan men zich
Bredero voorstellen als een trouw kerkganger, noch als
een fel in de dogmatische geschilpunten geïnteresseerd partijman.
Integendeel: in feite steunde zijn geloof op enkele hoofdzaken van de bijbelse
openbaring; hij geloofde dat God de wereld had geschapen, dat Hij de mens een
onsterfelijke ziel en een vrije wil had geschonken, en dat Hij hem eens
rekenschap zou vragen over zijn aardse bestaan; hij geloofde dat Christus de
weg, de waarheid en het leven was, en dat de mens geroepen was Hem te
volgen.
Aan de calvinistische overtuiging van
Marnix,
Cats,
Revius en
Huygens kan men niet twijfelen, aan het
anti-calvinisme van
Coornhert,
Hugo de Groot en
Camphuysen evenmin; bij de diplomatieke renaissancist
Hooft is de verhouding Stoa/Christendom een probleem.
Bredero behoort zo min tot de ene als tot de andere
groep, zijn geloof is ook geen wankel compromis van klassieke en christelijke
beginselen; hij was noch naar aanleg, noch naar scholing een kritisch
twijfelaar, hij hield zich bij het enig nodige. Maar door aldus te volstaan met
een paar kernideeën van het evangelie, was hij ongewild in kerkelijk
opzicht toch een uitzondering, niet zo zeer een afvallige als wel een
randfiguur. Een geniale randfiguur, zo goed als
Rembrandt dat een halve eeuw later zou zijn. En
terwijl de honderden preken, pamfletten en verhandelingen uit die jaren tot
onleesbaarheid zijn verstard, stenen voor brood - en waren ze ooit wel
méer? - doet Bredero's lied over de eeuwen heen nog een bewogen beroep
op de lezer, van welke levensbeschouwing ook.-
| | | | | |
X
| 1 | Al zijn de feitelijke gegevens betreffende
Bredero ontoereikend om in biografisch opzicht verder
te komen dan waarschijnlijkheden, ze zijn voldoende om de bestaande
biografieën als volstrekt ónwaarschijnlijk van de hand te
wijzen. |
| 2 | Het populaire beeld van
Bredero als een zorgeloze losbol die in ellende
bekeerd jong stierf, berust op een misverstand inzake het werkelijkheidsgehalte
van zijn poëzie en op een onkritisch geloof in de ordening van het
Groot Lied-boeck. |
| 3 | Het genre waartoe Bredero's gedichten merendeels behoren,
namelijk het lied, houdt in dat men slechts bij uitzondering te maken heeft met
een uiting van autobiografische aard. |
| 4 | Ondanks hun dateerbaarheid zijn ook Bredero's bruiloftsgedichten
maar in beperkte mate bruikbaar als autobiografisch materiaal, aangezien ze,
hetzij spontaan, hetzij op verzoek, hetzij in opdracht geschreven, min of meer
zullen zijn aangepast aan de levenssfeer van het bruidspaar. |
| 5 | Hoewel Bredero's schoolopleiding met inbegrip van het Frans
elementair is gebleven, heeft hij zich blijkens zijn liederen een
bewonderenswaardige kennis van de klassieke cultuur eigen gemaakt. |
| 6 | Krachtens de voorgeschiedenis moet het
Geestigh Lied-Boecxken 1621 worden beschouwd
als een bundeling van gedichten die Bredero zelf had uitgezocht en goedgekeurd.
Ten aanzien van de enorme vermeerdering in het
Groot Lied-boeck, 1622, geldt het
tegendeel. |
| 7 | De veelgeprezen eenvoud en natuurlijkheid van Bredero's
taalgebruik is maar voor een klein deel van zijn liederen karakteristiek en
vormt niet zo zeer een aangeboren als wel een verworven eigenschap. |
| 8 | Indien Bredero's dichterschap, ondanks de beperkte duur ervan,
een zekere ontwikkeling te zien geeft, is deze veeleer van stilistische dan van
psychologische aard geweest. |
| 9 | In die ontwikkeling vormt zowel het herdichten van dozijnen
franse liederen in de jaren 1612-1614, als het medewerken aan
Apollo 1615 met de daarop gevolgde uitgave van
het
Geestigh Liedt-Boecxken 1616 een factor van
beslissend belang. |
| | | |
| 10 | Bredero's geloofsovertuiging is zó vervuld van
realiteitszin, verdraagzaamheid, godsvertrouwen en besef van het menselijk -
ook theologisch - tekort, dat ze zich het best laat karakteriseren als een vorm
van bijbels humanisme in de traditie van
Erasmus,
Coornhert en
Spiegel. Ofschoon het niet twijfelachtig is naar welke
kant zijn sympathie zal zijn uitgegaan, was hij te weinig partijman om als
hekeldichter deel te nemen aan de godsdiensttwisten tijdens het Bestand. |
Garmt Stuiveling
|
*Binnenrijm en middenrijm betreffen beide een
rijmwoord in een versregel; het verschil is dat binnenrijm rijmt op een
eindrijm, en middenrijm op een ander middenrijm.
*Zie het deel Verspreid Werk
*Zie het deel Verspreid Werk
|
|